Na afloop van de stemming zegt EP-Voorzitter Josep Borrell: "Het Europees Parlement heeft laten zien zijn verantwoordelijkheid te nemen en heeft, als medewetgever, antwoord gegeven op de angsten van sommige Europeanen. Het EP verzekert de burgers banen die de concurrentie aankunnen en een hoog beschermingsniveau van de volksgezondheid en het milieu."
De stemming
Het toepassingsgebied van de verordening
Het EP volgt het standpunt van de milieucommissie. Daaronder amendement 322, dat een aantal stoffen van de verplichting tot registratie uitzondert (onder andere staal en de gassen stikstof, argon en kooldioxide). Ook onbewerkte ertsen worden uitgezonderd (amendementen 323 en 324). Het EP neemt ook een blok amendementen (462-479) aan van Giles CHICHESTER (EVP-ED, UK) en anderen. Deze amendementen voorzien in meer uitzonderingen van de registratieplicht, zoals voor mineralen, ertsen, cokes en procesgassen als hoogovengassen.
Stoffen in artikelen
Amendementen van PES, ALDE, de GROENEN/EVA en EVL/NGL worden aangenomen die fabrikanten van artikelen een registratieverplichting opleggen indien aan onder meer de volgende voorwaarden is voldaan:
de stof is in totale hoeveelheden van meer dan 1 ton per jaar per producent of importeur in die voorwerpen aanwezig en;
de stof is aanwezig in een hogere concentratie dan de limiet van de concentratie van 0,1% voor persistente, zich in organismen ophopende stoffen of stoffen die een schadelijk effect op de hormoonhuishouding hebben, en;
de producent of importeur kan blootstelling van mens of het milieu aan de stof gedurende de levenscyclus van het voorwerp niet uitsluiten.
Registratie
De compromisamendementen van PES, EVP-ED en ALDE (nummers 367-413) worden met grote steun (438 stemmen voor, 144 tegen, bij 15 onthoudingen) aangenomen. Deze amendementen bepalen dat binnen drie jaar die stoffen moeten zijn geregistreerd die:
in hoeveelheden van meer dan 1000 ton per jaar worden geproduceerd of ingevoerd;
in hoeveelheden van meer dan één ton per jaar worden geproduceerd of ingevoerd en kankerverwekkend of mutageen zijn of de vruchtbaarheid aantasten;
in hoeveelheden van meer dan 100 ton per jaar worden geproduceerd of ingevoerd en als buitengewoon giftig voor waterorganismen zijn geclassificeerd en langdurige nadelige gevolgen voor het aquatisch milieu kunnen hebben.
Voor de stoffen die giftig zijn voor waterorganismen en die in hoeveelheden van minder dan 100 ton (maar meer dan één ton) worden geproduceerd of geïmporteerd, geldt een registratieverplichting binnen zes jaar (amendementen 373 en 374).
Het meest controversiële aspect van de registratie en van REACH in het algemeen ligt op het vlak van de hoeveelheden en de kosten van de gegevens die moeten worden aangeleverd vooraleer een stof geregistreerd kan worden. Het compromis zwakt de vereisten terzake af.
Voor stoffen in hoeveelheden tussen één en 10 ton (amendementen 394 en 396) worden twee verplichte testen toegevoegd: naar acute toxiciteit en gemakkelijke bioafbreekbaarheid. De volledige te volgen procedure (beschreven in bijlage 5 bij de verordening) wordt echter alleen van toepassing voor chemicaliën die aan bepaalde voorwaarden voldoen: de stoffen die kankerverwekkend of mutageen zijn, de vruchtbaarheid aantasten, zeer persistent zijn of zich ophopen in het lichaam. Voor overige stoffen wordt de procedure verlicht.
De test inzake de effecten van een substantie op de menselijke ontwikkeling wordt van bijlage VI naar bijlage VII verplaatst. Dit betekent dat deze test niet verplicht is voor stoffen die in meer dan tien ton per jaar worden vervaardigd of ingevoerd, maar slechts voor stoffen die in meer dan 100 ton per jaar worden geproduceerd of ingevoerd.
Verdere uitzonderingen van testverplichtingen kunnen worden verleend op basis van criteria met betrekking tot de blootstelling aan stoffen. De Europese Commissie dient dergelijke criteria binnen achttien maanden na de inwerkingtreding van de verordening via de comitologieprocedure op te stellen (amendement 389). Bovendien dienen de in Richtlijn 87/18/EEG vastgestelde beginselen van goede laboratoriumpraktijken nog slechts te worden nageleefd bij de uitvoering van nieuwe laboratoriumproeven waarbij gewervelde dieren zijn betrokken (375).
Het compromis handhaaft het principe één stof, één registratie. Bedrijven zullen testgegevens dus met andere bedrijven moeten delen. Dit principe wordt zelfs uitgebreid tot alle tests (niet alleen dierproeven). Er worden wel nieuwe opt-out criteria geïntroduceerd (379, 382). Opt-outs moeten gerechtvaardigd zijn en door andere partijen kunnen worden aangevochten. Het Europees Chemicaliënagentschap (ECA) krijgt het laatste woord. Wat de kosten van registratie betreft, bepaalt het EP dat iedere registrant die tot een consortium behoort, een aandeel in de registratievergoeding betaalt dat evenredig is aan zijn productie-/invoervolume. De bescherming van de testgegevens wordt verlengd van tien tot vijftien jaar (383-385).
Eén stof, één registratie
Met betrekking tot het principe één stof, één registratie (OSOR: one substance, one registration), neemt het Parlement het compromis van de PES, ALDE, Groenen/EVA, EVL/NGL en de milieucommissie aan (amendementen 358, 125, 148-150, 154-155, 327).
Volgens dat compromis betaalt iedere registrant de registratiekosten naar rato van zijn productie- of importvolume (358, 150) en wordt het verplicht delen van informatie uitgebreid tot gegevens afkomstig uit dierproeven op niet-gewervelde dieren (125, 148).
Beoordeling
Op het gebied van de beoordeling van stoffen volgt het Parlement de milieucommissie. Bepaald wordt dat het ECA de lijst van de met voorrang te beoordelen stoffen op zijn website publiceert (193). Een lidstaat kan het ECA op elk ogenblik van een nieuwe stof op de hoogte brengen, waanneer hij in het bezit is van informatie die erop wijst dat er een gevaar bestaat voor het milieu of de menselijke gezondheid (201).
Autorisatie (vergunningverlening)
Ten aanzien van de autorisaties opteert het EP voor het compromispakket van de PES, ALDE, GROENEN/EVA en EVL/NGL-fracties en de milieucommissie (met 324 stemmen voor, 263 tegen, bij 13 onthoudingen).
Dat houdt in dat als belangrijk doel wordt opgenomen te waarborgen dat gevaarlijke stoffen door minder gevaarlijke stoffen of technieken worden vervangen wanneer geschikte alternatieven voorhanden zijn (amendement 8). Volgens de vergunningsbepalingen verleent de Commissie vergunningen van beperkte duur voor het in de handel brengen en gebruiken van zeer zorgwekkende stoffen als:
er geen bruikbare alternatieve stoffen of technieken bestaan en;
het gebruik van dergelijke stoffen om sociaal- economische redenen kan worden gerechtvaardigd en;
de risico’s van het gebruik ervan afdoende beheerst zijn (15, 41).
Voorafgaand aan de eindstemming roept Ria OOMEN-RUIJTEN (EVP-ED, NL) haar fractie op, vóór te stemmen. Weliswaar heeft de EVP-ED-fractie ten aanzien van het punt van de autorisaties niet haar zin gekregen, omdat ze niet gesteund werd door de liberalen. Echter, Oomen-Ruijten voelt zich gesteund door het Britse Voorzitterschap en zegt dat de amendementen van het EP in tweede lezing, wanneer er een absolute meerderheid van stemmen (ten minste 367) voor nodig is, niet zullen worden aangenomen.
Hans BLOKLAND (IND/DEM, NL) zegt dat zijn fractie in grote meerderheid tegen het verslag zal stemmen, omdat er te weinig waarborgen voor het milieu zijn en de waarborgen die er zijn met een te kleine meerderheid zijn aangenomen om in tweede lezing te kunnen standhouden.