Innovatiebeleid

Innovatie vervult een steeds grotere rol in onze economie en biedt de burgers voordelen, als consumenten en als werknemers. Het is een wezenlijk onderdeel bij het scheppen van betere banen, het werken aan een groenere samenleving en het verbeteren van de kwaliteit van ons bestaan, maar eveneens bij het handhaven van het concurrentievermogen van de EU op de wereldmarkt. Het innovatiebeleid vormt de verbinding tussen het beleid inzake onderzoek en technologische ontwikkeling en het industriebeleid, en is gericht op het tot stand brengen van een gunstig klimaat om ideeën op de markt te brengen.

Rechtsgrond

De rechtsgrond voor het algemene industriebeleid van de EU is artikel 173 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), waarin gesteld wordt dat "de Unie en de lidstaten er zorg voor dragen dat de omstandigheden nodig voor het concurrentievermogen van de industrie van de Unie aanwezig zijn".

In de rechtsgrond voor het EU-beleid inzake onderzoek en technologische ontwikkeling (O&TO) wordt voorzien door de artikelen 179 tot en met 190 van het VWEU. Het voornaamste instrument van het O&TO-beleid van de Unie is het meerjarig kaderprogramma, waarin de doelstellingen, de prioriteiten en het financiële ondersteuningspakket voor een periode van meerdere jaren worden vastgesteld. De kaderprogramma's voor O&TO worden aangenomen door het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité.

Doelstellingen

Het belang van het innovatiebeleid wordt algemeen erkend. Het is nauw verbonden met het EU-beleid op andere terreinen, zoals werkgelegenheid, concurrentievermogen, milieu, industrie en energie. Innovatie heeft tot taak onderzoeksresultaten om te zetten in nieuwe en betere diensten en producten teneinde concurrerend te kunnen blijven op de wereldmarkt en de levenskwaliteit van de burgers van Europa te verbeteren.

Europa besteedt jaarlijks 0,8 % van het bbp minder dan de VS en 1,5 % van het bbp minder dan Japan aan onderzoek en ontwikkeling (O&O). Bovendien is er sprake van een zekere kennisvlucht, aangezien onze beste onderzoekers en vernieuwers naar landen gaan waar gunstigere voorwaarden geboden worden. De EU-markt is weliswaar de grootste ter wereld, maar blijft gefragmenteerd en is onvoldoende innovatievriendelijk.

Teneinde deze trends om te buigen, heeft de EU het concept van een "Innovatie-Unie" ontwikkeld, dat erop gericht is om:

  • ervoor te zorgen dat Europa wetenschappelijke prestaties van wereldformaat gaat leveren;
  • belemmeringen voor innovaties weg te nemen — zoals dure octrooien, marktfragmentatie, trage normering en tekorten aan vaardigheden — die momenteel verhinderen dat ideeën snel op de markt komen;
  • de manier waarop de particuliere en de overheidssector samenwerken revolutionair te veranderen, vooral door middel van innovatiepartnerschappen tussen de EU-instellingen, de nationale en regionale instanties en het bedrijfsleven.

De Innovatie-Unie is een cruciale investering in onze toekomst. De verwezenlijking van onze doelstelling om in 2020 3 % van het bbp van de EU te investeren in O&O zou bijvoorbeeld 3,7 miljoen banen kunnen scheppen en het jaarlijkse bbp tegen 2025 met 795 miljard EUR kunnen verhogen.

Resultaten

A. Innovatie-Unie

De Innovatie-Unie is een van de zeven vlaggenschipinitiatieven van de Europa 2020-strategie voor een slimme, duurzame en inclusieve economie. Deze strategie, die in oktober 2010 door de Commissie werd gelanceerd, is gericht op de verbetering van de voorwaarden en de toegang tot financiering voor onderzoek en ontwikkeling in Europa, opdat innovatieve ideeën omgezet kunnen worden in producten en diensten die groei en banen scheppen. Met de Innovatie-Unie wordt beoogd een daadwerkelijk interne Europese markt voor innovatie tot stand te brengen die aantrekkelijk is voor innovatieve bedrijven en ondernemingen. Om dit te verwezenlijken zijn er verschillende maatregelen voorgesteld op het gebied van octrooibescherming, normering, overheidsaanbestedingen en slimme regelgeving. De Innovatie-Unie is eveneens gericht op de stimulering van particuliere investeringen en beoogt onder meer de Europese durfkapitaalinvesteringen te vergroten.

Er zijn verscheidene instrumenten in het leven geroepen om in de gehele EU de voortgang te meten en toezicht te houden op de situatie.

  • een uitgebreid scorebord voor de Innovatie-Unie, dat gebaseerd is op 25 indicatoren en een Europese kennismarkt voor octrooien en licenties. Het Europees innovatiescorebord (EIS) is een instrument van de Commissie dat uit hoofde van de Strategie van Lissabon ontwikkeld is om een vergelijkende beoordeling te kunnen maken van de innovatieprestaties van de lidstaten van de Europese Unie;
  • een regionaal innovatiescorebord (RIS), waarbij de Europese regio's op basis van innovatieprestaties in vier groepen worden ingedeeld, op soortgelijke wijze als bij het Europees innovatiescorebord. Onder de eerste groep van "innovatieleiders" vallen 41 regio's, 58 regio's behoren tot de tweede groep van "innovatievolgers", 39 regio's zijn "gematigde innoveerders" en 52 regio's bevinden zich in de vierde groep van "bescheiden innoveerders". Met dit scorebord kan innovatie op lokaal niveau beter in kaart worden gebracht;
  • de Innobarometer, een jaarlijkse opiniepeiling die in het bedrijfsleven en bij het publiek gehouden wordt over houdingen en activiteiten met betrekking tot innovatiebeleid. De Innobarometer-enquête verschaft informatie die relevant is voor het beleid en niet via andere bronnen beschikbaar is.

Innovatie wordt mogelijk gemaakt door onderzoek en onderwijs. De EU heeft minstens één miljoen onderzoekers meer nodig in het volgende decennium om de doelstelling om in 2020 3 % van het bbp in O&O te investeren te verwezenlijken. De in het kader van de Innovatie-Unie voorgestelde maatregelen zijn erop gericht om de Europese onderzoeksruimte te voltooien. Dit behelst meer samenhang tussen het Europese en nationale onderzoeksbeleid en het wegnemen van belemmeringen voor de mobiliteit van onderzoekers. In het onderwijs ondersteunt de Commissie projecten om nieuwe curricula te ontwikkelen voor de aanpak van leemten ten aanzien van innovatieve vaardigheden.

Voorts zijn er verschillende maatregelen voorgesteld op het gebied van octrooibescherming, normering, overheidsaanbestedingen en slimme regelgeving, teneinde innovatieve bedrijven en ondernemingen aan te trekken. In 2011 heeft de Commissie een strategie ter versterking van de Europese normalisatie ontworpen (COM(2011)0315), waarin zij de noodzaak onderstreept om de normeringsmethode en het gebruik van normen in Europa te verbeteren om ervoor te zorgen dat er, in het belang van het concurrentievermogen van Europa op de lange termijn, meer Europese en internationale normen vastgelegd worden. Daarnaast zijn er de Europese innovatiepartnerschappen (EIP's), die zijn ontworpen om de publieke en particuliere belanghebbenden op Europees, nationaal en regionaal niveau bijeen te brengen om belangrijke maatschappelijke uitdagingen aan te pakken en banen en groei te helpen scheppen door een combinatie van op het aanbod en op de vraag gerichte maatregelen.

B. Horizon 2020

Horizon 2020 is een vlaggenschipinitiatief van Europa 2020 dat tot doel heeft het algehele concurrentievermogen van Europa te waarborgen en dat dient als financieel instrument ter verwezenlijking van de Innovatie-Unie. Horizon 2020 is het achtste kaderprogramma (2014-2020) voor onderzoek, maar het eerste EU-programma dat onderzoek en innovatie integreert. In het programma worden veel van de specifieke verplichtingen ten aanzien van de Innovatie-Unie vastgesteld, vooral door de aandacht te richten op de werkelijke maatschappelijke uitdagingen, het vereenvoudigen van toegang, het betrekken van de kmo's, het versterken van de financiële instrumenten, het ondersteunen van overheidsopdrachten voor innovatie, het faciliteren van samenwerking en het ondersteunen van onderzoek naar innovatie in de overheidssector en maatschappelijke innovatie. In november 2013 nam het Parlement het meerjarig financieel kader (MFK) aan, waarmee 77 miljard EUR (in prijzen van 2013) werd toegewezen aan Horizon 2020. In juni 2015 werd dit bedrag echter verlaagd tot 74,8 miljard EUR ingevolge de vaststelling van het Europees fonds voor strategische investeringen (EFSI).

Hierbij zij erop gewezen dat in de oprichtingsverordening van het programma is bepaald dat er met betrekking tot Horizon 2020 een interimevaluatie moet worden uitgevoerd. Deze tussentijdse evaluatie werd in 2018 uitgevoerd en droeg bij aan de verbetering van de uitvoering van Horizon 2020. Het is zelfs zo dat de uitkomsten van de evaluatie bepalend waren voor de structuur en de inhoud van het programma Horizon Europa, waarvoor in juni 2018 een voorstel werd gepubliceerd(COM(2018)0435).

C. Cohesiebeleid

Het cohesiebeleid is eveneens gericht op onderzoek en innovatie. In de meer ontwikkelde regio's is minstens 80 % van de middelen uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) op nationaal niveau bestemd voor innovatie, waarbij een koolstofarme economie en concurrerende kmo's prioriteiten zijn.

D. Financieringsinstrumenten

De Innovatie-Unie is eveneens gericht op de stimulering van particuliere investeringen en beoogt onder meer de Europese durfkapitaalinvesteringen te vergroten, die momenteel een vierde van die in de Verenigde Staten bedragen. Teneinde de toegang tot leningen voor O&O-projecten te verbeteren en demonstratieprojecten op te zetten, heeft de Commissie, in samenwerking met de Europese Investeringsbankgroep (EIB en EIF) een gemeenschappelijk initiatief opgezet in het kader van Horizon 2020. "InnovFin – EU-financiering voor innovatieve ondernemingen" bestaat uit verschillende geïntegreerde en complementaire financieringsinstrumenten en adviesdiensten, aangeboden door de EIB-groep, die de gehele waardeketen van onderzoek en innovatie beslaan, teneinde investeringen van de allerkleinste tot de allergrootste bedrijven te ondersteunen.

Daarnaast heeft de Commissie in november 2014 haar "Investeringsplan voor Europa" voorgesteld, dat gericht is op het aanboren van openbare en particuliere investeringen in de reële economie, voor een bedrag van ten minste 315 miljard EUR over een begrotingsperiode van drie jaar. Het EFSI is een van de drie pijlers van het "Investeringsplan voor Europa" en is erop gericht het huidige marktfalen aan te pakken door marktlacunes op te vullen en particuliere investeringen te stimuleren. Het draagt bij tot de financiering van strategische investeringen op kerngebieden zoals infrastructuur, onderzoek en innovatie, onderwijs, hernieuwbare energie en energie-efficiency, alsook tot risicofinanciering voor de kmo's.

Tevens is er een programma voor het concurrentievermogen van ondernemingen en voor de kmo's (Cosme) voorgesteld, met speciale aandacht voor financieringsinstrumenten en ondersteuning van de internationalisering van de kmo's.

E. Innovatie-Unie

In juni 2015 heeft Carlos Moedas, commissaris voor Onderzoek, Wetenschap en Innovatie, het idee van een Europese Innovatieraad (EIC) geopperd. In januari 2017 heeft de Commissie een groep op hoog niveau voor innovatie opgericht, die 15 leden telt en zal meewerken aan het uittekenen van de opzet van een mogelijke Europese Innovatieraad in het kader van de voorstellen van de Commissie voor de opvolger van het Horizon 2020-programma.

Rol van het Europees Parlement

Het Parlement heeft talrijke resoluties aangenomen die het innovatiebeleid van de EU verder hebben versterkt. Hieronder volgt een aantal van de meest recente:

  • De resolutie van 22 mei 2008 over de tussentijdse evaluatie van het industriebeleid: een bijdrage tot de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid[1]. In deze resolutie werd er bij de Commissie en de lidstaten op aangedrongen hun inspanningen te vergroten om de administratieve lasten voor ondernemingen te beperken. Tevens werd het belang onderstreept van een transparant en vereenvoudigd beleid op het gebied van intellectuele-eigendomsrechten.
  • De resolutie van 16 juni 2010 over de EU 2020-strategie[2]. Hoewel in deze resolutie een industriebeleid werd ondersteund dat gericht is op het scheppen van het beste klimaat voor het behoud en de ontwikkeling van een sterke, competitieve en gediversifieerde industriële basis in Europa, werd er eveneens benadrukt dat de Europa 2020-strategie de kosten en baten van de omschakeling naar een duurzame, energie-efficiënte economie moet aangeven;
  • De resolutie van 11 november 2010 over Europese innovatiepartnerschappen in het kader van het kerninitiatief Innovatie-Unie[3];
  • De resolutie van 9 maart 2011 over een industriebeleid voor het tijdperk van de globalisering[4]. Hierin werd het belang onderstreept van een uitgebreidere visie voor de Europese industrie in 2020 aangezien de voorspelbaarheid en de stabiliteit van de regelgeving op lange termijn van essentieel belang worden geacht om investeringen aan te trekken;
  • De resolutie van 12 mei 2011 over de Innovatie-Unie: voorbereiding van Europa op een wereld na de crisis[5];
  • De resolutie van 27 september 2011 inzake het Groenboek "Van uitdagingen naar kansen: naar een gemeenschappelijk strategisch kader voor EU-financiering van onderzoek en innovatie"[6];
  • De resolutie van 26 oktober 2011 over de agenda voor nieuwe vaardigheden en banen. Hierin werd benadrukt hoe belangrijk het is om een nauwere samenwerking tussen onderzoeksinstituten en de industrie te ontwikkelen en bedrijven aan te moedigen en te ondersteunen bij investeringen in onderzoek en ontwikkeling[7];
  • De resolutie van 21 november 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020)[8];
  • De resolutie van 6 juli 2016 over synergieën voor innovatie: de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020 en andere Europese innovatiefondsen en EU-programma's[9].

 

[1]PB C 279 E van 19.11.2009, blz. 65.
[2]PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 57.
[3]PB C 74 E van 13.3.2012, blz. 11.
[4]PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 131.
[5]PB C 377 E van 7.12.2012, blz. 108.
[6]PB C 56E van 26.2.2013, blz. 1.
[7]PB C 131 E van 8.5.2013, blz. 87.
[8]PB C 436 van 24.11.2016, blz. 284.
[9]PB C 101 van 16.3.2018, blz. 111.

Frédéric Gouardères