Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2015/2342(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0045/2017

Ingediende teksten :

A8-0045/2017

Debatten :

PV 04/04/2017 - 14
CRE 04/04/2017 - 14

Stemmingen :

PV 05/04/2017 - 9.22
CRE 05/04/2017 - 9.22

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0124

Aangenomen teksten
PDF 275kWORD 72k
Woensdag 5 april 2017 - Straatsburg Definitieve uitgave
Aanpak van de vluchtelingen- en migrantenbewegingen: de rol van het externe optreden van de EU
P8_TA(2017)0124A8-0045/2017

Resolutie van het Europees Parlement van 5 april 2017 over de aanpak van de vluchtelingen- en migrantenbewegingen: de rol van het externe optreden van de EU (2015/2342(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 3, 8 en 21 van het EU-Verdrag (VEU) en de artikelen 80, 208 en 216 van het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU),

–  gezien de mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid die in juni 2016 is gepubliceerd,

–  gezien de mededelingen van de Commissie getiteld: "Een Europese migratieagenda" van 13 mei 2015 (COM(2015)0240); "Gedwongen ontheemding en ontwikkeling" van 26 april 2016 (COM(2016)0234); "Een nieuw partnerschapskader met derde landen in het kader van de Europese migratieagenda" van 7 juni 2016 (COM(2016)0385); en "Stimuleren van Europese investeringen voor banen en groei: naar een tweede fase van het Europees Fonds voor strategische investeringen en een nieuw Europees extern investeringsplan" van 14 september 2016 (COM(2016)0581); en gezien de gezamenlijke mededelingen van de Europese Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid getiteld "Aanpak van de vluchtelingencrisis in Europa: de rol van het externe optreden van de EU" van 9 september 2015 (JOIN(2015)0040); "Migratie langs de centrale Middellandse Zeeroute: Migrantenstromen beheersen en levens redden" van 25 januari 2017 (JOIN(2017)0004); en "Herziening van het Europees nabuurschapsbeleid" van 18 november 2015 (JOIN(2015)0050),

–  gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken over de totaalaanpak van migratie en mobiliteit (TAMM) van 3 mei 2012,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad over migratie van 25-26 juni, 15 oktober en 17-18 december 2015 en van 17-18 maart en 28 juni 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over migratie in de EU-ontwikkelingssamenwerking van 12 december 2014, over migratie van 12 oktober 2015, over de EU-aanpak van gedwongen ontheemding en ontwikkeling of 12 mei 2016 en over externe aspecten van migratie van 23 mei 2016,

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over de toekomstige partnerschapsprioriteiten en pacten met Jordanië en Libanon op 17 oktober 2016,

–  gezien de verklaring van de Conferentie op hoog niveau over de oostelijke route door het Middellandse Zeegebied en de Westelijke Balkanroute van 8 oktober 2015,

–  gezien de politieke verklaring en het actieplan van de top van Valletta op 11 en 12 november 2015,

–  gezien de conclusies van de top van Bratislava van 16 september 2016,

–  gezien Speciaal verslag nr. 9/2016 van de Europese Rekenkamer getiteld "EU-uitgaven voor externe migratie in de buurlanden in het oosten en in het zuidelijke Middellandse Zeegebied tot 2014",

–  gezien het VN-verdrag en -protocol betreffende de status van vluchtelingen en gezien de belangrijkste mensenrechtenverdragen, het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het EU-Handvest van de grondrechten,

–  gezien de Verdragen van Genève en de bijbehorende aanvullende protocollen met betrekking tot de rechtsregels voor gewapende conflicten en het beperken van de gevolgen hiervan,

–  gezien het einddocument van de VN-Top inzake duurzame ontwikkeling van 25 september 2015 getiteld "Transforming our World: the 2030 Agenda for Sustainable Development",

–  gezien de New York-verklaring over vluchtelingen en migranten van de bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de aanpak van grote vluchtelingen- en migratiestromen van 19 september 2016 en de bijlagen daarbij getiteld "Comprehensive refugee response framework" en "Towards a global compact for safe, orderly and regular migration",

–  gezien zijn eerdere resoluties, met name die van 9 juli 2015 over de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid(1) , van 8 maart 2016 over de situatie van vrouwelijke vluchtelingen en asielzoekers in de Europese Unie(2) , van 12 april 2016 over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie(3) , van 13 september 2016 over het Trustfonds van de EU voor Afrika: de gevolgen voor ontwikkelings- en humanitaire hulp(4) , en van 25 oktober 2016 over mensenrechten en migratie in derde landen(5) ,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie buitenlandse zaken en de Begrotingscommissie overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0045/2017),

A.  overwegende dat migratie een mensenrecht is dat is verankerd in artikel 13 van de Verklaring van de Rechten van de Mens van de VN; overwegende dat mensen het recht hebben hun leven te leven in hun thuisland en de regio waar ze zijn geboren en getogen en hun culturele en sociale identiteit vorm heeft gekregen;

B.  overwegende dat er met 244 miljoen internationale migranten sprake is van een ongekend grote menselijke mobiliteit, waaraan verschillende redenen ten grondslag liggen en die zowel vrijwillig als onvrijwillig van aard is; overwegende dat dergelijke internationale migratie hoofdzakelijk plaatsvindt binnen dezelfde regio en tussen ontwikkelingslanden; overwegende dat volgens de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), vrouwelijke migranten de meerderheid van de groep internationale migranten in Europa (52,4 %) en Noord-Amerika (51,2 %) uitmaken; overwegende dat de zuid-zuidmigratiestromen zijn blijven toenemen in vergelijking met de zuid-noordmigratie: in 2015 woonden 90,2 miljoen internationale migranten uit ontwikkelingslanden in het zuidelijk deel van de wereld, terwijl 85,3 miljoen mensen die in het zuiden zijn geboren in landen in het noordelijk deel van de wereld woonden;

C.  overwegende dat er steeds meer alleenstaande minderjarigen de Middellandse Zee oversteken en dat het aantal doden op de Middellandse Zee ondanks het toenemende aantal reddingen blijft stijgen (5 079 in 2016 tegen 3 777 in 2015 volgens de IOM);

D.  overwegende dat volgens het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor vluchtelingen (UNHCR) in 2015 een recordaantal van 65,3 miljoen mensen – onder wie 40,8 miljoen binnenlandse ontheemden en 21,3 miljoen vluchtelingen – verdreven blijven wegens conflicten, geweld, mensenrechtenschendingen, schendingen van het internationaal humanitair recht en destabilisering; overwegende dat zij moeten worden opgeteld bij degenen die ontheemd zijn geraakt als gevolg van natuurrampen, ongelijkheden, armoede, ontoereikende sociaaleconomische toekomstperspectieven, klimaatverandering, het ontbreken van een serieus en doeltreffend ontwikkelingsbeleid voor de lange termijn en het gebrek aan politieke wil om de problemen die ten grondslag liggen aan deze migratiestromen krachtdadig aan te pakken; overwegende dat het UNHCR vaststelt dat er minstens 10 miljoen staatlozen zijn;

E.  overwegende dat de momenteel beschikbare gegevens laten zien dat het aantal vluchtelingen in de afgelopen vijf jaar met meer dan 50 % is toegenomen; overwegende dat deze dramatische stijging meerdere oorzaken kent, waaronder het feit dat het niveau van vrijwillige repatriëring van vluchtelingen sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw niet zo laag is geweest, dat het aantal vluchtelingen dat mogelijkheden geboden krijgt voor lokale integratie beperkt blijft, en dat de hervestigingscijfers stabiel blijven op circa 100 000 per jaar;

F.  overwegende dat 6,7 miljoen vluchtelingen langdurig ontheemd zijn –met een geschatte gemiddelde duur van 26 jaar – zonder enige vorm van perspectief; overwegende dat duurzame oplossingen voor ontheemding op een onacceptabel laag niveau blijven als gevolg waarvan het noodzakelijk is gedwongen ontheemding als een probleem op politiek en ontwikkelingsvlak te beschouwen, en niet alleen als een humanitair probleem;

G.  overwegende dat deze mondiale uitdaging een holistische en multilaterale aanpak vergt op basis van internationale samenwerking en synergieën, evenals gecoördineerde en concrete oplossingen die niet alleen een reactie vormen maar eveneens anticiperen op mogelijke toekomstige crises; overwegende dat 86 % van de vluchtelingen in de wereld in arme gebieden leeft, waarbij de minst ontwikkelde landen 26 % van het totale aantal vluchtelingen opvangen en dus kampen met overbelaste capaciteit en verdere destabilisering van hun eigen sociale en economische cohesie en ontwikkeling; overwegende dat deze landen slechts zelden over instrumenten beschikken om de rechten van migranten te beschermen en zelfs geen instrumenten op het gebied van asiel hebben; overwegende dat de miljoen mensen die in 2015 in de EU arriveerden 0,2 % van de EU-bevolking vormen, terwijl in buurlanden of in Europa gedurende de jaren negentig van de vorige eeuw veel grotere percentages mensen (tot wel 20 %) binnenkwamen;

H.  overwegende dat vluchtelingen, binnenlandse ontheemden en migranten wettelijk twee verschillende categorieën vormen, maar dat grootschalige, gemengde verplaatsingen van mensen in werkelijkheid vaak ontstaan vanwege een veelheid aan grensoverschrijdende politieke, economische, sociale, ontwikkelings-, humanitaire en mensenrechtengevolgen; overwegende dat de menselijke waardigheid van alle personen die in deze migratiestromen verzeild zijn geraakt, centraal moet staan in het Europese beleid ter zake en dat bovendien de vluchtelingen en asielzoekers altijd overeenkomstig hun status moeten worden behandeld en dat hun in geen geval het genot van de rechten die voortvloeien uit de internationale verdragen ter zake en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kan worden ontzegd; overwegende dat dit juridisch onderscheid niet betekent dat migratie om economische redenen of migratie door mensen die op zoek zijn naar een beter leven minder legitiem is dan migratie als gevolg van het ontvluchten van vervolging; overwegende dat in de meeste gevallen zowel politieke als economische rechten, evenals andere fundamentele mensenrechten, gevaar lopen in het geval van conflicten, instabiliteit en onrust en deze als gevolg van gedwongen ontheemding aanhoudend in het gedrang komen;

I.  overwegende dat de levensmiddelen- en voedselcrisis in de Sahel de weerbaarheid van de mensen ondermijnt, wat nog eens wordt versterkt door de elkaar snel opvolgende crises, het ontbreken van elementaire voorzieningen en de conflicten in de regio; overwegende dat deze situatie tot meer migratie zal leiden;

J.  overwegende dat migranten gedurende ieder stadium van hun tocht blootstaan aan allerlei fysieke en psychologische gevaren waaronder geweld, uitbuiting, mensenhandel en seksueel en gendergerelateerd misbruik; overwegende dat dit met name geldt voor kwetsbare personen, zoals vrouwen (bv. vrouwelijke gezinshoofden of zwangere vrouwen), kinderen - zonder begeleiding, gescheiden van of samen met hun familie - LGBTI-personen, personen met een handicap, personen die dringend behoefte hebben aan een medische behandeling en ouderen; overwegende dat deze kwetsbare groepen als onderdeel van hun hervestiging of terwijl hun asielaanvraag overeenkomstig het toepasselijk recht wordt behandeld, dringend humanitaire bescherming moeten krijgen evenals toegang tot bescherming, verwijzingsmechanismen, een verblijfsstatus en elementaire voorzieningen, waaronder gezondheidszorg;

K.  overwegende dat de toename van menselijke mobiliteit, indien zij op een veilige, ordelijke, reguliere, verantwoorde en proactieve wijze wordt beheerd, de blootstelling van migranten en vluchtelingen aan gevaar kan verlichten, aanzienlijke voordelen kan bieden, zoals wordt onderkend in de Agenda 2030, en een belangrijke factor van groei kan zijn voor de gastlanden, met inbegrip van de EU; overwegende dat deze voordelen vaak danig worden onderschat; overwegende dat de EU werkbare oplossingen moet aanreiken, waaronder het inschakelen van buitenlandse werknemers, om te anticiperen op de toenemende vergrijzing in Europa, teneinde een evenwicht te garanderen tussen mensen die betaald werk verrichten en de niet-actieve bevolking en te voorzien in de specifieke behoeften van de arbeidsmarkt;

L.  overwegende dat de EU in haar aanpak verschillende interne en externe instrumenten heeft gemobiliseerd, maar het erop lijkt dat ze zich te veel heeft gericht op de korte termijn en het inperken of stoppen van bewegingen; overwegende dat deze kortetermijnbenadering noch de oorzaken van de gedwongen ontheemding en migratie noch de humanitaire behoeften van migranten aanpakt; overwegende dat de EU-respons verder verbeterd moet worden wat betreft crisisbeheersings- en conflictpreventie-instrumenten, aangezien gewelddadige conflicten de belangrijkste oorzaak van gedwongen ontheemding vormen;

M.  overwegende dat de Europese Rekenkamer ernstige twijfels heeft geuit over de doeltreffendheid van de EU-uitgaven voor externe migratie, onder meer aan projecten met betrekking tot de mensenrechten van migranten; overwegende dat de Rekenkamer daarnaast tot de conclusie is gekomen dat veiligheid en grensbescherming de kernelementen van de Europese migratie-uitgaven vormden;

N.  overwegende dat humanitaire hulp gebaseerd op de behoeften van mensen en eerbiediging van de beginselen van menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid, evenals het internationaal humanitair recht en de mensenrechten uit hoofde van de Verdragen van Genève en de bijbehorende aanvullende protocollen, centraal moet staan in het externe optreden van de EU; overwegende dat de onafhankelijkheid van de hulp voorop moet staan, d.w.z. dat de hulp los moet staan van politieke, economische of veiligheidsoverwegingen en vrij moet zijn van enige vorm van discriminatie;

O.  overwegende dat de succesvolle tenuitvoerlegging van een op mensenrechten gebaseerd migratiebeleid vereist dat wordt ingegaan tegen negatieve percepties van migratie en dat een positieve benadering wordt ontwikkeld om migratiebewegingen te presenteren als een kans voor de gastlanden, teneinde zo het extremisme en populisme in te dammen;

P.  overwegende dat de EU de verantwoordelijkheid heeft haar uitvoerende partners te steunen bij het verlenen van snelle, doeltreffende en kwalitatief hoogwaardige hulp en bescherming en verantwoording moet afleggen aan de getroffen bevolking; overwegende dat de EU-partners, met het oog hierop, tijdige en voorspelbare financiering nodig hebben, en dat besluiten met betrekking tot de toewijzing van middelen voor veranderende of nieuwe prioriteiten hen voldoende tijd moeten geven voor hun planning en het nemen van verzachtende maatregelen;

Q.  overwegende dat gedecentraliseerde samenwerking kan bijdragen aan de verwerving van een beter beeld van de behoeften en culturen van binnenlandse ontheemden, migranten en vluchtelingen, en de lokale bevolking meer bewust kan maken van de problemen waar migranten in hun land van herkomst mee te maken hebben; overwegende dat lokale en regionale Europese overheden door middel van capaciteitsopbouw een sleutelrol kunnen spelen bij het aanpakken van deze oorzaken;

R.  overwegende dat in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie expliciet is bepaald dat "het internationaal optreden van de Unie berust en gericht is op de wereldwijde verspreiding van de beginselen die aan de oprichting, de ontwikkeling en de uitbreiding van de Unie ten grondslag liggen: de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht"; overwegende dat overeenkomstig artikel 208 van het Verdrag van Lissabon ontwikkelingshulp als doel heeft het verminderen en uiteindelijk uitroeien van de armoede in derde landen;

Breed en principieel EU-optreden om aan mobiliteitsuitdagingen te beantwoorden

1.  onderstreept dat we in de wereld van vandaag getuige zijn van een ongekend grote menselijke mobiliteit en benadrukt dat de internationale gemeenschap dringend met een krachtiger gemeenschappelijke respons moet komen, teneinde de uitdagingen en kansen die met dit fenomeen gepaard gaan aan te pakken respectievelijk te benutten; onderstreept dat deze respons gebaseerd moet zijn op het beginsel van solidariteit en niet alleen gericht moet zijn op een op veiligheid gebaseerde benadering, maar tevens op de volledige bescherming van de rechten en waardigheid van alle mensen die door om het even welke omstandigheden zijn gedwongen huis en haard te ontvluchten op zoek naar een beter leven; benadrukt dat in het kader van iedere respons bijzondere aandacht moet worden besteed aan de meest kwetsbare personen en hulp moet worden geboden in hun landen van herkomst; benadrukt dat hoewel hun behandeling in afzonderlijke rechtskaders geregeld is, vluchtelingen en migranten dezelfde universele mensenrechten en fundamentele vrijheden hebben, die ongeacht hun wettelijke status moeten worden gewaarborgd; herinnert eraan dat de EU in al het gemeenschappelijk beleid trouw moet blijven aan haar waarden en beginselen en deze in haar externe betrekkingen moet bevorderen, inclusief de waarden die zijn vastgelegd in artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie; wijst er met klem op de noodzaak van consistentie tussen het buitenlands beleid van de Unie en ander beleid met een externe dimensie;

2.  benadrukt dat dit hoge niveau van menselijke mobiliteit het gevolg is van verschillende, complexe oorzaken die op bewijs gebaseerde besluiten vergen teneinde de verschillende elementen te differentiëren en gerichte beleidsmaatregelen te formuleren; onderstreept dat de EU en haar lidstaten rekening moeten houden met deze huidige realiteit en een nieuwe benadering moeten ontwikkelen ten aanzien van de verplaatsingen van mensen op basis van reële gegevens en op basis van de belangen van de EU, door de weerbaarheid van mensen te stimuleren en hen betere toegang te verschaffen tot elementaire voorzieningen – in het bijzonder onderwijs – en verhoogde integratie en deelname binnen de lokale context door hen kansen op (zelfstandige) werkgelegenheid te bieden;

3.  benadrukt dat internationale migratie, zoals in het verleden is gebleken, een bijdrage kan leveren aan sociaaleconomische ontwikkeling, en dat daarom in verband met migratie een positief discours moet worden gehanteerd waarin wordt gestreefd naar een oprecht en objectief begrip van de kwestie en de hieraan verbonden gemeenschappelijke voordelen, teneinde xenofobe, populistische en nationalistische argumenten te ontkrachten; is daarom ingenomen met de door de VN gelanceerde "Together"-campagne, waarmee wordt beoogd de negatieve perceptie van en houding jegens vluchtelingen en migranten te verminderen, en dringt er bij de EU-instellingen op aan volledig samen te werken met de VN en deze campagne te ondersteunen; wijst op de noodzaak om mondiaal, Europees, nationaal en lokaal beleid aan te nemen dat gericht is op de middellange en lange termijn en niet uitsluitend wordt gedicteerd door directe politieke druk of nationale electorale overwegingen; benadrukt dat dit beleid coherent, betekenisvol, inclusief en flexibel moet zijn en moet beogen immigratie als menselijk fenomeen te reguleren, waarbij tevens de legitieme zorgen worden aangepakt inzake grensbeheer, maatschappelijke bescherming van kwetsbare groepen en de sociale inclusie van vluchtelingen en migranten;

4.  benadrukt dat het humanitaire hulpsysteem extreem overbelast is en dat de financiële middelen ervan nooit genoeg zullen zijn om het hoofd te bieden aan crises van gedwongen ontheemding, in het bijzonder gezien het langdurige karakter van de meerderheid van deze crises; neemt in dit verband kennis van het nieuwe beleidskader dat wordt geschetst in de mededeling van de Commissie getiteld "Gedwongen ontheemding en ontwikkeling" van april 2016 en beschouwt dit als een stap in de goede richting; verzoekt de EDEO en de Europese Commissie over te gaan tot de tenuitvoerlegging van de inhoud hiervan binnen het nieuwe partnerschapskader met derde landen; wijst op het belang van een alomvattende en duurzamere benadering van migratie, inclusief de bevordering van een nauwere koppeling tussen humanitaire en ontwikkelingshulp, en op de noodzaak om met verschillende partners samen te werken – regionale actoren, regeringen, lokale autoriteiten, de diaspora, het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van vluchtelingen- en migrantenorganisaties, en de private sector – teneinde gerichte, op bewijs gebaseerde strategieën te ontwikkelen om deze uitdaging het hoofd te bieden in de wetenschap dat humanitaire hulp geen middel is ten behoeve van crisisbeheersing zoals bepaald in de Europese consensus betreffende humanitaire hulp;

5.  benadrukt dat het EU-ontwikkelingsbeleid erop gericht moet blijven om de oorzaken van gedwongen ontheemding en migratie effectief aan te pakken, te weten gewapende conflicten, vervolging op ongeacht welke gronden, gender-gerelateerd geweld, slecht bestuur, armoede, gebrek aan economische kansen en klimaatverandering, door de kwetsbaarheid van staten aan te pakken, vrede en veiligheid, conflictoplossingsprocessen en verzoeningsprocessen na conflicten, rechtvaardigheid en gelijkheid te bevorderen, en door instituties, bestuurlijke capaciteit, democratie, goed bestuur, de rechtsstaat en de eerbiediging van mensenrechten en fundamentele vrijheden te versterken, overeenkomstig de 16e duurzame-ontwikkelingsdoelstelling van de nieuwe Agenda 2030 en de in het handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht vastgelegde beginselen;

6.  benadrukt dat het van belang is aandacht te besteden aan de sociaaleconomische aspecten van het fenomeen migratie, per land te analyseren wat de onderliggende oorzaken van gedwongen ontheemding en migratie zijn, en de landen van herkomst aan te moedigen maatregelen en beleid aan te nemen die leiden tot het scheppen van fatsoenlijke banen en reële economische kansen, zodat migratie een keuze in plaats van noodzaak wordt; dringt er bij de EU op aan in haar beleid te blijven streven naar de vermindering en de uiteindelijke uitbanning van armoede, de bestrijding van ongelijkheid en voedselonzekerheid, de bevordering van economische ontwikkeling, de bestrijding van corruptie en de versterking van elementaire overheidsvoorzieningen; constateert dat een succesvol beleid de noodzaak onderkent van het creëren van economische weerbaarheid in zowel het gastland als het land van herkomst; wijst op de noodzaak de samenhang van de beleidsmaatregelen voor ontwikkeling te verbeteren;

7.  benadrukt dat banen en economische kansen van cruciaal belang zijn voor het beperken van de effecten van door ontheemding veroorzaakte kwetsbaarheden; verzoekt de EU migranten en vluchtelingen te helpen op deze plekken met dergelijke kansen te komen, hen te helpen kansen te creëren in het land waar zij in ballingschap leven (onder meer door het elimineren van drempels en belemmeringen die de toegang tot de arbeidsmarkt verhinderen), en hen te helpen bij het opdoen van nieuwe vaardigheden die beter zijn toegespitst op de behoeften van de lokale arbeidsmarkt;

8.  is ingenomen met de inzet van de EU, als 's werelds grootste donor, voor humanitaire hulp, teneinde de levensomstandigheden van vluchtelingen te verbeteren; roept de EU en haar lidstaten op de reeds gedane beloften waar te maken en hun financiële toezeggingen op te voeren overeenkomstig de toenemende behoefte aan humanitaire hulp; constateert dat de humanitaire respons altijd het eerste element van een reactie is op ontheemdingscrises; benadrukt dat het internationaal recht en de humanitaire beginselen van menselijkheid, neutraliteit, onpartijdigheid en onafhankelijkheid altijd als leidraad moeten worden gehanteerd in de humanitaire respons van de EU in het geval van vluchtelingencrises en crises als gevolg van gedwongen ontheemding;

9.  erkent dat de rechten en waardigheid van miljoenen medemensen nog verder zullen worden ondermijnd als zij in vluchtelingenkampen of stedelijke randgebieden wegkwijnen zonder toegang tot elementaire voorzieningen, middelen van bestaan en inkomstenbronnen;

10.  benadrukt het belang van het erkennen van de genderdimensie die een rol speelt bij migratie, die niet alleen de kwetsbaarheid van vrouwen voor alle vormen van misbruik omvat, maar ook de zeer uiteenlopende redenen voor migratie, hun rol in de reactie op noodgevallen, hun sociaaleconomische bijdragen en hun actieve deelname aan de oplossing en preventie van conflicten, alsook aan post-conflictprocessen en de wederopbouw van een democratische samenleving; stelt dat extra aandacht voor versterking van de positie van de vrouw en hun belangrijkere rol als besluitvormers daarom van cruciaal belang is, teneinde de onderliggende oorzaken van gedwongen ontheemding aan te pakken en eerbiediging van de rechten van de vrouw en hun autonomie te waarborgen in iedere fase van het migratieproces; herinnert eraan dat het belangrijk is om het EU-beleid voor de aanpak van migratie- en vluchtelingenbewegingen van een gender- en leeftijdsperspectief te voorzien;

11.  roept op tot een intensievere samenwerking met de VN en andere actoren, met inbegrip van hogere financiële bijdragen voor de UNHCR en UNWRA; benadrukt in dit verband dat de levensomstandigheden in vluchtelingenkampen moet worden verbeterd, met name wat betreft de gezondheidszorg en onderwijs, en dat geleidelijk een eind gemaakt moet worden aan de afhankelijkheid van humanitaire hulp in bestaande langdurige crises door de weerbaarheid van ontheemden te bevorderen en hen in staat te stellen om, tot hun mogelijke vrijwillige terugkeer of hervestiging, een waardig bestaan te leiden;

12.  onderstreept de belangrijke stappen die de EU heeft gezet in haar aanpak ten aanzien van de externe dimensie van de migratiecrisis, met name de strijd tegen de georganiseerde misdaad die verantwoordelijk is voor migrantensmokkel en mensenhandel, evenals de verbeterde samenwerking met de herkomst- en doorreislanden;

13.  onderstreept de noodzaak om in de landen van herkomst een kader en structuren te helpen vaststellen teneinde uitgezette, kwetsbare en gemarginaliseerde migranten te beschermen en waardig op te vangen, door hen de middelen voor een geslaagde sociaal-culturele integratie te verschaffen;

14.  herinnert eraan dat met name kwetsbare groepen, met inbegrip van vrouwen (zowel samen met hun gezin als onbegeleid), mensen met een handicap, ouderen en LGBTI-personen, blootstaan aan misbruik in alle fasen van het migratieproces; herinnert er bovendien aan dat vrouwen en meisjes groot gevaar lopen slachtoffer te worden van seksueel en gendergerelateerd geweld en discriminatie, zelfs wanneer zij een veilig geachte plek hebben bereikt; pleit ervoor deze groepen speciale bijstand en meer humanitaire bescherming te bieden als onderdeel van hun hervestigings- of integratieproces en hun voorrang te verlenen bij gendergevoelige opvangprocedures met betere inachtneming van de minimumnormen en efficiëntere regels voor gezinshereniging; dringt aan op speciale waarborgen die kwetsbare personen tijdens het asielproces moeten beschermen tegen geweld en discriminatie, en pleit ervoor hen toegang te verschaffen tot een verblijfsstatus en basisvoorzieningen, met inbegrip van gezondheidszorg en onderwijs, overeenkomstig het toepasselijke recht; verzoekt de Europese Unie om in het kader van haar samenwerking met derde landen opleidingsprogramma's te ontwikkelen die aan de specifieke behoeften van kwetsbare vluchtelingen en migranten tegemoetkomen;

15.  erkent dat kinderen een aanzienlijk deel van de migranten en vluchtelingen uitmaken en dat specifieke procedures moeten worden ontworpen en toegepast om ervoor te zorgen dat zij worden beschermd in overeenstemming met het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind; dringt er bij de landen die vluchtelingen opvangen op aan vluchtelingenkinderen volledige toegang tot onderwijs te garanderen en hun integratie en inclusie in nationale onderwijsstelsels zo veel mogelijk te bevorderen; dringt er voorts bij humanitaire en ontwikkelingsorganisaties op aan meer aandacht te besteden aan het onderwijs en de opleiding van leraren van zowel ontheemde bevolkingsgroepen als gastgemeenschappen; verzoekt de internationale donoren om bij de aanpak van vluchtelingencrises prioriteit te geven aan onderwijs, door middel van programma's die tot doel hebben minderjarige migranten te bereiken en psychologisch te ondersteunen en hun de taal van het gastland te leren, met het oog op een betere integratie van vluchtelingenkinderen; is ingenomen met de financiële steun om meer onderwijs en opleiding te bieden aan Syrische kinderen en de recente verhoging van het percentage onderwijsuitgaven in de humanitaire-hulpbegroting van de EU van 4 % tot 6 %, waarmee de EU voorop loopt in de ondersteuning van onderwijsprojecten in mondiale noodsituaties; dringt aan op grotere doeltreffendheid bij de besteding van deze nieuwe financiering;

16.  erkent staatloosheid als een aanzienlijke mensenrechtenuitdaging; verzoekt de Commissie en de EDEO om staatloosheid in alle externe acties van de EU te bestrijden, met name door discriminatie in nationaliteitswetgeving op basis van geslacht, religie of een minderheidsstatus aan te pakken, door het recht van kinderen op een nationaliteit te bevorderen en door steun te geven aan de campagne van het vluchtelingenagentschap van de VN (de UNHCR) die erop gericht is om tegen 2024 een einde te maken aan staatloosheid; laakt het feit dat het verlaten van en terugkeren naar het grondgebied van sommige staten wordt belemmerd of verboden en stelt de gevolgen van staatloosheid voor de toegang tot rechten aan de kaak; verzoekt de nationale regeringen en parlementen om afschaffing van de strafrechtelijke bepalingen die migratie criminaliseren;

17.  onderstreept dat, overeenkomstig de EU-beginselen, één van de algemene doelstellingen van het externe migratiebeleid van de EU zou moeten bestaan uit de oprichting van een multilateraal bestuursstelsel, waarbij de recente VN-bijeenkomst op hoog niveau als eerste stap wordt gezien;

Beter beheerde internationale migratie een mondiale verantwoordelijkheid

18.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het recente besluit van de Amerikaanse regering om tijdelijk onderdanen uit zeven grotendeels islamitische landen de toegang tot de VS te ontzeggen en het VS-vluchtelingensysteem tijdelijk op te schorten; is van mening dat een dergelijk discriminerend besluit anti-immigratie- en xenofobe redeneringen in de hand werkt, wellicht niet in overeenstemming is met de belangrijkste internationale rechtsinstrumenten zoals het Verdrag van Genève, en de huidige mondiale inspanningen om tot een eerlijke internationale verdeling van de verantwoordelijkheden voor vluchtelingen te komen ernstig kan ondermijnen; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan een krachtig gemeenschappelijk standpunt in te nemen om het internationale beschermingssysteem en de rechtszekerheid van alle getroffen bevolkingsgroepen, met name EU-burgers, te verdedigen;

19.  is verheugd over de bijeenkomst op hoog niveau van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties over de aanpak van grote vluchtelingen- en migratiestromen van 19 september 2016 en de organisatie van een leiderstop door de VS, aangezien migratiestromen een mondiale verantwoordelijkheid vormen die een doeltreffend mondiaal antwoord en nauwere samenwerking tussen alle belanghebbenden vereist teneinde tot een duurzame oplossing te komen die de mensenrechten volledig eerbiedigt; verwelkomt de uitkomst van deze topontmoetingen als een oprechte en ongekend krachtige uiting van politieke wil, en spreekt de hoop uit dat hiermee onverwijld een pad wordt ingeslagen naar een daadwerkelijk mondiale reactie en het eerlijk delen van internationale verantwoordelijkheden voor vluchtelingen en grote migratiestromen over de hele wereld; betreurt evenwel ten zeerste het gebrek aan specifieke beloftes of juridisch bindende toezeggingen op het gebied van hulp of hervormingen, die nodig zijn om de huidige kloof tussen retoriek en realiteit te dichten; dringt er bij alle betrokken partijen op aan te zorgen voor duurzame, dringende en doeltreffende politieke betrokkenheid, evenals samenwerking en de uitwisseling van kennis en ervaring met partnerlanden, organisaties uit het maatschappelijk middenveld en lokale autoriteiten, en financiering en concrete handelingen van solidariteit ter ondersteuning van gastlanden; onderstreept de behoefte aan meer coördinatie tussen de EU en haar internationale partners op het niveau van de VN om migratie-uitdagingen aan te gaan; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan het voortouw te nemen bij de internationale inspanningen, en er in het bijzonder op toe te zien dat de verdragen, inclusief de toekomstige VN-pacten inzake vluchtelingen en inzake veilige, ordelijke en reguliere migratie, snel in de praktijk worden gebracht, en indien nodig follow-upmechanismen tot stand te brengen;

20.  benadrukt dat mondiale samenwerking inzake migratie en mobiliteit moet voortbouwen op regionale en subregionale kaders; verzoekt de EU de samenwerkingsplannen te versterken met regionale organisaties, zoals de Afrikaanse Unie, Liga van Arabische Staten en de Raad voor Samenwerking van de Golfstaten, om tevens het beheer van de intraregionale mobiliteit te bevorderen, en onderstreept de noodzaak om deze regionale organisaties aan te moedigen zich volledig voor deze samenwerking in te zetten; merkt op dat de economische integratie in de subregio's, met name in Afrika, ook een instrument is voor een gemeenschappelijk beheer en voor de aanmoediging van zuid-zuid-initiatieven op het gebied van migratiebeheer en mobiliteit; dringt er bij de Europese Unie op aan een sterkere en geloofwaardigere rol te eisen van de Afrikaanse Unie inzake de preventie van politieke crisissen op het continent;

21.  onderstreept het feit dat de EU kan profiteren van nauwere samenwerking en synergie met multilaterale ontwikkelingsbanken en gespecialiseerde VN-organen, in het bijzonder het UNHCR en de inmiddels VN-gerelateerde Internationale Organisatie voor Migratie (IOM); neemt nota van de recent door de Wereldbank gepresenteerde ideeën ten aanzien van de situatie van gedwongen ontheemden en is verheugd over het erkennen van de noodzaak tot het ontwikkelen van verzachtende beleidsmaatregelen en een asielbeleid die de gedwongen ontheemden ondersteunen bij de integratie en de gastgemeenschappen tegelijkertijd helpen bij het behalen van hun ontwikkelingsdoelstellingen;

22.  onderstreept dat de hervestiging van gedwongen ontheemde personen een verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap is, waarbij de UNHCR een belangrijke rol speelt; dringt er bij de EU-lidstaten op aan haar eigen beloften volledig na te komen; acht het van cruciaal belang om zo spoedig mogelijk tot een gecoördineerde en duurzame respons te komen die eerlijke en toegankelijke procedures verzekert die ervoor zorgen dat mensen die internationale bescherming behoeven asiel krijgen in de Europese Unie en andere ontvangende landen, in plaats van de verantwoordelijkheid hoofdzakelijk te laten neerkomen op de landen in de frontlinie of naburige landen van conflictgebieden; benadrukt dat de financiële steun niet is opgewassen tegen de reikwijdte en schaal van de ontheemding, eens te meer daar het ontbreekt aan geschikte en doeltreffende oplossingen om de diepere oorzaken van deze gedwongen ontheemding aan te pakken;

23.  benadrukt de internationale wettelijke verplichtingen met betrekking tot vluchtelingen en roept alle landen die dit nog niet hebben gedaan op om het Vluchtelingenverdrag en het Protocol ervan te ratificeren en ten uitvoer te leggen; roept landen op de bescherming van binnenlandse ontheemden uit te breiden, zoals het geval is in mechanismen zoals het Verdrag van de Afrikaanse Unie betreffende de bescherming en ondersteuning van intern ontheemden in Afrika (Verdrag van Kampala);

24.  onderstreept dat de concepten veilige landen en veilige landen van herkomst geen hindernis mogen vormen voor individuele beoordelingen van asielaanvragen; roept op tot de verzameling van gespecialiseerde, gedetailleerde en regelmatig bijgewerkte informatie over de rechten van mensen, in het bijzonder van vrouwen, kinderen, gehandicapten en LGBTI's, in de landen van herkomst van asielzoekers, ook de landen die als veilig worden beschouwd;

25.  benadrukt dat alles in het werk moet worden gesteld om de vluchtelingen in de lidstaten en in de vluchtelingenkampen waardige leefomstandigheden te bezorgen, met name op het gebied van gezondheidszorg, de mogelijkheid om een opleiding te volgen en werkgelegenheid;

26.  onderstreept de noodzaak om onderwijsmogelijkheden te stimuleren; roept op tot harmonisatie van de erkenning van kwalificaties en de bescherming van de rechten en de socialezekerheidsdekking van arbeidsmigranten overeenkomstig de belangrijkste IAO-verdragen; roept op tot de ondertekening en ratificatie van de Internationale Conventie inzake de bescherming van de rechten van arbeidsmigranten en hun gezinsleden;

27.  is van mening dat tijdelijke of vervangende bescherming op basis van de veronderstelling dat vluchtelingen zo snel mogelijk naar huis zullen terugkeren, een gebrek aan vooruitzichten en mogelijkheden voor integratie creëert; herinnert aan het belang van de positieve rol die vluchtelingen kunnen spelen in de wederopbouw van hun gemeenschappen nadat ze naar hun landen of uit het buitenland zijn teruggekeerd;

28.  veroordeelt het dramatische aantal migrantendoden op de Middellandse Zee en drukt zijn bezorgdheid uit over het toenemende aantal mensenrechtenschendingen dat wordt gepleegd jegens migranten en asielzoekers op hun weg naar Europa;

29.  uit zijn ernstige bezorgdheid over de talrijke gevallen van verdwijning van minderjarige migranten zonder begeleiding; verzoekt de Commissie en de lidstaten een databank op te zetten van minderjarigen zonder begeleiding die het grondgebied van de lidstaten zijn binnengekomen;

30.  benadrukt de noodzaak om tot duurzame diplomatieke en politieke oplossingen voor gewelddadige conflicten te komen en te investeren in effectieve vroegtijdige waarschuwings- en conflictpreventiemechanismen om deze conflicten in de toekomst te beperken; dringt er bij de EU op aan gezamenlijke diplomatieke inspanningen met internationale partners en belangrijke regionale machten en organisaties op te starten om te komen tot een krachtigere en pro-actievere rol van de EU op het gebied van conflictpreventie, bemiddeling, oplossing en verzoening, en het recht van mensen om in hun thuislanden en -regio's te blijven te waarborgen; onderstreept dat dit tot de kern van de werkzaamheden van de EDEO zou moeten behoren, die de noodzakelijke middelen en bevoegdheden moet krijgen om dat mogelijk te maken, met inbegrip van financiële en personele middelen; herinnert in dit verband aan de fundamentele rol van de EU en de speciale vertegenwoordigers; benadrukt dat het antwoord op gedwongen ontheemding en migratie op behoeften en rechten gebaseerd moet zijn, met inachtneming van de kwetsbaarheden van de bevolking, en niet beperkt moet blijven tot humanitaire bijstand, maar ook samenwerking met ontwikkelingsactoren en het maatschappelijk middenveld moet omvatten;

31.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan hun verantwoordelijkheid met betrekking tot de uitdaging die de klimaatverandering inhoudt, serieus te nemen, de Overeenkomst van Parijs snel uit te voeren en het voortouw te nemen bij de erkenning van de effecten van klimaatverandering op de massale ontheemding van mensen, aangezien de schaal en frequentie van ontheemding waarschijnlijk zullen toenemen; roept in het bijzonder de EU op om voldoende middelen ter beschikking te stellen van landen die door klimaatverandering worden getroffen om hen te helpen zich aan de gevolgen ervan aan te passen en de effecten ervan te matigen; benadrukt dat dit niet ten koste mag gaan van de traditionele ontwikkelingssamenwerking die gericht is op het terugdringen van de armoede; is van mening dat mensen die ontheemd zijn geraakt als gevolg van de effecten van klimaatverandering een bijzondere internationale beschermingsstatus moeten krijgen waarbij de specifieke kenmerken van hun situatie in aanmerking worden genomen;

32.  uit zijn lof over het werk, ondanks alle moeilijkheden en gevaren, van lokale en internationale ngo's en maatschappelijke organisaties gericht op de verstrekking van dringende en in vele gevallen levensreddende hulp aan de meest kwetsbaren, zowel in herkomst-, doorreis- als bestemmingslanden van vluchtelingen en migranten; wijst erop dat dit werk in vele gevallen de enorme leemte heeft opgevuld die de staten en de internationale gemeenschap hebben laten ontstaan;

33.  vindt het essentieel om een einde te maken aan het huidige discours over vluchtelingen, die alleen worden afgeschilderd als een last, en benadrukt de positieve bijdragen die zij, als zij hiertoe de kans krijgen, kunnen leveren aan hun gastgemeenschappen; beveelt aan vluchtelingen te betrekken bij de definitie en het ontwerp van de politieke antwoorden die hen rechtstreeks aangaan, en bij de opzet of versterking van de vereiste programma's; roept de Europese instellingen en agentschappen op binnen hun organisaties stages op te zetten die specifiek zijn gericht op jonge afgestudeerde vluchtelingen die legaal in de Europese Unie verblijven om zo het goede voorbeeld te geven en het voordeel van investeren in de jonge generatie aan te tonen;

Extern optreden van de EU en partnerschappen met derde landen

34.  benadrukt dat het extern optreden van de EU op vrede gericht en proactief moet zijn, en dat hierin vooruitgekeken moet worden in plaats van dat met wisselende doelstellingen hoofdzakelijk wordt gereageerd op nieuwe crises; ondersteunt nauwere samenwerking tussen de EU en derde landen op het gebied van veiligheid, onderwijs en informatie-uitwisseling, teneinde migratiestromen beter te beheren en nieuwe migratiecrises te vermijden; herinnert eraan dat er een complexe reeks oorzaken aan het migratiefenomeen ten grondslag ligt, zoals een groeiende bevolking, armoede, onvoldoende kansen en banen, politieke instabiliteit, mensenrechtenschendingen, politieke onderdrukking, vervolging, militaire conflicten en andere vormen van geweld en klimaatverandering; herinnert eraan dat het aanpakken van deze problemen de stimulansen voor gedwongen ontheemding en migratie kan verminderen; benadrukt de essentiële behoefte om beleidscoherentie op twee niveaus te versterken: tussen intern en extern beleid van de EU, en – in het kader van extern optreden – tussen uitbreidingsbeleid, het Europees nabuurschapsbeleid, en bilaterale relaties met de strategische partners van de EU, alsook ontwikkelings- en handelsbeleid; is van mening dat handelsbeleid met ontwikkelingslanden voor beide partijen voordelig moet zijn, waarbij er terdege rekening moet worden gehouden met de economische ongelijkheid tussen deze landen en de EU; benadrukt de belangrijke rol van de Groep van Commissarissen inzake extern optreden bij het op het hoogste niveau coördineren van het migratieoptreden van de EU en bij het geven van een impuls aan een ambitieus gezamenlijk migratiebeleid van de EU;

35.  benadrukt de noodzaak om een omvangrijke aanpak van externe conflicten en crises op te zetten door de directe en indirecte economische, milieu-, sociale, begrotings- en politieke gevolgen van ontheemding voor derde landen in kaart te brengen teneinde het ontwikkelingsbeleid beter op hun behoeften af te stemmen;

36.  herinnert eraan dat de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) die op 18 november 2015 werd voorgesteld, plannen omvat om, met het oog op bredere samenwerkingskaders, derde partnerlanden in het nabuurschap van de EU erbij te betrekken; moedigt dus de invoering aan van thematische kaders om samenwerking tussen de Unie, de zuidelijke nabuurschap en belangrijke spelers in de regio, in het bijzonder in Afrika, voor te stellen en af te stemmen op regionale uitdagingen zoals veiligheid, energie en het beheer van vluchtelingen- en migratiestromen;

37.  wijst nogmaals op het "meer-voor-meer"-beginsel als basis van het buitenlands beleid van de EU in het kader waarvan de EU steeds nauwere (financiële) partnerschappen moet uitwerken met landen die vooruitgang boeken op het gebied van democratische hervorming; benadrukt dat extra aandacht voor de verbetering van de levenskwaliteit van mensen in derde landen een van de prioriteiten van het buitenlands beleid van de EU moet zijn;

38.  roept de VV/HV, in samenwerking met de lidstaten, op te werken aan de opbouw van staats-, economische en maatschappelijke veerkracht, in het bijzonder in de naburige landen van de EU en in ruimere omliggende regio's, onder meer via het Europees nabuurschapsbeleid en andere EU-instrumenten;

39.  veroordeelt de toenemende criminalisering van migratie ten koste van de mensenrechten van de mensen in kwestie, en de slechte behandeling en het willekeurig vasthouden van vluchtelingen in derde landen; roept de VV/HV en de EDEO op dit probleem aan te pakken, onder meer in haar mensenrechtenbesprekingen en in de subcommissies bevoegd voor recht, vrijheid en veiligheid, en beschermingscapaciteiten te ontwikkelen in derde landen van doorreis;

40.  dringt aan op de totstandbrenging van een daadwerkelijk op mensenrechten gebaseerd, gemeenschappelijk Europees migratiebeleid op basis van het solidariteitsbeginsel tussen de lidstaten, zoals verankerd in artikel 80 VEU, waarbij de buitengrenzen van de EU worden beschermd en met legale kanalen voor veilige en ordelijke migratie, waaronder circulaire migratie, als een duurzaam langetermijnbeleid om groei en cohesie binnen de EU te bevorderen, teneinde een duidelijk kader voor de betrekkingen tussen de EU en derde landen op te zetten; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan een Europese blauwe kaart-regeling in te voeren om economische migratie beter te beheren; waarschuwt dat elk beleid dat in strijd is met de in artikel 8 VEU en het Handvest van de grondrechten vastgelegde kernwaarden van de EU schadelijk zou zijn voor de geloofwaardigheid van de EU en voor haar capaciteit om invloed uit te oefenen op internationale ontwikkelingen; stelt vast dat in het kader van het externe EU-migratiebeleid overeenkomsten met derde landen gedicteerd moeten worden door langetermijndoelstellingen met het doel duurzame partnerschappen tot stand te brengen; herhaalt dat dergelijke partnerschappen gebaseerd moeten zijn op dialoog, gezamenlijke belangen en wederzijds ownership; is ingenomen met het EU-actieplan tegen migrantensmokkel (2015-2020) dat nauwere samenwerking met derde landen beoogt, maar onderstreept dat de tenuitvoerlegging van een gemeenschappelijk EU-beleid voor legale migratie een cruciale rol zou spelen bij het doorbreken van het verdienmodel van smokkelaars en de aanpak van mensenhandel; roept de Commissie op het bestaande EU-acquis volledig af te stemmen op het VN-protocol tegen smokkel en te zorgen voor gepaste bescherming voor migranten die het slachtoffer zijn van geweld of misbruik;

41.  dringt erop aan dat in elk akkoord met derde landen de rechten van migranten, ongeacht hun status, in overeenstemming met het internationale recht worden gewaarborgd en de vaststelling van adequate wetgeving, in het bijzonder op het gebied van asiel, wordt bevorderd, hetgeen met name betekent dat het louter irregulier inreizen in een land niet kan worden opgevat als reden voor opsluiting;

42.  herinnert aan het belang van de samenwerking met derde landen bij de strijd tegen mensensmokkelaars en mensensmokkel, zodat de netwerken zo dicht mogelijk bij de bron kunnen worden aangepakt; benadrukt in dit verband dat de justitiële en politiële samenwerking met die landen moet worden versterkt om de netwerken op te sporen en te ontmantelen; herinnert er tevens aan dat de capaciteiten in die landen moeten worden versterkt, zodat zij de verantwoordelijken doeltreffend kunnen vervolgen en bestraffen; verlangt derhalve dat de samenwerking tussen de Unie, de lidstaten, Europol, Eurojust en de betrokken derde landen wordt gestimuleerd; wijst er nogmaals op dat maatregelen ter bestrijding van mensenhandel geen afbreuk mogen doen aan de rechten van slachtoffers van mensenhandel, migranten, vluchtelingen en personen die internationale bescherming behoeven; verlangt dat er onmiddellijk een einde wordt gemaakt aan de detentie van slachtoffers van mensenhandel en kinderen;

43.  herinnert eraan dat de netwerken van mensenhandelaars en ‑smokkelaars bij hun criminele activiteiten volop gebruik maken van het internet en dat het dus voor de Unie essentieel is haar optreden, met name binnen Europol en de eenheid voor de melding van internetuitingen (EU IRU), en haar samenwerking met de derde landen op dat gebied uit te breiden;

44.  wijst erop dat de mensensmokkelaars gebruik kunnen maken van legale migratiewegen om hun slachtoffers op Europees grondgebied te krijgen; is van mening dat een van de criteria waaraan derde landen moeten voldoen voordat er visumliberaliseringsovereenkomsten met de Unie kunnen worden gesloten specifiek moet zijn dat zij meewerken aan de bestrijding van mensenhandel; verzoekt de Commissie om bij elke bespreking in het kader van onderhandelingen over dergelijke overeenkomsten bijzondere aandacht te besteden aan deze problematiek, alsook aan die van de bestrijding van smokkelaars;

45.  is verheugd over de visie dat de EU duidelijke prioriteiten en meetbare doelen moet stellen voor gemeenschappelijk beleid en in het bijzonder voor het omgaan met derde landen; onderstreept dat het Parlement betrokken moet zijn bij het opstellen van deze duidelijke doelen; is van mening dat het extern optreden van de EU op basis van een gezamenlijke aanpak de enige manier is om een sterker en doeltreffend beleid te waarborgen; roept op tot werkelijk verenigd en gecoördineerd optreden tussen de EU en de lidstaten, aangezien unilaterale initiatieven, in binnen- of buitenlandse zaken, de leefbaarheid en het succes van onze gemeenschappelijke beleidslijnen en belangen kan ondermijnen;

46.  roept op tot betere bescherming van de buitengrenzen van de EU met als doel het irregulier binnenkomen in de EU te voorkomen, waardoor mensensmokkel wordt aangepakt en het verlies van levens op zee wordt voorkomen; is in deze context verheugd over de oprichting van de Europese grens- en kustwacht, die voortbouwt op Frontex, aangezien dit zal helpen migratie doeltreffender te beheren; benadrukt evenwel de behoefte aan meer financiële en technische hulp voor grensbescherming voor alle zuidoostelijke EU-lidstaten, EU-kandidaat-lidstaten en andere partnerlanden in de regio; betreurt met name het ontbreken van parlementaire controle op de externe activiteiten van het Europees grenswachtagentschap, en verlangt in dit verband dat het nieuwe Europees grens- en kustwachtagentschap stelselmatig verslag uitbrengt aan het Parlement over de uitvoering van zijn werkregelingen en gezamenlijke operaties met derde landen in samenwerking met het maatschappelijk middenveld;

47.  benadrukt dat het openen van veilige en legale kanalen voor asielzoekers en potentiële migranten hen in staat zou stellen gebruik te maken van formele in- en uitreiskanalen, zodat het bedrijfsmodel van mensenhandelaren en de hiermee verwante georganiseerde misdaad zouden worden ondermijnd; benadrukt dat het ontbreken van legale migratieroutes vaak leidt tot een toename van irreguliere mobiliteitsmethoden, hetgeen op zijn beurt resulteert in grotere kwetsbaarheid en risico's op misbruik gedurende alle fasen van de migratie- en vluchtelingenbeweging; dringt in dit verband aan op de dringende, specifieke en concrete totstandbrenging van georganiseerde, veilige en legale routes naar de EU als geheel, waaronder effectievere geinsherenigingsregelingen en hervestigingsprogramma's; verzoekt de lidstaten eens te meer om gebruik te maken van eventueel bestaande mogelijkheden om, vooral voor kwetsbare personen in het bijzonder minderjarigen zonder begeleiding, humanitaire visa te verstrekken in EU-ambassades en -consulaten in herkomst- of doorreislanden; pleit ervoor dat het gemeenschappelijk Europees asielstelsel het ook mogelijk maakt dat asielaanvragen en de verwerking van asielverzoeken buiten de EU of aan de buitengrenzen van de EU plaatsvinden; dringt aan op EU-steun bij de opzet van humanitaire corridors in geval van ernstige ontheemdings- en vluchtelingencrises, met als doel humanitaire hulp te verstrekken en te waarborgen dat in de basisbehoeften van de vluchtelingen wordt voorzien en dat hun mensenrechten worden gerespecteerd; neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor een hervestigingskader van de Unie, maar dringt erop aan dat er op het niveau van de Unie verder wordt gewerkt aan de totstandbrenging en uitbreiding van legale wegen als aanvulling op de hervestiging;

48.  neemt kennis van het nieuwe partnerschapskader met derde landen en beschouwt het als een teken van werkelijke politieke actie, aangezien het, met zijn tweeledige aanpak, beoogt om kortetermijndoelstellingen aan te pakken zoals het redden van levens op de Middellandse Zee en het verhogen van het terugkeerpercentage naar herkomst- en doorreislanden alsook langetermijndoelstellingen zoals de aanpak van onderliggende oorzaken van irreguliere migratie en gedwongen ontheemding door versterkte EU-steun aan derde landen voor capaciteitsopbouw en door hun politieke, sociale en economische situatie te verbeteren; benadrukt dat het in de mededeling van juni 2016 beschreven succes van de benadering afhankelijk is van het vermogen van de EU om werkelijke, gezamenlijk overeengekomen stimulansen te bieden aan derde doorreis- of herkomstlanden, en is bezorgd over het beperkte aanbod dat hoofdzakelijk gericht is op grensbeheer of regelingen voor begeleiding bij vrijwillige terugkeer, terwijl deze elementen, hoewel essentieel en noodzakelijk, slechts een deel van het antwoord op korte termijn op een uiterst complexe situatie vormen; wijst erop dat de nieuwe partnerschapskaders niet de enige pijler moeten worden van de Europese actie op het terrein van de migratie maar dat dit antwoord in evenwicht moet worden gebracht en worden aangevuld, met aandacht voor de ontwikkeling van lokale economieën, kwalificatie en regionale mobiliteit en betere bescherming in doorreis- en herkomstlanden

49.  herhaalt het belang van een evenwichtige benadering in het nieuwe partnerschapskader; waarschuwt tegen een kwantitatieve benadering in het nieuwe partnerschapskader en de daaraan gekoppelde migratiepacten, waarin "de meetbare toename van het aantal en het percentage terugkerende migranten" als de voornaamste doelstelling van de EU wordt beschouwd; wijst erop dat het aantal terugkerende migranten duidelijk afhangt van de aard van migratiestromen en de situatie in de landen van herkomst; benadrukt dat de kortetermijndoelstellingen van de pacten gericht zouden moeten zijn op de vraag hoe de problemen in derde landen het beste kunnen worden aangepakt, onder meer door de totstandbrenging van kanalen voor legale migratie die ertoe zal leiden dat het niveau van irreguliere migratie en het dodental in de Middellandse Zee zullen afnemen; dringt aan op meer studiebeurzen voor jongeren uit derde landen; is verheugd over het feit dat de EU-programma's voor terugkeer en herintegratie capaciteitsopbouw en de verbetering van migratiebeheer in de doorreis- en herkomstlanden ondersteunen; dringt aan op een evaluatie van de uitvoering van het terugkeerbeleid van de EU; wijst erop dat derde landen hun verplichtingen in het kader van overnameovereenkomsten moeten nakomen;

50.  benadrukt de noodzaak om nauwe partnerschappen op het gebied van migratiekwesties op te bouwen met kandidaat-landen en mogelijke kandidaat-landen voor EU-toetreding in de westelijke Balkanregio en om de nodige steun en samenwerking te verlenen bij het beheer van migratiestromen in de regio;

51.  dringt aan op mobiliteitspartnerschappen en circulaire-migratieovereenkomsten om de verplaatsing van onderdanen van derde landen tussen hun landen en de EU te vergemakkelijken en de sociaaleconomische ontwikkeling van beide partijen te ondersteunen;

52.  benadrukt dat de EU zich in het kader van haar opleidingsactiviteiten en de uitwisseling van goede praktijken met derde landen moet richten op het relevante Unie- en internationaal recht en de desbetreffende praktijk, waaronder de grondrechten, de toegang tot internationale bescherming, opsporing en redding alsmede een betere identificatie van en steunverlening aan personen in een kwetsbare situatie; is van mening dat dit met name geldt voor opleidingen in verband met grensbeheer, die in geen geval mogen worden gebruikt als middel om te voorkomen dat mensen hun land verlaten, zoals geregeld in het internationaal recht;

53.  roept op tot de hoogste waakzaamheid ten aanzien van de behandeling van migranten die naar hun land van herkomst of naar een derde land worden teruggestuurd; is van mening dat bij elke dialoog over terugkeer of overname, met name in het kader van overnameovereenkomsten, systematisch de kwestie van de veilige terugkeer en herintegratie van de migranten aan de orde moet worden gesteld; onderstreept dat hun volledige veiligheid moet worden geboden en dat zij moeten worden beschermd tegen vernederende en onmenselijke behandeling, ook in detentiecentra, en dat de Unie steun moet verlenen aan programma's voor de herintegratie; wijst erop dat niemand gedwongen mag worden uitgezet of teruggestuurd naar landen waar zijn leven of vrijheid gevaar kan lopen om redenen van afkomst, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, of waar een kans bestaat op foltering, vernederende behandeling en meer in het algemeen schending van mensenrechten; wijst erop dat collectieve uitzettingen en refoulement volgens het internationaal recht verboden zijn;

54.  houdt de verantwoordelijken voor het buitenlandse en het ontwikkelingsbeleid voor dat bij terugkeeroperaties de onschendbaarheid en correcte behandeling van de teruggevoerde personen moeten worden gewaarborgd; spoort de Commissie en de lidstaten aan om begeleidingsprogramma's te ontwikkelen waarmee zich in de herkomstlanden concrete hulpprogramma's laten realiseren die zowel beroepsonderwijsprogramma's behelzen als programma's voor economische structuren zoals start‑ups en kleine ondernemingen, en professionele en academische uitwisselingsprogramma's met EU‑lidstaten;

55.  onderstreept dat partnerschapsovereenkomsten zoals mobiliteitspartnerschappen ervoor moeten zorgen dat migranten veilig kunnen worden opgevangen in doorreis- en herkomstlanden, op een wijze die volledig strookt met hun fundamentele rechten; benadrukt dat het Parlement een duidelijke stem heeft in de overname- en mobiliteitsovereenkomsten zoals vermeld in het Verdrag van Lissabon (artikel 79, lid 3, VWEU) en onderstreept met name dat het Parlement vooraf zijn goedkeuring moet geven aan de sluiting van associatie- en soortgelijke overeenkomsten (artikel 218, lid 6, onder v), VWEU) en in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle moet worden geïnformeerd (artikel 218, lid 10, VWEU);

56.  herinnert aan het standpunt dat het Parlement heeft verwoord in zijn resolutie van 12 april 2016, namelijk dat overnameovereenkomsten van de Unie te verkiezen zijn boven bilaterale akkoorden van de lidstaten met derde landen; herinnert eraan dat er recentelijk een nieuw Europees terugkeerdocument is ingevoerd en benadrukt dat in elke nieuwe overnameovereenkomst stelselmatig moet worden aangedrongen op erkenning daarvan;

57.  is ingenomen met de dialogen op hoog niveau die namens de gehele EU worden gevoerd door de VV/HV en de Commissie en in sommige gevallen door de lidstaten, en beschouwt deze dialogen als goede en effectieve praktijken die coördinatie bevorderen; benadrukt dat de Commissie en de EDEO de coördinatie op zich moeten nemen; dringt er bij de Commissie en de EDEO op aan het Parlement geregeld op de hoogte te houden van deze dialogen en verslag uit te brengen over de precieze operationele tenuitvoerlegging van de processen van Rabat en Khartoem en over de prioritaire initiatieven waarover tijdens de top in Valletta overeenstemming is bereikt; wijst er nogmaals op dat de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de partnerschappen tussen de EU en derde landen een essentiële voorwaarde is voor het succes van het migratiebeleid van de Unie; betreurt dat de pakketten die door de Commissie, de EDEO en de lidstaten voor prioritaire landen zijn ontworpen als onderdeel van het nieuwe partnerschapskader niet zijn gepresenteerd aan, besproken met of geratificeerd door de gekozen vertegenwoordigers van de Europese burgers; hekelt dit gebrek aan transparantie en dringt aan op de betrokkenheid van het Parlement bij de opstelling van de migratiepacten en het toezicht op de tenuitvoerlegging ervan, wat moet zorgen voor de volledige naleving van mensenrechten, internationaal humanitair recht en de verbintenissen van het EU-verdrag betreffende ontwikkeling;

58.  wijst erop dat de verwezenlijking van de doelstellingen van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling vereist dat de EU en partnerlanden goed-beheerde migratiedynamieken integreren in hun strategieën voor duurzame ontwikkeling; verzoekt, wat dit betreft, de Commissie en de EDEO om de doorreislanden bij te staan bij de uitwerking van strategieën voor de integratie van migranten en bij het inrichten van asielstelsels met een hoog veiligheidsniveau;

59.  onderstreept dat EU-ontwikkelingshulp en -samenwerking toegespitst dient te zijn op het verwezenlijken van ontwikkeling en groei in derde landen - waarmee tevens de groei in de EU zelf wordt bevorderd - en op de terugdringing en uiteindelijke uitbanning van armoede overeenkomstig artikel 208 van het VWEU, en niet op het aanzetten van derde landen om mee te werken aan het opnemen van irreguliere migranten, mensen sterk te ontmoedigen om te verhuizen of stromen richting Europa te stoppen; herinnert eraan dat zowel donoren als de regeringen van landen die hulp ontvangen moeten samenwerken om de doeltreffendheid van hulp te verbeteren; stelt vast dat migratiestromen een internationale realiteit zijn en geen indicator mogen worden van de prestaties van het externe EU-migratiebeleid, en dat overeenkomsten met derde landen gebaseerd moeten worden op langetermijndoelstellingen, duurzame partnerschappen en de eerbiediging van mensenrechten;

60.  onderstreept hoe belangrijk het is dat het maatschappelijk middenveld geraadpleegd wordt in het kader van al het externe beleid van de Unie en dat bij alle beleidsmaatregelen en processen in verband met migratie bijzondere aandacht wordt besteed aan volledige participatie, transparantie en passende informatieverspreiding;

61.  verzoekt de Commissie nauw samen te werken met ngo's en deskundigen die in de landen van herkomst van asielzoekers werkzaam zijn, om in kaart te brengen hoe individuele personen en maatschappelijke groepen die in de meest kwetsbare situatie verkeren, optimaal kunnen worden bijgestaan; roept de Commissie op samen te werken met ngo's en deskundigen in de landen van herkomst van asielzoekers teneinde de best werkende mechanismen en instrumenten voor conflictpreventie te vinden;

62.  benadrukt dat, om dubbele inspanningen te vermijden, het effect en de doeltreffendheid van wereldwijde hulp zo groot mogelijk moeten zijn en de meeste aandacht moet gaan naar ontwikkeling, en dat de Commissie een sterke dialoog moet onderhouden met lokale en internationale ngo's, het maatschappelijk middenveld en lokale regeringen in partnerlanden alsook met de VN bij het ontwerp, de tenuitvoerlegging en de evaluatie van het beleid inzake migratie, ontheemding en vluchtelingen;

63.  vestigt de aandacht op de intentie om programmeringsdocumenten van ontwikkelingssamenwerking te herzien zodat de nieuwe migratiepacten erin kunnen worden opgenomen; benadrukt dat deze herziening moet worden verricht overeenkomstig beginselen voor doeltreffendheid van ontwikkeling en in samenspraak met partnerlanden, Europese en lokale organisaties van het maatschappelijk middenveld en de private sector; roept op het Parlement volledig te betrekken bij alle stadia van de herziening, met inbegrip van programmeringsdocumenten die deel uitmaken van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF); roept de lidstaten op hun ontwikkelingshulp te hervormen, in overeenstemming met de verbintenis om 0,7 % van het bni aan ontwikkelingshulp te besteden, teneinde de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling te bereiken;

64.  roept op tot een evenwichtige discussie tussen de EU en haar externe partners; beveelt aan dat de EU en haar lidstaten zich ertoe verbinden ruimere mogelijkheden voor legale migratie naar de EU te bieden, voor mensen die bescherming zoeken, willen werken of studeren, of in het kader van gezinshereniging;

65.  roept de lidstaten en de Commissie op alle nodige maatregelen te nemen om snellere, goedkopere en veiligere overbrenging van migranten te bevorderen, zowel in herkomst- als in ontvangende landen, ook via een vermindering van transactiekosten zoals vermeld in de New York-verklaring over vluchtelingen en migranten van 19 september 2016;

66.  is uiterst bezorgd over het voortdurende conflict in Syrië, waar geweld tegen burgers, aanvallen op civiele infrastructuur en ziekenhuizen en schendingen van het internationaal humanitair recht de afgelopen vijf jaar hebben geleid tot de gedwongen ontheemding van de halve bevolking; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de middelen voor conflictpreventie en crisisbeheersing te verbeteren en een grotere rol te spelen in conflictoplossing in nabuurschapslanden van de EU en in het bijzonder in het Syrische conflict; spreekt zijn volledig steun uit voor de buurlanden van Syrië, die buitengewone solidariteit blijven tonen door ondanks hun beperkte middelen miljoenen vluchtelingen op te vangen; herinnert eraan dat een groot aantal van deze vluchtelingen nog steeds onder erbarmelijke omstandigheden leven, met geen of beperkte toegang tot wettelijke erkenning, gezondheids- en onderwijssystemen of arbeidsmarkten; is zeer bezorgd over het lot en de humanitaire situatie van de 75 000 mensen die vastzitten aan de Jordaanse grens in het informele kamp van Rukban; roept de EU en haar lidstaten op hun samenwerking en dialoog met Libanon en Jordanië en met andere derde gastlanden voort te zetten en te intensiveren, en de financiële steun via internationale organisaties en Europese kanalen te verhogen, om er ten eerste voor te zorgen dat vluchtelingenpopulaties in menswaardige omstandigheden kunnen leven, toegang krijgen tot basisdiensten en het recht krijgen om zich vrij te bewegen en te werken, en ten tweede te waarborgen dat met financiële middelen de uiteindelijke doelstellingen worden gerealiseerd; benadrukt dat dit gepaard moet gaan met hulp aan de gastgemeenschappen, teneinde hun economische weerbaarheid te versterken;

67.  stelt vast dat, na de tenuitvoerlegging van de politieke overeenkomst die de lidstaten en Turkije op 18 maart 2016 hebben bereikt, het aantal mensen dat in de frontlijn-lidstaten arriveert, is afgenomen; wijst met klem op de zorgen met betrekking tot deze politieke overeenkomst zoals openbaar aan de orde gesteld door internationale humanitaire organisaties, vooral met betrekking tot de naleving van internationale wetgeving en de mensenrechten; is bezorgd over de situatie in Turkije en het mogelijk effect van deze situatie op de beschouwing van Turkije als een veilig land; benadrukt dat visumliberalisering voor Turkije niet mag worden beschouwd als een beloning voor samenwerking met de EU op het gebied van migratie maar als het resultaat van het strikt naleven van alle criteria die de EU vooropstelt; waarschuwt tegen de overname van dit model in andere landen aangezien elk land en elke regio afzonderlijk moeten worden bekeken;

68.  is uiterst bezorgd over de mensenrechtensituatie in Turkije, waar basisrechten zoals vrijheid van meningsuiting of van bijeenkomst voortdurend worden geschonden, waar de bevolking in het zuidoosten van het land door haar eigen regering wordt aangevallen, waar meer dan 30 000 ambtenaren op politieke gronden zijn ontslagen, en waar meer dan 130 mediakanalen door de overheid zijn gesloten;

69.  betreurt het gebrek aan overleg en transparantie in de formulering van de recent ondertekende gezamenlijke koersbepaling van de EU en Afghanistan inzake migratie, die hoofdzakelijk is toegespitst op overnames en waarin onbeperkte, al dan niet vrijwillige terugkeer van Afghaanse burgers wordt overwogen; is bezorgd over de mogelijke gevolgen voor Afghaanse asielzoekers, die in 2016 in de EU de op een na grootste nationaliteitsgroep van asielaanvragers vormden; herinnert eraan dat terugkeer alleen kan plaatsvinden nadat elk individueel geval grondig is bestudeerd met volledige naleving van de rechten en roept de EU en de lidstaten op de nodige middelen toe te kennen om huidige administratieve en gerechtelijke procedures te versnellen;

70.  betreurt ten zeerste dat de EU en haar lidstaten, in het kader van het migratiebeleid van de EU en de reactie op de vluchtelingenbewegingen, hebben gekozen voor de sluiting van overeenkomsten met derde landen, waardoor de parlementaire controle die met de Gemeenschapsmethode is verbonden, wordt omzeild; roept de Commissie op ten minste een halfjaarlijks evaluatiemechanisme in te bouwen voor alle politieke verklaringen die met derde landen worden ondertekend om de voortzetting of sluiting van deze overeenkomsten te beoordelen; benadrukt dat de bescherming van mensenrechten moet worden opgenomen in alle overeenkomsten die zijn gesloten in het kader van migratie- en vluchtelingenbeleid;

71.  benadrukt dat het EU-beleid ten aanzien van Afrika de komende jaren en decennia een van de sleutelelementen voor stabiliteit en ontwikkeling is; is van mening dat de EU de aandacht moet blijven vestigen op de landengordel die door de Sahelregio en de Hoorn van Afrika loopt, alsook op instabiele gebieden ten noorden en zuiden ervan; benadrukt het verband tussen ontwikkeling, veiligheid en migratie en roept op tot nauwere samenwerking inzake conflictpreventie en -beheer, alsook inzake de aanpak van de diepere oorzaken van destabilisering, gedwongen ontheemding en irreguliere migratie, door veerkracht en economische en gelijke kansen te bevorderen en door mensenrechtenschending te voorkomen; is van mening dat de EU een centrale rol moet spelen in de stabilisering van Libië, ook als een middel om de voortdurende mensenrechtenschendingen die Libiërs, vluchtelingen en migranten treffen een halt toe te roepen;

Passende middelen voor actie

72.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie voor een nieuw en ambitieus extern investeringsplan om investeringen in de naburige landen van de EU en in ontwikkelingslanden te genereren mits dit volledig transparant wordt gerealiseerd en de investeringen bijdragen aan de verbetering van de toestand van de begunstigde landen, waarbij corruptie en wanbestuur worden bestreden; stelt vast dat het voorgestelde Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling deels zal worden gefinancierd door middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF), het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), hetgeen betekent dat ontwikkelingsfondsen worden gebruikt om investeringen door de private sector te bevorderen; is van mening dat ondersteuning van de private sector in derde landen in combinatie met de bevordering van een klimaat van goed bestuur en goede ondernemingspraktijken, niet als een nieuwe maatregel moet worden gepresenteerd maar verder moet worden uitgebreid; dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor coherentie tussen externe financieringsinstrumenten – bijvoorbeeld het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het EOF – en projecten, zodat de EU-hulp kan worden gericht op prioriteiten en een versnippering van middelen en inspanningen wordt vermeden; benadrukt dat het additionaliteitsbeginsel systematisch moet worden toegepast, zowel wat de keuze van te ondersteunen beleid als de financiële tenuitvoerlegging ervan betreft;

73.  benadrukt dat het bedrag van 3,35 miljard euro dat specifiek bestemd is voor het nieuwe Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling als onderdeel van het extern investeringsplan overeenstemt met meer dan 5 % van de totale beschikbare fondsen van het EOF, het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking en het ENI onder het meerjarig financieel kader (MFK); roept de Commissie op meer details te verstrekken over deze raming en de verwachte invloed ervan, en aan te geven op basis waarvan zij verwacht dat lidstaten, andere donoren en private partners tot 44 miljard euro zullen bijdragen, terwijl sommige lidstaten nog steeds niet hebben bijgedragen aan de huidige trustfondsen;

74.  bepleit voldoende middelen toe te wijzen aan specifieke maatregelen die zijn gericht op de tijd die vluchtelingen of ontheemden doorbrengen in tijdelijke beschermende omstandigheden, die een periode moet vormen vol groei- en ontwikkelingsmogelijkheden voor alle leeftijden, dus onderwijs voor de allerkleinsten, beroepsopleiding voor jongvolwassenen en werk voor volwassenen; stelt dat het land van oorsprong op deze manier kan rekenen op "vernieuwende" en "scheppende" krachten wanneer de mogelijkheid zich voordoet om naar huis terug te keren, in plaats van personen die zijn afgestompt door een periode van vruchteloos afwachten zonder daadwerkelijke vooruitzichten;

75.  is verheugd over het voorstel van de Commissie betreffende de herziening van het MFK, en in het bijzonder over het uitrusten van de EU-begroting met bredere crisisinstrumenten; verwacht dat bij de voorgestelde herziening van de financiële regels, verantwoordingsplicht en goed financieel beheer zullen worden versterkt; benadrukt dat om de onderliggende oorzaken van de migratiestromen aan te pakken derde landen eveneens moeten worden geholpen met capaciteitsopbouw;

76.  onderstreept dat de EU zichzelf de nodige middelen moet toekennen om haar doelstellingen te behalen en haar beleid uit te voeren (artikel 311, VWEU), aangezien zij zonder toereikende financiering de taken die van haar verwacht worden niet kan vervullen noch kan voldoen aan de verwachtingen van de Europese bevolking; wijst met klem op de menselijke, politieke en economische kosten van passiviteit; wijst erop dat de tussentijdse herziening van het meerjarig financieel kader (MFK) – of ten laatste de onderhandelingen over het volgende MFK – een noodzakelijke gelegenheid biedt voor de herziening van de externe instrumenten op het gebied van migratie, alsook voor een verhoging van de EU-begroting die het mogelijk maakt een einde te maken aan ad-hocinstrumenten en de eenheid van de begroting te herstellen; wijst met klem op het belang van de controlerende rol die ook op dit terrein is voorbehouden aan het Europees Parlement; betreurt ten zeerste dat de Commissie geen verhoging van de begrotingsmiddelen voor extern optreden heeft voorgesteld - een toch al vrij lage begrotingstitel -, maar in plaats daarvan middelen uit ontwikkelingsinstrumenten naar migratie overhevelt, en dus van andere prioriteiten afwijkt;

77.  merkt op dat door de focus van de externe financieringsinstrumenten van de EU te verleggen naar veiligheid, vredesopbouw en conflictresolutie, migratie en grensbeheer, nieuwe uitdagingen ontstaan met betrekking tot de aanvankelijke doelstellingen en beginselen van deze instrumenten;

78.  onderstreept dat het aanpakken van nieuwe en chronische rampen en kwetsbaarheden voorspelbare investeringen op de lange termijn en naleving van de nieuwe agenda voor duurzame ontwikkeling verlangt, voornamelijk door gezamenlijke risicobeoordeling, planning en financiering te bevorderen tussen actoren op het gebied van humanitaire bijstand, ontwikkeling, vredesopbouw en klimaatverandering;

79.  acht het van cruciaal belang dat de rechtstaat en de strijd tegen corruptie centrale elementen zijn van het optreden van de EU in de landen van herkomst; onderstreept het belang van voldoende controle op het gebruik van voor derde landen bestemde financiële middelen om ervoor te zorgen dat deze daadwerkelijk worden gebruikt voor de beoogde doeleinden;

80.  wijst erop dat de oprichting van trustfondsen en financiële ad-hocinstrumenten weliswaar helpt om middelen te bundelen en het EU-optreden te versnellen en flexibeler te maken, doch tevens de beginselen voor doeltreffendheid van ontwikkeling in gevaar kan brengen en de eenheid van de begroting en de begrotingsautoriteit van het Parlement ondermijnt; dringt daarom aan op een grotere toezichtsfunctie van het Parlement bij het gebruik van deze instrumenten, onder meer door, maar niet beperkt tot, deelname aan de stuurcomités; herinnert eraan dat de effectiviteit van trustfondsen in grote mate afhankelijk is van de bereidheid van de lidstaten om bij te dragen en van hun volledige betrokkenheid; verlangt dat dergelijke instrumenten met spoed onder toezicht van het Parlement worden gesteld en dringt aan op richtsnoeren voor de opname ervan in de EU-begroting en de bevoegdheden van de Unie;

81.  herinnert eraan dat het noodtrustfonds voor stabiliteit met het oog op de aanpak van de diepere oorzaken van irreguliere migratie en ontheemding in Afrika, gelanceerd tijdens de top van Valletta, over 3,6 miljard euro zou moeten beschikken; dringt er bij de lidstaten op aan hetzelfde bedrag vrij te maken als het bedrag van 1,8 miljard euro dat werd vrijgemaakt door de Europese Commissie;

82.  roept de trustfondsen op dezelfde regels en voorschriften te volgen die van toepassing zijn op traditionele financieringsinstrumenten van de EU inzake transparantie, gelijke behandeling van partners en de capaciteit om partners voorspelbare en tijdelijke financiering te verstrekken;

83.  drukt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de ontwerpbegroting voor 2017 van de EU voorziet in een toename van het beheer van migratiestromen of binnenlandse veiligheidsinitiatieven ten koste van EU-cohesiefondsen en -optreden in de rest van de wereld;

84.  dringt er bij de EU op aan de impact van de gefinancierde acties voor migratie, ontheemding en vluchtelingen zorgvuldig en stelselmatig te beoordelen op basis van de kwaliteit van de verstrekte humanitaire en ontwikkelingshulp;

85.  benadrukt dat doelgerichte steun gebaseerd op de lokale situatie een belangrijk element is voor een doeltreffend en resultaatgericht beleid, en dat over dergelijke steun met derde landen moet worden onderhandeld; roept de Commissie en de lidstaten op duidelijke en meetbare doelstellingen op te stellen die coherent en gecoördineerd ten uitvoer moeten worden gelegd door de financiële instrumenten, met inbegrip van trustfondsen;

86.  is ingenomen met de inzet van missies van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) zoals EUCAP Sahel Niger en EUNAVFOR MED Operation Sophia, die verder moet worden versterkt als een middel om de buitengrenzen van de EU te beschermen en mensenhandel en het smokkelen van migranten te bestrijden; ondersteunt de samenwerking met de NAVO en EU-initiatieven zoals het gezamenlijke operationele team van Europol "Mare" om inlichtingen te verzamelen en te delen en smokkelaars te bestrijden, waarbij moet worden onderstreept dat mondiale mobiliteit niet als een bedreiging maar als een opportuniteit zou moeten worden beschouwd; herinnert er in deze context aan dat het redden van levens op zee en het waarborgen van de rechten van migranten bij al deze operaties op de eerste plaats moeten komen; beveelt het gebruik aan van GVDB-instrumenten voor vroegtijdige waarschuwingen, bemiddeling en conflictoplossing, maar benadrukt tegelijkertijd dat het van groot belang is om duurzame oplossingen voor conflictsituaties in een zo vroeg mogelijk stadium te plannen;

87.  herinnert aan het strategisch partnerschap tussen de EU en de VN op het gebied van vredeshandhaving en crisisbeheersing en de prioriteiten daarvan voor 2015-2018, zoals overeengekomen in maart 2015; moedigt de EU aan tot verdere inspanningen om rekening te houden met de sleutelrol van andere organisaties en landen en om de bijdragen van lidstaten te faciliteren; vindt het betreurenswaardig dat slechts 11 van de 28 EU-lidstaten toezeggingen hebben gedaan tijdens de topbijeenkomst inzake vredeshandhaving van 28 september 2015; verzoekt de EU-lidstaten hun militaire en politionele deelname aan VN-vredeshandhavingsmissies aanzienlijk uit te breiden;

88.  is verheugd over en ondersteunt de initiatieven van de Europese Investeringsbank om economische veerkracht in de zuidelijke buurlanden van de EU en de westelijke Balkanregio's te ondersteunen aan de hand van projecten die leiden tot het scheppen van banen, economische veerkracht en armoedebestrijding, overeenkomstig het buitenlands beleid van de Europese Unie;

89.  dringt er bij de Commissie en de EDEO op aan het Parlement en het publiek zo snel mogelijk een gedetailleerd overzicht te verschaffen van de verschillende financieringsinstrumenten en -programma's – en hoe zij aansluiten op de programma's in de lidstaten – in de 16 prioritaire landen(6) waarmee de EU dialogen op hoog niveau voert over migratie en die onder de totaalaanpak van migratie en mobiliteit vallen; is uitermate bezorgd over het feit dat tot deze prioritaire landen eveneens repressieve regimes behoren die er zelf de hoofdoorzaak van zijn dat vluchtelingen hun land ontvluchten; herinnert eraan dat de totaalaanpak van migratie en mobiliteit het overkoepelende kader van de EU blijft voor externe migratie- en asielbeleid, maar wijst erop dat er in recente beleidsinitiatieven nauwelijks naar wordt verwezen; dringt bijgevolg aan op een verduidelijking van de relevantie van deze totaalaanpak in de huidige context, alsook op een herziening van de totaalaanpak van migratie en mobiliteit overeenkomstig de aanbevelingen van de IOM;

90.  is verheugd over het inzetten van Europese verbindingsofficieren inzake migratie in prioritaire landen als een eerste stap om de samenwerking van de EU met derde landen op het gebied van migratie te versterken; beveelt aan het personeel te versterken dat te maken heeft met kwesties op het gebied van justitie en binnenlandse zaken binnen de EU-delegaties met een duidelijk mandaat om coördinatie binnen de lidstaten uit te werken;

91.  onderstreept de behoefte aan een decentrale benadering in plaats van door te gaan met een centrale benadering vanuit Brussel, door beter gebruik te maken van EU-delegaties, die in erg korte tijd instrumenten van grote waarde zijn geworden, en door meer flexibiliteit en kortere programmeringsperioden te hanteren, met name in risicolanden; dringt aan op de aanwijzing van regionale coördinatoren die de leiding kunnen nemen in ontwikkeling en samenwerking en buitenlandse betrekkingen om zo te zorgen voor een coherente aanpak op basis van de werkelijke situatie ter plaatse;

92.  beveelt de bevordering aan, met de steun van de EU, van informatiecampagnes in derde landen om burgers te informeren over hun mobiliteitsrechten en -verplichtingen en om ze te waarschuwen voor de risico's die ze tijdens hun reis lopen, vooral met betrekking tot mensensmokkelaars en -handelaren, om hen te helpen een op zoveel mogelijk informatie gebaseerde beslissing te nemen;

93.  dringt aan op een beter gebruik van twinningprogramma's en acties in het kader van TAIEX, niet alleen voor uitwisseling van beste praktijken en opleiding, maar ook voor ontwikkeling van en samenwerking met speciale nadruk op landen onder druk;

o
o   o

94.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen van de 16 prioritaire landen die worden genoemd in het nieuwe partnerschapskader met derde landen in het kader van de Europese Agenda voor migratie, en organisaties uit het maatschappelijk middenveld die migranten en vluchtelingen vertegenwoordigen en ermee werken.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0272.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0073.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0102.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0337.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0404.
(6) Ethiopië, Eritrea, Mali, Niger, Nigeria, Senegal, Somalië, Soedan, Ghana, Ivoorkust, Algerije, Marokko, Tunesië, Afghanistan, Bangladesh en Pakistan.

Laatst bijgewerkt op: 10 juli 2018Juridische mededeling