Europees Parlement
Door het Parlement aangenomen teksten
Voorlopige uitgave : 19/11/2003

Thematische strategie inzake bodembescherming

P5_TA-PROV(2003)0507

A5-0354/2003

Resolutie van het Europees Parlement over de mededeling van de Commissie 'Naar een thematische strategie inzake bodembescherming' (COM(2002) 179 - C5-0328/2002 - 2002/2172(COS))

Het Europees Parlement,

-       gezien de mededeling van de Commissie (COM(2002) 179),

-       gelet op besluit nr. 1600/2002/EG(1) van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap,

-       gezien de bepalingen van de richtlijnen (92/43/EEG)(2) ('Habitat'), (79/409/EEG)(3) ('Vogelrichtlijn') en (85/377/EEG)(4) ('Milieueffectbeoordeling'), en de kaderrichtlijn (2000/60/EG)(5) ('Water') ten aanzien van de bescherming van ecosystemen en het directe verband tussen deze richtlijnen en de bodembescherming,

-       gelet op artikel 47, lid 2 van zijn Reglement,

-       gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbeleid en de adviezen van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de Commissie regionaal beleid, vervoer en toerisme (A5-0354/2003),

A.       overwegende dat de bodem een essentiële component van het terrestrische milieu vormt, en het ontmoetingspunt van hydrosfeer, atmosfeer en levende organismen is, dat de bodem de natuurlijke cycli van materie en energie regelt en uiterst gevoelig is voor de effecten van klimaatverandering en antropogene en historische activiteiten, en dat de bodemstructuur en -kenmerken dan ook het resultaat zijn van een eeuwenoud proces, dat van de bodem een niet hernieuwbare hulpbron maakt,

B.       overwegende dat de bodem het substraat is van de vestiging en de economische activiteit van de mens en de door de mens ontwikkelde infrastructuur, en dat het gebruik ervan dan ook dringend dient te worden geregeld, en de gevolgen van externe acties dienen te worden geëvalueerd en getemperd,

C.       overwegende dat bepaalde land- en bosbouwactiviteiten (behoud van terrascultuur, gecontroleerde weiden in bepaalde gebieden, toepassing van strokenteelt) echter van essentieel belang zijn gebleken voor het behoud van de bodem en dat de afschaffing ervan om die reden ernstige erosie heeft veroorzaakt,

D.       overwegende dat de methodologie van deze thematische strategie rekening moet houden met de oorzaak-gevolgrelatie, de antropogene en klimatologische gevolgen, de voornaamste oorzaken van bodemverval en -afname, verontreiniging, zure regen, woestijnvorming en verzilting, bodemverzegeling en -verdichting, overstromingen en aardverschuivingen, teneinde een reeks integrale maatregelen voor te stellen ter bevordering van een doeltreffend bodembeheer,

E.       overwegende dat overdreven verstedelijking en niet altijd milieuvriendelijke infrastructuurontwikkeling het verbruik van de natuurlijke bodem in de hand hebben gewerkt, grote compacte ruimten hebben gegenereerd die de relatie van de burger tot zijn natuurlijke omgeving hebben beperkt, het landareaal hebben gefragmenteerd, de loop van het water hebben gewijzigd en de risico's van overstromingen hebben vergroot, en overwegende dat dit proces geresulteerd heeft in een onhoudbare situatie in vele Europese kustgebieden,

F.       overwegende dat beperking van het gebruik van bestrijdingsmiddelen en een geleidelijke afschaffing van sommige gevaarlijke stoffen in bestrijdingsmiddelen noodzakelijk zijn om de problemen in verband met de kwaliteit van landbouwgronden tot een minimum terug te brengen,

G.       overwegende dat de afname van de biodiversiteit, de door erosie veroorzaakte processen van fysiek en chemisch verval, woestijnvorming, verontreiniging en de afname van het gehalte aan organische stoffen tot de prioriteiten van het bodembeleid dienen te behoren,

H.       overwegende dat er sprake is van grote diversiteit van de bodemproblematiek tussen en binnen (kandidaat-) lidstaten, dat bodemverontreiniging in aanzienlijk mindere mate dan lucht- en waterverontreiniging een grensoverschrijdend karakter heeft, dat de toegevoegde waarde van Europees optreden vooral ligt op het vlak van uitwisseling van informatie, kennis en optimale werkmethoden;

I.       overwegende dat bodembescherming een essentiële voorwaarde is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van onder andere de waterkaderrichtlijn 2000/60/EG ten aanzien van de voorkoming van diffuse verontreiniging, 92/42/EEG -, ('habitatrichtlijn') ten aanzien van de biodiversiteit van de bodem, en het protocol van Kyoto ten aanzien van de capaciteit van de bodem en de ondergrond om CO2 vast te houden,

J.       overwegende dat de oorzaken van het proces van bodemverval moeten worden beschouwd tegen de achtergrond van de specifieke kenmerken van iedere Europese regio en met name de problematiek van de mediterrane bodems die ernstig worden aangetast door verschijnselen als bosbranden of woestijnvorming,


1.       verzoekt de Commissie vóór juli 2004 een thematische strategie inzake bodembescherming voor te stellen, op basis van een versterking van het huidige beleid, waarbij via een geïntegreerde benadering problemen, kwalitatieve en kwantitatieve doelstellingen en maatregelen om deze doelstellingen te verwezenlijken, tijdschema's en algemene evaluatie- en follow-up-beginselen dienen te worden gedefinieerd met de volgende oogmerken:

-       beëindiging van de opslag van voor het milieu en de gezondheid gevaarlijke stoffen in de bodem;

-       omkering van de alarmerende trends van erosie, afdekking en verdichting, verontreiniging en verwijdering van de bodem;

-       bescherming van de bodem als opslagplaats van CO2, beveiliging van de watervoorraad en behoud van de biodiversiteit;

-       bescherming van de bodem voor een duurzame productie van voedingsmiddelen en hernieuwbare grondstoffen;

2.       verzoekt de Commissie met aandrang in samenwerking met de lidstaten en de bevoegde regionale autoriteiten vóór 2007 een wetenschappelijke bodemcatalogus op te stellen, die gegevens bevat over de aard van de bodem, zijn biografie, zijn gezondheidstoestand en kwetsbaarheid, en het proces van verval, erosie en verontreiniging, waarbij het bestaan van uiterst waardevolle bodems (in agrarisch, geologisch, ecologisch, historisch en landschappelijk opzicht) en de noodzaak aanbevelingen te formuleren voor de instandhouding en het duurzaam gebruik ervan dienen te worden erkend; wijst op het belang van harmonisering van analysemethoden om vergelijkbare bodemgegevens te verkrijgen; de toegankelijkheid van de bestaande gegevens dient bovendien verbeterd te worden aangezien dit een belangrijke voorwaarde vormt voor de noodzakelijke uitwisseling van informatie en ervaringen tussen lidstaten;

3.       dringt er in dit verband bij de Commissie op aan bij de opstelling van de bodemcatalogus erop toe te zien dat de bescherming van de bodem wordt gekoppeld aan het gebruik dat ervan wordt gemaakt, aangezien iedere wetenschappelijke en taxonomische classificatie, hoe interessant ook, zinloos zou zijn als er geen instrumenten worden ontwikkeld om permanent toezicht uit te oefenen op het gebruik ervan (toezicht op de uitbreiding van de irrigatie, herindeling van beschermde gebieden, verstedelijking van wetlands, aanleg van infrastructuren op vruchtbare bodem, enz.); is van oordeel dat, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, deze toezichtsinstrumenten in nauwe samenwerking met de lidstaten ten uitvoer moeten worden gelegd;

4.       verzoekt de Commissie enkele richtsnoeren op te stellen, bestemd voor de lidstaten en de bevoegde regionale autoriteiten, voor de preventie van, het toezicht op en de controle van bodemverontreiniging;

5.       steunt het voornemen van de Commissie de bestaande databanken samen te brengen en te vervolmaken en de kaarten aan te vullen, teneinde te beschikken over een geografisch referentiesysteem; stemt ook in met de invoering van een digitaal geografisch informatiesysteem, teneinde de verspreide informatie op adequate schaal te bundelen en toegankelijk te maken voor het publiek;

6.       dringt erop aan dat de Commissie in overeenstemming met het SOVEUR-verslag(6) van de FAO een methodologische en cartografische evaluatie van de Europese bodem uitvoert, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak om een specifieke aanpak te hanteren op basis van de drie beginselen van voorzorg, anticipatie en preventie; deze beginselen, die aansluiten bij het wereldbodemhandvest van de FAO, moeten gericht zijn op voorkoming van bodemerosie en verwoestijning;

7.       stelt de Commissie voor om, wanneer de catalogus en de diagnosen beschikbaar zullen zijn, een zonering van de Europese bodems uit te voeren, rekening houdend met de geografische, klimatologische en typologische heterogeniteit, en met het gebruik en de risico's en haar voorstellen voor toezicht dat haalbaar is op het niveau waar het wordt uitgeoefend;

8.       dringt er bij de Commissie op aan dat zij de mogelijkheid bestudeert om een systeem van specifieke indicatoren voor bodems in te stellen, aan de hand waarvan op grond van een eerste diagnose, kan worden vastgesteld welke invloed de getroffen maatregelen hebben gehad op de ontwikkeling van de toestand van de bodem. In die zin zij eraan herinnerd dat er reeds door het Europees Milieuagentschap of door de OESO voorgestelde systemen bestaan (bijv. het systeem druk/staat/reactie) die in het kader van de thematische strategie zouden kunnen worden goedgekeurd;

9.       acht een betere integratie van de bodembescherming in de communautaire beleidsmaatregelen noodzakelijk - met name dient in het kader van de Trans-Europese Netwerken en bij de toekeninning van steun uit Structuurfonds- en Cohesiefondsmiddelen en de pretoetredingssteun met de bodembescherming rekening te worden gehouden in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid [en] door de Europese Unie medegefinancierde (regionale) infrastructurele projecten;

10.       verzoekt de Commissie kruisconformiteit verplicht te stellen voor alle betalingen in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, en erop toe te zien dat alle desbetreffende aspecten van bodembescherming vallen onder de definitie van goede landbouw- en milieuomstandigheden, met inbegrip van de verplichte programma's voor bodembeheer waardoor gratis onpartijdige informatie beschikbaar wordt gesteld aan alle boeren in landbouw- en veeteeltsystemen;

11.       steunt het initiatief van de Commissie om een wetgevingsvoorstel op te stellen - waarvan het niveau in de thematische strategieën dient te worden bepaald - over de invoering van een systeem van follow-up en toezicht met betrekking tot het bodembeleid en de mogelijke verdichting ervan;

12.       dringt er bij de Commissie op aan na te gaan of de bodembescherming beter in de bestaande wetgeving kan worden geïntegreerd en via aanvullende voorstellen met name meer rekening te houden met de bodembescherming in de richtlijnen inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging en inzake strategische milieueffectbeoordeling;

13.       vraagt de Commissie om bij haar wetgevende initiatieven op grond van haar thematische strategie rekening te houden met de rol van de landbouw voor het herstel van de bodems, en het belang van instandhouding van de landbouwactiviteit, vooral in gebieden die sterk bedreigd worden door ontvolking en waar doelmatig gebruik van de bodem in landbouw, veeteelt en bosbouw essentieel is om zijn kwaliteit te behouden;

14.       is van oordeel dat moet worden voorzien in een formele definitie van de landbouwmodellen en de teeltmethoden in de EU (duurzame biologische landbouw met minimale grondbewerking, bebouwing met of zonder irrigatie, beweiding, grondloze teelt, bergweiden, beweiding zonder bevloeiing) en het effect ervan op de bodem, teneinde de milieumaatregelen te diversifiëren naar gelang de specifieke kenmerken van de landbouw en de gunstige gevolgen ervan voor de bodem;

15.       vraagt de Commissie om aan de hand van begeleidende programma's bij het gemeenschappelijk landbouwbeleid werkwijzen aan te moedigen die op behoud van de bodem gericht zijn, en door middel van doelgerichte steun van het EOGFL de teelten en teeltwijzen aan te moedigen die het best beantwoorden aan de specifieke kenmerken van de bodem en de economische en sociale gegevenheden; wijst daarbij vooral op het belang van peulvruchten voor het behoud van de plantengroei en de verscheidenheid van het dierenleven van bepaalde streken, omdat hun vermogen om stikstof vast te houden de mogelijkheid biedt om minder meststoffen te gebruiken;

16.       verzoekt de Commissie een diagnose te maken van het effect van de hervorming van het GLB op de gezondheidstoestand van de bodem per zone, rekening houdend met de ontvolking van het platteland (en de sociaal-economische en milieugevolgen daarvan), de verplaatsing van de steun en de liberalisering van de markten, en verzoekt tevens dat maatregelen inzake bescherming en behoud van de bodem en de watervoorraad, met inbegrip van specifieke maatregelen met financiële steun, deel uitmaken van de milieumaatregelen van het GLB;

17.       is van oordeel dat er weliswaar zoute gronden van grote intrinsieke waarde bestaan, maar dat de nodige instrumenten moeten worden ontwikkeld voor de controle van de verziltingsprocessen en een evaluatie dient te worden gemaakt van de irrigaties die een negatief effect kunnen hebben op rivieren en grondwater;

18.       dringt er bij de Commissie op aan de Richtlijn (1986/278/EEG)(7) inzake het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw te herzien en een richtlijn inzake het gebruik van compost op te stellen; onderstreept de noodzaak het onderzoek op dit gebied te intensiveren, teneinde de mogelijkheden die deze methoden bieden om gronden die arm zijn aan organische stoffen te herstellen, beter te benutten, en afvalbeheer, bodembescherming en bodemaanrijking onderling compatibel te maken;

19.       verzoekt de Commissie en de lidstaten, in het kader van zowel de thematische strategie voor het stadsmilieu als de instrumenten voor ruimtelijke ordening, rivieroevers, relictbossen, wetlands en zoutmoerassen uit te sluiten van de mogelijkheid van verstedelijking, verdichting of exploitatie; verontreinigde bodems kunnen met inachtneming van specifieke belastingseisen aan de sanering of beveiliging van bepaalde vormen van planologisch-rechtelijk toegestaan gebruik worden toegevoegd;

20.       verzoekt de Commissie richtsnoeren op te stellen voor de terugwinning van de verontreinigde bodem in stedelijk en semi-stedelijk gebied met o.a.: een passende definitie van de indeling van de bodem aan de hand waarvan het mogelijke gebruik ervan kan worden vastgesteld, de vaststelling van termijnen die toereikend zijn voor de terugwinning en onderzoek naar het gebruik van de meest eenvoudige en efficiënte systemen, en naar experimentele technieken op het gebied van biologische behandeling en de biografie van de bodem;

21.       wenst dat de lidstaten bij de beoordeling van het effect van ondergrondse en bovengrondse infrastructuur en van stedenbouw rekening houden met de gevolgen daarvan voor de natuurlijke loop van oppervlakte- en grondwater; wenst dat bij de beoordeling van het effect van ondergrondse en bovengrondse infrastructuur en van stedenbouw rekening wordt gehouden met de gevolgen daarvan voor de natuurlijke loop van oppervlakte- en grondwater, en dat tevens maatregelen worden getroffen die gericht zijn op het behoud van de doorlatende bodem, en dat rekening wordt gehouden met effect van fragmentatie van natuurlijke beddingen, natuurgebieden en habitats bij de planning ervan; verzoekt tevens dat bij de ontwikkeling van de thematische strategie voor het stedelijk en territoriaal gebied rekening wordt gehouden met de richtlijnen inzake de milieueffectbeoordeling en de strategische milieubeoordeling;

22.       wijst met nadruk op de noodzaak bodembeschermingsdoelen op te nemen in de strategieën met betrekking tot ruimtelijke ordening en zich te verplichten tot verdere ontwikkeling van het Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief; verzoekt de Commissie in het kader van de mededeling over 'Planning en milieu: de territoriale dimensie' die zij in 2003 moet indienen maatregelen te onderzoeken ter voorkoming van de bodemverzegeling die optreedt als nieuwe gebieden worden bestemd voor stadsontwikkeling en infrastructuur; dringt aan op voorschriften om het bodemgebruik in overeenstemming te brengen met de kenmerken van de bodem, met inachtneming van sociale waarden, en om een einde te maken aan de onzorgvuldige bodemverzegeling;

23.       is van oordeel dat ter bevordering van duurzame ontwikkeling de topografie, de structuur en het natuurlijke reliëf van een gebied tijdens het hele verstedelijkingsproces dienen te worden gerespecteerd; is van mening dat bodemverzegeling, alsmede deformatie van de natuurlijke morfologie en het reliëf moeten worden beperkt, dat beter toezicht moet worden gehouden op het verloren gaan van de bodem, en dat visuele en milieueffecten van grote uitgravingen met het oog op de extractie van toeslagstoffen dienen te worden voorkomen;

24.        stelt voor de vervoerssector vast dat met name weginfrastructuur en in mindere mate spoorinfrastructuur door bodemverzegeling en -verdichting (als gevolg van druk door zware vervoermiddelen) en door doorsnijding van ecosystemen een bedreiging voor de bodem kunnen vormen; wijst in dit verband op het belang van de bevordering van vervoer over water zoals onder meer verwoord in het Witboek Transport en op de noodzaak om voor projecten in het kader van de Trans-Europese Netwerken een milieueffectbeoordeling uit te voeren volgens Richtlijn 2001/42/EG(8); verzoekt de Commissie het gebruik van innovatieve duurzame technieken en producten in de wegenbouw zoals ZOAB (zeer open asfaltbeton) te stimuleren;

25.       acht het noodzakelijk dat de kennis over de functies van de soorten die de bodem bewonen, de voedingsstoffen- en watercyclus wordt verdiept. Acht de toepassing van het voorzorgsbeginsel en van waarborging van volledige naleving van het Zesde Milieuactieprogramma en de milieuwetgeving van de EU, zoals de kaderrichtlijnen inzake habitats, vogels en water van wezenlijke betekenis. Is voorts van mening dat het communautaire beleid, waar nodig, moet worden herzien, om het natuurlijk evenwicht beter te beschermen door het afnemen van de biodiversiteit te voorkomen;

26.       verzoekt de Commissie met aandrang, als een integrerend onderdeel van de thematische strategie inzake bodembescherming, een systeem uit te werken om een betrouwbare en geactualiseerde raming te maken van de kosten en de economische gevolgen van bodemverval;

27.       is van oordeel dat sommige communautaire instanties zich onvoldoende bewust zijn van de woestijnvorming in diverse regio's van de Unie en de sociaal-economische gevolgen daarvan op het natuurlijke milieu of daar niet gevoelig genoeg voor zijn; dringt er bij de Commissie op aan dat zij onmiddellijk een mededeling indient over woestijnvorming; verzoekt de Commissie dan ook in deze mededeling een communautair actieprogramma op te nemen met een gedetailleerde beschrijving van de zonering van de regio's waar zich een woestijnvormingsproces voordoet of dreigt voor te doen en een exhaustieve analyse van de oorzaken, de sociaal-economische gevolgen voor de zones in kwestie, en de gevolgen voor het menselijke en het natuurlijke milieu en de kringloop van het water, en passende communautaire maatregelen te bepalen die ertoe bijdragen de negatieve gevolgen van genoemd proces af te remmen;

28.       stemt in met de definitie die de Commissie geeft van erosie als een probleem dat zich in de hele EU voordoet, wenst dat de Commissie een communautair actieprogramma in het leven roept, in het kader waarvan ook naar behoren rekening wordt gehouden met de afkalving van de kusten die bewoonde gebieden, infrastructuren en cultuurwaarden bedreigt;

29.       verzoekt de Commissie de rol die klimaatverandering in verband met erosie en het woestijnvormingsproces speelt te onderzoeken en voorstellen voor de lidstaten te ontwikkelen teneinde de gevolgen daarvan te milderen;

30.       dringt er bij de Commissie op aan de bestaande steun ter voorkoming van bosbranden - een belangrijke oorzaak van bodemerosie, met name in mediterrane landen - te handhaven en nieuwe steunvormen te bevorderen; dringt er in dit verband op aan om, naast de steun voor bosbrandpreventie, meer middelen beschikbaar te stellen voor die traditionele beheerspraktijken die zo gunstig zijn gebleken voor het behoud van de bodem;

31.       benadrukt het belang van duurzaam bosbeheer voor de bescherming van de bodem, en verzoekt de lidstaten maatregelen te treffen om de verstedelijking van verbrande bosgronden te verbieden en om ervoor te zorgen dat bij de terugwinning wordt gekozen voor soorten die geen negatieve gevolgen hebben voor het ecologisch evenwicht en de waterhuishouding van de regio;

32.       acht het wenselijk dat het onderzoek met betrekking tot de bodem wordt herzien, waarbij het onderzoek naar het verband tussen landbouw en bodem en het gebruik van akkerland met een tekort aan water, en andere maatregelen ter bestrijding van woestijnvorming dienen te worden bevorderd; tevens dient onderzoek naar de effecten van kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen op de biodiversiteit van de bodem te worden bevorderd; en er dient voorrang te worden gegeven aan interdisciplinair onderzoek; is tevens van oordeel dat onderzoek dient te worden verricht naar de verstedelijkingsprocessen en de gevolgen van bodemverzegeling;

33.       dringt erop aan dat iedere strategie op het gebied van planning en behoud van de bodem doelstellingen zou moeten bevatten ten aanzien van milieu-educatie die gericht is op die sectoren en actoren die met hun incorrecte praktijken bijdragen tot het verval van de bodem (landbouwers, levensmiddelenindustrie, boerenbedrijven die drijfmest produceren, houtverwerkende industrie, enz.);

34.       verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten.



(1)     PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.
(2)     PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(3)     PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1.
(4)     PB L 175 van 5.7.1985, blz. 40.
(5)     PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(6)      Van Lynden, G.W., 2000, Soil degradation in Central and Eastern Europe: The assessment of the status of human-induced soil degradation. FAO-ISRIC, Rome.
(7)     PB L 181 van 4.7.1986, blz. 6.
(8)     PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30.