Procedure : 2008/2102(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0455/2008

Ingediende teksten :

A6-0455/2008

Debatten :

Stemmingen :

PV 18/12/2008 - 6.10
CRE 18/12/2008 - 6.10
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0625

VERSLAG     
PDF 194kWORD 111k
20 november 2008
PE 409.772v03-00 A6-0455/2008

over kennis, creativiteit en innovatie dankzij een leven lang leren - uitvoering van het werkprogramma 'Onderwijs en opleiding 2010'

(2008/2102(INI))

Commissie cultuur en onderwijs

Rapporteur: Ljudmila Novak

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over kennis, creativiteit en innovatie dankzij een leven lang leren - uitvoering van het werkprogramma 'Onderwijs en opleiding 2010'

(2008/2102(INI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op de artikelen 149 en 150 van het EG-Verdrag,

–   gezien de mededeling van 12 november 2007 van de Commissie getiteld "Kennis, creativiteit en innovatie dankzij een leven lang leren - ontwerp voor het gezamenlijke voortgangsverslag 2008 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het werkprogramma 'Onderwijs en opleiding 2010'"(COM(2007)0703) en het begeleidend werkdocument voor haar personeel (SEC(2007)1484),

–   gezien het gedetailleerd werkprogramma om de doelstellingen van de onderwijs- en opleidingstelsels in Europa na te streven(1) en de opeenvolgende gezamenlijke interimverslagen over de uitvoering,

–   gezien het besluit van 15 november 2007 van de Raad over onderwijs en opleiding als centrale drijvende kracht in de strategie van Lissabon(2),

–   gezien Besluit nr. 1720/2006/EG van 15 november 2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vastlegging van een actieprogramma voor levenslang leren(3),

–   gezien het besluit van 15 november 2007 van de Raad over de nieuwe vaardigheden voor nieuwe arbeidsplaatsen(4),

–   gezien het werkdocument van 28 augustus 2007 voor het personeel van de Commissie over kennisgerichter beleidsvoering en werkwijzen in onderwijs en opleiding (SEC(2007)1098),

–   gezien de aanbeveling van 23 april 2008 van het Europees Parlement en de Raad over de oprichting van een Europees kwalificatiekader voor levenslang leren(5),

–   gezien de aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 over verdere Europese samenwerking voor waarborging van de kwaliteit in het hoger onderwijs(6),

–   gezien het Europees Handvest voor kwaliteit in de mobiliteit(7),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 november 2007 over de rol van de sport in het onderwijs(8),

–   gezien de aanbeveling van 18 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad over de voornaamste vaardigheden voor levenslang leren(9),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 januari 2008 over het leerproces van volwassenen: "Nooit te laat om te leren"(10),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 september 2008 over het proces van Bologna en de mobiliteit van studenten(11),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 september 2008 over lerarenopleiding van betere kwaliteit(12),

–   gezien de conclusies van de voorzitter van de Europese Raad van 13 en 14 maart 2008,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0455/2008),

A. overwegende dat de Europese Unie ernaar streeft om tegen 2010 wereldleider in de kwaliteit van onderwijs en opleiding te worden, die van centraal belang voor verdere vooruitgang in het proces van Lissabon zijn,

B.  overwegende dat er vooruitgang in de uitbreiding van autonomie en verantwoordelijkheid van de universiteiten is, en dat ze in die ontwikkeling op meer steun moeten kunnen rekenen,

C. overwegende dat onderwijs- en opleidingsstelsels mannen en vrouwen gelijke kansen moeten bieden,

D. overwegende dat gelijkheid van man en vrouw in het onderwijs- en opleidingsbeleid conditio sine qua non voor het welslagen van de strategie van Lissabon is, die o.m. tot doel heeft om verschillende behandeling van en man en vrouw op de Europese arbeidsmarkten aan te pakken, vooral door de deelname in het arbeidsleven tegen 2010 tot 60% van de vrouwen op te trekken,

E.  overwegende dat de lidstaten de hervorming van hun nationaal onderwijs en opleiding moeten aanmoedigen door onderling samen te werken en degelijke werkwijzen te delen,

F.  overwegende dat de duidelijke en uitgebreide strategieën en werkmiddelen voor levenslang leren die door het Europees Parlement en de Raad overeengekomen zijn, op een samenhangende manier toegepast moeten worden om de doelstellingen van Lissabon te verwezenlijken en de kennisdriehoek te verstevigen,

G. overwegende dat Europa vaardigheden van hogere kwaliteit nodig heeft en dat creativiteit en vernieuwing in alle stadia van onderwijs en opleiding aanmoediging verdienen,

H. overwegende dat er voorzieningen voor de vaardigheden in milieu en samenleving getroffen moeten worden die in de toekomst nodig zijn, bvb door klimaatverandering en andere milieuproblemen in alle vormen van leerproces horizontaal te integreren,

I.   overwegende dat leerplannen de persoonlijke ontwikkeling van de studenten moeten bevorderen door de rechten van de mens en de Europese waarden te omvatten,

J.   overwegende dat kwaliteit en doeltreffendheid van onderwijs en opleiding en hun beschikbaarheid voor de burger als centrale beleidsdoelstellingen op Europees niveau te beschouwen zijn,

K. overwegende dat onderwijs en opleiding altijd op de plaatselijke en regionale mogelijkheden, kenmerken en behoeften afgestemd moeten zijn,

1.  verheugt zich over de mededeling van 12 november 2007 van de Commissie en de vorderingen waar ze uitvoerig verslag over uitbrengt;

2.  wijst erop dat de beleidsvoering voor onderwijs en opleiding voortdurend van begeleidende sociaal-economische maatregelen voorzien moet worden om de algemene levenstandaard van de Europese burgers te verbeteren;

3.  benadrukt dat migranten en minderheden geïntegreerd moeten worden (vooral zigeuners/Roma) en dat de integratie van groepen met bijzondere behoeften (op de eerste plaats vrouwen, gehandicapten en oudere personen) op alle niveaus en in alle onderdelen van het onderwijs speciale aandacht verdient; meent dat migranten bijkomende steun moeten krijgen, terwijl etnische minderheden en zigeuners/Roma door speciaal opgeleid personeel bijgestaan moeten worden dat tot dezelfde minderheid behoort of minstens de taal van de minderheid spreekt;

4.  wijst met nadruk op het belang van de sport in onderwijs en opleiding en de noodzaak om er speciale aandacht aan te besteden, bijvoorbeeld door voor meer gymnastiek en sport in alle vormen van onderwijs te zorgen, van kleuterschool tot universiteit, en eist minstens drie lesuren sport per week in het leerplan, en steunmaatregelen voor de scholen om het voorgeschreven minimum zo mogelijk te overtreffen;

5.  benadrukt de centrale rol van gezin en sociaal milieu in alle aspecten van onderwijs en opleiding;

6.  merkt op dat onderwijs essentieel is voor de sociale en persoonlijke ontwikkeling van zowel vrouwen als mannen; wijst daarom met klem op het belang om in onderwijs en opleiding meer aandacht aan de gelijkheid van man en vrouw te besteden;

7.  betreurt dat de onderwijsstelsels vrouwen ontmoedigen om traditioneel door mannen beheerste studies en beroepsopleidingen te volgen, maar verwelkomt maatregelen voor meer gelijkheid van man en vrouw en vraagt de lidstaten met klem om programma's in te voeren die vrouwen zo gediversifieerd mogelijk beroepsvoorlichting en vervolgens bijstand op de arbeidsmarkt willen geven;

8.  wijst erop dat de reëel ongelijke kansen van man en vrouw in levenslange leer- en opleidingsprocessen zoveel merkbaarder zijn op de eilanden en in geografisch en sociaal benadeelde gebieden; dringt daarom op meer aandacht voor onderwijsinitiatieven in het regionaal beleid aan;

9.  stipt de aanhoudende ondervertegenwoordiging van vrouwen op bepaalde studiegebieden, op alle niveaus, en in het onderzoek aan; bepleit daarom praktische positieve acties om de toestand bij te stellen;

10. wijst erop dat studenten die hun studie tijdelijk onderbreken, vooral jonge moeders, slachtoffer van discriminatie kunnen worden en roept op tot flexibeler regelingen om een studie of opleiding na de geboorte te kunnen hervatten en studies met beroeps- en gezinsleven te verzoenen;

11. merkt op dat de kwaliteit van leerplannen en onderricht over heel de lijn verbeterd moet worden, evenals de sociale verzekering van de leraren, en wijst erop dat ook hun verdere vorming en mobiliteit aandacht verdienen;

12. benadrukt dat kennis van de media en informatie- en communicatietechnologie krachtige aanmoediging verdient en beveelt aan om van opvoeding in het gebruik van de media een integraal bestanddeel van het leerplan op alle onderwijsniveaus te maken en onderwijzend personeel en oudere mensen mediapedagogische lespakketten aan te bieden;

13. wijst erop dat de overgang tussen verschillende onderwijs- en opleidingsystemen en formele, niet formele en informele opleiding verbeterd moet worden;

14. dringt er bij de Raad op aan om erop toe te zien dat elke Europese lidstaat in de praktijk het Europees onderwijs- en opleidingsbeleid uitvoert; meent dat de nationale regeringen duidelijke nationale doelstellingen in onderwijs en opleiding moeten vastleggen en de nodige wetgeving en overeenkomstige maatregelen moeten invoeren om de Europese normen te kunnen bereiken en vooral voor gebruikmaking van de hulpmiddelen te zorgen die op EU-niveau aangenomen zijn, zoals bij voorbeeld de aanbeveling sleutelcompetenties voor levenslang leren, het Europees kwalificatiekader en de europas;

Kleuteronderwijs

15. stelt met nadruk dat er ruimere middelen uitgetrokken moeten worden om de materiële omkadering, onderbrenging en doorlopende maatregelen voor de verdere vorming van onderwijzend personeel te verbeteren zodat de kwaliteit van het kleuteronderwijs toeneemt en dat er ruimere investeringsmogelijkheden zijn, waarbij algemene beschikbaarheid van kwalitatief hoogstaand kleuteronderwijs een geschikte manier is om alle kinderen, maar vooral die uit sociaal achtergestelde milieus of minderheidsgroepen, gelegenheid tot levenslang leren te geven;

16. wijst er uitdrukkelijk op hoe belangrijk het is dat kinderen elementaire vaardigheden ontwikkelen, hun moedertaal of de taal van hun land van verblijf leren, en in een zo vroeg mogelijk stadium leren lezen en schrijven;

17. meent dat het aanleren van een tweede taal in hetzelfde vroeg stadium moet beginnen, maar dat de omgang met talen in de vroege kinderjaren op een speelse manier en zonder prestatiedwang moet plaatsvinden;

18. vraagt alle lidstaten om kleuteronderwijs verplicht te stellen;

Lager en middelbaar onderwijs

19. benadrukt dat er speciale aandacht aan personen te besteden is die anders in een later stadium misschien het onderwijs verlaten; denkt dat er speciale programma's en maatregelen aangenomen moeten worden om het percentage schoolverlaters terug te dringen, en in gevallen dat schoolverlaten onvermijdelijk is en zich blijft voordoen, dat de belanghebbenden steun verdienen en mogelijkheden tot maatschappelijke re-integratie moeten krijgen, en geschikte opleidingen moeten kunnen volgen;

20. benadrukt dat lager en middelbaar onderwijs de kinderen de mogelijkheden tot zelfstandig, scheppend en vernieuwend denken moeten geven en ze tot mediakritische en zelfkritische burgers moeten vormen;

21. wijst met nadruk op het belang van de leerplannen van elke lidstaat, die lessen moeten bevatten om de creativiteit en vernieuwingsgeest van de kinderen te stimuleren;

22. meent dat leerplannen en hun inhoud voortdurend bijgewerkt moeten worden zodat ze actueel blijven en stelt met nadruk dat alle lidstaten grotere betekenis aan de lerarenopleiding moeten hechten en er meer middelen voor moeten uittrekken om tastbare vooruitgang in de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie van Lissabon voor het werkprogramma Onderwijs en opleiding 2010 te bereiken en het levenslang leren in de Europese Unie te stimuleren;

23. is ervan overtuigd dat kinderen in een zo vroeg mogelijk stadium een tweede vreemde taal moeten leren;

24. moedigt het aanleren van vreemde talen van in de vroege jaren nadrukkelijk aan, en opname van onderricht in vreemde talen in alle leerplannen voor de lagere school; onderlijnt dat er om die doelstelling te bereiken voldoende middelen ter beschikking gesteld moeten worden om leraren vreemde talen op te leiden en in dienst te nemen;

25. meent dat ontwikkeling van persoonlijke talenten, specifieke mogelijkheden en natuurlijke vaardigheden van de leerlingen in dit onderwijsstadium een belangrijke doelstelling moet zijn, en wijst erop dat het om bekwaamheden gaat die later de grondslag voor arbeid en beroepsleven kunnen vormen;

26. benadrukt dat leerlingen die de elementaire vaardigheden niet verworven hebben of verwerven, bijzondere aandacht verdienen, evenzeer als bijzonder begaafde leerlingen, zodat ze hun meer dan gemiddelde mogelijkheden en talenten zo goed mogelijk verder kunnen ontwikkelen;

27. beveelt de lidstaten aan om de theoretische en beroepskwalificaties van de leraren en hun levenslang leerproces aanzienlijk te verbeteren;

28. geeft uitdrukkelijk zijn steun voor de eis van voortdurende en systematische verdere vorming van leraren in de loop van hun beroepsleven; meent dat alle leraren regelmatig in de gelegenheid gesteld moeten worden om hun bekwaamheden en kwalificaties en hun pedagogische vakkennis op te frissen;

29. beveelt aan om zo spoedig mogelijk Europese maatschappijleer in de leerplannen op te nemen, om een nieuwe generatie in het bewustzijn van de Europese waarden in aangelegenheden als de rechten van de mens, culturele verscheidenheid, verdraagzaamheid, milieubescherming en klimaatverandering te vormen;

Beroepsonderwijs en -opleiding

30. stelt vast dat zowel kwaliteit als aantrekkelijkheid van beroepsonderwijs en -opleiding verbetering verdienen;

31. wijst erop dat beroepsonderwijs en -opleiding meer voeling met zowel de Europese als de nationale staatshuishoudingen moeten houden om het leerproces beter op de arbeidsmarkt af te stemmen;

32. stelt met nadruk dat de mobiliteit van leraren en studenten (niet alleen in geografische betekenis maar ook tussen beroepsonderwijs en -opleiding en hoger onderwijs) aanzienlijk moet verbeteren;

Hoger onderwijs

33. vindt dat de onderwijsprogramma's aan de universiteit gemoderniseerd moeten worden om aan de huidige en komende sociaal-economische behoeften te beantwoorden;

34. beveelt aan om in hogere opleidingen bij voorrang interdisciplinaire leerprogramma's uit te werken, die zich op de grenzen tussen de wetenschappen bevinden, om specialisten te vormen die in staat zijn om de ingewikkeldste problemen van de wereld van vandaag te behandelen;

35. stelt met nadruk dat de belangstelling van leerlingen en studenten voor technisch en natuurwetenschappelijk en op milieubescherming gerichte onderwijsprogramma's en hun inhoud verhoogd moet worden;

36. vraagt de lidstaten om samenwerkingsverbanden tussen universiteiten en het bedrijfsleven daadwerkelijk aan te moedigen, en bovendien ook tussen de universiteiten en de vele belanghebbende instanties en kringen op nationaal, regionaal en plaatselijk vlak;

37. stelt vast dat de samenwerking onder de Europese instellingen voor hoger onderwijs aanzienlijk uitgebreid moet worden en ook dat kwalificaties zo eenvoudig mogelijk overgedragen moeten kunnen worden;

38. merkt op dat het werk van leraren en hoogleraren voortdurend bijwerking verdient, zoals ook de programma's, hun inhoud, en de werkmethoden;

39. stelt voor dat het Europees instituut voor vernieuwing en onderzoek aansluiting op het proces van Bologna vindt en bij de hervorming van het hoger onderwijs in Europa in aanmerking genomen wordt;

40. beveelt de lidstaten ten zeerste aan om de mobiliteit van studenten en leraren te verbeteren, ook de mobiliteit tussen landen, onderwijsprogramma's en studierichtingen; wijst daarbij met nadruk op het belang van praktische omzetting van het Europees Handvest voor kwaliteit in de mobiliteit, om een echt Europees gebied voor levenslange vorming en verdere opleiding tot stand te brengen en de economische, sociale en regionale samenwerking te stimuleren;

Levenslang leren

41. meent dat de werkgevers stelselmatig aangemoedigd moeten worden om voor onderwijs en opleiding van hun werknemers te zorgen en ook stimulansen moeten krijgen om laag geschoolde werknemers aan levenslange leerprogramma's te laten deelnemen;

42. stipt aan dat langdurig werklozen, mensen uit benadeelde sociale milieus, personen met speciale behoeften, gewezen bewoners van opvoedingsgestichten en strafinrichtingen bijzondere aandacht verdienen;

43. beklemtoont dat vooral vrouwen tot deelname aan opleidings- en verdere vormingsmogelijkheden aangemoedigd moeten worden, en dat er daarom ook speciale programma's aangeboden en gesteund moeten worden die vrouwen tot levenslang leren stimuleren;

44. benadrukt dat laag geschoolde en oudere werknemers bijzondere aanmoediging nodig hebben en met stimulansen aangespoord moeten worden om aan de programma's voor levenslang leren deel te nemen;

45. verlangt dat er in programma's voor volwassenenvorming en levenslang leren speciale aandacht naar de groepen gaat die op de arbeidsmarkt het meest benadeeld zijn, meer in het bijzonder jonge mensen, vrouwen - vooral op het platteland - en ouderen;

46. wil dat er aan gedacht wordt dat ouderschapsopvoeding voor man en vrouw van wezenlijk belang voor het algemeen welzijn, armoedebestrijding en sociale samenhang is; dringt er in die gedachtegang op aan dat er in onderwijs en opleiding polyvalente programma's voor levenslang leren en de opleiding van ouderschapsopvoeders tot stand komen;

47. wijst er nadrukkelijk op dat kennis en kwalificaties die door levenslang leren verworven zijn, veel ruimer en gemakkelijker erkend moeten worden, en meent dat daarvoor ook de verwezenlijking van het Europees kwalificatiekader en de europas bespoedigd moet worden, als hulpmiddelen om levenslang leren te stimuleren;

48. meent dat er in alle stadia van het levenslang leerproces meer middelen vanwege zowel de Europese als nationale overheden beschikbaar moeten zijn om de mobiliteit te verbeteren;

49. eist dat de voordelen van het Europees handvest voor kwaliteit in de mobiliteit erkend en benut en door de lidstaten in werkelijkheid omgezet worden, en dat de Commissie een stand van zaken over de uitvoering in de lidstaten opmaakt;

50. dringt erop aan dat er voor alle studenten en werknemers met gezinslast zoveel mogelijk sociale dienstverlening en begeleidende voorzieningen (b.v. kinderopvang) gewaarborgd zijn;

51. vindt dat vrijwilligersdiensten in het werkprogramma Onderwijs en opleiding 2010 geïntegreerd en bij de uitvoering in aanmerking genomen moeten worden;

52. is ervan overtuigd dat gedachtewisselingen en wederzijds onderricht en leren tussen de verschillende leeftijdsgroepen uitgebreid moeten worden;

53. benadrukt dat de levenslange leerprogramma's het ondernemerschap moeten ondersteunen door de burgers de mogelijkheid te geven om kmo's op te richten en aan de behoeften van zowel de samenleving als de economie te voldoen;

54. vestigt er de aandacht op dat er advies- en informatiediensten over levenslang leren voor alle leeftijdsgroepen opgericht moeten worden om al de doelstellingen te kunnen nastreven;

o

o      o

55. verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1)

PB C 142 van 14.6.202, blz. 1.

(2)

PB C 300 van 12.12.2007, blz. 1.

(3)

PB L 327 van 24.11.2006, blz. 45.

(4)

PB C 290 van 4.12.2007, blz. 1.

(5)

PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1.

(6)

PB L 64 van 4.3.2006, blz. 60.

(7)

PB L 394 van 30.12.2006, blz. 5.

(8)

PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 131.

(9)

PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.

(10)

Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0013.

(11)

Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0423.

(12)

Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0422.


TOELICHTING

Mededeling van de Europese Commissie

De Europese Commissie heeft in november 2007 een mededeling onder de titel Kennis, creativiteit en innovatie dankzij een leven lang leren(1) voorgelegd. Het document - haar voorstel voor het derde voortgangsverslag dat ze samen met de Raad over de uitvoering van het werkprogramma Onderwijs en opleiding 2010 opstelt - verschijnt om de 2 jaar en is in het algemeen gesproken als stand van zaken in de open coördinatiemethode voor onderwijs en opleiding binnen de doelstellingen van de strategie van Lissabon te zien.

De mededeling is een verslag over de stand van zaken in het onderwijs- en opleidingsbeleid op Europees vlak, dat geslaagde en minder geslaagde nationale initiatieven aanwijst, maar ze schetst niet alleen een beeld van de vooruitgang en noemt niet alleen de beleidsonderdelen die te weinig vooruitgang te zien geven, maar stelt ook maatregelen voor verdere verbeteringen voor: ze vormt daarom ook een beleidsverklaring die als richtplan voor de komende jaren te beschouwen is.

De mededeling berust op analyse van de nationale verslagen van de lidstaten over de uitvoering van het werkprogramma Onderwijs en opleiding 2010 (een gedetailleerde ontleding van de verslagen is in een begeleidend werkdocument te vinden)(2) , en gaat van een reeks statistische indicatoren en referentiepunten uit.

Stand van zaken

Er is geen uniforme vooruitgang (het tempo van de hervormingen moet hoger liggen en volgehouden worden, en er zijn nog altijd krachtige inspanningen nodig) maar op de volgende terreinen zijn er de laatste paar jaar verbeteringen vast te stellen :

· strategieën voor levenslang leren en kwalificatiesystemen:

    a) de meeste landen hebben duidelijke strategieën opgesteld, die over het algemeen van een algemene visie op onderwijs en opleiding uitgaan, en van een benadering die meer samenhang vertoont,

    b) de meeste lidstaten werken aan een nationaal kwalificatiekader, dat nieuwe omschrijvingen van de leerresultaten met zich meebrengt. Er zijn ook erkenningsmethoden voor niet formele en informele leerprocessen ingevoerd, die zich wel langzamer ontwikkelen en nog in een experimenteel stadium bevinden.

· kleuteronderwijs wordt hoe langer hoe meer in nieuwe benaderingen en beleidsvoering opgenomen, voor het merendeel weliswaar in de vorm van pilootprojecten. Een groot aantal landen treffen nieuwe beleidsmaatregelen om bepaalde onderdelen van het kleuteronderwijs verplicht te stellen, de leerinhoud te hervormen, de kwalificaties van het onderwijzend personeel uit te breiden, de kwaliteit in het oog te houden en er ruimer in te investeren.

· hoger onderwijs: modernisering van het hoger onderwijs in Europa en uitvoering van de hervormingen van Bologna (bvb door bestuur, financiering en aantrekkingskracht van de universiteiten te verbeteren) worden in toenemende mate als uiterst belangrijke noodzaak aangevoeld. De autonomie van de universiteiten is sterk toegenomen en nieuwe vormen van medewerking van belanghebbende instanties en kringen worden uitgetest. Daarnaast zijn er methoden ingevoerd om privé investeringen te stimuleren (zoals fiscale stimulansen en hervormingen, samenwerkingsverbanden tussen openbare en privé instanties en financiële steunverlening van private kant). Wat betreft de gelijkheid tussen de geslachten ligt het aantal vrouwelijke studenten in verschillende landen hoger als het aantal mannelijke, een ontwikkeling die voor een deel aan wetgeving op gelijke kansen toe te schrijven is.

· aandeel van onderwijs en opleiding in de kennisdriehoek, de strategie van Lissabon en de EU-beleidsvoering in de ruimste zin: onderwijs, opleiding en de ontwikkeling van vaardigheden krijgen een centrale plaats in de nationale hervormingsprogramma's van de meeste lidstaten. Tegelijk is er opmerkelijke vooruitgang vast te stellen in de verbinding van de operationele programma's van de structuurfondsen met de prioriteiten van het werkprogramma Onderwijs en opleiding 2010 en in de ontwikkeling van Europese referentiemiddelen om de hervorming te ondersteunen, zoals aanbevelingen voor elementaire bekwaamheden, de kwaliteit van de mobiliteit, kwaliteitswaarborg in het hoger onderwijs en het Europees kwalificatiekader.

Beleidsonderdelen die verbetering vragen

Over het geheel genomen zijn er volgens de mededeling 3 beleidsonderdelen die een uitdaging vormen en speciale aandacht verdienen : lage scholingsgraden, strategieën voor levenslang leren, en de kennisdriehoek (onderwijs, onderzoek en vernieuwing). Concreter gesproken wijst de Commissie in haar mededeling een aantal gebreken en behoeften aan en vraagt bepaalde verbeteringen:

· er zijn volgehouden inspanningen nodig, betere informatie en ruimere investeringen om de strategieën voor systematisch levenslang leren uit te voeren, door sectoriële beleidsvormen aan het kleuteronderwijs, lager, middelbaar en hoger onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding en volwassenenvorming vast te koppelen;

· openbare bestedingen en privé investeringen in onderwijs: de positieve ontwikkelingen in beide opzichten zijn in 2004 stilgevallen ze vertonen nog altijd enorme verschillen in omvang naargelang van het land;

· vroegtijdig schoolverlaten en elementaire bekwaamheden: veel te veel jongeren verlaten de school met niet meer dan een diploma van lager middelbaar onderwijs en blijven daarmee van elementaire bekwaamheden en vaardigheden verstoken (bvb kennis van vreemde talen of leesvaardigheid, waarvoor de gegevens op een neerwaartse ontwikkeling in de resultaten wijzen en het EU-referentiepunt voor 2010 niet gehaald zal worden) die ze absoluut nodig hebben om zich in de kennismaatschappij te handhaven en daadwerkelijk aan werkloosheid te ontkomen;

· bijzondere aandacht vergen de resultaten van migranten, etnische minderheden en sociaal-economisch achtergestelde groepen, die over het algemeen lager liggen;

· lerarenopleiding (toenemende vraag naar nieuwe bekwaamheden, vaardigheden en opdrachten, gedeeltelijk aan de groeiende autonomie van de scholen toe te schrijven), opwaardering van het lerarenberoep en voortgezette lerarenopleiding, o.a. ook levenslang leren en ontwikkeling in het beroep;

· hoger onderwijs:

    a) uitbreiding van de centrale rol van de universiteiten, niet alleen in onderwijs en vorming, maar ook in onderzoek, vernieuwing en kennisoverdracht,

    b) stimulering van openbare en vooral ook privé investeringen in universiteiten,

    c) ondersteuning van personeel en bestuur bij de toenemende autonomie en verantwoordelijkheid van de universiteiten;

· vooral de deelname van oudere, lager geschoolde en geïmmigreerde volwassen werknemers in het levenslang leerproces moet uitgebreid worden (het EU-referentiepunt wordt niet gehaald);

· beroepsonderwijs en -opleiding moeten aantrekkelijker worden en op de arbeidsmarkt aansluiten. De lidstaten moeten voorzieningen voor speciale vaardigheden en kwalificaties treffen die de Europese samenleving en economie de komende jaren niet kunnen missen. Beroepsonderwijs en -opleiding moeten bovendien veel beter in de andere onderdelen van het onderwijsstelsel geïntegreerd worden, en niet alleen verbeterd maar ook gewaarborgd worden;

· grensoverschrijdende mobiliteit van de leerlingen moet niet alleen met EU-programma's maar ook met nationale maatregelen mogelijk gemaakt worden. Vooral beroepsonderwijs en -opleiding vergen speciale inspanningen voor ruimere mobiliteit.

Opmerkingen van de rapporteur

Naar aanleiding van dit bijzonder ruim opgevat document van de Europese Commissie meen ik dat zowel de duidelijke en algemene strategieën en werkwijzen voor levenslang leren zoals aangenomen door het Parlement en de Raad (zoals het Europees kwalificatiekader, Europas, het raamwerk voor elementaire bekwaamheden en de aanbevelingen voor mobiliteit en kwaliteitswaarborg in het hoger onderwijs) door elke lidstaat consequent toegepast moeten worden om de doelstellingen van Lissabon te bereiken, de kennisdriehoek te versterken en de erkenning van niet formele en informele leerprocessen en beroepskwalificaties te verbeteren. Verder moet er aandacht besteed worden aan horizontale aangelegenheden als taalverwerving, de behoefte van Europa aan hogere bekwaamheidsgraden, duurzame financiering en stimulering van autonomie, creativiteit en vernieuwing op alle niveaus van onderwijs en opleiding.

De beleidsvoering in onderwijs en opleiding moet aanhoudend met aanvullende maatregelen van sociaaleconomische aard ondersteund worden, zoals verbetering van de algemene levensomstandigheden van de Europese burgers, naast integratie van migranten en minderheden (vooral zigeuners/Roma) en bevolkingsgroepen met speciale behoeften (vooral gehandicapten en oudere mensen) op alle niveaus en in alle onderdelen van het onderwijs. Daarnaast bestaat er ook sterke behoefte aan initiatieven om de mobiliteit te verbeteren, niet alleen die van de studenten maar ook van onderwijzend personeel en onderzoekers. Ook en vooral de sport moet in aanmerking genomen worden en in heel het kleuteronderwijs, lager en middelbaar onderwijs meer aandacht krijgen. De rol van het gezin in elk aspect van onderwijs en opleiding moet sterke nadruk krijgen, te beginnen met zijn centraal belang in de begeleiding van studerenden (vooral in migranten- en minderheidskringen), naast de behoefte aan een ruime waaier van sociale diensten voor studenten en werknemers met gezinslast.

Onderricht en de kwaliteit van het onderricht moeten over het algemeen verbeterd worden, maar er moet veel meer aandacht naar de leerplannen gaan, die daadwerkelijk de volledige persoonlijkheid van de studenten moeten helpen ontwikkelen en hun eerbied voor de rechten van de mens en Europese waarden als democratie, culturele verscheidenheid, vrede en gelijkheid van man en vrouw moeten bijbrengen. Er moet op de toekomstige behoeften van de samenleving en economie vooruitgegrepen worden, zodat centraal belangrijke bekwaamheden als technische, wetenschappelijke en leesvaardigheid bijzondere aandacht moeten krijgen, terwijl bedrevenheid in de omgang met de informatie- en communicatietechnologie en kennis van de media vooral onder leraren en ouderen aanmoediging verdienen. Bovendien moeten specifiek milieutechnische vaardigheden niet vergeten worden, bv. door doeltreffend onderricht in milieuzaken en klimaatverandering tot alle vormen van leren uit te breiden en de lidstaten te vragen om de noodzaak van vroegtijdig optreden voor milieubescherming in de bewaarschool, lager en middelbaar onderwijs te erkennen. Verder is het ook uiterst belangrijk om de overgang tussen de verschillende onderwijs- en opleidingsystemen te vereenvoudigen (scholen, beroepsonderwijs en -opleiding, hoger onderwijs, volwassenenvorming), en tussen de verschillende formele, niet formele en informele leervormen.

Meer in het algemeen moeten onderwijs en opleiding altijd met de plaatselijke en regionale mogelijkheden in verband staan, bvb door ze in het kader van ontwikkelingsplannen of -strategieën te behandelen. Het is waar dat er in dat ruime opzicht meer op Europees niveau gedaan kan worden, maar het is ook een feit dat de regeringen van de lidstaten dynamischer moeten optreden om de beleidsvormen en -middelen die ze van de Europese unie krijgen, in praktijk te brengen, bv. door concrete doelstellingen voor de hervorming van hun nationale onderwijs- en opleidingsprogramma's vast te leggen.

Tot slot wens ik een aantal opmerkingen te formuleren en specifieke prioriteiten voor elk stadium van onderwijs en opleiding voor te stellen:

1.  Kleuteronderwijs

Naar mijn mening verdient taalverwerving (meer bepaald van de moedertaal en/of taal van het land van verblijf, en op zijn minst een eerste vreemde taal) meer aandacht en veel meer actieve stimulering in dit vroegtijdig stadium, vooral om de integratie van migranten en etnische minderheden als zigeuners/Roma in de Europese samenlevingen te bevorderen.

2.  Lager en middelbaar onderwijs

Speciale aandacht verdienen de wel zeer hoge percentages schoolverlaters, met maatregelen als bv. bijwerking van leerplannen, stimulering van zelfstandig denken, creativiteit en vernieuwing, en motivering van de leerlingen naar gelang van hun persoonlijke talenten en eigen behoeften.

3.  Beroepsonderwijs en -opleiding

Verbetering van kwaliteit en aantrekkingskracht en praktischer gerichtheid zijn volgens mij enkele van de prioriteiten.

4.  Hoger onderwijs

Partnerschappen tussen universiteiten en bedrijfsleven, mobiliteit van onderwijzend personeel, studenten en onderzoekers, en bijwerking van leerinhouden die zowel aan huidige als toekomstige sociaaleconomische behoeften beantwoorden, zijn naar mijn mening sleutelelementen in de hervorming van de systemen van hoger onderwijs.

5.  Levenslang leren

Volgens mij moet de nadruk op het motiveren van de werknemers liggen om hun leven lang en over heel hun beroepsloopbaan te blijven bijleren, met effectieve waarborg dat alle werknemers, ook laag geschoolde en oudere, deelnemen.

(1)

COM(2007)0703, 12.11.2007.

(2)

SEC(2007)1484.


ADVIES van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (14.10.2008)

aan de Commissie cultuur en onderwijs

inzake kennis, creativiteit en innovatie dankzij een leven lang leren - uitvoering van het werkprogramma "Onderwijs en opleiding 2010"

(2008/2102(INI))

Rapporteur voor advies: Marie Panayotopoulos-Cassiotou

SUGGESTIES

De Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie cultuur en onderwijs onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat onderwijs- en opleidingsstelsels gelijke kansen moeten bieden voor vrouwen en mannen,

B.  overwegende dat de gender mainstreaming in het onderwijs- en opleidingsbeleid conditio sine qua non is voor het welslagen van de Lissabon-strategie, die o.m. als doel heeft de verschillen in behandeling tussen vrouwen en mannen op de Europese arbeidsmarkten aan te pakken en in het bijzonder tegen 2010 de arbeidsparticipatie van vrouwen tot 60% op te trekken,

1.  merkt op dat onderwijs essentieel is voor de sociale en persoonlijke ontwikkeling van zowel vrouwen als mannen; beklemtoont derhalve het belang om in onderwijs en opleiding meer aandacht te besteden aan de bevordering van de gelijkheid tussen vrouwen en mannen;

2.  betreurt dat in het onderwijsstelsel nog altijd ongelijkheid tussen vrouwen en mannen waarneembaar is, waardoor jonge meisjes en vrouwen worden ontmoedigd om traditioneel door mannen gedomineerde studies en beroepsopleidingen te volgen, en vice versa; verwelkomt de maatregelen ter bevordering van de gendergelijkheid en vraagt de lidstaten met klem programma's te introduceren die erop gericht zijn vrouwen geïndividualiseerde beroepsvoorlichting te geven;

3.  wijst erop dat de kansenongelijkheid tussen vrouwen en mannen op het vlak van de toegang tot kwaliteitsonderwijs en permanente educatie merkbaarder is in de eilandregio's en de regio's met geografische en sociale handicaps; dringt daarom aan op meer inspanningen ter bevordering van de onderwijsinitiatieven in het kader van het regionaal beleid;

4   constateert een aanhoudende ondervertegenwoordiging van vrouwen op bepaalde studiegebieden, op alle niveaus, evenals in de onderzoekssector; bepleit daarom positieve acties om dit bij te stellen;

5.  wijst erop dat studenten die hun studie tijdelijk hebben onderbroken, in het bijzonder jonge moeders, het slachtoffer kunnen worden van discriminatie en roept op tot meer flexibele regelingen die het mogelijk maken zijn studie te hervatten na de geboorte van een kind en om studies te verzoenen met het beroeps- en gezinsleven;

6.  betreurt dat de verhouding tussen het aantal vrouwen en mannen in het hoger onderwijs nog altijd schever wordt naarmate het niveau hoger wordt; is van oordeel dat het verbeteren van gelijke kansen een radicale mentaliteitsomslag vergt, die moet worden gestimuleerd door positieve acties;

7.  verlangt dat in programma's voor volwassenenvorming en levenslang leren speciale aandacht wordt besteed aan de groepen die op de arbeidsmarkt het meest achtergesteld zijn, in het bijzonder jonge mensen, vrouwen - vooral op het platteland - en ouderen;

8.  wenst dat er rekening mee wordt gehouden dat ouderschapsopvoeding van wezenlijk belang is voor het welzijn van vrouwen en mannen, de armoedebestrijding en de sociale samenhang; dringt er in dat opzicht op aan dat in het onderwijs en de opleiding polyvalente programma's tot stand komen die gericht zijn op levenslang leren en de vorming van ouderschapsopvoeders.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

13.10.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

12

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Edit Bauer, Zita Gurmai, Piia-Noora Kauppi, Astrid Lulling, Siiri Oviir, Marie Panayotopoulos-Cassiotou, Zita Pleštinská, Christa Prets, Teresa Riera Madurell, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Gabriela Creţu, Maria Petre


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.11.2008

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Maria Badia i Cutchet, Ivo Belet, Guy Bono, Nicodim Bulzesc, Marie-Hélène Descamps, Jolanta Dičkutė, Věra Flasarová, Milan Gaľa, Vasco Graça Moura, Luis Herrero-Tejedor, Ruth Hieronymi, Ramona Nicole Mănescu, Manolis Mavrommatis, Ljudmila Novak, Dumitru Oprea, Zdzisław Zbigniew Podkański, Christa Prets, Pál Schmitt, Helga Trüpel, Thomas Wise, Tomáš Zatloukal

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Erna Hennicot-Schoepges, Ewa Tomaszewska, Cornelis Visser, Jaroslav Zvěřina

Laatst bijgewerkt op: 4 december 2008Juridische mededeling