De geschiedenis van de Economische en Monetaire Unie

De Economische en Monetaire Unie (EMU) is het resultaat van een geleidelijke economische eenwording binnen de EU. De EMU vormt een uitbreiding van de interne markt van de EU, met gemeenschappelijke productvoorschriften en vrij verkeer van goederen, kapitaal, werknemers en diensten. In de eurozone, die momenteel 19 EU-lidstaten omvat, is een gemeenschappelijke munteenheid ingevoerd: de euro. Alle lidstaten van de EU, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, moeten de euro invoeren nadat zij minstens twee jaar hebben deelgenomen aan EMS II en op voorwaarde dat ze aan de convergentiecriteria voldoen. De Europese Centrale Bank (ECB) stippelt een gemeenschappelijk monetair beleid uit, dat wordt aangevuld met een geharmoniseerd belastingbeleid en een gecoördineerd economisch beleid. De verantwoordelijkheid voor het economische beleid in de EMU ligt niet bij één enkele instantie maar wordt gedeeld door de lidstaten en verscheidene EU-instellingen.

Rechtsgrond

  • De besluiten van de Europese topbijeenkomsten van Den Haag (1969), Parijs (1972), Brussel (1978), Hannover (1988), Madrid en Straatsburg (allebei in 1989) en Maastricht (1991-1992);
  • artikelen 119-144, 219 en 282-284 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);
  • de aan het VWEU gehechte protocollen betreffende de overgang naar de derde fase van de Economische en Monetaire Unie, procedures bij buitensporige tekorten en macro-economische onevenwichtigheden, de convergentiecriteria, het recht van het Verenigd Koninkrijk en Denemarken om geen deel uit te maken van de EMU, het Europees Stelsel van Centrale Banken en de Europese Centrale Bank, alsmede de Eurogroep.

Doelstellingen

De EMU is het resultaat van een geleidelijke economische eenwording en vormt bijgevolg geen doel op zich. Het bestuur van de EMU is erop gericht duurzame economische groei en de werkgelegenheid te ondersteunen met behulp van gepaste economische en monetaire maatregelen en heeft betrekking op drie grote economische activiteiten: (i) een naar prijsstabiliteit strevend monetair beleid, (ii) de coördinatie van het economisch beleid in de lidstaten en (iii) het veiligstellen van de goede werking van de interne markt.

Resultaten

In 19 lidstaten van de Europese Unie maakt de euro intussen deel uit van het dagelijkse leven. Op zeker ogenblik zullen ook de andere lidstaten de eenheidsmunt invoeren. De euro biedt een aantal onweerlegbare voordelen: hij verlaagt de kosten van financiële transacties, maakt reizen gemakkelijker, versterkt de rol van Europa op internationaal niveau enzovoort.

Geschiedenis van de EMU

Op de topbijeenkomst van Den Haag in 1969 leggen de aanwezige staatshoofden een nieuwe doelstelling voor de Europese eenwording vast: de Economische en Monetaire Unie (EMU). Onder leiding van de toenmalige Luxemburgse premier, Pierre Werner, wordt er een verslag opgesteld met een stappenplan voor de totstandbrenging van een echte economische en monetaire unie binnen een termijn van tien jaar. Het uiteindelijke doel is de volledige liberalisering van het kapitaalverkeer, de onbeperkte omwisselbaarheid van de valuta's van de lidstaten en de definitieve vastlegging van de wisselkoersen. Halverwege de jaren '70 van de vorige eeuw veroorzaken de ineenstorting van het systeem van Bretton Woods en het besluit van de regering van de VS om de dollar te laten zweven een golf van instabiliteit op de buitenlandse wisselmarkten waardoor de pariteitsverhoudingen tussen de Europese munten in grote mate op losse schroeven komen te staan. Hierdoor wordt het plan voor de EMU abrupt stilgelegd.

In 1972, op de topbijeenkomst van Parijs, probeert de Gemeenschap de monetaire eenmaking opnieuw vlot te krijgen met de creatie van „de slang in de tunnel”: een mechanisme om de wisselkoersschommelingen (de „slang”) te beheersen binnen nauwe fluctuatiemarges ten opzichte van de dollar (de „tunnel”). Maar de „monetaire slang” raakt gedestabiliseerd door de opeenvolgende oliecrisissen, de zwakke dollar en de verschillen tussen het economisch beleid van de lidstaten en verliest in minder dan twee jaar tijd de meeste van zijn leden. Uiteindelijk blijft er alleen nog een „Duitse-markzone” over, bestaande uit Duitsland, de Benelux en Denemarken.

De pogingen om een monetair stabiele zone tot stand te brengen worden in 1978 op de topbijeenkomst in Brussel hervat met de oprichting van het Europees Monetair Stelsel (EMS), dat is gebaseerd op het concept van vaste maar aanpasbare wisselkoersen. De valuta's van alle lidstaten, behalve het VK, worden in de eerste versie van dit wisselkoersmechanisme - ERM I genaamd - opgenomen. Het mechanisme functioneert als volgt: de wisselkoersen zijn gebaseerd op spilkoersen die worden vastgesteld ten opzichte van de ecu (de Europese munteenheid, aanvankelijk de Europese rekeneenheid genoemd), die gelijk is aan het gewogen gemiddelde van de deelnemende valuta's. Aan de hand van de in ecu uitgedrukte spilkoersen wordt er een rooster van bilaterale koersen opgemaakt, waarbij de schommelingen van de valuta's onderling binnen een marge van 2,25% aan weerszijden van deze bilaterale koersen moeten blijven (met uitzondering van de Italiaanse lire, waarvoor een marge van 6% geldt). In tien jaar tijd neemt de veranderlijkheid van de wisselkoersen dankzij het EMS aanzienlijk af: de flexibiliteit van het systeem zorgt in combinatie met de politieke wil om de economieën van de lidstaten te doen convergeren, voor een duurzame stabiliteit van de valuta's.

Met de vaststelling van het programma voor de interne markt in 1985 wordt het steeds duidelijker dat de mogelijkheden van de interne markt niet volledig kunnen worden benut zolang de vrij hoge transactiekosten die aan de omwisseling van de valuta's verbonden zijn en de onzekerheid over de koersschommelingen, hoe klein die ook mag zijn, blijven bestaan. Bovendien wijzen heel wat economen op wat zij 'de onmogelijke driehoek' noemen: het vrije verkeer van kapitaal, stabiele wisselkoersen en een onafhankelijk monetair beleid in elke lidstaat zijn volgens hen op lange termijn niet verenigbaar.

In 1988 richt de Europese Raad van Hannover een comité voor de bestudering van de EMU op, met als voorzitter Jacques Delors, de toenmalige voorzitter van de Europese Commissie. In 1989 dient het comité zijn verslag in. Hierin stelt het duidelijke maatregelen voor om de EMU in drie fasen tot stand te brengen. Volgens het comité is er met name behoefte aan een betere coördinatie van het economisch beleid van de lidstaten, regels betreffende de nationale begrotingstekorten en een nieuwe, volledig onafhankelijke instelling die verantwoordelijk is voor het monetaire beleid van de Unie, namelijk de Europese Centrale Bank (ECB). Op basis van het verslag-Delors besluit de Europese Raad van Madrid in 1989 om de eerste fase van de EMU uit te voeren, namelijk de volledige liberalisering van het kapitaalverkeer tegen 1 juli 1990.

In december 1989 roept de Europese Raad van Straatsburg op tot het beleggen van een intergouvernementele conferentie met als doel na te gaan welke wijzigingen er in het Verdrag moeten worden aangebracht opdat de EMU werkelijkheid kan worden. De werkzaamheden van deze intergouvernementele conferentie leiden tot het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat in december 1991 tijdens de Europese Raad in Maastricht formeel wordt goedgekeurd door de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten en op 7 februari 1992 wordt ondertekend.

Het Verdrag voorziet in de totstandbrenging van de EMU in drie fasen:

  • fase 1 (van 1 juli 1990 tot en met 31 december 1993): vrij verkeer van kapitaal tussen de lidstaten;
  • fase 2 (van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1998): op elkaar afstemmen van het economische beleid van de lidstaten en verbetering van de samenwerking tussen de nationale centrale banken van de lidstaten. De coördinatie van het monetaire beleid wordt geïnstitutionaliseerd door de oprichting van het Europees Monetair Instituut (EMI), dat de samenwerking tussen de nationale centrale banken moet versterken en de nodige voorbereidingen moet treffen voor de invoering van de eenheidsmunt. De nationale centrale banken worden tijdens deze fase onafhankelijk;
  • fase 3 (begonnen op 1 januari 1999): de geleidelijke invoering van de euro als eenheidsmunt van de lidstaten en de instelling van een gemeenschappelijk monetair beleid onder de verantwoordelijkheid van de ECB. Om aan deze fase te kunnen beginnen, moet er een hoge mate van duurzame convergentie zijn bereikt, die wordt getoetst aan een aantal in de verdragen vastgelegde criteria. Tijdens deze fase worden de begrotingsregels dwingend en kunnen lidstaten die er zich niet aan houden, sancties opgelegd krijgen. Het monetaire beleid wordt eengemaakt en toevertrouwd aan het Europees stelsel van centrale banken (ESCB), dat bestaat uit de nationale centrale banken en de ECB.

De eerste twee fasen van de EMU zijn inmiddels afgerond. De derde fase loopt nog. In principe moeten alle lidstaten van de EU deze fase doorlopen en de euro invoeren (artikel 119 van het Verdrag betreffende de werking van de EU). Bepaalde lidstaten voldoen echter nog niet aan de convergentiecriteria. Voor deze lidstaten wordt er tijdelijk een uitzondering gemaakt totdat zij de derde fase van de EMU kunnen uitvoeren. Bovendien hebben het Verenigd Koninkrijk en Denemarken meegedeeld dat zij niet willen meedoen aan de derde fase van de EMU en de euro dus niet zullen invoeren. Beide landen zijn dan ook vrijgesteld van deelname aan de EMU. De details van deze vrijstelling zijn vastgelegd in de aan de oprichtingverdragen van de EU gehechte protocollen die op deze landen betrekking hebben. Het Verenigd Koninkrijk en Denemarken kunnen niettemin van hun vrijstelling afzien en zich kandidaat stellen om alsnog aan de derde fase van de EMU deel te nemen. Momenteel hebben 19 van de 28 lidstaten de derde fase van de EMU uitgevoerd en gebruiken zij de euro als eenheidsmunt.

In de nasleep van de Europese staatsschuldencrisis hebben de EU-leiders zich ertoe verbonden de EMU te versterken, onder meer door het kader voor het beheer van de EMU te verbeteren. In 2015 publiceren de voorzitters van de Europese Commissie, de Europese Raad, de Eurogroep, de ECB en het Europees Parlement in navolging van een soortgelijk initiatief uit 2012 een verslag over de voltooiing van Europa's Economische en Monetaire Unie (‘het verslag van de vijf voorzitters’). Dit verslag omvat een hervormingsplan dat erop gericht is in drie fasen, en ten laatste tegen 2025, een echte economische, financiële, fiscale en politieke Unie tot stand te brengen.

Rol van het Europees Parlement

Sinds het Verdrag van Lissabon neemt het Europees Parlement als gelijkwaardige medewetgever deel aan de gewone wetgevingsprocedure voor het vaststellen van uitvoeringsbepalingen voor multilateraal toezicht (artikel 121, lid 6, van het VWEU). Dit heeft onder meer betrekking op het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact, maar houdt ook zorgvuldiger macro-economisch toezicht in om schadelijke onevenwichtigheden als gevolg van de financiële crisis te voorkomen. Het zogeheten „six-pack” vergroot de rol van het EP in het economische bestuur van de EU, in het bijzonder door de invoering van het Europees semester en de economische dialoog. Bovendien wordt het EP geraadpleegd over:

  • regelingen over de wisselkoersen tussen de euro en valuta's van buiten de EU;
  • de keuze van landen die in aanmerking komen om deel te nemen aan de gemeenschappelijke munteenheid (in 1999 en daarna);
  • de aanstelling van de voorzitter, de vicevoorzitter en de overige uitvoerende bestuursleden van de ECB;
  • wetgeving inzake de procedure bij buitensporige tekorten zoals vastgelegd in het Stabiliteits- en groeipact.

 

Dirk Verbeken / Dražen Rakić