Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

  • bg - български
  • es - español
  • cs - čeština
  • da - dansk
  • de - Deutsch
  • et - eesti keel
  • el - ελληνικά
  • en - English
  • fr - français
  • ga - Gaeilge
  • hr - hrvatski
  • it - italiano
  • lv - latviešu valoda
  • lt - lietuvių kalba
  • hu - magyar
  • mt - Malti
  • nl - Nederlands (huidige pagina)
  • pl - polski
  • pt - português
  • ro - română
  • sk - slovenčina
  • sl - slovenščina
  • fi - suomi
  • sv - svenska
Parlementaire vragen
22 maart 2011
E-001447/2011
Antwoord van de heer De Gucht namens de Commissie

De aard van ACTA als internationale overeenkomst die bindend is voor alle partijen, blijkt duidelijk uit artikel 2.1: „Elke partij geeft uitvoering aan de bepalingen van deze overeenkomst. Een partij kan in haar wetgeving een uitgebreidere handhaving van intellectuele-eigendomsrechten opnemen, mits deze handhaving niet in strijd is met de bepalingen van deze overeenkomst.”

De Commissie is niet op de hoogte van verklaringen waarin de autoriteiten van de VS zich op het standpunt stellen dat ACTA een vrijwillige overeenkomst is, noch van wetgeving in de VS die met ACTA in strijd is. Een dergelijke verklaring is zeker nooit afgegeven tijdens de onderhandelingen en is ook niet opgenomen in de tekst van de overeenkomst.

De verwijzing naar het Verdrag van Wenen(1) in het aanvankelijke antwoord was een antwoord op hetgeen de Commissie heeft opgevat als een algemene vraag of ACTA formeel moet worden opgevat als een internationale overeenkomst die bindend is voor alle partijen. Het feit dat de Verenigde Staten het Verdrag van Wenen inzake verdragenrecht hebben ondertekend maar nog niet geratificeerd, is niet relevant voor de vraag of de VS door dit verdrag gebonden zijn.

(1)In de zaak Gabčíkovo-Nagymaros Project overwoog het Internationaal Gerechtshof het volgende: „Het Hof behoeft er slechts op te wijzen dat het herhaaldelijk de gelegenheid heeft gehad te verklaren dat bepaalde in dat verdrag opgenomen voorschriften te beschouwen zijn als een codificatie van bestaand gewoonterecht” [nvdv: eigen vertaling]. (I.C.J Reports 1997, blz. 38, punt 46.) Uit de verklaring van het Hof, in combinatie met het relatief hoge aantal verdragspartijen, kan worden opgemaakt dat het instrument het huidige internationale verdragsrecht weergeeft.

PB C 294 E van 06/10/2011
Laatst bijgewerkt op: 29 maart 2011Juridische mededeling