Procedure : 2008/2097(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0445/2008

Ingediende teksten :

A6-0445/2008

Debatten :

Stemmingen :

PV 18/12/2008 - 6.24
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0639

VERSLAG     
PDF 286kWORD 178k
13 november 2008
PE 412.195v02-00 A6-0445/2008

over ontwikkelingsperspectieven voor vredesopbouw en natievorming in post-conflictsituaties

(2008/2097(INI))

Commissie ontwikkelingssamenwerking

Rapporteur: Nirj Deva

Rapporteur voor advies(*):

Luisa Morgantini, Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissie- artikel 47 van het Reglement

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over ontwikkelingsperspectieven voor vredesopbouw en natievorming in post-conflictsituaties

(2008/2097(INI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op de Haagse Conventie van 1907 en de vier Verdragen van Genève van 1949 alsmede de bijbehorende Aanvullende Protocollen van 1977,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–   gelet op alle mensenrechtenverdragen van de Verenigde Naties en de facultatieve protocollen daarbij,

–   gelet op het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en twee de facultatieve protocollen daarbij,

–   gelet op het Handvest van de Verenigde Naties, met name de artikelen 1 en 25 en, in hoofdstuk VII, de artikelen 39 en 41,

–   gelet op het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de protocollen daarbij,

–   gezien de Millenniumverklaring van de Verenigde Naties van 8 september 2000, waarin de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling worden geformuleerd als door de internationale gemeenschap gezamenlijk vastgelegde criteria voor de uitbanning van armoede,

–   gezien resolutie 60/1 van de Algemene Vergadering van de VN van 24 oktober 2005 over het resultaat van de Wereldtop, met name de paragrafen 138-140 over de verantwoordelijkheid voor de bescherming van de bevolking tegen volkerenmoord, oorlogsmisdaden, etnische zuivering en misdaden tegen de menselijkheid,

–   gezien de VN-missies tot herstel en handhaving van de vrede in Congo (1962), Namibië (1988), El Salvador (1992), Cambodja (1992), Somalië (1992), Joegoslavië - Servië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina (1992- 2002), Haïti (1994), Oost-Slavonië (1995- 1998), Kosovo (1999), Sierra Leone (1999), Oost-Timor (1999) en de door de VS en het VK geleide missie in Irak en de missies onder leiding van NAVO/ISAF in Afghanistan (2001),

–   gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS), enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000(1), laatstelijk gewijzigd door Besluit nr. 1/2006 van de ACP-EU-Raad(2) (Overeenkomst van Cotonou),

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad, het Europees Parlement en de Commissie betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: De Europese consensus , ondertekend op 20 december 2005(3), met name de in hoofdstuk 3.3 genoemde transversale vraagstukken: democratie, behoorlijk bestuur, mensenrechten, de rechten van het kind en van inheemse volkeren, milieuduurzaamheid, gendergelijkheid en hiv/aids,

–   gezien de gezamenlijke verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie getiteld "De Europese Consensus over humanitaire hulp"(4),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking(5) (DCI),

–   gezien het Africa-EU Strategic Partnership: Joint Africa-EU Strategy goedgekeurd tijdens de Top EU-Afrika in december 2007,

–   gezien de conclusies van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen (RAZEB), over de westelijke Balkan, van 19 november 2007,

–   gezien de conclusies van de RAZEB inzake de EU-richtsnoeren over kinderen en gewapende conflicten van 16 juni 2008,

–   gezien de conclusies van de RAZEB over de bevordering van gendergelijkheid en gendermainstreaming bij crisisbeheersing van 13 en 14 november 2006,

–   gezien de conclusies van de RAZEB inzake de EU-strategie voor Afrika van 21 en 22 november 2005,

–   gezien het beleidskader van de Afrikaanse Unie (AU) inzake wederopbouw en ontwikkeling na een conflict dat is goedgekeurd door de lidstaten van de AU op de Top in Banjul van 25 juni t/m 2 juli 2006,

–   gezien de tien beginselen voor goed internationaal engagement in onstabiele staten en situaties van de groep inzake onstabiele staten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO)/Development Assistance Committee (DAC) welke zijn goedgekeurd op de vergadering op hoog niveau van de DAC op 3 en 4 april 2007 in Parijs,

–   gezien de herziening van de veiligheidssector en governance en de OESO/DAC-richtsnoeren,

–   gezien de Europese veiligheidsstrategie, die door de Europese Raad werd goedgekeurd in Brussel op 12 december 2003,

–   gezien de definitie van overgangsrechtspraak in het verslag van de secretaris-generaal van de VN over de rechtsstaat en overgangsrechtspraak in door conflicten verscheurde samenlevingen en post-conflictmaatschappijen(6),

–   gezien de financieringsfaciliteit ten bedrage van 12 miljoen euro die door de Commissie in het kader van het Europees stabiliteitsinstrument is ingesteld voor bijstandsverlening aan ad hoc-tribunalen en initiatieven voor overgangsrechtspraak overal ter wereld,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 25 oktober 2007 met de titel : Aanzet tot een antwoord van de EU op onstabiele situaties - Engagement voor duurzame ontwikkeling, stabiliteit en vrede onder moeilijke omstandigheden (COM(2007)643),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 november 2007 over het antwoord van de EU op onstabiele situaties in ontwikkelingslanden(7),

–   gezien de mededeling van de Commissie inzake conflictpreventie COM(2001)0211 en het door de Europese Raad van Göteborg van juni 2001 goedgekeurde EU-programma voor de preventie van gewelddadige conflicten,

–   gezien de verklaring van het EU-voorzitterschap getiteld "The rule of law and transitional justice in conflict and post-conflict societies" van 6 oktober 2004,

–   onder verwijzing naar het EU-concept voor steun aan ontwapening, demobilisatie en reïntegratie (DDR), dat door de Raad van de Europese Unie op 11 december 2006 werd goedgekeurd,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Samenhang van noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling – Evaluatie" (COM(2001)0153),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 oktober 2007 over de stand van de betrekkingen tussen de EU en Afrika(8),

–   gezien resolutie nr. 3937/07 van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en het verslag van haar Politieke Commissie over goed bestuur, transparantie en verantwoordingsplicht ten aanzien van de exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen in de ACS-landen(9),

–   naar aanleiding van resoluties van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over vrouwen, vrede en veiligheid (UNSCR 1325) en over seksueel geweld tegen burgers in conflictsituaties (UNSCR 1820),

–   gezien het ontwerp van een gezamenlijke Europees-Afrikaanse strategie, goedgekeurd door de 8e bijeenkomst van de ministeriële trojka Europese Unie-Afrika van 15 mei 2007 in Brussel,

–   gelet op de artikelen 177 t/m 181 van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie buitenlandse zaken (A6-0445/2008),

A. overwegende dat de helft van de landen die een conflict achter de rug hebben, zich binnen vijf jaar weer in een conflictsituatie bevinden en dat naar schatting 340 miljoen van de armsten der aarde in fragiele staten leven, en dat het beëindigen van de vijandelijkheden niet automatisch leidt tot grote en blijvende stabiliteit en duurzame ontwikkeling,

B.  overwegende dat in de millenniumdoelstellingen coherente en aan tijd gebonden doelen worden vastgesteld voor het uitbannen van armoede op lange termijn en dat rond 2010 de helft van de armsten in de wereld waarschijnlijk leeft in landen die bij een conflict zijn betrokken of betrokken dreigen te raken(10),

C. overwegende dat het voor de opbouw van een stabiele en duurzame staat nodig is een op kwalificaties gebaseerd ambtenarenapparaat op te zetten dat ter verantwoording kan worden geroepen en vrij is van politieke beïnvloeding en corruptie,

D. overwegende dat een transparante, betrouwbare en professionele veiligheidssector van doorslaggevende betekenis is voor het scheppen van voorwaarden voor vrede en ontwikkeling,

E.  overwegende dat de hervorming van de veiligheidssector (SSR) erop moet zijn gericht doeltreffende en legitieme openbare diensten op te bouwen die transparant zijn, verantwoording moeten afleggen aan de civiele autoriteiten en moeten voorzien in de behoeften van het publiek,

F.  overwegende dat de proliferatie van handwapens en lichte wapens conflicten en misdaden in de hand werken; en dat in 2006 drie kwart van de geregistreerde slachtoffers van landmijnen, burgers waren(11),

G. overwegende dat gewelddadige conflicten, niet alleen tragische gevolgen hebben voor de ontwikkeling en de mensenrechten, maar ook buitenlandse investeerders afschrikken, waardoor de groei fors afneemt en waardoor investeringen in de economie en de basisdiensten achterwege blijven (volgens een recent verslag(12) krimpt de economie van een Afrikaanse staat als gevolg van een gewapend conflict met 15%); overwegende dat een gezonde particuliere sector uiteindelijk de basis zal leggen voor duurzame inkomsten voor een legitieme regering,

H. overwegende dat stabiliteit op lange termijn alleen kan worden bereikt door een intensieve betrokkenheid van alle partijen, met inbegrip van vrouwen en minderheden, bij het herstel van de vrede, nationale verzoening en natievorming,

I.   overwegende dat waarheids- en verzoeningscommissies een samenleving kunnen helpen een verleden van massaal geweld te verwerken, de dialoog tussen gemeenschappen en voormalige tegenstanders in een conflict op gang kunnen brengen en tot gerechtelijke, herstel- en hervormingsmaatregelen kunnen bijdragen die de kans op toekomstige conflicten verminderen,

J.   overwegende dat het institutionele kader dat de ontwikkeling van een samenleving mogelijk maakt voortkomt uit vrijheid van vergadering en meningsuiting en de ontwikkeling van vrije media, die door de wet beschermd worden,

K. overwegende dat een duurzame, goed functionerende staat een sterk maatschappelijk middenveld nodig heeft dat mensen tegen machtsmisbruik beschermt, en een vrije pers die het kan opnemen tegen een dominerende uitvoerende macht,

L.  overwegende dat een staat die in een fragiele situatie verkeert, moet worden aangemoedigd om non-gouvernementele organisaties (NGO's) onafhankelijk te laten opereren, vrij van ongepaste bureaucratie registratiewetten en procedures die de ontwikkeling van een echt doeltreffend maatschappelijk middenveld belemmeren,

M. overwegende dat ontwikkelingslanden jaarlijks bezoek ontvangen van gemiddeld 260 donoren en dat donoren in 2006 in alle ontwikkelingslanden samen 70 000 hulptransacties hebben uitgevoerd, waarbij de projecten gemiddeld een volume van slechts 1,7 miljoen USD hadden,

N. overwegende dat de collegiale toetsing OESO/DAC 2007 van het ontwikkelingsbeleid van de EG erop wijst dat de Unie een systematischer gebruik dient te maken van conflictanalyse als onderdeel van landenprogramma's en -projecten om het effect ervan te vergroten en ervoor te zorgen dat ze niet averechts werken,

O. overwegende dat de Commissie, als vervolg op de mededeling over de EU-aanpak van kritieke situaties en de daaropvolgende conclusies van de Raad en de resolutie van het Parlement, een implementatieplan 2009 moet opstellen dat rekening houdt met de ervaringen en informatie die bij de proefprojecten zijn opgedaan, en een middel vormt om de doeltreffendheid van de diverse EU-instrumenten te beoordelen, zodat deze op het terrein van veiligheid en ontwikkeling kunnen worden geoptimaliseerd,

P.  overwegende dat de besprekingen tussen de Commissie, de Raad, het Europees Parlement en het maatschappelijk middenveld als vervolg op de mededeling over de EU-aanpak van kritieke situaties, afgezien van de aanwijzing van zes proeflanden (Burundi, Guinee-Bissau, Haïti, Sierra Leone, Oost-Timor en Jemen) tot dusver niet geleid hebben tot de tenuitvoerlegging van concrete maatregelen ter plaatse,

Q. overwegende dat Europese ondernemingen in de conflictgebieden aanwezig zijn en er belangen hebben,

1.  steunt het concept van “verantwoordelijkheid voor het bieden van bescherming” zoals dit door de VN is bekrachtigd, en benadrukt dat de EU de lidstaten daaraan gebonden zijn; onderstreept dat “verantwoordelijkheid voor het bieden van bescherming” moet worden beschouwd als middel om de menselijke veiligheid te bevorderen; is van mening dat het concept van “verantwoordelijkheid voor het bieden van bescherming” de verantwoordelijkheid van elke regering voor de bescherming van haar burgers versterkt doordat het benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor de preventie van genocide, oorlogsmisdaden, etnische zuiveringen en misdrijven tegen de menselijkheid in de eerste plaats bij de staat zelf ligt;

2.  verlangt de tenuitvoerlegging van de verklaring van de voormalige secretaris-generaal van de VN, Kofi Annan, die was opgenomen in zijn verslag voor de Algemene Vergadering van 2000: "nationale soevereiniteit impliceert verantwoordelijkheid, en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van de bevolking ligt in de eerste plaats bij de bevolking zelf; wanneer de bevolking ernstig lijdt onder een burgeroorlog, opstanden of het falen van de staat en wanneer de betreffende staat er niets tegen kan of wil ondernemen, heeft de internationale verantwoordelijkheid voor de bescherming van de bevolking voorrang voor het beginsel van niet-inmenging";

3.  is van mening dat er bij vredesopbouw en natievorming twee fasen moeten worden onderscheiden: de stabilisatiefase, waarin de nadruk ligt op veiligheid, recht en orde en de waarborging van basisdiensten; en de tweede fase van natievorming, die vooral gericht is op het bestuur en de instellingen die daarvoor moeten zorgen; met dien verstande dat:

a)  de tweede fase pas dient te beginnen wanneer het land gestabiliseerd is, aangezien instellingen die vóór de stabilisatie worden opgezet door het conflict worden beheerst en niet door datgene wat het land nodig heeft voor een stabiele en duurzame vrede,

b)  het in de fase van natievorming belangrijk is om compromissen aan te gaan om aan de normen en verwachtingen van de burgers van de betrokken natie te voldoen en niet aan de idealen van de interveniërende mogendheden,

c)  de interveniërende mogendheden, naarmate de natievorming vordert, de overheidsorganen stuk voor stuk aan de inheemse autoriteiten dienen over te dragen; hierbij kunnen zich tegenslagen voordoen, die moeten worden geaccepteerd, vooropgesteld dat zij geen fundamentele belemmering vormen voor de vooruitgang in het land;

4.  onderstreept het belang om in de politieke dialogen van de EU met derde landen en in programma’s voor ontwikkelingssamenwerking de oorzaken van conflicten aan te pakken, om vroegtijdige waarschuwingsmechanismen op te zetten voor zwakke staten door te letten op eventuele voortekenen of aanwijzingen van geweld tussen burgers, zoals historische verdeeldheid, etnische en tribale spanningen, religieuze conflicten, ongelijkheid en armoede; wijst in dit verband in het bijzonder op het feit dat nieuwe middelen moeten worden uitgetrokken voor aanpassingsmaatregelen en milieubescherming als middel ter voorkoming van klimaat- en milieugerelateerde conflicten;

5.  verzoekt de Commissie conflictpreventie aan te wijzen als transversaal thema op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en conflictbewustzijn en conflictanalyse te integreren in bestaande en nieuwe beleidsgebieden, in nationale en regionale strategiedocumenten en in alle relevante financiële instrumenten voor externe samenwerking;

6.  herinnert eraan dat vrede meer is dan 'geen oorlog', en dat er geen vrede mogelijk is zonder gerechtigheid, en dat beëindiging van vijandelijkheden bovendien niet per definitie inhoudt dat mannen en vrouwen veilig zijn; herinnert er tevens aan dat vrouwen een belangrijke rol spelen bij conflictpreventie en -oplossing en vredesopbouw, en acht het belangrijk dat vrouwen op gelijke voet deelnemen aan en volledig betrokken worden bij alle inspanningen ten behoeve van de handhaving en bevordering van vrede en veiligheid;

7.  is er vast van overtuigd dat al het mogelijke moet worden gedaan om te zorgen voor een minimaal niveau van basale dienstverlening aan een bevolking die bij een conflict betrokken is geraakt, zoals toegang tot voedingsmiddelen, schoon water en sanitaire voorzieningen, medicijnen, gezondheidszorg (met inbegrip van reproductieve gezondheidszorg) en persoonlijke veiligheid; op korte termijn moeten overwegingen van duurzaamheid ondergeschikt zijn aan basisvoorzieningen en -diensten;

8.  is van mening dat er in post-conflictsituaties moet worden gezorgd voor coördinatie tussen de activiteiten op het gebied van vredesopbouw, humanitaire hulp en ontwikkeling, in overeenstemming met het strategisch kader van “Samenhang van noodhulp, rehabilitatie en ontwikkeling”, om voor coherentie te zorgen in de wisselwerking tussen veiligheid en ontwikkeling;

9.  acht het noodzakelijk om rekening te houden met de genderdimensie bij de omgang met vluchtelingen en in eigen land ontheemden, onder meer bij het opzetten van vluchtelingenkampen;

10.  is van mening dat in post-conflictsituaties de overgang van militair naar burgerlijk gezag zo snel als uitvoerbaar is, moet plaatsvinden en internationale strijdkrachten geleidelijk aan moeten worden bijgestaan en vervangen door een nationale en regionale civiele politiemacht die professioneel is opgeleid; is van mening dat hierbij moet worden gewaarborgd dat hoge prioriteit wordt gegeven aan een evenwichtige toepassing van het recht en van administratieve procedures op alle bij het conflict betrokken groepen;

11. benadrukt dat er een evenwicht moet zijn tussen de civiele en de militaire component van de ontwikkelingshulp teneinde de werking van de basisinfrastructuur en van de overheidsdiensten te kunnen garanderen zonder iets af te doen aan de voorwaarden voor opbouw, rehabilitatie en het opnieuw op gang trekken van het democratische en economisch proces;

12. roept op tot de bevordering van de mensenrechten door mensenrechtentraining voor de strijdkrachten en de politie te steunen (met inbegrip van campagnes voor mensen- en burgerrechten voor de betrokken delen van de samenleving); door de versterking van personeelsopleidingen over internationale normen voor politie en militaire politie; het opstellen van een gedragscode voor veiligheidspersoneel, waarin de bevoegdheden van de politie en de strijdkrachten duidelijk zijn afgebakend; de oprichting van bureaus voor mensenrechtenombudsmannen en mensenrechtencomités en mensenrechtentraining voor regionale autoriteiten en ambtenaren;

13. wijst erop dat het van essentieel belang is om de militaire capaciteit van het Europese Veiligheids en Defensiebeleid (EVDB) verder te ontwikkelen zodat de EU en de lidstaten beter zouden kunnen bijdragen aan het stabiliseren en ontwikkelen van postconflictmaatschappijen;

14. is van mening dat het van cruciaal belang is dat de oorzaken van instabiliteit en de problemen van postconflictmaatschappijen worden aangepakt door een combinatie van civiele en militaire maatregelen; wijst erop dat zonder de veiligheidsgaranties van de vredeshandhavende troepen ter plekke niet kan worden voldaan aan de essentiële voorwaarde voor stabiliteit in door conflicten verscheurde maatschappijen (dat wil zeggen beveiliging van personen en van hun eigendom );

15. benadrukt het belang van DDR als sleutelfactoren voor duurzame vrede en ontwikkeling; roept de Raad en de Commissie op de uitvoering van het EU-kaderbeleid voor SSR en van het concept tot steun aan DDR te bespoedigen, teneinde de relevantie, coherentie en doeltreffendheid van de EU-activiteiten op dit terrein te verhogen; pleit ervoor meer Gemeenschapsmiddelen uit te trekken voor SSR en DDR, met bijzondere aandacht voor landen waar de EU reeds EVDB-missies heeft uitgevoerd; pleit ervoor om alle met Gemeenschapsmiddelen gefinancierde SSR- en DDR-maatregelen ter ondersteuning van EVDB-missies in een conflict- of post-conflictsituatie op een zo vroeg mogelijk tijdstip in aanmerking te nemen bij de planning van operaties, en wel reeds in de verkenningsfase of tijdens de ontwikkeling van crisisbeheersingsconcepten of operationele concepten (CONOPS);

16. benadrukt dat SSR een effectief instrument kan zijn voor de versterking van de diplomatie en de defensie en langetermijnbedreigingen voor de veiligheid kan verminderen door bij te dragen tot het opbouwen van een stabiele, welvarende en vreedzame samenleving; is van mening dat SSR zich ook dient uit te strekken tot een heroprichting of hervorming van instellingen en ministeriële posten die cruciaal zijn voor het toezicht op de veiligheid van de ontvangende staat en zijn bevolking;

17. verzoekt de EU om bij de ondersteuning van SSR na conflicten tevens het genderaspect te laten meewegen, via het verschaffen van gendertraining en -expertise op het gebied van grondwet, verkiezingen, politie en het gerechtelijk apparaat;

18. is van mening dat voormalige krijgsheren geweld volledig moeten afzweren alvorens te worden opgenomen in officiële institutionele structuren die machtsdeling bevorderen, waarbij ervoor gezorgd dient te worden dat het publiek en andere relevante belanghebbenden actief op de hoogte worden gehouden en betrokken worden bij alle gesprekken over regelingen voor machtsdeling;

19. benadrukt dat de genderdimensie meegenomen moet worden bij het onderhandelen over en uitvoeren van vredesakkoorden om de grondwettelijke bescherming van vrouwenrechten te bevorderen;

20. roept de Raad en de Commissie, gezien het feit dat de meeste slachtoffers in conflictsituaties vallen door handvuurwapens en lichte wapens, op om zo snel mogelijk gevolg te geven aan het arrest van het Europees Hof van Justitie van 20 mei 2008 inzake de bevoegdheden van de Gemeenschap bij de bestrijding van de verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens (SALW) door de tenuitvoerlegging van de EU-strategie ter bestrijding van de illegale accumulatie van en handel in handvuurwapens en lichte wapens (SALW) en munitie te bespoedigen en door met name de Gemeenschapsmiddelen ter financiering van ter plekke uit te voeren SALW-gerelateerde programma’s te verhogen waarin in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds en het stabiliteitsfonds is voorzien; dringt er op aan dat bilaterale en regionale financiële instellingen zonodig maatregelen nemen om SALW-programma's op te stellen in het kader van wederopbouw en rehabilitatie in postconflictgebieden en zich inzetten voor de consolidatie van het bestuur, versterking van de wetgeving en verbetering van het operationele vermogen van instanties voor rechtshandhaving ten aanzien van SALW; dringt er bij de Raad en de Commissie op aan zich op alle bilaterale en multilaterale niveaus te blijven inzetten voor een internationaal bindend verdrag inzake de wapenhandel;

21. is van mening dat de vrijwillige terugkeer van vluchtelingen en ontheemden een hoge prioriteit verdient en dat hun een leefbaar bestaan moet worden gegarandeerd, met name door functionerende gezondheids- en onderwijsinstellingen (met inbegrip van alfabetiseringscampagnes voor vrouwen) en werkgelegenheid, en dat dit moet gebeuren via een dialoog tussen bevolkingsgroepen, vredeseducatie, internationale begeleiding, bestrijding van vooroordelen en diversiteitstraining, maatschappelijke inzet van oud-strijders, procedures voor het afwikkelen van geschillen over grondbezit en traumagenezing; meent dat ontheemden, op voorwaarde dat dit verenigbaar is met hun etnische of religieuze achtergrond, over het land verdeeld dienen te worden en zich weer in hun oorspronkelijke dorpen of steden dienen te vestigen en niet dienen te worden geconcentreerd in grote groepen, aangezien dit tot conflicten en geweld kan leiden;

22. acht het noodzakelijk dat vrouwen na afloop van het conflict hun studies en opleiding afmaken en hervatten; is van oordeel dat in dit opzicht een actieve bijdrage aan de hervatting van het onderwijs tijdens de wederopbouw van het land meer dan wenselijk is;

23. beklemtoont dat lokale vrouwenorganisaties en internationale netwerken van vrouwen voor vrede geraadpleegd en ondersteund moeten worden; bepleit politieke en financiële steun, training, capaciteitsopbouw en technische bijstand, onder meer ten behoeve van vredesbesprekingen en vreedzame oplossing van conflicten;

24. is van mening dat de lidstaten een morele verplichting hebben om vluchtelingen uit conflictgebieden op te vangen; is ervan overtuigd dat de lidstaten deze verplichting alleen maar kunnen nakomen als de last gedeeld wordt onder de lidstaten; is er bovendien van overtuigd dat de lidstaten de vluchtelingen die willen terugkeren naar hun land van herkomst wanneer een eind is gekomen aan het gewelddadige conflict, actief moeten helpen;

25. bevestigt dat een billijk migratiebeleid tegenover de ontwikkelingslanden van vitaal belang is; wijst erop dat migratie een positieve invloed kan hebben op het ontwikkelingsproces, onder meer door het deel van hun loon dat in de EU wonende migranten naar hun familie sturen, door het tegengaan van de intellectuele leegloop, door de vergemakkelijking van de terugkeer van migranten en door de preventie van mensenhandel;

26. beklemtoont dat maatregelen moeten worden genomen voor gezinshereniging en reïntegratie van kinderen die het slachtoffer zijn van gewapende conflicten en dat toegang tot onderwijsprogramma's, beroepsopleiding en psychologische hulp moet worden gewaarborgd, waarbij rekening moet worden gehouden met de specifieke behoeften van meisjes;

27. roept op tot een effectieve tenuitvoerlegging van het voorstel van de Commissie voor DDR van oud-strijders, met inbegrip van de reïntegratie van oud-strijders in de samenleving door voedsel, tenten, dekens, medische verzorging en civiele kleding ter beschikking te stellen; het vervoer van vroegere soldaten naar hun oorspronkelijke gemeenschap of een bestemming naar keuze; steun voor pensioenprogramma’s voor leidinggevenden uit de politiek en officiers, de herhuisvesting van vroegere soldaten en loonondersteuningsregelingen; staatsburgerlijke vorming voor vroegere soldaten en psychologische programma’s voor de begeleiding van oud-strijders, met specifieke toewijzingen van aanvullende middelen voor werkgelegenheids- en tewerkstellingsprogramma’s;

28. wijst erop dat programma's voor DDR specifieke regelingen voor vrouwelijke ex-strijders moeten omvatten;

29. onderstreept dat de bestrijding van het probleem van de kindsoldaten en de meisjes die door gewapende strijdkrachten geronseld worden en ten prooi vallen aan seksueel misbruik, aansluit bij de strijd om de dagelijkse levensomstandigheden te verbeteren van vrouwen die wonen in postconflictregio's waar de consolidatie van de vrede en de wederopbouw van het land nog in volle gang zijn;

30. is van mening dat DDR ook moet zijn gericht op sociale en economische ontwikkelingen en financiële steunprogramma’s dient te omvatten die in de onmiddellijke behoeften voorzien;

31. is van mening dat lokale verantwoordelijkheid voor het proces van vredesopbouw van essentieel belang is om op lange termijn voor stabiliteit te kunnen zorgen;

32. is van mening dat de internationale donoren rekening moeten houden met de regionale en lokale situatie bij het ontwikkelen van een opbouwbeleid voor stabiliteit en democratie en dat ze moeten putten uit de ervaring die ze hebben opgedaan in het bevorderen van de economische ontwikkeling in postconflictsituaties;

33. wijst erop dat een goede verzoeningsstrategie rekening houdt met de rol van de vrouw bij de consolidatie van de vrede en benadrukt dat er in de verzoeningsprogramma's aandacht moet zijn voor de specifieke situaties van kinderen in gewapende conflicten;

34. is van mening dat de legitimiteit van de staat alleen kan worden gebaseerd op goed en effectief bestuur en beklemtoont dat instellingen, verkiezingsprocessen, kiezersregistratie en kieslijsten, kiezersidentificatie en corruptiebestrijdingsmechanismen zo transparant en betrouwbaar mogelijk moeten zijn, omdat zij een basisvoorwaarde zijn voor de verdediging van de rechtsstaat, de mensenrechten, de democratische instituties en de waardigheid van de bevolking, maar ook voor economische ontwikkeling, investeringen en handel;

35. is van mening dat factoren als de rechtsstaat, een solide monetair beleid, een vrije markt, een efficiënt en competent openbaar bestuur, van elkaar onafhankelijke rechterlijke, wetgevende en uitvoerende organen die vrij zijn van corruptie, de middelen vormen waarbinnen individuen en gemeenschappen, door nijverheid en door het nemen van initiatief, de welvaart van hun naties kunnen vergroten,

36. pleit voor de oprichting van investeringsorganen die één loket bieden voor de bevordering van sectoren die directe buitenlandse investeringen (DBI) kunnen aantrekken en banen scheppen buiten de traditionele landbouwsectoren door de ontwikkeling van liberale investeringscodes en belastingvrije industriële zones te steunen;

37. verzoekt de Commissie een dereguleringsafdeling in het leven te roepen die landen na een conflict kunnen adviseren hoe zij hun economische infrastructuur kunnen inrichten om bureaucratische controles af te schaffen die de oprichting van kleine bedrijven, het openen van een bankrekening en de inschrijving van grond of bedrijven kunnen tegenhouden of vertragen; is van mening dat de investering van risicokapitaal zoveel mogelijk moet worden afgeremd en dat belastingprikkels moeten worden gecreëerd, met name door programma's voor begrotingssteun;

38. acht het van cruciaal belang om vrouwen te betrekken bij economische activiteiten in postconflictsamenlevingen ten einde hun sociaaleconomische positie en hun ondernemingsvermogen te versterken, en benadrukt de positieve rol van microkredieten in dit verband;

39. is ervan overtuigd dat de lokale verantwoordelijkheid bij de ontwikkelingshulp van de EU kan worden versterkt door de nationale parlementen hierbij te betrekken, met inbegrip van wederzijdse interactie en capaciteitenopbouw tussen het Europees Parlement en de parlementen van de partnerlanden en van ondersteunende Informatie- en communicatietechnologie (ICT) -systemen, technologische capaciteiten voor het opstellen van actuele kiesregisters en de afgifte van identiteitskaarten wanneer geboortebewijzen en andere identiteitsbewijzen niet meer voorhanden zijn;

40. benadrukt dat het noodzakelijk is om lokale autoriteiten te ondersteunen door middel van een adequate opleiding en uitwisseling van ervaringen; herinnert er in dit verband aan dat het Europees Parlement zich heeft gecommitteerd aan de beginselen en de praktijken van de parlementaire democratie;

41. onderstreept dat de deelname van vrouwen aan verkiezingen in een postconflictland moet worden ondersteund door middel van specifieke programma's en met quota op alle niveaus;

42. benadrukt het belang van onafhankelijke toezicht op transparant en verantwoord gebruik van hulpbronnen, die een belangrijke rol kunnen spelen in een post-conflictsituatie, wanneer zij in de opbouw van de staat worden geherinvesteerd; onderstreept voorts het belang van de bestrijding van alle vormen van verkwisting, fraude en corruptie door adequate anticorruptiemechanismen, met ondersteuning van een waakzaam maatschappelijk middenveld;

43. benadrukt dat vooruitgang moet worden geboekt bij de tenuitvoerlegging van de Conventie van de Verenigde Naties tegen corruptie (UNCAC)), teneinde te voorkomen dat illegale financiële bronnen conflicten aanwakkeren en de stabilisatie van de samenleving na een conflict in gevaar brengen, aangezien corruptie instellingen verlamt, sociale uitsluiting versterkt, besluitvormingsprocessen vervalst en de verlening van basisdiensten belemmert;

44. beklemtoont dat de steun aan plaatselijke gemeenschappen, gezinnen, maatschappelijke organisaties met inbegrip van vrouwenorganisaties, organisaties die microkredieten verstrekken en lokale netwerken een absolute vereiste is voor een succesvol opbouwbeleid; roept de Commissie en de lidstaten derhalve op lokale vredes- en mensenrechtenactivisten te steunen, ook in crisistijden, met name via het stabiliteitsinstrument van de EU en de daartoe behorende component ‘crisisrespons’;

45. beklemtoont dat, in post-conflictsituaties, de registratie van landrechten en de regulering van landbezit moet plaatsvinden in overeenstemming met de internationale mensenrechtenwetgeving, teneinde te voorkomen dat regeringen, particuliere ondernemingen of heersende elites op illegale wijze land in bezit nemen, veelal ten koste van de armsten en meest kwetsbaren van de samenleving, zoals teruggekeerde vluchtelingen en ontheemden; beklemtoont voorts dat pogingen moeten worden gedaan rechtbanken te versterken, zodat zij eigendomsrechten en handelsrecht beter kunnen afdwingen, met name in landen waar de rechtspositie van vrouwen te wensen overlaat en vrouwen hun fundamentele rechten worden ontzegd;

46. herhaalt haar belofte om de rechten van vrouwen en kinderen in postconflictsituaties te beschermen en dat het uiteindelijk de bedoeling is om de nodige maatregelen te treffen om de positie van vrouwen te versterken – een onontbeerlijke voorwaarde voor blijvende vrede en stabiliteit;

47. is van mening dat vele ontwikkelingslanden over de belangrijkste natuurlijke hulpbronnen beschikken om te zorgen voor hun ontwikkeling, maar dat slecht beheer en corruptie op het punt van natuurlijke hulpbronnen zoals olie, water, hout en diamanten landen weer in een conflictcyclus kunnen terugbrengen; betreurt het dat diverse actoren (lokale, regionale, internationale en grensoverschrijdende) betrokken zijn bij diefstal en exploitatie van deze hulpbronnen; dringt er bij de lidstaten op aan een goed beheer van alle natuurlijke hulpbronnen te bevorderen en te ondersteunen en op te treden tegen exploitatie en smokkel, met name waar deze bijdragen aan ontstaan, escalatie en voortzetting van gewapende conflicten;

48. erkent de successen van het Kimberley-proces, het transparantie-initiatief voor de winningsindustrie (EITI) en Bos, Rechtshandhaving, Bestuur en Handel (FLEGT) en dringt erop aan dat ze worden versterkt en doeltreffender worden toegepast en nageleefd;

49. herhaalt de conclusies van het rapport over klimaatverandering en internationale veiligheid dat op 14 maart 2008 door de Hoge Vertegenwoordiger van de EU en de Europese Commissie(13) aan de Europese Raad werd voorgelegd, en waarin ervoor wordt gewaarschuwd dat landen en regio's die al kwetsbaar zijn en vatbaar voor conflicten, overbelast dreigen te geraken door de klimaatverandering waardoor nieuwe immigratiestromen ontstaan en de veiligheidsrisico's voor de EU toenemen; dringt er bij de Commissie op aan om bij haar vredesopbouwende inspanningen rekening te houden met de overwegingen op het gebied van klimaatverandering;

50. is van mening dat rechtvaardigheid voor de slachtoffers in een conflict van vitaal belang is en dat nationale rechtbanken, voor zover het justitieel systeem onafhankelijk en onpartijdig functioneert, beter in staat zijn dan internationale tribunalen voor de berechting van oorlogsmisdaden, om verantwoordelijkheid te dragen voor nationale rechtshandhaving en veroordeling van misdadigers; stelt in dit kader voor dat in postconflictsituaties wordt nagegaan of het mogelijk is de schendingen van de mensenrechten tijdens conflicten, in kaart te brengen;

51. pleit voor de versterking van het rechtswezen door de opleiding van rechters en procureurs, door conferenties over justitiële hervormingen, onafhankelijke systemen voor rechterlijke benoemingen, een behoorlijke salariëring van justitiepersoneel, de beschikbaarstelling van apparatuur aan de rechtbanken, betere rechtbankadministratie, het bijhouden van registers, begrotings- en personeelsbeheer en de aanschaf van moderne technologie, met inbegrip van computers voor gegevenstracering;

52. pleit voor het verlenen van rechtsbijstand aan kwetsbare groepen, etnische minderheden, landloze boeren en andere gemarginaliseerde groepen en parajuridische opleidingen door ervaren NGO’s, teneinde te toegang tot het systeem te vergemakkelijken;

53. acht het van cruciaal belang dat een einde wordt gemaakt aan de straffeloosheid van gendergerelateerde geweldsmisdrijven en om deze misdrijven voor zover haalbaar uit te sluiten van de mogelijkheden van amnestie, en om te waarborgen dat alle slachtoffers van seksueel geweld, met name vrouwen en meisjes, gelijke rechtsbescherming genieten en gelijke toegang tot de rechter hebben; gezien het feit dat vrouwen en kinderen in vele samenlevingen zijn achtergesteld wat betreft de toegang tot het recht, dienen zo nodig bijzondere regelingen te worden getroffen;

54. beklemtoont dat vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld, volledige toegang moeten krijgen tot gezondheidsdiensten op het vlak van seksualiteit en voortplanting, alsmede programma's die deze vrouwen ondersteunen bij de bestrijding van de stigmatisering waar zij mee worden geconfronteerd;

55. juicht de goedkeuring van Resolutie 1820 van de VN-Veiligheidsraad toe, met name de erkenning dat seksueel geweld een bedreiging vormt voor de internationale vrede en veiligheid;

56. benadrukt dat het van belang is om in post-conflictsituaties rekening te houden met de specifieke behoeften van kinderen, en met name meisjes, vooral op het vlak van onderwijs;

57. bepleit interactie tussen de EU en het internationaal strafhof (ICC); beklemtoont dat steun van de EU onmisbaar is voor de uitvoering van het ICC-mandaat; is van mening dat het absoluut noodzakelijk is dat alle landen het Statuut van Rome ondertekenen en ratificeren om het ICC-systeem bruikbaarder, consistenter en coherenter te maken; dringt er bij de EU en de leden van de Afrikaanse Unie op aan, in conflictsituaties onmiddellijk te zorgen voor de tenuitvoerlegging van alle aanhoudingsbevelen van het ICC, op een consistente manier;

58. dringt bij de lidstaten aan op voortzetting van de strijd tegen straffeloosheid als de doeltreffendste manier waarop toekomstige schendingen van de mensenrechten kunnen worden voorkomen, bijvoorbeeld door ondersteuning van het optreden van internationale rechtbanken;

59. beklemtoont dat een duurzame vrede in vele opzichten afhankelijk is van een uit de gemeenschap zelf voortkomende betrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor het vredesproces - een proces dat slechts rechtmatig kan zijn en kan slagen als vrouwen met het oog op hun belangrijke maatschappelijke functie, alsook op de essentiële rol die ze spelen bij de voedselproductie en de zorg voor het gezin, voornamelijk in ontwikkelingslanden, op voet van gelijkheid ingeschakeld worden; dringt er, rekening houdend met het feit dat 80% van alle vluchtelingen vrouwen en kinderen zijn, op aan om speciale steun te verlenen aan vrouwen en te erkennen dat zij een doorslaggevende rol kunnen spelen bij het bevorderen van vrede en stabiliteit - en dat de rol van de internationale gemeenschap bij het ondersteunen van maatschappelijke netwerken die lokale, nationale en internationale initiatieven met elkaar verbinden, van vitaal belang is voor het vredesproces;

60. pleit voor de oprichting van permanente vredescomités, waarvan invloedrijke leden van alle conflictpartijen deel uit maken, teneinde een grootschalige uitbarsting van geweld te voorkomen;

61. is van mening dat organisaties uit de samenleving kunnen dienen als bevorderaars voor een dialoog tussen conflictpartijen, mits dit gepaard gaat met training voor geweldloze conflictoplossing en vredeseducatie; steunt het scheppen van mogelijkheden tot dialoog door de organisatie van nationale conferenties, rondetafelgesprekken tussen de conflictpartijen, ontmoetingen van kleine groepen aan de basis, bemiddelingstraining voor lokale NGO’s, oudsten van de gemeenschappen en leiders van traditionele instellingen;

62. roept de lidstaten op om bij de uitvoering van ontwikkelingsprojecten eerst onder hen een ‘hoofdpartner’ aan te wijzen teneinde de verslagleggingsmechanismen te stroomlijnen (ook al komen de middelen voor het project misschien uit een andere lidstaat) en de coördinatie en de coherentie onder de donoren te versterken, met inbegrip van de opstelling van auditnormen voor openbaarmakingsvereisten met betrekking tot de nationale parlementen, lokale autoriteiten en internationale organisaties;

63. acht het noodzakelijk er mede voor te zorgen dat vrouwen in ruimere mate deelnemen aan en vertegenwoordigd zijn in de media en in opinieplatforms waar vrouwen hun mening kenbaar kunnen maken;

64. wijst erop dat geboorteregistratie een fundamenteel mensen- en burgerrecht is; beklemtoont dat geboorteregistratie van vitaal belang is, vooral tijdens en na gewapende conflicten omdat het kinderen kan beschermen tegen schendingen van hun rechten en dan ook moet worden beschouwd als een kernpunt van ontwikkelingssamenwerking;

65. beklemtoont de noodzaak van een conflictbewuste aanpak in de gehele cyclus van de planning, uitvoering, controle en evaluatie van ontwikkelingsprogramma's, zodat hun positieve uitwerkingen op de dynamiek van het conflict worden gemaximaliseerd en hun negatieve geminimaliseerd; benadrukt het belang van een systematische conflictanalyse en van inzicht in de hoofdoorzaken van conflicten; is van mening dat de invoering van parameters een nuttig instrument is voor de evaluatie van de gevolgen van acties in het kader van ontwikkelingssamenwerking;

66. roept de buurlanden in conflictgebieden op om samen met de internationale gemeenschap actief te participeren in het plan voor ontwikkeling en wederopbouw na het conflict;

67. verzoekt de Raad en de Commissie een regionale benadering te kiezen bij het tegemoet treden van de situatie van elk land;

68. is voornemens actief te blijven deelnemen aan de werkzaamheden die door de Commissie als vervolg op de bovengenoemde mededeling over de EU-respons op kritieke situaties worden georganiseerd; vestigt de aandacht van de Raad en de Commissie op het feit dat het hoog tijd is dat deze werkzaamheden, die veel te traag verlopen, resulteren in de tenuitvoerlegging van concrete maatregelen ter plaatse op essentiële gebieden als gezondheid en onderwijs, en dringt er bij de Commissie op aan het Europees Parlement volledig op de hoogte te houden van verdere stappen die worden genomen naar aanleiding van landenverslagen, met het oog op identificatie en vorm van de daaropvolgende maatregelen;

69. acht het noodzakelijk dat alle delegaties van de Europese Commissie in derde landen een knooppunt voor genderkwesties opzetten dat beschikt over een passend mandaat en passende competenties en middelen;

70. onderstreept dat de burgers in kwetsbare landen zo snel mogelijk met eigen ogen moeten kunnen vaststellen dat hun situatie en die van hun land in positieve zin evolueert en roept de Raad en de Commissie bijgevolg op voldoende aandacht te besteden aan de zichtbaarheid van de maatregelen die ter plaatse worden genomen;

71. steunt het EU-programma voor de preventie van gewelddadige conflicten en de in het EU-actieplan voor 2009 beoogde veiligheids- en ontwikkelingsdoelstellingen en dringt er bij de Commissie op aan om de hoogste prioriteit te verlenen aan de uitvoering van vredesopbouwende maatregelen

72. beklemtoont het belang van capaciteitsopbouw bij EG-personeel voor de tenuitvoerlegging van conflictbehandelingsprogramma's via speciale oriëntatie, met name voor de ontwikkeling, ten behoeve van de betrokken personeelsleden, van een beknopte en gerichte gids over conflictbehandeling die voortborduurt op de "Peace and Conflict Impact Assessment Systems" en het "Resource Pack on Conflict Sensitivity";

73. is van oordeel dat interventies op tijd moeten komen en flexibel en voorspelbaar moeten zijn om de uitdaging tijdens de overgangssituatie na een conflict doeltreffend te kunnen aanpakken;

74. benadrukt dat alle EU-missies (met inbegrip van bemiddelings- en onderhandelingsteams en politie- en vredeshandhavingsmissies) voor ten minste 40% uit vrouwen moeten bestaan op alle niveaus, inclusief de hoogste leidinggevende niveaus;

75. roept de Commissie op onderzoek te doen naar gendermainstreaming in de externe missies van de EU;

76. wijst erop dat vredesonderzoek, conflictpreventie en -oplossing, vredesoperaties, herstel en wederopbouw na conflicten, financiële instrumenten, landen-/regionalestrategiedocumenten en de planning van alle externe interventies ook vanuit genderperspectief bekeken moeten worden;

77. steunt het bureau van de speciale EU vertegenwoordigers als het belangrijkste instrument van de EU om te helpen bij de totstandkoming van politieke regelingen en om blijvende politieke stabiliteit te bevorderen in postconflictmaatschappijen;

78. spoort de EU aan om beste praktijken te versterken op terreinen die een breed opgezette samenwerking vergen tussen politieke, militaire en humanitaire actoren en ontwikkelingsmedewerkers zoals conflictpreventie, verzoening, vredeshandhaving, naleving van de mensenrechten, rechtsstaat, humanitaire hulp, opbouw en ontwikkeling op lange termijn;

79. roept op tot het opstellen van een EU-actieplan voor de tenuitvoerlegging van resolutie 1325 van de Veiligheidsraad en verzoekt de Commissie om er bij de partnerlanden en de lidstaten van de EU op aan te dringen nationale actieplannen op te stellen; stelt een herziening voor van de richtsnoeren van de EU inzake de bescherming van de mensenrechten en EVDB-missies ter waarborging van een onverkorte naleving van de resoluties 1325 en 1820 van de VN-Veiligheidsraad;

80. benadrukt dat de Commissie de plicht heeft de inspanningen van partnerlanden ter ontwikkeling van de democratische binnenlandse verantwoordingscapaciteit (parlementaire controle- en auditcapaciteit) te steunen, wanneer communautaire bijstand wordt verleend door middel van begrotingssteun; dringt er bij de Commissie op aan dat deze verplichting beter en consequenter wordt nageleefd; benadrukt dat versterkte parlementaire controle-entiteiten en auditinstellingen een belangrijke factor zijn als het erom gaat met begrotingssteun van de EU een duurzaam effect te creëren; dringt aan op de ontwikkeling van controle- en toezichtinstrumenten in de samenleving, om de controle te kunnen uitoefenen over gebruik en effect van de communautaire begrotingssteun;

81. verzoekt de investeringsbanken, met inbegrip van de Europese Investeringsbanken, te waarborgen dat hun leningen en investeringen in landen na een conflict, met name in landen die rijk zijn aan natuurlijke hulpbronnen, voldoen aan de mensenrechten- en milieunormen en de spanningen niet aanwakkeren;

82. is vol lof over het werk van de recent opgerichte VN-Commissie voor vredesopbouw; wijst erop dat het noodzakelijk is om op het gebied van ontwikkelingshulp samen te werken met internationale partners, in het bijzonder de Verenigde Naties; dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat het VN-systeem over voldoende middelen beschikt en verantwoording aflegt over de steun die het verleent aan processen in landen na een conflict, waarbij de VN-Commissie voor vredesopbouw en andere VN-organen zijn betrokken;

83. benadrukt dat ontwikkelingshulp van doorslaggevend belang is voor de vredesopbouw en conflictpreventie in onstabiele staten, maar dat ontwikkelingshulp en ondersteuning bij het oplossen van conflicten geen militaire middelen of componenten mogen omvatten;

84. pleit voor de naleving van de gedragscode voor VN-personeel in postconflictgebieden en dringt aan op "zero tolerance" bij seksueel geweld door vredeshandhavers of NGO-personeel;

85. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de VN-Commissie voor vredesopbouw, de AU-commissie, de uitvoerende raad van de AU, het pan-Afrikaanse parlement en de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU.

(1)

PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(2)

PB L 247 van 9.9.2006, blz. 22.

(3)

PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.

(4)

PB C 25 van 30.1.2008, blz. 1.

(5)

PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41.

(6)

(S/2004/616).

(7)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0540.

(8)

Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0483.

(9)

ACP-EU 3937/07/fin.

(10)

Department for International Development, calculations based on World Bank estimates in Global Economics Prospects 2006, Wereldbank, Washington 14.11.2005.

(11)

Landmine Monitor Report 2007, Washington 14.11.2005.

(12)

Safer World, Oxfam, IANSA report October 2007- Africa’s Missing Billions.

(13)

S113/08.


TOELICHTING

INLEIDING

Dit is een van de belangrijkste verslagen van het jaar. Het komt voort uit de verplichtingen die hebben geleid tot de oprichting van de VN-Commissie voor Vredesopbouw tijdens de Wereldtop van 2005 en richt zich met prioriteit op het volgende gegeven: de helft van alle landen die een conflict te boven komen raakt binnen vijf jaar opnieuw in een conflict verwikkeld. Op het moment zijn er over de hele wereld 42 burgerconflicten gaande.

Er zijn twee partijen die een belangrijke rol spelen op het gebied van natievorming. De eerste, en belangrijkste, is het land dat zich in de kwetsbare situatie bevindt. Zonder de vastbeslotenheid om uit de conflictsituatie te geraken en zich op permanente vrede te richten is het bijna onvermijdelijk dat het land weer terugvalt in een conflictsituatie. De tweede hoofdrolspeler is de internationale gemeenschap, die de verantwoordelijkheid op zich moet nemen om het herstellende land te ondersteunen en bij te dragen aan de ontwikkeling van het land door middel van financiële steun en door inzet van de binnen de internationale gemeenschap verzamelde kennis en eerstehandservaring met natievorming en met wat daarbij wel werkt en wat niet.

Het Marshallplan is een uitstekend voorbeeld van hoe een enkel land, de Verenigde Staten, heel West-Europa aanmoedigde om oorlog te verwerpen en permanente vrede te omarmen.

Het is gemakkelijk om het gewenste pad naar vrede uit te stippelen, maar in de praktijk is het vaak wat moeilijker om dat pad ook te volgen. In theorie zou het pad weg moeten leiden van oorlog in de richting van vrede en van daaruit naar heropbouw en succes. Dit verslag bespreekt de juiste procedure voor dit model, waarbij specifiek wordt ingegaan op heropbouw als de belangrijkste ontwikkelingsdoelstelling van natievorming.

ONTWIKKELINGSPERSPECTIEVEN VOOR VREDESOPBOUW IN POST-CONFLICTSITUATIES

Onmiddellijke prioriteiten:

· Zorg voor veiligheid in het gebied waarin gewerkt wordt;

· Zorg voor toegang tot vers water en zie erop toe dat alle doden worden verwijderd en begraven volgens de lokale gebruiken, waar mogelijk;

· Zorg voor toegang tot voedsel, verwarming (afhankelijk van het weer), elektriciteit en sanitaire voorzieningen en essentiële medicijnen;

· Zorg voor zichtbare aanwezigheid van effectieve wetshandhavers (politie) om enige mate van recht en orde te bewaren en om plunderingen te voorkomen; bouw een netwerk op van lokale informanten;

· Stimuleer lokale leiders om de macht te delen en om te voorzien in openbare voorzieningen (gezondheidszorg en onderwijs) via lokale gemeentebesturen.

Vervolgprioriteiten:

De volgende elementen moeten parallel worden geïmplementeerd en zijn essentieel voor het opbouwen van een duurzame vrede. Het is cruciaal om te erkennen dat de precieze volgorde van implementatie zal variëren afhankelijk van de behoeften van de specifieke situatie en ook daadwerkelijk op die situatie moet worden aangepast.

1. Ontwapening, demobilisatie en reïntegratie

Zoals reeds vermeld vervalt de helft van alle landen die conflicten te boven komen binnen vijf jaar opnieuw in een conflictsituatie. “Het zorgen voor veiligheid in het gebied” is daarom een fundamentele voorwaarde voor alles wat daarna komt: economische ontwikkeling, investeringen en handel, maar ook het verdedigen van de vrijheden en waardigheid van de bevolking.

2. Machtsdeling (van krijgsheren naar politieke leiders)

Militaire leiders moeten worden overreed om van geweld af te zien en de macht te delen via institutionele structuren.

Tegelijkertijd moet een actief en geïnformeerd burgerschap bij deze machtsdelingsrelatie worden betrokken. Er moet in alle fasen transparantie zijn. Niet alleen moet er met alle partijen overleg worden gevoerd, het moet ook duidelijk zichtbaar zijn dat er met alle partijen wordt overlegd.

3. Rechtsorde

Een van de redenen waarom zo vele staten die zich in een kwetsbare situatie bevinden terugvallen in een conflictsituatie is dat het skelet voor een stabiele maatschappij, de instellingen van die maatschappij, niet sterk genoeg is om te voorkomen dat men teruggrijpt op directere methoden om de loop der gebeurtenissen te beïnvloeden. In sommige gevallen werken de instellingen stabiliteit zelfs tegen. De essentie van de opbouw van de institutionele structuur is het handhaven van de rechtsorde.

Bovendien moet de rechtsorde er in deze fase op gericht zijn de maatschappij bij elkaar te houden. Instellingen moeten fungeren als een middelpuntzoekende kracht en niet als een middelpuntvliedende kracht (ze moeten zodanig functioneren dat elkaar bestrijdende krachten gaan samenwerken en niet zodanig dat partijen die tegenover elkaar staan nog verder uit elkaar worden gedreven).

Bij natievorming hoort het opbouwen van instellingen: nationale parlementen, democratisering en verkiezingen, bestrijding van corruptie, transparantie en verantwoording. Essentieel hierbij is dat de verantwoordelijkheid voor dit proces bij lokale autoriteiten wordt gelegd.

4. Economie

Gewelddadige conflicten schrikken buitenlandse investeerders af en kunnen het groeipercentage van een land doen afnemen met 2%. Het creëren van een klimaat dat particuliere economische initiatieven stimuleert is een krachtig hulpmiddel ter verbetering van de economische situatie van mensen in ontwikkelingslanden. Particulier initiatief is in dit opzicht de drijvende kracht, dus bestaat er een noodzaak om individuen de kansen en mogelijkheden te bieden om hun volledige potentieel te verwezenlijken, waarbij met name ontheemden weer een plaats binnen de economie moeten kunnen innemen.

De bondskanselier van West-Duitsland in de jaren zestig van de vorige eeuw, Ludwig Erhard, omarmde welvaart door middel van concurrentie, lage belastingen, minimale regulering en een stabiele munt als voorwaarden voor een gezonde economie.

De Peruviaanse econoom Hernando De Soto schat dat in de ontwikkelingslanden niet minder dan 9 biljoen dollar aan vastgoed in het bezit is van eigenaren die geen officieel eigendomsbewijs voor hun bezit hebben. Dit betekent dat zolang het eigendom van dit vastgoed alleen “informeel” is geregeld, er ook geen hypothecair krediet op kan worden verstrekt.

De bescherming van eigendomsrechten is essentieel voor ontwikkeling. Binnen ontwikkelingsbeleid moet er daarom hoge prioriteit worden toegekend aan het instellen en verbeteren van kadasters, het beschikbaar stellen van middelen voor kartering en registratie van land en intellectueel eigendomsrecht en voor rechtbanken die het eigendomsrecht handhaven. De markt kan niet functioneren als er geen effectief rechtssysteem is waarin men eigendomsrechten en contractuele verplichtingen kan doen gelden en afdwingen met redelijke voorspelbaarheid en snelheid.

De bescherming van intellectueel eigendom garandeert en stimuleert creativiteit en ondernemingszin.

5. Civiele politie (inclusief veiligheid en inlichtingen)

Een transparante, verantwoording afleggende en professionele veiligheidssector is essentieel voor het creëren van de voorwaarden waaronder ontwikkeling kan worden bevorderd. Veiligheidsdiensten in ontwikkelingslanden, met name in landen die te maken hebben met de nasleep van een conflict, zijn maar al te vaak niet in staat of niet bereid om burgers te beschermen. In gevallen waar de veiligheidssector in het verleden is ingezet als een middel voor repressie is het essentieel dat bij de hervorming van de veiligheidssector (SSR) lokale gemeenschappen worden betrokken, zodat er geen noodzaak bestaat om de bescherming van de veiligheid in eigen hand te nemen. Het is een absolute voorwaarde dat de overgang van militaire veiligheid naar civiele veiligheid zo snel mogelijk plaatsvindt als uitvoerbaar is.

Daarom is het bieden van bescherming, veiligheid en toegang tot het rechtssysteem aan alle burgers een prioriteit voor armoedebestrijding en vredesopbouw. De introductie van een lokale civiele politiemacht moet de bestaande internationale wetshandhaving vervangen die aanvankelijk werd ingesteld.

6. Ontmijning en uitbanning van handvuurwapens en lichte wapens

Ontmijning en de verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens (SALW) wakkeren conflicten en criminaliteit aan. Pogingen ter verbetering van de veiligheid om zo ontwikkeling te versnellen moeten daarom maatregelen stimuleren die de onverantwoordelijke overdracht van wapens en de verspreiding van lichte wapens binnen gemeenschappen tegengaan.

7. Civiele samenleving

We moeten de principes van democratie, vrije media en toegang tot accurate informatie stimuleren. De vrijheid van vereniging en vergadering en de vrijheid van meningsuiting zijn deel van het fundament waarop een civiele samenleving kan worden gehandhaafd.

Activiteiten ondernomen in het kader van vredesopbouw moeten in eerste instantie gebaseerd zijn op het respect voor de fundamentele waarden van menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, mensenrechten, rechtsorde, rechtvaardigheid en gelijkheid, en het afleggen van verantwoording door regeringen aan de bevolking. Daarnaast moeten de belangen van lokale begunstigden centraal staan bij vredesopbouw en natievorming.

8. Verzoening en vergeving

Tot dit fundament van de transitionele rechtsstaat behoren de verzoening van de verschillende bevolkingslagen, de reïntegratie van voormalige strijders, ontheemden, de dialoog tussen conflicterende groepen (herstel na trauma’s en onderwijs over vrede), het instellen van waarheids- en verzoeningscommissies en het verbeteren van systemen waarmee conflicten op een niet-gewelddadige manier kunnen worden opgelost.

9. Oorlogsmisdaden

Genocide moet worden bestraft en moet zichtbaar worden bestraft. Indien nodig moeten er tribunalen voor oorlogsmisdaden worden benoemd. Het is beter om de hoofddaders door nationale rechtbanken dan door internationale rechtbanken te laten berechten.

10. Millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en eerlijke toegang tot basisvoorzieningen voor de bevolking

Gezondheid is een essentiële voorwaarde voor ontwikkeling, evenals toegang tot drinkwater en sanitaire voorzieningen. Ook aan voedselveiligheid moet hoge prioriteit worden gegeven. Onderwijs is bovendien een belangrijke factor voor armoedevermindering.

De meeste landen met de hoogste zuigelingen- en kindersterftepercentages hebben in de afgelopen jaren onder conflicten geleden. Een onveilige omgeving biedt ook een voedingsbodem voor georganiseerde criminaliteit. Er moet prioriteit worden gegeven aan de productiecapaciteit van ontwikkelingslanden, die op een gezonde en opgeleide beroepsbevolking gebaseerd moet zijn. Dit is een essentiële voorwaarde voor het uitroeien van armoede.

11. Gelijkheid van mannen en vrouwen

Vrouwen spelen een centrale rol bij het vredesproces en de natievorming. De inspanningen voor het verwezenlijken van een rechtvaardige maatschappij kunnen slechts dan worden volgehouden als vrouwen een plaats als volwaardige deelneemsters in het vredesproces krijgen, en als zij zich volledig kunnen ontplooien op politiek terrein, in het economisch leven en in de samenleving als geheel.

12. Eerlijke toegang tot duurzame hulpbronnen

Duurzaam en milieuvriendelijk gebruik van en eerlijke toegang tot natuurlijke hulpbronnen zijn noodzakelijk om duurzame ontwikkeling te garanderen, inclusief de aanpak van klimaatverandering en het verlies van biodiversiteit. Somalië is een goed voorbeeld van wat er kan gebeuren als er niet aan dit criterium wordt voldaan.

13. Conflictbewustzijn

Het is mogelijk dat hulp geen positieve invloed heeft als de bij ontwikkeling betrokken partijen conflictkwesties niet erkennen of vermijden conflictkwesties aan te pakken. Het bieden van hulp zonder aandacht te schenken aan de invloed van voortdurende conflicten op ontwikkeling en de veiligheid van mensen of het bieden van hulp via staten die bepaalde etnische groepen uitsluiten kan ook leiden tot een groter risico op nieuwe conflicten of op het voortduren van bestaande conflicten. Conflicten zouden standaard moeten worden geëvalueerd om op basis van de zo verkregen informatie ontwikkelingsprogramma’s beter te kunnen plannen.

Conflictbewustzijn houdt ook in dat er beslissingen worden genomen over het geven van financiële steun aan een land of een bepaalde sector, over de vraag of het grootste deel van de steun via de staat wordt aangeboden, over hoe centrale onderwijs-, gezondheidszorg- en andere ontwikkelingsprogramma’s een positieve invloed kunnen uitoefenen op de hoofdoorzaken van het conflict, enz. De evaluaties moeten gebaseerd zijn op bestaande ervaringen met eerdere conflictevaluaties en andere maatschappelijke analyses, met name analyses die gericht zijn op ongelijkheid en sociale uitsluiting. Inspanningen moeten zijn gericht op het begrijpen van en uitleggen hoe de voorgestelde hulprelaties en ontwikkelingsprogramma’s zich zullen verhouden tot de hoofdoorzaken van conflicten en ook tot de hoofdoorzaken van armoede.

14. De rol van internationale instellingen (coherentie en consistentie van de internationale gemeenschap)

De VN-Commissie voor Vredesopbouw werd opgericht ter verbetering van internationale steun om landen in de nasleep van een conflict te helpen. Deze Commissie zou politieke steun en adequate middelen moeten krijgen om effectief te kunnen functioneren en de gestelde doelen in de praktijk te realiseren.

Vele internationale partijen zijn weliswaar overtuigd van de noodzaak van betere coördinatie in post-conflictsituaties, zoals de Democratische Republiek Congo, Sierra Leone en Liberia, maar ondanks enkele verbeteringen leiden hun inspanningen vaak tot grotere incoherentie en concurrentie. Het Ontwikkelingscomité van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO/DAC) voert periodieke beoordelingen uit van de effectiviteit van de ontwikkelingssteun die de leden van deze organisatie bieden. De criteria die hiervoor gelden zouden moeten worden uitgebreid om ook de activiteiten van de leden binnen een post-conflictcontext te kunnen beoordelen.

8.10.2008

ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (*)

aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking

over de ontwikkelingsperspectieven voor vredes- en natieopbouw in postconflictsituaties

(2008/2097(INI))

Rapporteur (*): Luisa Morgantini

(*) Medeverantwoordelijke commissies – Artikel 47 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie ontwikkelingssamenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat vrede meer is dan 'geen oorlog', en dat er geen vrede mogelijk is zonder gerechtigheid, en dat beëindiging van vijandelijkheden bovendien niet per definitie inhoudt dat mannen en vrouwen veilig zijn; herinnert er tevens aan dat vrouwen een belangrijke rol spelen bij conflictpreventie en -oplossing en vredesopbouw, en acht het belangrijk dat vrouwen op gelijke voet deelnemen aan en volledig betrokken worden bij alle inspanningen ten behoeve van de handhaving en bevordering van vrede en veiligheid;

2.  roept op tot het opstellen van een Europees actieplan voor de tenuitvoerlegging van Resolutie 1325 van de VN-Veiligheidsraad en verzoekt de Europese Commissie om er bij de partnerlanden en de lidstaten van de EU op aan te dringen nationale actieplannen op te stellen; stelt een herziening voor van de richtsnoeren van de EU inzake de bescherming van de mensenrechten ter waarborging van een onverkorte naleving van bovengenoemde resolutie;

3.  juicht de goedkeuring van Resolutie 1820 van de VN-Veiligheidsraad toe, met name de erkenning dat seksueel geweld een bedreiging vormt voor de internationale vrede en veiligheid;

4.  benadrukt dat adviseurs op het gebied van de genderproblematiek en opleidingen voor gendermainstreaming deel moeten uitmaken van alle EU-missies (met inbegrip van bemiddelings- en onderhandelingsteams en politie- en vredeshandhavingsmissies) en dat deze voor ten minste 40% uit vrouwen moeten bestaan op alle niveaus, inclusief de hoogste leidinggevende niveaus;

5.  wijst erop dat vredesonderzoek, conflictpreventie en -oplossing, vredesoperaties, herstel en wederopbouw na conflicten, financiële instrumenten, landen-/regionalestrategiedocumenten en de planning van alle externe interventies ook vanuit genderperspectief bekeken moeten worden;

6.  roept de Commissie op onderzoek te doen naar gendermainstreaming in de externe missies van de EU;

7.  acht het noodzakelijk dat alle delegaties van de Europese Commissie in derde landen een knooppunt voor genderkwesties opzetten dat beschikt over een passend mandaat en passende competenties en middelen;

8.  beklemtoont dat lokale vrouwenorganisaties en internationale netwerken van vrouwen voor vrede geraadpleegd en ondersteund moeten worden; bepleit politieke en financiële steun, training, capaciteitsopbouw en technische bijstand, onder meer ten behoeve van vredesbesprekingen en vreedzame oplossing van conflicten;

9.  acht het noodzakelijk dat vrouwen na afloop van het conflict hun studies en opleiding afmaken en hervatten; is van oordeel dat in dit opzicht een actieve bijdrage aan de hervatting van het onderwijs tijdens de wederopbouw van het land meer dan wenselijk is;

10. benadrukt dat de genderdimensie meegenomen moet worden bij het onderhandelen over en uitvoeren van vredesakkoorden om de grondwettelijke bescherming van vrouwenrechten te bevorderen;

11. acht het van cruciaal belang dat een einde wordt gemaakt aan de straffeloosheid van gendergerelateerde geweldsmisdrijven en om deze misdrijven voor zover haalbaar uit te sluiten van de mogelijkheden van amnestie, en om te waarborgen dat alle slachtoffers van seksueel geweld, met name vrouwen en meisjes, gelijke rechtsbescherming genieten en gelijke toegang tot de rechter hebben;

12. onderstreept dat de bestrijding van het probleem van de kindsoldaten en de meisjes die door gewapende strijdkrachten geronseld worden en ten prooi vallen aan seksueel misbruik, aansluit bij de strijd om de dagelijkse levensomstandigheden te verbeteren van vrouwen die wonen in postconflictregio's waar de consolidatie van de vrede en de wederopbouw van het land nog in volle gang zijn;

13. wijst erop dat programma's voor ontwapening, demobilisatie en re-integratie (DDR) specifieke regelingen voor vrouwelijke ex-strijders moeten omvatten;

14. verzoekt de EU om bij de ondersteuning van de hervorming van de veiligheidssector (SSR) na conflicten tevens het genderaspect te laten meewegen, via het verschaffen van gendertraining en -expertise op het gebied van grondwet, verkiezingen, politie en het gerechtelijk apparaat;

15. onderstreept dat de deelname van vrouwen aan verkiezingen in een postconflictland moet worden ondersteund door middel van specifieke programma's en met quota op alle niveaus;

16. acht het van cruciaal belang om vrouwen te betrekken bij economische activiteiten in postconflictsamenlevingen teneinde hun sociaaleconomische positie en hun ondernemingsvermogen te versterken, en benadrukt de positieve rol van microkredieten in dit verband;

17. beklemtoont dat vrouwen die het slachtoffer zijn geworden van seksueel geweld, volledige toegang moeten krijgen tot gezondheidsdiensten op het vlak van seksualiteit en voortplanting, alsmede programma's die deze vrouwen ondersteunen bij de bestrijding van de stigmatisering waar zij mee worden geconfronteerd;

18. bepleit de naleving en handhaving van de gedragscode voor VN-personeel dat werkzaam is in postconflictgebieden en roept op tot zero-tolerance ten aanzien van seksueel geweld door vredeshandhavers of medewerkers van NGO's;

19. acht het noodzakelijk om rekening te houden met de genderdimensie bij de omgang met vluchtelingen en in eigen land ontheemden, onder meer bij het opzetten van vluchtelingenkampen;

20. acht het noodzakelijk er mede voor te zorgen dat vrouwen in ruimere mate deelnemen aan en vertegenwoordigd zijn in de media en in opinieplatforms waar vrouwen hun mening kenbaar kunnen maken.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.10.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

0

5

Bij de eindstemming aanwezige leden

Edit Bauer, Emine Bozkurt, Ilda Figueiredo, Věra Flasarová, Claire Gibault, Lissy Gröner, Zita Gurmai, Esther Herranz García, Anneli Jäätteenmäki, Lívia Járóka, Piia-Noora Kauppi, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Roselyne Lefrançois, Siiri Oviir, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Zita Pleštinská, Christa Prets, Teresa Riera Madurell, Raül Romeva i Rueda, Eva-Britt Svensson, Britta Thomsen, Anne Van Lancker, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Mary Honeyball, Marusya Ivanova Lyubcheva, Maria Petre, Petya Stavreva


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (13.10.2008)

aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking

over de ontwikkelingsperspectieven voor vredes- en natieopbouw in postconflictsituaties

(2008/2097(INI))

Rapporteur voor advies: Willy Meyer Pleite

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie ontwikkelingssamenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.   stelt vast dat ontwikkeling plaatsvindt bij vrede en in een stabiele omgeving en dat de afwezigheid van vijandigheden niet automatisch leidt tot diepgewortelde en blijvende stabiliteit; benadrukt dat vrede, veiligheid en blijvende stabiliteit fundamentele en essentiële voorwaarden zijn voor de natieopbouw in postconflictsituaties;

2.   benadrukt dat het belangrijk is om de wortels van instabiliteit uit te roeien door middel van ontwikkelingsmaatregelen die in overeenstemming zijn met de millenniumontwikkelingsdoelstellingen en (MOD) en andere sociaaleconomische, politieke en culturele maatregelen die de omgeving kunnen scheppen die nodig is om te voorkomen dat het conflict weer oplaait en die gericht zijn op het uitroeien van de armoede en op economische en sociale ontwikkeling, op institutionele en administratieve capaciteitsopbouw, op de verbetering van de levenskwaliteit van de bevolking en op de consolidatie van de rechtsstaat; wijst in dat opzicht op het belang van het onderwijs, in het bijzonder voor jongeren en vrouwen, omdat het rechtstreeks kan bijdragen aan het creëren van een stabiele omgeving; betreurt dat men er niet in geslaagd is om de MOD te bereiken en dat de situatie op veel gebieden zelfs verslechterd is, in het bijzonder op het gebied van onderwijs en gezondheid (malaria, HIV, kinder- en moedersterfte);

3.   wijst ook op de noodzaak om sociale en economische maatregelen te treffen die gericht zijn op het uitroeien van de armoede en op economische en sociale ontwikkeling en die de omgeving kunnen scheppen die nodig is om te voorkomen dat het conflict weer oplaait;

4.   stelt vast dat het van cruciaal belang is dat de internationale gemeenschap een grotere verantwoordelijkheid neemt om de autoriteiten van landen in opbouw te ondersteunen bij het ontwikkelen van een rechtsstaat; benadrukt dat deze steun van wezenlijk belang is voor de inrichting van een grondwettelijk en politiek bestel;

5.   wijst erop dat het belangrijk is om aandacht te hebben voor de politieke structuur van postconflictmaatschappijen, in het bijzonder voor de regelingen waarbij de macht verdeeld wordt tussen de vroegere conflictpartijen; steunt het bureau van de speciale EU-vertegenwoordigers als het belangrijkste instrument van de EU om te helpen bij de totstandkoming van politieke overeenkomsten en om blijvende politieke stabiliteit te bevorderen in postconflictmaatschappijen;

6.   wijst op de rol van regionale samenwerking in horizontale kwesties en op terreinen die de politieke grenzen overstijgen; verzoekt de Commissie en de Raad een regionale benadering te kiezen bij het tegemoet treden van de situatie van elk land;

7.   is van mening dat het van cruciaal belang is dat de oorzaken van instabiliteit en de problemen van postconflictmaatschappijen worden aangepakt door een combinatie van civiele en militaire maatregelen; wijst erop dat zonder de veiligheidsgaranties van de vredeshandhavende troepen niet kan worden voldaan aan de essentiële voorwaarde voor stabiliteit in door conflicten verscheurde maatschappijen (dat wil zeggen beveiliging van personen en van hun eigendom );

8.   spoort de EU aan om de optimale praktijken te versterken op terreinen die een breed opgezette samenwerking vergen tussen politieke, militaire en humanitaire actoren en ontwikkelingsmedewerkers zoals conflictpreventie, verzoening, vredeshandhaving, naleving van de mensenrechten, rechtsstaat, humanitaire hulp, opbouw en ontwikkeling op lange termijn;

9.   stelt vast dat democratisering, demilitarisering en ontwapening van de partijen die betrokken zijn bij het conflict van wezenlijk belang zijn en sleutelprioriteiten zouden moeten zijn bij elk proces van vredes- en natieopbouw;

10. wijst erop dat hulp aan postconflictmaatschappijen doorgaans slechts effectief is als er ook militaire ondersteuning is, waarmee de basisvoorwaarde wordt geschapen voor economische ontwikkeling na conflicten en wordt voorkomen dat de steun in handen valt van krijgsheren en criminele bendes; is van mening dat buitenlandse donoren in hun ontwikkelingsinspanningen rekening moeten houden met de situatie en de visie van de lokale bevolking; wijst er echter op dat die hulp ook gebaseerd moet zijn op de beste internationale praktijken op het gebied van het bevorderen van economische ontwikkeling in postconflictsituaties;

11. benadrukt dat er een evenwicht moet zijn tussen de civiele en de militaire component van de ontwikkelingshulp teneinde de werking van de basisinfrastructuur en van de overheidsdiensten te kunnen garanderen zonder iets af te doen aan de voorwaarden voor opbouw, rehabilitatie en het opnieuw op gang trekken van het democratische en economisch proces; is vol lof over het werk van de recent opgerichte VN-Commissie voor vredesopbouw; wijst erop dat het noodzakelijk is om op het gebied van ontwikkelingshulp samen te werken met internationale partners, in het bijzonder de Verenigde Naties;

12. wijst erop dat het van essentieel belang is om de militaire capaciteit van het EVDB verder te ontwikkelen zodat de Europese Unie en de lidstaten beter zouden kunnen bijdragen aan het stabiliseren en ontwikkelen van postconflictmaatschappijen;

13. betreurt dat een aanzienlijk aantal dodelijke slachtoffers ten gevolge van gewapende conflicten in ontwikkelingslanden het gevolg zijn van het gebruik van lichte wapens; is van mening dat de beleidslijnen van de EU op het gebied van preventie en bestrijding van de illegale handel in conventionele wapens transparant, geharmoniseerd, duidelijker en effectiever moeten zijn, en gebaseerd moeten zijn op de EU-gedragscode voor de wapenexport, die juridische bindend moet zijn; benadrukt het belang van mijnenruiming, demilitarisering, demobilisatie, rehabilitatie en re-integratie, evenals de hervorming van de veiligheidssector in postconflictsituaties;

14. wijst erop dat de ontwikkeling van de rechtsstaat een essentiële voorwaarde is voor blijvende stabiliteit en economische ontwikkeling; steunt de ontplooiing van EVDB-operaties die gericht zijn op het bevorderen van de rechtsstaat in postconflictsituaties (bv. EUPOL Afghanistan, EULEX Kosovo en EUJUST LEX in Irak); wijst erop dat het belangrijk is om onafhankelijke oorlogstribunalen op te richten om te voorkomen dat oorlogsmisdadigers hun straf ontlopen en om het postconflictverzoeningsproces vooruit te helpen;

15. herhaalt de conclusies van het rapport over klimaatverandering en internationale veiligheid(1) dat in maart 2008 door de Hoge Vertegenwoordiger van de EU en de Europese Commissie aan de Europese Raad werd voorgelegd, en waarin ervoor wordt gewaarschuwd dat landen en regio's die al kwetsbaar zijn en vatbaar voor conflicten, overbelast dreigen te geraken door de klimaatverandering waardoor nieuwe immigratiestromen ontstaan en de veiligheidsrisico's voor de EU toenemen; dringt er bij de Commissie op aan om bij haar vredesopbouwende inspanningen rekening te houden met de overwegingen op het gebied van klimaatverandering;

16. stelt vast dat veel ontwikkelingslanden over de energie, de natuurlijke hulpbronnen en het menselijk potentieel beschikken die nodig zijn voor hun ontwikkeling; benadrukt echter de noodzaak van meer transparantie en efficiëntie in de mijnbouwsector zodat deze landen zich verder kunnen ontwikkelen; verwelkomt initiatieven als het Kimberleyproces en het transparantie-initiatief van de mijnbouwsector, die methoden bevorderen om het grote potentieel voor conflicten in te dammen; wijst op het belang van onderwijs voor de verdere ontwikkeling;

17. bevestigt dat een billijk migratiebeleid tegenover de ontwikkelingslanden van vitaal belang is; wijst erop dat migratie een positieve invloed kan hebben op het ontwikkelingsproces, onder meer door het deel van hun loon dat in de EU wonende migranten naar hun familie sturen, door het tegengaan van de intellectuele leegloop, door de vergemakkelijking van de terugkeer van migranten en door de preventie van mensenhandel;

18. is van mening dat de lidstaten een morele verplichting hebben om vluchtelingen uit conflictgebieden op te vangen; is ervan overtuigd dat de lidstaten deze verplichting alleen maar kunnen nakomen als de last gedeeld wordt onder de lidstaten; is er bovendien van overtuigd dat de lidstaten de vluchtelingen die willen terugkeren naar hun land van herkomst wanneer een eind is gekomen aan het gewelddadige conflict, actief moeten helpen;

19. wijst erop dat een goede verzoeningsstrategie rekening houdt met de rol van de vrouw bij de consolidatie van de vrede en benadrukt dat er in de verzoeningsprogramma's aandacht moet zijn voor de specifieke situaties van kinderen in gewapende conflicten;

20. herhaalt haar belofte om de rechten van vrouwen en kinderen in postconflictsituaties te beschermen en dat het uiteindelijk de bedoeling is om de nodige maatregelen te treffen om de positie van vrouwen te versterken – een onontbeerlijke voorwaarde voor blijvende vrede en stabiliteit;

21. is van mening dat de internationale donoren rekening moeten houden met de regionale en lokale situatie bij het ontwikkelen van een opbouwbeleid dat stabiliteit en democratie in de hand werkt en dat ze moeten putten uit de ervaring die ze hebben opgedaan in het bevorderen van de economische ontwikkeling in postconflictsituaties;

22. benadrukt dat het noodzakelijk is om lokale autoriteiten te ondersteunen door middel van een adequate opleiding en uitwisseling van ervaringen; herinnert er in dit verband aan dat het EP zich heeft gecommitteerd aan de beginselen en de praktijken van de parlementaire democratie;

23. steunt het EU-programma voor de preventie van gewelddadige conflicten en de in het EU-actieplan voor 2009 beoogde veiligheids- en ontwikkelingsdoelstellingen en dringt er bij de Commissie op aan om de hoogste prioriteit te verlenen aan de uitvoering van vredesopbouwende maatregelen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

7.10.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

2

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Sir Robert Atkins, Christopher Beazley, Angelika Beer, André Brie, Colm Burke, Véronique De Keyser, Giorgos Dimitrakopoulos, Michael Gahler, Georgios Georgiou, Ana Maria Gomes, Klaus Hänsch, Richard Howitt, Jana Hybášková, Anna Ibrisagic, Metin Kazak, Maria Eleni Koppa, Willy Meyer Pleite, Pasqualina Napoletano, Annemie Neyts-Uyttebroeck, Vural Öger, Ria Oomen-Ruijten, Michel Rocard, Libor Rouček, Christian Rovsing, Flaviu Călin Rus, Katrin Saks, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Jacek Saryusz-Wolski, Marek Siwiec, Charles Tannock, Geoffrey Van Orden, Andrzej Wielowieyski, Luis Yañez-Barnuevo García, Zbigniew Zaleski, Josef Zieleniec

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Carlo Fatuzzo, Patrick Gaubert, Tunne Kelam, Nickolay Mladenov, Jean Spautz, Johan Van Hecke

(1)

S113/08 van 14 maart 2008.


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.11.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

27

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Josep Borrell Fontelles, Danutė Budreikaitė, Marie-Arlette Carlotti, Corina Creţu, Nirj Deva, Alexandra Dobolyi, Beniamino Donnici, Fernando Fernández Martín, Juan Fraile Cantón, Alain Hutchinson, Romana Jordan Cizelj, Filip Kaczmarek, Glenys Kinnock, Maria Martens, Gay Mitchell, Toomas Savi, Pierre Schapira, Frithjof Schmidt, Jürgen Schröder, Feleknas Uca, Johan Van Hecke, Anna Záborská, Jan Zahradil, Mauro Zani

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Miguel Angel Martínez Martínez, Manolis Mavrommatis, Csaba Őry, Renate Weber, Gabriele Zimmer

Laatst bijgewerkt op: 4 december 2008Juridische mededeling