Terug naar het Europarl-portaal

Choisissez la langue de votre document :

VERSLAG     
PDF 144kWORD 81k
24 mei 2002
PE 312.516 A5-0183/2002
over de universiteiten en het hoger onderwijs in de Europese kennisruimte
(2001/2174(INI))
Commissie cultuur, jeugd, onderwijs, media en sport
Rapporteur: Cristina Gutiérrez Cortines
PROCEDUREVERLOOP
 ONTWERPRESOLUTIE
 TOELICHTING

PROCEDUREVERLOOP

Op 15 november 2001 deelde de Voorzitter van het Parlement mede dat de Commissie cultuur, jeugd, onderwijs, media en sport toestemming was verleend tot opstelling van een initiatiefverslag, overeenkomstig artikel 163 van het Reglement, over de universiteiten en het hoger onderwijs in de Europese kennisruimte.

De Commissie cultuur, jeugd, onderwijs, media en sport benoemde op haar vergadering van 18 september 2001 Cristina Gutiérrez Cortines tot rapporteur.

Zij behandelde het ontwerpverslag op haar vergaderingen van 20 november 2001 en 18 april en 23 mei 2002.

Op laatstgenoemde vergadering hechtte zij met algemene stemmen haar goedkeuring aan de ontwerpresolutie.

Bij de stemming waren aanwezig: Vasco Graça Moura (waarnemend voorzitter), Cristina Gutiérrez Cortines (rapporteur), Alexandros Alavanos, Pedro Aparicio Sánchez, Juan José Bayona de Perogordo (verving Francis Decourrière), Christopher J.P. Beazley, Janelly Fourtou (verving Marielle de Sarnez), Marie-Hélène Gillig (verving José María Mendiluce Pereiro), Lissy Gröner, Ruth Hieronymi, Ulpu Iivari, Renzo Imbeni, Lucio Manisco, Maria Martens, Antonio Mussa, Gérard Onesta, Barbara O'Toole, Doris Pack, Christa Prets, Gianni Vattimo, Sabine Zissener en Myrsini Zorba (verving Giorgio Ruffolo).

Het verslag werd ingediend op 24 mei 2002.

De termijn voor de indiening van amendementen wordt bekendgemaakt in de ontwerpagenda voor de vergaderperiode waarin het verslag wordt behandeld.


ONTWERPRESOLUTIE

Resolutie van het Europees Parlement over de universiteiten en het hoger onderwijs in de Europese kennisruimte (2001/2174(INI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op artikel 149 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschappen,

–   gelet op het Europees Verdrag van de Raad van Europa van 11 december 1953 (STE nr. 015) betreffende de gelijkstelling van diploma's voor toelating tot universiteiten,

–   gelet op het Europees Verdrag van de Raad van Europa van 14 december 1959 (STE nr. 032) inzake de academische erkenning van universitaire kwalificaties,

–   gelet op het Europees Verdrag van de Raad van Europa van 6 november 1990 (STE nr. 138) inzake de algemene gelijkstelling van universitaire studietijdvakken,

–   gelet op het Verdrag van de Raad van Europa van 11 april 1997 (STE nr. 165) inzake de erkenning van de kwalificaties betreffende het hoger onderwijs in de Europese regio,

–   gelet op de aanbeveling van de Raad van Europa van 17 maart 1998 (nr. R(98) 3) over de toegang tot het hoger onderwijs,

–   gelet op de aanbeveling van de Raad van Europa van 30 maart 2000 (nr. R(2000) 8) over de onderzoekopdracht van de universiteit,

–   gelet op aanbeveling 2001/613/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juli over de mobiliteit in de Gemeenschap van studenten, personen in opleiding, jonge vrijwilligers, leerkrachten en opleiders,

–   gelet op de "Magna Charta" van de Europese universiteiten die op 18 september 1988 in Bologna is ondertekend,

–   gezien de verklaring van de Sorbonne van 25 mei 1998 en de verklaring van Bologna van 19 juni 1999,

–   gezien de conclusies van de conventie van de Europese instellingen voor hoger onderwijs in Salamanca van 29/30 maart 2001 en de conclusies van de bijeenkomst van de ministers van Hoger Onderwijs in Praag op 19 mei 2001,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 mei 2001 over de mededeling van de Commissie inzake de uitvoering van het Witboek "Onderwijzen en leren: naar een cognitieve samenleving"(1),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 oktober 2001 over de mededeling van de Commissie inzake onderwijs en scholing tijdens het gehele leven(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 februari 2002 over de mededeling van de Commissie betreffende een ontwerp voor een gedetailleerd werkprogramma voor de follow-up van het verslag over de concrete doelstellingen voor de onderwijs- en beroepsopleidingsstelsels(3),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 februari 2002 over de mededeling van de Commissie betreffende de versterking van de samenwerking met derde landen op het gebied van het hoger onderwijs(4),

–   gezien de conclusies van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000 en van Stockholm van 23 en 24 maart 2001,

–   gezien de conclusies van de Raad Onderwijs van 12 februari 2001(5), 28 mei 2001(6), 13 juli 2001(7) en 14 februari 2002(8),

–   gezien de resultaten van de hoorzitting van het Europees Parlement van 20 februari 2002 over de universiteiten en het hoger onderwijs in de EU-lidstaten en derde landen,

–   gezien de conclusies van de Europese Raad van Barcelona van 15 en 16 maart 2002,

–   gelet op artikel 163 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur, jeugd, onderwijs, media en sport (A5‑0183/2002),

A.   overwegende dat de vrijheid en de autonomie van de universiteiten hoekstenen van de samenleving en het institutionele kader van Europa moeten blijven,

B.   overwegende dat het voor het bereiken van vooruitgang en groei in Europa noodzakelijk is de grondslagen te leggen voor een Europese ruimte voor hoger onderwijs die actief en dynamisch is en vernieuwing en permanente ontwikkeling bevordert,

C.   in de overtuiging dat de universiteiten het kritisch denken en het onderzoek moeten ontwikkelen en de nadruk moeten leggen op observatie, eenvoudige logica, nieuwsgierigheid, belangstelling voor de ons omringende natuurlijke en sociale wereld en experimenteerdrang,

D.   overwegende dat het om sociale redenen en met het oog op gelijke kansen de plicht van de lidstaten is om de ontwikkeling van de openbare universiteit te steunen,

E.   overwegende dat de Europese Unie en de lidstaten de universiteiten en de centra voor hoger onderwijs de nodige instrumenten moeten bieden,

F.   overwegende dat de mobiliteit van studenten, docenten en onderzoekers kennisverrijkend werkt en de vernieuwing en de ontdekking van een nieuwe culturele en sociale realiteit bevordert,

G.   overwegende dat de mobiliteit niet volledig en doeltreffend kan zijn zonder daadwerkelijke erkenning van titels en diploma's en dat de mobiliteit bovendien niet volledig kan worden gerealiseerd wanneer deze niet adequaat financieel onderbouwd is,

1.   verklaart dat voor de totstandbrenging van een Europese ruimte van hoger onderwijs meer steun van de Europese Unie voor de universiteiten nodig is en wijst erop dat de naleving van het subsidiariteitsbeginsel volledig verenigbaar is met deze steun;

2.   bevestigt dat Europa meer in onderwijs moet investeren, aangezien kennis de sleutel is tot concurrentievermogen en economische en sociale ontwikkeling in Europa;

3.   verzoekt de Commissie in haar programma's en beleidsvormen meer plaats voor de universiteiten in te ruimen en dringt aan op een actievere rol van de universiteiten bij de toepassing van het acquis communautaire;

4.   verzoekt de universiteitsvoorzitters, docenten en onderzoekers zich actief in te zetten voor een Europese hogeronderwijsruimte en hun rol te vervullen bij de versterking van de intellectuele, culturele, maatschappelijke, wetenschappelijke en technologische componenten van de opbouw van Europa;

5.   is van mening dat het proces van Bologna moet worden bespoedigd en versterkt door de convergentie en samenhang van de universiteiten te bevorderen zonder op op enigerlei wijze afbreuk te doen aan de diversiteit van het onderwijs in de verschillende takken van wetenschap en aan het specifieke karakter van de universiteiten;

6.   wijst erop dat de modellen en criteria voor de academische convergentie en de evaluatie van de projecten en opleidingen in de Europese nationale programma's flexibel moeten zijn en moeten kunnen worden aangepast aan de diversiteit op het gebied van kennis en onderzoek;

Kwaliteitsevaluatie

7.   is van mening dat een cultuur van kwaliteit en inzet moet worden gestimuleerd via een externe, transparante en voor de burgers toegankelijke evaluatie die hen in staat stelt besluiten te nemen; beveelt de Commissie aan om bij de evaluatie van de kwaliteit van de verschillende nationale universitaire stelsels steeds de doorslag te laten geven de vraag of er studiebeurzen beschikbaar zijn, of minder draagkrachtigen worden gesubsidieerd, hoe het zit met de studentenhuisvesting en de gezondheidszorg voor studenten; vraagt om intensivering van de steun van de Unie om deze voorzieningen in de verschillende lidstaten aan gemeenschappelijke Europese criteria aan te passen;

Mobiliteit en erkenning van titels

8.   verzoekt de lidstaten en de universiteiten maatregelen te nemen om de juridische en administratieve belemmeringen voor de mobiliteit uit de weg te ruimen en snelle en flexibele regelingen in te voeren voor de behandeling en erkenning van diploma's, studies en titels, waaronder die welke niet in het betreffende land bestaan; beveelt verder aan dat het statuut van ambtenaren, docenten en onderzoekers een flexibelere opzet krijgt om de integratie van beroepskrachten en deskundigen te bevorderen;

9.   dringt er bij de lidstaten en de universiteiten op aan het belang van het leren van vreemde talen op universitair niveau te erkennen en talencursussen beter toegankelijk te maken voor studenten die geen talen studeren; vaardigheid in meer dan één taal biedt de mogelijkheid tot meer mobiliteit binnen de Europese Unie en bijgevolg tot meer Europese integratie;

10.   stelt de universiteiten en hogescholen voor om de toegang voor docenten en studenten uit andere landen in hun interne statuten te vergemakkelijken, daarbij ook rekening houdend met de ervaring die zij op andere universiteiten hebben opgedaan;

Gemeenschappelijke netwerken en diensten

11.   is van mening dat met het oog op de bevordering van de toegang tot wetenschappelijke, technische en biografische informatie in Europees verband gemeenschappelijke openbare netwerken en diensten moeten worden gecreëerd die gezien hun kenmerken gezamenlijk moeten worden beheerd;

Europese mastersopleiding

12.   steunt de voorstellen van de Commissie om in samenwerking met alle universiteiten van de lidstaten van de Europese Unie gemeenschappelijke opleidingen en diploma's of een Europese mastersopleiding te creëren;

13.   verzoekt de bevoegde autoriteiten te bevorderen dat tijdens de universitaire opleiding praktische ervaring (bijvoorbeeld door middel van stages) wordt opgedaan;

Universiteit en sport

14.   is van mening dat het nodig is sport aan de universiteit te versterken en te stimuleren en universitaire teams aan te moedigen tot deelname aan regionale, nationale en internationale kampioenschappen;

Studenten

15.   houdt de voor studiebeurzen verantwoordelijke autoriteiten voor dat het nodig is de studiebeurzen en de post graduate-opleiding te versterken, vooral voor diegenen die in het buitenland willen studeren; stelt verder voor dat tenminste de beurzen voor de derde cyclus worden toegekend op basis van verdienste in combinatie met het gezinsinkomen;

Onderzoek en postdoctoraal onderwijs

16.   verzoekt de Commissie en de lidstaten de financiering en de coördinatiestrategieën van de universiteiten voor het postdoctoraal onderwijs te verbeteren en (post)doctoraatopleidingen te stimuleren die een kritische massa genereren en de basis vormen voor de toekomstige Europese onderzoekruimte;

17.   verzoekt de Commissie en de lidstaten na te denken over een partnerschap met particuliere of overheidsbedrijven of met plaatselijke collectieven ter verbetering van de financiering van (post)doctoraatstudies;

18.   beveelt de ontwikkeling aan van de aan de universiteiten verbonden onderzoekinstellingen alsook het creëren van trans-Europese netwerken tussen deze onderzoekcentra en de instellingen voor hoger onderwijs; legt in het bijzonder de nadruk op de noodzaak dat een Europees onderzoeksnetwerk, onderhouden door overheidsfinanciën, ertoe dient om de schade te beperken die zowel in de landen van de Unie als in veel derde landen (ontwikkelingslanden) het gevolg is van de kosten van patenten op geneesmiddelen, landbouwproducten en andere hightech-producten;

19.   is van mening dat de universiteiten meer bij de belangrijke debatten moeten worden betrokken en moeten uitgroeien tot discussiefora voor belangrijke wetenschappelijke onderwerpen die te maken hebben met de toekomst van de mensheid, zoals de ontwikkeling van de biotechnologie;

20.   verzoekt de lidstaten en de universiteiten om in het kader van hun autonomie de carrières van onderzoekers en van docenten gelijk te stellen;

Levenslang leren

21.   verzoekt de Commissie, de lidstaten en de sociale actoren de universiteiten en centra voor hoger onderwijs op te nemen in de programma's voor levenslang leren, actualisering van kennis en overdracht van technologie alsook om nauwkeurige universitaire programma's te bevorderen voor volwasseneneducatie voor bijscholing van diegenen die zich voortijdig uit het arbeidsproces gestoten weten wegens technologische veranderingen of andere conjuncturele redenen;

Betrekkingen tussen de universiteit en de maatschappij

22.   is van mening dat strategieën en prikkels nodig zijn ter intensivering van de betrokkenheid van universiteiten en onderzoekscentra bij de regionale, nationale en Europese problemen en ter versterking van hun dynamische rol in het economisch en maatschappelijk verkeer;

Particuliere universiteiten

23.   is van mening dat de particuliere universiteiten of centra voor hoger onderwijs deel uitmaken van het Europese onderwijsstelsel en aan de ontwikkeling daarvan bijdragen; is echter van mening dat deze centra een transparant beheer moeten voeren en zich dienen te onderwerpen aan het proces van evaluatie van de kwaliteit van de pedagogische inhoud en de resultaten;

Kunstonderwijs

24.   is van mening dat het zin zou hebben een flexibel hogeronderwijsmodel te ontwerpen dat aan de universiteit kunstonderwijs kan verstrekken dat gebaseerd is op cursussen in de praktijk, beroepsuitoefening en verdienste;

Groenboek

25.   verzoekt de Commissie met inachtneming van de autonomie van de universiteiten en de lidstaten en van het bijzondere karakter van bepaalde instellingen en opleidingen voor te stellen een Groenboek op te stellen over het creëren van een Europese ruimte voor hoger onderwijs waarin het na een fase van studie en discussie waarbij alle sectoren worden betrokken, gaat om:

- het analyseren van de situatie van de Europese universiteiten, hun rol en de opleidingen die zij bieden,
- onderzoek te doen naar de verschillende rechtsposities en werkomstandigheden van docenten, onderzoekers, administratief personeel en studenten,
- een comité van deskundigen op te richten dat volgens de evaluatiecriteria conform aan de in dit project genoemde indicaties onderzoek verricht naar en voortborduurt op de invloed van de universiteiten op het systeem van kennis en onderzoek,
- het identificeren van gemeenschappelijke openbare programma's en diensten die de universiteiten als onderwijs- en onderzoekcentra nodig hebben en waardoor de uitoefening van hun taken wordt vergemakkelijkt,
- het voorstellen van een actievere deelname van de universiteiten aan de verspreiding van het acquis communautaire, de vernieuwing van kennis en de overdracht ervan op het productiesysteem;

Zetel van de Europese universiteiten

26.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om de oprichting te bevorderen van een zetel van de Europese universiteiten die hoofdzakelijk tot taak heeft:

- als centrum te dienen voor ontmoetingen, vergaderingen en uitwisseling van ervaringen waar gemeenschappelijke projecten kunnen worden uitgebroed,
- het verstrekken en uitwisselen van informatie over gemeenschappelijke programma's, soort onderwijs, de invoering van systemen voor de evaluatie van de kwaliteit en de resultaten en het postdoctoraal onderwijs,
- het bevorderen van de rol van de universiteiten bij de instellingen en het Europees beleid,
- de studenten of de burgers die aan Europese universiteiten willen studeren, te informeren over de mogelijkheden, de aanbiedingen, erkenning van titels, enz.,
- het bevorderen van de convergentie en het concurrentievermogen van de universiteiten op Europees en internationaal vlak,
- de evaluatie bevorderen volgens de lijn van de voorstellen uit dit verslag;

in dit centrum zouden o.a. vertegenwoordigd moeten zijn: de lidstaten, het Europees Parlement, de Europese vereniging van universiteiten (EUA) en de Europese verenigingen van studenten en onderzoekers;

27.   verzoekt de Commissie en de lidstaten steun te verlenen aan de oprichting van een Europese culturele universiteit die gewijd is aan de kunstvakken, letteren, filosofie en communicatiewetenschappen om een bijdrage te leveren aan een Europese onderzoeksruimte voor deze disciplines en te beantwoorden aan de noodzaak van een interculturele dialoog met de andere regio's van de wereld;

Financiering

28.   wijst erop dat de lidstaten en de regio's met bevoegdheden op het gebied van het hoger onderwijs ervoor moeten zorgen dat de openbare universiteiten over de nodige financiële middelen beschikken om de kwaliteit van hun onderwijs- en onderzoektaken te waarborgen; is van mening dat de universiteiten, als openbare instellingen, een transparant beheer moeten voeren en informatie dienen te verstrekken over hun werkzaamheden en de resultaten ervan;

Open universiteit en media

29.   is van mening dat de academische werkzaamheden en de resultaten van het aan de universiteiten verrichte onderzoek meer aandacht in de media dienen te krijgen;

30.   beveelt aan de open universiteit te stimuleren, gebruik te maken van nieuwe technologieën voor de toekenning van diploma's en via regels en procedures de toegang tot en de vernieuwing van kennis te vergemakkelijken voor de docenten, de meest benadeelde groepen, personen met bijzondere behoeften en vrouwen;

31.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)PB nog niet gepubliceerd.
(2)PB nog niet gepubliceerd.
(3)PB nog niet gepubliceerd.
(4)PB nog niet gepubliceerd.
(5)Persnummer: 5927/01.
(6)Persnummer: 8536/01.
(7)PB C 204 van 20.7.2001, blz. 6.
(8)PB C 58 van 5.3.2002, blz. 1-11.


TOELICHTING

1.   Inleiding

Dit initiatiefverslag, het eerste document van het Europees Parlement over de universiteiten als instellingen, beoogt richtsnoeren te geven en de weg te effenen voor een beleid ter ondersteuning van de universiteiten als opleidingscentra voor docenten en onderzoekers. Het beveelt alle betrokken organen aan hun werkzaamheden te intensiveren en zich met bekwame spoed te richten op een solide en vastberaden samenwerking die hen in staat stelt de Europese ruimte voor hoger onderwijs te consolideren en in te spelen op de kansen die hen worden geboden door het huidige juridische kader waarvan niet altijd naar behoren gebruik wordt gemaakt en dat in veel gevallen niet als een gunstige gelegenheid, maar als een beperking wordt gezien.

2.   De universiteiten als fundament van Europa

Sinds de oudheid zijn de universiteiten de meest actieve hoofdrolspelers als het gaat om het definiëren van de fundamentele waarden van onze cultuur en onze technische en politieke ontwikkeling, hetgeen heeft geleid tot de grondslagen waarop Europa is gebouwd: predominantie van de rede en de dialoog, formulering van ethische en politieke beginselen, vervolmaking van het natuurlijk recht en het politieke recht, ontwikkeling van wetenschap en techniek, theorie van de uitoefening van de geneeskunde, technische wetenschappen en humanistische en sociale wetenschappen.

Eeuwenlang hebben de universiteiten binnen hun muren een filosofisch en wetenschappelijk substraat ontwikkeld, de experimentele wetenschappen en de kritische geest gestimuleerd en zich in crisissituaties opgeworpen als hoeder van de democratische ideeën. Bovendien hebben zij door verdieping van de kennis bijgedragen tot het overwinnen van de negatieve aspecten van de geschiedenis.

Door de toegang van alle burgers tot de universiteit te vergemakkelijken hebben de Europese universiteiten zich weten aan te passen en te reageren op de sociale veranderingen en de nieuwe eisen van onze tijd op het gebied van het maatschappelijk welzijn.

De traditionele rol van de universiteit als centrum van wetenschappelijke ontwikkeling staat momenteel echter ter discussie in Europa, aangezien een groot gedeelte van het onderzoek van hoge kwaliteit buiten de universiteit plaatsvindt en omdat het massale hoger onderwijs heeft geleid tot een sterkere concentratietendens in het onderwijs, hetgeen er in sommige gevallen toe leidt dat de kwaliteit en het concurrentievermogen minder worden.

Anderzijds heeft de wens van veel universiteiten en regeringen om in te spelen op de maatschappelijke vraag naar diploma's alsook de enorme toename van het aantal studenten ertoe geleid dat het ontbreekt aan instrumenten en dat de financiële middelen voor onderzoek en postdoctoraal onderwijs beperkt zijn.

In de huidige context waarin de "kennismaatschappij"(1) in de Europese Unie prioriteit heeft gekregen, moet worden nagegaan of het gevoerde beleid samenhangend en doeltreffend is. Er moet worden nagegaan of de Europese organen gecombineerde en passende strategieën hebben gedefinieerd of geformuleerd ter stimulering van de universiteiten als centra van vernieuwing van techniek, kennis en cultuur in een wereld die is gebaseerd op intellectuele en wetenschappelijke competentie.

De vergelijkende statistieken van de Europese universiteiten op het gebied van onderzoek tonen een neerwaartse tendens voor wat betreft hun vermogen tot leiderschap, hun bijdrage aan de wetenschap en hun vermogen tot vernieuwing. Aangezien wij hier te maken hebben met een systeem dat langzaam op stimulansen reageert, lijkt het dringend noodzakelijk technische en wetenschappelijke debatten te bevorderen, jongeren op te leiden en de wetenschappelijke hegemonie die Europa altijd heeft gehad, terug te winnen.

3.   Europees beleid ten aanzien van de universiteiten: sectoriële acties, convergentieprojecten en mobiliteitsinitiatieven

De Europese Unie heeft verschillende initiatieven ontplooid ten behoeve van de convergentie door het contact tussen universiteiten, docenten en studenten te bevorderen en ervaringen tussen universiteiten uit te wisselen.

Het programma SOCRATES/ERASMUS is een van de beste instrumenten van de Commissie en de lidstaten om de mobiliteit van studenten en docenten te bevorderen, gezamenlijke opleidingen uit te werken, intensieve cursussen te organiseren en deel te nemen aan de vorming van thematische netwerken.

In dit verband kan worden gewezen op de prestaties voor wat betreft de mobiliteit van studenten (86.000 ERASMUS-studenten in het studiejaar 1997/98, 1% van het totaal aantal in het hoger onderwijs ingeschreven studenten, en 97.041 studenten in het studiejaar 1999/2000 in de EU/EER), en van docenten (7.000 docenten in 1998/99 en 9.837 in 1999/2000 in de EU/EER).

Daarnaast konden via het SOCRATES-programma specifieke acties worden opgezet die van groot belang zijn voor het bereiken van de convergentie zoals:

-   Het European Credit Transfer System (ECTS, Europees systeem voor overdracht van studiepunten). Dit systeem van toewijzing en overdracht van studiepunten dat door meer dan 5.000 faculteiten of departementen wordt gebruikt, vergemakkelijkt de erkenning van studietijdvakken in het buitenland (niet van diploma's) van ERASMUS-studenten.

-   Het proefproject "TUNING Educational Structures in Europe" (HARMONISATIE van de onderwijsstructuren in Europa), waaraan rond 70 Europese universiteiten deelnemen, beoogt een methode uit te werken met het oog op de Europese harmonisatie van de onderwijsstructuren op vijf concrete vakgebieden (wiskunde, aardrijkskunde, bedrijfskunde, geschiedenis en onderwijswetenschappen). Uit de ontvangst die het project ten deel viel en de snelheid waarmee overeenkomsten werden gesloten blijkt dat met steun van de Raad en de Commissie in korte tijd op veel terreinen van de wetenschap zonder problemen vooruitgang kan worden geboekt met de convergentie.

-   Het ENQA-netwerk (European Network for Quality Assurance in Higher Education - Europees netwerk voor kwaliteitswaarborging in het hoger onderwijs): dit Europese netwerk dat is opgezet overeenkomstig de aanbeveling van de Raad betreffende de Europese samenwerking(2) en de doelstellingen van het proces van Bologna, heeft tot doel de verspreiding van informatie, ervaringen, goede praktijken en systemen voor de evaluatie en waarborging van de kwaliteit tussen de betrokken partijen: overheidsinstanties, hoger onderwijsinstellingen en bureaus voor kwaliteitsevaluatie.

Ondanks de geleverde inspanningen moet men stellen dat het aantal wederzijds erkende diploma's bijzonder gering is, de mobiliteit van ERASMUS-studenten betrekking heeft op niet meer dan 1% van de studentenbevolking en de Europese ruimte voor hoger onderwijs een droom blijft.

Men is er niet ingeslaagd het logge systeem van universitaire autonomie te doorbreken dat uitwisseling bemoeilijkt, de mobiliteit afremt en endogamie vaak beloont. De administratieve molen en de loopbaan van docenten en onderzoekers werken als een afschrikwekkend raderwerk voor degenen die vorm willen geven aan een open toekomst die wordt gekenmerkt door samenwerking in een Europa zonder grenzen.

4.   Het proces van Bologna: convergentievoorstellen en noodzaak van een flexibel systeem

De communautaire programma's die direct of indirect werkzaam zijn op het gebied van de universiteiten (SOCRATES/ERASMUS, LEONARDO, enz.) vallen samen met de meeste acties die zijn aangegeven in het "proces van Bologna". Dit proces is gebaseerd op de "Verklaring van Bologna" van 1999 die uiteindelijk tot doel heeft een Europese ruimte van hoger onderwijs te creëren. In dit intergouvernementele proces waaraan 32 Europese landen deelnemen en waarbij de Europese associatie van universiteiten (EUA), de Europese vereniging van studenten (ESIB) en de Raad van Europa als waarnemer betrokken zijn, heeft de Commissie de status van volwaardig lid van de follow-up-groep.

Via dit proces is men erin geslaagd de sinds de "Magna Charta" van 1988 ontplooide initiatieven van universiteiten en andere organisaties in een alomvattend project onder te brengen via acties inzake vergelijkbare en begrijpelijke diploma's, puntensystemen, mobiliteit, kwaliteit, enz.

Daarnaast hebben veel universiteiten en lidstaten zich beijverd hun wetgeving op het gebied van hoger onderwijs nader in overeenstemming te brengen met de basisdoelstellingen van Bologna. Het beoogde proces is echter vertraagd door de problemen bij de harmonisatie van het stelsel van diploma's met het oog op de invoering van het ECTS-systeem, de terughoudendheid bij de erkenning van diploma's en de koele ontvangst van de systemen voor externe en transparante evaluatie.

Veelzeggend bleken een aantal evaluaties van het proces van Bologna op de openbare hoorzitting over de universiteiten die in februari 2002 in het Europees Parlement plaatsvond alsook de standpunten die werden geformuleerd op de werkbijeenkomsten van de top van Praag in mei 2001.

Sommigen waren bang voor de al te reductionistische initiatieven tot harmonisatie die de universitaire autonomie kunnen beperken. Deze algemene vrees heeft niets te maken met de door het recht erkende mate van autonomie, maar met de handhaving van een defensief standpunt tegenover verplichtingen van buitenaf waardoor degenen die zich niet achter de veranderingen willen scharen, in een moeilijke positie zouden komen te verkeren.

Anderzijds werd een veel meer gerechtvaardigde angst gesignaleerd voor homologatie met een bureaucratisch oogmerk en het opleggen van eenmalige, vaste criteria voor het stelsel van diploma's, de opzet van de opleidingen of de erkenning van verdiensten. Deze standpunten moeten worden geëvalueerd, aangezien de noodzaak tot convergentie geen afbreuk mag doen aan de diversiteit of de ontwikkeling van bijzondere academische of wetenschappelijke modellen.

Om een aantal van deze problemen op te lossen wordt in het onderhavige verslag voorgesteld het proces van Bologna krachtig te blijven steunen, maar een en ander flexibeler gestalte te geven teneinde ruimte te bieden voor de bestaande diversiteit in het stelsel van Europese diploma's. Via harmonisatie moeten verschillende takken van wetenschap (geneeskunde, sociale en rechtswetenschappen, technische wetenschappen en toegepaste kunsten, …) worden opgenomen die verschillende trajecten, wetmatigheden en behoeften kennen.

Wil men dat diversiteit als een Europese rijkdom wordt beschouwd, dan moet worden gestreefd naar veelzijdige ontmoetingssystemen waarin de toegevoegde waarde van de diversiteit wordt erkend. Aldus kunnen de universitaire autonomie en de specifieke behoeften met betrekking tot de verschillende diploma's en loopbanen op het gebied van wetenschap en onderwijs gemakkelijker gestalte krijgen in het kader van een meer open en vrijer systeem.

In dit verband moet worden aangedrongen op coëxistentie van openbare en particuliere universiteiten. Beide zijn erin geslaagd in de loop van de geschiedenis van het Europese onderwijs naast elkaar te bestaan en momenteel kunnen zij als aanvullend worden beschouwd, aangezien het particuliere onderwijs nieuwe perspectieven kan bieden en sectoren kan ontsluiten die voor het openbaar onderwijs niet altijd toegankelijk zijn. Hierbij zal het Parlement altijd de pedagogische autonomie van de universiteit verdedigen.

5.   Conclusie

Wil de Europese universiteit concurrerend zijn en kunnen voldoen aan de initiële behoeften van het "cognitieve Europa", dan moeten via een institutioneel beleid de grondslagen worden gelegd voor een Europese ruimte voor hoger onderwijs.

Tot dusverre zijn de universiteiten om redenen van wetgevingsbevoegdheden naar de achtergrond gedrongen. Er zijn sectoriële beleidsvormen en programma's opgezet om de docenten te helpen bij de uitoefening van hun taak, onderzoek te bevorderen en de mobiliteit te verbeteren. Europa dient de universiteiten echter te benaderen als openbare instellingen.

In het kader van dit institutionele beleid wordt in het onderhavige verslag gewezen op de noodzaak een Groenboek over de Europese ruimte voor hoger onderwijs op te stellen waarin via een alomvattende benadering de huidige situatie van de universiteit als openbare instelling ten dienste van de burger wordt bestudeerd.

Als resultaat van deze studie moet het mogelijk zijn de steunverlening van de overheid (regionaal, nationaal en Europees) doeltreffender af te stemmen op de behoeften van de universiteiten en op de totstandbrenging van de Europese ruimte voor hoger onderwijs.

Tegelijkertijd wordt in dit verslag gepleit voor een betere coördinatie tussen de universiteiten met het oog op de verspreiding en uitwisseling van informatie over gezamenlijke programma's en projecten, soort onderwijs, de invoering van systemen voor de evaluatie van kwaliteit en resultaten en het postdoctoraal onderwijs. Een structuur als het "Huis van de Europese universiteiten" zou hiervoor een passend samenwerkingskader kunnen zijn.

(1)Europese Raad van Lissabon (23 en 24 maart 2000).
(2)Aanbeveling 98/561/EG van de Raad van 24 september 1998.

Laatst bijgewerkt op: 7 juni 2002Juridische mededeling