Europarl > Activiteiten > Plenaire vergaderingen > Door het Parlement aangenomen teksten
Notulen van 02/12/1999 - Definitieve uitgave
A5-0076/1999
Het Europees Parlement,
- gezien het verslag van de Commissie (COM(1999) 174 - C5-0108/1999),
- gezien de informatieve nota aan de Commissie van de heren Marín en de Silguy over de invoering van eurobankbiljetten en -muntstukken (SEC(1999) 1262),
- gezien de conclusies van de Europese Raad van december 1995 in Madrid met het politiek akkoord over het tijdschema voor de invoering van de euro,
- onder verwijzing naar zijn advies van 28 november 1996(1) over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende vaststelling van enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro,
- onder verwijzing naar zijn advies van 28 november 1996(2) over het voorstel voor een verordening van de Raad houdende invoering van de euro,
- gezien verordening (EG) nr. 1103/97 van 17 juni 1997 over enkele bepalingen betreffende de invoering van de euro(3),
- gezien de resolutie van de Europese Raad van 7 juli 1997 inzake het juridische kader voor de invoering van de euro(4),
- gezien verordening (EG) nr. 974/98 van 3 mei 1998 over de invoering van de euro(5),
- gezien zijn besluit van 13 maart 1996(6) betreffende het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende grensoverschrijdende overmakingen,
- gezien aanbeveling 98/286/EG van de Commissie betreffende de bankkosten voor de omrekening in euro(7),
- gezien aanbeveling 98/287/EG van de Commissie betreffende de dubbele aanduiding van prijzen en andere geldbedragen(8),
- onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 januari 1998(9) over de euro en de consument,
- onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 maart 1998(10) over de mededeling van de Commissie over de praktische aspecten van de invoering van de euro en het werkdocument van de Commissie over de voorbereiding van de overheidsinstanties op de overschakeling naar de euro,
- onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 december 1998(11) over de mededeling van de Commissie over de te volgen strategie bij de voorlichting over de euro,
- gezien het verslag van de Economische en Monetaire Commissie (A5-0076/1999),
A. overwegende dat het scenario voor de overschakeling op de euro op politiek vlak overeengekomen is op de Europese Raad van 15 en 16 december 1995 in Madrid, die daarmee artikel 121, lid 4 van het EG-Verdrag bevestigd heeft,
B. overwegende dat de voornaamste bepalingen inzake het rechtskader van de euro vervat zijn in bovengenoemde verordening (EG) nr. 1103/97 van 17 juni 1997 en verordening (EG) nr. 974/98 van 3 mei 1998,
C. overwegende dat volgens het scenario van Madrid en artikel 121, lid 4 van het EG-Verdrag de derde fase van de Economische en Monetaire Unie op 1 januari 1999 is begonnen met de onherroepelijke vastlegging van de omrekeningskoersen voor de munteenheden van de deelnemende landen en ten opzichte van de euro,
D. overwegende dat de Europese Centrale Bank sinds 1 januari 1999 gebruik maakt van de euro voor haar monetaire beleidsvoering, en dat het Europees Stelsel van Centrale Banken, dat de Europese Centrale Bank en de centrale banken van de deelnemende landen verenigt, verantwoordelijk is voor vormgeving en uitvoering van het uniform monetair en wisselkoersbeleid,
E. overwegende dat er volgens het scenario van Madrid en verordening (EG) nr. 974/98 van 3 mei 1998 een overgangsperiode van drie jaar tot 1 januari 2002 is voordat de eurobankbiljetten en -muntstukken in omloop worden gebracht en voordat de status van de nationale bankbiljetten en muntstukken als wettelijk betaalmiddel opgeheven wordt, uiterlijk per 1 juli 2002,
F. overwegende dat de lidstaten vóór 1 januari 1999 al overschakelingsplannen aangenomen hebben voor facultatief gebruik van de euro door bedrijven en burgers in hun betrekkingen met de overheid,
G. daarnaast overwegende dat de meeste overheidsdiensten pas vanaf 1 januari 2002 de euro zullen beginnen te gebruiken voor interne verrichtingen,
H. overwegende dat de euro zich een positie verworven heeft op de financiële markten en dat de overschakeling voor alle beursverrichtingen plaatsgevonden heeft op 4 januari 1999,
I. overwegende dat er nog een aantal praktische details betreffende de invoering van eurobiljetten en -muntstukken zijn waarover de lidstaten en de Europese Centrale Bank een besluit moeten treffen,
J. overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 123, lid 4 van het EG-Verdrag een belangrijke rol te vervullen heeft in de derde fase van de invoering van de euro,
K. overwegende dat het welslagen van de overschakeling op de euro voor een groot deel zal afhangen van de vraag of de euro door het publiek volledig aanvaard wordt,
L. overwegende dat de periode vanaf 2002 waarin de nationale munteenheden en de euro gelijktijdig in omloop zijn, bij de consument noch de detailhandel aanleiding mag geven tot verwarring, fouten, misbruiken, onveiligheid en tijdverlies omdat dit de aanvaarding van de euro door het publiek niet ten goede zou komen,
M. overwegende dat opinieonderzoeken erop wijzen dat de burgers en KMO's enigszins teleurgesteld zijn over het praktisch gebruik van de euro, ook al is er in de euro-zone een meerderheid voor, die gedeeltelijk toe te schrijven is aan de blijvend hoge bankkosten die met grensoverschrijdende betalingen en wisseloperaties tussen de deelnemende nationale munten gemoeid zijn, en het ontbreken van onmiddellijke praktische voordelen,
N. overwegende dat het tempo waarmee de bedrijven zich op de overschakeling voorbereiden te langzaam is, omdat veel grote ondernemingen en de meeste KMO's besloten hebben om met de omzetting van hun rekeningen in euro te wachten tot in 2001,
O. overwegende dat, wil de euro door het grote publiek worden aanvaard en de zakenwereld zich goed kunnen voorbereiden, er een ruimere en gerichtere informatie moet worden gegeven dan die welke thans wordt verstrekt,
P. overwegende dat aanduiding van prijzen en bedragen in nationale munt en in euro op grote schaal in gebruik zijn bij veel bedrijven en overheidsdiensten,
Q. overwegende dat het van belang is om het gebruik van de euro voor andere dan contante betalingswijzen vóór 1 januari 2002 aan te moedigen zodat de burgers gewend raken aan de nieuwe waardeschalen en de overschakeling zo soepel mogelijk kan gebeuren,
R. overwegende dat het voor de lidstaten en de Europese Centrale Bank van groot belang is om degelijk voorbereid te zijn om bedrog en namaak te vermijden wanneer de eurobankbiljetten en -muntstukken ingevoerd worden, met o.a. informatie hoe echte biljetten en muntstukken te herkennen zijn en veilig vervoer, verspreiding en opslag van de biljetten en muntstukken,
S. overwegende dat de kosten voor grensoverschrijdende betalingen nog altijd wezenlijk hoger liggen dan voor het binnenlands geldverkeer,
Overgangsperiode
1. deelt het standpunt van de Commissie dat het op dit ogenblik het beste is om de overgangsperiode van drie jaar volgens het scenario van Madrid en de verordeningen van de Raad nrs. 1103/97 en 974/98 te handhaven, gezien de technische problemen, vooral die in verband met de aanmaak van geldstukken, alsmede gezien de noodzaak dat het bedrijfsleven, de overheidsdiensten en de burgers voldoende tijd moeten krijgen om zich op de invoering van eurobiljetten en -muntstukken voor te bereiden;
Periode van dubbele circulatie
2. steunt het idee van een "kritische massa" van eurobiljetten en -muntstukken om begin 2002 stagnatie bij de betalingen te voorkomen;
3. meent dat de periode dat de nationale munteenheden en de euro vanaf 1 januari 2002 gelijktijdig in omloop zijn, zo kort mogelijk gehouden moet worden, bij voorkeur hoogstens twee maanden, om een evenwicht te vinden tussen de noodzaak om de burgers genoeg tijd te geven om zich met de biljetten en muntstukken vertrouwd te maken en tegelijk geen te zware last op het bedrijfsleven en de overheidsdiensten te leggen, die in die periode met twee munteenheden zullen moeten werken;
4. stemt in met de redenering dat, om de periode van gelijktijdige circulatie van twee reeksen biljetten en muntstukken kort te houden en om de intrekking van de nationale munten vlot te laten verlopen, het nuttig is dat in de kleinhandel en de dienstenverstrekking aan de consument op zijn laatst vanaf de tweede week van het jaar 2002 het wisselgeld enkel in euro wordt teruggegeven;
Periode van bevoorrading vooraf
5. onderschrijft het idee om de banken al vóór 1 januari 2002 te voorzien van zowel biljetten als muntstukken om de vervoers- en verdelingsproblemen begin 2002 zo beperkt mogelijk te houden;
6. is er ook voorstander van om de kleinhandel en de overheidsdiensten vanaf begin december 2001 van muntstukken en biljetten te voorzien, zodat zij de tijd hebben hun personeel op te leiden en logistieke problemen te voorkomen;
7. is er verder voorstander van om de verbruikers vanaf begin december 2001 van muntstukken en minimaal kleine coupures (5 en 10 euro) te voorzien, om de mensen te helepen met de nieuwe munteenheid vertrouwd te raken, de moeilijkheden bij de invoering van bankbiljetten en muntstukken te spreiden, de contante verrichtingen vlugger te laten verlopen en lange rijen wachtenden te voorkomen;
8. spoort de lidstaten aan om in samenwerking met de Commissie zo vlug mogelijk en op een gecoördineerde manier de nog overblijvende onopgeloste problemen te regelen, om de banken, de kleinhandel, de overheidsdiensten en de burgers op voorhand van euro's te kunnen voorzien (verdeling, bedragen die voorradig moeten zijn, wettelijk kader, veiligheid, begeleidende maatregelen, valutadatums, enz.), zodat alle belanghebbenden degelijk voorbereid kunnen zijn op de invoering van de euro;
Periode van dubbele prijsaanduiding
9. verzoekt de Commissie en de lidstaten om nauwlettend toezicht te houden op de dubbele prijsaanduiding in de gehele overgangsperiode, en om dubbele prijsaanduiding in omgekeerde richting, met de voornaamste prijzen en bedragen in euro, uiterlijk vanaf begin 2001 te bevorderen;
10. dringt er bij de nationale regeringen en de organisaties van ondernemingen op aan de nieuwe marktstrategieën te volgen die voortvloeien uit de rechtstreekse vaststelling van de prijzen in euro, zodat deze voor de burger duidelijk zijn en geen aanleiding geven tot inflatoire effecten;
Voorlichtingscampagnes
11. meent dat de samenwerking tussen de verschillende overheidsinstanties versterkt moet worden: de lidstaten, de Commissie, de Europese Centrale Bank en het Europees Stelsel van Centrale Banken en het Europees Parlement, zodat ze allemaal dezelfde boodschap brengen en om de informatie over de bankbiljetten en muntstukken te coördineren;
12. verzoekt de Commissie in het verlengde van de voorlichtingscampagne over de euro in samenwerking met het Europees Parlement en de 11 lidstaten van de euro-zone een uitgebreide voorlichtingscampagne op te zetten waarin zowel praktische aspecten als de fundamentele betekenis van de Monetaire Unie worden belicht;
13. spreekt zich uit voor het instellen van indicatoren en procedures om in de overgangsperiode de vooruitgang te meten in de voorbereidingsgraad van de economische subjecten en het gebruik van de euro door de burgers, het bedrijfsleven en de overheidsdiensten, en de kennis van de waarde van de euro door de burgers, om latere informatiecampagnes doelgerichter te kunnen maken;
14. wijst erop dat er evenzeer aandacht geschonken moet worden aan de bijzondere behoeften van de KMO's, handelaars en de toeristische sector, en aan het aanmoedigen van de bedrijven om zo spoedig mogelijk de nodige voorbereidingen op de overschakeling te treffen;
15. spoort de Europese Centrale Bank en de lidstaten aan om geen moeite te schuwen om de kwetsbaarste groepen in de samenleving bij te staan (ongeletterden, visueel en auditief gehandicapten, economisch en sociaal achtergestelden, bejaarden, geografisch geïsoleerde groepen) met vormingsmogelijkheden, informatie over het tijdschema, voorbeelden en oefenmateriaal met eurobiljetten en -muntstukken, enz.;
16. verzoekt de Commissie de mogelijkheden te benutten die het bij de grote massa bijzonder populaire medium, met name televisie, biedt om de Europese burger beter en vollediger voor te lichten over de wijze waarop de overgang van de nationale munten naar de euro zal verlopen;
Elektronische betalingswijzen en grensoverschrijdende betalingen
17. acht het van belang dat de burgers aangemoedigd worden om ruim vóór 1 januari 2002 meer gebruik te maken van elektronische betalingswijzen in plaats van contante betaling, en pleit met nadruk voor de ontwikkeling van een elektronische portemonnee zodat de burgers in heel het euro-gebied dezelfde kaart kunnen gebruiken, tegen zo laag mogelijke concurrerende kosten;
18. stelt voor om het gebruik van oplaadbare betaalkaarten voor alle soorten verkoopautomaten in de euro-zone snel uit te breiden (kaartjes voor het openbaar vervoer, parkeerterreinen, voedsel- en drankautomaten, betaaltelefoon, postzegels, enz.) zodat de weerslag van de overschakeling op het dagelijks leven van de burgers zo beperkt mogelijk blijft;
19. spreekt zich nadrukkelijk uit voor de oprichting van een geïntegreerde betalingszone voor grensoverschrijdend geldverkeer (een TARGET-systeem voor de burger); vindt dat banken en financiële instellingen gezamenlijke commerciële en technisch geavanceerde oplossingen moeten kunnen vinden om het grensoverschrijdend betalingsverkeer sneller, veiliger en goedkoper te maken door een systeem voor de betaling van kleine bedragen in te voeren, aangezien de euro-zone als binnenlandse markt te beschouwen is;
o
o o
20. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad en de parlementen van de lidstaten.