Procedure : 2018/2553(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0090/2018

Ingediende teksten :

B8-0090/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 08/02/2018 - 12.12

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0042

ONTWERPRESOLUTIE
PDF 268kWORD 53k
Zie ook gezamenlijke ontwerpresolutie RC-B8-0085/2018
5.2.2018
PE614.399v01-00
 
B8-0090/2018

naar aanleiding van een verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid

ingediend overeenkomstig artikel 123, lid 2, van het Reglement


over de situatie van de UNRWA (2018/2553(RSP))


Tamás Meszerics, Margrete Auken, Molly Scott Cato, Florent Marcellesi, Pascal Durand, Bart Staes, Jill Evans, Judith Sargentini, Klaus Buchner, Eva Joly, Bodil Valero, Heidi Hautala, Jakop Dalunde, Jordi Solé, Keith Taylor, Josep-Maria Terricabras namens de Verts/ALE-Fractie
Fabio Massimo Castaldo, Ignazio Corrao, Rosa D’Amato

Resolutie van het Europees Parlement over de situatie van de UNRWA (2018/2553(RSP))  
B8‑0090/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het conflict tussen Israël en Palestina,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de Europese Unie en de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) van 7 juni 2017 betreffende EU-steun voor UNRWA (2017-2020),

–  gezien de conclusies van de Raad over het vredesproces in het Midden-Oosten, met name die van 18 januari en 20 juni 2016,

–  gezien de EU-richtsnoeren aangaande het internationale humanitaire recht,

–  gezien de resoluties van de VN-Veiligheidsraad over het conflict tussen Israël en Palestina, met name Resolutie nr. 2334, die op 26 december 2016 is aangenomen,

–  gezien de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de VN,

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) sinds 1950 de opdracht heeft om te voorzien in onderwijs, gezondheidszorg, hulpverlening en sociale diensten, infrastructuur voor en verbetering van kampen, bescherming, microfinanciering en humanitaire hulp aan Palestijnse vluchtelingen na hun uitzetting of vlucht uit hun thuisgebied in de oorlog van 1948 die op de oprichting van de staat Israël volgde;

B.  overwegende dat naar schatting 5,3 miljoen Palestijnse vluchtelingen onder het UNRWA-mandaat vallen, waarvan er 1,5 miljoen in UNRWA-kampen leven, verspreid over Palestina, Libanon, Jordanië en Syrië;

C.  overwegende dat het recht op terugkeer van Palestijnse vluchtelingen is neergelegd in verschillende resoluties van de Algemene Vergadering van de VN; overwegende dat de verantwoordelijkheid voor het welzijn van de lokale bevolking volgens het internationale humanitaire recht in de eerste plaats bij de bezettingsmacht ligt; overwegende dat het vraagstuk van de Palestijnse vluchtelingen steeds een van de meest centrale en omstreden kwesties van de opeenvolgende vredesinspanningen is geweest en tot nog toe niet is opgelost;

D.  overwegende dat het mandaat van de UNRWA is vastgesteld bij een resolutie van de Algemene Vergadering van de VN en diverse keren is verlengd, met steun van een overweldigende meerderheid van de VN-lidstaten, het meest recent tot 30 juni 2020, met 167 stemmen vóór;

E.  overwegende dat de Algemene Vergadering van de VN, in afwachting van een rechtvaardige oplossing voor het vraagstuk van de Palestijnse vluchtelingen, steeds de nadruk is blijven leggen op de noodzaak om het werk van de UNRWA voort te zetten, evenals de essentiële rol die de organisatie vervult in het verstrekken van fundamentele diensten aan Palestijnse vluchtelingen;

F.  overwegende dat, als gevolg van de conflicten in het Midden-Oosten, waaronder de oorlog in Syrië en de consequenties daarvan in Libanon en Jordanië, de aanhoudende bezetting van Palestina en de al tien jaar durende blokkade van de Gazastrook alsmede de conflicten in dat gebied, en als gevolg van de verslechterende sociaaleconomische omstandigheden en de bevolkingsgroei, een groeiend aantal Palestijnse vluchtelingen is aangewezen is van de diensten van de UNRWA; overwegende dat de operaties van de UNRWA te kampen hebben met grote en verreikende hindernissen in Palestina, met name in Gaza als gevolg van de Israëlische blokkade van het gebied; overwegende dat de UNRWA-faciliteiten tijdens het conflict tussen Israël en Gaza in 2014 verschillende malen onder vuur zijn genomen, waarbij ten minste 44 burgerdoden zijn gevallen, waaronder 10 personeelsleden van de VN;

G.  overwegende dat de UNRWA voornamelijk uit vrijwillige bijdragen wordt gefinancierd; overwegende dat Israël niet bijdraagt aan de financiering van de UNRWA; overwegende dat de regering van de Verenigde Staten op 16 januari 2018 aankondigde dat zij op haar verwachte vroegtijdige bijdrage ten belope van 125 miljoen USD aan het programmabudget van de UNRWA voor 2018 65 miljoen USD zou inhouden, met de mededeling dat alle toekomstige betalingen afhankelijk zouden worden gesteld van ingrijpende wijzigingen van de werkwijze van de UNRWA; overwegende dat deze plotselinge beslissing van president Trump, gezien het feit dat de VS in 2017 364 miljoen USD bijdroeg aan de UNRWA-begroting, mogelijk neerkomt op een verlaging bijna 300 miljoen USD;

H.  overwegende dat de EU en de lidstaten samen de grootste donor van de UNRWA vormen, met 441 miljoen EUR in 2017; overwegende dat de EU op basis van haar meerjarige gezamenlijke verklaringen steeds voorspelbare en betrouwbare politieke en financiële steun aan de UNRWA heeft geleverd; overwegende dat het Europees Parlement consequent zijn steun heeft uitgesproken voor voortgezette en aanzienlijke EU-bijdragen aan de UNRWA;

I.  overwegende dat de UNRWA al jarenlang met grote structurele financiële tekorten kampt en ook in 2018 problemen zou houden, ongeacht de beslissing van de regering van de VS;

J.  overwegende dat de UNRWA de afgelopen tijd interne maatregelen heeft getroffen om de kostenstructuur te stroomlijnen en de controle op de uitgaven aan te scherpen; overwegende dat de secretaris-generaal van de VN in zijn verslag van 30 maart 2017 diverse aanbevelingen heeft gedaan om een adequate, voorspelbare en duurzame financiering voor de UNRWA veilig te stellen;

1.  spreekt andermaal zijn solidariteit uit met de miljoenen Palestijnse vluchtelingen die met grote waardigheid en veerkracht al generaties lang moeten kampen met ontheemding voor onbepaalde tijd, extreem zware omstandigheden en onrecht alsmede aanhoudende statenloosheid;

2.  bekritiseert het feit dat de internationale gemeenschap, en met name de Europese Unie, er niet in slaagt om tot een rechtvaardige en permanente oplossing voor het Israëlisch-Palestijnse conflict te komen; benadrukt dat hiertoe ook een rechtvaardige oplossing van het vraagstuk van de Palestijnse vluchtelingen behoort; herinnert alle partijen in dit verband aan de centrale rol van het recht op terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen;

3.  prijst de UNRWA en haar personeel om hun bewonderenswaardige werk bij het bieden van essentiële hulp, onderwijs en bescherming aan miljoenen Palestijnse vluchtelingen in het Midden-Oosten;

4.  wijst erop hoe belangrijk het is dat de organisatie onbelemmerd haar werkzaamheden kan voortzetten en diensten kan verlenen die het welzijn, de bescherming en de menselijke ontwikkeling van de Palestijnse vluchtelingen, alsook de stabiliteit in de regio ten goede komen; roept Israël als de bezettingsmacht op om een einde te maken aan de talloze beperkingen die de dagelijkse activiteiten van de UNRWA op de westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem, en in Gaza belemmeren, en de neutraliteit van UNRWA-faciliteiten te respecteren overeenkomstig het internationaal humanitair recht en de diplomatieke status van de organisatie;

5.  uit scherpe kritiek op de recente beslissing van de regering van de VS om haar geplande bijdrage aan de UNRWA meer dan te halveren, hetgeen uiterst zwaarwegende gevolgen zal hebben voor de Palestijnse vluchtelingen, met name kinderen, die op de UNRWA zijn aangewezen voor onderwijs, toegang tot voedselnoodhulp en andere essentiële bijstand; dringt er bij de autoriteiten van de VS op aan hun beslissing nog eens te overwegen en hun steun aan de UNRWA te hervatten;

6.  verwerpt de politisering van humanitaire hulp en herinnert alle donoren, met inbegrip van de VS, eraan dat humanitaire hulp niet mag worden gebruikt om in internationale onderhandelingen politieke winst te behalen;

7.  roept de Israëlische regering op bij te dragen aan de UNRWA, ook gezien haar rechtstreekse belang bij het voorkomen van een volledige ineenstorting van de wijze waarop in de basisbehoeften van de Palestijnse vluchtelingen wordt voorzien;

8.  betreurt dat de bijdragen van de Arabische staten aan het programmabudget van de UNRWA beneden de door de Liga van Arabische Staten gedane toezegging zijn gebleven om in 2017 voor 8 % aan dit budget bij te dragen; roept de Arabische landen en met name de Golfstaten op om door middel van grotere financiële bijdragen blijk te geven van hun blijvende engagement ten behoeve van de Palestijnse vluchtelingen;

9.  benadrukt dat het oplossen van de financiële situatie van de UNRWA een gezamenlijke verantwoordelijkheid is en al jaren een probleem vormt, dat nu alleen nog maar groter is geworden door de recente beslissing van de regering van de VS; verzoekt de EU en de lidstaten om op internationaal niveau het voortouw te nemen bij het zoeken van gezamenlijke oplossingen voor de financiële situatie van de UNRWA;

10.  is ingenomen met het besluit van de EU en een aantal lidstaten om de betalingen aan de UNRWA te bespoedigen zodat er ook in de eerste maanden van het jaar essentiële diensten kunnen worden geleverd; dringt er bij anderen op aan dit voorbeeld te volgen om te voorkomen dat het leveren van diensten wordt onderbroken en de UNRWA en de internationale gemeenschap enige ruimte te bieden om oplossingen voor de langere termijn te overdenken;

11.  verzoekt de EU en haar lidstaten, maar ook niet-EU-landen, om bijkomende financiële middelen te mobiliseren voor de programmabegroting van de UNRWA voor 2018 teneinde de organisatie te helpen om in haar dringende financiële behoeften op de korte termijn te voorzien, en hiervoor indien nodig uit de noodhulpreserves te putten;

12.  spreekt zijn verontwaardiging uit over de aanhoudende en ongerechtvaardigde belemmering door de Israëlische autoriteiten van bezoeken door officiële organen of individuele leden van het Europees Parlement aan de Gazastrook; onderstreept dat dit het Parlement belet om zijn fundamentele verantwoordelijkheid, namelijk het toezien op EU-activiteiten, uit te oefenen, met name wat de financiering van de UNRWA betreft;

13.  besluit een ad hoc-delegatie naar Gaza/Palestina te sturen om de situatie ter plekke te beoordelen, in het bijzonder de grote problemen waarop de UNRWA stuit bij het leveren van basisdiensten aan de Palestijnse vluchtelingen; onderstreept dat deze delegatie ook een evaluatie zou moeten uitvoeren van de vernietiging door de Israëlische autoriteiten van ten minste 400 door de EU gefinancierde faciliteiten voor Palestijnen op de westelijke Jordaanoever, ter waarde van meer dan 1,5 miljoen EUR, waaronder recentelijk nog een school voor bedoeïnenkinderen in Abu Nawar;

14.  spreekt zijn afschuw uit over het doden van 30 personeelsleden van de UNRWA en de aanvallen op UNRWA-faciliteiten in Syrië en Gaza sinds 2012, die ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht vormen; dringt erop aan dat doeltreffend onderzoek naar deze misdaden wordt verricht en dat de daders ter verantwoording worden geroepen;

15.  onderstreept dat de steun aan en het werk van de UNRWA geen vervanging vormen voor geloofwaardige politieke inspanningen om een rechtvaardige en blijvende vrede tussen Israëli's en Palestijnen tot stand te brengen in het kader van een via onderhandelingen bereikt vredesakkoord, met inbegrip van een rechtvaardige en duurzame oplossing voor de Palestijnse vluchtelingen;

16.  spoort de EU dan ook aan zich van haar mondiale verantwoordelijkheid te kwijten door met een ambitieus en breed opgezet vredesinitiatief voor de regio te komen; benadrukt dat dit herziene EU-beleid vooral gericht zou moeten zijn op het behoud van de levensvatbaarheid van een tweestatenoplossing op de lange termijn;

17.  herinnert eraan dat de EU-instellingen en de lidstaten hun wettelijke verplichting tot niet-erkenning gestand moeten doen en, overeenkomstig Resolutie nr. 2234 van de VN-Veiligheidsraad, een doeltreffend en breed opgezet beleid moeten voeren waarbij de EU een onderscheid maakt tussen Israël en zijn nederzettingen, op basis van een strikte eerbiediging van het internationaal recht en de beginselen van de Unie;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor het vredesproces in het Midden-Oosten, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de commissaris-generaal van de UNRWA.

Laatst bijgewerkt op: 7 februari 2018Juridische mededeling