Algemene beginselen van het industriebeleid van de EU

Het industriebeleid van de EU is erop gericht het concurrentievermogen van de Europese industrie te verbeteren, zodat de rol als drijfkracht voor duurzame groei en werkgelegenheid in Europa gehandhaafd blijft. Uiteenlopende strategieën werden aangenomen om betere randvoorwaarden voor de industrie in de EU te scheppen. De meest recente strategie wordt beschreven in de mededeling „Voor een heropleving van de Europese industrie” van januari 2014.

Rechtsgrond

Artikel 173 VWEU

Doelstellingen

Het industriebeleid is horizontaal van aard en is bedoeld om een kader te scheppen dat bevorderlijk is voor het concurrentievermogen van de industrie. Het is ook goed geïntegreerd in een aantal andere EU-beleidsdomeinen, zoals die met betrekking tot handel, de interne markt, onderzoek en innovatie, werkgelegenheid, milieubescherming en volksgezondheid. Het industriebeleid van de EU is er in het bijzonder op gericht: 1) de aanpassing van de industrie aan structurele wijzigingen te bespoedigen; 2) een gunstig klimaat voor het ontplooien van initiatieven en voor de ontwikkeling van ondernemingen in de gehele Unie, met name van het midden- en kleinbedrijf, te bevorderen; 3) een gunstig klimaat voor de samenwerking tussen ondernemingen te bevorderen; en 4) een betere benutting van het industriële potentieel van het beleid inzake innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling te stimuleren (artikel 173 VWEU).

Resultaten

A. Inleiding

De instrumenten van het industriebeleid van de EU, die ook die van het ondernemingsbeleid zijn, zijn gericht op het scheppen van algemene omstandigheden waarin ondernemers en ondernemingen initiatieven kunnen ontplooien en hun ideeën en mogelijkheden kunnen benutten. Desalniettemin dient het industriebeleid rekening te houden met de specifieke behoeften en kenmerken van afzonderlijke bedrijfstakken. In de jaarlijkse „European Competitiveness Reports” worden de sterke en zwakke punten van de economie van de EU in het algemeen en de industrie in het bijzonder geanalyseerd, waaruit bedrijfstakoverschrijdende of bedrijfstakspecifieke beleidsinitiatieven kunnen voortvloeien.

B. Naar een geïntegreerd industriebeleid

Terwijl de EU-instellingen in de jaren '80 en '90 vooral op de totstandbrenging van een interne markt waren gericht, hebben de oprichting van de Economische en Monetaire Unie en de uitbreiding van de EU de aandacht naar het industriebeleid verlegd. In juli 2005 zette een mededeling van de Commissie getiteld „Uitvoering van het communautair Lissabonprogramma: een beleidskader ter versterking van de EU-industrie. Naar een beter geïntegreerde aanpak van het industriebeleid” (COM(2005)0474) voor de eerste keer een geïntegreerde aanpak van het industriebeleid uiteen op basis van een concreet werkprogramma van bedrijfstakoverschrijdende en bedrijfstakgebonden initiatieven.

De mededeling van de Commissie van 2008 getiteld „Actieplan inzake duurzame consumptie en productie en een duurzaam industriebeleid” (COM(2008)0397) heeft tot doel een geïntegreerd maatregelenpakket aan te reiken om te komen tot duurzamere consumptie en productie en tegelijkertijd de Europese economie competitiever te maken. Teneinde deze „virtueuze cirkel” te bereiken, wordt in het actieplan voorgesteld gebruik te maken van uiteenlopende beleidsinstrumenten. Zo moesten consumenten bijvoorbeeld door een vereenvoudigde etikettering tot een duurzamere consumptie worden aangespoord.

Als antwoord op de uitdagingen bij de totstandbrenging van een duurzame voorziening van niet-energetische grondstoffen ten behoeve van de EU-economie lanceerde de Commissie „het grondstoffeninitiatief” (COM(2008)0699), waarin gelijke voorwaarden voor de toegang tot hulpbronnen in derde landen, betere randvoorwaarden voor de winning van grondstoffen in de EU en vermindering van het verbruik van primaire grondstoffen worden gewaarborgd door een efficiënter gebruik van hulpbronnen en het bevorderen van recycling. In een daaropvolgende mededeling van de Commissie (COM(2011)0021) wordt voorgesteld om de tenuitvoerlegging van dit initiatief te versterken.

In haar mededeling „Voorbereiden van onze toekomst: ontwikkeling van een gemeenschappelijke strategie voor sleuteltechnologieën in de EU” (COM(2009)0512) stelde de Commissie dat de EU in haar huidige beleidskader de inzet van sleuteltechnologieën zou bevorderen. Daarnaast stelde ze voor om een groep van deskundigen op hoog niveau (GHN) samen te stellen die verantwoordelijk zou zijn voor de ontwikkeling van een gemeenschappelijke langetermijnstrategie. In haar eindverslag stelde de groep op hoog niveau elf beleidsaanbevelingen voor inzake de ontwikkeling en inzet van sleuteltechnologieën in Europa.

C. De Europa 2020-strategie en „Industriebeleid in een tijd van mondialisering”

In maart 2010 werd de strategie van Lissabon vervangen door de Europa 2020-strategie („Europa 2020 — Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” — COM(2010)2020). De nieuwe strategie brengt zeven kerninitiatieven naar voren. Vier initiatieven zijn in het bijzonder gericht op een verbetering van het concurrentievermogen van de Europese industrie: „Innovatie-Unie” (COM(2010)0546), „Een digitale agenda voor Europa” (COM(2010)0245), „Industriebeleid in een tijd van mondialisering” (COM(2010)0614) en „Nieuwe vaardigheden voor nieuwe banen” (COM(2008)0868). Het kerninitiatief „Een industriebeleid in een tijd van mondialisering” richt zich op tien acties ter bevordering van het concurrentievermogen van de Europese industrie, waarbij met name meer aandacht gaat naar factoren als de groei van kmo’s en de aanvoer en het beheer van grondstoffen.

In de mededeling van de Commissie, „Het industriebeleid: het concurrentievermogen versterken” (COM(2011)0642), die op 14 oktober 2011 werd aangenomen, werd opgeroepen tot diepgaande structurele hervormingen en coherente en gecoördineerde beleidsmaatregelen van de lidstaten om het economisch en industrieel concurrentievermogen van de EU te versterken en duurzame groei op lange termijn aan te moedigen. In deze mededeling werden een aantal domeinen genoemd waar meer inspanningen nodig zijn: structurele verandering in de economie; het innoverend vermogen van de industrie; duurzaamheid en efficiënt hulpbronnengebruik. het ondernemingsklimaat; de interne markt en het mkb.

Op 10 oktober 2012 heeft de Commissie een mededeling (COM(2012)0582) doen uitgaan getiteld „Een sterkere Europese industrie om bij te dragen tot groei en economisch herstel — Actualisering van de mededeling over het industriebeleid”, ten behoeve van ondersteuning van investeringen in innovatie, met de nadruk op zes prioritaire gebieden met groot potentieel (geavanceerde productietechnologieën voor schone productie, sleuteltechnologieën, producten op biobasis, duurzaam industriebeleid en duurzame bouw en grondstoffen, schone voertuigen en vaartuigen, en slimme netwerken). In deze mededeling werd tevens gewezen op de noodzaak van betere marktvoorwaarden, toegang tot financiering en kapitaal, en menselijk kapitaal en vaardigheden, als middel om de concurrentiekracht van de industrie te vergroten.

In januari 2014 heeft de Commissie de mededeling „Voor een heropleving van de Europese industrie” (COM(2014)0014) doen uitgaan. In deze mededeling wordt de nadruk gelegd op het omkeren van de achteruitgang van de industrie en het bereiken van het doel van 20% van het bbp voor industriële activiteiten tegen 2020. De Commissie stelt dat om nieuwe investeringen aan te trekken en een beter ondernemingsklimaat te scheppen de EU coherentere beleidslijnen moet voeren op het vlak van de interne markt, met inbegrip van de Europese infrastructuur zoals energie-, vervoer- en informatienetwerken, en voor goederen en diensten. Er wordt eveneens vermeld dat een verbeterde samenwerking op het vlak van kwalitatief openbare administratie, handel, onderzoek en grondstoffen belangrijk is.

Dit beleid werd in 2016 aangevuld met de mededeling "De digitalisering van het Europese bedrijfsleven – De voordelen van een digitale eengemaakte markt ten volle benutten" (COM(2016) 0180), waarin de nadruk wordt gelegd op digitale transformatie en gerelateerde uitdagingen zoals financiering, normalisatie op het vlak van ICT, big data en vaardigheden, worden aangepakt. Bovendien beoogt het in 2016 gelanceerde starters- en opschalingsinitiatief (COM(2016) 0733) de vele innovatieve ondernemers in Europa elke gelegenheid te bieden om wereldwijd toonaangevende ondernemingen uit te bouwen.

D. Steunprogramma’s van de EU

Een groot aantal beleidsmaatregelen, programma’s en initiatieven over een brede waaier van gebieden dragen momenteel bij tot het industriebeleid van de EU. Voorbeelden van initiatieven met een budget omvatten (naar volgorde van belangrijkheid): het cohesiebeleid, Horizon 2020, de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen en het programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen (Cosme), waarvan de gezamenlijke begroting iets minder dan 200 miljard EUR bedraagt. Bovendien beogen het investeringsplan voor Europa en het Europees fonds voor strategische investeringen tegen 2020 minstens 500 miljard EUR aan particuliere en publieke investeringen te mobiliseren. Kmo's en innovatie zijn twee wederkerende prioriteiten in deze programma’s en initiatieven.

De rol van het Europees Parlement

In het Verdrag van Maastricht komt voor het eerst het industriebeleid aan de orde, hetgeen te danken is aan de initiatieven van het Parlement, dat heeft bijgedragen aan de stimulering van de reorganisatie van de staalsector en heeft aangedrongen op een dynamischer industriebeleid. Sindsdien heeft het Parlement tal van resoluties aangenomen die het industriebeleid van de EU verder hebben versterkt. Hieronder volgen enkele van de meest recente resoluties:

  • zijn resolutie van 16 juni 2010 over EU 2020[1], waarin het EP een industriebeleid resoluut steunt en voorstelt voorwaarden te scheppen die bevorderlijk zijn voor de handhaving en ontwikkeling van een sterke, concurrerende en gediversifieerde industriële basis in Europa. Het benadrukt verder dat de Europa 2020-strategie de kosten en baten van de omschakeling naar een duurzame, energie-efficiënte economie moet aangeven;
  • zijn resolutie van 9 maart 2011 over een industriebeleid voor het tijdperk van de globalisering[2], waarin het Europees Parlement het belang benadrukt van een allesomvattende visie voor de Europese industrie tegen 2020, waarbij voorspelbaarheid en stabiliteit van de regelgeving op lange termijn van essentieel belang worden geacht om investeringen aan te trekken. Het Parlement spoort de Commissie in het bijzonder aan om meer nadruk te leggen op vernieuwing van de industriesector, het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de industrie en om een ambitieuze, milieuefficiënte en groene industriestrategie voor de EU te ontwikkelen;
  • zijn resolutie van 26 oktober 2011 over de agenda voor nieuwe vaardigheden en banen[3], waarin het Europees Parlement het belang onderstreepte om een nauwere samenwerking tussen onderzoeksinstituten en de industrie te creëren en bedrijven aan te moedigen in onderzoek en ontwikkeling te investeren en hen hierbij te ondersteunen. Het Parlement verlangde meer investeringen in onderwijs, onderzoek en innovatie, de bevordering van excellentiecentra en mobiliteit van jongeren en de ondersteuning van het scheppen van voorwaarden om de groei van innovatieve ondernemingen te stimuleren;
  • zijn resolutie van 19 januari 2012 naar een ruimtevaartstrategie van de Europese Unie ten dienste van de burger[4], waarin het Europees Parlement op het belang wees van een onderzoeks- en innovatiestrategie op het gebied van ruimtevaartbeleid die zou zorgen voor technologische vooruitgang, industriële ontwikkeling en het concurrentievermogen van de Unie en die banen in de EU zou scheppen;
  • zijn resolutie van 15 januari 2014 over de herindustrialisering van Europa ter bevordering van concurrentievermogen en duurzaamheid[5], waarin de huidige situatie van de industrie in Europa wordt geëvalueerd en een reeks maatregelen wordt voorgesteld om de huidige uitdagingen aan te pakken. In deze resolutie wordt een strategie voor de opleving van de industrie voor een duurzaam Europa (RISE-strategie) gesteund om innovatie in de richting van een nieuwe industriële revolutie na te streven;
  • zijn resolutie van 4 februari 2014 over een actieplan voor een concurrerende en duurzame staalindustrie in Europa[6], waarin de nadruk wordt gelegd op de belangrijke plaats van de staalindustrie in industriële waardeketens, zoals die van de automobielsector en de bouwindustrie en mechanische en elektrische apparatuur. Er wordt ook verzocht een concurrerende Europese staalproductie te behouden, waardoor economische groei en banen in Europa worden gegarandeerd.
  • zijn resolutie van 9 juni 2016[7], die erop gericht is het concurrentievermogen en het mondiale leiderschap van de Europese spoorwegindustrie in stand te houden.

[1]PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 57.
[2]PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 131.
[3]PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 87.
[4]PB C 227E van 6.8.2013, blz. 16.
[5]PB C 482 van 23.12.2016, blz. 89.
[6]PB C 93 van 24.3.2017, blz. 59.
[7]Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0280.

Frédéric Gouardères