Procedure : 2017/2692(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0383/2017

Ingediende teksten :

B8-0383/2017

Debatten :

PV 31/05/2017 - 15
CRE 31/05/2017 - 15

Stemmingen :

PV 01/06/2017 - 7.12

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0243

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 271kWORD 55k
29.5.2017
PE605.486v01-00
 
B8-0383/2017

naar aanleiding van verklaringen van de Raad en de Commissie

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de bestrijding van antisemitisme (2017/2692(RSP))


Roberta Metsola, Heinz K. Becker namens de PPE-Fractie
Juan Fernando López Aguilar, Birgit Sippel, Claude Moraes, Monika Flašíková Beňová, Cécile Kashetu Kyenge, Elly Schlein, Ana Gomes, Sylvia-Yvonne Kaufmann, Marju Lauristin, Emilian Pavel, Tanja Fajon, Viorica Dăncilă namens de S&D-Fractie
Cecilia Wikström, Beatriz Becerra Basterrechea, Nathalie Griesbeck namens de ALDE-Fractie
AMENDEMENTEN

Resolutie van het Europees Parlement over de bestrijding van antisemitisme (2017/2692(RSP))  
B8-0383/2017

Het Europees Parlement,

–  gezien de preambule bij het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en in het bijzonder het tweede gedachtestreepje, het vierde tot en met het zevende gedachtestreepje, artikel 2, artikel 3, lid 3, het tweede gedachtestreepje, en artikel 6 daarvan,

–  gezien artikel 17 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000,

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(1),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit van de Raad 2001/220/JBZ(2),

–  gezien de goedkeuring in 2015 van de Europese Veiligheidsagenda,

–  gezien Resolutie 2106(2016) van de Raad van Europa van 20 april 2016 over "Renewed commitment in the fight against antisemitism in Europe",

–  gezien de conclusies van het eerste jaarlijkse colloquium van de Commissie over grondrechten, dat op 1 en 2 oktober 2015 in Brussel plaatsvond onder de titel "Tolerance and respect: preventing and combating anti-Semitic and anti-Muslim hatred in Europe",

–  gezien de benoeming – in december 2015 – van een "coördinator bestrijding antisemitisme" binnen de Commissie,

–  gezien de oprichting – in juni 2016 – van de EU-groep op hoog niveau voor de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid,

–  gezien de gedragscode ter bestrijding van onrechtmatige haatuitingen op internet die op 31 mei 2016 tussen de Commissie en grote IT-bedrijven alsmede andere platforms en socialemediabedrijven overeengekomen is,

–  gezien zijn resolutie van 13 december 2016 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2015(3),

–  gezien de gerichte, gewelddadige en terroristische aanvallen op leden van de joodse gemeenschap die de afgelopen jaren in meerdere lidstaten hebben plaatsgevonden,

–  gezien de primaire verantwoordelijkheid van regeringen voor de beveiliging en veiligheid van al hun burgers, en derhalve hun primaire verantwoordelijkheid voor het uitoefenen van toezicht op en het voorkomen van geweld, waaronder antisemitisch geweld, en voor het vervolgen van de daders,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het aantal antisemitische incidenten in de lidstaten van de EU de afgelopen jaren is toegenomen, zoals blijkt uit informatie van – onder andere – de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie (FRA);

B.  overwegende dat gerichte veiligheidsmaatregelen, eenmaal genomen, bleken bij te dragen aan het voorkomen en reduceren van het aantal gewelddadige antisemitische aanvallen;

C.  overwegende dat de bestrijding van antisemitisme een verantwoordelijkheid voor de hele samenleving is;

1.  onderstreept dat haatzaaiende uitingen en alle vormen van geweld tegen Europese joodse burgers onverenigbaar zijn met de waarden van de Europese Unie;

2.  vraagt de lidstaten en de EU-instellingen en -agentschappen de door de International Holocaust Remembrance Alliance (IHRA)(4) gehanteerde werkdefinitie aan te nemen en toe te passen teneinde politie en justitie te helpen bij hun inspanningen om antisemitische aanvallen nog vollediger en doeltreffender in kaart te brengen en te vervolgen, en spoort de lidstaten aan in dit opzicht het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk en Oostenrijk te volgen;

3.  vraagt de lidstaten alle nodige maatregelen te nemen om actief bij te dragen aan het waarborgen van de veiligheid van hun joodse burgers en van joodse religieuze, educatieve en culturele gebouwen, en dat in nauwe samenwerking en dialoog met de joodse gemeenschappen;

4.  juicht de benoeming van een "coördinator bestrijding antisemitisme" binnen de Commissie toe, en vraagt de Commissie met klem alle nodige instrumenten en steun ter beschikking te stellen om de coördinator in staat te stellen zijn werk zo doeltreffend mogelijk te doen;

5.  vraagt de lidstaten nationale "coördinatoren bestrijding antisemitisme" te benoemen;

6.  spoort de leden van nationale en regionale parlementen alsmede de politiek leiders aan om antisemitische uitingen stelselmatig en publiekelijk te veroordelen en tegenargumenten en een alternatief discours te bieden, en om in hun parlementen inter-partijwerkgroepen ter bestrijding van antisemitisme op te zetten met het doel de strijd in het hele politieke spectrum op te voeren;

7.  benadrukt de belangrijke rol van maatschappelijke organisaties en educatie bij het voorkomen en bestrijden van alle vormen van haat en intolerantie, en dringt aan op meer financiële steun;

8.  roept de lidstaten op de media aan te sporen tot bevordering van respect voor alle geloofsovertuigingen en acceptatie van diversiteit, en tot scholing voor journalisten met betrekking tot alle vormen van antisemitisme, met het doel mogelijke vooroordelen aan te pakken;

9.  verzoekt de lidstaten waar motieven die berusten op ras, nationaliteit, etnische herkomst of godsdienst of overtuiging tot dusver geen verzwarende factor vormen bij een strafbaar feit, hierin onverwijld verandering te brengen, en ervoor te zorgen dat het Kaderbesluit van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht volledig en naar behoren wordt uitgevoerd en gehandhaafd, teneinde te waarborgen dat antisemitische daden – zowel online als offline – door de autoriteiten van de lidstaten worden vervolgd;

10.  dringt erop aan op de noodzaak dat handhavingsautoriteiten gerichte scholing wordt geboden wat betreft de bestrijding van haatmisdrijven en discriminatie en dat binnen de politie specifieke afdelingen ter bestrijding van haatmisdrijven worden opgezet waar zulks nog niet het geval is, en roept de EU-agentschappen en internationale organisaties op de lidstaten hulp te bieden bij het verstrekken van dergelijke scholing;

11.  moedigt grensoverschrijdende samenwerking op alle niveaus aan bij de vervolging van haatmisdrijven en bovenal de vervolging van zware misdrijven zoals terroristische activiteiten;

12.  roept de EU en de lidstaten op hun inspanningen op te voeren om ervoor te zorgen dat er een breed opgezet, efficiënt systeem komt voor de systematische verzameling van betrouwbare, relevante en vergelijkbare gegevens over haatmisdrijven, opgesplitst per motief en met inbegrip van terroristische daden;

13.  roept de lidstaten op om met betrekking tot de gedragscode die tussen de Commissie en leidende IT-bedrijven overeengekomen is, online-intermediairs en socialemediaplatforms aan te sporen om onverwijld maatregelen te nemen om antisemitische online-haatuitingen te voorkomen en te bestrijden;

14.  wijst erop dat scholen een unieke gelegenheid bieden om waarden als tolerantie en respect uit te dragen, daar zij alle kinderen al vanaf jonge leeftijd kunnen bereiken;

15.  spoort de lidstaten aan op scholen aandacht te besteden aan de holocaust (de "shoah") en ervoor te zorgen dat leraren hiervoor, én voor het behandelen van het onderwerp verscheidenheid, de juiste opleiding krijgen; spoort de lidstaten daarnaast aan schoolboeken - daar waar nodig - aan te passen om ervoor te zorgen dat de joodse geschiedenis en het moderne joodse leven uitgebreid en evenwichtig gepresenteerd worden en dat alle vormen van antisemitisme worden vermeden;

16.  vraagt de Commissie en de lidstaten meer financiële steun ter beschikking te stellen voor gerichte activiteiten en onderwijsprojecten, te werken aan het tot stand brengen en uitbouwen van partnerschappen met joodse gemeenschappen en instellingen, en uitwisselingen tussen kinderen en jongeren met een verschillende godsdienst aan te moedigen middels gemeenschappelijke activiteiten, waaronder het ontwikkelen en ondersteunen van bewustmakingscampagnes;

17.  vraagt de Commissie bij de bestrijding van antisemitisme op internationaal vlak nauw samen te werken met internationale actoren zoals UNESCO, de OVSE en de Raad van Europa, alsmede andere internationale partners;

18.  vraagt de Commissie de status van adviseur in de IHRA aan te vragen;

19.  spoort alle lidstaten aan 27 januari als International Holocaust Remembrance Day aan te wijzen;

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de EU-lidstaten en de kandidaat-landen, de Raad van Europa, de OVSE en de Verenigde Naties.

(1)

PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.

(2)

PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.

(3)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0485.

(4)

http://ec.europa.eu/newsroom/just/item-detail.cfm?item_id=50144

Laatst bijgewerkt op: 1 juni 2017Juridische mededeling