Europees parlement

Choisissez la langue de votre document :

VERSLAG     
PDF 111kWP 145k
14 januari 1999
PE 227.710/def. A4-0005/99
over milieu, veiligheid en buitenlands beleid
Rapporteur voor advies: Karl Erik Olsson, Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming
(Hughes-procedure)
Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid
Rapporteur: Maj Britt Theorin
Op 13 juli 1995 gaf de Voorzitter van het Parlement kennis van de verwijzing van de door mevrouw Rehn Rouva overeenkomstig artikel 45 van het Reglement ingediende ontwerpresolutie over de mogelijke aanwending van voor militaire doeleinden bedoelde middelen ten behoeve van milieustrategieën (B4-0551/95) naar de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid als commissie ten principale en naar de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming als medeadviserende commissie.
 A ONTWERPRESOLUTIE
 B TOELICHTING
 BIJLAGE
 ADVIES

 Op 13 juli 1995 gaf de Voorzitter van het Parlement kennis van de verwijzing van de door mevrouw Rehn Rouva overeenkomstig artikel 45 van het Reglement ingediende ontwerpresolutie over de mogelijke aanwending van voor militaire doeleinden bedoelde middelen ten behoeve van milieustrategieën (B4-0551/95) naar de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid als commissie ten principale en naar de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming als medeadviserende commissie.

Op verzoek van de Conferentie van voorzitters deelde de Voorzitter van het Parlement op 15 november 1996 mede dat de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid toestemming was verleend hierover verslag uit te brengen.

De Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid benoemde op haar vergadering van 19 november 1996 mevrouw Theorin tot rapporteur.

Op 19 juni 1998 deelde de Voorzitter van het Parlement mede dat het verslag overeenkomstig de Hughes-procedure door de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming diende te worden opgesteld.

Het ontwerpverslag werd behandeld door de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid op haar vergaderingen van 5 februari, 29 juni, 21 juli, 3, 23 en 28 september en 13, 27 en 29 oktober 1998 en 4/5 januari 1999 en door de Subcommissie veiligheid en ontwapening op haar vergaderingen van 5 februari en 3 en 23 september 1998.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid met 28 stemmen voor bij 1 onthouding haar goedkeuring aan de ontwerpresolutie.

Bij de stemming waren aanwezig: de leden Spencer, voorzitter; Theorin, rapporteur; Aelvoet, André-Léonard, Barón Crespo, Bertens, Bianco, Burenstam Linder, Carnero González, Garrozzo (verving Colajanni), Dillen, Dupuis, Gahrton, Goerens (verving Cars), Graziani, Günther (verving Gomolka), Lalumière, Lambrias, Pack (verving Habsburg), Pettinari (verving Imbeni overeenkomstig artikel 138, lid 2 van het Reglement), Piha, Rinsche, Sakellariou, Salafranca Sanchez Neyra, Schroedter (verving Cohn-Bendit), Schwaiger (verving Lenz), Speciale, Swoboda (verving Hoff), Tindemans, Titley en Truscott.

Het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming is bij dit verslag gevoegd.

Het verslag werd bij de Griffie ingediend op 14 januari 1999.

De termijn voor de indiening van amendementen wordt bekendgemaakt in de ontwerpagenda voor de vergaderperiode waarin het verslag wordt behandeld.


 A ONTWERPRESOLUTIE

Resolutie over milieu, veiligheid en buitenlands beleid

Het Europees Parlement,

- onder verwijzing naar de ontwerpresolutie van mevrouw Rehn Rouva over de mogelijke aanwending van voor militaire doeleinden bedoelde middelen ten behoeve van milieustrategieën (B4-0551/95),

- gezien het onderzoek van de Verenigde Naties met de titel "Charting potential uses of resources allocated to military activities for civilian endeavours to protect the environment" (UN A46/364, 17.9.1991),

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 17 juli 1995 over anti-personenmijnen: Een moordende belemmering voor ontwikkeling(1),

- onder verwijzing naar zijn voorgaande resoluties over non-proliferatie en kernproeven, en het rapport van de Commissie van Canberra over de afschaffing van kernwapens van augustus 1996,

- overwegende dat het Internationaal Gerechtshof met algemene stemmen heeft besloten dat de landen die kernwapens bezitten gehouden zijn te onderhandelen over een verbod op kernwapens (Advisory Opinion nr. 96/22 van 8 juli 1996),

- onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 april 1996 over het voorstel voor een beschikking van de Raad tot invoering van een communautair actieprogramma voor civiele bescherming(2),

- onder verwijzing naar zijn voorgaande resoluties over chemische wapens,

- gezien de resultaten van de VN-conferenties van Kyoto (1997) en Rio de Janeiro (1992),

- gezien de hoorzitting over HAARP en niet-dodelijke wapens die op 5 februari 1998 in Brussel is georganiseerd door de Subcommissie veiligheid en ontwapening van de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid,

- gelet op artikel 148 van het Reglement,

- gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming (A4-0005/99),

A. overwegende dat het einde van de Koude Oorlog de veiligheidssituatie in de wereld ingrijpend

heeft veranderd en dat de militaire ontspanning heeft geleid tot grootschalige ontwapening in het algemeen en in de sector kernwapens in het bijzonder, met het gevolg dat omvangrijke militaire middelen zijn vrijgekomen,

B. overwegende dat het gevaar van rampzalige schade aan de onschendbaarheid en duurzaamheid van het mondiale milieu, met name de biodiversiteit ervan, ondanks de volledige verandering van de strategische situatie in de wereld sinds het eind van de koude oorlog, niet merkbaar is afgenomen, doordat per ongeluk of zonder toestemming kernwapens kunnen worden afgevuurd, dan wel met toestemming kunnen worden ingezet op basis van een vermeende, maar niet gefundeerde dreiging of op handen zijnde aanval,

C. overwegende dat dit gevaar binnen zeer korte tijd in zeer hoge mate kan worden verminderd als alle landen die over kernwapens beschikken snel de zes stappen toepassen die zijn vervat in het verslag van de Commissie van Canberra betreffende met name de opheffing van de huidige "hoogste alarmfase" voor alle kernwapens en de geleidelijke plaatsing van alle wapens in de strategische reserve,

D. overwegende dat alle verdragsluitende partijen overeenkomstig artikel VI van het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (NPT) uit 1968 gehouden zijn te goeder trouw te onderhandelen over een verdrag inzake algemene en volledige ontwapening en dat de beginselen en doelen die tijdens de NPT-conferentie van 1995 zijn goedgekeurd nogmaals bevestigden dat het uiteindelijke doel van het Verdrag de complete afschaffing van kernwapens is,

E. overwegende dat de bedreiging van het milieu, vluchtelingenstromen, etnische tegenstellingen, terrorisme en internationale misdaad nieuwe, ernstige bedreigingen van de veiligheid vormen en dat het vermogen uiteenlopende vormen van conflicten aan te pakken meer betekenis krijgt naarmate het veiligheidsbeeld verandert; dat, daar de bedreiging van de veiligheid ook niet-militair kan zijn, het van belang is dat ook de middelen die met de strijdkrachten verband houden niet-militaire doelen dienen,

F. overwegende dat de reserves van de aarde worden geëxploiteerd alsof ze onuitputtelijk zijn, met het gevolg dat er zich steeds vaker natuur- en milieurampen voordoen, en dat deze plaatselijke en regionale milieuproblemen in de internationale betrekkingen belangen gevolgen kunnen krijgen; het betreurende dat dit niet duidelijker doorklinkt in het nationaal buitenlands, veiligheids- en defensiebeleid,

G. overwegende dat conflicten in de wereld vaker nationaal dan internationaal van aard zijn en dat de internationale conflicten die zich voordoen in toenemende mate draaien om de toegang tot of de beschikbaarheid van vitale hulpbronnen, met name water, voedsel en brandstof,

H. overwegende dat de toegang tot en beschikbaarheid van deze essentiële natuurlijke hulpbronnen samenhangen met de achteruitgang en vervuiling van het milieu en er zowel de oorzaak als het gevolg van zijn, en overwegende dat hieruit logischerwijze voortvloeit dat conflictpreventie zich in toenemende mate op deze kwesties dient te richten,

I. overwegende dat de druk op vruchtbaar en bewoonbaar land, die altijd een belangrijke oorzaak van spanningen en conflicten is geweest, in toenemende mate wordt veroorzaakt door de achteruitgang van het milieu, en in het bijzonder door klimaatverandering en de stijging van de zeespiegel die daar het gevolg van is,

J. overwegende dat al deze factoren, die vooral de armste en kwetsbaarste volkeren van de wereld treffen, leiden tot een toename van het aantal "milieuvluchtelingen", hetgeen zowel een rechtstreekse druk uitoefent op het communautaire immigratie- en justitiële beleid, op ontwikkelingshulp en op uitgaven aan humanitaire hulp als een indirecte druk in de vorm van verhoogde veiligheidsproblemen voor de EU veroorzaakt door de regionale instabiliteit in andere delen van de wereld,

K. overwegende dat volgens diepgaand internationaal onderzoek dat is bijeengebracht en gepubliceerd door het Climate Institute te Washington, het aantal "milieuvluchtelingen" momenteel het aantal "traditionele vluchtelingen" overtreft (25 miljoen tegen 22 miljoen), en dat dit aantal tegen 2010 naar verwachting zal zijn verdubbeld en in het ergste geval nog veel hoger kan zijn,

L. overwegende dat de kwestie van "milieuvluchtelingen" slechts een symptoom is van een humanitaire ramp van veel grotere omvang die de 1,3 miljard mensen betreft die volgens de definitie van de VN in absolute armoede leven; dat ruim een kwart van deze mensen poogt te overleven in gebieden met een uiterst kwetsbaar milieu en dat zij de belangrijkste oorzaak zijn van wereldwijde milieuproblemen zoals ontbossing en woestijnvorming,

M. overwegende dat sinds het einde van de Koude Oorlog de aanpak van wereldwijde problemen voor het grootste deel is ontdaan van de eerdere dominant aanwezige ideologische context en nu veel minder wordt gekarakteriseerd door het streven naar een militair evenwicht, maar dat dit feit nog tot uiting moet komen in het stelsel van de VN voor een wereldwijd bestuur door de samenhang en doeltreffendheid van zowel de militaire als de niet-militaire componenten van het veiligheidsbeleid te benadrukken,

N. overwegende dat echter de uitbreiding van activiteiten van de VN op het gebied van politieke en veiligheidskwesties vooral niet-militair van aard is en met name te maken heeft met het verband tussen handel, hulp, milieu en duurzame ontwikkeling,

O. overwegende dat het dringend noodzakelijk is voldoende middelen te mobiliseren om de milieu-uitdaging te kunnen aannemen, maar dat de voor milieubescherming beschikbare middelen uiterst beperkt zijn, hetgeen een nieuwe benadering vereist van het gebruik van reeds bestaande middelen,

P. overwegende dat de strijdkrachten, naarmate militaire middelen vrijkomen, beschikken over de unieke mogelijkheid en het vermogen de burgermaatschappij op grote schaal te steunen bij haar initiatieven ter bestrijding van de toenemende milieuproblemen,

Q. overwegende dat middelen in verband met de strijdkrachten op zichzelf nationale activa zijn, terwijl de milieuproblematiek wereldomvattend is; dat het daarom dringend noodzakelijk is manieren te vinden voor internationale samenwerking bij de herstructurering en nieuwe toepassing van militaire middelen om het milieu te beschermen,

R. overwegende dat de kosten voor milieubescherming op korte termijn moeten worden afgezet tegen de kosten op lange termijn indien in deze sector geen maatregelen worden genomen, en dat het in toenemende mate noodzakelijk is een kosten-batenanalyse op te stellen van de diverse milieustrategieën, waarvan de potentiële herstructureringen, nieuwe doelstellingen en verplaatsing van met de strijdkrachten verband houdende voorzieningen deel moeten uitmaken,

S. overwegende dat de gemeenschappelijke doelstelling de beschadigde ecosystemen van de aarde te herstellen, niet kan worden verwezenlijkt los van een correcte exploitatie van de reserves in de wereld, en dat het noodzakelijk is de internationale technische samenwerking te vergemakkelijken en de overdracht van relevante militaire technologie te steunen,

T. overwegende dat ondanks bestaande verdragen nog steeds militair onderzoek wordt uitgevoerd naar beïnvloeding van het milieu als wapen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het HAARP-systeem in Alaska,

U. overwegende dat de ervaring met de ontwikkeling en het gebruik van kernkracht "voor vreedzame doelen" een nuttige waarschuwing is over de manier waarop militaire geheimhouding correcte evaluatie van en toezicht op gemengde civiele/militaire technologieën kan verhinderen als de doorzichtigheid op enigerlei wijze in gevaar wordt gebracht,

V. overwegende dat de algemene verontrusting over achteruitgang van het milieu en milieucrises prioriteiten in de nationale besluitvorming vereist en dat de landen samen doelmatig moeten reageren op milieurampen,

1. verzoekt de Commissie aan de Raad en het Parlement een gezamenlijke strategie voor te stellen, zoals voorzien in het Verdrag van Amsterdam, waarin de GBVB-component van het beleid van de EU wordt gecombineerd met het communautaire beleid op het gebied van handel, hulp, ontwikkelingssamenwerking en internationale milieukwesties voor de periode 2000-2010, teneinde de volgende kwesties en de verbanden daartussen aan te pakken:

a) landbouw- en voedselproductie en de achteruitgang van het milieu;

b) watertekorten en grensoverschrijdende watervoorziening;

c) ontbossing en het herstel van koolstofputten;

d) werkloosheid, onvolledige werkgelegenheid en absolute armoede;

e) duurzame ontwikkeling en klimaatverandering;

f) ontbossing, woestijnvorming en bevolkingsgroei;

g) het verband tussen bovengenoemde punten en de opwarming van de aarde en de humanitaire en ecologische gevolgen van steeds vaker voorkomende klimatologische rampen;

2. stelt vast dat preventieve milieumaatregelen een belangrijk instrument van het veiligheidsbeleid zijn; dringt er daarom bij de lidstaten op aan in hun langetermijnoverwegingen en -plannen op het gebied van defensie en veiligheid en in hun militaire onderzoek doelstellingen op het gebied van milieu en volksgezondheid op te nemen;

3. erkent de belangrijke rol die het leger speelt in de democratische samenleving, de taken van het leger voor de verdediging van het land en het feit dat initiatieven voor vredeshandhaving en vredestichting een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan het voorkomen van schade aan het milieu;

4. is van mening dat kernproeven in de atmosfeer en onder de grond via fall-out van radioactieve straling grote hoeveelheden radioactief cesium-137, strontium-90 en andere kankerverwekkende isotopen over de hele planeet hebben verspreid en aanzienlijke schade aan milieu en gezondheid hebben veroorzaakt in de testgebieden;

5. is van oordeel dat enkele delen van de wereld reeds bedreigd worden door ongecontroleerde, onveilige en niet-professionele opslag en achterlating van kernonderzeeërs en oppervlaktevaartuigen, en door de radioactieve brandstof en lekkende kernreactoren van deze vaartuigen, daar het zeer waarschijnlijk is dat omvangrijke gebieden hierdoor binnenkort vervuild zullen worden door straling;

6. is van mening dat nog steeds een adequate oplossing moet worden gevonden voor de chemische en conventionele wapens die na beide wereldoorlogen op tal van plaatsen in de zeeën rond Europa zijn gedumpt als "gemakkelijke" oplossing om van deze voorraden af te komen en dat tot op de dag van vandaag niemand weet wat op lange termijn eventueel de gevolgen voor het milieu kunnen zijn, met name voor de vissen en op het strand levende dieren en planten;

7. is van mening dat de Europese Unie ertoe moet bijdragen dat een oplossing wordt gevonden voor het probleem dat door de aanhoudende oorlog in hele gebieden van Afrika menselijke en landbouwstructuren zijn verwoest en dat zich in deze streken daardoor op dit moment een milieuramp afspeelt met name door ontbossing en erosie die tot woestijnvorming leidt;

8. verzoekt de strijdkrachten een einde te maken aan alle activiteiten die bijdragen tot beschadiging van het milieu en aantasting van de volksgezondheid en alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de verontreinigde gebieden op te ruimen en te ontsmetten;

Gebruik van militaire middelen ten behoeve van het milieu

9. is van mening dat de middelen die beschikbaar zijn voor herstel en redding van het aangetaste milieu niet voldoende zijn om de milieuproblematiek op wereldniveau aan te pakken; beveelt de lidstaten derhalve aan zich in te zetten voor het gebruik van militaire middelen voor milieubescherming door:

a) de aanzet te geven tot de opleiding van milieubeschermingssoldaten, met het doel een gecoördineerde Europese milieubrigade op te richten,

b) een inventaris op te stellen van hun milieu-eisen en de militaire middelen die beschikbaar zijn voor milieudoelstellingen, en dergelijke middelen te gebruiken voor nationale milieuprogramma's,

c) te overwegen welke militaire middelen zij incidenteel, op lange termijn of op stand-by-basis ter beschikking kunnen stellen van de Verenigde Naties of van de Europese Unie, als instrument voor internationale samenwerking in geval van milieurampen en -crises,

d) programma's op te stellen voor de oprichting van internationale en Europese beschermingsploegen die gebruik maken van personeel, uitrusting en faciliteiten uit de militaire sector, die in het kader van het partnerschap voor vrede ter beschikking worden gesteld om te worden ingezet wanneer zich op milieugebied noodsituaties voordoen,

e) doelstellingen voor de bescherming van het milieu en duurzame ontwikkeling te integreren in hun veiligheidsconcepten,

f) erop toe te zien dat de strijdkrachten duidelijk omschreven milieuvoorschriften naleven en dat de gevolgen van vroegere aantasting van het milieu door de strijdkrachten worden gecorrigeerd,

g) milieu-overwegingen op te nemen in hun militaire onderzoeks- en ontwikkelingsprogramma's;

10. verzoekt de nationale regeringen van de Europese Unie voorts, aangezien de feitelijke ervaringen in de sector van beperkte omvang zijn:

a) centra op te richten voor de uitwisseling van gegevens over actuele ervaringen die in de lidstaten zijn opgedaan bij de inzet van militaire middelen ten behoeve van het milieu;

b) de mondiale verspreiding van milieugegevens te vergemakkelijken, met inbegrip van gegevens die worden verkregen via militaire satellieten en andere middelen om gegevens te verzamelen;

11. dringt er bij de lidstaten op aan de voor de burgermaatschappij geldende milieuwetgeving ook op alle militaire activiteiten toe te passen en defensie financieel aansprakelijk te stellen voor het onderzoeken, opruimen en saneren van gebieden die schade hebben opgelopen als gevolg van vroegere militaire activiteiten, zodat deze gebieden opnieuw voor civiele doeleinden kunnen worden gebruikt; wijst erop dat dit met name van belang is met betrekking tot de omvangrijke stortplaatsen voor chemische en conventionele munitie langs de kusten van de EU;

12. dringt er bij alle lidstaten op aan doelstellingen op het gebied van milieu en volksgezondheid te formuleren en plannen uit te werken voor de verbetering van activiteiten ten behoeve van het milieu en de volksgezondheid binnen de strijdkrachten van ieder land;

13. verzoekt de regeringen van de lidstaten de milieubescherming in de strijdkrachten te verbeteren via opleiding en technische ontwikkeling, en door alle militair personeel en alle dienstplichtigen een basisopleiding in milieukennis te verstrekken;

14. verzoekt de Europese Unie samen te werken in verband met een nieuwe milieustrategie, in het kader waarvan militaire middelen voor de gemeenschappelijke milieubescherming worden ingezet;

15. is van mening dat de milieustrategieën, om een ononderbroken totaalbeeld te geven van de situatie van het milieu, o.a. moeten kunnen bestaan uit bewaking van het milieu op aarde, evaluatie van de verzamelde gegevens, coördinatie van de wetenschappelijke werkzaamheden en verspreiding van de gegevens met uitwisseling van relevante gegevens afkomstig uit nationale verkennings- en bewakingssystemen;

16. stelt vast dat aanzienlijk gedaalde defensie-uitgaven tot ernstige regionale problemen kunnen leiden en dringt er bij de lidstaten op aan zich nog meer in te zetten voor heroriëntatie van de militaire productie en techniek op civiele producten en toepassingen, met behulp van zowel nationale programma's als communautaire initiatieven zoals het KONVER-programma;

17. wijst met nadruk op de betekenis van uitbreiding van de preventieve milieuwerkzaamheden, opdat milieu- en natuurrampen kunnen worden bestreden;

18. verzoekt de Commissie een diepgaand onderzoek uit te voeren naar de veiligheidspolitieke milieubedreigingen in Europa en een Groenboek op te stellen over de invloed die de strijdkrachten op het milieu uitoefenen;

19. verzoekt de Raad er intensiever voor te ijveren dat de VS, Rusland, India en China de overeenkomst van Ottawa van 1997 inzake het verbod op anti-personenmijnen onverwijld ondertekenen;

20. is van mening dat de EU meer steun moet verlenen aan slachtoffers van landmijnen, de ontwikkeling van technieken voor het opruimen van mijnen moet steunen en de ontwikkeling van methoden om mijnen op te ruimen moet versnellen;

21. is van mening dat de geheimhouding tijdens militair onderzoek moet worden bestreden en dat het recht op openheid en democratische controle van militaire onderzoeksprojecten moet worden bevorderd;

22. verzoekt de lidstaten een milieuvriendelijke technologie te ontwikkelen voor de vernietiging van wapens;

23. stelt vast dat een van de wellicht grootste bedreigingen van het milieu in de nabijheid van de EU het gebrek aan controle op afval van vroegere kernwapenactiviteiten en opslagplaatsen voor biologische en chemische wapens is, alsmede de ontbrekende sanering na militaire activiteiten; wijst erop hoe belangrijk het is dat de lidstaten naar intensievere internationale samenwerking streven, bijvoorbeeld in het kader van de VN of het Partnerschap voor vrede, met het doel dergelijke wapens op een zo milieuvriendelijk mogelijke wijze te vernietigen;

24. is van mening dat alle toekomstige onderhandelingen over de beperking en de uiteindelijke afschaffing van kernwapens gebaseerd moeten zijn op de beginselen van wederzijdse en evenwichtige beperkingsverplichtingen;

25. is van mening dat, gezien de uiterst moeilijke omstandigheden waar de landen van de voormalige Sovjet-Unie mee te kampen hebben, de bedreiging voor zowel het wereldwijde als het plaatselijke milieu die wordt gevormd door de verslechterende toestand van kernwapens en nucleair materiaal in deze landen reden te meer is om zo snel mogelijk een verdrag te sluiten inzake de verdere stapsgewijze vernietiging van kernwapens;

Juridische aspecten van de militaire activiteiten

26. verzoekt de Europese Unie ernaar te streven dat ook de nieuwe, zogenaamd niet-dodelijkewapentechnieken en de ontwikkeling van nieuwe wapenstrategieën deel uitmaken van en worden geregeld in internationale overeenkomsten;

27. is van mening dat HAARP (High Frequency Active Auroral Research Project) wegens de ingrijpende gevolgen daarvan voor het milieu een mondiale aangelegenheid is en dringt erop aan dat de juridische, milieutechnische en ethische gevolgen door internationaal onafhankelijke organen worden onderzocht alvorens verder onderzoek en proeven worden uitgevoerd; betreurt het dat de regering van de Verenigde Staten herhaaldelijk heeft geweigerd iemand af te vaardigen om aan de openbare hoorzitting of een vervolgbijeenkomst die is georganiseerd door zijn bevoegde commissie een toelichting te geven op de gevaren voor het milieu en de bevolking die verband houden met het HAARP-programma dat momenteel in Alaska wordt gefinancierd;

28. verzoekt het panel ter Beoordeling van het Wetenschappelijk en Technologisch Beleid (STOA) te besluiten de wetenschappelijke en technische gegevens die alle bestaande onderzoeken inzake HAARP hebben opgeleverd, te onderzoeken om de exacte aard en mate van gevaar te evalueren die HAARP oplevert voor het plaatselijke en mondiale milieu en de volksgezondheid in het algemeen;

29. verzoekt de Commissie in samenwerking met de regeringen van Zweden, Finland, Noorwegen en de Russische Federatie de gevolgen van het HAARP-programma voor het milieu en de volksgezondheid in het Europese poolgebied te onderzoeken en het Parlement verslag te doen van haar bevindingen;

30. roept in het bijzonder op tot het sluiten van een internationaal verdrag voor een wereldwijd verbod op onderzoek en ontwikkeling, zowel in de militaire als in de civiele sector, die erop gericht is om kennis omtrent de werking van de menselijke hersenen op basis van chemische of elektrische processen, geluidstrillingen of anderszins in te zetten voor de ontwikkeling van wapens die het mogelijk maken om mensen op enigerlei wijze te manipuleren, met inbegrip van een verbod op alle eventuele huidige of toekomstige toepassingen van dergelijke systemen;

31. verzoekt de Europese Unie en haar lidstaten te streven naar internationale overeenkomsten om in geval van oorlog het milieu te beschermen tegen onnodige verwoestingen;

32. verzoekt de Europese Unie en haar lidstaten erop aan te dringen dat ook voor militaire acties in vredestijd internationale normen worden vastgesteld ten aanzien van de milieugevolgen hiervan;

33. verzoekt de Raad zich actief in te zetten voor de uitvoering van de voorstellen van de Commissie van Canberra en van artikel 6 in het Non-proliferatieverdrag inzake de geleidelijke afschaffing van kernwapens;

34. verzoekt de Raad en in het bijzonder de Britse en Franse regeringen om het voortouw te nemen binnen het kader van het NPT en de Ontwapeningsconferentie met betrekking tot verdere onderhandelingen inzake het volledig naleven van toezeggingen betreffende de vermindering en afschaffing van kernwapens op zo kort mogelijke termijn, teneinde een niveau te bereiken waarbij de wereldwijde voorraad overblijvende kernwapens voorlopig geen bedreiging meer vormt voor de toestand en duurzaamheid van het wereldmilieu;

35. verzoekt het Voorzitterschap van de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten de benadering in deze resolutie te verdedigen in alle toekomstige VN-bijeenkomsten onder auspiciën van of in verband met het NPT en de Ontwapeningsconferentie;

36. verzoekt het Voorzitterschap van de Raad en de Commissie om overeenkomstig artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie verslag uit te brengen aan het Europees Parlement over de positie van de Unie met betrekking tot de punten die in deze resolutie naar voren zijn gebracht in het kader van de komende vergaderingen van de Verenigde Naties en van de agentschappen en organen van de VN, met name de NPT-voorbereidingscommissie 1999, de Ontwapeningsconferentie en alle andere relevante internationale fora;

37. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de lidstaten van de Europese Unie en de Verenigde Naties;

(1)() PB C 183 van 17.7.1995, blz. 47 (A4-0149/95).
(2)() PB C 141 van 13.5.1996, blz. 258 (A4-0100/96).


 B TOELICHTING

Een verdediging tegen bedreiging van het milieu

De situatie op het gebied van het veiligheidsbeleid is in relatief korte tijd ingrijpend gewijzigd. Minder dan tien jaar geleden liep het IJzeren Gordijn dwars door een Europa dat was uitgerust met kernwapens. Thans wordt Europa verenigd; de Europese Unie staat op het punt zich uit te breiden met de landen van het voormalige Warschaupact. De Koude Oorlog is voorbij en een grootschalige oorlog in Europa lijkt momenteel niet mogelijk. Tegelijkertijd tekenen zich nieuwe bedreigingen af. Omvangrijke vluchtelingenstromen, etnische tegenstellingen, terrorisme en internationale misdaad zijn enkele voorbeelden van bedreigingen van de veiligheid die op dit moment bestaan. Een andere ernstige bedreiging zijn natuurrampen en milieuproblemen, die worden veroorzaakt door de natuur zelf en door de wijze waarop de mens de reserves van de aarde exploiteert.

Een aantal milieurampen stelt de mensheid voor nieuwe problemen; het meest recente voorbeeld is de dijkdoorbraak in Spanje. Erosie in Italië, de ravage na het natuurverschijnsel El Niño en het ongeval met de kernreactor in Tsjernobyl zijn enkele andere actuele voorbeelden van de verwoestende gevolgen die natuur- en milieurampen met zich meebrengen. In delen van de wereld kan de droogte ertoe leiden dat de oogst van een aantal jaren verloren gaat, met als gevolg dat grote delen van de bevolking honger lijden, in vele gevallen met dodelijke afloop. De verdediging van de mensheid tegen deze rampen lijkt momenteel zeer broos.

Milieu- en natuurrampen betekenen een tragedie voor afzonderlijke individuen en zij kunnen rampzalige gevolgen krijgen voor samenlevingen en volledige naties. De kosten die dit soort rampen met zich meebrengen zijn omvangrijk, zowel in termen van levens die verloren gaan, als van kosten voor het herstel van materiële schade. Indien dergelijke rampen zich voordoen, is het duidelijk dat er niet voldoende middelen beschikbaar waren om hen te ontdekken en/of voorkomen. De maatregelen die worden genomen, komen vaak te laat. De preventieve maatregelen moeten dan ook worden uitgebreid. De investeringen die hiervoor noodzakelijk zijn, zijn omvangrijk, maar de beschikbare middelen zijn zeer beperkt. Hiervoor is een nieuwe benadering voor het gebruik van de beschikbare middelen noodzakelijk, en tegelijkertijd moeten nieuwe middelen te voorschijn worden gehaald. Het lijkt duidelijk dat een land zich niet helemaal alleen te weer kan stellen tegen milieurampen; milieuproblemen vereisen internationale samenwerking. De bedreigingen zijn mondiaal en internationale samenwerking is van fundamenteel belang.

Plaatselijke en regionale ecologische problemen kunnen aanzienlijke gevolgen krijgen voor internationale betrekkingen. Fall-out, overstromingen en droogte laten zich door nationale grenzen niet tegenhouden. Milieuvluchtelingen overschrijden nationale grenzen met soortgelijke of nog armere landen. Deze nieuwe oorzaken van gebrek aan stabiliteit en onveiligheid dienen hun weerklank te vinden in inhoud en vorm van de manier waarop landen vrede en veiligheid handhaven en tot stand brengen. Doordat milieu- en ecologische problemen een ernstige bedreiging vormen van vrede en veiligheid moet dit eveneens doorklinken in het buitenlands, defensie- en veiligheidsbeleid. Er moet worden nagegaan hoe militaire middelen kunnen worden ingezet tegen deze steeds ernstiger wordende bedreiging van de veiligheid, en om deze nieuwe bronnen van instabiliteit en onrust weg te nemen. Er moeten dringend middelen worden gemobiliseerd om het milieuprobleem aan te pakken.

Door de gewijzigde situatie op het gebied van het veiligheidsbeleid is er tussen de voormalige vijanden VS en Rusland momenteel sprake van militaire ontspanning, ontwapening en vertrouwenwekkende maatregelen. Dit heeft tot resultaat dat op grote schaal militaire faciliteiten worden ontmanteld, dat eenheden worden opgeheven en dat militair materieel daardoor overbodig wordt. Met name Rusland en de VS hebben hun defensie ingrijpend beperkt, maar ook in Europa zijn de militaire bestedingen teruggelopen(1).

Zodra militaire middelen worden vrijgemaakt, beschikken de strijdkrachten over een unieke mogelijkheid en een omvangrijk vermogen de toenemende milieuproblemen aan te pakken. De strijdkrachten beschikken over een geoliede organisatie en omvangrijke technische faciliteiten die zonder grote kosten kunnen worden ingezet ter bevordering van het milieu. Dit kan gebeuren via herstructurering of herkanalisatie van middelen. De Europese Unie kan samenwerken in verband met een nieuwe milieustrategie, in het kader waarvan militaire middelen worden ingezet met het oog op een gemeenschappelijke bescherming van het milieu. De Europese Unie kan een belangrijke stimulerende rol spelen bij een gemeenschappelijke, algemene, ecologische responsabilisering en tegelijkertijd de acties ter verwezenlijking van vrede en vertrouwen bevorderen.

De lidstaten van de Europese Unie beschikken over de technische en economische middelen om op grote schaal verantwoordelijkheid voor het milieu te aanvaarden. Zij weten eveneens wat de gevolgen zijn als aan de door het milieu gestelde uitdaging voorbij wordt gegaan. Beschadiging van het milieu is van invloed op de voorwaarden voor groei en economische ontwikkeling, maar desondanks geeft de wereld 3 à 5 keer zoveel uit aan militaire doelen dan aan milieubescherming (2).

De strijdkrachten op zich zijn een sector die het milieu in hoge mate aantast. Daarom moeten zij ook aanzienlijk meer verantwoordelijkheid voor het milieu op zich nemen.

Moderne bedreigingen van de veiligheid

Het internationale bewustzijn over de omvang van het milieuprobleem neemt toe. Dit blijkt met name uit de follow-up-conferenties die de Verenigde Naties hebben georganiseerd; over water (Mar del Plata), woestijnvorming (Nairobi), milieu en ontwikkeling (Rio de Janeiro) en klimaatveranderingen (Kyoto). Milieuproblemen kunnen tot zo ernstige moeilijkheden leiden dat zowel de veiligheid van mensen als van landen erdoor in gevaar komt. Milieuproblemen kunnen eveneens gevolgen hebben voor de internationale betrekkingen van staten. Lucht en water kennen geen nationale grenzen. Concrete voorbeelden van mogelijke of reeds bestaande bedreigingen van het milieu zijn:

Beperkte watervoorraden

Naarmate de wereldbevolking groeit, neemt ook de vraag naar schoon water toe. Zoetwater is een zeer ongelijkmatig verdeelde natuurlijke grondstof, minder dan tien landen bezitten 60% van de totale zoetwaterreserves van de wereld (3) en een aantal landen in Europa is afhankelijk van ingevoerd water. Bij toekomstige geschillen kunnen aanvallen op zoetwaterbronnen niet alleen het doel op zich zijn, maar ook de aanleiding tot het geschil. Geschillen over de vraag wie recht heeft op water kunnen toegenomen internationale spanningen en plaatselijke en/of internationale conflicten opleveren. Meningsverschillen over de Indus kunnen bijvoorbeeld leiden tot een gewapend geschil in de gespannen betrekkingen tussen India en Pakistan. Er kan een lange lijst worden opgesteld van mogelijke geschillen over zoetwater. Naar schatting 300 rivieren, meren en grondwaterbronnen liggen in internationale grensstreken(4). Negen van de veertien landen in het Midden-Oosten hebben gebrek aan watervoorraden en de overige lopen het ernstige risico ook te worden getroffen(5). In 1995 had een vijfde deel van de wereldbevolking geen toegang tot schoon water en voor het jaar 2025 wordt dit aantal berekend op twee derde deel(6).

Klimaatveranderingen

Doordat o.a. de uitstoot van koolstofdioxyde(7) toeneemt, is de gemiddelde temperatuur op aarde deze eeuw met 5Ί gestegen. De warmte is ook intensiever geworden. Onderzoek heeft uitgewezen dat de luchtvochtigheid de laatste 20 jaar met 10% is gestegen. De toegenomen vochtigheid kan in bepaalde streken leiden tot heviger en vaker voorkomende onweders, terwijl andere streken worden getroffen door droogte. Wellicht zijn twee decennia van intensief onderzoek naar klimaatveranderingen op wereldschaal noodzakelijk voordat gedetailleerdere besluiten kunnen worden genomen over de noodzakelijk maatregelen.

De Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering (IPCC), een internationale organisatie waarvan 2000 van de meest vooraanstaande onderzoekers ter wereld lid zijn, voorziet dat de temperatuur op aarde in het jaar 2100 met 1,5 tot 4,5 graden is gestegen en dat de zeespiegel 50 cm hoger is, indien de uitworp van koolstofdioxide op de huidige voet voortgaat. Een derde van de wereldbevolking en ruim een derde van de infrastructuur bevindt zich in kustgebieden van de wereld. Als de zeespiegel stijgt, komen grote gebieden onder water te staan met het gevolg dat vele miljoenen mensen worden getroffen door hongersnood omdat grote landbouwgebieden verloren gaan.

Deze en andere milieugevaren kunnen vluchtelingenstromen op gang brengen. Milieuvluchtelingen beginnen in toenemende mate internationale aandacht te krijgen. Naar schatting 25 miljoen mensen zijn op de vlucht voor droogte, erosie, woestijnvorming en andere milieuproblemen, tegen ongeveer 22 miljoen "traditionele" vluchtelingen. Milieuvluchtelingen kunnen volgens deskundigen een van de ernstigste humanitaire crises in onze tijd veroorzaken(8). Zij kampen met sociale, politieke en economische problemen die conflicten en geweld kunnen opleveren. Milieuvluchtelingen moeten officieel worden erkend. Er moet op internationaal niveau nauwer worden samengewerkt om deze problemen in te dammen en om de getroffen landen en hun inwoners meer steun te kunnen verlenen.

Militaire invloed op het milieu in oorlog en vrede

Militaire activiteiten vormen een omvangrijke bron van milieubeschadiging. Militaire activiteiten brengen omvangrijke negatieve gevolgen voor het milieu met zich mee, zowel in vrede als in oorlog, zowel opzettelijk als ongewenst. Sedert de Oudheid is vernietiging van het milieu een aanvaarde methode om oorlog te voeren. Oorlog is eveneens veruit de ernstigste bedreiging van het milieu. Een recent voorbeeld zijn de verwoestende gevolgen van de Golfoorlog met honderden brandende oliebronnen en grote hoeveelheden giftige stoffen die ongecontroleerd in de atmosfeer terechtkwamen. Pas na lange tijd zal het milieu hersteld zijn. Sommige soorten schade kunnen onherstelbaar zijn.

De militaire sector ontwikkelt steeds krachtiger wapens die aan het milieu omvangrijke en verwoestende schade toebrengen. Een moderne oorlog brengt een grotere beschadiging van het milieu met zich mee dan andere activiteiten die het milieu aantasten. Hieronder volgt een beschrijving van een aantal wapensystemen die ook in vredestijd ernstige en schadelijke gevolgen voor het milieu hebben.

Mijnen

Mijnen betekenen een enorme beschadiging van het milieu. Volgens UNEP (United Nations Environment Programme) vormen landmijnen een van de materiële oorlogsoverblijfselen die het meest voorkomen en zij kunnen het milieu-evenwicht beïnvloeden. Met het leggen van mijnen worden grote gebieden, vaak landbouwgebieden, gedurende lange tijd onbruikbaar gemaakt. Mijnen vormen in een groot aantal van de armste gebieden in de wereld de grootste belemmering van de ontwikkeling. In 65 landen in de wereld zijn 80-110 miljoen mijnen gelegd. Zij kunnen decennia nadat zij gelegd zijn ontploffen en het merendeel van de slachtoffers zijn burgers, met name kinderen. De opruiming van mijnen is een zeer gevaarlijk, tijdrovend en kostbaar proces. De ontwikkeling van nieuwe mijnopruimingsmethoden verloopt te langzaam en moet worden versneld.

Een positief punt is dat in 1997 op de Conferentie van Oslo het resultaat werd bereikt dat alle antipersoneelmijnen zonder uitzondering worden verboden, dat de opgeslagen mijnen(9) binnen vier jaar moeten worden vernietigd en dat meer steun zal worden verleend aan landen met een mijnenprobleem. Een groot aantal landen heeft het Verdrag van Ottawa in 1997 ondertekend, maar een aantal landen, onder meer de VS, Rusland, India en China hebben dit niet gedaan. De Europese Unie moet zich ervoor inzetten dat deze landen zich onverwijld bij de overeenkomst aansluiten. De EU moet de slachtoffers van mijnen meer hulp verlenen en de ontwikkeling van mijnopruimingstechnieken steunen.

Zogeheten niet-dodelijke wapens(10)

Zogeheten niet-dodelijke wapens zijn geen nieuwe soorten wapens, maar zij bestaan al jarenlang, bijvoorbeeld waterkanonnen, rubberkogels en traangas. Tegenwoordig zijn echter steeds meer geavanceerde wapentechnieken ontwikkeld die niet-dodelijk worden genoemd, hoewel zij omvangrijke schade kunnen aanrichten en zelfs tot invaliditeit of de dood kunnen leiden.

Er zijn technologieën ontwikkeld om schade toe te brengen aan zaken en aan personen. Een voorbeeld zijn de akoestische wapens die een laag geluidsniveau, het zogenaamde infra-geluid produceren, en aldus de vijand in verwarring kunnen brengen, desoriënteren en op deze manier onschadelijk maken. Andere voorbeelden zijn kleefschuim en verblindende lasers. Chemische producten die het water doen verkleuren, kunnen van invloed zijn op landbouw en bevolking. Met behulp van elektromagnetische stralen kunnen de gegevens, navigatie- en communicatiesystemen van de vijand buiten werken worden gesteld. Zogeheten niet-dodelijke wapens kunnen eveneens worden gebruikt tegen de infrastructuur en instanties van een land, om het spoorwegsysteem te neutraliseren of om chaos te veroorzaken in de financiële wereld van een land. Gemeenschappelijk kenmerk van deze wapens is dat zij bedoeld zijn om een potentiële vijand op "strategisch niveau" te vertragen, belemmeren en overwinnen(11).

Het feit dat al deze verschillende soorten wapens worden aangeduid met dezelfde naam niet-dodelijk is uiterst misleidend en eufemistisch. De kwalificatie "niet-dodelijk" is bedoeld om deze wapens menselijker te doen lijken dat conventionele wapens - maar er bestaan geen menselijke wapens. Het gebruik van ieder soort wapen brengt het gevaar met zich mee dat er schade ontstaat of dat er doden vallen, hetgeen immers de bedoeling van wapens is. Zogeheten niet-dodelijke wapens worden meestal vroegtijdig in een geschil ingezet en zij kunnen in feite het conflict veroorzaken. Soldaten en politiepersoneel kunnen eerder tot geweld overgaan omdat de wapens minder gevaarlijk lijken. Het directe gevaar bestaat dat deze wapens leiden tot een lagere drempel voor de toepassing van geweld om geschillen op te lossen.

Het is de bedoeling de vijand buiten gevecht te stellen zonder langdurig lijden en zonder hem te doden. Maar de wijze waarop en tegen wie zogeheten niet-dodelijke wapens worden ingezet, zijn belangrijke aspecten van de gevolgen van deze wapens, een wapen dat een soldaat buiten gevecht kan stellen, kan een kind of een oudere schade berokkenen en zelfs doden. Afstand en vuursnelheid zijn andere factoren die bepalend zijn voor de gevolgen van een wapen. Ter vergelijking zij erop gewezen dat "slechts" 25% van het aantal dodelijke slachtoffers wordt veroorzaakt door conventionele wapens(12).

Zogeheten niet-dodelijke wapens worden in de moderne oorlogvoering los van of in combinatie met conventionele wapens gebruikt als doelmatig hulpmiddel. De VS zette in de Golfoorlog bijvoorbeeld radiofrequente wapens in om het Iraakse energiesysteem buiten gevecht te stellen(13), hoewel niet bekend was welke gevolgen RF-wapens hebben voor de mens. Zogeheten niet-dodelijke wapens moeten dan ook niet los van een dodelijk systeem worden gezien, maar als onderdeel hiervan. De ontwikkeling van zogeheten niet-dodelijke wapens leidt tot een groter aanbod in oorlogvoering. Het resultaat is dan ook veeleer dat meer geweld wordt toegepast dan minder. Zogeheten niet-dodelijke wapens leiden niet tot niet-dodelijke geschillen.

Naarmate steeds meer verschillende soorten zogeheten niet-dodelijke wapens worden ontwikkeld, bestaat van de zijde van de strijdkrachten, politie en politiek steeds meer belangstelling om te testen hoe deze wapens functioneren. Zogeheten niet-dodelijke wapens mogen niet worden gebruikt als instrument voor politieke inmenging en overheersing door de landen in het noorden over de landen in het zuiden.

Er bestaat geen doelmatige wetgeving voor zogeheten niet-dodelijke wapens. Slechts een gering aantal zogeheten niet-dodelijke wapens en technieken kan worden verboden via interpretatie van een aantal voorschriften voor wapenbeheersing, bijvoorbeeld kleefschuim (dat is ingezet in Somalië en Bosnië). Sommige soorten lasers (die mensen verblinden) zijn eveneens beperkt in het Verdrag inzake Certain Conventional Weapons. Biologische gifstoffen (bijvoorbeeld salmonella en andere bacteriën) zijn verboden door de Biological Weapons Convention. Een aantal van deze wapens kan ernstige gevolgen hebben voor het milieu. De internationale wetgeving moet daarom worden uitgebreid met regels voor de nieuwe wapens die voortdurend worden ontwikkeld.

Bij gebrek aan andere betrouwbare internationale normen voor zogeheten niet-dodelijke wapens moet het mogelijk zijn het "Cyrus-project" van het Internationaal Comité van het Rode Kruis toe te passen. In het kader van het Cyrus-project zijn conventionele wapens geclassificeerd en zijn er normen vastgesteld met betrekking tot dodelijke werking, invaliditeit, noodzakelijke behandeling, bloedtransfusie enz. De Europese Unie moet ernaar streven dat ook de nieuwe wapentechnieken en de ontwikkeling van de nieuwe wapenstrategieën vallen onder het geheel van voorschriften in internationale overeenkomsten.

Chemische wapens

De taak van de Verenigde Naties chemische wapens en andere massavernietigingswapens in Irak te vernietigen heeft geleid tot ernstige verontrusting over de gevolgen van militaire activiteiten voor het milieu en tot een krachtige behoefte aan milieutechnisch veilige methoden om wapens te ontmantelen. Het Verdrag tegen chemische wapens (CWC) is in april 1997 in werking getreden; overeenkomstig artikel 1 zijn de landen die de conventie hebben geratificeerd, gehouden onder geen enkel beding meer chemische wapens te ontwikkelen, produceren of exporteren. Zij verplichten zich eveneens nooit chemische wapens in te zetten en reeds bestaande chemische wapens te vernietigen. Overeenkomstig artikel 3 moeten de landen uiterlijk 30 dagen na de inwerkingtreding van het Verdrag mededelen of zij chemische wapens bezitten, waar deze zich bevinden en een programma indienen voor de vernietiging van deze wapens. De oudste voorraden moeten het eerst worden vernietigd. 165 landen hebben het verdrag ondertekend en 110 landen hebben het geratificeerd. 26 landen hebben het CWC niet ondertekend, o.a. enkele belangrijke landen in het Midden-Oosten.

De vernietiging van chemische wapens brengt een ernstige verstoring van het milieu met zich mee

- het gaat om tienduizenden tonnen mosterdgas, zenuwgas en andere chemische stoffen. Chemische wapens kunnen door verbranding worden vernietigd, maar slechts een gering aantal landen beschikt over de installaties die hier geschikt voor zijn. De ontmanteling van chemische wapens is kostbaar, drie tot tien maal duurder dan de productie ervan. Wil Rusland, dat zeer grote voorraden bezit, deze vernietiging kunnen uitvoeren, dan moet het economisch door andere landen worden gesteund. In Kambarka, een Russische stad, liggen twee kilometer van de bebouwde kom 6000 ton chemische wapens opgeslagen in houten schuurtjes. De behandeling van de enorme hoeveelheden gevaarlijke stoffen vereist aanzienlijke investeringen en vergt een aantal jaren. Duidelijk aanwezig is het gevaar dat er zich ongevallen voordoen en dat de wapens in verkeerde handen terecht komen.

Er is bevestigd dat ongeveer 150.000 ton bommen, artilleriegranaten en mijnen met strijdgassen, met name mosterdgas, fosgeen, tabun en arsenicum houdende strijdgassen na het einde van de Tweede Wereldoorlog in het Skagerrak zijn gedumpt. In de Oostzee is 40.000 ton wapens gedumpt. Veel van de vaten zijn doorgeroest en de chemische bestanddelen komen in rechtstreeks contact met het zeewater. Toch is besloten deze wapens voorlopig op de zeebodem te laten liggen, omdat het gevaar van grootschalige lekkage bij berging aanzienlijk groter wordt geacht.

Kernwapens

De gevolgen die een kernoorlog met zich mee zou brengen voor het milieu, zouden enorm zijn. Waarschijnlijk zouden de gecombineerde gevolgen van fall-out in grote gebieden, het dunner worden van de ozonlaag onder invloed van stikstofoxide afkomstig van de kernexplosies en klimaatveranderingen ten gevolge van omvangrijke langdurige branden, in grote delen van de aarde omvangrijke milieurampen met zich mee brengen.

Kernproeven hebben ook duidelijk milieuschadelijke gevolgen. Berekend is dat er 100 tot 1000 keer meer radioactief afval in de atmosfeer is gebracht bij bovengrondse kernproeven dan tijdens het ongeval van Tsjernobyl is vrijgekomen(14). Volgens het in 1963 tussen de VS, de USSR en Groot-Brittannië gesloten akkoord over een gedeeltelijke stop op kernproeven zijn kernproeven in de atmosfeer, in de ruimte en onder water verboden, d.w.z. in alle milieus behalve onder de grond.

Sinds 1966 heeft Frankrijk op het atol Mururoa 180 kernproeven uitgevoerd met aanzienlijke gevolgen voor het milieu(15). In het bezinksel op de bodem van de lagunes van de atollen Mururoa en Fangataufa zijn enkele kilo's gevaarlijk plutonium teruggevonden. Plutoniumdeeltjes zijn eveneens verspreid over de oppervlakte van drie eilanden bij Mururoa(16). Onlangs hebben India en Pakistan kernproeven uitgevoerd(17). De technische ontwikkeling van deze landen wordt niet in voldoende mate gecontroleerd geacht, hetgeen betekent dat de kernproeven ver buiten de regio gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Er moet zo snel mogelijk een onafhankelijk internationaal onderzoek worden uitgevoerd naar de gevolgen voor het milieu op de plaatsen waar de proeven zijn gehouden en de omgeving daarvan.

Plutonium is zonder enige twijfel de gevaarlijkste bekende stof. Tal van landen bezitten grote hoeveelheden militair plutonium en kernwapens kunnen relatief eenvoudig worden geproduceerd met behulp van "civiel" plutonium. Installaties die momenteel een civiele functie hebben, kunnen binnen korte tijd worden omgeschakeld op de productie van wapens. Bij de behandeling van plutonium wordt een grote hoeveelheid hoog-radioactief vloeibaar afval verkregen. De behandeling van radioactief afval brengt grote problemen met zich mee. De grootschalige productie van massavernietigingswapens van de afgelopen decennia heeft grote hoeveelheden afval veroorzaakt. Deugdelijke manieren om radioactief afval op te slaan zijn niet bekend. Gewoonlijk wordt het afval bewaard in tanks, maar grote hoeveelheden zijn rechtstreeks in het milieu geloosd. Het radioactief afval is uiterst explosief en kan ontploffen indien het niet wordt geventileerd of gekoeld. In 1957 deed zich in de kerncentrale Tsjelyabinsk-65 bij de stad Kystym in de Oeral een incident voor, een radioactieve tank ontplofte en radioactief afval werd verspreid over een gebied van 1000 km2. Tienduizend mensen moesten worden geëvacueerd. In de buurt van het Karachay-meer bij Tsjelyabinsk-65, wordt men, reeds als men aan de oever van het meer staat, blootgesteld aan een zo grote hoeveelheid radioactieve straling dat dit onmiddellijk de dood tot gevolg kan hebben(18).

In de Baltische landen zijn grote gebieden verontreinigd ten gevolge van vroegere militaire activiteiten van de Sovjetunie. In Estland bevat het Sillanmä-meer, ook Atoommeer genoemd, een hoeveelheid radioactief militair afval die vergelijkbaar is met duizenden atoomwapens. Sillanmä ligt 100 m van de Oostzee. Een lek naar de Oostzee zou verwoestende gevolgen hebben voor het milieu in het hele Oostzeegebied.

Aan het eind van de jaren '80 bezat Rusland meer kernonderzeeërs dan alle landen van de wereld samen. Op het Kola-schiereiland en bij Sevrodvinsk in Rusland bevindt zich momenteel de grootste concentratie kernwapenreactoren in de wereld, (240 stuks)(19). Grote hoeveelheden radioactief afval en tal van atoomonderzeeërs zijn opgeslagen op scheepswerven op het Kola-schiereiland. Rusland en de Russische marine zijn niet in staat de afgedankte reactoren te onderhouden. Zij beschikken niet over de economische mogelijkheden om een veilige ontmanteling te financieren. Door de lage lonen is het goed opgeleide personeel van de werven weggegaan, met het gevolg dat er een enorm gebrek aan kennis en vaardigheid heerst.

Zelfs in het centrum van Moskou zijn 1200 bronnen van radioactieve vergiftiging ontdekt, o.a. in zandbakken, schuilkelders, particuliere appartementen, garages en sportplaatsen(20). De mogelijkheid om in Rusland kernwapens, chemische en biologische wapens uit militaire opslagplaatsen en stoffen uit onderzoekinstellingen of de industrie op de kop te tikken mag niet worden onderschat.

Het meest ernstige is dat de adequate uitrusting ontbreekt om het afval op milieuvriendelijke wijze te verwerken. Vanuit economisch en milieustandpunt kan een eventueel ongeval verwoestende gevolgen hebben. Ieder jaar dat verstrijkt zonder dat er adequate maatregelen worden genomen, stijgen gevaar en omvang van een ernstig ongeluk.

Er is een concreet en realistisch voorstel over de manier om de kernwapens geleidelijk de wereld uit te helpen. Het voorstel werd in augustus 1996 ingediend door de onafhankelijke groep van deskundigen die het Canberracomité vormde(21). In juli 1996 stelde het Internationaal Gerechtshof in Den Haag zich unaniem op het standpunt dat artikel 6 van het Non-proliferatieverdrag de kernwapenlanden verplicht onderhandelingen te beginnen over nucleaire ontwapening. Het Gerechtshof kwam eveneens tot de conclusie dat dreiging met of gebruik van kernwapens niet strookt met de internationale wetgeving. De Europese Unie dient actief te streven naar uitvoering van de voorstellen van het Canberracomité en van artikel 6 van het Non-proliferatieverdrag.

HAARP - een wapensysteem dat het klimaat ontregelt

Op 5 februari 1998 organiseerde de Subcommissie veiligheid en ontwapening van het Europees Parlement een hoorzitting over o.a. HAARP. Vertegenwoordigers van de NAVO en de VS waren uitgenodigd, maar zij verkozen niet deel te nemen. De Commissie betreurt dat de VS niemand stuurde om vragen te beantwoorden en geen gebruik maakte van de mogelijkheid het gepresenteerde materiaal van een toelichting te voorzien(22).

HAARP; programma voor het onderzoek van hoogfrequente straling (High Frequency Active Auroral Research Project) wordt gezamenlijk uitgevoerd door de Amerikaanse luchtmacht en marine, in samenwerking met het Geophysical Institute of the University of Alaska, Fairbanks. Soortgelijke proeven worden eveneens uitgevoerd door Noorwegen, waarschijnlijk op de Zuidpool, maar ook in de voormalige Sovjetunie(23). HAARP is een onderzoeksproject in het kader waarvan met uitrusting op de grond, een net van antennes die ieder hun energie ontvangen van een eigen zender, delen van ionosfeer worden opgewarmd(24) met krachtige radiogolven. De gegenereerde energie warmt bepaalde delen van de ionosfeer op met het gevolg dat er in de ionosfeer eveneens gaten vallen en kunstmatige lenzen ontstaan.

HAARP kan voor vele doelen worden ingezet. Door de elektrische eigenschappen in de atmosfeer te manipuleren kunnen enorme krachten worden gestuurd. Indien dit wordt gebruikt als wapen kunnen de gevolgen voor de vijand verwoestend zijn. Door middel van HAARP kan miljoenen malen meer energie naar een exacte plaats worden gedirigeerd dan met iedere andere traditionele zender. De energie kan eveneens worden gericht tegen een bewegend doel, hetgeen nuttig kan zijn bij de bestrijding van vijandelijke raketten.

Het project maakt het eveneens mogelijk beter met onderzeeërs te communiceren en de weersomstandigheden op de wereld te manipuleren. Ook het tegenovergestelde is echter mogelijk, namelijk het storen van de communicatie. Door de ionosfeer te beïnvloeden kan de mondiale communicatie worden gestoord, terwijl tegelijkertijd de mededeling van de gebruiker doorkomt. Een andere toepassing van het systeem is het maken van röntgenfoto's van de aarde tot op enkele kilometers diepte (via aarddoordringende tomografie) om aardolie- en gasvelden te lokaliseren, maar eveneens onderaardse militaire uitrusting. Radar die over de horizon heen kan kijken en objecten op lange afstand kan definiëren, is een verdere toepassing van het HAARP-systeem. Op deze manier kunnen naderende objecten worden opgezocht achter de kromming van het aardoppervlak.

Sinds het begin van de jaren '50 heeft de VS in de Van Allen-gordels kernmateriaal tot ontploffing gebracht om te onderzoeken welke gevolgen kernontploffingen op zo grote hoogte wegens de elektromagnetische pulsen die tijdens de explosie ontstaan, hadden voor de doorgifte van radiosignalen en voor de werking van radar. Zo ontstonden nieuwe magnetische stralingsgordels die vrijwel de hele aarde omvatten. De elektronen bewogen zich langs magnetische-veldlijnen en veroorzaakten boven de Noordpool een kunstmatig noorderlicht. Het gevaar bestaat dat de Van Allen-gordel ten gevolge van deze militaire tests langdurig ernstig ontregeld wordt. Het magnetisch veld van de aard kan over grote gebieden worden gestoord waardoor radiocommunicatie onmogelijk wordt. Volgens Amerikaanse wetenschappers kan het honderden jaren duren voordat de Van Allengordel weer gestabiliseerd is. HAARP kan veranderingen in weerpatronen met zich meebrengen. Het kan eveneens van invloed zijn op het hele ecosysteem, met name in de gevoelige Zuidpool-regio.

Een bijkomend ernstig gevolg van HAARP zijn de gaten in de ionosfeer die worden veroorzaakt door de krachtige radiostralen die worden uitgezonden. De ionosfeer beschermt ons tegen kosmische straling van buiten. Gehoopt wordt dat de gaten zich weer vullen, maar de ervaringen met veranderingen van de ozonlaag wijzen in tegengestelde richting. Dit betekent dat de beschermende ionosfeer grote gaten vertoont.

Door de enorme gevolgen voor het milieu is HAARP een mondiaal probleem en het is te betwijfelen of de voordelen van deze systemen werkelijk opwegen tegen de gevaren. De ecologische en ethische gevolgen moeten diepgaand worden onderzocht voordat verder onderzoek en proeven worden uitgevoerd. HAARP is bij de publieke opinie vrijwel geheel onbekend en het is van belang dat het algemene besef inzake dit project wordt verruimd.

HAARP is gekoppeld aan vijftig jaar intensief ruimte-onderzoek van duidelijk militaire aard, o.a. in het kader van "Star Wars", met de bedoeling de bovenste lagen van de atmosfeer en de communicaties te beheersen. Dit soort onderzoek moet als een ernstige verstoring van het milieu worden beschouwd, die eventueel onvermoede gevolgen voor het menselijk leven kan hebben. Niemand weet momenteel zeker welke gevolgen HAARP met zich mee kan brengen. De cultuur van geheimzinnigheid in verband met militair onderzoek moet worden bestreden. Het recht op openbaarheid en democratische controle van militaire onderzoeksprojecten en van parlementair onderzoek moet worden bevorderd.

Tegen het licht van een reeks internationale wetten (Verdrag inzake het verbod van militair of ieder ander vijandelijk gebruik van technieken om het milieu te veranderen, het Zuidpool-verdrag, het Verdrag houdende beginselen voor het gedrag van de landen bij het onderzoek van de ruimte, met inbegrip van de maan en andere hemellichamen, en het VN-verdrag inzake zeewetgeving) komt HAARP naar voren als zeer twijfelachtig, niet alleen vanuit menselijk en politiek standpunt, maar ook vanuit juridische optiek. Volgens het Zuidpool-verdrag mag de Zuidpool uitsluitend worden gebruikt voor vreedzame doelen(25). Dit betekent dat HAARP een overtreding van het volkerenrecht is. Alle gevolgen van de nieuwe wapensystemen moeten door onafhankelijke internationale instanties worden onderzocht. Er moeten aanvullende internationale overeenkomsten worden opgesteld om het milieu tijdens oorlogen te beschermen tegen onnodige aantasting.

Invloed van militaire activiteiten op het milieu

Niet alleen de wapensystemen van de strijdkrachten, maar in het algemeen alle militaire activiteiten hebben op de een of andere manier gevolgen voor het milieu, zelfs oefeningen die in vredestijd worden gehouden. Wanneer wordt gesproken over milieuvernietiging wordt in het algemeen niet ingegaan op de rol van de strijdkrachten, er is uitsluitend kritiek geweest op de invloed die de burgermaatschappij heeft op het milieu. Hiervoor zijn ten minste twee verklaringen(26). Militaire activiteiten zijn wegens de geheimhouding moeilijker bespreekbaar en het valt niet mee het hoogste belang van de staat, te weten de veiligheid en verdediging, af te zetten tegen het milieu. Nu milieuen natuurrampen een ernstige bedreiging van de veiligheid vormen, lijken deze argumenten echter dubieuzer.

Het defensie-apparaat probeert zich in vredestijd in zo realistisch mogelijke omstandigheden voor te bereiden op zijn oorlogstaken. Het voert zijn oefeningen dan ook uit onder oorlogsachtige omstandigheden, hetgeen betekent dat het milieu ernstig wordt belast. Dit wordt bijvoorbeeld aangetoond door de terugtrekking van de Sovjettroepen en de verlaten militaire bases in Oost- en Midden-Europa, die diepe sporen hebben achtergelaten in het milieu ter plaatse. Militaire oefeningen brengen enorme schade met zich mee voor landschap en fauna. Manoeuvres veroorzaken in grote gebieden enorme schade aan het milieu. Testzones voor artillerie en tactische projectielen vergen steeds grotere oppervlakten voor militaire doeleinden. Ook de productie van oorlogstuig en de militaire industrie veroorzaakt op grote schaal milieuproblemen.

Defensie veroorzaakt de uitworp van een aantal broeikasgassen, met name kooldioxide, maar eveneens de verbranding van fossiele brandstoffen en de uitstoot van freonen, die ertoe leiden dat de ozonlaag dunner wordt(27). De consumptie van vliegtuigbrandstoffen is een omvangrijke bron van de uitworp van verzurende stoffen zoals stikstofoxiden en zwaveloxide. Defensie neemt een groot deel van het totale verbruik van vliegtuigbrandstoffen voor haar rekening en is verantwoordelijk voor een zeer groot deel van de totale uitworp door vliegtuigen(28). Een bijzonder schadelijke invloed op het milieu hebben hoogvliegende vliegtuigen en raketten, door het lawaai dat ze produceren en door de lozing van vliegtuigbrandstof. Alle raketten met vaste-brandstofaandrijving produceren grote hoeveelheden zoutzuur in de uitlaatgassen en iedere vlucht met het ruimteveer brengt circa 75 ton ozonvernietigend chloor in de dampkring. Ook het lawaai van militaire oefeningen met groot kaliber munitie kan leiden tot verstoringen van het milieu.

Verontreiniging met metalen treedt in de natuur op tijdens schietoefeningen, veelal worden grote hoeveelheden loodhoudende munitie van klein kaliber gebruikt en grote hoeveelheden lood worden in de natuur verspreid. Helaas ontbreken globale gegevens over het gebruik van metalen.

Pas onlangs is gewezen op de milieuproblemen die ontwapening met zich meebrengt. Ieder jaar worden grote hoeveelheden explosieven vernietigd, hoofdzakelijk via industriële methoden. Sommige munitie kan om diverse redenen niet op deze manier worden vernietigd, maar moet tot ontploffing worden gebracht. Uiteraard is deze geleidelijke vernietiging noodzakelijk en positief, maar deze activiteiten moeten in milieutechnisch aanvaardbare vormen worden gegoten. Er moet een milieutechnisch gezonde technologie worden ontwikkeld voor de vernietiging van wapens.

Diverse landen benutten reeds de mogelijkheden militaire kredieten te gebruiken voor het herstel van door de strijdkrachten beschadigd milieu. Alle andere maatschappelijke sectoren moeten hun verantwoordelijkheid voor het milieu aanvaarden en hetzelfde moet ook voor de militaire sector gelden. Milieuproblemen moeten, evenals in de andere maatschappelijke sectoren, onlosmakelijk deel vormen van de activiteiten van het defensie-apparaat en zij moeten tijdens de besluitvormings- en begrotingsprocedure in overweging worden genomen. In mei 1993 besloot UNEP (United Nations Environment Programme), het milieu-orgaan van de Verenigde Naties, de nationale regeringen te verzoeken nationale wetten aan te nemen voor de militaire sector, "Application of Environmental Norms to Military Establishments". O.a. Finland heeft een "Groenboek" opgesteld om de invloed van militaire activiteiten op het milieu te reglementeren. Hetzelfde heeft ook Zweden gedaan (29). Eveneens heeft Zweden in juni 1996 met de VS milieurichtsnoeren opgesteld voor de activiteiten van de strijdkrachten(30). Defensie moet milieudoelen stellen en maatregelen voorstellen om ertoe bij te dragen dat het milieu in mindere mate wordt aangetast, overeenkomstig Agenda 21 en de "Verklaring van Rio"(31). Zij dient eveneens verslagen op te stellen waarin wordt bepaald welke invloed Defensie heeft op het milieu. Milieu-effectrapportages moeten worden opgesteld voordat met nieuwe projecten wordt begonnen en wanneer materieel wordt aangeschaft voor civiel of militair gebruik.

Iedere regering moet een inventaris opstellen van haar milieu-eisen en de militaire middelen bepalen die beschikbaar zijn voor milieudoelen, nationale milieuprogramma's opstellen en de ervaringen rapporteren aan het bevoegde orgaan in de Europese Unie en de Verenigde Naties.

Alle militair personeel en ook de dienstplichtigen moeten fundamentele instructie in milieukennis krijgen. Er wordt van uitgegaan dat de Amerikaanse strijdkrachten op milieugebied ver gevorderd zijn, met name in de sector materieel, maar ook qua opleiding. De Europese Unie moet nauwer samenwerken met de VS en ervaringen in deze sector uitwisselen.

Strategieën om militaire middelen in te zetten ter bescherming van het milieu

Voorkoming van milieucrises vergt infrastructuur, organisatie en meer middelen. Deze zijn in de strijdkrachten beschikbaar. Tal van middelen die thans tot de militaire sector behoren, kunnen worden gebruikt ter bescherming, verbetering en herstel van het milieu. Dit verloopt in essentie via twee stappen: een inventarisatiefase, waarin wordt vastgesteld in hoeverre de militaire middelen inzetbaar zijn en een politiek actieprogramma ter waarborging van hun beschikbaarheid.

De militaire middelen verschillen uiteraard aanzienlijk per land, maar zij omvatten goed opgeleid personeel, technici, geavanceerde technologische uitrusting, organisatievermogen en militair onderzoek en ontwikkeling. De militaire sector bekleedt in tal van opzichten een unieke positie wanneer het aankomt op vergroting van het vermogen van de internationale burgermaatschappij om milieustrategieën uit te voeren. Militair personeel is uitstekend toegerust om in rampsituaties in actie te komen. De strijdkrachten zijn, in tegenstelling tot burgerorganisaties, opgeleid, om onder extreme omstandigheden taken uit te voeren. Zij kunnen eveneens worden ingezet voor interventies bij milieuongelukken en voor de behandeling en vernietiging van uiterst giftige, radioactieve en andere gevaarlijke stoffen.

Defensie beschikt eveneens over een grote hoeveelheid gegevens die kunnen bijdragen tot de opsporing van veranderingen in de atmosfeer, in de zee en op het aardoppervlak, om aldus vooraf te waarschuwen tegen milieurampen en deze te voorkomen. Militaire satellieten, vliegtuigen, oppervlakteschepen en onderzeeërs zijn in staat aanvullende informatie te verzamelen over klimaatveranderingen en over stromingen en temperatuurveranderingen in de zee. Voor militaire doelen ontwikkelde radar kan worden ingezet voor milieudoelen. Infraroodradar kan temperatuurveranderingen aan het aardoppervlak ontdekken. Amerikaanse militaire satellieten zijn bijvoorbeeld gebruikt om het aantal walvissen vast te stellen, en om deze dieren te categoriseren en te redden.

De milieuproblemen zijn mondiaal van aard en internationale samenwerking is dan ook van doorslaggevende betekenis om in de toekomst milieurampen te voorkomen. Gemeenschappelijke internationale actie kan ook een dubbel doel dienen; zij kan vertrouwen scheppen, juist vanwege haar gemeenschappelijke aard; men helpt elkaar. Deze actie kan landen er eveneens van overtuigen een redelijk deel van de milieuverantwoordelijkheid op zich te nemen, in verhouding tot hun vermogen(32). Belangrijke sectoren voor gezamenlijke maatregelen kunnen zijn de overdracht van technologie, gezamenlijke opleiding en instructie.

Milieustrategieën moeten de bewaking van het milieu op aarde, de evaluatie van verzamelde gegevens, de coördinatie van de wetenschappelijke werkzaamheden en de verspreiding van informatie omvatten. Als bijzondere vorm van internationale hulp moeten nationale middelen ter beschikking worden gesteld van EU en Verenigde Naties, zodat deze, indien nodig, ter beschikking kunnen worden gesteld van een door een milieuramp getroffen land. In het kader van de milieustrategieën moet eveneens een mondiale inventaris worden opgesteld van middelen die geschikt zijn voor de bescherming van het milieu.

Een uit civiel en militair personeel samengestelde rampeneenheid kan worden opgericht om in noodgevallen te worden ingezet. Reeds thans is het een belangrijke taak van de strijdkrachten deel te nemen aan internationale vredesbevorderende en humanitaire acties. Er moet echter verschil worden gemaakt tussen dergelijke taken binnen de nationale grenzen en in de jurisdictie van een ander land. In dit verband kan lering worden getrokken uit de ervaringen van de VN en uiteraard dienen oefeningen en interventies op het grondgebied van een ander land te geschieden overeenkomstig internationale wetten. Onderzocht moet worden welke middelen, als instrument voor samenwerking in geval van milieurampen en -crises incidenteel, op lange termijn of op stand by-basis ter beschikking kunnen worden gesteld van de VN of de Europese Unie.

De bi- en multilaterale militaire samenwerking is fors toegenomen. In het kader van de NAVO wordt een Deens-Duits-Poolse eenheid opgezet die naast traditionele taken ook kan worden ingezet voor civiele rampenhulp. In het voorjaar van 1999 zal deze eenheid naar verwachting operatief zijn.

Technologische middelen in het militaire establishment

De militaire sectoren van de lidstaten van de Europese Unie zijn vaak onderzoeks- en ontwikkelingsintensief. De grote militaire mogendheden beschikken niet alleen over een enorme technologische capaciteit, maar deze is bovendien, in tegenstelling tot conventionele wapens, niet het slachtoffer geworden van bezuinigingen. De ontwikkeling van nieuwe, verfijnde wapens gaat door. De militaire sector zal op korte termijn vermoedelijk een van de belangrijkste consumenten van geavanceerde technologie worden.

De meeste moderne technologieën zijn duaal, d.w.z. ze kunnen worden gebruikt voor militaire en civiele doelen. Dit houdt in dat militaire technologieën zonder kostbare wijzigingen kunnen worden overgebracht naar de civiele sector. Er zij echter op gewezen dat de uiterst gecompliceerde militaire systemen, die gebaseerd zijn op geavanceerde technologieën, niet zijn gebouwd voor milieudoelen, maar bepaalde aanpassingen vergen.

De technologische capaciteit van de militaire organisatie in de meeste ontwikkelingslanden is niet voldoende om het hoofd te bieden aan de milieuproblemen waarmee deze worden geconfronteerd.

De landen in het Gemenebest van Onafhankelijke Staten en de landen in Afrika vertonen een enorm gebrek aan technologie en kennis omtrent het milieu. Vanuit internationaal standpunt is de overdracht van technologie en kennis dan ook een uiterst belangrijke taak voor Defensie.

De verzameling van milieugegevens en waarnemingen kan worden vergemakkelijkt door de inzet van schepen, vliegtuigen en ruimtevaartuigen om milieuvergrijpen zoals het storten van afval en het lozen van olie, of natuurlijke gevaren zoals bosbranden, te ontdekken en op te sporen.

Een andere mogelijke toepassing van militaire middelen is het gebruik van militair vermogen om bedrijvigheid die schadelijk kan zijn voor het milieu in het oog te houden. Militaire middelen kunnen eveneens worden gebruikt om landbouw, droogte, bosaanplant en grondgebruik in het oog te houden. Andere toepassingsgebieden kunnen zijn hulpacties in ontwikkelingslanden o.a. in de vorm van vervoer en inzet bij rampen, het storten van kalk in zeeën en bossen met behulp van militaire vliegtuigen en vaartuigen, maar eveneens de bestrijding van olielozingen en onderzoeks- en ontwikkelingsmiddelen ten behoeve van algemene milieu-acties.

Soldaten in dienst van het milieu - een voorbeeld

Op 13 december 1996 besloot de Zweedse Rijksdag tot een speciale investering voor milieubeheer binnen Defensie, en tot de uiteindelijke opleiding van tienduizend dienstplichtigen per jaar in het kader van de bescherming van de burgerbevolking(33). Het besluit is tot nu toe nog niet uitgevoerd, maar het diende als uitgangspunt voor een voorstel van een groep officieren(34). Het voorstel werd op een hoorzitting van de Subcommissie veiligheid en ontwapening van het Europees Parlement op 19 mei 1998 gepresenteerd. Hieronder volgt een korte samenvatting(35).

De opleiding tot milieubeschermingssoldaat in het kader van de basisopleiding voor dienstplichtigen is volstrekt mogelijk en eveneens noodzakelijk om de middelen en de capaciteit te krijgen die nodig zijn voor de aanpak van milieuproblemen. De opzet van een dienstplichtopleiding in milieudienst benut aanzienlijke maatschappelijke middelen en zorgt voor een nieuwe bron van internationale milieu-investeringen.

De opleiding van milieusoldaten kan gebeuren in samenwerking met de diverse instanties van Defensie, gemeenten, provinciale besturen, universiteiten en hogescholen, maar eveneens milieu-organisaties, bedrijfsleven (b.vj. petrochemische industrie, energie-industrie, winningsindustrie en andere verwerkende industrieën) en internationale partners.

De milieudienstplichtigen moeten in eerste instantie worden opgeleid voor de bedreiging van het milieu die in oorlogstijd toeneemt, maar eveneens om in vrede en oorlogstijd te worden ingezet als reddings- en opruimeenheden. Uiteindelijk worden volgens het voorstel zes compagnieën per milieubrigade opgeleid in twee lichtingen, d.w.z in totaal 12 compagnieën per brigade per jaar. De opleiding is in handen van een opleidingsleider, een hoofd verkenning en informatie en een commandant. Deze personen geven leiding aan zes milieucompagnieën die bestaan uit een compagniescommandant, een milieutechnicus, een compagnietechnicus, een adjudant en 12 opleiders. De milieutechnicus onderhoudt nauwe contacten met de BB, maar eveneens met onderzoekers. Ter ondersteuning van hun werkzaamheden beschikken ze over een intendancedienst, een kantine en milieudienstplichtigen en gewone dienstplichtigen. In eerste instantie ontvangen de groepshoofden een opleiding als leider, en een zekere fundamentele opleiding op het gebied van milieubescherming.

In de eerste fase van de opleiding moeten de soldaten een fundamentele gevechts- en milieubeschermingsopleiding krijgen waarbij de nadruk valt op de gevechtsopleiding en de lichamelijke training. Daarop volgen milieu-opleiding en materiaalinstructie, die zijn ingesteld op de respectieve posities van de soldaten. De eindfase van de opleiding wordt gebruikt voor gereserveerde, d.w.z. geplande milieu-acties. Tijdens de basisopleiding kunnen milieudienstplichtigen niet alleen worden ingezet voor geplande milieu-acties, maar bij acute milieurampen kunnen zij hulp verlenen in geval van bosbranden, sneeuwstormen, aardverschuivingen en dergelijke. Als een milieubrigade bestaan had, was het mogelijk geweest snel en doelmatig op te treden bij de overstromingen in Polen, Tsjechië en Duitsland in 1997, de dijkdoorbraak in Spanje en de aardverschuiving in Italië in 1998.

Na de basisopleiding moet het opgeleide personeel in vredestijd en in oorlog vijf jaar lang binnen 24 tot 48 uur mobilisabel zijn ingeval van milieurampen of andere noodsituaties. Dit kan wettelijk verplicht worden gesteld of op vrijwillige basis geschieden.

In operatief verband is de milieubeschermingscompagnie een mobiele eenheid met als voornaamste taak binnen en buiten de nationale grenzen Zweedse gemeenten te saneren en de door andere landen geuite saneringswensen uit te voeren. (Alleen al in Zweden bevinden zich 10.000 "milieubommen" van verschillende aard die moeten worden gesaneerd.) De compagnie vervult haar taken zelfstandig of in samenwerking met andere compagnieën en eenheden van de BB, onder leiding van de BB en/of van de gemeente die de opdracht verstrekt. Doordat zij beschikt over eigen vervoer kan de compagnie bij nationale acties binnen drie etmalen worden herverdeeld over diverse taken.

Evenals het geval is bij VN-vredestaken, kunnen milieubeschermingssoldaten in internationaal verband en op basis van vrijwilligheid dienst doen.

(1)() SIPRI Yearbook 1997, Appendix 6A. Tables of military expenditure en 6B. Tables of NATO military expenditure.
(2)() Charting potential uses of resources allocated to military activities for civilian endeavours to protect the environment, UN: A46/364 1991, § 74.
(3)() (Brazilië, Rusland, China, Canada, Indonesië, VS, India, Colombia en Kongo) International Freshwater Conflict: Issues and prevention Strategies, Green Cross International 1997, blz. 4.
(4)() Ibid, blz. 1.
(5)() Ibid, blz. 3.
(6)() Time, Special van november 1997, blz. 18.
(7)() Per dag wordt 25 miljard ton kooldioxide in de atmosfeer uitgestoten.
(8)() Climate Institute in Washington "Environmental Exodus: An emergent Crisis in the Global Arena".
(9)() Circa 100 miljoen mijnen liggen opgeslagen in depots.
(10)() Op 5 februari 1998 organiseerde de Subcommissie veiligheid en ontwapening van het Parlement een openbare hoorzitting over HAARP en zogeheten niet-dodelijke wapens. Dit hoofdstuk is op deze hoorzitting gebaseerd.
(11)() Zij worden geproduceerd in bijvoorbeeld de VS, China, Groot-Brittannië, Frankrijk, Rusland en Israël.
(12)() Dr. Robin Coupland, Internationale Rode Kruis, spreker tijdens de hoorzitting.
(13)() Nonlethal technology and airpower, 1993. Air Command and Staff College research project.
(14)() Charting potential uses of resources allocated to military activities for civilian endeavours to protect the environment, UN: A46/364 1991 § 26.
(15)() The Impact of nuclear testing at Mururoa and Fangataufa, 1995.
(16)() Het wetenschappelijk tijdschrift New Scientist 1998.
(17)() Tussen 11 en 13 mei 1998 voerde India vijf kernproeven uit. Pakistan voerde zes kernproeven uit tussen 28 en 30 mei 1998.
(18)() Plutonium, Deadly Gold of the Nuclear Age, IPPNW en IEER 1995, blz. 65.
(19)() 18% van de kernreactoren van de wereld bevindt zich daar, rapport-Bellona, deel 2: 1996 The Russian Northern Fleet, blz. 10.
(20)() Atom declassified, 2de editie, IPPNW Moskou 1996, blz. 83.
(21)() Het voorstel staat op Internet; www.dfat.gov.au/dfat/cc/cchome.html.
(22)() Dit hoofdstuk is gebaseerd op de gegevens van de hoorzitting.
(23)() Dr. Nick Begich, spreker tijdens de hoorzitting.
(24)() In de ionosfeer bevinden zich omvangrijke beschermende magnetische velden, de zogeheten Van Allen-gordels, die geladen deeltjes (protonen, elektronen en alfadeeltjes) opvangen.
(25)() Artikel 1, Zuidpool-verdrag.
(26)() Openbare onderzoeken van de overheid, SOU 1992: 104, blz. 54.
(27)() Defensie en milieu, FM sectorieel verslag voor 1995, blz. 8.
(28)() Alleen al het Zweedse leger produceert ieder jaar 866.199 ton koolstofdioxide, ibid blz. 60.
(29)() Handboek milieu ten behoeve van Defensie.
(30)() "Environmental Guidelines for the Military Sector" met steun van het NAVO-comité Challenges of Modern Society.
(31)() Agenda 21 en de Verklaring van Rio zijn concrete resultaten van de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling die in 1992 in Rio de Janeiro is gehouden.
(32)() Charting potential uses of resources allocated to military activities for civilian endeavours to protect the environment, UN: A46/364 1991.
(33)() Voorstel 1995/96:12 Dienstplicht in vernieuwing.
(34)() Opleiding van civieldienstplichtigen in milieudienst en Opleiding van milieudienstplichtigen, milieubrigade Borås.
(35)() Het opleidingsvoorstel is gebaseerd op het regiment in Borås, maar kan ook worden toegepast op andere eenheden.


 BIJLAGE

19 mei 1995

B4-0551/95

ONTWERPRESOLUTIE

ingediend overeenkomstig artikel 45 van het Reglement

door Elisabeth Rehn

over de mogelijke aanwending van voor militaire doeleinden bedoelde middelen ten behoeve van milieustrategieën,

opgenomen bij besluit van de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid

Het Europees Parlement,

A. overwegende dat de huidige internationale ecologische en milieuproblemen worden gekenmerkt door nieuwe bronnen van onzekerheid en conflicten,

B. overwegende dat deze veranderingen dienen te worden weerspiegeld in de inhoud en vorm van maatregelen waarmee veiligheid kan worden gecreëerd en gehandhaafd, met andere woorden in veiligheids- en defensiebeleid,

C. rekening houdend met de noodzaak van een herschikking van de doelen en middelen voor deze beleidsterreinen,

D. overwegende dat het voor een dergelijk initiatief noodzakelijk is toereikende middelen vrij te maken, teneinde de uitdagingen van de milieubescherming op doeltreffende wijze te kunnen aangaan en rekening houdend met het unieke potentieel van militaire inrichtingen voor de uitbreiding van de mogelijkheden om dit doel te bereiken,

E. overwegende dat het initiatief tot integratie van voor militaire doeleinden bedoelde middelen in milieustrategieën voor de Europese Unie een kans zou zijn om een voortrekkersrol te vervullen op het gebied van nieuwe en vreedzame middelen,

F. overwegende dat de kosten van de tenuitvoerlegging van deze strategieën in de komende tien jaar kunnen oplopen tot 774 miljard dollar en dat daaruit blijkt dat samenwerking noodzakelijk is,

G. overwegende dat er een nieuw scala van tot dusver niet onderzochte mogelijkheden is ontstaan als gevolg van de nieuwe internationale situatie, de politieke ontspanning en de militaire deëscalatie,

1. stelt voor een Europees actieplan op te stellen voor de integratie van voor militaire doeleinden bedoelde middelen in milieustrategieën.

26 november 1998


 ADVIES

(artikel 147 van het Reglement)

aan de Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid

inzake milieu, veiligheid en buitenlands beleid (verslag-Theorin)

Commissie milieubeheer en volksgezondheid en consumentenbescherming

Rapporteur voor advies: Karl-Erik Olsson

PROCEDURE

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming benoemde op haar vergadering van 20 juli 1998 de heer Olsson tot rapporteur voor advies.

Zij behandelde het ontwerpadvies op haar vergaderingen van 12 oktober en 25 november 1998.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met 26 stemmen voor en 2 tegen bij 1 onthouding haar goedkeuring aan de conclusies ervan.

Aan de stemming namen deel: de leden Collins, voorzitter; Dybkjær, ondervoorzitter; Olsson, rapporteur voor advies; d'Aboville, Blokland, Bowe, Breyer, Cabrol, Correia, Eisma, Estevan Bolea (verving Bébéar), Flemming, Florenz, González Álvarez, Graenitz, Hulthén, Kuhn, Lange (verving Díez De Rivera Icaza), Leopardi, McKenna, Oomen-Ruijten, Pimenta (verving Burtone), Pollack, Roth-Behrendt, Tamino, Trakatellis, Valverde López, Virgin en White.

1. INLEIDING

De ineenstorting van de Sovjet-Unie, het einde van de Koude Oorlog en de daaropvolgende ontwapening hebben ertoe geleid dat de wereldwijde militaire uitgaven sinds 1988 met 34% zijn gedaald(1). Hierdoor zijn omvangrijke middelen vrijgekomen; tegelijkertijd vormen factoren als bevoorradingscrises, milieuproblemen, migratie, nationalisme, etnische conflicten en grensoverschrijdende criminaliteit in toenemende mate een bedreiging van de internationale stabiliteit. Andere factoren die een rol spelen bij de ontwikkeling van de veiligheid op lange termijn zijn bijvoorbeeld de vernietiging van het milieu en gebrek aan drinkwater en voedsel.

Dit betekent dat milieu-overwegingen in alle opzichten moeten worden geïntegreerd in het veiligheidsbeleid en dat milieu-investeringen een belangrijke rol spelen in het streven naar stabiele veiligheid in de toekomst.

2. ALGEMENE OPMERKINGEN

Er is vandaag de dag geen sprake van een rechtstreekse militaire bedreiging van Europa en de kans op een grootschalige oorlog is vrijwel nihil. Tegelijkertijd zijn er evenwel andere, niet-militaire bedreigingen ontstaan, zoals de aanhoudende vernietiging van het milieu. Tekort aan drinkwater, woestijnvorming, klimaatverandering en ongevallen in chemische bedrijven en kerncentrales vormen een reëel gevaar voor de internationale veiligheid. De rechten op de slinkende natuurlijke rijkdommen zijn niet langer voornamelijk een instrument van het marktbeleid, maar vaak zelf de oorzaak van internationale conflicten.

Het begrip Europese veiligheid en defensie moet dan ook in die zin worden verruimd dat in grote mate rekening wordt gehouden met factoren die het milieu bedreigen. De militaire sector kan met zijn middelen en bekwaamheden bijdragen tot verbetering van de milieubescherming, bijvoorbeeld via satellietbewaking, sanering na ongevallen in industriebedrijven en kerncentrales en acties bij natuurrampen. Uw rapporteur is van oordeel dat op de nieuwe bedreigingen vooral moet worden gereageerd met een verschuiving van de begrotingsmiddelen van defensie-activiteiten naar milieumaatregelen onder niet-militair beheer, zoals preventieve milieu-acties, sanering van bodem en water, meer reddingsoperaties en rampenbestrijding, alsmede internationale milieuhulp.

Defensie-activiteiten en de wapenindustrie hebben een uiterst negatieve invloed op het milieu; zo leiden militaire transporten bijvoorbeeld tot uitstoot van broeikasgassen en verzurende stoffen, en valt grote schade aan de biologische diversiteit te constateren op militaire oefenterreinen, die dan ook eerst moeten worden gesaneerd voordat zij voor civiele doeleinden kunnen worden gebruikt. Ondanks hun invloed op het milieu vallen defensie-activiteiten van oudsher niet onder de milieuwetgeving van de burgermaatschappij. Gezien de steeds grotere druk op het milieu zou ook de landsverdediging de bestaande milieuwetgeving moeten naleven, en aansprakelijk moeten worden gesteld voor de sanering van gebieden die schade hebben opgelopen door vroegere militaire activiteiten. Defensie kan ook een milieuvriendelijker gezicht krijgen door milieudoelstellingen te definiëren en het eigen personeel een milieu-opleiding te geven.

Een van de wellicht grootste milieuproblemen die uit de wereldwijde ontwapening voortvloeien is het gebrek aan controle op afval van vroegere kernwapenactiviteiten en opslagplaatsen voor biologische en chemische wapens. Het is vaak duurder dergelijke wapens te vernietigen dan ze te produceren. Voor chemische wapens bedraagt de prijs van vernietiging bijvoorbeeld het tienvoudige van de productieprijs.

De chaotische economische situatie in Rusland en de voormalige Sovjetrepublieken heeft geleid tot een gebrek aan controle op overtollige wapens en de opslag hiervan, alsmede tot vertraging bij de vernietiging van deze wapens. Uw rapporteur dringt dan ook bij de lidstaten aan op intensievere internationale samenwerking, bijvoorbeeld in het kader van de Verenigde Naties of het Partnerschap voor vrede, met het doel deze wapens op een zo milieuvriendelijk mogelijke wijze te vernietigen.

Aangezien de defensie-industrie in de meeste lidstaten van de EU in bepaalde regio's geconcentreerd is, kan de lopende ontwapening tot aanzienlijke regionale crises leiden. De EU en de lidstaten moeten daarom alles in het werk stellen om de militaire productie en techniek te doen overschakelen op civiele producten en toepassingen, met behulp van zowel nationale als door de EU gefinancierde programma's.

3. CONCLUSIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie buitenlandse zaken, veiligheids- en defensiebeleid de volgende conclusies in haar verslag op te nemen:

A. overwegende dat conflicten in de wereld vaker nationaal dan internationaal van aard zijn en dat de internationale conflicten die zich voordoen in toenemende mate draaien om de toegang tot of de beschikbaarheid van vitale hulpbronnen, met name water, voedsel en brandstof,

B. overwegende dat de toegang tot en beschikbaarheid van deze essentiële natuurlijke hulpbronnen samenhangen met de achteruitgang en vervuiling van het milieu en er zowel de oorzaak als het gevolg van zijn, en overwegende dat hieruit logischerwijze voortvloeit dat conflictpreventie zich in toenemende mate op deze kwesties dient te richten,

C. overwegende dat de druk op vruchtbaar en bewoonbaar land, die altijd een belangrijke oorzaak van spanningen en conflicten is geweest, in toenemende mate wordt veroorzaakt door de achteruitgang van het milieu, en in het bijzonder door klimaatverandering en de stijging van de zeespiegel die daar het gevolg van is,

D. overwegende dat al deze factoren, die vooral de armste en kwetsbaarste volkeren van de wereld treffen, leiden tot een toename van het aantal "milieuvluchtelingen", hetgeen zowel een rechtstreekse druk uitoefent op het communautaire immigratie- en justitiële beleid, op ontwikkelingshulp en op uitgaven aan humanitaire hulp als een indirecte druk in de vorm van verhoogde veiligheidsproblemen voor de EU veroorzaakt door de regionale instabiliteit in andere delen van de wereld,

E. overwegende dat volgens diepgaand internationaal onderzoek dat is bijeengebracht en gepubliceerd door het Climate Institute te Washington het aantal "milieuvluchtelingen" momenteel het aantal "traditionele vluchtelingen" overtreft (25 miljoen tegen 22 miljoen), en dat dit aantal tegen 2010 naar verwachting zal zijn verdubbeld en in het ergste geval nog veel hoger kan zijn,

F. overwegende dat de kwestie van "milieuvluchtelingen" slechts een symptoom is van een humanitaire ramp van veel grotere omvang die de 1,3 miljoen mensen betreft die volgens de definitie van de VN in absolute armoede leven; overwegende dat ruim een kwart van deze mensen poogt te overleven in gebieden met een uiterst kwetsbaar milieu en de belangrijkste oorzaak zijn van wereldwijde milieuproblemen zoals ontbossing en woestijnvorming,

G. overwegende dat sinds het einde van de Koude Oorlog de aanpak van wereldwijde problemen voor het grootste deel is ontdaan van de eerdere dominant aanwezige ideologische context en nu veel minder wordt gekarakteriseerd door het streven naar een militair evenwicht, maar dat dit feit nog tot uiting moet komen in het stelsel van de VN voor een wereldwijd bestuur door de samenhang en doeltreffendheid van zowel de militaire als de niet-militaire componenten van het veiligheidsbeleid te benadrukken,

H. overwegende dat echter de uitbreiding van activiteiten van de VN op het gebied van politieke en veiligheidskwesties vooral niet-militair van aard is en met name te maken heeft met het verband tussen handel, hulp, milieu en duurzame ontwikkeling,

1. verzoekt de Commissie aan de Raad en het Parlement een gezamenlijke strategie voor te stellen, zoals voorzien in het Verdrag van Amsterdam, waarin de GBVB-component van het beleid van de EU wordt gecombineerd met het communautaire beleid op het gebied van handel, hulp, ontwikkelingssamenwerking en internationale milieukwesties voor de periode 2000-2010, teneinde de volgende kwesties en de verbanden daartussen aan te pakken:

a) landbouw- en voedselproductie en de achteruitgang van het milieu;

b) watertekorten en grensoverschrijdende watervoorziening;

c) ontbossing en het herstel van koolstofputten;

d) werkloosheid, onvolledige werkgelegenheid en absolute armoede;

e) duurzame ontwikkeling en klimaatverandering;

f) ontbossing, woestijnvorming en bevolkingsgroei;

g) het verband tussen bovengenoemde punten met de opwarming van de aarde en de humanitaire en ecologische gevolgen van steeds vaker voorkomende klimatologische rampen;

2. is van mening dat de gezamenlijke strategie van de EU elk van bovengenoemde factoren dient te benaderen in de context van de afzonderlijke of gezamenlijke bijdrage ervan aan de internationale criminaliteit, met name drugssmokkel, de groeiende immigratiedruk op de EU en de gevolgen voor het communautaire buitenlands, ontwikkelings- en veiligheidsbeleid tegen de achtergrond van de gevolgen voor de regionale stabiliteit en ontwikkeling;

3. stelt vast dat milieuproblemen vandaag de dag de grootste bedreiging van de mensheid vormen en dat het huidige vijandbeeld bestaat uit klassieke markconflicten, en zelfs niet-militaire bedreigingen zoals bevoorradingscrises en milieuproblemen omvat;

4. stelt vast dat preventieve milieumaatregelen een belangrijk instrument van het veiligheidsbeleid zijn; dringt er daarom bij de lidstaten op aan in hun lange-termijnoverwegingen en -plannen op het gebied van defensie en veiligheid en in hun militaire onderzoek doelstellingen op het gebied van milieu en volksgezondheid op te nemen;

5. erkent de belangrijke rol die het leger speelt in de democratische samenleving, de taken van het leger voor de verdediging van het land en het feit dat initiatieven voor vredeshandhaving en vredestichting een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan het voorkomen van schade aan het milieu;

6. dringt er bij de lidstaten op aan de voor de burgermaatschappij geldende milieuwetgeving ook op alle militaire activiteiten toe te passen en defensie aansprakelijk te stellen voor het onderzoeken, opruimen en saneren van gebieden die schade hebben opgelopen als gevolg van vroegere militaire activiteiten, zodat deze gebieden opnieuw voor civiele doeleinden kunnen worden gebruikt; wijst erop dat dit met name van belang is met betrekking tot de omvangrijke stortplaatsen voor chemische en conventionele munitie langs de kusten van de EU;

7. dringt er bij alle lidstaten op aan doelstellingen op het gebied van milieu en volksgezondheid te formuleren en plannen uit te werken voor de verbetering van activiteiten ten behoeve van het milieu en de volksgezondheid binnen de strijdkrachten van ieder land;

8. stelt vast dat de wereldwijde veiligheidssituatie drastisch is veranderd als gevolg van het einde van de Koude Oorlog en de gedaalde behoefte aan militaire middelen; dringt bij de lidstaten aan op een radicale verschuiving van de begrotingsmiddelen van de militaire sector, onder andere voor direct of indirect militair onderzoek, naar andere sectoren, zoals reddingsoperaties, rampenbestrijding, water- en bodemsanering en preventieve maatregelen ter bescherming van het milieu en de bevolking en op de oprichting in de militaire sector van speciale milieueenheden die snel kunnen worden ingezet bij rampen;

9. acht het gebruik van radioactieve energiebronnen (RTG's) in ruimtevaartuigen voor zowel militaire als civiele ruimtevaartprogramma's (zoals de ruimtesonde Cassini die de aarde volgend jaar rakelings zal passeren) en de nog altijd voortdurende ontwikkeling van "star wars"-systemen een grote bedreiging voor het milieu, en roept op tot het onmiddellijk stopzetten van dergelijke activiteiten, aangezien het nu voor bijna alle ruimtevluchten mogelijk is zonnepanelen te ontwikkelen als alternatieven voor RTG's;

10. stelt vast dat een van de wellicht grootste bedreigingen van het milieu in de nabijheid van de EU het gebrek aan controle op afval van vroegere kernwapenactiviteiten en opslagplaatsen voor biologische en chemische wapens is, alsmede de ontbrekende sanering na militaire activiteiten; wijst erop hoe belangrijk het is dat de lidstaten naar intensievere internationale samenwerking streven, bijvoorbeeld in het kader van de VN of het Partnerschap voor vrede, met het doel dergelijke wapens op een zo milieuvriendelijk mogelijke wijze te vernietigen;

11. ziet het systeem van het Amerikaanse leger voor manipulatie van de ionosfeer, HAARP, dat in Alaska is opgesteld in het kader van de ontwikkeling en opstelling van elektromagnetische wapensystemen voor zowel externe als interne veiligheidsdoeleinden, als een van de ernstigste nieuwe militaire bedreigingen voor het wereldklimaat en de volksgezondheid, aangezien het ontworpen is om het uiterst gevoelige en energierijke deel van de biosfeer voor militaire doeleinden te manipuleren, terwijl nog niet alle effecten daarvan duidelijk zijn, en verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten er bij de regeringen van de VS, Rusland en alle andere landen die zich met dergelijke activiteiten bezighouden op aan te dringen hiermee te stoppen en zich in te spannen voor een wereldwijd verdrag om dergelijk wapentuig te verbieden;

12. roept in het bijzonder op tot het sluiten van een internationaal verdrag voor een wereldwijd verbod op onderzoek en ontwikkeling, zowel in de militaire als in de civiele sector, die erop gericht is om kennis omtrent de werking van de menselijke hersenen op basis van chemische of elektrische processen, geluidstrillingen of anderszins in te zetten voor de ontwikkeling van wapens die het mogelijk maken om mensen op enigerlei wijze te manipuleren, met inbegrip van een verbod op alle eventuele huidige of toekomstige toepassingen van dergelijke systemen;

13. is gezien het bovenstaande van mening dat de bedreiging voor het wereldmilieu die wordt gevormd door het bestaan en het mogelijke onvoorziene of onbevoegde gebruik van kernwapens momenteel veel groter is dan enige denkbare bedreiging voor de verdediging en veiligheid van de vijf officiële kernwapenlanden zoals gedefinieerd door het Verdrag inzake de nietverspreiding van kernwapens (NPT), ter afwering waarvan dergelijke wapens oorspronkelijk zijn ontworpen en opgesteld;

14. is van mening dat gezien de uiterst moeilijke omstandigheden waar de landen van de voormalige Sovjet-Unie mee te kampen hebben de bedreiging voor zowel het wereldwijde als het plaatselijke milieu die wordt gevormd door de verslechterende toestand van kernwapens en nucleair materiaal in deze landen reden te meer is om zo snel mogelijk een verdrag te sluiten inzake de verdere stapsgewijze vernietiging van kernwapens;

15. verzoekt de Raad en in het bijzonder de Britse en Franse regeringen om het voortouw te nemen binnen het kader van het NPT en de Ontwapeningsconferentie met betrekking tot verdere onderhandelingen inzake het volledig naleven van toezeggingen betreffende de vermindering en afschaffing van kernwapens op zo kort mogelijke termijn, teneinde een niveau te bereiken waarbij de wereldwijde voorraad overblijvende kernwapens voorlopig geen bedreiging meer vormt voor de toestand en duurzaamheid van het wereldmilieu;

16. stelt vast dat aanzienlijk gedaalde defensie-uitgaven tot ernstige regionale problemen kunnen leiden en dringt er bij de lidstaten op aan zich nog meer in te zetten voor heroriëntatie van de militaire productie en techniek op civiele producten en toepassingen, met behulp van zowel nationale programma's als communautaire initiatieven zoals het KONVER-programma;

17. verzoekt het Voorzitterschap van de Raad en de Commissie om overeenkomstig artikel J.7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie verslag uit te brengen aan het Europees Parlement over de positie van de Unie met betrekking tot de punten die in deze resolutie naar voren zijn gebracht in het kader van de komende vergaderingen van de Verenigde Naties en van de agentschappen en organen van de VN, met name de NPT-voorbereidingscommissie 1999, de Ontwapeningsconferentie en alle andere relevante internationale fora;

18. verzoekt de Raad er intensiever voor te ijveren dat de VS, Rusland, India en China de overeenkomst van Ottawa van 1997 inzake het verbod op anti-personenmijnen onverwijld ondertekenen.

(1)() Bron: Stockholm International Peace Research Institute (SIPRI). IN 1988 bedroegen de wereldwijde militaire uitgaven rond 1066 miljard dollar, in 1997 schatte SIPRI de uitgaven op ca. 704 miljard dollar.

Laatst bijgewerkt op: 15 maart 1999Juridische mededeling