Persbericht
Geen uitzonderingen op de maximale werkweek van 48 uur
Werkgelegenheidsbeleid - 17-12-2008 - 14:20
Plenaire Vergaderingen
Plenaire Vergaderingen
Het Europees Parlement blijft in tweede lezing bij zijn standpunt: geen uitzonderingen op de maximale werkweek van 48 uur - berekend over een periode van 12 maanden om een flexibele werkorganisatie mogelijk te maken - en een afschaffing van de opt-out drie jaar na inwerkingtreding van de richtlijn. Het EP vindt ook dat aanwezigheidsdiensten als werktijd beschouwd moeten worden.
Het Europees Parlement heeft amendementen van rapporteur Alejandro CERCAS (PES, ES) aangenomen en zo zijn ongenoegen met het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (aangenomen op 9 juni 2008 - met onder meer een onthouding van België) geuit, in het bijzonder wat betreft de opt-out en de aanwezigheidsdiensten, een kwestie die vooral van belang is voor de medische sector.
De volgende stap is een bemiddelingsronde over de ontwerprichtlijn. Er was een absolute meerderheid van de Europarlementsleden nodig (minstens 393 stemmen vóór) om de amendementen van de werkgelegenheidscommissie of andere amendementen op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad aan te nemen.
Rapporteur Cercas was heel verheugd over het resultaat van de stemming: "Dit is een triomf voor alle politieke fracties in het Parlement. Dit is een overwinning voor de twee miljoen artsen en één miljoen studenten geneeskunde in de EU. Ik wil het Europees Verbond van Vakverenigingen gelukwensen. Dit is een kans voor de Raad om meer betrokken te geraken bij de wensen van de burgers en een kans om een constructieve bemiddeling te houden". Hij riep de Commissie op om te stoppen met het steunen van de Raad en de rol van scheidsrechter op zich te nemen.
Opt-out
In 1993 verkreeg het Verenigd Koninkrijk een opt-out clausule, die het mogelijk maakt de maximale werkweek van 48 uur niet toe te passen, als de werknemer daarmee instemt. Op dit moment maken 15 lidstaten gebruik van de opt-out clausule. Het Parlement wil de clausule - met 421 stemmen vóór, 273 stemmen tegen en 11 onthoudingen - drie jaar nadat de herziene arbeidstijdenrichtlijn van kracht wordt afschaffen. De meeste Europarlementsleden vinden, dat door de 48 uur per week over een jaar te berekenen, er genoeg flexibiliteit is voor de organisatie van de arbeidstijd.
De arbeidstijdenrichtlijn legt weliswaar een maximale werktijd van 48 uur/week op, maar lidstaten zijn vrij om de maximale werktijd in hun nationale wetgeving lager bij te stellen. Zo telde de maximale werkweek in België in 2007 volgens het 'European Industrial Relations Observatory' 38 uur/week. In Nederland was dat 48 uur/week.
Aanwezigheidsdiensten zijn ook arbeidstijd
De Raad en de Commissie stellen dat inactieve periodes van aanwezigheidsdiensten niet als arbeidstijd beschouwd moeten worden, tenzij de nationale wetgeving, een collectieve overeenkomst of een akkoord tussen de sociale partners anders bepaalt. Tijdens de stemming in tweede lezing hebben Europarlementsleden hun positie herbevestigd: zij definiëren 'arbeidstijd' als 'de verplichting om op een door de werkgever aangegeven plaats aanwezig en tot diens beschikking te zijn voor ogenblikkelijke dienstverrichting wanneer zulks nodig is' en aanwezigheidsdiensten vallen daar volgens hen ook onder. Het amendement werd aangenomen met 576 stemmen vóór, 122 tegen en 13 onthoudingen. Wel vinden de Parlementsleden dat 'inactieve' periodes tijdens aanwezigheidsdiensten op een bepaalde manier berekend kunnen worden, om in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de gemiddelde maximale arbeidstijd per week.
Wat rusttijden betreft, is het principe dat als de normale rusttijd niet kan worden opgenomen, werknemers compenserende rusttijd moeten krijgen. Volgens het standpunt van de Raad kunnen de lidstaten 'de duur van de redelijke termijn waarbinnen de werknemers compenserende rusttijden worden geboden' bepalen. Europarlementsleden vinden dat de compenserende rusttijden na de dienstperioden moeten worden gekregen.
In het geval van werknemers met meer dan één arbeidsovereenkomst moet de arbeidstijd volgens het Parlement de som zijn van de arbeidstijden die met de verschillende contracten overeenkomen.
Het Parlement noemt ook een aantal functies, dat niet onder de richtlijn zou moeten vallen, zoals leidinggevende functionarissen, rechtstreeks aan hen ondergeschikte ervaren managers en personen die door een raad van bestuur worden benoemd.
DEBAT
Voorafgaand aan de stemming hebben Europarlementsleden over de arbeidstijdenrichtlijn gedebatteerd. Ze waren verdeeld over hun steun voor een voortzetting van de opt-out. De werkgelegenheidscommissie pleit voor een maximum van 48 uur werktijd per week - berekend op jaarbasis - en de afschaffing van de opt-outs op die regel ten laatste drie jaar na de aanname van de richtlijn. Ook vindt ze dat aanwezigheidsdiensten - zelfs als die 'inactief' zijn - als arbeidstijd moeten gelden.
Er is een absolute meerderheid van Parlementsleden (393) nodig om de amendementen van de werkgelegenheidscommissie of andere amendementen op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad aan te nemen.
De Rapporteur
De herziening van de richtlijn "leidt tot aandacht en verontrusting onder miljoenen Europeanen", zei rapporteur Alejandro CERCAS (PES, ES), die dit een kans vond " om in te haken bij de zorgen van de Europese burgers. We gebruiken geen lege woorden wanneer we het hebben over een sociaal Europa". Hij was dan ook tegen opt-outs; onderzoek had uitgewezen dat het gebruik van een dergelijke regeling risico's inhield voor de gezondheid en de veiligheid op het werk. Opt-outs maakten het ook veel moeilijker om werk en gezinsleven te combineren. Hij verwierp het gemeenschappelijk standpunt van de Raad dan ook, dat de opt-outs een "continue mogelijkheid" wilde maken.
Namens de Raad
Valérie LÉTARD, Frans staatssecretaris voor Solidariteit, zei dat de richtlijn belangrijk was voor alle Europese werknemers. Ze hoopte dat het Parlement akkoord zou kunnen gaan met de compromistekst, zodat een volgende bemiddelingsronde vermeden kon worden.
Namens de Commissie
Volgens Europees Commissaris voor werkgelegenheid en sociale zaken Vladimír ŠPIDLA was de hamvraag: houdt het Europees Parlement vast aan zijn standpunt van eerste lezing uit 2005 of wil het Parlement reageren op het gemeenschappelijk standpunt van de Raad en zelf ook een ander standpunt innemen? Een belangrijk geschilpunt was de opt-out. In 2005 had de Commissie voorgesteld om die uitzondering af te schaffen. Maar intussen moest er rekening worden gehouden met de realiteit: terwijl er in 2003 vier lidstaten van de opt-out gebruik maakten, waren dat er nu al 15. De Commissie was bereid om scheidsrechter te spelen tussen de posities van het Parlement en van de Raad.
Fractiewoordvoerders
Namens de christendemocratische fractie betreurde José Albino SILVA PENEDA (EVP-ED, PT) het dat de Raad geen mandaat had gekregen om te onderhandelen met het Parlement. De opt-out had volgens hem "niets te maken met flexibiliteit voor de arbeidmarkt. Het gezinsleven moet verzoend kunnen worden met het beroep", zei hij nog. Wel vond Silva Peneda dat naar een compromis met de Raad moest worden gezocht.
Jan ANDERSSON (PES, SE) stelde: "we hebben een gemeenschappelijke richtlijn nodig voor de arbeidstijd, want we hebben een gemeenschappelijke markt", met gemeenschappelijke regels op het vlak van gezondheid en veiligheid. Wat de aanwezigheidsdienst betreft, zei hij: "het is wel werktijd, want je bent niet thuis, je bent op je werk". Bovendien moest de opt-out worden geschrapt, want die was niet vrijwillig. "Kijk naar de arbeidsmarkt, wat voor kansen hebben mensen om nee te zeggen?"
Elizabeth LYNNE (ALDE/ADLE, UK) zei namens de liberale fractie: "het gemeenschappelijk standpunt van de Raad is niet ideaal, maat het heeft jarenlang onderhandelingen gevergd om hier te komen". De opt-out moest volgens haar wel echt vrijwillig zijn en kon dus niet op hetzelfde moment als het contract worden ondertekend. Ze vreesde dat de opt-out loslaten, juist meer mensen de grijze economie in zou jagen.
"Superlange arbeidstijden maken ziek", zei Elisabeth SCHROEDTER (GROENEN/EVA, DE), want het foutenpercentage stijgt en de concentratie daalt. Zo kwamen ook andere mensen in gevaar. Ze zei ook "wij kunnen niet stemmen voor deze tekst, die vol gaten zit, het is een gatenkaas". Ze waarschuwde dat de groene fractie tegen een opt-out en een aanwezigheidsdienst 'beschouwd als werktijd' zou stemmen.
Roberta ANGELILLI (UEN, IT) zei "wij moeten heel goed beseffen dat elk compromis ook een prijs heeft. We beseffen heel goed dat het arbeidsmilieu veranderd is" en dat er botsingen zijn met de economische crisis. Maar de richtlijn moest wel leiden tot een evenwichtige regeling.
Dimitrios PAPADIMOULIS (EVL/NGL, EL) zei dat de EVL/NGL fractie radicaal tegen het standpunt van de Raad gekant was. Dat kwam "alleen ten goede aan lobby's van neoliberalen en werkgeverslobby's". De Commissie en de Raad gingen volgens hem tegen de belangen van de werknemers in.
"De werktijdenrichtlijn is tijdverspilling, ik steun nog steeds de opt-outs", zei Derek Ronald CLARK (IND/DEM, UK). Als arbeidstijden verplicht werden ingekort, moesten bedrijven meer mensen aannemen, werden ze minder concurrentieel en gingen ze sneller failliet, betoogde hij.
Volgens Irena BELOHORSKÁ (NI, SK) moest de aanwezigheidsdienst als arbeidstijd worden gerekend, anders was er een "heel leger mensen uit de medische sector die misbruikt kunnen worden op deze manier". Uiteindelijk kon dat een risico voor de patiënten betekenen.
Procedure: Medebeslissing, tweede lezing / Debat: 15 december 2008 / Stemming: 17 december 2008
REF.: 20081215IPR44549

