Procedure : 2010/2039(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0233/2010

Ingediende teksten :

A7-0233/2010

Debatten :

PV 19/10/2010 - 6

Stemmingen :

PV 20/10/2010 - 6.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0375

VERSLAG     
PDF 254kWORD 215k
16 juli 2010
PE 439.981v02-00 A7-0233/2010

over de rol van het minimuminkomen bij de bestrijding van armoede en de bevordering van een inclusieve samenleving in Europa

(2010/2039(INI))

Commissie werkgelegenheid en sociale zaken

Rapporteur Ilda Figueiredo

AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de rol van het minimuminkomen bij de bestrijding van armoede en de bevordering van een inclusieve samenleving in Europa

(2010/2039(INI))

Het Europees Parlement,

–   gelet op de artikelen 4, 9, 14, 19, 151 en 153 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen, dat in 1979 door de Verenigde Naties is aangenomen,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948, herbevestigd tijdens de Wereldconferentie over de mensenrechten van 1993, met name de artikelen 3, 16, 18, 23, 25, 26, 27 en 29 ervan,

–   gezien het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van de Verenigde Naties van 1966,

–   gezien de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van de Verenigde Naties van 2000, met name het uitbannen van armoede en honger (eerste doelstelling), het bereiken van een universele basiseducatie (tweede doelstelling) en gelijke kansen voor mannen en vrouwen (derde doelstelling),

–   gezien de verdragen nr. 26 en nr. 131 van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake het vaststellen van minimumlonen, en nr. 29 en nr. 105 over het afschaffen van gedwongen arbeid,

–   gezien het mondiale banenpact van de IAO,

–   gezien de agenda's voor waardig werk van de Verenigde Naties en de IAO,

–   gelet op het Handvest van de grondrechten van de EU, met name de bepalingen betreffende de sociale rechten(1),

–   gelet op de artikelen 34, 35 en 36 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, die een specifieke definitie bevatten van het recht op sociale bijstand en bijstand ten behoeve van huisvesting, op een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en op toegang tot diensten van algemeen economisch belang(2),

–   gezien het verslag van de IAO, getiteld "Een mondiaal bondgenootschap tegen gedwongen arbeid. Mondiaal verslag in het kader van de follow-up van de IAO-verklaring inzake fundamentele beginselen en rechten op het gebied van arbeid. Verslag van de directeur-generaal, 2005",

–   gezien Aanbeveling 92/441/EEG van de Raad van 24 juni 1992 inzake gemeenschappelijke criteria met betrekking tot toereikende inkomsten en prestaties in de stelsels van sociale bescherming (aanbeveling inzake het minimuminkomen)(3),

–   gezien Aanbeveling 92/442/EEG van de Raad van 27 juli 1992 betreffende de convergentie van de doelstellingen en het beleid op het gebied van de sociale bescherming(4),

–   gezien de conclusies van de 2916ste bijeenkomst van de EPSCO-Raad van 16 en 17 december 2008(5),

–   gezien Besluit nr. 1098/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 inzake het Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting (2010)(6),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 september 2006 over een Europees sociaal model voor de toekomst(7),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 oktober 2008 over de bevordering van sociale integratie en de bestrijding van armoede, met inbegrip van armoede onder kinderen, in de EU(8), en het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken alsmede het advies van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid terzake (A6-0364/2008)(9),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 mei 2009 over de vernieuwde sociale agenda(10),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2008 over de aanbeveling van de Commissie inzake de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, en onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 mei 2009 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten(11),

–   gezien zijn schriftelijke verklaring nr. 111/2007 van 22 april 2008 over het uitbannen van dakloosheid(12),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010, getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei"(13),

–   gezien het voorstel van de Commissie van 27 april 2010 voor een beschikking van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten(14),

–   gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0233/2010),

A. overwegende dat de Sociale Agenda 2005-2010 van de Commissie het jaar 2010 heeft uitgeroepen tot "Europees jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting" met het doel de politieke verbintenis die de EU bij het lanceren van de Lissabon-strategie is aangegaan, namelijk om "een beslissende rol te spelen bij de uitbanning van armoede en sociale uitsluiting", te herbevestigen en meer gewicht te geven,

B.  overwegende dat armoede en sociale uitsluiting schendingen van de menselijke waardigheid en van de fundamentele mensenrechten zijn, en dat het hoofddoel van stelsels voor inkomenssteun moet zijn dat burgers uit hun toestand van armoede worden bevrijd en in staat worden gesteld een waardig leven te leiden,

C. overwegende dat de sociale ongelijkheid, ondanks de welvaart en alle verklaringen over de afname van de armoede, is verergerd en eind 2008 17% van de bevolking (d.w.z. ongeveer 85 miljoen mensen) onder de armoedegrens leefde, na de sociale overdrachten(15), terwijl dit percentage in 2005 16% bedroeg en in 2000 15% in de EU15,

D. overwegende dat het armoederisico hoger is voor kinderen en jongeren tot 17 jaar dan voor de bevolking in het algemeen; overwegende dat het armoederisiconiveau voor deze leeftijdsgroep in 2008 in de EU27 op 20% lag, met 33% als hoogste niveau,

E.  overwegende dat het armoederisico ook voor ouderen hoger is dan voor de bevolking in het algemeen; overwegende dat het armoederisiconiveau voor personen van 65 jaar en ouder in 2008 in de EU27 op 19% lag, zoals in 2005, tegenover 17% in 2000,

F.  overwegende dat het constant hoge aandeel van tijdelijke arbeid en lage lonen in bepaalde sectoren betekent dat het percentage werknemers dat door armoede wordt bedreigd op een hoog niveau stagneert; overwegende dat het armoederisico van het deel van de bevolking dat een baan had in 2008 in de EU27 gemiddeld 8% bedroeg, zoals in 2005, tegenover 7% in 2000 in de EU15,

G. overwegende dat de Raad in Aanbeveling 92/441/EEG van 24 juni 1992 de lidstaten aanbeveelt het fundamentele recht van personen te erkennen op inkomsten en prestaties die toereikend zijn om een menswaardig bestaan te leiden; overwegende dat de Raad in Aanbeveling 92/442/EEG van 27 juli 1992 de lidstaten aanbeveelt een inkomenspeil te garanderen dat een menswaardig leven mogelijk maakt; overwegende dat de Raad in de conclusies van 17 december 1999 onderschrijft dat het bevorderen van sociale integratie een van de doelstellingen is van het moderniseren en verbeteren van de sociale bescherming,

H. overwegende dat vrouwen een aanzienlijk deel vormen van de bevolking die door armoede wordt bedreigd als gevolg van werkloosheid, niet-gedeelde verzorgingstaken, tijdelijke arbeid en onderbetaling, discriminatie bij salarissen en lagere uitkeringen en pensioenen,

I.   overwegende dat het risico in extreme armoede te vervallen voor vrouwen groter is dan voor mannen; overwegende dat de voortdurende tendens naar feminisering van de armoede in de Europese samenlevingen aantoont dat het huidige kader van stelsels van sociale zekerheid en de talrijke vormen van sociaal, economisch en werkgelegenheidsbeleid in Europa niet gericht zijn op de behoeften van vrouwen, of op de specifieke kenmerken van vrouwenwerk; overwegende dat armoede onder vrouwen en hun sociale uitsluiting in Europa genderspecifieke en meervoudige beleidsantwoorden vereisen,

J.   overwegende dat het risico in extreme armoede te vervallen voor vrouwen groter is dan voor mannen, met name voor oudere vrouwen, aangezien de stelsels van sociale zekerheid vaak gebaseerd zijn op het principe van een ononderbroken betaalde beroepsloopbaan; overwegende dat een individueel recht op een minimuminkomen dat armoede voorkomt niet afhankelijk mag zijn van aan werk gekoppelde bijdragen,

K. overwegende dat de jeugdwerkloosheid een ongekend niveau heeft bereikt, in de EU bij 21,4% ligt, en varieert van 7,6% in Nederland tot 44,5% in Spanje en 43,8% in Letland, terwijl leercontracten en stages die aan jongeren worden aangeboden vaak niet of slecht betaald worden,

L.  overwegende dat een op de vijf jongeren onder de 25 jaar geen baan heeft in de EU, en werknemers boven de 55 jaar van alle Europese burgers het meest getroffen worden door werkloosheid en bovendien geconfronteerd worden met het specifieke en ernstige probleem dat zij moeilijker een nieuwe baan kunnen vinden vanwege hun leeftijd,

M. overwegende dat de financiële en economische crisis tot een afname van het aantal beschikbare banen heeft geleid, dat uit ramingen blijkt dat er sinds september 2008 meer dan vijf miljoen banen verloren zijn gegaan, en dat het werk steeds vaker maar tijdelijk is,

N. overwegende dat er geen officiële Europese gegevens bestaan over situaties van extreme armoede zoals dakloosheid, en dat het daarom moeilijk is de huidige trends te volgen,

O. overwegende dat het Europees jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting een gelegenheid moet zijn om de publieke opinie bewust te maken van het probleem van de armoede en de daarmee verbonden sociale uitsluiting en om de beleidsantwoorden op sociale uitsluiting te verbeteren, dat het actieve inclusie, een gepast inkomen, toegang tot kwalitatieve diensten en maatregelen om de betrokkenen te helpen bij het zoeken naar fatsoenlijk werk dient te bevorderen, wat een eerlijke herverdeling van rijkdom vereist en beleidsmaatregelen impliceert die een doeltreffende economische en sociale cohesie waarborgen, op het niveau van de Europese Unie en tussen de Europese regio’s, en dat een minimuminkomen een adequaat systeem kan zijn ter bescherming van gemarginaliseerde en kwetsbare personen,

P.  overwegende dat de doelstellingen en grondbeginselen van het Europees jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting de volgende zijn: erkenning van rechten, gedeelde verantwoordelijkheid en participatie, cohesie, inzet en concrete acties,

Q. overwegende dat het economische en financiële klimaat in de EU27 juist moet worden ingeschat, teneinde de lidstaten ertoe aan te sporen een drempel voor het minimuminkomen vast te stellen die het mogelijk maakt de levensstandaard te verbeteren en terzelfder tijd de concurrentie te bevorderen,

R.  overwegende dat de Europese Unie zich ertoe heeft verbonden de millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties en de doelstellingen van de resolutie waarbij het tweede decennium van de Verenigde Naties voor de bestrijding van de armoede (2008-2017) is geproclameerd, te verwezenlijken,

S.  overwegende dat armoede en sociale uitsluiting multidimensioneel zijn, dat er bevolkingsgroepen bestaan die bijzonder kwetsbaar en afhankelijk zijn (kinderen, vrouwen, ouderen, gehandicapten en anderen), met inbegrip van immigranten, etnische minderheden, grote gezinnen of eenoudergezinnen, chronisch zieken en daklozen, en dat het noodzakelijk is in de andere Europese beleidsterreinen maatregelen en instrumenten te integreren die erop gericht zijn armoede en sociale uitsluiting te voorkomen en te bestrijden; overwegende dat ten behoeve van de lidstaten richtsnoeren dienen te worden bepaald met het oog op de toepassing ervan op de nationale beleidsterreinen, teneinde hoogwaardige stelsels van sociale zekerheid en bescherming te garanderen, alsook universele toegang tot openbare infrastructuur en openbare diensten van algemeen belang, waardige en kwalitatief hoogstaande arbeidsomstandigheden en banen, met de nodige rechten, en een minimuminkomen dat armoede voorkomt en iedereen in staat stelt deel te nemen aan het sociale, culturele en politieke leven en een waardig bestaan te leiden,

T.  overwegende dat het effect van de enorme omvang van de armoede zich niet beperkt tot de sociale cohesie binnen Europa, maar zich uitbreidt tot onze economie, aangezien permanente uitsluiting van grote bevolkingsgroepen van onze samenleving het concurrentievermogen van onze economie verkleint en de druk op de overheidsbegrotingen verhoogt,

U. overwegende dat het noodzakelijk is een globale doelstelling te bepalen, met name in de context van de Europa 2020-strategie, waarbij prioriteit moet worden gegeven aan de economische, sociale en territoriale cohesie en de bescherming van de fundamentele mensenrechten, wat impliceert dat een evenwicht wordt gevonden tussen economisch beleid, werkgelegenheidsbeleid, sociaal beleid, regionaal beleid en milieubeleid, en dat de rijkdom en het inkomen op een eerlijke wijze worden herverdeeld, rekening houdend met de abrupte toename van de afhankelijkheidsgraad, hetgeen voor alle besluiten de uitvoering van sociale-impactstudies vereist, alsmede de toepassing van de transversale sociale clausule van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (artikel 9),

V. overwegende dat respect voor de menselijke waardigheid een van de basisbeginselen van de Europese Unie is, die onder meer tot doel heeft volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang te stimuleren, sociale uitsluiting en discriminatie te bestrijden en sociale rechtvaardigheid en bescherming te bevorderen,

W. overwegende dat de toepassing, de uitbreiding en een beter gebruik van de structuurfondsen ten aanzien van preventie van armoede, sociale integratie en het creëren van toegankelijke, hoogwaardige banen met de nodige rechten, moeten worden gewaarborgd,

X. overwegende dat de stelsels van sociale bescherming een grote rol spelen bij het waarborgen van het niveau van sociale cohesie dat noodzakelijk is voor een ontwikkeling die zorgt voor sociale integratie en de sociale gevolgen van de economische crisis opvangt, wat een individueel gegarandeerd minimuminkomen op nationaal niveau impliceert dat armoede voorkomt, alsmede de verbetering van het capaciteiten- en opleidingsniveau van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten als gevolg van concurrentiedruk, en het garanderen van gelijke kansen op de arbeidsmarkt en ten aanzien van de uitoefening van de grondrechten,

Y. overwegende dat de invoering en de versterking van stelsels voor een minimuminkomen belangrijke en efficiënte instrumenten zijn om armoede te bestrijden door de sociale integratie en de toegang tot de arbeidsmarkt te bevorderen en de betrokkenen in staat te stellen een menswaardig bestaan te leiden,

Z.  overwegende dat stelsels voor een minimuminkomen een belangrijk instrument zijn om zekerheid te garanderen aan personen die de gevolgen van sociale uitsluiting en werkloosheid moeten overwinnen, en hulp te bieden bij de toegang tot de arbeidsmarkt; overwegende dat dergelijke stelsels voor een minimuminkomen een belangrijke rol spelen bij de herverdeling van de welvaart en het garanderen van solidariteit en sociale rechtvaardigheid, en dat ze met name in crisistijden een anticyclische functie vervullen, doordat zij extra middelen ter beschikking stellen om de vraag en de consumptie op de interne markt te stimuleren,

AA. overwegende dat uit een onlangs door Eurobarometer uitgevoerde enquête over de houding van de EU-burgers ten aanzien van armoede blijkt dat de grote meerderheid (73%) van mening is dat armoede een probleem is dat steeds groter wordt in hun respectieve landen, dat 89% van de ondervraagden van hun regering dringende maatregelen eist om dit verschijnsel te bestrijden, en dat 74% van hen van de EU verwacht dat zij in dit opzicht eveneens een belangrijke rol speelt,

AB. overwegende dat de economische crisis pijnlijke sociale gevolgen heeft, en dat zij de afgelopen twee jaar meer dan zes miljoen Europese burgers werkloos heeft gemaakt,

AC. overwegende dat de ernstige economische en sociale crisis aanzienlijk heeft bijgedragen aan de toename van armoede en sociale uitsluiting en geleid heeft tot een stijging van de werkloosheid (van 6,7% begin 2008 naar 9,5% eind 2009), waarbij bij een op de drie werklozen sprake is van langdurige werkloosheid, en dat de situatie met name in de landen met een kwetsbare economie ernstig is,

AD. overwegende dat aan sommige lidstaten door de Raad en de Commissie en door internationale organisaties zoals het IMF maatregelen zijn opgelegd om op korte termijn hun begrotingstekorten - die als gevolg van de crisis opgelopen zijn - terug te dringen, en te bezuinigen op de uitgaven, ook op de sociale uitgaven, hetgeen leidt tot een verzwakking van de verzorgingsstaat en een verscherping van de armoede,

AE. overwegende dat de sociale ongelijkheden in sommige lidstaten toenemen, met name als gevolg van de economische ongelijkheden bij de verdeling van het inkomen en de rijkdom, de ongelijkheden op de arbeidsmarkt, die leiden tot sociale onzekerheid, en de ongelijkheden ten aanzien van de toegang tot de sociale functies van de staat, zoals sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs, justitie, enz.,

AF. overwegende dat er een Europees beleid van sociale inclusie ten uitvoer moet worden gelegd, zoals blijkt uit de doelstellingen en het Europees programma voor de verwezenlijking ervan die in het begin van de jaren 2000 zijn goedgekeurd in het kader van de Lissabon-strategie, waarbij de open coördinatiemethode moet worden toegepast en in het kader van nationale actieplannen gemeenschappelijke doelen moeten worden bereikt,

AG. overwegende dat er om uiteenlopende redenen in de lidstaten van de Europese Unie een groot aantal daklozen zijn, hetgeen specifieke maatregelen vereist met het oog op hun sociale integratie,

1.  beklemtoont de noodzaak van concrete maatregelen die armoede en sociale uitsluiting uitroeien, waarbij nieuwe mogelijkheden moeten worden onderzocht om de terugkeer op de arbeidsmarkt te vergemakkelijken, door een eerlijke herverdeling van inkomen en rijkdom te bevorderen en een gepast inkomen te garanderen, en dus echte betekenis en invulling te geven aan het Europees jaar van de bestrijding van armoede en een sterke politieke nalatenschap te garanderen voor de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling, waaronder de garantie van systemen voor een minimuminkomen die het mogelijk maken armoede te voorkomen en sociale inclusie bevorderen, op basis van de diverse nationale praktijken, de collectieve overeenkomsten en de wetgevingen van de lidstaten in de hele Europese Unie, en waarbij actief moet worden gestreefd naar het bevorderen van adequate inkomensstelsels en stelsels voor sociale bescherming; spoort de lidstaten ertoe aan de op het waarborgen van een gepast inkomen gerichte beleidsmaatregelen te herzien, in de wetenschap dat de bestrijding van armoede het creëren van fatsoenlijke en duurzame banen voor de minder begunstigde sociale groepen op de arbeidsmarkt vergt; is van oordeel dat elke werknemer een waardig bestaan moet kunnen leiden; is van oordeel dat een sociaal overheidsbeleid ook een actief werkgelegenheidsbeleid moet omvatten;

2.  wijst er opnieuw op dat de recente economische achteruitgang, de stijging van de werkloosheidscijfers en de verminderde arbeidsmogelijkheden voor vele mensen het risico inhouden dat zij het slachtoffer worden van armoede en sociale uitsluiting, wat met name geldt voor bepaalde lidstaten, die te kampen hebben met werkloosheids- of inactiviteitscijfers op lange termijn;

3.  eist dat werkelijke vooruitgang wordt geboekt wat betreft de toereikendheid van de stelsels voor een minimuminkomen, zodat alle kinderen, volwassenen en ouderen uit situaties van armoede kunnen worden bevrijd en een waardig bestaan kunnen leiden;

4.  beklemtoont de verschillen op diverse terreinen (gezondheidszorg, huisvesting, onderwijs, inkomen en werkgelegenheid) onder de sociale groepen die in armoede leven; verzoekt de Commissie en de lidstaten met die verschillen rekening te houden bij hun gerichte maatregelen; onderstreept dat een voor iedereen toegankelijke arbeidsmarkt een van de efficiëntste manieren is om de armoede tegen te gaan;

5.  wijst op de noodzaak een bijzonder gewicht toe te kennen aan de programma's voor "een leven lang leren" die, via de verbetering van de inzetbaarheid en de toegang tot kennis en tot de arbeidsmarkt, een essentieel instrument zijn voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting; acht het noodzakelijk stimulansen te bieden voor een grotere deelneming van werknemers, werklozen en kwetsbare maatschappelijke groepen aan "een leven lang leren" en te zorgen voor een doeltreffende aanpak van de factoren die het verlaten van de desbetreffende structuren veroorzaken, daar de verbetering van bestaande beroepsbekwaamheden en de verwerving van nieuwe vaardigheden een middel kunnen zijn voor hetzij een snellere herintegratie in de arbeidsmarkt, hetzij een hogere productiviteit, hetzij het vinden van een baan van betere kwaliteit;

6.  beklemtoont dat op het niveau van de lidstaten een concrete actie moet worden ondernomen om een drempel voor een minimuminkomen vast te stellen, gebaseerd op relevante indicatoren, teneinde de sociaaleconomische cohesie te garanderen en het risico te verminderen dat voor eenzelfde werk verschillende bezoldigingsniveaus van toepassing zijn en er overal in de Europese Unie arme bevolkingsgroepen ontstaan, en pleit voor krachtiger aanbevelingen van de Europese Unie voor dergelijke acties;

7.  onderstreept dat werkgelegenheid moet worden beschouwd als een van de efficiëntste vormen van bescherming tegen armoede en dat daarom maatregelen moeten worden genomen die de arbeidsparticipatie van vrouwen stimuleren, door kwaliteitsdoelstellingen te formuleren voor de banen die worden aangeboden;

8.  beklemtoont de noodzaak op Europees zowel als op nationaal niveau actie te ondernemen voor de bescherming van burgers/consumenten tegen onbillijke voorwaarden voor afbetaling van leningen en kredietkaarten, teneinde te voorkomen dat gezinnen buitensporige schulden oplopen en aldus in een situatie van armoede of sociale uitsluiting terechtkomen;

9.  onderstreept de multidimensionele aard van armoede en sociale uitsluiting en beklemtoont de noodzaak van het mainstreamen van de sociale doelstellingen en het belang van de sociale dimensie en de duurzaamheid van het macro-economische beleid; is van oordeel dat de sociale doelstellingen een integrerend onderdeel moeten zijn van de strategie om de crisis te boven te komen, alsmede van de Europa 2020-strategie en de economische, sociale en territoriale cohesie, wat een horizontale sociale oriëntatie en een werkelijke sociale effectbeoordeling impliceert, teneinde te garanderen dat de prioriteiten en de diverse beleidsvormen, met name het monetaire beleid, het werkgelegenheidsbeleid, het sociale en macro-economische beleid, met inbegrip van het Stabiliteits- en groeipact, het concurrentiebeleid, de interne markt, het begrotingsbeleid en het fiscale beleid worden geherdefinieerd; is van oordeel dat deze beleidsvormen geen obstakel mogen zijn voor de sociale cohesie en dat zij de tenuitvoerlegging van de desbetreffende maatregelen en de bevordering van gelijke kansen moeten garanderen, teneinde een duurzame uitweg uit de crisis te vinden, terug te keren naar begrotingsconsolidatie en de hervormingen aan te vatten die de economie nodig heeft om opnieuw de weg in te slaan van groei en het scheppen van werkgelegenheid; wenst dat wordt voorzien in beleidsmaatregelen voor de concrete ondersteuning van de lidstaten die daar het meest behoefte aan hebben, via adequate mechanismen;

10. is van mening dat het creëren van banen een prioriteit moet zijn voor de Commissie en de regeringen van de lidstaten, en een eerste stap op weg naar het terugdringen van armoede;

11. is van mening dat de stelsels voor een minimuminkomen een integrerend onderdeel moeten zijn van een strategische aanpak van sociale integratie die zowel algemene beleidsmaatregelen als gerichte maatregelen – op het gebied van huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs en opleiding, sociale diensten – omvat, teneinde personen te helpen uit de armoede te geraken en ze ertoe aan te sporen zelf actief te streven naar sociale inclusie en toegang tot de arbeidsmarkt; is van mening dat de stelsels voor een minimuminkomen niet alleen tot doel hebben de betrokkenen te steunen, maar ook, en vooral, ze te begeleiden, zodat zij zich uit hun situatie van sociale uitsluiting kunnen bevrijden en kunnen deelnemen aan het beroepsleven;

12. beklemtoont dat het noodzakelijk is bij de vaststelling van minimuminkomens rekening te houden met de personen ten laste, met name kinderen, ten einde de vicieuze cirkel van armoede onder kinderen te doorbreken; is overigens van mening dat de Commissie jaarlijks een verslag zou moeten voorleggen over de vooruitgang die in de strijd tegen kinderarmoede is geboekt;

13. beklemtoont de noodzaak de bezuinigingsmaatregelen die aan sommige landen zullen worden opgelegd om de crisis te bestrijden te wijzigen, en onderstreept het belang van het treffen van effectieve maatregelen die gericht zijn op solidariteit, inclusief versterking, mobiliteit, anticipatie van overdrachten en vermindering van de cofinanciering van begrotingsmiddelen, ten einde waardige banen te scheppen, de productieve sectoren te steunen, armoede en sociale uitsluiting te bestrijden en elke mogelijke nieuwe afhankelijkheid of vergroting van de schuldenlast te voorkomen;

14. is van mening dat het invoeren van stelsels voor een minimuminkomen in alle lidstaten – bestaande uit specifieke maatregelen ter ondersteuning van personen die een te laag inkomen hebben, door ze financiële middelen ter beschikking te stellen en de toegang tot diensten te vergemakkelijken – één van de doeltreffendste manieren is om armoede te bestrijden, een passende levensstandaard te garanderen en de sociale integratie te bevorderen;

15. is van mening dat deze stelsels moeten voorzien in een adequaat minimuminkomen dat ten minste 60% van het gemiddelde inkomen in de betrokken lidstaat bedraagt;

16. beklemtoont de noodzaak van een evaluatie van het beleid van sociale inclusie, de toepassing van de open coördinatiemethode en de verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen en de nationale actieplannen ten aanzien van de evolutie van de armoede, teneinde op Europees en op nationaal niveau efficiënter te kunnen optreden, alsmede de noodzaak van armoedebestrijding via beleidsmaatregelen die algemener, coherenter en beter gestructureerd zijn, teneinde de absolute armoede en de kinderarmoede tegen het jaar 2015 uit te bannen en de relatieve armoede aanzienlijk terug te dringen;

17. herhaalt dat de stelsels voor een minimuminkomen weliswaar belangrijk zijn, maar dat ze gepaard moeten gaan met een gecoördineerde strategie op nationaal en op Europees niveau, gericht op bredere acties en specifieke maatregelen zoals een actief arbeidsmarktbeleid voor de bevolkingsgroepen die moeilijk een baan kunnen vinden, onderwijs en opleiding voor de minst geschoolden, minimumlonen, beleidsmaatregelen op het gebied van sociale huisvesting en voorziening in betaalbare en toegankelijke openbare diensten van goede kwaliteit;

18. dringt erop aan dat integratie en sociale inclusie worden bevorderd, teneinde er op doeltreffende wijze voor te zorgen dat de fundamentele mensenrechten worden nageleefd, en dat duidelijke toezeggingen worden gedaan wat betreft de formulering van nationaal en EU- beleid ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting; acht het noodzakelijk dat wordt gezorgd voor betere en universele toegang, zonder fysieke of communicatieve obstakels, tot de arbeidsmarkt, openbare gezondheidsdiensten, onderwijs en opleiding (vanaf de voorschoolse fase tot de eerste universitaire studiecyclus), beroepsopleiding, huisvesting, energievoorziening en sociale bescherming; is van oordeel dat de banen toegankelijk en van goede kwaliteit moeten zijn, en rechten moeten inhouden; is van mening dat de lonen fatsoenlijk moeten zijn en dat de pensioenstelsels moeten voorzien in een minimuminkomen voor ouderen, zodat gepensioneerden die hun leven lang hebben gewerkt een waardig pensioen kunnen genieten; voegt daaraan toe dat de stelsels voor een passend minimuminkomen voor iedereen bescherming moeten bieden tegen het risico van armoede en sociale, culturele en politieke inclusie moeten garanderen, met inachtneming van de nationale praktijken, de collectieve overeenkomsten en de wetgevingen van de lidstaten; wijst er bovendien op dat hoe meer de lidstaten in deze diverse beleidsterreinen investeren, hoe minder er op lange termijn gebruik zal moeten worden gemaakt van het systeem dat een voldoende inkomen per huishouden garandeert; onderstreept dat dergelijke maatregelen moeten worden genomen met volledige inachtneming van het beginsel van subsidiariteit van de lidstaten en van de diverse praktijken, collectieve overeenkomsten en nationale wetgevingen; is van oordeel dat alleen op die manier iedereen het recht op participatie aan het maatschappelijke, politieke en culturele leven kan worden gegarandeerd;

19. vestigt opnieuw de aandacht op de behoeften van jongeren die specifieke problemen ondervinden met betrekking tot economische en sociale integratie en het risico lopen het onderwijs vroegtijdig te moeten verlaten; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de bestrijding van jeugdwerkloosheid een specifieke doelstelling wordt, met eigen prioriteiten, door middel van specifieke maatregelen en beroepsopleiding, het ondersteunen van EU-programma’s (een leven lang leren, Erasmus, Mundus) en het stimuleren van ondernemerschap;

20. wijst erop dat voortijdig schoolverlaten en beperkte toegang tot hoger en universitair onderwijs fundamentele factoren zijn voor het ontstaan van hoge percentages langdurige werkloosheid en de sociale samenhang ernstig in gevaar brengen; is van oordeel dat, aangezien deze twee punten tot de voornaamste door de Commissie in het kader van de Europa 2020-strategie geformuleerde doelstellingen behoren, bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de uitwerking van specifieke acties en beleidsmaatregelen wat betreft de toegang van jongeren tot onderwijs via de toekenning van studiebeurzen, studietoelagen en studentenleningen, en via initiatieven ter versterking van de dynamiek van het schoolonderwijs;

21. is van mening dat de Commissie moet onderzoeken wat in elke lidstaat de impact zou zijn van een wetgevingsinitiatief dat zij zou nemen met betrekking tot de vaststelling van een minimumloon op Europees niveau; stelt met name voor dat in dit onderzoek aandacht wordt besteed aan aspecten zoals het verschil tussen een passend minimuminkomen en het minimumloon in de verschillende lidstaten, en aan de gevolgen daarvan voor de toegang tot de arbeidsmarkt;

22. beklemtoont dat het belangrijk is regels vast te stellen inzake werkloosheidsuitkeringen, teneinde te voorkomen dat de betrokkenen in armoede terechtkomen, en de lidstaten ertoe aan te zetten maatregelen te treffen die de terugkeer op de arbeidsmarkt vergemakkelijken in kwetsbare sectoren, onder andere door de mobiliteit binnen de Europese Unie te bevorderen;

23. beklemtoont dat investeringen in stelsels voor een minimuminkomen een sleutelfactor zijn voor de preventie en de bestrijding van armoede, dat de stelsels voor een minimuminkomen zelfs in crisistijden niet als een kostenfactor moeten worden beschouwd, maar als een kernelement van de strijd tegen de crisis, en dat vroege investeringen in armoedebestrijding bijzonder rendabel zijn, omdat ze de kosten voor de samenleving op lange termijn verlagen;

24. onderstreept de rol van de sociale bescherming, met name wat betreft ziekteverzekering, kinderbijslag, pensioenen en uitkeringen voor personen met een handicap, en verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te besteden aan de meest kwetsbare personen door hun een minimum aan rechten toe te kennen, zelfs in geval van werkloosheid;

25. beklemtoont het fundamentele recht van personen om te beschikken over toereikende inkomsten en prestaties, zodat ze een menswaardig bestaan kunnen leiden, in het kader van een coherent geheel van maatregelen ter bestrijding van sociale uitsluiting; verzoekt de lidstaten in het kader van een actieve strategie van sociale inclusie op nationaal niveau de nodige beleidsmaatregelen te treffen met het oog op de economische en sociale integratie van de betreffende personen;

26. wijst erop dat het aantal arme werknemers stijgt, en is van oordeel dat deze nieuwe uitdaging het hoofd moet worden geboden met een combinatie van verschillende instrumenten; is de mening toegedaan dat het bestaansminimum altijd hoger moet zijn dan de armoedegrens en dat de werknemers die om diverse redenen onder de armoededrempel blijven aanvullende uitkeringen moeten krijgen waaraan geen voorwaarden verbonden zijn en die op eenvoudige wijze kunnen worden verkregen; wijst op de positieve ervaring die in de Verenigde Staten is opgedaan met de toepassing van een systeem van negatieve inkomstenbelasting, teneinde werknemers met een laag loon over de armoedegrens heen te helpen;

27. constateert dat de Commissie in haar mededeling getiteld "Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei" vijf grote doelstellingen voor de EU voorstelt, waaronder een verlaging met 20 miljoen van het aantal personen dat door armoede wordt bedreigd; wijst er nogmaals op dat deze doelstelling minder ver gaat dan de oorspronkelijke ambities van de Lissabon-strategie (uitbanning van de armoede), die helaas niet konden worden verwezenlijkt; is van mening dat armoede en sociale uitsluiting moeten worden uitgebannen door geloofwaardige, concrete en bindende maatregelen; vindt dat bovengenoemd cijfer niet ambitieus genoeg is en dat de doelstelling van een Europa zonder armoede niet mag worden opgegeven; is van oordeel dat daartoe passende maatregelen moeten worden getroffen, en dat deze kwantitatieve doelstelling in absolute cijfers moet worden gekoppeld aan de doelstelling om de armoede in elke lidstaat terug te dringen, teneinde iedereen ertoe aan te sporen mee te werken aan de verwezenlijking van deze doelstelling, en ze geloofwaardig te maken door passende maatregelen te treffen, met name wat betreft het beleid van ondersteuning van afhankelijke personen; is van oordeel dat deze doelstelling moet worden verwezenlijkt door de tenuitvoerlegging van concrete en passende maatregelen, met name door in alle lidstaten stelsels voor een minimuminkomen in te voeren;

28. is van mening dat voorrang moet worden gegeven aan de bestrijding van sociale ongelijkheid, in het bijzonder economische ongelijkheid bij de verdeling van de inkomsten en de rijkdom, ongelijkheid op de arbeidsmarkt - die leidt tot sociale onzekerheid - en ongelijkheid ten aanzien van de toegang tot sociale overheidsvoorzieningen zoals sociale zekerheid, gezondheidszorg, onderwijs, justitie, enz.;

29. verzoekt de Raad en de lidstaten de hoofddoelstelling van de Europa 2020-strategie voor het uitbannen van armoede te baseren op de relatieve armoede-indicator (60% van het nationale mediane inkomen), zoals bepaald op de bijeenkomst van de Europese Raad in Laken in december 2001, aangezien deze indicator de armoede benadert als een relatieve situatie, waarbij de realiteit van de armoede wordt gezien in de context van elke lidstaat afzonderlijk;

30. verzoekt de lidstaten de hoofddoelstelling van de EU inzake armoede om te zetten in concrete en haalbare nationale streefdoelen in verband met prioritaire aspecten van de strategie van de EU voor sociale inclusie, zoals het uitbannen van dakloosheid tegen het jaar 2015, conform schriftelijke verklaring nr. 111/2007;

31. is van mening dat de lidstaten zowel als de Commissie bijzondere aandacht moeten besteden aan de situatie van daklozen en ter zake aanvullende maatregelen moeten treffen met het oog op de volledige sociale integratie van deze personen tegen het jaar 2015, wat inhoudt dat er op communautair niveau onderling vergelijkbare cijfers en betrouwbare statistische gegevens verzameld worden en jaarlijks worden verspreid, met vermelding van de geconstateerde vorderingen en de ten aanzien van de nationale en communautaire strategieën voor de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting bepaalde doelstellingen;

32. beschouwt het als de plicht van elke lidstaat alle nodige maatregelen te treffen om te voorkomen dat zijn burgers in een onzekere financiële situatie terechtkomen, door te verhinderen dat ze te hoge schulden aangaan, met name in het geval van bankleningen, waarbij moet worden overwogen banken en financiële organen die leningen verstrekken aan personen die niet solvabel zijn te belasten;

33. is van mening dat de lidstaten zich er expliciet toe moeten verbinden actieve inclusie te implementeren: het voorwaardelijke karakter beperken, investeren in de activering van de steun, een passend minimuminkomen verdedigen en de sociale normen handhaven door budgettaire bezuinigingen op essentiële openbare diensten te verbieden, zodat het niet de armen zijn die voor de crisis moeten betalen;

34. is van mening dat de verschillende ervaringen met minimuminkomens en onvoorwaardelijke basisinkomens voor iedereen, die gepaard gaan met aanvullende maatregelen voor sociale inclusie en bescherming, aantonen dat dit doeltreffende instrumenten zijn om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden en iedereen een waardig leven te garanderen; verzoekt de Commissie dan ook een initiatief te nemen om andere ervaringen in de lidstaten te ondersteunen die rekening houden met de beste praktijken en deze aanmoedigen, en het mogelijk maken diverse modellen voor een passend minimuminkomen en een basisinkomen die erop gericht zijn armoede te voorkomen, individueel te garanderen, als een maatregel om de armoede te bestrijden en uit te roeien en om sociale rechtvaardigheid en gelijke kansen voor alle burgers te waarborgen, waarbij armoede moet worden opgespoord op de respectieve regionale niveaus, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en zonder de specifieke kenmerken van elke lidstaat ter discussie te stellen; is van mening dat dit initiatief van de Commissie zou moeten uitmonden in de uitwerking van een actieplan voor de tenuitvoerlegging van een Europees initiatief inzake het minimuminkomen in de lidstaten, met inachtneming van de nationale praktijken, de collectieve overeenkomsten en de wetgevingen van de lidstaten, met het oog op de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

–   vaststelling van gemeenschappelijke normen en indicatoren inzake de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de uitbetaling van een minimuminkomen,

–   vaststelling van de criteria om te evalueren welke institutionele en territoriale niveaus –met medewerking van de sociale partners en alle betrokken partijen – het best de maatregelen met betrekking tot het minimuminkomen ten uitvoer kunnen leggen,

–   vaststelling van gemeenschappelijke indicatoren en benchmarks voor het beoordelen van de resultaten, de gevolgen en de doeltreffendheid van het armoedebestrijdingsbeleid,

–   zorgen voor de follow-up en een doeltreffende uitwisseling van goede praktijken;

35. beklemtoont dat een redelijk minimuminkomen onontbeerlijk is om een waardig bestaan te kunnen leiden en dat het, samen met de maatschappelijke participatie, een voorafgaande voorwaarde is voor een volledige ontplooiing van de capaciteiten van een persoon en voor de medewerking van allen aan de democratische ontwikkeling van de samenleving; onderstreept dat inkomens die waardige leefomstandigheden garanderen ook op het niveau van het nationale beleid een positieve impuls geven en daarmee bijdragen aan de welvaart;

36. is van oordeel dat het initiatief van de Commissie inzake het gegarandeerd minimuminkomen rekening moet houden met Aanbeveling 92/441/EEG, die "het fundamentele recht van personen (…) op inkomsten en prestaties die toereikend zijn om een menswaardig bestaan te leiden" erkent, en beklemtoont dat het belangrijkste doel van inkomenssteunregelingen moet zijn dat personen uit de armoede worden bevrijd en in staat worden gesteld een menswaardig bestaan te leiden, wat het recht op redelijke invaliditeits- en pensioenuitkeringen impliceert; beveelt de Commissie dan ook aan te voorzien in een gemeenschappelijke methode voor de berekening van het bestaansminimum en de kosten van levensonderhoud (kosten van een reeks goederen en diensten), zodat er vergelijkbare metingen kunnen worden gedaan van het niveau van armoede en methodes voor sociale bijstandsverlening kunnen worden ontwikkeld;

37. verzoekt de lidstaten onverwijld acties te ondernemen om het percentage van gebruikmaking van de sociale prestaties te verbeteren en te evalueren in welke mate er geen gebruik van wordt gemaakt en waarom - volgens de OESO bedraagt de onderbenutting 20% à 40% -, waarbij de transparantie moet worden verbeterd, de voorlichting doeltreffender moet worden gemaakt door te voorzien in betere adviesdiensten, de procedures moeten worden vereenvoudigd en beleidsmaatregelen moeten worden getroffen ter bestrijding van stigmatisering en discriminatie ten aanzien van ontvangers van een minimuminkomen;

38. onderstreept het belang van het bestaan van werkloosheidsuitkeringen die de begunstigden in staat stellen een waardig bestaan te leiden, maar tevens de noodzaak de werkloosheidsduur te verkorten door o.a. de doeltreffendheid van de openbare diensten voor arbeidsvoorziening te verbeteren;

39. onderstreept de noodzaak van voorschriften op het gebied van sociale zekerheid die erop gericht zijn het minimumpensioen te koppelen aan de armoedegrens;

40. bekritiseert de lidstaten wier stelsel voor een minimuminkomen geen rekening houdt met de drempel van relatieve armoede; herhaalt zijn verzoek aan de lidstaten deze situatie zo spoedig mogelijk te verhelpen; vraagt de Commissie bij de evaluatie van de nationale actieplannen rekening te houden met goede en slechte praktijken;

41. wijst op de ernstige discriminaties op grond van leeftijd in de stelsels voor een minimuminkomen, bijvoorbeeld de vaststelling van een minimuminkomen voor kinderen onder de armoedegrens, of de uitsluiting van jongeren van de stelsels voor een minimuminkomen omdat ze geen sociale bijdragen hebben betaald; beklemtoont dat deze discriminaties afbreuk doen aan het onvoorwaardelijke en passende karakter van de stelsels voor een minimuminkomen;

42. onderstreept dat het dringend noodzakelijk is adequate sociaaleconomische indicatoren uit te werken en toe te passen op verschillende terreinen, zoals gezondheidszorg, huisvesting, energievoorziening, sociale en culturele inclusie, mobiliteit, onderwijs, inkomen (zoals de Gini-coëfficiënt om de evolutie van de inkomensverschillen te meten), materiële deprivatie, werkgelegenheid en diensten voor sociale bijstand, die het mogelijk maken de op het gebied van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting gemaakte vorderingen te volgen en te meten, en die elk jaar zouden worden gepresenteerd naar aanleiding van de Internationale Dag voor de uitroeiing van armoede (17 oktober), waarbij de nadruk dient te worden gelegd op de evolutie ervan naar geslacht, leeftijdsgroep, gezinssituatie, handicap, immigratie, chronische ziekten en inkomensverschillen (60% van het mediane inkomen, 50% van het mediane inkomen, 40% van het mediane inkomen), zodat rekening wordt gehouden met de relatieve armoede, de extreme armoede en de meest kwetsbare groepen; beklemtoont dat er dringend behoefte is aan meer Europese statistische gegevens dan alleen maar monetaire indicatoren over situaties van extreme armoede, zoals dakloosheid, die thans niet onder de EU-SILC vallen; vraagt dat deze sociaaleconomische cijfers jaarlijks in de vorm van een verslag worden voorgelegd aan de lidstaten en het Europees Parlement, ter discussie en teneinde andere concrete opties te kunnen bepalen;

43. beklemtoont de noodzaak te voorzien in specifieke, aanvullende prestaties ten behoeve van de minst begunstigde groepen (gehandicapten, chronisch zieken, eenoudergezinnen en grote gezinnen) die de extra kosten dekken die voortvloeien uit hun situatie, met name door het verlenen van persoonlijke steun, toegang tot specifieke infrastructuur, medische zorg en sociale steun;

44. verzoekt de Commissie en de EU-lidstaten te onderzoeken hoe de verschillende modellen voor een onvoorwaardelijk basisinkomen voor iedereen, die erop gericht zijn armoede te voorkomen, kunnen bijdragen aan sociale, culturele en politieke inclusie, met name rekening houdend met het niet-stigmatiserende karakter ervan en de mogelijkheden die zij bieden om gevallen van verborgen armoede te voorkomen;

45. is van mening dat voor de beleidsmaatregelen die erop gericht zijn de armoede terug te dringen en die een aanvulling vormen op de vaststelling van een passend minimuminkomen in de lidstaten de open coördinatiemethode dient te worden aangepast, teneinde een echte uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten mogelijk te maken;

46. constateert dat het minimuminkomen zijn doelstelling de armoede te bestrijden alleen maar kan verwezenlijken indien er geen belasting over hoeft te worden betaald, en beveelt aan de mogelijkheid te overwegen de hoogte van het minimuminkomen te koppelen aan de schommelingen van de kosten van collectieve diensten;

47. wijst er nogmaals op dat vrouwen een groter risico lopen om in extreme armoede te vervallen dan mannen, omdat de stelsels van sociale bescherming ontoereikend zijn en de discriminaties voortduren, in het bijzonder op de arbeidsmarkt, en dat genderspecifieke, op de concrete situatie afgestemde beleidsmaatregelen dan ook noodzakelijk zijn;

48. is van mening dat armoede onder werkenden de weerspiegeling is van onrechtvaardige arbeidsvoorwaarden en vraagt dat de inspanningen erop worden gericht deze situatie te verhelpen, op het niveau van de lonen in het algemeen en van de minimumlonen in het bijzonder, ongeacht of ze wettelijk zijn voorgeschreven of door collectieve overeenkomsten zijn bedongen, teneinde een waardige levensstandaard te waarborgen;

49. wenst de integratie van personen die in armoede leven (voor wie initiatieven voor integratie in de arbeidsmarkt sterk moeten worden gestimuleerd) en verzoekt de Commissie en de lidstaten een dialoog op gang te brengen met degenen die in een situatie van armoede verkeren, de organisaties die ze vertegenwoordigen, hun netwerken en de sociale partners; is van oordeel dat erop moet worden toegezien dat degenen die in armoede leven en de organisaties die ze vertegenwoordigen als belanghebbende partijen worden beschouwd en de ondersteuning en de financiële en andere middelen krijgen die ze nodig hebben om te kunnen deelnemen aan de uitwerking, de tenuitvoerlegging en de follow-up van de beleidsmaatregelen en de indicatoren op Europees, nationaal, regionaal en lokaal niveau, met name ten aanzien van de nationale hervormingsprogramma’s in het kader van de Europa 2020-strategie en de open coördinatiemethode voor sociale bescherming en sociale inclusie; beklemtoont bovendien dat de maatregelen die worden getroffen tegen werkgevers die gemarginaliseerde groepen illegaal en voor minder dan het minimuminkomen in dienst nemen, moeten worden versterkt;

50. is van oordeel dat de inspanningen die worden geleverd om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden moeten worden gesteund en versterkt, teneinde de situatie van personen die het grootste risico lopen om in armoede en uitsluiting te vervallen, zoals werknemers zonder een vaste baan, werklozen, eenoudergezinnen, alleenstaande ouderen, vrouwen, kansarme kinderen, etnische minderheden, zieken of gehandicapten, te verbeteren;

51. betreurt dat sommige lidstaten blijkbaar geen rekening houden met Aanbeveling 92/441/EEG van de Raad, die "het fundamentele recht van personen op inkomsten en prestaties die toereikend zijn om een menswaardig bestaan te leiden" erkent;

52. dringt erop aan dat de sociale partners ten volle en op voet van gelijkheid worden betrokken bij de opstelling van de nationale actieplannen voor armoedebestrijding en de desbetreffende indicatoren, en dit op elk bestuursniveau;

53. onderstreept de noodzaak om door middel van een actief werkgelegenheidsbeleid op geografisch, sectoraal of operationeel niveau, en met actieve deelneming van de sociale partners, gerichte maatregelen te plannen en ten uitvoer te leggen om de toegang tot de arbeidsmarkt van personen afkomstig uit sectoren of geografische gebieden met bijzonder hoge werkloosheidspercentages, te bevorderen;

54. onderstreept de noodzaak zich te concentreren op bepaalde bevolkingsgroepen (immigranten, vrouwen, werklozen die bijna de pensioenleeftijd hebben bereikt, enz.), teneinde de bekwaamheden te verbeteren, werkloosheid te voorkomen en maatschappelijke integratie te bevorderen;

55. verzoekt de lidstaten en de Commissie maatregelen te treffen ter ondersteuning van de integratie in de arbeidsmarkt van jongeren en ouderen, kwetsbare categorieën die zwaar worden getroffen door de werkloosheid in de context van de huidige recessie;

56. beklemtoont dat het minimuminkomen ook de brandstofkosten moet dekken, teneinde arme gezinnen die worden getroffen door energiearmoede in staat te stellen hun energierekeningen te betalen; is van oordeel dat het minimuminkomen moet worden berekend op basis van realistische evaluaties van de kosten van het verwarmen van een woning, afhankelijk van de specifieke behoeften van het gezin, bijvoorbeeld een gezin met kinderen, ouderen en gehandicapten;

57. onderstreept dat de meeste EU27-lidstaten weliswaar nationale stelsels voor een minimuminkomen toepassen, maar dat een aantal ervan daar niet in heeft voorzien; verzoekt de lidstaten te voorzien in stelsels voor een gegarandeerd minimuminkomen waardoor armoede kan worden voorkomen en sociale inclusie wordt bevorderd, en dringt erop aan dat zij de beste praktijken uitwisselen; erkent dat indien sociale steun wordt aangeboden, de lidstaten ook de plicht hebben ervoor te zorgen dat de burgers datgene waar zij recht op hebben kunnen begrijpen en verkrijgen;

58. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de parlementen en regeringen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten.

(1)

PB C 364 van 18.12.2000.

(2)

PB C 303 van 14.12.2007, blz. 1.

(3)

PB L 245 van 26.8.1992, blz. 46.

(4)

PB L 245 van 26.8.1992, blz. 49.

(5)

Raad van de Europese Unie, perscommuniqué, 16825/08 (Pers 358) blz. 18.

(6)

PB L 298 van 7.11.2008, blz. 20.

(7)

PB C 305 E van 14.12.2006, blz. 141.

(8)

PB C 9E van 15.1.2010, blz. 11.

(9)

Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2009)0467.

(10)

Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2009)0370.

(11)

Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2009)0371.

(12)

Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2008)0163.

(13)

COM(2010)2020 van 3 maart 2010.

(14)

COM(2010)0193.

(15)

De armoedegrens is in ieder land berekend als 60% van het mediane inkomen van dat land; dit inkomen ligt lager dan het gemiddelde inkomen.


TOELICHTING

1. Armoede en sociale uitsluiting

De laatste gegevens over armoede en sociale uitsluiting, met betrekking tot de levensomstandigheden in 2008, zijn in januari 2010 door Eurostat gepubliceerd(1) (zie tabel I).

Uit die tabel kan worden afgeleid dat de sociale ongelijkheid, ondanks alle verklaringen over de afname van de armoede, is verergerd en ongeveer 85 miljoen mensen in de Europese Unie met armoede worden bedreigd (17% van de circa 500 miljoen inwoners van de Europese Unie leefde eind 2008 onder de armoedegrens, zelfs na de sociale overdrachten(2)), in 2005 bedroeg dit percentage 16% en in 2000 15% in de EU15.

Het niveau van armoededreiging is hoger voor kinderen en jongeren tot 17 jaar dan voor de gehele bevolking, en bedraagt 20% in de EU27. Dat wil zeggen dat een op de vijf kinderen en jongeren slachtoffer is van armoede, waarbij de hoogste niveaus geregistreerd zijn in Roemenië (33%), Bulgarije (26%), Italië en Letland (25%), Spanje (24%), Griekenland, Portugal, Litouwen en het Verenigd Koninkrijk (23% elk) en Polen (22%); de laagste niveaus kwamen voor in Denemarken (9%), Slovenië en Finland (12% elk).

Ook ouderen staan bloot aan een hogere armoededreiging dan de bevolking in het algemeen. In 2008 ging het om ongeveer 19% van de bevolking van 65 jaar of ouder in de EU27.

Intussen neemt het aantal arme werknemers toe. Meer dan 19 miljoen werknemers verkeren in een toestand van armoede. Dit betekent dat, ondanks het feit dat het hebben van een baan de armoededreiging significant vermindert, de toename van tijdelijke arbeid en lage lonen ertoe leidt dat het percentage werknemers dat met armoede wordt bedreigd, toeneemt. Gemiddeld 8% van de bevolking die een baan had, werd in 2008 in de EU27 met armoede bedreigd, waarbij de hoogste percentages voorkwamen in Roemenië (17%), Griekenland (14%), Polen en Portugal (12% elk), Spanje en Letland (11% elk).

Om een ruimer beeld te krijgen van de sociale uitsluiting in de Europese Unie is het mogelijk het niveau van armoededreiging, dat een relatieve factor is, aan te vullen met het niveau van materiële achterstand, waarmee de sociale uitsluiting in meer absolute termen wordt gemeten. Het niveau van materiële achterstand wordt gedefinieerd als het ongewenst ontbreken van ten minste drie van negen materiële elementen. De negen elementen die deze indicator vormen, zijn de volgende:

- voldoende geld voor onverwachte uitgaven

- de mogelijkheid om één week vakantie per jaar buitenshuis te houden

- het bestaan van uitgestelde betalingen (consumptieve kredieten voor de aanschaf van de woning, de auto of andere uitgestelde facturen)

- de mogelijkheid om iedere dag een warme maaltijd met vlees, vis of vegetarische equivalent te gebruiken

- de mogelijkheid om de woning afdoende te verwarmen

- het bezit van een wasmachine

- het bezit van een kleurentelevisie

- het bezit van een telefoon

- het bezit van een eigen auto

Zoals te zien is in tabel II lag dit niveau van materiële achterstand in 2008 in de Europese Unie als geheel eveneens op 17%, maar in tien lidstaten lag het veel hoger: 51% in Bulgarije, 50% in Roemenië, 37% in Hongarije, 35% in Letland, 32% in Polen, 28% in Slowakije, 27% in Litouwen, 23% in Cyprus en Portugal, 22% in Griekenland.

Het is essentieel de voorkoming en bestrijding van armoede en uitsluiting in andere beleidsterreinen te integreren, waaronder de waarborging van de universele toegang tot openbare diensten, tot kwalitatieve arbeid met rechten en tot een inkomen waarvan op waardige wijze kan worden geleefd. Dit houdt in dat er verschuivingen en drastische wijzigingen in het actuele beleid van de Europese Unie dienen plaats te vinden.

Het is van belang niet te vergeten dat, volgens een recent door Eurobarometer uitgevoerde enquête over de houding van de EU-ingezetenen ten opzichte van armoede, de grote meerderheid (73%) van mening is dat de armoede in de desbetreffende landen aan het toenemen is, 89% dringende maatregelen van zijn regering verlangt om de armoede te bestrijden en 74% verwacht dat ook de EU in dit opzicht een belangrijke rol speelt.

2. Europees jaar van de bestrijding van armoede

De Sociale Agenda voor 2005-2010 van de Commissie heeft 2010 uitgeroepen tot het “Europees jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting” met het doel de politieke verbintenis van de EU bij het begin van de Lissabon-strategie, namelijk om “een beslissende rol te spelen bij de uitbanning van armoede en sociale uitsluiting”, opnieuw te bevestigen en meer gewicht te geven.

Het onderzoek van Eurostat(3) naar de armoededreiging, naar leeftijd en geslacht, voor en na de sociale overdachten, met betrekking tot 2007, stelt het belang van de sociale overdrachten voor de voorkoming van armoede vast, alhoewel vrouwen en kinderen nog steeds het zwaarst getroffen worden als gevolg van werkloosheid, tijdelijke arbeid en onderbetaling, en discriminatie bij salarissen, uitkeringen en pensioenen (zie onderstaande tabel).

Voor de sociale overdrachten – armoededreiging

 

 

Jonger dan 18 jaar

Ouder dan 65 jaar

Mannen

Vrouwen

EU27

33%

24%

25%

27%

Na de sociale overdrachten – armoededreiging

 

 

Jonger dan 18 jaar

Ouder dan 65 jaar

Mannen

Vrouwen

EU27

20

20

16

18

Het is van belang rekening te houden met de doelstellingen en grondbeginselen van het Europees jaar van de bestrijding van armoede, die luiden: erkenning van rechten, gedeelde verantwoordelijkheid en participatie, cohesie, inzet en concrete acties. Op het niveau van de Europese Unie en op dat van de lidstaten zelf zijn concrete maatregelen noodzakelijk om deze doelstelling in algemeen beleid om te zetten, onder andere in de maatregelen tegen de sociale en economische crisis, opdat deze doelstellingen een praktische invulling krijgen en als concreet gevolg hiervan de armoede vermindert.

Anderzijds dient erop gewezen te worden dat de Europese Unie zich uitdrukkelijk heeft verbonden aan de millenniumdoelstellingen van de Verenigde Naties en aan de Resolutie tot uitroeping van het tweede decennium van de Verenigde Naties voor de bestrijding van de armoede (2008-2017). Dit is echter helaas niet vastgelegd in het document van de Commissie "Strategie Europa 2020", dat zich beperkt tot de overweging dat het uit een situatie van armoededreiging geraken van 20 miljoen mensen een van de vijf doelstellingen voor de Europese Unie is. Welnu, dit voorstel betekent niet alleen een stap achterwaarts in vergelijking met de oorspronkelijke doelstellingen van de Lissabon-strategie, het vormt zelfs een belemmering voor de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen om het aantal mensen dat onder de armoedegrens leeft met de helft te verminderen. Daarom is het op zijn minst nodig deze doelstelling te verdubbelen en met passende maatregelen geloofwaardig te maken.

Het is noodzakelijk in te zetten op de bevordering van de integratie en sociale inclusie, om ervoor te zorgen dat de fundamentele mensenrechten worden nageleefd, en op heldere compromissen met betrekking tot de formulering van Europees en nationaal beleid ter bestrijding van armoede en sociale uitsluiting, dat erop gericht moet zijn de universele toegang tot essentiële openbare diensten, het recht op gezondheid, onderwijs en beroepsscholing, onderdak, sociale bescherming, arbeid met rechten, eerlijke salarissen, waardige pensioenen en een passend inkomen voor allen te waarborgen.

De veelzijdige aard van armoede en sociale uitsluiting vraagt om een sociale dimensie, gericht op de sociale haalbaarheid van het macro-economische beleid als integraal onderdeel van de strategie om de crisis te boven te komen en van de sociale en economische cohesie. Dit brengt een wijziging met zich mee van prioriteiten en – met name monetair – beleid, waaronder het Stabiliteits- en groeipact, het concurrentiebeleid, de interne markt, het begrotingsbeleid en het fiscale beleid. Het is eveneens zaak een globale doelstelling vast te leggen, waarbij prioriteit wordt gegeven aan de sociale en economische cohesie en aan de bescherming van de fundamentele mensenrechten; dit houdt in dat een evenwicht moet worden gevonden tussen economisch beleid, werkgelegenheidsbeleid, sociaal beleid, milieubeleid en een eerlijke herverdeling van rijkdom en inkomen.

3. Rol van het minimuminkomen in de bestrijding van armoede en ter bevordering van sociale inclusie

Wij hebben al gezien dat voorkomen de beste manier is om armoede en sociale uitsluiting te bestrijden. Hiervoor is het vereist:

- de kwaliteit van banen en salarissen te verbeteren, een essentiële voorwaarde voor ontwikkeling en om uit de crisis te komen;

- een echt recht op inkomen vast te stellen, wat gezien wordt als een basale sociale investering;

- eerlijke pensioenen, uitkeringen en gezinstoeslagen te garanderen;

- de universele toegang tot kwalitatieve openbare diensten te waarborgen.

Tegelijk met de prioritering van arbeid met rechten, met eerlijke salarissen en van een juiste kwaliteit, zodat allen die aan het werk zijn uit de situatie van armoede geraken, dient er rekening mee gehouden te worden dat meer dan 23 miljoen mensen werkloos zijn, uitgesloten van de arbeidsmarkt en aan wie een werkloosheidsuitkering dient te worden verstrekt waarmee zij in staat zijn een waardig leven te leiden.

De belangrijke rol die de stelsels van sociale bescherming spelen bij de waarborging van het voor de sociale en economische ontwikkeling noodzakelijke niveau van sociale cohesie, bij de waarborging van sociale inclusie, bij de verbetering van het opleidingsniveau van mensen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, bij het garanderen van de uitoefening van de grondrechten en bij het creëren van gelijke kansen is bekend.

Er zijn lagen en groepen in de bevolking die kwetsbaarder zijn, onder wie mensen met een handicap, immigranten, grote gezinnen of eenoudergezinnen, chronisch zieken en dak- en thuislozen, die ondersteuning nodig hebben waarmee een waardig inkomen voor hen gegarandeerd is. De uiteenlopende ervaringen met minimuminkomens in de meerderheid van de EU-landen, die gepaard gaan met maatregelen voor sociale integratie, tonen aan dat dit een essentiële aanvullende manier is om armoede en sociale uitsluiting te voorkomen.

Zo kan de voorziening van een minimuminkomen – als sleutelelement in stelsels van sociale bescherming – worden gedefinieerd als een gegarandeerd geldbedrag voor diegenen die dat bedrag niet zonder hulp kunnen verkrijgen. Het recht op een minimuminkomen is universeel (van toepassing op alle ingezetenen) en is niet bijdrageplichtig (er zijn geen periodieke betalingen aan een fonds nodig, zoals bij verzekeringen).

Deze maatregel bestaat in meerdere Europese landen en wordt, in zijn diverse formuleringen, gekenmerkt door de garantie van een minimumniveau van inkomen, dat onmisbaar wordt geacht voor het levensonderhoud van de ingezetenen, die gepaard gaat met de ontwikkeling van prikkels om de begunstigden onafhankelijk van deze bijdrage te laten worden. De maatregel is het gevolg van Aanbeveling 92/441/EEG waarin de definitie werd vastgesteld van gemeenschappelijke criteria voor "toereikende inkomsten en prestaties in de stelsels van sociale bescherming".

In de in februari 2005 gepubliceerde Sociale Agenda heeft de Commissie nogmaals uitgesproken dat zij zich verbindt aan de publicatie van een mededeling over dit onderwerp. Dit heeft zij in februari 2006 gedaan, maar slechts in de vorm van een Raadpleging.

De Commissie heeft vervolgens in 2008 haar mededeling COM(2008)0639 van 3 oktober 2008 gepubliceerd over een aanbeveling inzake de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten, en het Europeess Parlement heeft op 6 mei 2009 een resolutie aangenomen over hetzelfde thema.

Het is derhalve tijd om zich op eerdere toezeggingen te beroepen, die teruggaan tot 1992, zij het met aanvullingen en met een verbeterde doeltreffendheid, waarbij ervoor dient te worden gewaakt dat de zogenaamde "actieve inclusie" niet leidt tot achteruitgang voor al diegenen die weinig kansen hebben om met eerlijke salarissen en rechten tot de arbeidsmarkt toe te treden. Dit vraagt gedurende het gehele proces om de participatie van armen en uitgeslotenen, van werknemers en van de maatschappelijke organisaties en vakbonden die hen vertegenwoordigen.

Tabel I – Armoedegrens en niveau van armoededreiging

 

Armoede-grens

(in KKP)

Niveau van armoededreiging voor de bevolking:

Totaal

Leeftijd van 0 tot 17 jaar

Leeftijd van 65 jaar en ouder

In bezit van een baan

EU27

-

17 p

20p

19p

8p

België

10100

15

17

21

5

Bulgarije

2800

21

26

34

7

Cyprus

11300

16

14

49

6

Denemarken

10500

12

9

18

5

Duitsland

10600

15

15

15

7

Estland

4700

19

17

39

7

Finland

9600

14

12

23

5

Frankrijk

9700

13

17

11

7

Griekenland

7200

20

23

22

14

Hongarije

4000

12

20

4

5

Ierland

10900

16

18

21

6

Italië

9000

19

25

21

9

Letland

4400

26

25

51

11

Litouwen

4200

20

23

29

9

Luxemburg

16500

13

20

5

9

Malta

7800

15

20

22

5

Nederland

11300

11

13

10

5

Oostenrijk

11200

12

15

15

6

Polen

3900

17

22

12

12

Portugal

5800

18

23

22

12

Roemenië

1900

23

33

26

17

Slovenië

8400

12

12

21

5

Slowakije

4000

11

17

10

6

Spanje

8400

20

24

28

11

Tsjechië

5800

9

13

7

4

Verenigd Koninkrijk

11600p

19p

23p

30p

9p

Zweden

10400

12

13

16

7

Tabel II - Materiële achterstand, 2008

 

Niveau van materiële achterstand

Percentage van de bevolking dat niet over de middelen beschikt voor:

Eén week vakantie

Afdoende verwarming van de woning

Eén volledige warme maaltijd per dag

Een eigen auto

EU27

17e

37

10e

9

9

België

12

26

6

5

6

Bulgarije

51

59

34

30

28

Cyprus

23

46

29

5

1

Denemarken

:

10

:

2

8

Duitsland

13

25

6

11

5

Estland

12

44

1

5

17

Finland

9

18

2

3

8

Frankrijk

13

32

5

8

4

Griekenland

22

50

15

7

9

Hongarije

37

67

10

26

20

Ierland

14

30

4

3

9

Italië

16

40

11

8

3

Letland

35

55

17

23

24

Litouwen

27

60

22

19

13

Luxemburg

4

12

1

2

2

Malta

13

65

9

10

2

Nederland

5

14

2

2

5

Oostenrijk

14

28

4

13

7

Polen

32

63

20

21

17

Portugal

23

64

35

4

9

Roemenië

50

76

25

19

49

Slovenië

17

30

6

12

3

Slowakije

28

57

6

29

20

Spanje

9

34

5

2

5

Tsjechië

16

39

6

12

11

Verenigd Koninkrijk

11

24

6

4

5

Zweden

5

11

1

2

3

(1)

Levensomstandigheden in 2008 – Eurostat 18-1-2010

(2)

De armoedegrens is in ieder land berekend als 60% van het mediane inkomen van dat land; dit inkomen ligt lager dan het gemiddelde inkomen.

(3)

"Combating poverty and social exclusion – a statical portrait of the European Union 2010".


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.6.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

23

5

14

Bij de eindstemming aanwezige leden

Regina Bastos, Edit Bauer, Pervenche Berès, Mara Bizzotto, Milan Cabrnoch, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Sergio Gaetano Cofferati, Marije Cornelissen, Frédéric Daerden, Proinsias De Rossa, Frank Engel, Sari Essayah, Richard Falbr, Ilda Figueiredo, Thomas Händel, Marian Harkin, Roger Helmer, Nadja Hirsch, Liisa Jaakonsaari, Danuta Jazłowiecka, Martin Kastler, Ádám Kósa, Jean Lambert, Veronica Lope Fontagné, Olle Ludvigsson, Elizabeth Lynne, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Csaba Őry, Rovana Plumb, Sylvana Rapti, Licia Ronzulli, Elisabeth Schroedter, Jutta Steinruck

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Georges Bach, Raffaele Baldassarre, Silvia Costa, Julie Girling, Joe Higgins, Dieter-Lebrecht Koch, Jan Kozłowski, Ria Oomen-Ruijten, Csaba Sógor

Laatst bijgewerkt op: 19 oktober 2010Juridische mededeling