Deel deze pagina: 

Conferentie van voorzitters nadat de VK regering artikel 50 TEU heeft ingeroepen.  

De conferentie van voorzitters heeft een motie voor een resolutie goedgekeurd die is opgesteld door de leiders van vier politieke fracties en de parlementaire commissie Constitutionele zaken, waarin zij hun voorwaarden uiteenzetten voor een definitieve goedkeuring door het Europees Parlement van de uittredingsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk. Over de ontwerpresolutie wordt volgende week woensdag gedebatteerd en gestemd door het voltallig Europees Parlement.

De motie hecht grote waarde aan een eerlijke behandeling van burgers uit de 27 EU lidstaten en benadrukt de noodzaak tot wederkerigheid en non-discriminatie tussen burgers uit het VK die in de EU wonen en EU burgers die in het VK wonen.


Blijvende verplichtingen


Het Verenigd Koninkrijk moet tot zijn vertrek alle rechten behouden en alle verplichtingen nakomen die het heeft onder het EU verdrag; hieronder vallen de financiële toezeggingen onder de huidige lange-termijn EU begroting, zelfs als deze worden uitgeoefend na de datum van uittreding. Dit betekent ook dat het VK tot zijn vertrek de vier vrijheden moet blijven accepteren, alsmede de jurisdictie van het Europese Hof van Justitie, algemene contributies aan het budget en gebondenheid aan het gemeenschappelijke handelsbeleid van de EU. De parlementsleden benadrukken het belang van het vinden van een oplossing voor de kwestie van de grens tussen Ierland en Noord-Ierland.


“Een goed geregelde uittreding is een absolute vereiste en voorwaarde voor ieder mogelijk toekomstig partnerschap tussen de EU en het VK. Dit is niet onderhandelbaar. Het voorrecht van lidmaatschap van de EU komt met verantwoordelijkheden en deze verantwoordelijkheden betekenen het garanderen van de vier vrijheden. De vier vrijheden zijn de lijm die ons samenhoudt en ze zijn ondeelbaar”, aldus Antonio Tajani, voorzitter van het Europees Parlement.


Oprechte samenwerking


De fracties en de commissie constitutionele zaken merken op dat het in strijd met het EU recht zou zijn als het VK onderhandelingen start met derde landen voordat het de EU heeft verlaten. Ze verwachten ook oprechte medewerking van het VK in de onderhandelingen over EU wetgeving op andere beleidsterreinen totdat het is uitgetreden. Ze waarschuwen dat bilaterale overeenkomsten tussen het VK en één of meerdere van de blijvende EU landen - bijvoorbeeld als het gaat over in het VK gevestigde financiële instellingen – inbreuk op de EU verdragen zouden betekenen.


 “Het is voor ons een absolutie prioriteit om de rechten van burgers zo snel mogelijk veilig te stellen. Dat moet het eerste onderwerp zijn dat in de onderhandelingen aan bod komt. Burgers zouden geen ruilmiddel moeten zijn”, onderstreepte Guy Verhofstadt, de coördinator Brexit van het Europees  Parlement.


Geen betere status buiten de EU dan binnen


De Europarlementariërs zijn er op gebrand dat de voordelen van het zijn van lid van de EU niet hetzelfde kunnen zijn voor een land dat de EU verlaat. De toekomstige relatie tussen de EU en het VK zou, daarentegen, een associatieovereenkomst kunnen zijn, aldus de resolutie die werd opgesteld door Manfred Weber van de EVP, Gianni Pittella van de S&D, Guy Verhofstadt van de ALDE en Philippe Lamberts en Ska Keller van de Groenen/EFLG, en de voorzitter van de commissie constitutionele zaken Danuta Hübner. Een dergelijke overeenkomst zou blijvend respect van het VK voor EU standaarden op het gebied van milieu, klimaatverandering, de strijd tegen belastingontduiking en -ontwijking, eerlijke concurrentie, handel en sociaal beleid inhouden.


Overgangsmaatregelen


De parlementsleden zijn het er over eens dat er onderhandelingen kunnen starten over mogelijke overgangsmaatregelen op basis van de plannen voor de toekomstige relatie tussen de EU en het VK; maar alleen als er goede voortgang is geboekt richting een uittredingsovereenkomst. Een overeenkomst over een toekomstige relatie kan alleen worden gesloten op het moment dat het VK daadwerkelijk de EU heeft verlaten en een overgangsmaatregel mag niet langer duren dan drie jaar.