Macro-economisch toezicht

In de afgelopen tien jaar heeft de EU belangrijke macro-economische onevenwichtigheden (die de negatieve effecten van de in 2008 uitgebroken financiële crisis hebben versterkt) en grote verschillen in concurrentievermogen gekend (welke het gebruik van gemeenschappelijke monetaire beleidsmaatregelen hebben verhinderd). In 2011 heeft de EU de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden (PMO) vastgesteld, een toezichts- en handhavingsprocedure die tot doel heeft om de vroegtijdige opsporing en correctie van dergelijke onevenwichtigheden in de lidstaten te vereenvoudigen, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan onevenwichtigheden die een overloopeffect kunnen hebben naar andere lidstaten.

Rechtsgrond

  • Artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU);
  • de artikelen 119, 121 en 136 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Doelstellingen

De procedure voor macro-economische onevenwichtigheden (PMO) is een toezichts- en handhavingsmechanisme dat beoogt macro-economische onevenwichtigheden in de EU te voorkomen en te corrigeren. Het uitgeoefende toezicht maakt onderdeel uit van het Europees semester voor economische coördinatie (2.6.4).

Het toezicht bestaat uit:

  1. Een waarschuwingsmechanismeverslag (AMR) dat wordt opgesteld door de Commissie en gebaseerd is op een scorebord van indicatoren en drempelwaarden. De scorebordindicatoren hebben betrekking op externe onevenwichtigheden (lopende rekeningen, netto internationale investeringspositie, reële effectieve wisselkoersen, wijziging in exportmarktaandelen, arbeidskosten per eenheid) en interne onevenwichtigheden (huizenprijzen, kredietstromen in de particuliere sector, schuld van de particuliere sector, overheidsschuld, werkloosheidspercentage en verandering van de verplichtingen van de financiële sector, alsook andere indicatoren betreffende werkgelegenheid en werkloosheid). Iedere indicator wordt gekoppeld aan een drempelwaarde die het mogelijke ontstaan van een specifiek probleem signaleert; sommige drempelwaarden zijn verschillend voor de lidstaten in de eurozone en die daarbuiten. Indien een lidstaat meerdere drempelwaarden overschrijdt, verricht de Commissie een diepgaande evaluatie, d.w.z. een nadere economische analyse om te bepalen of er macro-economische onevenwichtigheden zullen ontstaan of zich reeds voordoen en of bestaande onevenwichtigheden zijn gecorrigeerd.
  2. Preventieve aanbevelingen. Als de Commissie naar aanleiding van de uitkomsten van de diepgaande evaluatie van oordeel is dat er sprake is van macro-economische onevenwichtigheden, stelt zij het Parlement, de Raad en de Eurogroep hiervan op de hoogte. De Raad richt, op aanbeveling van de Commissie, de nodige aanbevelingen tot de betrokken lidstaat, overeenkomstig de procedure van artikel 121, lid 2, van het VWEU. Deze preventieve PMO-aanbevelingen maken deel uit van de landspecifieke aanbevelingen die elk jaar in juli door de Raad aan iedere lidstaat worden gedaan in het kader van het Europees semester.
  3. Corrigerende aanbevelingen in het kader van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden (PBO). Als de Commissie op grond van de diepgaande evaluatie van oordeel is dat er in de betrokken lidstaat sprake is van buitensporige onevenwichtigheden, moet zij het Parlement, de Raad, de Eurogroep, de betreffende Europese toezichthoudende autoriteiten en het Europees Comité voor systeemrisico's (ESRB) op de hoogte stellen. De Raad kan, op aanbeveling van de Commissie, in overeenstemming met artikel 121, lid 4, VWEU een aanbeveling vaststellen waarbij de aanwezigheid van een buitensporige onevenwichtigheid wordt vastgesteld en waarbij de betrokken lidstaat wordt aanbevolen corrigerende maatregelen te nemen. In de aanbeveling van de Raad worden de aard en de gevolgen van de onevenwichtigheden uiteengezet en een reeks op te volgen beleidsaanbevelingen gespecificeerd, en wordt een termijn bepaald waarbinnen de lidstaat een plan met corrigerende maatregelen moet voorleggen.
  4. Plan met corrigerende maatregelen. De lidstaten waarvoor een PBO is ingeleid moeten binnen de in de aanbeveling van de Raad vermelde termijn een plan met corrigerende maatregelen indienen. De Raad beoordeelt, aan de hand van een verslag van de Commissie, het plan met corrigerende maatregelen binnen twee maanden nadat het is voorgelegd.
  5. Beoordeling van corrigerende maatregelen. Aan de hand van een verslag van de Commissie concludeert de Raad of de betrokken lidstaat al dan niet de aanbevolen corrigerende maatregelen heeft getroffen. Wanneer de Raad van oordeel is dat de lidstaat de aanbevolen corrigerende maatregelen niet heeft genomen, stelt hij, op aanbeveling van de Commissie, een besluit vast (met een omgekeerde gekwalificeerde meerderheid van stemmen) waarin de niet-naleving wordt vastgesteld, samen met een aanbeveling waarin nieuwe termijnen voor corrigerende maatregelen worden vastgesteld. In dit geval wordt de Europese Raad door de Raad geïnformeerd.
  6. Mogelijke financiële sancties. Lidstaten van de eurozone die geen gevolg hebben gegeven aan de PBO-aanbevelingen kunnen geconfronteerd worden met stapsgewijze sancties die uiteenlopen van een rentedragend deposito tot jaarlijkse boetes. Het rentedragend deposito of de boete bedragen 0,1 % van het nationale bbp.

Resultaten

Sinds de invoering van de PMO in 2012 is het aantal lidstaten dat:

  • aan een diepgaande evaluatie is onderworpen, tussen 2012 en 2016 gestegen van 12 tot 19, in 2018 gedaald tot 12 en in 2019 weer gestegen tot 13;
  • werd geacht onevenwichtigheden te ondervinden, tussen 2012 en 2015 gestegen van 12 tot 16, in 2018 gedaald tot 11 en in 2019 verder gedaald tot 10;
  • werd geacht buitensporige onevenwichtigheden te ondervinden, tussen 2012 en 2017 gestegen van 0 tot 6, maar in 2018 en 2019 weer gedaald tot 3;

De Commissie heeft nog niet voorgesteld om de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden in gang te zetten, hoewel de Raad en de Europese Centrale Bank hebben verzocht het potentieel van de procedure volledig te benutten en het corrigerende deel ervan waar nodig toe te passen.

Alle landen met onevenwichtigheden worden onderworpen aan specifieke monitoring, die voor landen met buitensporige onevenwichtigheden strenger is en dialogen met de nationale autoriteiten, bezoeken van deskundigen en periodieke voortgangsverslagen omvat. Dit moet tevens een bijdrage leveren aan de monitoring van de tenuitvoerlegging van de landspecifieke aanbevelingen in de betrokken lidstaten.

Als wordt geoordeeld dat een lidstaat risico loopt op macro-economische onevenwichtigheden, kunnen sommige of alle landspecifieke aanbevelingen die door de Raad zijn vastgesteld in het kader van het Europees semester worden geschraagd door de PMO. In de loop der jaren is het aantal van deze aanbevelingen toegenomen, maar is de mate van uitvoering ervan niet toegenomen.

Rol van het Europees Parlement

Sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon is het Parlement als medewetgever betrokken bij de vaststelling van regels voor multilateraal toezicht (artikel 121, lid 6, VWEU).

De wetgevingshandelingen met betrekking tot macro-economisch toezicht voorzien in economische dialoog. Om de dialoog tussen de instellingen van de Unie – in het bijzonder het Parlement, de Raad en de Commissie – te versterken en meer transparantie en een sterkere verantwoordingsplicht te garanderen, kan de bevoegde commissie van het Parlement de voorzitter van de Raad, de Commissie, de voorzitter van de Europese Raad en/of de voorzitter van de Eurogroep uitnodigen om hun besluiten of activiteiten in het kader van het Europees semester te bespreken. In het kader van deze dialoog kan het Parlement de mogelijkheid bieden voor een gedachtewisseling met de lidstaten die onderwerp zijn van een aanbeveling van de Raad op grond van de procedure bij buitensporige onevenwichtigheden.

Aan het einde van de herfst brengt het Parlement zijn standpunt uit over de lopende cyclus van het Europees semester (inclusief de door de Raad aangenomen landspecifieke aanbevelingen), waarin rekening wordt gehouden met de resultaten van een gezamenlijke vergadering met vertegenwoordigers van de bevoegde commissies van de nationale parlementen.

In het kader van de PMO stelt de Commissie, samen met het Parlement en de Raad, de reeks macro-economische indicatoren vast die in het scorebord wordt opgenomen voor het toezicht op mogelijke macro-economische onevenwichtigheden in de lidstaten. Uiterlijk in december 2019 zal de Commissie de toepassing van de PMO-verordeningen hebben geëvalueerd en daarover verslag hebben uitgebracht. In de verslagen zal worden geëvalueerd hoe doeltreffend de verordeningen zijn en hoeveel vooruitgang is geboekt bij de nauwere coördinatie van het economisch beleid en de verdere convergentie van de economische prestaties van de lidstaten. Zo nodig zullen de verslagen vergezeld gaan van een voorstel tot wijziging van de verordeningen, dat aan het Parlement en de Raad zal worden toegezonden.

Het Parlement bevordert de betrokkenheid van de nationale parlementen door middel van jaarlijkse bijeenkomsten met leden van de betreffende parlementaire commissies. Bovendien moeten de nationale parlementen, in overeenstemming met de wettelijke en politieke regelingen van iedere lidstaat, naar behoren worden betrokken bij het Europees semester en de voorbereiding van de stabiliteitsprogramma's, convergentieprogramma's en nationale hervormingsprogramma's teneinde de transparantie van en het draagvlak en de verantwoordingsplicht voor de genomen besluiten te vergroten.

 

Alice Zoppè