Energie-efficiëntie

Het terugbrengen van de energieconsumptie en energieverspilling wordt steeds belangrijker voor de EU. De EU-leiders hebben in 2007 het doel vastgesteld om de jaarlijkse energieconsumptie in de EU tegen 2020 met 20 % terug te brengen. Energie-efficiëntiemaatregelen worden steeds meer gezien als een middel om niet alleen een duurzame energievoorziening te realiseren, de broeikasgasemissies te verminderen, de energiezekerheid te verbeteren en op invoerkosten te besparen, maar ook om de concurrentiekracht van de EU te bevorderen. Energie-efficiëntie is daarom een strategische prioriteit voor de energie-unie, en de EU bevordert het principe van "energie-efficiëntie eerst". Het beleidskader voor de periode na-2030 wordt momenteel besproken.

Rechtsgrond

Artikel 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Resultaten

A. Algemeen kader

In 2006 heeft de Commissie haar eerste "Actieplan voor energie-efficiëntie – Het potentieel realiseren" gepubliceerd (COM(2006) 545). Het doel was om het publiek, beleidsmakers en marktdeelnemers te mobiliseren en de interne markt voor energie zodanig om te vormen dat de EU-burgers kunnen beschikken over de meest energie-efficiënte infrastructuur (zoals gebouwen), producten (zoals apparaten en auto's) en energiesystemen ter wereld. De doelstellingen van het actieplan waren de beheersing en vermindering van de vraag naar energie en het ondernemen van doelgerichte actie met betrekking tot verbruik en levering om tegen 2020 een vermindering van 20 % te realiseren van het jaarlijkse verbruik van primaire energie (in vergelijking met het voorspelde energieverbruik van 2020).Toen ramingen er echter op wezen dat de EU op weg was om slechts de helft van de doelstelling van 20 % te verwezenlijken, heeft de Commissie in 2011 energie-efficiëntie tot kerndoel gemaakt van de Europa 2020-strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei, en een algemeen nieuw energie-efficiëntieplan (EEP) uitgewerkt (COM(2011) 109).

Het huidige kader inzake de energie-efficiëntie bestaat uit een aantal richtlijnen, waarvan de herziening gaande is of gepland is. Op grond van de energie-efficiëntierichtlijn (2012/27/EU), die in december 2012 in werking trad, moeten de lidstaten indicatieve nationale energie-efficiëntie streefwaarden vaststellen om ervoor te zorgen dat de EU haar kerndoelstellingen haalt wat betreft het terugbrengen van de energieconsumptie met 20 % tegen 2020. De lidstaten mogen deze minimumvereisten aanscherpen in hun streven naar energiebesparing. De richtlijn omvat ook een reeks bindende maatregelen om de lidstaten te helpen deze doelstellingen te behalen, en wettelijk bindende regels voor eindgebruikers en energieproducenten. Er zijn verdere energie-efficiëntienormen vastgelegd voor producten en gebouwen in de richtlijn inzake ecologisch ontwerp (2009/125/EG), de energie-efficiëntie-etiketteringsrichtlijn (2010/30/EU) en de richtlijn energieprestatie van gebouwen (2010/31/EU).

De Commissie heeft in 2014 een mededeling over energie-efficiëntie (COM(2014) 520) gepubliceerd, waarin zij concludeerde dat er verdere inspanningen van de lidstaten nodig zijn, nadat een analyse door de Commissie had aangetoond dat de EU in 2020 slechts een energiebesparing van ongeveer 18-19 % zal hebben gerealiseerd. Volgens het verslag over de voortgang van de uitvoering van de energie-efficiëntierichtlijn (COM(2015) 574), dat op 18 november 2015 is gepubliceerd, zullen de lidstaten tegen 2020 slechts 17,6 % besparingen op hun primaire energieverbruik realiseren. Dientengevolge werd in het stappenplan voor de energie-unie van 2015 (COM(2015) 572) de herziening van de energie-efficiëntierichtlijnen aangekondigd.

De Commissie heeft op 30 november 2016 het pakket voorstellen "Schone energie voor alle Europeanen" (COM(2016) 860) gepresenteerd, met als doel de EU-energiewetgeving op één lijn te brengen met de nieuwe klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en bij te dragen aan de doelstellingen van de energie-unie van 2015 (COM(2015) 80). "Energie-efficiëntie eerst" is een van de essentiële beginselen van de energie-unie en is bedoeld om voor een betrouwbare, duurzame, concurrerende en betaalbare energievoorziening in de EU te zorgen. In de herziene richtlijn stelde de Commissie een ambitieuze efficiëntiedoelstelling voor van 30 % tegen 2030. In januari 2018 amendeerde het Parlement het voorstel van de Commissie voor een herziene richtlijn inzake energie-efficiëntie, in een poging het voorstel in het algemeen ambitieuzer te maken. Na onderhandelingen met de Raad werd in november 2018 een akkoord bereikt, waarin een streefcijfer van 32,5 % vermindering van het energieverbruik op EU-niveau tegen 2030 werd vastgelegd.

B. Warmtekrachtkoppeling

Een vorige richtlijn inzake warmtekrachtkoppeling (Richtlijn 2004/8/EG) is ingetrokken toen in december 2012 de richtlijn inzake energie-efficiëntie van kracht werd. Krachtens deze richtlijn moeten de lidstaten het potentieel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling en stadsverwarming en -koeling op hun grondgebied beoordelen en de Commissie daarvan op de hoogte stellen, en moeten ze een kosten-batenanalyse uitvoeren op grond van de klimaatomstandigheden, de economische haalbaarheid en de technische geschiktheid (met enkele uitzonderingen). In het kader van het energie-uniepakket heeft de Commissie op 16 februari 2016 een EU-strategie betreffende verwarming en koeling gepubliceerd (COM(2016) 51). De strategie omvat plannen om de energie-efficiëntie van gebouwen te vergroten, de koppeling tussen elektriciteitssystemen en stadsverwarmingssystemen te verbeteren, waardoor het gebruik van hernieuwbare energie in grote mate toe zal nemen, en het hergebruik van door de industrie opgewekte afvalwarmte en -koude te stimuleren. De wettelijke bepalingen voor deze strategie zijn opgenomen in het pakket "Schone energie voor alle Europeanen".

C. Energieprestaties van gebouwen

Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen bevat verschillende bepalingen om de energie-efficiëntie van zowel nieuwe als bestaande gebouwen te verbeteren. Onder de sleutelbepalingen van de richtlijn zijn eisen met betrekking tot:

  • het algemeen, gemeenschappelijk kader voor een methode voor de berekening van de geïntegreerde energieprestatie van gebouwen en gebouwunits;
  • de toepassing van minimumeisen op de energieprestatie van nieuwe gebouwen en nieuwe gebouwunits, bijvoorbeeld dat uiterlijk 31 december 2020 alle nieuwe gebouwen bijna energieneutraal moeten zijn;
  • de toepassing van minimumeisen op de energieprestatie van met name: bestaande gebouwen, onderdelen van gebouwen die een ingrijpende renovatie ondergaan en technische bouwsystemen wanneer ze worden geïnstalleerd, vervangen of verbeterd;
  • de energiecertificering van gebouwen of gebouwunits, de regelmatige keuring van verwarmings- en airconditioningssystemen in gebouwen, en onafhankelijke systemen voor de controle van energieprestatiecertificaten en inspectieverslagen.

De Commissie heeft op 30 november 2016 een voorstel gepresenteerd voor een herziening van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen in het kader van het bredere pakket "Schone energie voor alle Europeanen" (COM(2016) 860), dat moet bijdragen aan het behalen van de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU voor 2030. Volgens gegevens van de Commissie zijn gebouwen goed voor 40 % van het energieverbruik en 36 % van de CO2-uitstoot in de EU. Op dit moment is 35 % van de gebouwen in de EU meer dan 50 jaar oud. Door de energie-efficiëntie van gebouwen te verhogen, zouden het totale energieverbruik in de EU met 5 tot 6 % en de CO2 uitstoot met ongeveer 5 % kunnen worden verminderd.

Uit hoofde van de richtlijn zijn de lidstaten verplicht nationale langetermijnstrategieën vast te stellen om de renovatie van hun gebouwen te ondersteunen. De richtlijn is bedoeld om in elke lidstaat een in hoge mate energie-efficiënt en koolstofvrij gebouwenbestand tot stand te brengen, als kosteneffectieve bijdrage tot het behalen van de streefcijfers voor energie-efficiëntie in Europa, waaronder het verminderen van de CO2-uitstoot in de EU met 80-95 % procent ten opzichte van 1990.

Daarnaast werd er tegelijkertijd een initiatief voor "Intelligente financiering voor intelligente gebouwen" (COM(2016) 860 – bijlage I) gepresenteerd. Hierin wordt onderzocht hoe overheidsinvesteringen en private investeringen in de energie-efficiëntie van gebouwen kunnen worden gestimuleerd. Het initiatief is bedoeld om een signaal van vertrouwen af te geven aan de markt en om investeerders aan te moedigen zich in te zetten voor energie-efficiëntie.

D. Energie-efficiëntie van producten

Met betrekking tot de energie-efficiëntie van producten zijn diverse maatregelen op EU-niveau genomen, waaronder maatregelen voor:

  • de vermelding op het etiket en in de standaardproductinformatie van het energieverbruik en het verbruik van andere hulpbronnen van 'energiegerelateerde producten' die tijdens hun gebruik een significant direct of indirect effect hebben op het energieverbruik, overeenkomstig Kaderrichtlijn 2010/30/EU. Specifieke richtlijnen en verordeningen bevatten voorschriften voor verschillende huishoudelijke apparaten. De etikettering van kantooruitrusting en de etikettering van banden is geregeld in afzonderlijke verordeningen;
  • eisen inzake ecologisch ontwerp voor energieverbruikende producten die zijn opgenomen in Kaderrichtlijn 2009/125/EG tot herschikking van Richtlijn 2005/32/EG, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2008/28/EG. Uitvoeringsverordeningen dekken een groot aantal verschillende producten af, waaronder verwarmingstoestellen, stofzuigers, computers, airconditioningssystemen, vaatwassers, verlichtingstoestellen, koelkasten en vriezers, televisies en elektrische motoren.

Als onderdeel van de strategie voor de energie-unie (COM(2015) 80), die in februari 2015 is aangekondigd, heeft de Commissie voorgesteld de bovengenoemde energie-efficiëntierichtlijnen voor producten te herzien. In Verordening 2017/1369, die in juli 2017 is gepubliceerd, wordt een nieuw kader voor energie-efficiëntie-etikettering vastgesteld om termijnen te stellen voor het vervangen van de huidige klassen A+, A++ en A+++ met een schaal van A tot en met G.

De rol van het Europees Parlement

Het Parlement heeft voortdurend verzocht om aanscherping van de regelgeving en ambitieuzere doelstellingen op het gebied van energie-efficiëntie. In zijn resolutie van 15 december 2010 over een herziening van het Actieplan voor energie-efficiëntie (P7_TA(2010) 485) maakte het Parlement duidelijk dat er voor 2020 een bindend doel van ten minste 20 % meer energie-efficiëntie moet worden vastgesteld.

Het Parlement heeft in 2012 een belangrijke rol gespeeld in de onderhandelingen over de richtlijn energie-efficiëntie (COD/2011/0172) en ervoor gezorgd dat de eisen betreffende de nationale strategieën inzake de renovatie van gebouwen en de verplichte energie-audits voor grote ondernemingen overeind zijn gebleven in het definitieve compromis met de Raad. Het Parlement is er ook in geslaagd een amendement te behouden waarin wordt verzocht om regelgeving inzake vraagresponsmechanismen, waardoor energieconsumenten hun energieverbruik aan de leveringsomstandigheden kunnen aanpassen, en zo hun energierekening kunnen verlagen.

Het Parlement heeft in 2013 een resolutie aangenomen over de tenuitvoerlegging en het effect van de energie-efficiëntiemaatregelen in het kader van het cohesiebeleid (P7_TA(2013)0345), waarin het zijn tevredenheid uitspreekt over de nieuwe mogelijkheden die worden geboden door de Europese structuur- en investeringsfondsen, met name in de bouwsector. Het Parlement riep op om maatregelen te nemen op het gebied van voorlichting en informatieverspreiding, en benadrukte in dit verband het belang van capaciteitsopbouw en technische bijstand.

Meer recent heeft het Parlement in zijn resoluties over een kader voor klimaat- en energiebeleid voor 2030 (P7_TA(2014)0094), over de Conferentie van de VN over klimaatverandering 2014 – COP 20[1] in Lima, Peru (P8_TA(2014)0063) en in de resolutie "op weg naar een nieuwe internationale klimaatovereenkomst in Parijs" (P8_TA(2015)0359) herhaaldelijk een beroep op de Commissie en de lidstaten gedaan om een bindend streefcijfer van 40 % vermindering van het energieverbruik en de uitstoot van broeikasgassen vast te stellen, met bijbehorende individuele nationale streefcijfers. In alle drie de resoluties wordt duidelijk gemaakt dat een ambitieus streefcijfer voor energie-efficiëntie voor banen en besparingen zorgt, het economische concurrentievermogen verhoogt, innovatie stimuleert, de afhankelijkheid van de invoer van energie vermindert en de energiezekerheid vergroot. Nadat de Europese Raad op 23 oktober 2014 een streefcijfer van 27 % had aangenomen, streefde het Parlement ernaar een ambitieus streefcijfer voor energie-efficiënte vast te stellen. Het Parlement steunde op 17 januari 2018 een vermindering van het energieverbruik in de EU met 40 % tegen 2030[2]. Het Parlement nam op 23 juni 2016 een resolutie aan over het verslag over de uitvoering van de energie-efficiëntierichtlijn (P8_TA(2016)0293) en concludeerde dat de bestaande richtlijn, hoewel hierin een kader werd geboden voor het verminderen van de vraag naar energie, gebrekkig was omgezet. In de resolutie werden de lidstaten verzocht de richtlijn volledig en snel uit te voeren. Bovendien werd in de resolutie betoogd dat door een serieus beleid voor energie-efficiëntie de EU erin zou kunnen slagen om haar energie- en klimaatdoelstellingen in overeenstemming met de tijdens de COP 21 gesloten Overeenkomst van Parijs van 2016 te halen en wordt bijgedragen aan het verbeteren van de energiezekerheid middels het verminderen van de afhankelijkheid van externe energiebronnen.

In november 2016 presenteerde de Commissie een voorstel tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie. De gewijzigde richtlijn betreffende energie-efficiëntie werd vervolgens in december 2018 aangenomen door het Parlement en de Raad.

Het Parlement heeft op 13 september 2016 een resolutie aangenomen over een EU-strategie betreffende verwarming en koeling (P8_TA(2016)0334), waarin de Commissie wordt gevraagd om haar optreden te concentreren op maatregelen voor energie-efficiëntie in gebouwen, vooral voor energiearme huishoudens.

Het Parlement nam op 6 februari 2018 een reeks niet-wetgevende aanbevelingen aan die waren opgesteld door de Commissie industrie, onderzoek en energie (ITRE). Het Parlement ondersteunt voorlichtingsprogramma's om Europese burgers te helpen begrijpen hoe zij meer energie kunnen besparen. Bovendien is het Parlement voorstander van een verhoging met ten minste 50 % van de financiering voor energieprojecten met lage emissies[3].

 

[1]COP 20 verwijst naar de 20e Universele Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) ter bestrijding van klimaatverandering (2.5.2 — Klimaatverandering en het milieu).

Frédéric Gouardères / Francesca Beltrame