Europees Parlement
Door het Parlement aangenomen teksten
Definitieve uitgave : 24/09/2003

***I

Octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen

P5_TC1-COD(2002)0047

A5-0238/2003

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 24 september 2003 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2003/…/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid artikel 95,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Voor de totstandbrenging van de interne markt is het nodig beperkingen voor het vrije verkeer en concurrentieverstoringen op te heffen, en tegelijkertijd een gunstig klimaat te scheppen voor innovatie en investeringen. In deze context is de bescherming van uitvindingen een essentieel element voor het succes van de interne markt. Doeltreffende, transparante en geharmoniseerde bescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen in alle lidstaten is van essentieel belang om de investeringen op dit gebied in stand te houden en aan te moedigen.

(2)  Er bestaan verschillen in de bescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen die wordt geboden door de bestuursrechtelijke praktijken en de jurisprudentie van de verschillende lidstaten. Deze verschillen kunnen leiden tot handelsbelemmeringen en aldus de goede werking van de interne markt verhinderen.

(3)  Deze verschillen zijn ontstaan en kunnen groter worden naarmate de lidstaten nieuwe en uiteenlopende bestuursrechtelijke praktijken goedkeuren, of wanneer de nationale jurisprudentie die de bestaande wetgeving interpreteert, op ongelijke wijze evolueert.

(4)  De gestadige toename van de verspreiding en het gebruik van computerprogramma's op alle gebieden van de technologie en van de wereldwijde verspreiding ervan via internet is een kritieke factor voor de technologische innovatie. Daarom moet worden voorzien in een optimale omgeving voor de ontwikkelaars en de gebruikers van computerprogramma's in de Gemeenschap.

(5)  Om die reden moeten de rechtsregels betreffende de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen worden geharmoniseerd, om ervoor te zorgen dat de daaruit voortvloeiende rechtszekerheid en het niveau van de voorwaarden waaraan voor octrooieerbaarheid moet worden voldaan, de innoverende ondernemingen in staat stellen optimaal profijt te trekken van hun uitvindingsproces en een stimulans zijn voor investeringen en innovatie. De rechtszekerheid wordt tevens gewaarborgd door het feit dat in geval van twijfel over de interpretatie van deze richtlijn nationale rechtscolleges kunnen en nationale rechtscolleges in laatste instantie moeten verzoeken om een uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

(6)  De voorschriften van het Verdrag inzake de verlening van Europese octrooien, ondertekend in München op 5 oktober 1973, en met name die in artikel 52 betreffende de grenzen van octrooieerbaarheid, dienen te worden bevestigd en nauwkeuriger te worden omschreven. De rechtszekerheid die daaruit voortkomt, moet bijdragen tot een op investering en vernieuwing gericht klimaat in de softwaresector.

(7)  Overeenkomstig dit verdrag en de octrooiwetten van de lidstaten worden computerprogramma's alsmede ontdekkingen, natuurwetenschappelijke theorieën, wiskundige methoden, esthetische vormgevingen, stelsels, regels en methoden voor het verrichten van geestelijke arbeid, voor het spelen of voor de bedrijfsvoering, en de presentatie van gegevens uitdrukkelijk niet als uitvindingen beschouwd en bijgevolg van octrooieerbaarheid uitgesloten. Deze uitzondering is van toepassing omdat de genoemde onderwerpen en werkzaamheden niet tot een gebied van de technologie behoren.

(8)  Deze richtlijn heeft niet tot doel dit verdrag te wijzigen, maar moet voorkomen dat de bepalingen ervan verschillend worden geïnterpreteerd.

(9)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 30 maart 2000 over het besluit van het Europees Octrooibureau met betrekking tot het op 8 december 1999 verleende octrooi EP 695 351 (4) er wederom op aangedrongen dat de interne regels van het Europees Octrooibureau zodanig worden herzien dat gewaarborgd is dat het bij de uitoefening van zijn functies openbare verantwoording kan afleggen.

(10)  Dankzij octrooibescherming kunnen innovatoren profijt trekken van hun creativiteit. Octrooirechten bieden bescherming voor innovatie in het belang van de maatschappij, maar mogen niet worden gebruikt op een wijze die de concurrentie beperkt.

(11)  Overeenkomstig Richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma's(5) wordt de uitdrukkingswijze, in welke vorm dan ook, van een oorspronkelijk computerprogramma auteursrechtelijk beschermd als werk van letterkunde. De ideeën en beginselen die aan enig element van een computerprogramma ten grondslag liggen, worden echter niet auteursrechtelijk beschermd.

(12)  Opdat een uitvinding als octrooieerbaar kan worden beschouwd, moet deze een technisch karakter hebben, en aldus behoren tot een gebied van de technologie.

(13)  Om octrooieerbaar te zijn moeten uitvindingen in het algemeen en in computers geïmplementeerde uitvindingen in het bijzonder geschikt zijn voor industriële toepassing, nieuw zijn en op uitvinderswerkzaamheid berusten. Om op uitvinderswerkzaamheid te berusten moeten in computers geïmplementeerde uitvindingen bovendien een nieuwe technische bijdrage tot de stand van de techniek leveren¸ ten einde onderscheid te kunnen aanbrengen met zuivere software.

(14)  Dienovereenkomstig is een innovatie die geen technische bijdrage tot de stand van de techniek levert geen uitvinding in de zin van de octrooiwetgeving.

(15)  Louter de implementatie van een anders niet octrooieerbare methode op een apparaat zoals een computer, garandeert niettemin als zodanig niet afdoende dat er van een technische bijdrage sprake is. Bijgevolg kan een in computers geïmplementeerde bedrijfs-, gegevensverwerkings- of andere methode waarbij de enige bijdrage aan de stand van de techniek van niet-technische aard is, geen octrooieerbare uitvinding vormen.

(16)  Indien de bijdrage aan de stand van de techniek slechts verband houdt met niet-octrooieerbare onderwerpen kan er geen sprake zijn van een octrooieerbare uitvinding, ongeacht hoe het onderwerp in de aanvraag gepresenteerd wordt. Zo kan bijvoorbeeld het vereiste van een technische bijdrage niet omzeild worden door in de octrooiaanvraag louter de technische middelen te specificeren.

(17)  Bovendien is een algoritme inherent van niet-technische aard en kan derhalve geen technische uitvinding vormen. Desalniettemin zou een methode waarbij een algoritme gebruikt wordt, octrooieerbaar kunnen zijn op voorwaarde dat de methode gebruikt wordt om een technisch probleem op te lossen. Elk octrooi dat verleend wordt voor een dergelijke methode zou echter niet het algoritme zelf of het gebruik ervan in een context die niet in het octrooi voorzien is, mogen monopoliseren.

(18)  De omvang van de exclusieve rechten die een octrooi verleent, wordt bepaald door de octrooiconclusies. Voor in computers geïmplementeerde uitvindingen moet het octrooi worden geclaimd hetzij voor een product, zoals een geprogrammeerd apparaat, hetzij voor een werkwijze die door een dergelijk apparaat wordt uitgevoerd. Bijgevolg vormt het gebruik van individuele software-elementen in een omgeving die niet de realisatie inhoudt van een op geldige wijze geclaimd product of werkwijze, geen inbreuk op een octrooi.

(19)  De rechtsbescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen vereist niet dat wordt voorzien in een afzonderlijk rechtsinstrument ter vervanging van de regels van het nationale octrooirecht. De regels van het nationale octrooirecht blijven de essentiële basis voor de rechtsbescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen. Deze richtlijn verduidelijkt slechts de huidige juridische situatie, ter waarborging van de rechtszekerheid, transparantie en duidelijkheid van de wetgeving en als tegenwicht tegen de ontwikkeling naar octrooieerbaarheid van niet-octrooieerbare methoden, zoals alledaagse procedures en bedrijfsmethoden.

(20)  De richtlijn moet worden beperkt tot het vaststellen van bepaalde beginselen met betrekking tot de octrooieerbaarheid van dergelijke uitvindingen. Deze beginselen dienen er met name voor te zorgen dat uitvindingen die tot een gebied van de technologie behoren en een technische bijdrage leveren, voor bescherming in aanmerking komen, en omgekeerd dat uitvindingen die geen technische bijdrage leveren, daar niet voor in aanmerking komen.

(21)  De concurrentiepositie van het Europese bedrijfsleven ten opzichte van zijn voornaamste handelspartners zal worden verbeterd indien de bestaande verschillen in de rechtsbescherming van in computers geïmplementeerde uitvindingen worden opgeheven en de rechtssituatie transparant is. Gelet op de huidige tendens voor de traditionele verwerkende industrie om haar werkzaamheden te verplaatsen naar lage-loneneconomieën buiten de Europese Unie, is het belang van de bescherming van intellectuele eigendom en met name van octrooien vanzelfsprekend.

(22)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de toepassing van de mededingingsregels, inzonderheid de artikelen 81 en 82 van het Verdrag.

(23)  De rechten die zijn toegekend middels octrooien die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn voor uitvindingen zijn verleend, laten handelingen onverlet die zijn toegestaan op grond van de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 91/250/EEG, met name de daarin opgenomen bepalingen betreffende decompilatie en compatibiliteit. In het bijzonder is voor handelingen waarvoor op grond van de artikelen 5 en 6 van die richtlijn geen toestemming van de rechthebbende is vereist in verband met diens auteursrechten in of ten aanzien van een computerprogramma en waarvoor dergelijke toestemming zonder de artikelen 5 en 6 van die richtlijn wel zou zijn vereist, geen toestemming van de rechthebbende vereist in verband met de octrooirechten die deze in of ten aanzien van het computerprogramma bezit.

(24)  Hoe dan ook moet in de wetgeving van de lidstaten worden verzekerd dat de octrooien noviteiten bevatten en op een uitvinderswerkzaamheid berusten, om te voorkomen dat uitvindingen die reeds publiek bezit zijn, worden toegeëigend, enkel en alleen omdat ze deel uitmaken van een computerprogramma.

(25)  Aangezien de doelstellingen van het voorgestelde optreden, namelijk de harmonisatie van de nationale voorschriften betreffende in computers geïmplementeerde uitvindingen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, mag de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag bedoelde subsidiariteitsbeginsel maatregelen treffen. Overeenkomstig het in dat artikel bedoelde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Werkingssfeer

Deze richtlijn stelt regels vast voor de octrooieerbaarheid van in computers geïmplementeerde uitvindingen.

Artikel 2

Definities

  Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

a)       'in computers geïmplementeerde uitvinding': elke uitvinding in de zin van het Europees Octrooiverdrag waarvoor het gebruik van een computer, computernetwerk of een ander programmeerbaar apparaat nodig is en die in zijn toepassingen een of meer niet-technische kenmerken heeft die geheel of gedeeltelijk door middel van een computerprogramma of computerprogramma's worden gerealiseerd, naast de technische kenmerken die elke uitvinding moet hebben;

b)       'technische bijdrage' ook wel 'uitvinding' genoemd: bijdrage tot de stand van de techniek op een gebied van de technologie. De technische aard van de bijdrage is een van de vier voorwaarden voor octrooieerbaarheid. Voorts moet een technische bijdrage, om voor een octrooi in aanmerking te komen, nieuw zijn, niet voor de hand liggen en geschikt zijn voor industriële toepassing. Het gebruik van de natuurkrachten om fysieke effecten te beheersen, buiten de digitale presentatie van de informatie om, behoort tot een gebied van de technologie. De verwerking, de manipulatie en de presentatie van informatie behoren daarentegen niet tot een gebied van de technologie, zelfs indien daartoe technische apparaten worden gebruikt;

c)       'gebied van de technologie': een industrieel toepassingsterrein dat het gebruik van beheersbare natuurkrachten vereist voor het verkrijgen van voorspelbare resultaten. 'Technisch': behorend tot een gebied van de technologie;

d)       'industrie' in octrooirechtelijke zin: 'geautomatiseerde productie van materiële goederen'.

Artikel 3

Gegevensverwerking en octrooirecht

De lidstaten zorgen ervoor dat gegevensverwerking niet wordt beschouwd als een gebied van de technologie in octrooirechtelijke zin en dat innovaties op het gebied van gegevensverwerking geen uitvindingen zijn in octrooirechtelijke zin.

Artikel 4

Voorwaarden voor octrooieerbaarheid

Om octrooieerbaar te zijn moet een in computers geïmplementeerde uitvinding geschikt zijn voor industriële toepassing, nieuw zijn en op uitvinderswerkzaamheid berusten. Om op uitvinderswerkzaamheid te berusten moet een in computers geïmplementeerde uitvinding een technische bijdrage leveren.

De lidstaten zorgen ervoor dat een in computers geïmplementeerde uitvinding die een technische bijdrage levert, een noodzakelijke voorwaarde voor het bestaan van uitvinderswerkzaamheid is.

Of de technische bijdrage significante omvang heeft, wordt beoordeeld door het bepalen van het verschil tussen de technische kenmerken in de omvang van de octrooiconclusie in hun geheel beschouwd, en de stand van de techniek, ongeacht of deze kenmerken gepaard gaan met niet-technische kenmerken.

Of een in computers geïmplementeerde uitvinding een technische bijdrage levert tot de stand van de techniek, wordt bepaald aan de hand van de vraag of zij nieuw inzicht verschaft in het oorzakelijk verband bij het gebruik van beheersbare natuurkrachten en of zij industrieel toepasbaar is in enge zin, zowel wat de methode als wat het resultaat betreft.

Artikel 5

Uitzonderingen op de octrooieerbaarheid

Een in computers geïmplementeerde uitvinding wordt niet geacht een technische bijdrage te leveren louter op grond van het feit dat daarbij gebruik wordt gemaakt van een computer, een netwerk of andere programmeerbare apparatuur. Bijgevolg zijn uitvindingen waarbij gebruik wordt gemaakt van computerprogramma's met toepassing van bedrijfsmethoden, mathematische of andere methoden en die geen technische resultaten produceren buiten de normale fysieke interactie tussen een programma en de computer, een netwerk of andere programmeerbare apparatuur waarop dit ten uitvoer wordt gebracht, niet octrooieerbaar.

Artikel 6

Octrooieerbaarheid van oplossingen voor technische problemen

De lidstaten zorgen ervoor dat in computers geïmplementeerde oplossingen voor technische problemen niet worden beschouwd als octrooieerbare uitvindingen enkel en alleen omdat zij de doeltreffendheid bij het gebruik van middelen binnen het gegevensverwerkingssysteem verhogen.

Artikel 7

Vorm van de conclusies

De lidstaten zorgen ervoor dat een in computers geïmplementeerde uitvinding alleen kan worden geclaimd als product, dat wil zeggen als een geprogrammeerd apparaat of als een technisch productieprocédé.

De lidstaten zorgen ervoor dat voor in computers geïmplementeerde uitvindingen verleende octrooiaanspraken alleen betrekking hebben op de technische bijdrage die de basis van de octrooiaanvraag vormt. Een octrooiaanspraak op een computerprogramma, hetzij een computerprogramma als zodanig hetzij een op een drager opgeslagen computerprogramma, is niet toelaatbaar.

De lidstaten zorgen ervoor dat de productie, manipulatie, verwerking, distributie en publicatie van informatie in welke vorm dan ook nooit direct of indirect inbreuk maakt op een octrooi, ook al worden daartoe technische apparaten gebruikt.

De lidstaten zorgen ervoor dat het gebruik van een computerprogramma voor doeleinden die niet onder het toepassingsgebied van het octrooi vallen, geen directe of indirecte inbreuk op het octrooi kan vormen.

De lidstaten zorgen ervoor dat als in een octrooiconclusie kenmerken worden genoemd die het gebruik van een computerprogramma impliceren, een goed werkende en goed gedocumenteerde referentie-implementering van een dergelijk programma wordt gepubliceerd als onderdeel van de beschrijving, zonder beperkende licentievoorwaarden.

Artikel 8

Verband met Richtlijn 91/250/EEG

De rechten die zijn toegekend middels octrooien die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn voor uitvindingen zijn verleend, laten handelingen onverlet die zijn toegestaan op grond van de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 91/250/EEG, met name de daarin opgenomen bepalingen betreffende decompilatie en compatibiliteit.

Artikel 9

Gebruik van geoctrooieerde technieken

De lidstaten zorgen ervoor dat gebruik van een geoctrooieerde techniek met een belangrijk doel zoals de omzetting van de conventies die in twee verschillende computersystemen of netwerken worden gebruikt om communicatie en gegevensuitwisseling tussen beide mogelijk te maken, niet wordt beschouwd als een inbreuk op het octrooi.

Artikel 10

Toezicht

De Commissie volgt welke invloed in computers geïmplementeerde uitvindingen hebben op innovatie en mededinging, zowel in Europa als internationaal, en op het Europese bedrijfsleven, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen en de open-sourcegemeenschap, en de elektronische handel.

Artikel 11

Verslag over de gevolgen van de richtlijn

  De Commissie brengt bij het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op...(6) verslag uit over:

a)       de invloed van octrooien voor in computers geïmplementeerde uitvindingen op de in artikel 10 genoemde factoren;

b)       de vraag of de regels betreffende de octrooitermijn en het bepalen van de octrooieerbaarheidseisen, meer bepaald nieuwheid, uitvinderswerkzaamheid en de passende omvang van de conclusies, adequaat zijn;

c)       of zich moeilijkheden hebben voorgedaan met betrekking tot lidstaten waar niet wordt nagegaan of aan de eisen inzake nieuwheid en uitvinderswerkzaamheid wordt voldaan voordat octrooi wordt verleend, en zo ja, of maatregelen wenselijk zijn om deze moeilijkheden te verhelpen;

d)       de vraag of er zich problemen hebben voorgedaan inzake de relatie tussen de bescherming door octrooien van in computers geïmplementeerde uitvindingen en de bescherming door auteursrecht van computerprogramma's als geregeld in Richtlijn 91/250/EEG en of er misbruik van het octrooisysteem voor wat betreft in computers geïmplementeerde uitvindingen heeft plaatsgevonden;

e)       de vraag of het wenselijk en juridisch mogelijk zou zijn om, gelet op de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, een 'gratieperiode' voor elementen van een octrooiaanvraag voor elk type uitvinding die voor de datum van aanvraag worden onthuld, in te voeren;

f)       de eventuele noodzaak een diplomatieke conferentie voor te bereiden ter herziening van het Europees Octrooiverdrag, mede in het licht van de totstandkoming van het Gemeenschapsoctrooi;

g)       de manier waarop met de voorschriften van deze richtlijn rekening is gehouden in de praktijk van het Europees Octrooibureau en zijn onderzoeksrichtsnoeren;

h)       de vraag of de aan het Europees Octrooibureau verleende bevoegdheden stroken met de vereisten voor de harmonisering van de EU-wetgeving, alsmede met de beginselen van transparantie en verantwoordingsplicht;

i)       de gevolgen voor de omzetting van de conventies in twee verschillende computersystemen om communicatie en gegevensuitwisseling mogelijk te maken;

j)       de vraag of de in deze richtlijn genomen optie met betrekking tot het gebruik van een geoctrooieerde uitvinding met als enig doel interoperabiliteit tussen twee systemen mogelijk te maken, adequaat is.

In dit verslag motiveert de Commissie waarom ze van oordeel is dat er al dan niet een wijziging van onderhavige richtlijn nodig is en somt ze desgevallend de punten op waarop ze zich voorneemt een voorstel tot wijziging te formuleren.

Artikel 12

Evaluatie van de gevolgen

In het kader van het toezicht overeenkomstig artikel 10 en het verslag dat moet worden opgesteld overeenkomstig artikel 11 evalueert de Commissie de gevolgen van deze richtlijn en dient zij, voorzover noodzakelijk, bij het Europees Parlement en de Raad voorstellen in tot wijziging van de wetgeving.

Artikel 13

Omzetting

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ...(7) aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

De lidstaten delen de Commissie de bepalingen van nationaal recht mee die zij vaststellen op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 15

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement     Voor de Raad

De Voorzitter     De Voorzitter



(1)     PB C 151 E van 25.6.2002, blz. 129.
(2)     PB C 61 van 14.3.2003, blz. 154.
(3)     Standpunt van het Europees Parlement van 24 september 2003.
(4)      PB C 378 van 29.12.2000, blz. 95.
(5)     PB L 122 van 17.5.1991, blz. 42. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 93/98/EEG (PB L 290 van 24.11.1993, blz. 9).
(6)*      54 maanden na de datum van inwerkingtreding van de richtlijn.
(7)* 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de richtlijn