Procedure : 2017/2656(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0295/2017

Ingediende teksten :

B8-0295/2017

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/05/2017 - 10.8

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0216

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 280kWORD 50k
10.5.2017
PE603.750v01-00
 
B8-0295/2017

naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie in Hongarije (2017/2656(RSP))


Birgit Sippel, Péter Niedermüller, Silvia Costa namens de S&D-Fractie
Sophia in ‘t Veld, Guy Verhofstadt, Nathalie Griesbeck, Louis Michel namens de ALDE-Fractie
Marie-Christine Vergiat, Cornelia Ernst, Gabriele Zimmer, Dimitrios Papadimoulis, Martina Anderson, Malin Björk, Barbara Spinelli, Josu Juaristi Abaunz, Kostadinka Kuneva, Merja Kyllönen, Patrick Le Hyaric, Sabine Lösing, Helmut Scholz, Xabier Benito Ziluaga, Tania González Peñas, Younous Omarjee, Lola Sánchez Caldentey, Estefanía Torres Martínez, Miguel Urbán Crespo namens de GUE/NGL-Fractie
Judith Sargentini, Ska Keller, Ulrike Lunacek, Benedek Jávor, Eva Joly, Josep-Maria Terricabras, Helga Trüpel, Michèle Rivasi, Igor Šoltes, Jakop Dalunde, Sven Giegold namens de Verts/ALE-Fractie

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie in Hongarije (2017/2656(RSP))  
B8‑0295/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name de artikelen 2, 6 en 7,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name de artikelen 4, 12, 13, 14, 16, 18 en 21,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in het bijzonder de zaken Szabóet en Vissy/Hongarije, Karácsony e.a./Hongarije, Magyar Keresztény Mennonita Egyház e.a./Hongarije, Baka/Hongarije, en Ilias en Ahmed/Hongarije,

–  gezien de Algemene Verklaring van de Rechten van de Mens en de vele mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties, die bindend zijn voor alle lidstaten,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 maart 2014 getiteld "Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat" (COM(2014)0158),

–  gezien zijn resoluties van 16 december 2015(1) en 10 juni 2015 over de situatie in Hongarije(2), van 3 juli 2013 over de situatie van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije(3), van 16 februari 2012 over de recente politieke ontwikkelingen in Hongarije(4) en van 10 maart 2011 over de mediawet in Hongarije(5),

–  gezien de hoorzitting over de situatie in Hongarije die zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op 27 februari 2017 heeft gehouden,

–  gezien het plenaire debat over de situatie in Hongarije van 26 april 2017,

–  gezien de Verklaring van Rome van de leiders van 27 lidstaten en van de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie van 25 maart 2017,

–  gezien Wet CLXVIII van 2007 over de afkondiging van het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, die op 17 december 2007 door de Nationale Vergadering werd aangenomen,

–  gezien resolutie 2162 (2017) van 27 april 2017 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa getiteld "Alarming developments in Hungary: draft NGO law restricting civil society and possible closure of the European Central University" (Alarmerende ontwikkelingen in Hongarije: ontwerpwet inzake ngo's waardoor het maatschappelijk middenveld wordt beperkt en de mogelijke sluiting van de Central European University),

–  gezien de verklaring van 8 maart 2017 van de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa over de nieuwe Hongaarse wet waardoor asielzoekers automatisch kunnen worden vastgehouden, en zijn brief van 27 april 2017 aan de voorzitter van de Nationale Vergadering van Hongarije met een oproep om de voorgestelde ontwerpwet over met buitenlands kapitaal gefinancierde ngo's te verwerpen,

–  gezien het besluit van de Commissie om een inbreukprocedure tegen Hongarije te starten met betrekking tot de wet tot wijziging van de wet op het hoger onderwijs, alsook andere lopende en aanstaande inbreukprocedures tegen Hongarije,

–  gezien de reactie van de Commissie op de Hongaarse nationale raadpleging "Stop Brussel",

–  gezien het bezoek van commissaris Avramopoulos aan Hongarije op 28 maart 2017,

–  gezien de brief van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken aan vicevoorzitter Timmermans met een verzoek om een standpunt van de Commissie ten aanzien van de vraag in hoeverre de wet tot wijziging van bepaalde wetten met betrekking tot de versterking van de procedure in het bewaakte grensgebied in overeenstemming is met de bepalingen van het asielacquis van de Unie, alsook met het Handvest van de grondrechten als het aankomt op de uitvoering van de in deze wet vermelde maatregelen,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Europese Unie gestoeld is op de waarden eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren; voorts overwegende dat deze waarden universeel zijn en dat de lidstaten deze gemeen hebben (artikel 2 VEU);

B.  overwegende dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie deel uitmaakt van het primaire recht van de EU dat alle vormen van discriminatie verbiedt, onder meer op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid;

C.  overwegende dat Hongarije sinds 2004 lid is van de Europese Unie; voorts overwegende dat een groot deel van de Hongaarse bevolking, volgens opiniepeilingen, voorstander is van toetreding van het land tot de EU;

D.  overwegende dat in het Handvest is bepaald dat de kunsten en het wetenschappelijk onderzoek vrij zijn en dat de academische vrijheid moet worden geëerbiedigd; overwegende dat in het Handvest ook de vrijheid wordt gewaarborgd om, met inachtneming van de democratische beginselen, instellingen voor onderwijs op te richten;

E.  overwegende dat de vrijheid van vereniging moet worden beschermd; voorts overwegende dat een dynamisch maatschappelijk middenveld een essentiële rol speelt bij de bevordering van de participatie van het publiek in het democratische proces en de verantwoordelijkheid van regeringen ten opzichte van hun juridische verplichtingen, waaronder de bescherming van de grondrechten en het milieu, evenals de bestrijding van corruptie;

F.  overwegende dat het recht op asiel wordt gewaarborgd overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het Protocol daarbij van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen, en overeenkomstig het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

G.  overwegende dat in 2016 91,54% van de asielaanvragen is afgewezen; overwegende dat in Hongarije sinds 2015 nieuwe asielwetten zijn aangenomen en nieuwe asielprocedures zijn vastgesteld, waardoor asielzoekers Hongarije alleen nog via een transitzone op Hongaars grondgebied kunnen betreden, en waardoor per dag slechts een beperkt aantal mensen wordt toegelaten, momenteel bijvoorbeeld maximaal tien per dag; overwegende dat ngo's herhaaldelijk hebben gemeld dat migranten die de Hongaarse grenzen naderen onmiddellijk worden teruggedreven naar Servië, waarbij in sommige gevallen wreed en gewelddadig wordt opgetreden, zonder dat men oog heeft voor hun verzoeken om bescherming; overwegende dat de Hongaarse regering haar verplichtingen om asielzoekers te herplaatsen, overeenkomstig het recht van de Unie, niet is nagekomen;

H.  overwegende dat de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa – naar aanleiding van de schriftelijke opmerkingen die hij op 17 december 2016 bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft ingediend in verband met twee klachten tegen Oostenrijk over de overbrenging van asielzoekers van Oostenrijk naar Hongarije uit hoofde van de Dublin III-verordening – heeft verklaard dat asielzoekers die worden teruggestuurd naar Hongarije, vanwege de ingrijpende veranderingen die de afgelopen maanden aan de Hongaarse asielwetgeving en -praktijken zijn aangebracht, een aanzienlijk risico lopen om het slachtoffer te worden van schendingen van de mensenrechten;

I.  overwegende dat elf vluchtelingen, die de "Röszke 11" worden genoemd en zich op 16 september 2016, de dag nadat Hongarije de grens met Servië had gesloten, aan de grens ophielden, zijn aangeklaagd wegens het plegen van een terreurdaad en tot een gevangenisstraf zijn veroordeeld, onder hen ook Ahmed H., een Syrische inwoner van Cyprus, die in november 2016 in een oneerlijk proces werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaar, enkel en alleen omdat hij de spanningen had proberen verminderen door gebruik te maken van een megafoon en daarnaast drie voorwerpen naar de grenspolitie had gegooid;

J.  overwegende dat sinds de aanneming van zijn resolutie van 16 december 2015 zorgen zijn geuit over tal van kwesties, namelijk de benutting van overheidsmiddelen, aanslagen op organisaties uit het maatschappelijk middenveld en verdedigers van de mensenrechten, de rechten van asielzoekers, grootschalig toezicht op burgers, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van meningsuiting, pluralisme in de media en de opheffing van de krant Népszabadság, de rechten van Roma, waaronder de uitzetting van Roma in Miskolc en de segregatie van Roma-kinderen op scholen, de rechten van LGBTI, de rechten van vrouwen, het rechtsstelsel, met inbegrip van de mogelijkheid om een persoon tot een levenslange gevangenisstraf te veroordelen zonder kans op vervroegde vrijlating, de gedwongen verdrijving van de Hongaarse ngo's Roma Parliament en Phralipe Independent Gypsy Organisation uit hun hoofdkwartier, en het risico op sluiting van de Lukács Archives;

K.  overwegende dat de inhoud en het taalgebruik van de nationale raadpleging "Stop Brussel" – een nationale raadpleging over immigratie en terrorisme die vergezeld gaat van advertentiecampagnes van de regering – zeer misleidend en eenzijdig zijn;

L.  overwegende dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Szabó en Vissy/Hongarije heeft geoordeeld dat de in 2011 ingevoerde Hongaarse wetgeving inzake geheim toezicht ter bestrijding van het terrorisme een schending vormt van het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven, woning en correspondentie; overwegende dat het Hof in de zaak Ilias en Ahmed/Hongarije schendingen heeft vastgesteld van het recht op vrijheid en veiligheid, het recht om een effectief rechtsmiddel te kunnen aanwenden in verband met de omstandigheden in de Röszke-transitzone en het recht op bescherming tegen de inhumane en vernederende behandeling bij hun uitzetting naar Servië; overwegende dat het Hof in de zaak Baka/Hongarije heeft geoordeeld dat Hongarije inbreuk heeft gepleegd op het recht op een eerlijk proces en de vrijheid van meningsuiting van András Baka, voormalig voorzitter van het Hongaarse hooggerechtshof;

M.  overwegende dat de recentste ontwikkelingen in Hongarije, te weten de wet tot wijziging van bepaalde wetten met betrekking tot strengere procedures op het vlak van grensbeheer en asiel, de wet tot wijziging van de wet op het hoger onderwijs, die een directe bedreiging vormt voor de Central European University en veel bijval heeft gekregen van de bevolking, alsook de voorgestelde wet inzake de transparantie van organisaties die vanuit het buitenland gefinancierd worden (Wet T/14967), aanleiding hebben geven tot zorgen over de vraag in hoeverre deze wetten in overeenstemming zijn met het recht van de Unie en het Handvest van de grondrechten;

1.  herinnert eraan dat de in artikel 2 VEU verankerde waarden door alle EU-lidstaten moeten worden geëerbiedigd;

2.  betreurt dat de ontwikkelingen in Hongarije de afgelopen jaren tot een ernstige achteruitgang van de rechtsstaat, de democratie en de grondrechten hebben geleid, onder meer op het gebied van de vrijheid van meningsuiting, de academische vrijheid, de mensenrechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen, de vrijheid van vereniging en vergadering, beperkingen en belemmeringen van de activiteiten van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, het recht op gelijke behandeling, de rechten van personen die tot minderheden behoren, waaronder Roma, joden en LGBTI, sociale rechten, de werking van het staatsrechtelijk bestel, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en van andere instellingen, alsook de vele zorgwekkende aantijgingen van corruptie en belangenconflicten, die – alles samengenomen – kunnen uitgroeien tot een systemische bedreiging van de rechtsstaat in deze lidstaat; is van mening dat Hongarije een testcase vormt waarmee de EU kan aantonen dat zij in staat en bereid is te reageren op bedreigingen en schendingen van haar eigen fundamentele waarden door een lidstaat; stelt met bezorgdheid vast dat ontwikkelingen in een aantal andere lidstaten tekenen aan de wand zijn voor een vergelijkbare ondermijning van de rechtsstaat als in Hongarije;

3.  vraagt de Hongaarse regering om met de Commissie een dialoog aan te gaan over alle kwesties die in deze resolutie zijn aangehaald, en dan met name de mensenrechten van migranten, asielzoekers en vluchtelingen, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de segregatie van Roma-kinderen op scholen en de bescherming van zwangere vrouwen op het werk; herhaalt dat beide partijen een dergelijke dialoog op een onpartijdige, op feitelijke gegevens gebaseerde en coöperatieve manier moeten aangaan; wenst dat de Commissie het Parlement op de hoogte houdt van haar bevindingen;

4.  roept de Commissie op nauwlettend toezicht te houden op het gebruik van EU-middelen door de Hongaarse regering, met name op het gebied van asiel en migratie, openbare communicatie, onderwijs, sociale inclusie en economische ontwikkeling, teneinde ervoor te zorgen dat elk medegefinancierd project volledig in overeenstemming is met het primaire en afgeleide recht van de Unie;

5.  wenst dat de Hongaarse regering ondertussen overgaat tot intrekking van de wet tot wijziging van bepaalde wetten met betrekking tot strengere procedures op het vlak van grensbeheer en asiel, de wet tot wijziging van de wet op het hoger onderwijs en de voorgestelde wet inzake de transparantie van organisaties die vanuit het buitenland gefinancierd worden (Wet T/14967);

6.  vindt het betreurenswaardig dat de Commissie niet heeft gereageerd op de oproep van het Parlement, zoals opgenomen in zijn resoluties van 10 juni 2015 en 16 december 2015 over de situatie in Hongarije, om het EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat te activeren en zodoende, door middel van een dialoog met de lidstaat in kwestie, te voorkomen dat de systemische bedreiging van de rechtsstaat nog extremere vormen aanneemt; is van mening dat de huidige aanpak van de Commissie hoofdzakelijk gericht is op marginale en technische aspecten van de wetgeving en voorbijgaat aan de tendensen, patronen en het gecombineerde effect van maatregelen op de rechtsstaat en de grondrechten; is van mening dat met name inbreukprocedures in de meeste gevallen niet hebben geleid tot echte veranderingen en een algehele oplossing van de situatie;

7.  is van mening dat er, gezien de huidige situatie in Hongarije, een duidelijk risico bestaat op ernstige schendingen van de in artikel 2 VEU bedoelde waarden, en stelt dat het gerechtvaardigd is om de procedure van artikel 7, lid 1, VEU in te leiden;

8.  draagt zijn Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken derhalve op de procedures in te leiden en een specifiek verslag op te stellen met het oog op een stemming ter plenaire vergadering over een met redenen omkleed voorstel waarin de Raad, overeenkomstig artikel 83 van zijn Reglement, verzocht wordt op te treden overeenkomstig artikel 7, lid 1, VEU;

9.  herhaalt dat een regelmatig monitoringproces en een regelmatige dialoog waarbij alle lidstaten worden betrokken, niet alleen noodzakelijk zijn om de fundamentele waarden van de EU, zijnde democratie, de grondrechten en de rechtsstaat, te vrijwaren, maar ook om meten met twee maten te voorkomen, en stelt dat ook de Raad, de Commissie en het Parlement hierbij moeten worden betrokken, zoals tot uiting gebracht in zijn resolutie van 25 oktober 2016 betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(6) (DRG-pact);

10.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, aan de president, de regering en het parlement van Hongarije, en aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Raad van Europa.

 

(1)

Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0461.

(2)

PB C 407 van 4.11.2016, blz. 46.

(3)

PB C 75 van 26.2.2016, blz. 52.

(4)

PB C 249 E van 30.8.2013, blz. 27.

(5)

PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 154.

(6)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0409.

Laatst bijgewerkt op: 12 mei 2017Juridische mededeling