Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

  • bg - български
  • es - español
  • cs - čeština
  • da - dansk
  • de - Deutsch
  • et - eesti keel
  • el - ελληνικά
  • en - English
  • fr - français
  • ga - Gaeilge
  • hr - hrvatski
  • it - italiano
  • lv - latviešu valoda
  • lt - lietuvių kalba
  • hu - magyar
  • mt - Malti
  • nl - Nederlands (huidige pagina)
  • pl - polski
  • pt - português
  • ro - română
  • sk - slovenčina
  • sl - slovenščina
  • fi - suomi
  • sv - svenska
Parlementaire vragen
24 september 2010
E-6616/2010
Antwoord van heer Andor namens de Commissie

De Commissie onderstreept dat de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie met betrekking tot Verordeningen (EEG) nr. 1408/71(1) en 574/72(2) relevant blijft, ook na de inwerkingtreding van de Verordeningen (EG) nr. 883/2004(3) en 987/2009(4). Deze rechtspraak dient dan ook in acht genomen te worden bij de toepassing van de overeenkomstige bepalingen van de nieuwe verordeningen.

In Verordening (EEG) nr. 1408/71 werden werkloosheidsuitkeringen voor grensarbeiders geregeld in artikel 71. De overeenkomstige bepalingen van de nieuwe verordening zijn te vinden in artikel 65. Het uitgangspunt van de regeling blijft onveranderd, namelijk dat grensarbeiders die werkloos worden in de regel moeten terugkeren naar hun woonland en daar een werkloosheidsuitkering ontvangen uit hoofde van de wetgeving van die staat. De achterliggende gedachte is dat grensarbeiders nauwere banden hebben met hun woonland en daar dus meer kans hebben nieuw werk te vinden.

De enige verandering als gevolg van Verordening (EG) nr. 883/2004 is dat grensarbeiders zich — als een aanvullende stap — kunnen inschrijven bij de arbeidsbemiddelingsdiensten in het land waar zij het laatst gewerkt hebben en daar werk kunnen zoeken. Deze inschrijving is echter niet van invloed op de toepassing van de regel dat het woonland van de grensarbeider een werkloosheidsuitkering verstrekt op basis van de nationale wetgeving.

Het beginsel dat grensarbeiders werkloosheidsuitkeringen ontvangen van hun woonland is bevestigd in het arrest Miethe(5). Het Hof was van oordeel dat artikel 71, lid 1, onder a) ii), van Verordening (EEG) nr. 1408/71 werknemers die onder die bepaling vallen geen keuze laat en hen belet een uitkering te verkrijgen van de lidstaat waar zij laatstelijk werkzaam waren, en dat dat artikel aldus moet worden uitgelegd dat een volledig werkloze grensarbeider die onder het toepassingsgebied van deze bepaling valt, uitsluitend aanspraak heeft op de uitkeringen van de lidstaat waar hij woont, ook wanneer hij voldoet aan de voorwaarden die de wetgeving van de lidstaat waar hij laatstelijk werkzaam is geweest, stelt voor het verkrijgen van een recht op uitkeringen.

De geldigheid van de basisregel van artikel 71 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 werd dus niet in twijfel getrokken door het Hof. Daarbij zij opgemerkt dat het Hof verder van oordeel was dat in zeer specifieke omstandigheden, wanneer een grensarbeider privé en beroepsmatig zodanige banden heeft in de lidstaat waar hij laatstelijk werkzaam is geweest dat hij daar de beste kansen op re-integratie in het beroepsleven heeft, hij of zij van de regeling van artikel 71, lid 1, onder a) ii), kan worden uitgezonderd en zich desgewenst kan inschrijven bij de arbeidsbemiddelingsdiensten van dat land en daar een uitkering kan aanvragen. Het is aan de nationale autoriteiten te bepalen of een grensarbeider zich in een dergelijke situatie bevindt.

Aangezien de bepalingen inzake de regelingen voor werkloosheidsuitkeringen voor grensarbeiders in artikel 71 van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en in het overeenkomstige artikel 65 van Verordening (EG) nr. 883/2004 vrijwel identiek zijn, meent de Commissie dat ook na 1 mei 2010 rekening gehouden moet worden met het arrest Miethe bij gevallen die onder de nieuwe verordeningen vallen. Het is echter aan de nationale autoriteiten te bepalen of het arrest Miethe al dan niet van toepassing is, afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van ieder geval.

Door de aanvullende mogelijkheid die Verordening (EG) nr. 883/2004 nu biedt, kunnen grensarbeiders nu profiteren van hulp en ondersteuning bij het zoeken van werk in het land waar zij het laatst gewerkt hebben, ook in gevallen waar zij zich niet op het arrest Miethe kunnen beroepen. Tot nu toe heeft de Commissie geen klachten ontvangen over de toepassing van artikel 65 van Verordening (EG) nr. 883/2004 in samenhang met het arrest Miethe. Zij acht het daarom in dit stadium niet noodzakelijk deze kwestie nader te onderzoeken.

(1)Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, PB L 149 van 5.7.1971.
(2)Verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EEG) nr. 1408/71, PB L 74 van 27.3.1972.
(3)Verordening (EC) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (voor de EER en Zwitserland relevante tekst), PB L 166 van 30.4.2004.
(4)Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004, PB L 284 van 30.10.2009.
(5)Zaak 1/85 Miethe tegen Bundesanstalt für Arbeit, Jurispr. EHvJ [1986] blz. 1837.

PB C 216 E van 22/07/2011
Laatst bijgewerkt op: 28 september 2010Juridische mededeling