Procedure : 2006/2133(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0471/2006

Ingediende teksten :

A6-0471/2006

Debatten :

PV 12/03/2007 - 18
CRE 12/03/2007 - 18

Stemmingen :

PV 13/03/2007 - 8.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0062

VERSLAG     
PDF 264kWORD 202k
21 december 2006
PE 380.802v02-00 A6-0471/2007

over maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap

(2006/2133(INI))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur: Richard Howitt

ERRATA/ADDENDA
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 PROCEDURE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap

(2006/2133(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de twee meest gezaghebbende internationaal overeengekomen normen voor het beleid van ondernemingen: de "Tripartiete Beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid" van de Internationale Arbeidsorganisatie en de "Richtlijnen voor multinationals" van de OESO, alsmede naar gedragscodes die onder auspiciën van internationale organisaties zoals de FAO, de Wereldgezondheidsorganisatie en de Wereldbank zijn overeengekomen en activiteiten die met betrekking tot de werkzaamheden van ondernemingen in ontwikkelingslanden zijn ontplooid onder auspiciën van de UNCTAD,

–   gezien de verklaring van de IAO van 18 juli 1998 betreffende fundamentele beginselen en rechten op de werkplek en de belangrijkste verdragen betreffende universele fundamentele arbeidsnormen die de IAO heeft gesloten: afschaffing van dwangarbeid (Verdragen 29 en 105), vrijheid van vereniging en het recht op collectieve onderhandelingen (Verdragen 87 en 98), afschaffing van kinderarbeid (Verdragen 138 en 182) en non-discriminatie op het werk (Verdragen 100 en 111),

–   gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties en met name het artikel waarin er bij ieder individu en ieder orgaan van de gemeenschap op wordt aangedrongen de universele inachtneming van de rechten van de mens te bevorderen, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, het Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 1966, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979, de ontwerpverklaring van de Verenigde Naties betreffende de rechten van inheemse volkeren van 1994 en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989,

–   gelet op het Verdrag inzake bestrijding van omkoping van de OESO (1997),

–   gezien het "Global Reporting Initiative" (GRI – mondiaal initiatief inzake verslaglegging) dat in 1997(1) werd gestart en werd bijgewerkt door de G3 "Richtlijnen voor duurzaamheidsverslaggeving", die op 5 oktober 2006 werden gepubliceerd,

–   gezien het "United Nations Global Compact" dat in september 2000 werd gelanceerd,

–   gezien de aankondiging op 9 oktober 2006 door het United Nations Global Compact en het Global Reporting Initiative dat zij een "strategische alliantie" hebben gevormd,

–   gezien de ontwerpnormen van de VN inzake de "Responsibilities of Transnational Corporations and Other Business Enterprises with Regard to Human Rights" (december 2003),

–   gezien het resultaat van de Wereldtop over Duurzame ontwikkeling te Johannesburg in 2002, en met name de oproep om intergouvernementele initiatieven inzake het vraagstuk van de verantwoording van ondernemingen en de conclusies van de Raad van 3 december 2002 over de follow-up van de Top,

–   gezien het rapport van de secretaris-generaal van de VN over de werkzaamheden van de "Global Compact"-werkgroep "Naar een wereldwijd partnerschap – betere samenwerking tussen de Verenigde Naties en alle betrokken partners, met name de particuliere sector", 10 augustus 2005 (05-45706 (E) 020905),

–   gezien de benoeming van een speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor bedrijfsleven en mensenrechten, zijn interim-rapport van 22 februari 2006 (E/CN.4/2006/97) en het regionaal overleg dat hij had op 26-27 juni 2006 te Bangkok en op 27-28 maart 2006 te Johannesburg,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 januari 1999 over EU-normen voor in ontwikkelingslanden werkende Europese bedrijven: naar een Europese Gedragscode(2), ter aanbeveling van de opstelling van een Europese Modelgedragscode met ondersteuning van een Europees waarnemingsforum,

–   gelet op het Verdrag van Brussel van 1968, als geconsolideerd in verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(3),

–   gezien verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS)(4),

–   gezien de resolutie van de Raad van 3 december 2001 over de follow-up van het Groenboek over de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven(5),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 30 mei 2002 over het Groenboek van de Commissie over de bevordering van de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven(6),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 mei 2003 over de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven: een bijdrage van het bedrijfsleven aan duurzame ontwikkeling(7),

–   gezien de aanbeveling van de Commissie van 30 mei 2001 betreffende de verantwoording, waardering en vermelding van milieuaangelegenheden in de jaarrekeningen en jaarverslagen van ondernemingen (kennisgeving geschied onder nummer C(2001)1495)(8),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 juli 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité getiteld "Bevordering van fundamentele arbeidsnormen en verbetering van de sociale governance in de context van de globalisering"(9),

–   gezien de resolutie van de Raad van 6 februari 2003 inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen(10),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Bestuur en ontwikkeling" (COM(2003)0615),

–   gezien Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, banken en andere financiële instellingen, en verzekeringsondernemingen (11),

–   gezien Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten(12),

–   gezien het eindrapport en de aanbevelingen van het Europese Multistakeholder Forum over MVO van 29 juni 2004, waaronder aanbeveling 7 met ondersteuning van actie om te komen tot het juiste wettelijk kader,

–   gezien de mededeling van de Commissie "De sociale dimensie van de globalisering – hoe de EU ertoe bijdraagt dat iedereen er voordeel van heeft" (COM(2004)0383),

–   gezien Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad ("Richtlijn oneerlijke handelspraktijken")(13),

–   gezien de Europese Raad van 22 en 23 maart 2005 die de Lissabon-strategie opnieuw lanceerde en het partnerschap tussen de EU en de lidstaten richtte op "Samenwerken aan werkgelegenheid en groei",

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 juli 2005 over uitbuiting van kinderen en kinderarbeid(14),

–   gezien de mededeling van de Commissie over de herziening van de Strategie voor duurzame ontwikkeling – een actieplatform (COM(2005)0658), en de herziene EU-strategie voor duurzame ontwikkeling die op 9 juli 2006 door de Raad werd goedgekeurd,

–   gezien de "De Europese consensus over ontwikkeling", die op 20 december 2005 door de Commissie, de Raad en het Europees Parlement werd ondertekend,

–   gezien het nieuwe Stelsel van Algemene Preferenties (SAP+), dat sinds 1 januari 2006 van kracht is en dat hetzij toegang zonder douanerechten verleent dan wel een verlaagd tarief toekent voor een toenemend aantal producten en tevens een nieuwe prikkel vormt voor kwetsbare landen met specifieke handels-, financiële of ontwikkelingsbehoeften,

–   gezien de mededeling van de Commissie "Bevordering van waardig werk voor iedereen - Bijdrage van de Europese Unie aan de uitvoering van de agenda voor waardig werk over de hele wereld" (COM(2006)0249),

–   gezien het Groenboek over het Europees transparantie-initiatief van 3 mei 2006,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 juli 2006 over eerlijke handel (Fair Trade) en ontwikkeling(15),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de Europese Unie - Een actieplan" (EU-Actieplan inzake MVO) (COM(2003)0284),

–   gezien de hoorzitting "Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen – is er een Europese aanpak?" die het op 5 oktober 2006 heeft georganiseerd,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0471/2006),

A. overwegende dat bedrijven geen vervanging kunnen zijn voor de overheid wanneer laatstgenoemde verzuimt controle uit te oefenen op de naleving van sociale en milieunormen,

1.  is overtuigd dat grotere sociale en milieuverantwoordelijkheid van het bedrijfsleven in combinatie met het beginsel van verantwoording van ondernemingen een essentieel element vormt van het Europese Sociale Model, de Europese Strategie voor duurzame ontwikkeling en het ingaan op de uitdagingen van economische globalisering;

2.  is verheugd over de mededeling van de Commissie die een nieuwe aanzet geeft tot het debat in de EU over maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), maar ziet de bezorgdheid van sommige groepen belanghebbenden over een gebrek aan transparantie en evenwichtigheid bij de raadpleging vóór publicatie;

3.  erkent dat er nog altijd een debat gaande is tussen de diverse groepen belanghebbenden over een juiste definitie van MVO, en dat het begrip "meer dan wettelijk verlangd" enkele ondernemingen in staat kan stellen zich op maatschappelijke verantwoordelijkheid te beroepen terwijl zij tegelijkertijd plaatselijke en internationale wetten schenden; meent dat EU-bijstand aan regeringen van derde landen bij het implementeren van sociale en milieuregelgeving in overeenstemming met internationale verdragen, samen met effectieve inspectiestelsels, een noodzakelijke aanvulling zijn om MVO van Europese bedrijven wereldwijd te bevorderen;

4.  is van mening dat het MVO-beleid moet worden bevorderd terwille van zichzelf, en niet als een vervanging van passende regelgeving op de betreffende terreinen, noch als een steelse benadering voor het invoeren van dit soort wetgeving; meent dat het debat over MVO op EU-niveau moet worden "gedepolariseerd" door noch uitsluitend voor een vrijwillige dan wel verplichte benadering van MVO te pleiten en herhaalt dat de aanpak in essentie vrijwillig moet zijn, maar dat het wel mogelijk moet worden gemaakt - zonder enige verplichting - om onderzoek te doen op basis van duidelijke doelstellingen met betrekking tot sociale en milieukwesties zonder een verdere dialoog en onderzoek naar bindende afspraken uit te sluiten;

5.  merkt op dat de snelle groei van het aantal vrijwillige MVO-initiatieven als een hindernis kan worden ervaren door vele, vooral kleine ondernemingen, die een MVO-beleid willen voeren en ook voor grote ondernemingen geen prikkel is om geloofwaardiger MVO-maatregelen te nemen; wijst erop dat dit terzelfder tijd aantoont hoe belangrijk MVO geacht wordt en dat er stimulansen moeten worden gegeven voor een ambitieuzer MVO-beleid; roept de Commissie op de verspreiding van goede praktijken als gevolg van vrijwillige MVO-initiatieven aan te moedigen; is van mening dat de Commissie moet overwegen een lijst met criteria op te stellen waaraan bedrijven moeten voldoen als zij beweren verantwoordelijk te zijn;

6.  meent dat de geloofwaardigheid van vrijwillige MVO-initiatieven voorts afhankelijk is van een expliciete bereidheid om bestaande, internationaal overeengekomen normen en beginselen in het beleid op te nemen, alsook van een benadering met meer betrokken partijen, zoals aanbevolen door het Multistakeholder Forum (MSF) van de EU, evenals toepassing van onafhankelijke waarneming en verificatie; beveelt aan een dergelijk mechanisme op Europees niveau op te richten;

7.  meent dat het EU-debat over MVO het punt is genaderd waarop de nadruk moet worden verschoven van 'processen' naar 'resultaten', wat leidt tot een meetbare en transparante bijdrage van bedrijven in de bestrijding van maatschappelijke uitsluiting en milieuverslechtering in Europa en wereldwijd;

8.  erkent dat veel bedrijven al uitgebreide en toenemende inspanningen leveren om zich te houden aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid;

9.  neemt er kennis van dat markten en bedrijven zich in Europa in verschillende ontwikkelingsfasen bevinden; meent daarom dat een one-size-fits-all methode die een enkel model beoogt op te leggen voor bedrijfsculturen niet relevant is en niet zal leiden tot een betekenisvolle opname van MVO door bedrijven; meent verder dat de nadruk moet worden gelegd op de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld en in het bijzonder consumentenbewustzijn over verantwoord produceren om te bevorderen dat bedrijven verantwoordelijkheid nemen die langdurig en relevant is voor de bepaalde nationale of regionale context;

10. wijst erop dat MVO nieuwe thema's dient aan te pakken zoals levenslang leren, arbeidsorganisatie, gelijke kansen, sociale integratie, duurzame ontwikkeling en ethiek, zodat het als extra instrument kan dienen voor het beheer van de industriële verandering en herstructurering;

Het EU-debat over MVO

11. neemt kennis van het besluit van de Commissie om een Europees Verbond voor maatschappelijk verantwoord ondernemen op te richten in partnerschap met een aantal bedrijfsnetwerken; adviseert de Commissie zelf te zorgen voor één enkel coördinatiepunt om het besef van het lidmaatschap en de activiteiten van het Verbond levend te houden, en om duidelijke doelstellingen, tijdschema 's en een strategische visie voor voorlichting over het werk van het Verbond overeen te komen; moedigt alle Europese bedrijven en bedrijven die in Europa werkzaam zijn, groot en klein, aan om dit initiatief te omhelzen en andere belanghebbenden bij het Verbond te betrekken;

12. meent dat de sociale dialoog een effectief middel is geweest voor het bevorderen van MVO-initiatieven en dat Europese ondernemingsraden ook een constructieve rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van de beste praktijk met betrekking tot MVO;

13. meent dat een substantieel grotere aanvaarding van MVO-praktijken bij EU-ondernemingen, de ontwikkeling van nieuwe modellen van beste praktijken door echte koplopers bij ondernemingen en vakbondsorganisaties van bedrijven als het gaat om diverse aspecten van MVO, de aanwijzing en bevordering van specifieke EU-maatregelen en regelgeving ter ondersteuning van MVO en de beoordeling van het effect van dergelijke initiatieven op het milieu en op mensenrechten en sociale rechten als essentiële toetsstenen voor het welslagen van het Verbond kunnen fungeren; meent voorts dat een uiterste termijn van twee jaar moet worden vastgesteld voor voltooiing van het werk van de "laboratoria" die onder haar auspiciën zijn opgezet, zoals door MVO-Europa voorgesteld;

14. merkt op dat het bijeenroepen van het EU-Multistakeholder Forum een late toevoeging van de Commissiemededeling was en dat maatregelen moeten worden genomen om het vertrouwen van diverse betrokken partijen te wekken dat er een echte dialoog zal plaatsvinden die ertoe leidt dat EU-beleid en -programma's van wezenlijke invloed en een stimulans worden voor de toepassing van MVO door het bedrijfsleven in de EU; meent dat lering moet worden getrokken uit de twee jaar dat het MSF heeft gefunctioneerd, die positief was als het gaat om de regel "no fame, no shame" en het gebruik van onafhankelijke rapporteurs; wijst er echter op dat verbeteringen nodig zijn om tot een consensus te kunnen komen; benadrukt ook hoe belangrijk het is dat de vertegenwoordigers van de Commissie actief deelnemen aan het debat;

15. roept de Commissie op vertegenwoordigers van een aantal nationale, regionale en lokale overheden uit te nodigen die hebben toegezegd overheidsopdrachten en andere instrumenten ten behoeve van de openbare orde te gebruiken om MVO te bevorderen om hun eigen 'laboratorium' op te richten onder het 'Verbond' en hun bevindingen in hun toekomstige werk te integreren;

16. steunt de inspanningen van de Commissie om het lidmaatschap van het MSF uit te breiden met investeerders, het onderwijs en overheden en benadrukt dat een duurzame dialoog mogelijk moet blijven om overeengekomen doelen te bereiken;

17. verzoekt de Commissie om bij het volgen van de voortgang van MVO een sterkere participatie van vrouwen aan het Multi-Stakeholder Forum en de uitwisseling van informatie en van goede praktijken op het gebied van gendergelijkheid aan te moedigen;

18. steunt oproepen om verplichte kennisgeving voor lobbyisten van ondernemingen en andere organen en om evenwichtige toegang van grote ondernemingen en andere groepen betrokkenen tot de eigenlijke Europese beleidsvorming;

De koppeling tussen MVO en concurrentievermogen

19. is verheugd over de doelstelling van de mededeling om MVO aan de economische, sociale en milieudoelstellingen van de Agenda van Lissabon te koppelen, juist wegens de mening dat een serieuze benadering van MVO door bedrijven kan bijdragen aan een toename van het aantal banen en een verbetering van de arbeidsomstandigheden en het respecteren van de rechten van werknemers en het bevorderen van onderzoek en ontwikkeling van technologische innovaties; steunt het principe van "verantwoordelijke concurrentie" als integraal onderdeel van het programma voor concurrentievermogen en innovatie van de Commissie; daagt Europese bedrijven uit in hun verslaglegging op te nemen hoe zij bijdragen aan de Lissabon-doelstellingen;

20. erkent dat effectieve concurrentieregels, binnen en buiten Europa, een essentieel onderdeel vormen voor het garanderen van verantwoordelijke bedrijfspraktijken, in het bijzonder door het mogelijk maken van een eerlijke behandeling en toegang tot lokaal gevestigde kleine en middelgrote ondernemingen;

21. herhaalt dat de implementatie binnen MVO van verantwoordelijke en niet-discriminerende wervingspraktijken die de participatie van vrouwen en gehandicapten bevorderen, bijdraagt aan het behalen van de Lissabon-doelstellingen;

22. ziet tegenstrijdigheid tussen concurrerende toeleverings­strategieën van ondernemingen die streven naar steeds grotere flexibiliteit en steeds lagere kosten enerzijds en vrijwillige MVO-toezeggingen ter voorkoming van op uitbuiting berustende aanwervingspraktijken en bevordering van langlopende betrekkingen met toeleveringsbedrijven anderzijds; pleit voor voortzetting van de dialoog op dit gebied;

23. stelt in verband hiermee voor dat de beoordelingen en de monitoring van Europese bedrijven waarvan erkend is dat zij verantwoordelijk zijn, worden uitgebreid met hun activiteiten en die van hun onderaannemers buiten de Europese Unie, om er zeker van te zijn dat MVO ook ten goede komt aan derde landen en vooral ontwikkelingslanden, in overeenstemming met de IAO-verdragen in het bijzonder met betrekking tot de vrijheid om vakbonden te vormen, het verbod op kinderarbeid en dwangarbeid, en meer specifiek vrouwen, migranten, inheemse volkeren en minderheidsgroeperingen;

24. erkent MVO als een belangrijke stimulans voor bedrijvigheid en roept op tot het integreren van sociale maatregelen, zoals respect van de rechten van werknemers, een eerlijk loonbeleid, bestrijding van discriminatie, een leven lang leren, enz. en milieukwesties die vooral gericht zijn op de dynamische bevordering van duurzame ontwikkeling, zowel bij steun voor nieuwe producten en processen d.m.v. het innovatie- en handelsbeleid van de EU als bij het opstellen van strategieën voor sectoren, subregio's en steden;

25. benadrukt dat ondernemingen met sociaal verantwoordelijkheidsgevoel een belangrijke bijdrage leveren aan het opheffen van de ongelijkheid die met name vrouwen en kansarme personen, inclusief gehandicapten, op de arbeidsmarkt ondervinden, in het bijzonder op het gebied van toegang tot de arbeidsmarkt, sociale uitkeringen, opleiding, loopbaanontwikkeling en een rechtvaardig loon- en salarisbeleid; benadrukt dat ondernemingen hun aanstellingsbeleid behoren af te stemmen op Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden(16);

MVO-instrumenten

26. is verheugd over de tendens van de laatste jaren dat grote ondernemingen vrijwillige sociale en milieurapporten publiceren; merkt op dat het aantal van dergelijke rapporten sinds 1993 continu is toegenomen, maar dat het aantal thans vrijwel gelijk blijft en dat slechts een minderheid gebruikmaakt van internationaal aanvaarde normen en principes, de volledige toevoerketen van het bedrijf gebruikt of onafhankelijke monitoring en verificatie inschakelt;

27. herhaalt de steun van het Parlement voor geïntegreerde sociale, milieu- en financiële verslaglegging door ondernemingen met ondersteuning van de regelgeving, eventueel met een minimale drempel om onevenredige kosten voor kleine ondernemingen te voorkomen; verzoekt om diepgaand onderzoek naar de tenuitvoerlegging van minimum vereisten voor sociale en milieuverslaglegging in het kader van de aanbeveling van de Commissie betreffende de vermelding van milieuaangelegenheden van 2001, de richtlijn betreffende modernisering van jaarrekeningen van 2003, de richtlijn betreffende prospectussen van 2003, dat doeltreffende omzetting in alle lidstaten ondersteunt en waarbij overleg plaatsvindt over de mogelijkheden tot aanscherping van deze vereisten bij de volgende herziening, waaronder interpretaties van het materiële karakter van het maatschappelijke en milieurisico onder de huidige vereisten wat betreft vermelding;

28. erkent de huidige beperkingen van de MVO 'industrie' wat betreft de meting van bedrijfscultuur, sociale controle en certificering, vooral wat betreft de kosten, vergelijkbaarheid en onafhankelijkheid, en meent dat het noodzakelijk zal zijn een professioneel kader te ontwikkelen met inbegrip van specifieke kwalificaties op dit terrein;

29. beveelt aan dat de Commissie de verantwoordelijkheid van directeuren van bedrijven met meer dan 1000 werknemers zo uitbreidt dat de directeuren zichzelf de verplichting opleggen eventuele schadelijke sociale en milieueffecten van de bedrijfsactiviteiten te minimaliseren;

30. verklaart nogmaals het milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) te steunen, in het bijzonder de hierin vereiste externe verificatie en de verplichting voor lidstaten om het systeem te bevorderen, en meent dat er ruimte is om soortgelijke systemen te ontwikkelen met betrekking tot de bescherming van arbeid en sociale en mensenrechten;

31. steunt de Goede Praktijkcode van de International Social and Environmental Accreditation and Labelling Alliance (ISEAL; Internationale alliantie voor accreditering en etikettering op sociaal en milieugebied), als een vooraanstaand voorbeeld van het bevorderen van de samenwerking tussen bestaande etiketteringsinitiatieven, te verkiezen boven de oprichting van nieuwe sociale etikettering op nationaal of Europees niveau;

32. meent dat consumenten, klanten, werknemers en investeerders de mogelijkheid moeten krijgen producten/leveranciers, banen en bedrijven te kiezen of te verwerpen, afhankelijk van de mate waarin zij verantwoordelijk zijn in termen van het milieu en sociale voorwaarden;

33. dringt er bij de EU op aan een Europese norm aan te nemen voor productetikettering waarbij de naleving van mensenrechten en fundamentele werknemersrechten onderdeel zijn van het etiketteringssysteem;

34. roept de Commissie op een mechanisme te implementeren waarmee benadeelden, met inbegrip van ingezetenen van derde landen, vergoeding kunnen eisen van Europese bedrijven via de nationale rechtbanken van de lidstaten;

35. betreurt dat de kwestie van het maatschappelijk verantwoord investeren in de mededeling ontbreekt, steunt de volwaardige deelname van investeerders als belanghebbenden aan het MVO-debat op EU-niveau waaronder ook het MSF, steunt de roep van de industrie om transparantie in plaats van prescriptieve regelgeving door midden van de invoering in de gehele EU van "verklaring van belangbeginselen" voor investeringsfondsen;

36. wijst erop dat consumenten een belangrijke rol spelen wanneer het gaat om het creëren van stimulansen voor verantwoorde productie en verantwoorde bedrijfspraktijken; meent echter dat de situatie momenteel ondoordringbaar is voor consumenten door verwarring tussen de verschillende nationale productnormen en productetiketteringssystemen, wat er allemaal aan bijdraagt dat de bestaande sociale productetiketten worden ondermijnd; richt de aandacht op het feit dat tegelijkertijd aanzienlijke kosten worden gemaakt door bedrijven wanneer deze omschakelen tussen de vele verschillende nationale eisen en normen; wijst er ook op dat het duur is om monitoringsmechanismen op te zetten om toezicht te houden op de sociale productetikettering, met name voor kleinere landen;

37. roept de Commissie op om hoofdelijke aansprakelijkheid te reguleren van de kant van algemene of grote ondernemingen om misbruik tegen te gaan bij het onderaannemen en uitbesteden van werknemers en een transparante en concurrerende interne markt op te zetten voor alle bedrijven;

38. steunt de inspanningen van Eurostat om indicatoren op te stellen om het functioneren van MVO in verband met de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling te meten, alsook het voornemen van de Commissie nieuwe indicatoren te ontwikkelen om de kennis en de consumptie te meten van EU-producten met eco-etiket en het productieaandeel van EMAS-geregistreerde bedrijven;

39. herhaalt nogmaals dat moet worden overwogen om een EU-ombudsman voor MVO te benoemen die onafhankelijk naspeuringen kan doen bij kwesties in verband met MVO op verzoek van bedrijven of een groep belanghebbenden; wenst dat verder wordt nagedacht over deze kwestie en soortgelijke voorstellen in de toekomst;

Betere regelgeving en MVO

40. meent dat MVO-beleid kan worden bevorderd door meer bewustzijn en betere tenuitvoerlegging van bestaande wettelijke instrumenten; verzoekt de Commissie om campagnes voor meer bewustzijn te voeren en te bevorderen en toe te zien op de tenuitvoerlegging van de toepassing van directe buitenlandse aansprakelijkheid overeenkomstig het Verdrag van Brussel, de toepassing van de richtlijnen inzake misleidende reclame en oneerlijke handelspraktijken en de mate waarin ondernemingen zich aan hun vrijwillige MVO-gedragscodes houden;

41. herhaalt de noodzaak om eenvoudige, gemakkelijk te begrijpen taal te gebruiken om bedrijven aan te moedigen MVO te bevorderen;

42. herhaalt dat grote inspanningen moeten worden gedaan door de Commissie en de EU-regeringen op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau om de kansen aan te grijpen die de herziening van de richtlijnen inzake overheidsopdrachten in 2004 bieden, MVO te ondersteunen door sociale en milieuclausules in hun contracten op te nemen en waar nodig in geval van corruptie ook ondernemingen te diskwalificeren; verzoekt de Commissie, de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling strikte sociale en milieucriteria toe te passen op alle, aan bedrijven in de particuliere sector verleende subsidies en leningen, ondersteund door duidelijke klachtenregelingen, voortbouwend op het voorbeeld van Nederland dat overheidsopdrachten koppelt aan de inachtneming van de fundamentele verdragen van de IAO en de OESO-richtlijnen in Nederland en het voorbeeld van verschillende Italiaanse provincies wat betreft de norm SA8000 CSR; herinnert eraan dat lidstaten stappen moeten ondernemen om ervoor te zorgen dat eventuele exportkredietgaranties voldoen aan de hoogste sociale en milieucriteria en niet worden gebruikt voor projecten die indruisen tegen overeengekomen EU-beleidsdoelen met betrekking tot bijvoorbeeld energie of bewapening;

43. herhaalt dat een goede regelgeving en wetgeving is ontwikkeld op het gebied van soft law en dat dergelijke wetgeving bedrijven stimuleert die voldoen aan de MVO-principes, waarbij bedrijven die de MVO-principes nog niet hebben ingevoerd de benodigde tijd krijgen om zich aan te passen;

Opneming van MVO in EU-beleid en -programma's

44. is verheugd over de toezeggingen die in de mededeling van de Commissie worden herhaald om bij al haar terreinen van activiteit MVO te ondersteunen en te bevorderen en verzoekt om een grote inspanning om deze toezeggingen te vertalen in concrete acties over de hele linie;

45. meent dat het MVO-debat niet moet worden losgemaakt van vragen omtrent de verantwoording van ondernemingen en dat kwesties omtrent de sociale en ecologische gevolgen van bedrijvigheid, betrekkingen met betrokken partijen, de rechten van de houders van minderheidsaandelen en de plichten van directeuren van ondernemingen op dit punt volledig dienen te worden opgenomen in het Actieplan van de Commissie voor "Corporate Governance"(MVO-actieplan); wijst erop dat deze kwesties deel moeten uitmaken van het MVO-debat; vraagt de Commissie deze speciale punten in overweging te nemen en met duidelijke voorstellen te komen om deze punten aan te pakken;

46. is verheugd over rechtstreekse financiële steun van de Commissie voor MVO-initiatieven om met name innovatie aan te moedigen, de betrokkenheid van belanghebbende partijen mogelijk te maken en potentiële groepen benadeelden bij te staan bij vermeende kwalijke praktijken, inclusief corporate manslaughter; moedigt de Commissie aan in het bijzonder mechanismen te ontwikkelen die ervoor zorgen dat gemeenschappen die worden benadeeld door Europese bedrijven recht hebben op een eerlijk en toegankelijk proces; onderstreept het belang van EU-begrotingslijn B34000 voor proefprojecten zoals die met betrokkenheid van werknemers (Employee Community Engagement), verhypothekeerde fondsen ter ondersteuning van MVO binnen het programma voor concurrentievermogen en innovatie van de Commissie, alsook om in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling 3% van onderzoek in de sociale en menswetenschappen te besteden aan bedrijven in de maatschappij; roept de Commissie op zich meer in te spannen om MVO te steunen met betrekking tot EU-bedrijven die werkzaam zijn in derde landen door middel van haar programma's voor externe assistentie;

47. is verheugd over de toezegging om scholing tot een van de acht actiegebieden met prioriteit te maken, roept op tot een grondiger integratie van MVO in het Socratesprogramma, de levering van een brede reeks MVO-materialen in het toekomstige European Teaching Resource Centre, en de oprichting van een Europese online directory van businessschools en universiteiten met betrekking tot MVO en duurzame ontwikkeling;

48. moedigt initiatieven op het niveau van de EU en van de lidstaten aan om het onderwijs van verantwoord management en verantwoorde productie op de Europese businessschools te verbeteren;

49. wijst erop dat sociale en milieuverantwoordelijkheid net zo goed geldt voor gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties als voor bedrijven en roept de Commissie op haar toezegging na te komen om een jaarverslag over de sociale en milieueffecten van haar eigen directe activiteiten te publiceren, alsook beleidsmaatregelen te ontwikkelen om het personeel van de EU-instellingen aan te moedigen zich vrijwillig voor de gemeenschap in te zetten;

50. is van mening dat ondernemingen in het kader van MVO culturele en opleidingsactiviteiten onder hun hoede zouden kunnen nemen die het Europees beleid een meerwaarde geven op het gebied van cultuur en levenslang leren;

51. verzoekt de Commissie om MVO beter in haar handelsbeleid te integreren zonder de WTO-regels met voeten te treden en ongerechtvaardigde handelsbarrières op te werpen door te trachten in alle bilaterale, regionale of multilaterale overeenkomsten bindende artikelen op te nemen tot naleving van internationaal overeengekomen MVO-normen, zoals de OESO-richtlijnen, de tripartiete verklaring en de beginselen van Rio van de IAO, met voorbehoud van regelgevende bevoegdheden voor kwesties in verband met mensenrechten en sociale en milieuverantwoordelijkheid; is verheugd over de steun voor deze doelstellingen in de mededeling van de Commissie betreffende de bevordering van waardig werk; herhaalt zijn oproep aan de delegaties van de Commissie in derde landen om binnen de bevoegdheden van de Commissie de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen te bevorderen en hiervoor als contactpunt op te treden; roept de Commissie en lidstaten op het functioneren van de nationale contactpunten te verbeteren, vooral wat betreft het behandelen van gevallen van vermeende schendingen ten gevolge van bedrijfsactiviteiten en aanvoerketens van Europese bedrijven wereldwijd;

52. neemt kennis van de bijdrage die is geleverd door de internationale beweging voor eerlijke handel in de vorm van zestig jaar pionierswerk op het gebied van verantwoorde bedrijfspraktijken en het aantonen dat dergelijke praktijken levensvatbaar en duurzaam zijn door de gehele aanvoerketen; roept de Commissie op de ervaring van de beweging voor eerlijke handel in aanmerking te nemen en systematisch te onderzoeken hoe deze ervaring kan worden gebruikt in het kader van MVO;

53. vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat in de EU gevestigde transnationale bedrijven met productiefaciliteiten in derde landen, in het bijzonder die welke deelnemen aan het programma GSP+, voldoen aan de basisnormen van de IAO, de sociale en milieuverdragen en de internationale overeenkomsten om zo wereldwijd een evenwicht mogelijk te maken tussen economische groei en hoge sociale en milieunormen;

54. is verheugd over de toezegging van de Europese consensus over ontwikkeling om MVO bij wijze van prioriteit te steunen; roept het DG Ontwikkeling op concrete stappen te ondernemen om een actieve rol te spelen in het debat, de arbeidsomstandigheden en het gebruik van de natuurlijke rijkdommen in de ontwikkelingslanden te onderzoeken, met binnenlandse bedrijven alsook met de overzeese vestigingen van EU-bedrijven, onderaannemers en andere belanghebbende partijen samen te werken om misbruik en wanpraktijken in de aanvoerketens tegen te gaan, armoede te bestrijden en rechtvaardige groei te bewerkstelligen;

55. stelt voor dat de Commissie streeft naar deelneming van kleine ondernemingen in MVO door samenwerking met bemiddelende instanties, door specifieke steun te verlenen voor deelneming van coöperatieve/sociaaleconomische bedrijven via hun brancheverenigingen; stelt voorts voor dat zij het netwerk van Europese Voorlichtingscentra benut om MVO-initiatieven rechtstreeks te bevorderen en overweegt om bij het DG Ondernemingen een MVO-gezant, te vergelijken met de gezant voor het MKB, aan te wijzen;

56. beveelt aan dat de Commissie een diepgaande Europa-omvattende studie uitvoert over de verschillende manieren waarop kleine en middelgrote ondernemingen kunnen deelnemen aan MVO en over de prikkels voor hen om MVO-principes aan te nemen op vrijwillige, individuele basis, en dat de juiste lessen worden geleerd van de verworven ervaring en de goede praktijken op dit gebied;

57. is verheugd over de toezegging in de Commissiemededeling om de participatie van werknemers en hun vakbonden in MVO te vergroten en herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de sociale partners om voort te bouwen op de succesvolle sluiting van 50 internationale kaderovereenkomsten en 30 Europese kaderovereenkomsten in verband met hoofdzakelijk fundamentele arbeidsnormen voor afzonderlijke ondernemingen of sectoren, dat het beschouwt als een benadering voor het ontwikkelen van verantwoordelijkheid van ondernemingen in Europa en de rest van de wereld; verwijst naar de Europese ondernemingsraden, die uiterst geschikt zijn om MVO en in het bijzonder fundamentele werknemersrechten in multinationale ondernemingen te bevorderen;

58. benadrukt het belang van de rol van de sociale partners in de stimulering van de werkgelegenheid van vrouwen en de bestrijding van discriminatie; moedigt hen aan om, in het kader van MVO, initiatieven te nemen ten gunste van een grotere participatie van vrouwen in het bestuur van ondernemingen, ondernemingsraden en instanties voor de sociale dialoog;

59. adviseert om bij toekomstig MVO-onderzoek niet alleen te kijken naar de "zakelijke argumenten" voor MVO, maar ook naar het verband tussen concurrentievermogen en duurzame ontwikkeling op macroniveau (de EU en de lidstaten), mesoniveau (industriesectoren en aanvoerketens) en microniveau (MKB), en de onderlinge relatie daartussen, en de gevolgen van huidige MVO-initiatieven en eventuele schendingen van MVO-beginselen; steunt de leidende rol die wordt gespeeld door de European Academy of Business in Society in dit opzicht; verzoekt de Commissie om publicatie van een gezaghebbende "jaarlijkse stand van het MVO" op te stellen door onafhankelijke deskundigen en onderzoekers, waarin bestaande informatie wordt samengevoegd, nieuwe ontwikkelingen worden beschreven en aanbevelingen voor toekomstige maatregelen worden gedaan;

De bijdrage van Europa aan mondiaal maatschappelijke verantwoord ondernemen

60. meent dat de mogelijke invloed van MVO-beleid het grootst is als het gaat om wereldwijde aanbodketens van ondernemingen, teneinde verantwoorde investeringen door ondernemingen mogelijk te maken en aldus bij te dragen aan de bestrijding van armoede in de ontwikkelingslanden, om waardige arbeidsomstandigheden te bevorderen, beginselen van eerlijke handel en goed bestuur te steunen en tevens het aantal gevallen te beperken van inbreuk op internationale normen, ook arbeidsnormen, door ondernemingen in landen waar regelgeving schaars of onbestaande is;

61. roept de Commissie op specifiek onderzoek te starten naar dat effect en met voorstellen te komen om verantwoorde investeringen door bedrijven en hun verantwoordelijkheid te vergroten;

62. erkent dat een aantal internationale MVO-initiatieven dieper geworteld zijn en een nieuwe rijpheid hebben bereikt, waaronder de recente publicatie van 'G3'-richtlijnen door het Global Reporting Initiative, de verwijdering van 200 bedrijven door het UN Global Compact en de benoeming van een speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-generaal van de VN voor bedrijven en mensenrechten;

63. roept de Commissie op het voortouw te nemen wat betreft wereldomvattende oproepen tot de hervorming van het ondernemingsrecht, als de fundamentele vereiste voor oprecht, geïntegreerd MVO;

64. is teleurgesteld dat de Commissie in haar mededeling niet meer prioriteit heeft toegekend aan het bevorderen van mondiale initiatieven en verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten en de betrokken partijen een strategische visie en inbreng bij het opzetten van MVO-initiatieven op mondiaal niveau te ontwikkelen en tevens belangrijke inspanningen te doen voor veel intensievere deelname van EU-ondernemingen aan dergelijke initiatieven;

65. verzoekt de lidstaten en de Commissie om inachtneming van de basisnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) te ondersteunen en te stimuleren als onderdeel van het maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) van bedrijven, overal waar deze opereren;

66. is van mening dat de internationale dimensie van MVO een stimulans dient te vormen voor het opstellen van richtlijnen die de ontwikkeling van dit soort beleid in de gehele wereld moeten bevorderen;

67. verzoekt de Commissie om samen met andere betrokken partners in 2007 een groot internationaal initiatief te organiseren ter markering van de vijfde verjaardag van de toezegging die op de Wereldtop over duurzame ontwikkeling is overeengekomen om intergouvernementele initiatieven op het gebied van de verantwoording van ondernemingen te ontplooien;

68. verzoekt de Commissie om voort te bouwen op het succes van de transatlantische dialoog van het bedrijfsleven over MVO in de jaren 1990, door een overeenkomstige dialoog tussen de EU en Japan te organiseren;

69. pleit ervoor om internationale initiatieven te blijven ontwikkelen voor volledige transparantie met betrekking tot de opbrengsten van Europese bedrijven bij hun activiteiten in derde landen, voor volledige naleving van de mensenrechten bij bedrijfsactiviteiten in conflictgebieden en voor het afzien van lobbying, zoals 'host-country agreements' die bedrijven sluiten om de voorschriften in dergelijke landen te ondermijnen of te ontwijken;

70. roept de Commissie en lidstaten op bij te dragen aan de ondersteuning en versterking van de OESO-richtlijnen, met name door een onderzoek uit te voeren naar de doelmatigheid van Europese nationale contactpunten (NCP's) en hun rol in het doelmatig bemiddelen tussen belanghebbenden om conflicten op te lossen; roept op tot de ontwikkeling van een model voor Europese nationale contactpunten met beste praktijken betreffende hun institutionele structuur, zichtbaarheid, toegankelijkheid voor alle belanghebbenden en de behandeling van klachten; roept op tot een brede interpretatie van de definitie van investering bij de toepassing van de OESO-richtlijnen om te garanderen dat toevoerketenkwesties worden behandeld in het kader van implementatieprocedures;

71. verzoekt om steun voor de ontwikkeling van het "Global Reporting Initiative" (GRI - mondiale verslagleggingsinitiatief) door vooraanstaande Europese bedrijven uit te nodigen deel te nemen aan nieuwe sectorale benaderingen op het gebied van de bouw, de chemische industrie en de landbouw; om onderzoek over de participatie door kleine en middelgrote ondernemingen te bevorderen, om activeringswerk met name in Midden- en Oost-Europese landen mogelijk te maken en duurzaamheidsindexen te ontwikkelen in samenwerking met beurzen in opkomende markten;

72. roept de Commissie op om in toekomstige samenwerkingsovereenkomsten met ontwikkelingslanden hoofdstukken op te nemen over onderzoek, monitoring en hulp om sociale, menselijke en milieuproblemen bij de bedrijfsactiviteiten en toevoerketen van in de EU gevestigde bedrijven in derde landen te bestrijden;

73. is in principe verheugd over de plannen van de International Standards Organisation om een norm te creëren voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en roept de Europese vertegenwoordiging op ervoor te zorgen dat het bereikte resultaat strookt met de internationale normen en overeenkomsten en de mogelijkheid behoudt om parallelle methoden externe beoordeling en certificering te ontwikkelen;

°

°         °

74. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en alle instellingen en organisaties die hierin genoemd worden.

(1)

www.globalreporting.org

(2)

PB C 104 van 14.4.1999, blz. 180.

(3)

PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.

(4)

PB L 114 van 24.4.2001, blz. 1.

(5)

PB C 86 van 10.4.2002, blz. 3.

(6)

PB C 187 E van 7.8.2003, blz. 180.

(7)

PB C 67 E van 17.3.2004, blz. 73.

(8)

PB L 156 van 13.6.2001, blz. 33.

(9)

PB C 271 E van 12.11.2003, blz. 598.

(10)

PB C 39 van 18.2.2003, blz. 3.

(11)

PB L 178 van 17.7.2003, blz. 16.

(12)

PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114.

(13)

PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.

(14)

PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 84.

(15)

Aangenomen teksten, 6.7.2006, P6_TA(2006)0320.

(16)

PB L 39 van 14.02.1976, blz.40. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2002/73/EG (PB L 269 van 05.10.2002, blz.15).


TOELICHTING

Maatschappelijk verantwoord ondernemen betekent dat het bedrijfsleven meer directe verantwoordelijkheid aanvaardt voor de maatschappelijke en ecologische gevolgen van de bedrijfsvoering, meer openlijk verantwoordelijk wordt niet alleen jegens werknemers en hun vakbonden, maar ook jegens "betrokken partijen" waaronder investeerders, consumenten, plaatselijke gemeenschappen, milieu- en andere belangengroepen.

De opkomst van MVO kan worden beschouwd als een reactie op schandalen in de afgelopen twintig jaar, waarbij voornamelijk Amerikaanse ondernemingen waren betrokken, en als een direct antwoord van vanuit het zakenleven en daarbuiten om rechtstreeks het hoofd te bieden aan uitdagingen zoals klimaatverandering, sociale uitsluiting en armoede in de wereld, problemen waarover men zich in een periode van economische globalisering steeds meer zorgen maakt.

Als rapporteur is dit mijn derde verslag met resolutie van het Europees Parlement dat ik sinds 1999 over dit onderwerp heb opgesteld. Bij mijn ontmoetingen met tal van deelnemers aan de "MVO-beweging" viel mij op hoe - in het beste geval - de betrokkenen met vreugde en enthousiasme willen ingaan op deze uitdagingen van een nieuw tijdperk, een andere visie voor het bedrijfsleven in de maatschappij willen creëren, een bereidheid tonen om risico te nemen bij het aangaan van nieuwe relaties die verdergaan dan traditionele grenzen en een echte inzet als het erom gaat in een complexe en moeilijke wereld iets tot stand te brengen. Bij pleitbezorgers en critici zijn er ook enkele die MVO beschouwen als voornamelijk een public relations-instrument waarmee zij de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor maatschappelijke of milieuproblemen kunnen ontlopen of belemmeren. Bovendien zijn er veel zakenlieden die wel MVO in de praktijk brengen maar die niets moeten hebben van het jargon en het apparaat dat wordt geassocieerd met wat een heel aparte bedrijfstak is geworden. Niettemin is gebleken dat MVO geen bevlieging of modegril is, en erkennen zowel zakenlieden als leidende politici hun eigen verantwoordelijkheid om op dit punt verder te komen.

Het antwoord van de EU op het MVO-debat werd ingegeven door de oproep medio jaren '90 van de Commissie aan het bedrijfsleven om sociale uitsluiting te helpen bestrijden, de resolutie van het Europees Parlement van 1999 waarin werd aangedrongen op een bindende gedragscode voor EU-ondernemingen om zich in de gehele wereld te houden aan milieu- en arbeidsnormen en toepassing van de mensenrechten, alsmede de oproep in 2000 van de staatshoofden van de EU aan het bedrijfsleven om MVO als onderdeel van de Agenda van Lissabon te steunen.

Het Groenboek en het Witboek betreffende MVO van de Commissie in het begin van dit decennium zette MVO op de agenda van de EU-instellingen, en de oprichting van een Europees "Multistakeholder Forum" maakte een echt debat tussen de betrokken partijen mogelijk, hoewel dit vaak werd belemmerd door traditionele opvattingen en werkwijzen van de sociale partners op EU-niveau. Deze processen bevorderden het debat over MVO in de gehele EU maar konden de EU er niet of nauwelijks toe brengen enige "toegevoegde waarde" aan het debat te geven of concrete stappen te nemen ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen.

De publicatie door de Commissie van haar reactie werd twee jaar lang telkens weer uitgesteld omdat de Commissie de fundamentele polarisatie uit de weg ging tussen de mensen uit het bedrijfsleven en andere betrokken partijen die vonden dat voor MVO eisen van transparantie dienden te gelden die waren vastgelegd door middel van externe verificatie en/of wetgeving waarbij een expliciete rol voor betrokken partijen was weggelegd, en degenen die MVO wensten te beschouwen als een ontwikkeling die uitsluitend door het bedrijfsleven werd geleid en plaatsvond zonder enige inbreng van overheidsbeleid, afgezien van toespraken, persconferenties en prijsuitreikingen.

De Commissie besloot zich uiteindelijk uit het debat terug te trekken en stelde een mededeling op waarin zij zich duidelijk schaarde achter een benadering zonder regelgeving. Commissarissen hadden een reeks privé-ontmoetingen met een select aantal vertegenwoordigers van ondernemingen om over de tekst van de mededeling te onderhandelen en verklaarden vervolgens dat deze de instemming van het bedrijfsleven had, en hadden pas na publicatie persoonlijke ontmoetingen met belangstellende NGO's om de inhoud te bespreken. De belangrijkste functionaris van de Commissie voor MVO blijkt naar een andere post te zijn overgeplaatst, wellicht om de weg vrij te maken voor deze nieuwe "consensus". Een gelekte memo van de Europese werkgeversorganisatie UNICE omschrijft de mededeling als een "echt succes" omdat "aan andere belanghebbende partijen gedane concessies … geen echte invloed hebben". Dit doet twijfel rijzen aan de oprechtheid van de op het laatste moment aangebrachte wijziging om het "Multistakeholder Forum" bijeen te roepen, en lijkt erop te wijzen dat de Commissie de ondernemerslobby wellicht overmatig veel ruimte heeft gegeven, in strijd met haar eigen transparantie-initiatief van november 2005.

Het Europees Parlement moeten daarom enkele strategische keuzes maken bij het bepalen van zijn standpunt inzake de mededeling.

Hoewel het makkelijk is om het gehele proces te veroordelen, zou dit waarschijnlijk leiden tot volledige terugtrekking van de EU uit het MVO-debat; vandaar de vraag: hoe moet dit debat dan wel worden gevoerd?

Ten eerste moet het "Verbond voor het bedrijfsleven" zorgen voor een minimale mate van organisatie en transparantie, zoals de deelnemende ondernemers zelf ook van hun eigen bedrijfsactiviteiten zouden verwachten. Ook moet lering worden getrokken uit de procedurele moeilijkheden van het "Multistakeholder Forum", en moet dit Forum in staat zijn onderzoek te doen naar regelgevende benaderingen en hierover te discussiëren, om zo het debat tussen de vrijwillige en de verplichte aanpak te "depolariseren".

De Commissie moet volledig aan beide series besprekingen gaan deelnemen, en alle deelnemers zouden zich moeten richten op aanbevelingen voor specifieke maatregelen in het kader van het EU-beleid en op programma's voor tenuitvoerlegging van de diverse aspecten van MVO.


De gelegenheid moet worden aangegrepen om de verplichte vereisten voor lobbyisten van het bedrijfsleven en andere belanghebbende bij de EU-beleidsvorming te steunen, om te laten zien dat dit Parlement zich geroepen voelt een inclusief, evenwichtig en transparante debat te voeren.

Het Europees Parlement moet de aandacht van de Commissie voor de link tussen concurrentievermogen en MVO niet verwerpen, deels omdat zij nieuwe politieke zichtbaarheid biedt en deels omdat de Commissie, door te kiezen voor een benadering tegen regelgeving, wellicht de benadering van MVO als "waardeschepping" die is ingegeven door kansen voor EU-ondernemingen om nieuwe, maatschappelijk en ecologisch gezien innovatieve producten en procédés te ontwikkelen, heeft onderbelicht.

Het Parlement moet echter erkennen dat ondernemingen die met concurrenten te maken krijgen die minder strenge MVO-normen willen toepassen, kleine bedrijven die geconfronteerd worden met allerlei ook tegenstrijdige eisen van de ondernemingen waaraan zij leveren, investeerders en consumenten die de informatie op grond waarvan zij ethische keuzes willen maken, verward en onduidelijk vinden - dat dit alles betekent dat we de benadering van "alles moet kunnen" van MVO die de Commissie volgt, moeten verwerpen en moeten terugkeren naar het begrip "convergentie"waar de Commissie eerder voor pleitte. Door de essentieel vrijwillige aanpak te steunen en de "winnaars"onder de MVO-initiatieven (maar geen afzonderlijke ondernemingen) uit te kiezen en niet iedereen over één kam te scheren, kunnen we het huidige debat benaderen op een meer relevante wijze die binnen het bedrijfsleven nog altijd op veel steun kan rekenen.

Om ons eigen debat over de verplichte dan wel de vrijwillige benadering te "depolariseren" dient het Europees Parlement te volstaan met een herhaling van de standpunten van 2002 en 2003 ten behoeve van één nieuw wetgevingsdocument voor een geïntegreerde maatschappelijke, ecologische en financiële verslaglegging door ondernemingen - althans grote ondernemingen. Niet meer en niet minder. Het is de ultieme "gepaste regelgeving" om simpelweg transparantie te verlangen, zodat de mogelijkheid wordt geboden voor vrijwillige, op de markt gebaseerde reacties van potentiële sollicitanten bij ondernemingen, investeerders en consumenten.

In plaats van voor extra nieuwe wetgeving te pleiten, kan het Parlement de bevordering van MVO door de EU een handje helpen door gebruik te maken van bestaande EU-wetgeving, -beleid en -programma's. De mededeling heeft dezelfde doelstellingen, maar het Parlement kan helpen de details aan te brengen die de Commissie liever omzeilt.

Ondernemingen worden wel degelijk uitgenodigd in ondernemingsoverzichten de maatschappelijke en ecologische gevolgen te behandelen als onderdeel van drie aparte EU-verordeningen inzake verantwoordelijkheid van ondernemingen. We willen oproepen tot omvangrijke inspanningen om meer bekendheid aan deze bepalingen te geven, doeltreffende omzetting in de EU te steunen en overleg te plegen over kwesties in verband met de materiële aspecten van MVO en over andere manieren om deze bepalingen in de toekomst meer inhoud te geven. En moet geen kunstmatige kloof bestaan tussen MVO en kwesties omtrent de rekenschap en verantwoordelijkheid van ondernemingen.

Er wordt gewerkt aan belangrijke en echte initiatieven in EU-verband om MVO te bevorderen, met volledige eerbiediging van internationaal overeengekomen normen en de benadering met inspraak van de belanghebbende partijen, en deze initiatieven verdienen te worden gesteund. De aan het Parlement voorgelegde ontwerpresolutie sluit aan bij de uitvoerige besprekingen met MVO-Europa, het "European Social Investment Forum", de "European Academy of Business in Society" en vele andere organisaties.

De Commissie wordt verzocht te zorgen voor meer bewustwording en tevens bestaand beleid inzake misleidende reclame, buitenlandse rechtstreekse aansprakelijkheid en overheidsopdrachten rechtstreeks toe te passen, met inbegrip van de oprichting van een laboratorium van het Europees Verbond voor MVO, en om een krachtig signaal af te geven ten gunste van verantwoordelijkheid van ondernemingen. Dit strookt volledig met aanbeveling nr. 7 van het "Multistakeholder Forum" die ten volle wordt ondersteund door de vertegenwoordigers van het bedrijfsleven ten gunste van een "wettelijk kader (…) om ondernemingen die verder willen gaan met MVO, hiervan op de markt te laten profiteren, zowel in de EU als mondiaal”.

Wat betreft de institutionele reacties wordt gepleit voor het instellen van een EU-ombudsman inzake MVO en voor een rapport over "jaarlijkse stand van het MVO", maar het Parlement wordt geadviseerd tegen een "snelle oplossing" door een Europees "sociaal label" in te stellen dat wel eens geloofwaardigheidsproblemen zou kunnen ondervinden, ten gunste van meer samenwerking en consistentie tussen bestaande etiketten - ook een voorbeeld van convergentie.

Tenslotte wil ik in een manier voorstellen om het debat over MVO in de EU dat maar al te vaak door verschil van mening, vertraging en wantrouwen werd gekenmerkt, om te buigen tot een opwindend debat dat wordt gevoerd met enthousiasme en inzet, zoals in het begin beschreven.

Het Europees Parlement moet trachten het debat meer te verleggen naar mondiale MVO-strategieën. Ondernemingen voelen zicht zeer veel prettiger bij deze benadering en zo wordt ook de vrees weggenomen dat zij vanwege EU-maatregelen ten opzichten van internationale concurrenten in het nadeel komen te verkeren. Vakbonden onderhandelen steeds vaker wereldwijd over internationale kaderovereenkomsten en hebben oog voor de mondiale markten waarbinnen EU-ondernemingen opereren. Activisten onderkennen dat er ernstigste voorbeelden zijn van schendingen van milieu- en arbeidsnormen en van de mensenrechten onderaan de mondiale toeleveringsketen van "noordelijke" ondernemingen op markten van "zuidelijke" ontwikkelingslanden, en dat het uiteindelijke doel een bindend internationaal verdrag inzake de verantwoordelijkheid van ondernemingen moet zijn - zoals bepleit op de Wereldtop voor duurzame ontwikkeling te Johannesburg.

De Commissie moet erkennen dat een dergelijke benadering niet betekent dat de EU zich aan acties kan onttrekken, maar dat het juist een veel grotere uitdaging is om de publieke opinie in de lidstaten mee te krijgen ten gunste van resolute actie in internationaal verband. Het Duitse, Portugese en Franse EU-Voorzitterschap in de komende twee jaar zijn alle geestdriftig als het gaat om het nemen van stappen op dit terrein, en het Parlement moet voorstellen dat Europa bij het internationale debat de leiding neemt door een internationale conferentie bijeen te roepen om de vijfde verjaardag te markeren van de toezegging van Johannesburg om "intergouvernementele initiatieven inzake verantwoordelijkheid van ondernemingen" te herzien en erop voort te bouwen. Ook stel ik een bilaterale dialoog over dit onderwerp voor tussen de EU en Japan.

Een dergelijke benadering houdt ook gezamenlijke pogingen in om MVO in het ontwikkelings- en handelsbeleid van de EU te integreren en ook de OESO-richtlijnen inzake multinationale ondernemingen volledig operationeel te maken - een belofte die nooit is nagekomen.

Nu de Speciale Vertegenwoordiger van de VN voor bedrijfsleven en mensenrechten openlijk regelgevende antwoorden op het MVO-debat overweegt, nu het befaamde Global Reporting Initiative (GRI – mondiale verslagleggingsintiatief) dat voortvloeit uit de de programma's van de VN, openlijk streeft naar convergentie van MVO-instrumenten met het bedrijfsleven, en nu de "Global Compact" van de VN 200 ondernemingen van zijn initiatief heeft uitgesloten wegens het niet voldoen aan zijn vereisten, ziet ook de Commissie zich gesteld voor de realiteit dat de benadering in haar mededeling van "alles moet kunnen" is verouderd er niet meer in deze tijd past.

Maar als het Europees Parlement erin slaagt om een resolutie op te stellen die helpt om de dialoog over MVO in de EU te voeren op doeltreffende en heldere wijze te voeren, de Commissie aanmoedigt om het niet bij woorden te laten maar ook concrete maatregelen te nemen die de "toegevoegde waarde"van een EU-benadering binnen het EU-beleid en -programma's zichtbaar maken, waardoor tevens wordt voorkomen dat Europa achterop raakt in het MVO-debat en waardoor een deen van de visie en geest van de mondiale MVO-beweging in onze eigen discussies voelbaar wordt, ja dan kan het MVO-debat in Europa weer op de rails worden gezet.


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (29.11.2006)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap
(2006/2133(INI))

Rapporteur voor advies: Gunnar Hökmark

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, zijnde de verantwoordelijke commissie, de onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  onderstreept de rol van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) wat betreft de bijdrage ervan aan duurzame ontwikkeling en de strategie van Lissabon op punten zoals een rationeler gebruik van de natuurlijke hulpbronnen, betere resultaten op het gebied van innovatie, terugdringen van de armoede en meer respect voor de mensenrechten;

2.  steunt het door de Commissie genomen initiatief tot het opzetten van een forum voor een dialoog met de stakeholders in en tussen de lidstaten die op Europees niveau de uitwisseling van beste praktijken bevordert en de bewustwording op het gebied van MVO vergroot; benadrukt desalniettemin dat de Commissie geen initiatieven mag nemen om weer een overbodig regelgevingskader tot stand te brengen dat nieuwe regels introduceert die in de betrokken lidstaten niet bestaan;

3.  benadrukt dat de betrokkenheid van ondernemingen bij MVO-activiteiten altijd een vrijwillig karakter dient te hebben en dat hierbij altijd rekening moet worden gehouden met de huidige stand van de ontwikkeling van de markt in alle lidstaten alsook met hun ondernemingscultuur, naleving van het beginsel van sociaal partnerschap en politieke aspecten; benadrukt tevens dat MVO-activiteiten nooit een substituut kunnen zijn voor activiteiten van de publieke sector wanneer zulke maatregelen eigenlijk wenselijk zijn, en onafhankelijk moeten zijn van de geldende regelgevingskaders voor spelers in de publieke sector;

4.  wijst erop dat MVO nieuwe thema's dient aan te pakken zoals levenslang leren, arbeidsorganisatie, gelijke kansen, sociale integratie, duurzame ontwikkeling en ethiek, zodat het als extra instrument kan dienen voor het beheer van de industriële verandering en herstructurering;

5.  moedigt ondernemingen aan individueel een besluit te nemen over benchmarks voor MVO-oplossingen; is van mening dat MVO-activiteiten die niet voortkomen uit ondernemingen zelf, maar van buitenaf worden opgelegd, een ongunstig effect kunnen hebben op de bereidheid van ondernemingen om te investeren in en zaken te doen met andere landen, met name ontwikkelingslanden, en zo de kansen op economische ontwikkeling zouden kunnen verkleinen en de inspanningen om de armoede uit te bannen zouden kunnen doen verminderen;

6.  onderstreept dat het van belang is vertrouwen op te bouwen, consensus te bereiken en steun te creëren voor internationaal aanvaarde beginselen zoals de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, gezien het feit dat er geen universeel overeengekomen meetsysteem voor MVO-activiteiten bestaat;

7.  verwelkomt een dialoog die ondernemingen aanmoedigt een redelijk evenwicht te vinden tussen ethische overwegingen, het maken van winst en concurrentievermogen; verwerpt de idee dat inspanningen om de winst te vergroten niet verenigbaar zouden zijn met ethisch gedrag, en erkent de voordelen voor de welvaart en de duurzaamheid die open, competitieve markten brengen; benadrukt dat alle Europese ondernemingen bij hun activiteiten in derde landen de ethische en commerciële verantwoordelijkheid zouden moeten dragen om nooit de fundamentele mensenrechten of vrijheden te schenden; wijst eveneens op het positieve effect dat Europese ondernemingen kunnen hebben op de lokale arbeidsomstandigheden en het milieu en op het belang van de overdracht van knowhow en technologie waarmee buitenlandse investeringen en zakelijke activiteiten in gastlanden gepaard gaan; benadrukt tevens de verantwoordelijkheid van ondernemingen die als werkgever of betrokken partij in derde landen actief zijn, nooit te profiteren van de bestaande onderdrukking van burgers; deelt de mening dat de consumenten een belangrijke rol in de economie dienen te spelen;

8.  is van mening dat de internationale dimensie van MVO een stimulans dient te vormen voor het opstellen van richtlijnen die de ontwikkeling van dit soort beleid in de gehele wereld moeten bevorderen.

PROCEDURE

Titel

Maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap

Procedurenummer

2006/2133(INI)

Commissie ten principale

EMPL

Advies uitgebracht door

Datum bekendmaking

ITRE
15.6.2006

Nauwere samenwerking – datum bekendmaking

 

Rapporteur voor advies
  Datum benoeming

Gunnar Hökmark
20.6.2006

Vervangen rapporteur voor advies

 

Behandeling in de commissie

10.10.2006

28.11.2006

 

 

 

Datum goedkeuring

28.11.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

27

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

 

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

Jan Březina, Jerzy Buzek, Pilar del Castillo Vera, Giles Chichester, Den Dover, Adam Gierek, Norbert Glante, Umberto Guidoni, Fiona Hall, Rebecca Harms, Erna Hennicot-Schoepges, Romana Jordan Cizelj, Werner Langen, Eugenijus Maldeikis, Reino Paasilinna, Miloslav Ransdorf, Vladimír Remek, Teresa Riera Madurell, Mechtild Rothe, Paul Rübig, Andres Tarand, Catherine Trautmann, Nikolaos Vakalis, Alejo Vidal-Quadras, Dominique Vlasto

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Pilar Ayuso, Gunnar Hökmark, Lambert van Nistelrooij

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (27.11.2006)

aan de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

over het maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap
(2006/2133(INI))

Rapporteur voor advies: Marie Panayotopoulos-Cassiotou

SUGGESTIES

De commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid vraagt de bevoegde commissie werkgelegenheid en sociale zaken de volgende suggesties op te nemen in de ontwerpresolutie:

1.   verzoekt de lidstaten en de Commissie om inachtneming van de basisnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) te ondersteunen en te stimuleren als onderdeel van het maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), overal waar zij opereren;

2.   herinnert aan de noodzaak sociaal en ecologisch verantwoord ondernemerschap te stimuleren om de millenniumdoelstellingen voor de ontwikkeling te verwezenlijken; moedigt de Commissie en de lidstaten aan om het vrouwelijk potentieel in dit domein te stimuleren en actief te benutten; is evenwel van mening dat een onderneming zich alleen dan sociaal verantwoordelijk gedraagt, wanneer zij alle rechten van haar werknemers respecteert;

3.   herinnert aan de fundamentele rol die ondernemingen spelen overeenkomstig Europese waarden; stimuleert de bedrijven geschikte en niet-discriminerende aanwervingspraktijken toe te passen ter bevordering van de werkgelegenheid van vrouwen (om hun arbeidsparticipatie tot tenminste 60% te verhogen) en kansarme personen, inclusief gehandicapten; verzoekt de lidstaten en de Commissie de aandacht te vestigen op goede praktijken van ondernemingen op dit terrein, in het bijzonder door het toekennen van prijzen of andere onderscheidingen;

4.   verlangt een sociaal verantwoordelijk aanwervingsbeleid gericht op zowel gediscrimineerde of kansarme groepen als op mensen met een beperkte arbeidsgeschiktheid vanwege een handicap;

5.   vraagt de lidstaten en de Commissie zich te verplichten MVO te stimuleren in alle Europese ondernemingen die binnen het gebied van de Europese Unie alsook daarbuiten actief zijn; roept de Commissie op om in het kader van de werkzaamheden van het Verbond te streven naar een gedragscode die de Europese ondernemingen zouden kunnen onderschrijven;

6.   benadrukt dat ondernemingen met sociaal verantwoordelijkheidsgevoel een belangrijke bijdrage leveren aan het opheffen van de ongelijkheid die met name vrouwen en mensen met een handicap op de arbeidsmarkt ondervinden, in het bijzonder op het gebied van toegang tot de arbeidsmarkt, sociale uitkeringen, opleiding, loopbaanontwikkeling en een rechtvaardig loon- en salarisbeleid; benadrukt dat ondernemingen hun aanstellingsbeleid behoren af te stemmen op Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden(1);

7.   wijst erop, dat sociaal verantwoordelijk handelen betekent dat de wetgeving van de lidstaten en het Gemeenschapsrecht inzake gelijke behandeling en non-discriminatie bij alle ondernemingsactiviteiten worden gerespecteerd, inclusief bij het verplaatsen van de onderneming;

8.   benadrukt het belang van de rol van de sociale partners in de stimulering van de werkgelegenheid van vrouwen en de bestrijding van discriminatie; moedigt hen aan om, in het kader van MVO, initiatieven te nemen ten gunste van een grotere participatie van vrouwen in het bestuur van ondernemingen, ondernemingsraden en in instanties voor de sociale dialoog;

9.   benadrukt dat MVO politieke maatregelen tot gevolg zou moeten hebben ter bevordering van een rechten garanderende en goede arbeidsomgeving en om een betere combinatie van werk en gezinsleven mogelijk te maken;

10. is van mening dat ondernemingen in het kader van MVO culturele en vormingsactiviteiten onder hun hoede zouden kunnen nemen die de Europese politiek een meerwaarde geven op het gebied van cultuur en levenslang leren;

11. verzoekt de Europese Commissie om, in het kader van de voortgang van MVO, een sterkere participatie van vrouwen aan het Multistakeholder Forum en de uitwisseling van informatie en van goede praktijkvoorbeelden op het gebied van gendergelijkheid aan te moedigen.

12. verlangt een integrale benadering van MVO, omdat de sociale verantwoordelijkheid van een onderneming zich niet beperkt tot de directe arbeidsverhouding, maar ook andere levensgebieden omvat, zoals de toegang tot hulpmiddelen, transport en veiligheid.

PROCEDURE

Titel

Het maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap

Procedurenummer

2006/2133(INI)

Commissie ten principale

EMPL

Advies uitgebracht door

Datum bekendmaking

FEMM

15.6.2006

Nauwere samenwerking – datum bekendmaking

 

Rapporteur voor advies
  Datum benoeming

Marie Panayotopoulos-Cassiotou

17.11.2006

Vervangen rapporteur voor advies

 

Behandeling in de commissie

5.10.2006

23.11.2006

 

 

 

Datum goedkeuring

23.11.2006

Uitslag eindstemming

+:

-:

0:

15

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Edit Bauer, Hiltrud Breyer, Ilda Figueiredo, Věra Flasarová, Zita Gurmai, Esther Herranz García, Lívia Járóka, Pia Elda Locatelli, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Christa Prets, Eva-Britt Svensson, Britta Thomsen

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s)

Anna Hedh, Sophia in 't Veld, Heide Rühle

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

(1)

PB L 39 van 14.02.1976, blz.40. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2002/73/EG (PB L 269 van 05.10.2002, blz.15).


PROCEDURE

Titel

Maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap

Procedurenummer

(2006/2133(INI))

Commissie ten principale

        Datum bekendmaking toestemming

EMPL

15.6.2006

Medeadviserende commissie(s)
  Datum bekendmaking

DEVE
15.6.2006

ECON
15.6.2006

ITRE
15.6.2006

IMCO
15.6.2006

JURI
15.6.2006

 

FEMM
15.6.2006

 

 

 

 

Geen advies
  Datum besluit

DEVE
11.7.2006

ECON
5.9.2006

IMCO
4.9.2006

JURI
11.9.2006

 

Nauwere samenwerking

        Datum bekendmaking

 

 

Rapporteur(s)
  Datum benoeming

Richard Howitt
19.4.2006

 

Vervangen rapporteur(s)

 

 

Behandeling in de commissie

13.9.2006

4.10.2006

22.11.2006

18.12.2006

 

Datum goedkeuring

19.12.2006

Uitslag eindstemming

+

-

0

25

15

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jan Andersson, Roselyne Bachelot-Narquin, Emine Bozkurt, Philip Bushill-Matthews, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Luigi Cocilovo, Proinsias De Rossa, Harald Ettl, Carlo Fatuzzo, Ilda Figueiredo, Joel Hasse Ferreira, Roger Helmer, Stephen Hughes, Karin Jöns, Ona Juknevičienė, Sepp Kusstatscher, Jean Lambert, Raymond Langendries, Thomas Mann, Mario Mantovani, Csaba Őry, Siiri Oviir, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Jacek Protasiewicz, José Albino Silva Peneda, Kathy Sinnott, Jean Spautz, Struan Stevenson, Anne Van Lancker, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Udo Bullmann, Françoise Castex, Richard Howitt, Jamila Madeira, Claude Moraes, Roberto Musacchio, Elisabeth Schroedter, Patrizia Toia

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 178, lid 2)

Jean-Pierre Audy

Datum indiening

20.12.2006

 

Opmerkingen (slechts in één taal beschikbaar)

 

Laatst bijgewerkt op: 8 januari 2007Juridische mededeling