De instellingen van de Economische en Monetaire Unie

De instellingen van de Europese Monetaire Unie dragen de hoofdverantwoordelijkheid voor het vastleggen van het Europese monetaire beleid, voor besluiten over emissies van de euro en voor de prijsstabiliteit in de EU. Hierbij gaat het om de volgende instellingen: de ECB, het ESCB, het Economisch en Financieel Comité, de Eurogroep en de Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin).

Rechtsgrondslag

  • artikelen 119 t/m 144, 219 en 282 t/m 284 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);
  • protocollen gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie: Protocol (nr. 4) betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, Protocol (nr. 14) betreffende de Eurogroep.

Doelstellingen

De belangrijkste doelstellingen (2.6.1) van de instellingen van de economische en monetaire unie (EMU) zijn:

  • voltooien van de interne markt door wisselkoersschommelingen weg te nemen en door een eind te maken aan de kosten van zowel valutatransacties als het indekken tegen de risico's van wisselkoersschommelingen;
  • zorgen voor vergelijkbaarheid van kosten en prijzen binnen de Unie, hetgeen de consumenten helpt, de handel binnen de Unie bevordert en ondernemen vergemakkelijkt;
  • vergroten van de monetaire stabiliteit en de financiële kracht van Europa door:
    • per definitie beëindigen van alle mogelijkheden van speculatie met de valuta's van de Unie;
    • ervoor zorgen dat, door middel van de economische dimensie van de aldus opgerichte Monetaire Unie, de nieuwe valuta grotendeels onkwetsbaar is voor internationale speculatie;
    • ervoor zorgen dat de euro een belangrijke reserve- en betalingsvaluta wordt.

Resultaten

A. De instellingen van de eerste fase van de EMU (1 juli 1990 – 31 december 1993)

Gedurende de eerste fase van de EMU zijn er geen monetaire instellingen opgericht.

B. De instellingen van de tweede fase van de EMU (1januari 1994 – 31 december 1998)

1. Het Europees Monetair Instituut (EMI)

Het EMI is (ingevolge artikel 117 van het EG-Verdrag) aan het begin van de tweede fase van de EMU opgericht en heeft de taken van het Comité van presidenten en het Europees Fonds voor monetaire samenwerking (EFMS) overgenomen. Het had geen inspraak in de monetaire beleidsvoering; dit bleef voorbehouden aan de nationale autoriteiten. De belangrijkste taken van het EMI voor de tenuitvoerlegging van de tweede fase van de EMU waren onder meer versterking van de samenwerking tussen de nationale centrale banken en coördinatie van het monetair beleid van de lidstaten teneinde prijsstabiliteit te handhaven. Overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het EG-Verdrag is het EMI ontbonden na de oprichting van de ECB, waarvoor het de weg had bereid (1 juni 1998).

2. Het Monetair Comité

Dit bestond uit vier leden, die in gelijke getale werden benoemd door de Commissie en de lidstaten. Het comité was ingesteld teneinde de coördinatie van het beleid van de lidstaten te bevorderen in de volle omvang die nodig is voor de werking van de interne markt (artikel 114 van het EG-Verdrag) en had een adviserende rol. Aan het begin van de derde fase is het Monetair Comité ontbonden en vervangen door het Economisch en Financieel Comité (artikel 134 van het VWEU).

C. De instellingen van de derde fase (vanaf 1 januari 1999)

1. Europese Centrale Bank (ECB) (1.3.11)

a. Organisatie

De ECB is opgericht op 1 juni 1998. De bank is gevestigd te Frankfurt am Main en wordt bestuurd door twee organen die onafhankelijk zijn van instellingen van de Unie en van de nationale autoriteiten, de Raad van Bestuur en de Directie, alsmede – bij bepaalde taken – door de Algemene Raad, die zelf geen besluitvormend orgaan van de ECB vormt. In het Verdrag van Lissabon is de ECB voor het eerst opgenomen als een instelling van de EU (artikel 13, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en artikelen 282 t/m -284 van het VWEU); voor die tijd bezat de ECB overeenkomstig de bepalingen van het EG-Verdrag geen status, maar wel rechtspersoonlijkheid.

i. De Raad van Bestuur

Deze bestaat uit de leden van de Directie en de presidenten van de centrale banken van de landen die zijn overgegaan op de euro (artikel 283 van het VWEU en artikel 10, lid 1, van de statuten). Als hoogste besluitvormende orgaan stelt de Raad van Bestuur de richtsnoeren vast en neemt hij de beslissingen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het ESCB zijn verantwoordelijkheden naar behoren kan uitvoeren, stippelt hij het monetaire beleid van de EU uit (met inbegrip van, waar nodig, besluiten met betrekking tot tussentijdse monetaire doelstellingen, de belangrijkste rentetarieven en de voorziening van reserves binnen het ESCB) en stelt hij de richtsnoeren vast die nodig zijn om dit beleid uit te voeren (artikel 12 van de statuten). Het Verdrag van Lissabon bepaalt dat de directieleden van de ECB met gekwalificeerde meerderheid worden gekozen en benoemd door de Europese Raad (artikel 283 van het VWEU).

ii. De Directie

De Directie bestaat uit de president, de vicepresident en vier andere leden, die allen in onderlinge overeenstemming door de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten die deel uitmaken van de eurozone worden gekozen voor een niet-verlengbare periode van acht jaar (artikel 283 van het VWEU). De Directie is belast met de uitvoering van het monetair beleid en kan daarbij de nodige instructies geven aan de nationale centrale banken. Ook is zij verantwoordelijk voor de voorbereiding van de vergaderingen van de Raad van Bestuur en voor de lopende zaken van de ECB (artikelen 11 en 12 van de statuten).

iii. De Algemene Raad

De Algemene Raad (artikel 44 van de statuten) bestaat uit de president en de vicepresident van de ECB en de presidenten van de centrale banken van alle lidstaten van de Europese Unie, ongeacht of deze zijn overgegaan op de euro of niet. De Algemene Raad levert een bijdrage aan het verzamelen van statistische gegevens, coördineert het monetair beleid van al die lidstaten die nog niet zijn overgegaan op de euro en houdt toezicht op het functioneren van het Europees wisselkoersmechanisme.

b. Rol

Terwijl ofwel de ECB ofwel de nationale centrale banken bankbiljetten binnen de eurozone mogen uitgeven, is het alleen de ECB toegestaan de uitgifte van bankbiljetten daadwerkelijk goed te keuren. De lidstaten kunnen munten uitgeven, onder voorbehoud van goedkeuring door de ECB met betrekking tot de omvang van de uitgifte (artikel 128 van het VWEU). De ECB neemt de besluiten die nodig zijn voor de uitvoering van de bij haar statuten en het Verdrag aan haar opgedragen taken (artikel 132 van het VWEU). Bijgestaan door de nationale centrale banken verzamelt de ECB de benodigde statistische gegevens, hetzij bij de bevoegde nationale autoriteiten, hetzij rechtstreeks bij de economische subjecten (artikel 5 van de statuten). De ECB wordt geraadpleegd over elk voorstel voor een communautair besluit binnen haar bevoegdheden en, op verzoek van nationale autoriteiten, over ontwerpen van wettelijke bepalingen (artikel 127, lid 4, van het VWEU). De ECB is verantwoordelijk voor een probleemloze werking van het geautomatiseerd trans-Europees „real-time” bruto-vereveningssysteem (TARGET2), een eurobetalingssysteem dat de nationale betalingssystemen aan het betalingsmechanisme van de ECB koppelt. De ECB treft de nodige voorbereidingen voor het integreren van de centrale banken van lidstaten die toetreden tot de eurozone in het ESCB.

De ECB kan specifieke taken vervullen met bedekking tot het beleid op het gebied van het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en andere financiële instellingen (artikel 127, lid 6 van het VWEU en artikel 25, lid 2, van de statuten). De ECB heeft extra taken gekregen in het kader van het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) voor het rechtstreekse toezicht op „significante” banken in de eurozone en andere deelnemende lidstaten. De nationale autoriteiten van de lidstaten blijven, in samenwerking met de ECB, verantwoordelijk voor het toezicht op „minder significante” banken; de grensoverschrijdende samenwerking van toezichthoudende autoriteiten in de Unie vindt plaats door middel van drie Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's): de Europese Bankautoriteit (EBA), de Europese Autoriteit voor effecten en markten (EAEM) en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EAVB). Dit stelsel van Europese toezichthouders wordt aangevuld door de nieuwe instelling voor macroprudentieel toezicht, het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB).

2. Het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB) en het Eurosysteem

a. Organisatie

Het ESCB bestaat uit de ECB en de nationale centrale banken van alle lidstaten van de EU (artikel 282, lid 1, van het VWEU en artikel 1 van de statuten). Het wordt bestuurd door dezelfde besluitvormingsorganen als die van de ECB (artikel 282, lid 2, van het VWEU). Het Eurosysteem bestaat uitsluitend uit de ECB en de nationale centrale banken van de lidstaten in de eurozone.

b. Rol

De fundamentele taak van het ESCB is het handhaven van prijsstabiliteit (artikel 127, lid 1, en artikel 282, lid 1, van het VWEU, artikel 2 van de statuten). Onverminderd dit doel ondersteunt het ESCB het algemene economische beleid, teneinde bij te dragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie. Het kwijt zich van deze taak aan de hand van de volgende functies (artikel 127, lid 2, van het VWEU en artikel 3 van de statuten):

  • bepalen en ten uitvoer leggen van het monetair beleid van de Unie;
  • verrichten van valutamarktoperaties overeenkomstig de bepalingen van artikel 219 van het VWEU;
  • aanhouden en beheren van de officiële valutareserves van de lidstaten;
  • bevorderen van een goede werking van het betalingsverkeer; en
  • bijdragen tot een goede beleidsvoering door de bevoegde autoriteiten ten aanzien van het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel (artikel 127, lid 5 VWEU) en artikel 3, lid 3, van de statuten).

3. Dit comité is samengesteld uit ten hoogste zes leden.

Een derde deel hiervan wordt aangewezen door de lidstaten, een derde door de Commissie en een derde door de ECB (artikel 134, lid 2, van het VWEU). Met ingang van 1 januari 1999 nam het comité de taken over van zijn voorloper, het Monetair Comité, doch met één belangrijke uitzondering: het verstrekken van informatie over de monetaire ontwikkelingen aan de Commissie en de Raad behoort nu tot de taken van de ECB.

4. De Raad Economische en Financiële Zaken (Ecofin)

In de Raad Ecofin komen de ministers van Financiën van alle lidstaten van de EU bijeen. Het betreft een besluitvormingsorgaan op Europees niveau. Na raadpleging van de ECB neemt de Raad Ecofin besluiten ten aanzien van het wisselkoersbeleid van de euro ten opzichte van valuta's buiten de EU, zonder daarbij de doelstelling van prijsstabiliteit uit het oog te verliezen.

5. De Eurogroep

De vergadering van de ministers van Economische zaken en de ministers van Financiën van de eurozone droeg aanvankelijk de naam „Euro-11”, maar werd in 1997 omgedoopt tot „Eurogroep”Dit adviserende en informele orgaan komt regelmatig bijeen om de vraagstukken met betrekking tot de goede werking van de eurozone en de EMU te bespreken. De Commissie en, waar nodig, de ECB wordt gevraagd de vergaderingen bij te wonen (artikel 1 van het Protocol (nr. 14) betreffende de Eurogroep). Bij de informele Ecofin-vergadering in Scheveningen op 10 september 2004 werd de premier en minister van Financiën van Luxemburg, Jean-Claude Juncker, gekozen tot voorzitter van de Eurogroep. Daarmee werd Juncker de eerste gekozen en permanente voorzitter van de Eurogroep met een mandaat dat op 1 januari 2005 een aanvang nam. De rol van de Eurogroep is door het Verdrag van Lissabon versterkt met als doel de coördinatie binnen de eurozone te vergroten. In dit Verdrag wordt ook voor het eerst de term „Eurogroep” gebruikt (artikel 137 van het VWEU). Een van de officiële vernieuwingen betreft de verkiezing met een meerderheid van de in de Eurogroep vertegenwoordigde lidstaten van een voorzitter van de Eurogroep voor een periode van tweeënhalf jaar (artikel 2 van het Protocol (nr. 14) betreffende de Eurogroep).

Rol van het Europees Parlement

A. Wetgevende rol

1. Het Europees Parlement, samen met de Raad, volgens de gewone wetgevingsprocedure:

  • stelt gedetailleerde bepalingen vast voor de procedures van multilateraal toezicht (artikel 121, lid 6, van het VWEU);
  • wijzigt bepaalde artikelen van de statuten van de ECB (artikel 129, lid 3, van het VWEU); en
  • stelt de maatregelen vast die nodig zijn voor het gebruik van de euro als enige munt (artikel 133 van het VWEU).

2. Het Europees Parlement wordt geraadpleegd over de volgende aangelegenheden:

  • regelingen voor de invoering door lidstaten van euromunten (artikel 128, lid 2, van het VWEU);
  • regelingen betreffende wisselkoersen tussen de euro en valuta's van buiten de EU (artikel 219, lid 1, van het VWEU);
  • de keuze van landen die in aanmerking komen om deel te nemen aan de gemeenschappelijke munteenheid, in 1999 en daarna;
  • de kandidatuur van de voorzitter, de vicevoorzitter en de overige leden van de Directie van de ECB (artikel 283, lid 2, van het VWEU en artikel 11, lid 2, van de statuten);
  • veranderingen in de stemprocedure binnen de Raad van Bestuur van de ECB (artikel 10, lid 2, van de statuten van het ESCB en de ECB);
  • wetgeving inzake de procedure bij buitensporige tekorten zoals vastgelegd in het stabiliteits- en groeipact;
  • veranderingen in de aan de ECB verleende bevoegdheden betreffende het toezicht op krediet- en overige financiële instellingen (artikel 127, lid 6, van het VWEU);
  • wijzigingen in bepaalde artikelen van de statuten van de ECB (artikel 129, lid 4,van het VWEU).

3. Het Europees Parlement wordt in kennis gesteld van de nadere bepalingen betreffende de samenstelling van het Economisch en Financieel Comité (artikel 134, lid 3, van het VWEU).

B. Controlerende rol

1. Uit hoofde van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

De ECB stelt een jaarverslag over de werkzaamheden van het ESCB en over het monetair beleid in het afgelopen jaar en het lopende jaar op voor het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, alsmede voor de Europese Raad. De president van de ECB moet dit verslag voorleggen aan de Raad en aan het Europees Parlement, dat op die basis een algemeen debat kan houden (artikel 284, lid 3, van het VWEU en artikel 15, lid 3, van de statuten). De president van de ECB en de overige leden van de Directie kunnen op verzoek van het Parlement of op eigen initiatief worden gehoord door de desbetreffende commissies van het Europees Parlement (artikel 284, lid 3, tweede alinea).

2. Op initiatief van het Parlement

Het Europees Parlement heeft er (in zijn resolutie van 18 juni 1996) voor gepleit dat de ruime bevoegdheden van de ECB zoals bepaald in het Verdrag – dat wil zeggen, de vrijheid om het te voeren monetair beleid te bepalen – in balans worden gehouden door een systeem van democratische verantwoordingsplicht. In dit verband heeft het Europees Parlement de „monetaire dialoog” ingesteld. De president van de ECB of een ander lid van de Raad van Bestuur woont ten minste een keer per drie maanden de vergadering van de Commissie economische en monetaire zaken van het Europees Parlement bij om vragen over de economische vooruitzichten te beantwoorden en verantwoording af te leggen over de uitvoering van het monetair beleid in de eurozone. Bovendien formuleert het Europees Parlement regelmatig een advies betreffende het jaarverslag van de ECB in de context van een initiatiefverslag. In 2013 sloten het Parlement en de ECB een interinstitutionele overeenkomst inzake democratische verantwoordingsplicht en toezicht op aan de ECB toegekende taken binnen het kader van het GTM.

Dirk Verbeken / Dražen Rakić