Procedure : 2010/2103(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0310/2010

Ingediende teksten :

A7-0310/2010

Debatten :

PV 24/11/2010 - 20
CRE 24/11/2010 - 20

Stemmingen :

PV 25/11/2010 - 8.13
CRE 25/11/2010 - 8.13
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0445

VERSLAG     
PDF 277kWORD 151k
8 november 2010
PE 448.802v02-00 A7-0310/2010

over het internationaal handelsbeleid met de verplichtingen zoals door de klimaatverandering geboden

(2010/2103(INI))

Commissie internationale handel

Rapporteur: Yannick Jadot

Rapporteur voor advies (*):

Jo Leinen, Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies - artikel 50 van het Reglement

ERRATA/ADDENDA
AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het internationaal handelsbeleid met de verplichtingen zoals door de klimaatverandering geboden (2010/2103(INI)

Het Europees Parlement,

–   gezien de rapporten van de drie werkgroepen in de schoot van de intergouvernementele groep deskundigen voor de ontwikkeling van het klimaat, gepubliceerd in 2007(1),

–   gezien het pakket klimaatverandering, goedgekeurd door de Europese Raad op 17 december 2008,

–   gezien de conclusies van de Europese Raad van 29 en 30 oktober 2009 over de onderhandelingen over het klimaat,

–   gezien de VN-topconferentie van Kopenhagen (Denemarken) van 7 t/m 18 december 2009 over het klimaat, en de overeenkomst van Kopenhagen die eruit voortgekomen is,

–   onder verwijzing naar zijn vroegere resoluties over de klimaatverandering, meer in het bijzonder die van 10 februari 2010 over de resultaten van de topconferentie van Kopenhagen(2), en die van 29 november 2007 over de handel en de klimaatverandering(3),

–   gezien de mededeling van 26 mei 2010 van de Commissie "Analyse van de opties voor een broeikasgasemissiereductie van meer dan 20% en beoordeling van het risico van koolstoflekkage" (COM(2010)0265),

–   gezien de mededelingen van 19 juni 2010 van de Commissie over de duurzaamheid van biobrandstof en vloeibare biomassa(4),

–   gezien de mededeling van 4 november 2008 van de Commissie over "Het grondstoffeninitiatief – voorzien in onze kritieke behoeften aan groei en werkgelegenheid in Europa" (COM(2008)0699),

–   gezien het rapport van de Wereldhandelsorganisatie en het VN-milieuprogramma Handel en klimaatverandering, dat op 26 juni 2008 van start gegaan is,

–   gezien de slotverklaring van de staatshoofden en regeringsleiders op de G20-top van 24 en 25 september 2009 in Pittsburgh,

–   gezien de studies "Tackling leakage in a world of unequal carbon prices" (lekkage bij ongelijke koolstofprijzen) van juni 2010 van het Climate Strategies-instituut(5), "Why the EU could and should adopt higher greenhouse gas reduction targets" (waarom de EU hogere doelstellingen voor minder broeikasgassen kan en moet aannemen) van maart 2010 van het instituut CE Delft(6), die van het Sandbag-instituut, "The Carbon Rich List: The companies profiting from the EU Emissions Trading Scheme" (rijk door koolstof: ondernemingen die voordeel uit het EU-handel in emissierechten halen) van februari 2010(7), en die van het Carbon Trust-instituut, "International carbon flows" (internationale bewegingen van koolstof),

–   gezien de internationale evaluatie van landbouwwetenschappen en –technologie voor ontwikkeling van 2008(8),

–   gezien de investeringsregels van het Energiehandvest, die als grondslag in de zaak Vattenfall Europe Generation AG vs. Duitse Bondsrepubliek van 27 april 2009 dienen(9) – een onderneming die tegen een lidstaat klaagt die de milieuregels verstrengt,

–   gezien de Groene Energiewet van 14 mei 2009 in Ontario(10),

­–   gezien het Europees actieplan FLEGT (Forest Law Enforcement, Governance and Trade) van mei 2003,

–   gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie ontwikkelingsamenwerking (A7-0310/2010),

A. overwegende dat de temperatuur op aarde in de loop van de laatste eeuw al gestegen is en zal blijven stijgen, dat de economische en sociale repercussies van de opwarming van de aarde en de weerslag op het milieu een zorgwekkende omvang aannemen en dat het levensbelangrijk is om de opwarming tot minder van 2° C te beperken,

B.  overwegende dat het vergelijk dat op de VN-klimaattop van Kopenhagen in december 2009 tot stand gekomen is, niet bevredigt, en dat de Europese Unie er bij gebrek aan hooggestelde streefdoelen en eenheidsvisie geen eersterangsrol heeft weten te spelen,

C. overwegende dat het vergelijk dat op de VN-klimaattop van Kopenhagen in december 2009 tot stand gekomen is, niet bevredigt en teleurstelt, dat de onderhandelingspartners geen wereldwijde overeenstemming hebben weten te bereiken en dat de Europese Unie er niet in geslaagd is om een leidersrol op zich te nemen en in gesloten rangen op te treden,

D. gezien het verheugend streven van de Europese Raad om de uitstoot van broeikasgassen in Europa tegen 2050 met 80 tot 95% te verminderen in vergelijking met 1990, een doelstelling die noodzakelijk is als de Europese Unie zich op internationaal vlak opnieuw als leider in klimaataangelegenheden wil opwerpen, terwijl andere landen zich sterk voor groene economie inzetten, meer bepaald met hun economische herstelplannen, en gezien zijn krachtige steun voor het streven om de Europese uitstoot tegen 2020 met 30 % te verminderen, ongeacht de resultaten van de internationale onderhandelingen,

E.  overwegende dat de topconferentie van Cancún een unieke gelegenheid voor daadwerkelijke dialoog biedt, wettelijk bindende middelen en veel strengere verificatieprocedures moet aannemen en een beslissende stap in de richting van een algemene, wettelijk bindende en onmiddellijk uitvoerbare overeenkomst moet betekenen om de opwarming van de aarde duidelijk onder de 2° C te houden,

F.  overwegende dat de strijd tegen de klimaatveranderingen een factor in de competitiviteit vertegenwoordigt, aangezien de Europese prioriteiten energiebesparingen en hernieuwbare energie zijn, waarmee de veilige energievoorziening van de Unie te verbeteren is, en die ruime mogelijkheden voor industriële ontwikkeling, vernieuwing, ruimtelijke ordening en uitbreiding van de werkgelegenheid bieden,

G. overwegende dat gesubsidieerde energie en de afwezigheid van beperkingen op de uitstoot van CO2 voor een aantal landen een relatief voordeel betekenen,

H. overwegende dat de verantwoordelijkheid van de Europese Unie voor het klimaat niet tot de uitstoot van broeikasgassen op haar grondgebied beperkt mag blijven, aangezien de verbruiksgebonden veel hoger als de productiegebonden uitstoot ligt, volgens recente schattingen in de orde van grootte van 35% voor het Verenigd Koninkrijk, 45% voor Frankrijk of 60% voor Zweden,

I.   overwegende dat de regelgeving op het handelsverkeer bijgevolg van beslissend belang in de strijd tegen de klimaatverandering is, en dat de Europese Unie er als eerste handelsmacht ter wereld sterke invloed op uit kan oefenen,

1.  verheugt zich over het streven van de Europese Raad om de uitstoot van broeikasgassen in Europa tegen 2050 met 80 à 95% te verminderen in vergelijking met 1990, een doelstelling die noodzakelijk is als de Europese Unie zich op internationaal vlak opnieuw als leider in klimaataangelegenheden wil opwerpen, terwijl andere landen zich sterk voor groene economie inzetten, meer bepaald met hun economische herstelplannen; verleent zijn krachtige steun voor het streven om de Europese uitstoot tegen 2020 met 30 % te verminderen, ongeacht de resultaten van de internationale onderhandelingen, wat andere landen ertoe moet aanzetten om ruimere verbintenissen aan te gaan;

2.  dringt aan op een internationaal bindende overeenkomst over klimaatbescherming en verleent zijn krachtige steun voor de doelstelling om de CO2-emissies in de Europese Unie tegen 2020 met 30% te verminderen, ongeacht de internationale onderhandelingen, en de doelstelling van de Europese Unie op lange termijn, om de emissies van CO2 en andere broeikasgassen tegen 2050 met ten minste 85% te verminderen;

3.  beklemtoont dat de ontwikkelde landen in de vermindering van CO2-emissies het voortouw moeten nemen en denkt dat de invoering van normen, etiketteringsvoorschriften en certificaten enorme mogelijkheden inhoudt om het energieverbruik te verminderen en daarmee de klimaatverandering tegen te gaan; vraagt de lidstaten om hun regelgeving op de handel in emissierechten te verstrengen door een minimum prijs voor koolstof vast te leggen; vindt dat het mechanisme voor milieuvriendelijke ontwikkeling niet aan de behoeften van de kwetsbaarste landen beantwoordt;

4.  pleit voor krachtiger stimulering van hernieuwbare energievormen en dringt erop aan dat de regeringen van de lidstaten een consequent beleid hanteren en een bindend juridisch kader vaststellen dat op lange termijn de goedkeuring van een gefaseerd subsidieprogramma mogelijk maakt dat de markten helpt openleggen en minimum infrastructuur tot stand helpt brengen, wat van essentieel belang is in tijden van crisis en onzekere vooruitzichten in de zakenwereld;

5.  wijst er eens te meer op dat het gemeenschappelijk handelsbeleid van de Europese Unie een instrument in dienst van haar algemene doelstellingen is en volgens artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie "op basis van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie" uitgevoerd moet worden, terwijl het volgens artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vooral moet bijdragen "tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties";

6.  onderlijnt dat het handelsbeleid van de Europese Unie – op bilateraal, pluri- en multilateraal vlak – een hulpmiddel en geen doel op zich vormt, met haar doelstellingen in de strijd tegen de klimaatverandering te verenigen moet zijn en op de afsluiting van een veeleisende klimaatovereenkomst vooruit moet grijpen;

7.  meent dat de regelgeving van de Wereldhandelsorganisatie interpretatie vergt en zich volgens de verbintenissen moet ontwikkelen die in multilaterale milieu-overeenkomsten aangegaan worden; vraagt de Europese Commissie om op een consensus in de schoot van de Wereldhandelsorganisatie toe te werken, dat de secretariaten van de multilaterale milieu-overeenkomsten waarnemersstatus krijgen op alle bijeenkomsten van de Wereldhandelsorganisatie die zich met hun bevoegdheidsterrein bezighouden, en een adviserende functie in beslechtingsprocedures voor milieugeschillen; benadrukt dat er bij de Wereldhandelsorganisatie een nieuwe regelgeving opgesteld moet worden om het relatief voordeel van goedkope CO2-uitstoot weg te werken;

8.  betreurt dat geen enkel van de bestaande akkoorden van de Wereldhandelsorganisatie rechtstreeks naar de klimaatverandering, voedselveiligheid en de millennium-doelstellingen voor de ontwikkeling verwijst, en dat de biopiraterij op klimaatresistent zaaigoed zich uitbreidt; meent dat er veranderingen in de regelgeving van de Wereldhandelsorganisatie nodig zijn om voor verenigbaarheid en overeenstemming met de verbintenissen volgens het protocol van Kyoto en de multilaterale milieu-overeenkomsten te zorgen; roept tot dringende hervorming van de Wereldhandelsorganisatie op zodat er onderscheid tussen producten volgens hun productie- en verwerkingsmethoden gemaakt kan worden, en tot invoering van nieuwe vormen van flexibiliteit met gebruikmaking van dwanglicenties volgens de Trips-overeenkomst;

9.  wijst er onder verwijzing naar de preambule van de overeenkomst op de Wereldhandelsorganisatie en GATT-artikel XX letters b, d en g op, dat internationale handel niet tot overontginning van natuurlijke rijkdommen mag leiden en roept de Europese Commissie en de lidstaten op om onder toezicht van de Wereldhandelsorganisatie het beginsel van collectieve preferentie beter toe te passen, vooral voor duurzame, klimaatvriendelijke en ethisch verantwoorde producten;

10. roept de Europese Commissie en de leden van de Wereldhandelsorganisatie op om een verklaring van de Wereldhandelsorganisatie na te streven die de betekenis en gevolgen van de klimaatverandering erkent, en haar ertoe aan te zetten om voor regels te zorgen die de wereldwijde inspanningen om de klimaatverandering te bestrijden, af te zwakken en er zich bij aan te passen, niet ontmoedigen maar juist stimuleren;

11. betreurt dat de Wereldhandelsorganisatie nog altijd een manier moet vinden om haar verdrag in het systeem van VN-instellingen en regels voor milieubescherming, met inbegrip van de klimaatverandering, en sociale rechtvaardigheid en eerbiediging van alle mensenrechten te integreren; stelt met nadruk dat de verplichtingen en doelstellingen van de multilaterale milieu-overeenkomsten, zoals het kaderverdrag van de Verenigde Naties over de klimaatverandering, en andere VN-instellingen (FAO, IAO, IMO) voorrang op beperkende interpretatie van handelsregels moeten krijgen;

12. vraagt de Europese Commissie, aangezien er sinds het ministerieel besluit van de Wereldhandelsorganisatie over handel en milieu van 15 april 1994 in Marrakesj meer dan vijftien jaar verstreken zijn, om het Europees Parlement en de Raad uiterlijk tegen midden 2011 een verslag voor te leggen dat nagaat in hoever de commissie handel en milieu van de Wereldhandelsorganisatie haar taak zoals in het besluit omschreven, volbracht heeft, en dat haar conclusies voorlegt voor wat er verder nog te doen blijft, vooral met het oog op de wereldwijde dialoog over het opvangen van de klimaatverandering en de aanpassing aan haar gevolgen, en de Wereldhandelsorganisatie;

13. roept de Commissie en de lidstaten op, naar aanleiding van de WTO-onderhandelingen en bilaterale handelsovereenkomsten, om te eisen dat de liberalisering van de handel, vooral in natuurlijke grondstoffen, het duurzaam beheer van de rijkdommen niet in gevaar brengt en dat doelstellingen voor bescherming van het klimaat en de soortenrijkdom integraal bestanddeel van de overeenkomsten worden; vraagt de Europese Commissie dan ook om er op aan te dringen dat er vóór de conferentie over het raamverdrag van de Verenigde Naties over klimaatverandering (UNFCCC) in 2011 in Johannesburg, een gezamenlijke bijeenkomst van de ministers voor handel en milieu van de Wereldhandelsorganisatie plaatsvindt; herinnert eraan dat de UNFCCC het forum is waar een internationaal akkoord over de aanpak van de klimaatverandering tot stand moet komen;

14. acht het meer dan ooit geboden om een openbaar debat over de oprichting van een Wereldmilieuorganisatie op gang te brengen;

Bredere positieve interactie tussen handelsverkeer en klimaatbescherming

15. erkent de positieve rol die het handelsverkeer in de verspreiding van klimaatvriendelijke goederen en diensten kan spelen; meent dat bescherming van het klimaat en liberalisering van de handel elkaar wederzijds kunnen ondersteunen door de handel in milieuvriendelijke goederen en diensten te vereenvoudigen, maar dat er vooraf in samenwerking met de lidstaten van de Wereldhandelsorganisatie een lijst van die goederen en diensten opgesteld moet worden die aan strikte milieucriteria beantwoordt;

16. erkent dat handel een belangrijk hulpmiddel voor overdracht van technologie aan ontwikkelingslanden is; benadrukt dat de hindernissen voor “groene handel” geslecht moeten worden, bij voorbeeld door op het niveau van de Wereldhandelsorganisatie de douanerechten op “groene goederen” op te heffen;

17. hoopt dat de Europese Unie het goede voorbeeld geeft en hindernissen als douanerechten en belastingen op de handel in "groene" technologie en milieu- en klimaatvriendelijke producten opheft en milieuvriendelijke goederen en -diensten (EGS) bevoordeelt, onder meer met het actieplan van Bali en het Groen Klimaatfonds van Kopenhagen;

18. wijst met nadruk op het belang van innovatie in de groene technologie en erkent de rol die handelsuitwisselingen in de overdracht van de bewuste technologie tussen de verschillende landen kunnen spelen;

19. vraagt de Europese Unie om het initiatief te nemen om de voornaamste hinderpalen voor de verspreiding van technologieën te inventariseren waarmee de ontwikkelingslanden de klimaatverandering kunnen bestrijden;

20. erkent dat vernieuwing aanmoedigen verschillende beloningsregelingen kan veronderstellen, die niet allemaal op dezelfde manier bevorderlijk voor de overdracht van technologie zijn; vraagt zich meer in het bijzonder af welke weerslag intellectuele eigendomsrechten op de verspreiding van toekomstgerichte technologie hebben, zoals agrobrandstoffen, batterijen of waterstofcellen van de tweede generatie; merkt ook op dat overdracht van technologie aanleiding tot vragen bij de intellectuele eigendomsrechten en de bescherming die ze bieden, geeft, door de zwakheid van sommige politieke instellingen en de eventuele afwezigheid van rechtsnormen, en vraagt de Europese Commissie daarom om alle stimulerende innovatieregelingen te bestuderen, het risico van uitsluiting van bepaalde landen onder ogen te zien, en de resultaten van haar studiewerk in haar diplomatieke activiteiten voor het klimaat aan te wenden;

21. maakt zich ongerust over de verstorende uitwerking van subsidies voor energie uit fossiele brandstof op het handelsverkeer in de wereld, hun invloed op het klimaat en hun kosten voor de openbare financiën, en verheugt zich over de toezegging van de G20 om de subsidies geleidelijk aan af te schaffen;

22. wenst dat de Europese Unie een internationale leidersrol in de aangelegenheid op zich neemt en vraagt de Commissie om spoedig een tijdschema voor de afschaffing van de bewuste subsidies in de Europese Unie voor te stellen, met dien verstande dat een ontwikkeling in die zin van sociale en industriële begeleidingsmaatregelen vergezeld moet gaan; herhaalt ook zijn vraag aan de Europese Commissie en de lidstaten om te verhinderen dat uitvoerkredietdiensten en de Europese Investeringsbank leningen voor projecten toestaan die een negatieve weerslag op het klimaat hebben;

23. spreekt zich tegen subsidiëring van fossiele brandstoffen uit en dringt aan op krachtiger steunverlening voor milieuvriendelijke, hernieuwbare energievormen en onderzoek en ontwikkeling van decentrale energiebronnen, vooral in ontwikkelingslanden; wijst daarbij op het akkoord van de G20 om subsidies voor fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen en vraagt de Europese Commissie om voorstellen voor een Europese uitvoeringstrategie in te dienen, met duidelijke tijdschema's en zo nodig compenserende regelingen;

Rechtvaardiger prijsvorming in de internationale handel en voorkoming van koolstoflekken

24. merkt op dat liberalisering van het handelsverkeer tegen klimaatbescherming in kan gaan als bepaalde landen van hun onwerkzaamheid voor het klimaat een concurrentievoordeel maken; stelt daarom herziening van de anti-dumpingregels van de Wereldhandelsorganisatie voor, zodat ze ook eerlijke milieuvriendelijke prijsvorming volgens de wereldwijde regels voor de bescherming van het klimaat inhouden;

25. betreurt dat bepaalde landen, door de energieprijzen te subsidiëren en geen beperkingen of quota's voor de uitstoot van CO2 vast te leggen, een relatief voordeel kunnen behalen - de onbeperkte en in vergelijking dus goedkope CO2-uitstoot maakt dat ze niet gestimuleerd worden om zich bij de multilaterale overeenkomsten op de klimaatverandering aan te sluiten;

26. stipt toch ook aan dat de klimaatonderhandelingen van het principe van gemeenschappelijke maar onderscheiden verantwoordelijkheid uitgaan, en dat het zwak klimaatbeleid van de ontwikkelingslanden over het algemeen door hun geringere financiële of technische mogelijkheden te verklaren is, en niet door een streven naar milieudumping;

27. wenst daarom dat het Europees debat over de industriële koolstoflekken in de Europese regeling voor de verhandeling van emissiequota's, en de middelen om er tegen in te gaan, met omzichtigheid plaatsvindt;

28. herinnert eraan dat er namelijk volgens de laatste mededeling van 26 mei 2010 van de Commissie over de kwestie (COM(2010)0265) maar weinig industrietakken een betekenisvolle gevoeligheid voor koolstoflekken te zien geven en gaat ervan uit dat er zorgvuldige analyses per industrietak nodig zijn om ze aan te wijzen; vraagt de Europese Commissie om zich in de toekomst van die benadering te bedienen in plaats van een klein aantal kwantitatieve criteria die voor alle industrietakken dezelfde zijn;

29. onderlijnt dat er geen eenheidsoplossing voor de industrietakken bestaat die aan koolstoflekken onderhevig zijn, en dat de aard van het product of de structuur van de markt essentiële gegevens zijn om een keuze uit de beschikbare werkwijzen te maken (toewijzing van gratis quota’s, staatssteun of correcties aan de grenzen);

30. betreurt de massale toewijzing van gratis quota’s, terwijl uit meerdere recente studies blijkt dat ze bepaalde ondernemingen aanzienlijke onrechtmatige voordelen kunnen opleveren en de begunstigde ondernemingen niet verhinderen om hun productie geheel of gedeeltelijk te verplaatsen; eist dat toegewezen quota’s in geval van gedeeltelijke of volledige bedrijfsverplaatsing onmiddellijk ingeleverd, en voor een bepaald aandeel in een fonds voor sociaal en milieuvriendelijk herstel van verlaten bedrijfszones gestort worden;

31. meent dat een multilateraal akkoord over het klimaat de beste werkwijze is om de negatieve externe milieueffecten van CO2 in de kosten op te nemen, maar in de nabije toekomst waarschijnlijk niet haalbaar is; denkt dan ook dat de Europese Unie voor de industrietakken die werkelijk aan koolstoflekken onderhevig zijn, de mogelijkheden moet blijven onderzoeken om bruikbare milieubeleidsmiddelen in te voeren naast de verhandeling van CO2-quota's volgens de overeenkomstige regeling van de Gemeenschap, meer in het bijzonder een mechanisme voor de inachtneming van koolstofkosten, dat met de regels van de Wereldhandelsorganisatie te verenigen is en waarmee de gevaren van overdracht van CO2-emissies aan derde landen bestreden kunnen worden;

32. erkent dat de WTO-regels niet onverenigbaar met fiscale grensmaatregelen zijn die het effect van binnenlands beleid neutraliseren dat de kosten van externe milieufactoren in de prijs van producten doorberekent, zolang de correcties niet discriminerend van aard zijn;

33. stelt onomwonden dat fiscale correcties aan de grens niet als protectionistisch instrument gebruikt mogen worden, maar om emissies te verminderen; meent dat de Europese Unie een deel van de mogelijke inkomsten moet vastleggen om aan haar financiële verplichtingen volgens de UNFCCC te voldoen;

34. meent dat individuele beleidsvormen die - in de bewoordingen van het besluit van 15 december 1993 over handel en milieu van de WTO-commissie onderhandelingen over handelsaangelegenheden - "de relatie tussen handels- en milieumaatregelen (raken), en gericht (zijn) op de bevordering van duurzame ontwikkeling" (zoals fiscale correcties aan de grens en "anti-ecodumpingsrechten"), volgens de huidige stand van de WTO-jurisprudentie waarschijnlijk alleen met de WTO-regels verenigbaar zullen blijken als ze in een juridisch bindend wereldwijd akkoord onder toezicht van de UNFCCC tot stand komen, en dringt er dan ook bij de Commissie op aan om het Europees Parlement en de Raad nog vóór de klimaatconferentie COP 17 in Zuid-Afrika een mededeling voor te leggen, hoe een dergelijk systeem in enige post-Kyoto-overeenkomst opgenomen kan worden;

Betere differentiëring van producten volgens hun uitwerking op het klimaat

35. wijst erop dat bescherming van het klimaat met verschillende vormen van overheidsbeleid te maken heeft – etiketteringsregels voor koolstofafdruk, strikte milieuvriendelijke criteria voor openbare aanbestedingen, regelgeving, subsidies, belastingen, quota's - die een onderscheid tussen de producten maken naargelang van hun productie- en verwerkingsmethoden, en dat het geboden kan zijn om die beleidsvormen op zowel Europese als invoerproducten toe te passen;

36. meent dat de Europese Unie als grootste handelsblok ter wereld wereldomvattende normen kan vastleggen en steunt de ontwikkeling en ruimere verspreiding van certificatie- en etiketteringssystemen die van sociale en milieucriteria uitgaan; vestigt de aandacht op het succesvol werk van internationale ngo’s om dergelijke etiketten en certificaten te ontwerpen en aan te bevelen, en spreekt zich uitdrukkelijk voor hun ruimer gebruik uit;

37. wijst erop dat het volgens de Wereldhandelsorganisatie mogelijk is om beperkende handelsmaatregelen te nemen als ze noodzakelijk, evenredig en niet discriminerend tegenover landen met dezelfde productievoorwaarden zijn; stelt wel vast dat er dringende verduidelijking nodig is om dergelijke maatregelen volgens klimaatcriteria te kunnen aanwenden die van de productie- en verwerkingsmethoden van de bewuste producten uitgaan;

38. vraagt de Europese Commissie om stappen aan te wenden om bij de Wereldhandelsorganisatie de besprekingen over productie- en verwerkingsmethoden, en de mogelijkheden om tussen gelijkaardige producten te onderscheiden naargelang van hun koolstof- of energieafdruk of volgens technische normen, weer op gang te brengen; meent dat een dergelijk initiatief voor de lidstaten van de Wereldhandelsorganisatie aanvaardbaar te maken is als het van maatregelen vergezeld gaat om de overdracht van technologie te vergemakkelijken;

39. hoopt wel dat het huidig gebrek aan duidelijkheid over productie- en verwerkingsmethoden bij de Wereldhandelsorganisatie de Europese Unie niet in de verleiding brengt om niets te ondernemen, aangezien ze juist van de toestand gebruik moet maken om manoeuvreerruimte te scheppen; vraagt de Europese Commissie daarom om in onderhandelingen over handelsaangelegenheden en bi- en multilaterale handelsovereenkomsten voor producten die een weerslag op het klimaat hebben, systematisch van duurzaamheidsetiketten of –criteria gebruik te maken;

40. beklemtoont dat er op toegezien moet worden dat negatieve milieugevolgen van handel in de prijzen tot uiting komen en dat het beginsel dat 'de vervuiler betaalt' toepassing vindt; dringt erop aan dat de etiketterings- en informatiesystemen voor milieunormen op elkaar afgestemd worden;

41. verheugt zich daarom over de invoering van duurzaamheidscriteria voor ingevoerde en Europese agrobrandstof door de Europese Unie en vraagt de Europese Commissie om de werkwijze tot biomassa en landbouwproducten uit te breiden; vraagt om indirecte veranderingen in het bodemgebruik die met agrobrandstof te maken hebben, in aanmerking te nemen en verwacht van de Europese Commissie dat ze voor het einde van dit jaar een voorstel in die zin indient, volgens haar eerdere toezegging aan het Europees Parlement;

42. pleit voor invoering van concrete en bindende duurzaamheidscriteria en –normen voor de productie van biobrandstoffen en biomassa, die het vrijkomen van gassen die het klimaat beïnvloeden, en fijnstof door onrechtstreekse wijziging van bodemgebruik en de hele productiecyclus in aanmerking nemen; benadrukt dat het veilig stellen van de voedselvoorziening voorrang op de productie van biobrandstof heeft en dat duurzaam bodemgebruik in beleid en praktijk dringend met een algemenere zienswijze te behandelen is;

43. acht het essentieel dat er strikte duurzaamheidnormen voor de internationale handel in biobrandstoffen vastgelegd worden, met inachtneming van hun sociale en milieugevolgen die onderling strijdig zijn;

44. verheugt zich over het Europees akkoord over illegale houtproductie dat tot stand gekomen is, en ziet nu vorderingen in de vrijwillige partnerschapsovereenkomsten tegemoet;

Liberalisering van het handelsverkeer geen reden om veeleisend klimaatbeleid in vraag te stellen

45. maakt zich ongerust over de wens van de Commissie om in de handelsovereenkomsten de liberalisering van de handel in hout door te drukken, vooral de afschaffing van uitvoerbeperkingen, ondanks het toegenomen ontbossingsgevaar en de negatieve terugslag op klimaat, biologische verscheidenheid, ontwikkeling en het welzijn van de plaatselijke bevolkingsgroepen;

46. onderstreept vooral dat de doelstellingen voor klimaat en biodiversiteit en in de handelsvoorwaarden, in onderlinge overeenstemming moeten zijn, om zeker te zijn dat bij voorbeeld maatregelen om ontbossing tegen te gaan ook werkelijk effect hebben;

47. meent dat nieuwe internationale klimaatbeschermingsovereenkomsten harde garanties moeten bevatten om de negatieve gevolgen van de internationale houthandel voor het milieu te beperken en de ontbossing, die zeer zorgwekkende afmetingen aanneemt, tot staan te brengen;

48. stelt met nadruk dat de liberalisering van de handel in landbouwproducten veel ontwikkelingslanden ertoe aangezet heeft om landbouwmodellen in te voeren die van monocultuur en uitvoer uitgaan, zeer gevoelig voor klimaatveranderingen zijn en op ontbossing op grote schaal kunnen uitlopen; maakt zich ongerust over de weerslag van sommige Europese landbouwsubsidies op de mogelijkheden van andere landen om hun voedselvoorziening te beveiligen, vooral tegen de achtergrond van de klimaatverandering; vraagt de Europese Commissie om geen enkele handelsovereenkomst af te sluiten die aanleiding tot sterkere ontbossing kan geven en erop toe te zien dat de handelsovereenkomsten en Europese overheidsteun voor de landbouw niet de vooruitzichten van vormen van landbouwbeleid in het gedrang brengen die de strijd met de klimaatverandering aanbinden om zelfstandige voedselvoorziening te verwezenlijken;

49. stelt met bezorgdheid vast dat de economische mondialisering in veel gevallen tot een landbouwmodel geleid heeft dat op monocultuur van exportgewassen berust en in een groot aantal ontwikkelingslanden niet-duurzame landbouwmethoden in de hand werkt; meent dat de handelsregelingen wel degelijk aan de behoeften van de kleine boeren en plattelandsgemeenschappen moeten beantwoorden, vooral in de derde wereld, en stimulansen voor natuurlijke landbouw moeten bieden, die minder koolstofintensief is en de klimaatverandering dus helpt temperen; vraagt om kwaliteitsnormen voor het handelsverkeer op nationaal en internationaal vlak in te voeren, en dat de regeringen de mogelijkheid krijgen om de toegang tot de markten met die normen te verbinden, bij voorbeeld door preferentiële toegang voor producten te geven die aan bepaalde duurzaamheidsnormen voldoen;

50. tekent verzet tegen bepalingen in handels- en investeringsovereenkomsten aan die investeerders de mogelijkheid geven om zich tegen een land te keren dat zijn klimaatbeleid verstrengt; meent dat men zich enkel op de regels op het beslechten van geschillen tussen een investeerder en een staat mag beroepen als er een specifieke wettelijk raamwerk voorhanden is dat het betreffende land in de mogelijkheid stelt om milieubeschermingsmaatregelen te nemen die met de overeenkomstige wereldwijde doelstellingen in overeenstemming zijn;

51. vraagt de Commissie om zich niet stelselmatig tegen de bepalingen te verzetten die de plaatselijke vormen van klimaatbeleid van haar partners omlijnen, zoals de wet op groene energie van Ontario; meent dat dergelijke bepalingen juist de waarborg bieden dat de beleidsvoering door de burgers en ondernemingen aanvaard wordt, en denkt verder dat ze in afwachting van opname van de klimaatkosten in de prijs van het internationaal transport, juist zoals de exacte beschrijving van de transportvoorwaarden, hulpmiddelen vertegenwoordigen die misschien niet volmaakt maar toch wel bruikbaar zijn om het verbruik van goederen te stimuleren die ter plaatse geproduceerd worden;

Volledige opname van vervoer in de problematiek van handel en klimaat

52. betreurt dat het huidig handelsstelsel een verdeling van arbeid en productie over de wereld oplevert die een zeer hoge inbreng aan vervoer veronderstelt, dat zijn eigen milieukosten niet te dragen heeft; wenst dat de klimaatkosten van internationaal vervoer in zijn prijs opgenomen worden, ofwel door middel van belastingen of met handelsregelingen die gebruik maken van quota’s en vergoedingen aanrekenen; stelt met genoegen vast dat de luchtvaart binnenkort in de regeling emissiehandel van de Europese Unie opgenomen wordt en verwacht van de Europese Commissie tegen 2011 een gelijkaardig initiatief voor de scheepvaart, dat in 2013 in werking zou treden, als het niet mogelijk blijkt om tegen die tijd een wereldwijde regeling in te voeren; betreurt dat er geen belastingen op brandstofverbruik in internationaal goederenvervoer geheven worden en spreekt zich voor belasting van de betreffende brandstof en producten uit, vooral op producten die per vliegtuig vervoerd worden; verwacht van de Europese Commissie ook een initiatief om steunmaatregelen voor de meer vervuilende vormen van vervoer in vraag te stellen, zoals de vrijstelling van belasting voor kerosine;

53. stelt vast dat CO2-emissies in de internationale handel sterk teruggedrongen kunnen worden, bij voorbeeld door de vervoermiddelen volgens doeltreffendheids- en milieucriteria te kiezen; vraagt om de transport- en milieukosten die ontstaan, in de prijs van het produkt aan te rekenen ("internalisering van externe kosten"), vooral door de scheepvaart, die 90 % van het vervoer in het internationaal handelsverkeer vertegenwoordigt, in de Europese regeling emissiehandel op te nemen;

54. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om alles in het werk te stellen om bij de Internationale Maritieme Organisatie een juridisch bindend akkoord tot vermindering van de uitstoot van de scheepvaart te bereiken;

55. acht het belangrijk dat internationale verbintenissen tot minder emissie van broeikasgassen ook voor internationaal luchtvervoer en de scheepvaart gelden;

56. onderstreept dat de hogere CO2-uitstoot van vervoer en internationale handel de doeltreffendheid van de klimaatveranderingsstrategie van de Europese Unie ondermijnt; beschouwt dat als een sterk argument om in de ontwikkelingslanden van een exportgeleide ontwikkelingstrategie naar zelfstandige binnenlandse ontwikkeling op basis van gediversifieerde en plaatselijke productie en verbruik over te gaan, en herinnert eraan dat een dergelijke strategie een gunstige uitwerking op de werkgelegenheid zou hebben, zowel in de Europese Unie als in de ontwikkelingslanden;

57. betreurt dat de internationale handel voor een groot deel gelijksoortige producten betreft die even gemakkelijk ter plaatse geproduceerd kunnen worden, en dat het benodigd vervoer zijn eigen milieukosten niet te dragen krijgt;

58. meent, zolang als klimaatkosten niet in de vervoerkosten doorberekend worden, dat duurzame plaatselijke productie aanmoediging verdient, vooral door betere informatie van de verbruiker; vraagt om kwantificeringsmethoden en gemeenschappelijke etiketteringsregels voor de emissie van broeikasgassen van verschillende producten op te stellen, vooral in het stadium van vervoer;

Betere hulpmiddelen voor onderlinge afstemming van handels- en klimaatoverwegingen

59. vraagt – om de samenhang tussen handels- en klimaatbeleid van de Europese Unie te verzekeren – dat er voor elke vorm van handelsbeleid een koolstofbalans opgemaakt wordt, dat het beleid eventueel gewijzigd wordt om de balans te verbeteren, en dat er verplichte compenserende maatregelen getroffen worden – in de vorm van politieke, technische en financiële samenwerking – in geval van balans die voor het klimaat negatief uitvalt;

60. vraagt de Europese Unie met aandrang om de uitvoerige milieubepalingen in bilaterale en regionale handelsakkoorden als hefboom voor de ontwikkeling in te zetten, en dus te benadrukken dat de milieubepalingen en samenwerkingsmechanismen om overdracht van technologie, technische bijstand en capaciteitsopbouw te stimuleren, nauwlettend uitgevoerd moeten worden;

61. vraagt de Commissie om handelsovereenkomsten met derde landen stelselmatig van milieubepalingen te voorzien, vooral om de CO2-uitstoot te verminderen en voor overdracht van technologie met lage emissiewaarden te zorgen;

62. neemt met voldoening kennis van het feit dat klimaatverandering nu een aspect van de effectbeoordeling op duurzaamheid (SIA) van handelsovereenkomsten is maar stelt vast dat in sommige gevallen, zoals het Euro-Mediterraan vrijhandelsakkoord, uit de bewuste effectbeoordeling blijkt dat het akkoord negatieve klimaateffecten zal hebben die vóór de afsluiting niet ter sprake gekomen zijn; meent dat handelsovereenkomsten de multilaterale milieu-overeenkomsten op geen enkele manier mogen doorkruisen;

63. vraagt dat de balans en compenserende maatregelen in een klimaathoofdstuk ondergebracht worden dat voor elke handelsovereenkomst verplicht is (vrijhandelsakkoorden, economische partnerschapsovereenkomsten, hervorming van het algemeen preferentiestelsel), dat het hoofdstuk in kwestie onderwerp van openbare raadpleging vormt en het Europees Parlement voorgelegd wordt;

64. vindt dat er bij de herziening van het algemeen preferentiestelsel milieucriteria ingevoerd moeten worden;

65. wenst dat het klimaathoofdstuk aanleiding tot stevige samenwerking tussen de directoraten-generaal Klimaatbeleid en Internationale handel geeft, en meer in het algemeen dat het DG Klimaatbeleid systematisch bij onderhandelingen over handelsaangelegenheden betrokken wordt;

66. vindt dat de Europese Commissie in haar onderhandelingstrategieën voor handel en milieubeleid een geharmoniseerd raamwerk moet hanteren, zodat ze haar partners geen aanleiding tot bezorgdheid over handelsbelemmeringen geeft en zich tegelijk aan haar dwingende doelstellingen in de strijd tegen de klimaatverandering kan houden;

67. vindt dat de ‘klimaatdiplomatie' in de handelsbetrekkingen van de Europese Unie met landen die niet door multilaterale milieubeschermingsovereenkomsten gebonden zijn, vastberadener en rechtlijniger optreden verdient;

Samenhang van handel en klimaat bij de Europese Unie uit het oogpunt van de ontwikkelingslanden

68. geeft toe dat de pogingen tot onderlinge afstemming van Europees handels- en klimaatbeleid door partnerlanden als methoden aangewend of gezien kunnen worden om langs een omweg onze invoer te beperken en onze uitvoer uit te breiden;

69. beklemtoont daarom dat het van belang is om met de landen in kwestie elke maatregel te bespreken die de Europese Unie zou kunnen treffen, vooral correcties aan de grenzen, en te zorgen dat de Europese Unie haar toezeggingen aan de ontwikkelingslanden voor klimaatsteun gestand doet;

70. maakt zich dan ook ongerust dat de "voorbarige" financieringen die de Europese landen op de klimaattop van Kopenhagen toegezegd hebben, voor een deel uit toezeggingen voor openbare ontwikkelingshulp voortkomen en in de vorm van leningen gegeven worden, in tegenstelling met de uitdrukkelijke wensen van het Europees Parlement; vraagt de Europese Commissie om een verslag over die financieringen op te stellen om na te gaan of de werkelijkheid met de aangegane verbintenissen en de wensen van het Europees Parlement overeenstemt; dringt ook op betere thematische en geografische coördinatie van de financieringen aan;

71. brengt de toezegging van de industrielanden in herinnering, o.a. ook de lidstaten van de Europese Unie, om over vernieuwende financieringen na te denken - meer in het bijzonder belasting van financiële verrichtingen - om de strijd met de klimaatveranderingen aan te binden; vraagt de Europese Commissie om spoedig voorstellen bij de Raad en het Europees Parlement in te dienen om die vorm van belasting op het niveau van de Europese Unie in te voeren, en om de vooruitzichten op de bewuste werkwijze bij de onderhandelingen over de liberalisering van de financiële dienstverlening in aanmerking te nemen;

72. is ervan overtuigd dat de strijd tegen de klimaatverandering op het beginsel van solidariteit tussen de geïndustrialiseerde en de ontwikkelingslanden moet berusten en dat er wellicht nauwere samenwerking tussen de Verenigde Naties, de Wereldhandelsorganisatie en de overige instellingen van Bretton Woods voor nodig is; doet dan ook een oproep om samen met de ontwikkelingslanden, de opkomende en geïndustrialiseerde landen een algemene strategie voor de emissiehandel en de belasting van energie en broeikasgassen uit te werken, van de ene kant om vertrek van ondernemingen op grote schaal te voorkomen (koolstoflekken), en van de andere kant om middelen te vinden om maatregelen tot bestrijding en mindering van de klimaatverandering en voor aanpassing aan haar gevolgen te financieren;

73. beklemtoont dat meer overdracht van technologie aan de ontwikkelingslanden als middel om koolstoflekken tegen te gaan, een essentieel onderdeel van een klimaatregeling voor de periode na 2012 vormt, en betreurt dat overdracht van technologie maar een klein deel van de openbare ontwikkelingshulp vertegenwoordigt; dringt er bij de lidstaten op aan om de ontwikkelingslanden meer technische en financiële bijstand te verlenen om de gevolgen van de klimaatverandering het hoofd te bieden, zich aan klimaatgebonden normen te kunnen houden, en de weerslag van normen, etiketteringsvoorschriften en certificaties op voorhand te overzien;

74. verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad en de Commissie, de nationale parlementen, en de eerstaanwezende secretaris van het raamverdrag van de Verenigde Naties over de klimaatverandering (UNFCCC) en de 17de Conferentie van verdragspartijen (COP 17).

(1)

Changements Climatiques 2007: Rapport de Synthèse, opgesteld o.l.v. Rajendra K. Pachauri en Andy Reisinger, Genève 2007, http://www.ipcc.ch/pdf/assessment-report/ar4/syr/ar4_syr_fr.pdf; en de rapporten van de werkgroepen: Les éléments scientifiques, bijdrage van werkgroep I, opgesteld o.l.v. S. Solomon, D. Qin, M. Manning, Z. Chen, M. Marquis, K. Averyt, M. Tignor en H.L. Miller jr.; Conséquences, adaptation et vulnérabilité, bijdrage van werkgroep II, opgesteld o.l.v. M. Parry, O. Canziani, J. Palutikof, P. van der Linden en C. Hanson; Atténuation du Changement Climatique, bijdrage van werkgroep III, opgesteld o.l.v. B. Metz, O. Davidson, P. Bosch, R. Dave en L. Meyer.

(2)

Aangenomen teksten van die datum, P7_TA (2010)0019.

(3)

PB C 297 E van 20.11.2008, blz. 32.

(4)

PB C 160 van 19.6.2010, blz. 1 en 8.

(5)

Susanne Droege en Simone Cooper: Tackling Leakage in a World of Unequal Carbon Prices - A study for the Greens/EFA Group, http://www.climatestrategies.org/our-reports/category/32/257.html.

(6)

Sander de Bruyn, Agnieszka Markowska en Marc Davidson: Why the EU could and should adopt higher greenhouse gas reduction targets - A literature review, Delft 2010, http://www.stopclimatechange.net/fileadmin/bali/user_upload/docs/7213_finalreportSdB.pdf.

(7)

Anna Pearson: The Carbon Rich List: The companies profiting from the EU Emissions Trading SchemeCompany analysis of the EU Emissions Trading Scheme compiled in association with carbonmarketdata.com, februari 2010, http://www.climnet.org/index.php?option=com_docman&task=doc_download&Itemid=55&gid=1551.

(8)

http://www.agassessment.org/.

(9)

International Centre for Settlement of Investment Disputes, ICSID-zaak nr. ARB/09/6.

(10)

Ministerie van Energie van Ontario: Green Energy Act, http://www.mei.gov.on.ca/en/energy/gea/.


TOELICHTING

De VN-topconferentie van Kopenhagen over het klimaat is op een ontgoochelende overeenkomst uitgelopen, die de opwarming van de planeet niet tot minder dan 2° C zal kunnen beperken. De overeenkomst van Kopenhagen heeft bovendien noch wereldwijde geldigheid noch een dwingend karakter. Het is niet in eerste instantie de EU die voor de mislukking verantwoordelijk is – ver van daar. Maar haar gebrek aan eenheid, haar onvermogen om met één enkele stem te spreken en doelstellingen voor beperking van de uitstoot en steunverlening aan de ontwikkelingslanden te verdedigen, die aan de aanbevelingen van de wetenschap en de vragen van het Europees Parlement beantwoorden, hebben haar dikwijls onzichtbaar en ondoeltreffend gemaakt.

Wat is de oorzaak van al de moeilijkheden? Eén enkel antwoord is er zeker niet. Maar een aanzienlijk deel van het probleem is zeker aan het feit toe te schrijven dat veel landen nog niet op grote schaal aan het experimenteren geweest zijn en aan de economische, sociale of democratische voordelen van omvorming van hun economie in groene richting blijven twijfelen, ondanks het groeiend aantal studies en geslaagde proefnemingen in de overgang naar duurzamer energiegebruik, landbouw en vervoer.

De Europese Unie staat momenteel voor de verleiding om niets te doen en een afwachtende houding aan te nemen. Een aantal industrietakken wijzen met sterke ruggensteun van overheidswege op de mogelijk ingrijpende gevolgen van een veeleisend klimaatbeleid. Ook al ontkrachten de officiële studies de gedachte aan zo'n wereldwijd gevaar en wijzen ze op de beschermende hulpmiddelen tegen koolstoflekken die voorhanden zijn, dan nog zou een klimaatbeleid niet met het streven in overeenstemming te brengen zijn om uit de economische en sociale crisis te geraken. Dat is een ernstige vergissing, die China en de Verenigde Staten niet begaan, wat aantoont hoe groot het deel van hun herstelplannen is dat aan groene economie gewijd is. Door voor zich de leidersplaats in de strijd tegen de klimaatverandering op te eisen, zou de Europese Unie het concurrentievermogen van haar economie verbeteren met energiebesparingen en vernieuwbare energie, twee methoden om de energievoorziening beter te beveiligen, die aanzienlijke mogelijkheden voor industriële ontwikkeling, vernieuwing, ruimtelijke ordening en nieuwe werkgelegenheid in zich dragen.

Maar om die rol op zich te nemen en voordeel uit een betere concurrentiepositie te halen moet de EU haar handelsbeleid verder ontwikkelen – in bilateraal, regionaal of multilateraal opzicht. De handel in goederen en diensten vertegenwoordigt namelijk ongeveer 20% van de uitstoot aan broeikasgassen in de wereld, en wat daarvan op rekening van het verbruik komt, ligt in Groot-Brittannië 34% hoger als wat aan de productie toe te schrijven is, in Frankrijk 44%, en in Zweden 60%. De EU moet zich zeer beslist met die "verhandelde" uitstoot gaan bezighouden, anders dreigt ze elke vorm van internationale geloofwaardigheid te verliezen: Europa, dat van de ene kant de strijd tegen ontbossing van financiële middelen voorziet, en van de andere kant tot ontbossing aanzet door de producten van de bosbouw en niet duurzame agrobrandstoffen in te voeren, kan zich niet als leider in de strijd tegen klimaatverandering opwerpen. En als het daarnaast zijn uitstoot naar het buitenland verschuift in plaats van zijn productiemethoden en verbruiksgewoonten te veranderen, mist het de economische, industriële of sociale voordelen die het daarmee zou kunnen rapen.

De EU moet er dus voor zorgen dat haar handelsbeleid in de richting van onderscheid tussen de producten volgens hun invloed op het klimaat opschuift, en daarmee de noodzakelijke omkeerbewegingen in productiemethoden en verbruiksgewoonten, en investeringstrategieën aanmoedigen. Ze moet de problematiek van de koolstoflekken te lijf gaan, en meer in het algemeen op de invloed van haar invoer op het klimaat letten. Ze moet niet de vormen van klimaatbeleid van onze handelspartners opnieuw ter discussie stellen om in een kortetermijnvisie de Europese marktaandelen uit te breiden. Ze moet zich met de uitstoot van het internationaal vervoer bezighouden, een beschermingsregeling voor vernieuwing voorstellen die met de beschikbaarheid van klimaatvriendelijke technologie - vooral voor de ontwikkelingslanden - te verenigen is, en de instelling van vernieuwende financieringsmethoden op internationaal niveau verdedigen, zo nodig door ze eerst op EU-niveau in te voeren. Al die werkzaamheden moet ze met en niet tegen haar handelspartners in – vooral de ontwikkelingslanden – op zich nemen.

Het spreekt vanzelf dat er ons zwaar werk te wachten staat. Maar de EU heeft al de eerste stappen in de goede richting gezet: bij de onwettige invoer van hout, agrobrandstof, de uitstoot van de luchtvaart. Het verslag, dat het resultaat van een groot aantal besprekingen met ondernemingen, verenigingen, vakbondsvertegenwoordigers en ook de Commissie is, wil de verdere etappen op de ingeslagen weg aangeven.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (30.9.2010)

aan de Commissie internationale handel

inzake internationaal handelsbeleid in de context van de klimaatveranderingsvereisten

2010/2103(INI).

Rapporteur voor advies(*): Jo Leinen

(*) Procedure met medeverantwoordelijke commissies – Artikel 50 van het Reglement

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.   wijst er onder verwijzing naar de WTO-preambule en de GATT-artikelen XX b), d) en g) op dat internationale handel niet tot uitbuiting van natuurlijke hulpbronnen mag leiden en roept de Commissie en de lidstaten op meer nadruk te verlenen aan het beginsel van collectieve preferentie in het kader van de WTO, ten einde met name tot duurzame, klimaatvriendelijke en vanuit ethisch oogpunt niet schadelijke producten te komen;

2.  roept de Commissie en de WTO-leden op ernaar te streven dat de WTO de betekenis en de gevolgen van de klimaatverandering in een verklaring erkent en zich ervoor inzet dat de WTO-regels de wereldwijde inspanningen ter bestrijding en afzwakking van en aanpassing aan de klimaatverandering niet ondermijnen, maar juist stimuleren;

3.  betreurt het dat de WTO-leden nog steeds geen manier gevonden hebben om dit verdrag in het systeem van VN-instellingen en regels inzake milieubescherming, incl. klimaatverandering, te integreren, net als sociale rechtvaardigheid en eerbiediging van alle mensenrechten; wijst er met klem op dat verplichtingen en doelstellingen in het kader van multilaterale milieuovereenkomsten (MEA's), zoals de VN-kaderovereenkomst over klimaatverandering, en andere VN-instellingen (FAO, IAO, IMO) moeten primeren over de nauwe interpretatie van handelsregels;

4.  dringt er, gezien het feit dat er meer dan vijftien jaar verstreken zijn sinds het ministerieel WTO-besluit over handel en milieu van 15 april 1994, bij de Commissie op aan het Europees Parlement en de Raad uiterlijk medio 2011 een verslag voor te leggen waarin wordt geëvalueerd in hoeverre het WTO-comité voor handel en milieu zijn in dit besluit omschreven taak heeft volbracht en wat zijn conclusies zijn wat betreft toekomstige maatregelen, met name in de context van de wereldwijde dialoog over het opvangen van de gevolgen van en de aanpassing aan klimaatverandering en de WTO;

5.  roept de Commissie en de lidstaten op in het kader van de WTO-onderhandelingen en bij bilaterale handelsovereenkomsten te eisen dat de liberalisering van de handel, met name in het geval van natuurlijke grondstoffen, niet botst met duurzaam beheer van hulpbronnen en dat doelstellingen op het gebied van klimaatbescherming en bescherming van de soortenrijkdom een integrerend bestanddeel van de overeenkomsten worden; roept de Commissie met het oog hierop op in het kader van de WTO aan te dringen op een gezamenlijke ontmoeting van de WTO-ministers van handel en van milieu, die nog vóór de UNFCCC COP in Johannesburg in 2011 zou moeten plaatsvinden; herinnert eraan dat de UNFCCC het forum is waar een internationaal akkoord over de aanpak van klimaatverandering tot stand moet komen;

6.  onderstreept met name dat er gezorgd moet worden voor consistentie tussen doelstellingen op het gebied van klimaat en biodiversiteit enerzijds en handelsvoorwaarden anderzijds, om te waarborgen dat bijvoorbeeld maatregelen om ontbossing tegen te gaan ook werkelijk effect hebben;

7.  is van mening dat de EU als internationaal grootste handelsblok wereldwijd normen kan vaststellen en steunt de ontwikkeling en verspreiding van certificerings- en etiketteringssystemen die rekening houden met sociale en milieucriteria; wijst op het succesvolle werk van internationale ngo's bij de ontwikkeling en stimulering van dergelijke labels en certificaten en spreekt zich nadrukkelijk uit voor een brede toepassing hiervan;

8.  neemt met voldoening kennis van het feit dat klimaatverandering nu als aspect in de duurzaamheidseffectbeoordeling (SIA) van handelsovereenkomsten is opgenomen; stelt evenwel vast dat in sommige gevallen, zoals het Euromediterrane vrijhandelsakkoord, uit de SIA blijkt dat de overeenkomst negatieve klimaateffecten zal hebben die vóór de sluiting ervan niet ter sprake zijn gekomen; is van oordeel dat handelsovereenkomsten multilaterale milieuovereenkomsten (MEA's) in geen geval mogen ondermijnen;

9.  pleit ervoor dat de EU het goede voorbeeld geeft en hindernissen als douanerechten en belastingen voor de handel met "groene" technologie en milieu- en klimaatvriendelijke producten wegneemt en zogeheten milieugoederen en -diensten (EGS) onder meer op basis van het actieplan van Bali en het Green Climate Fund van Kopenhagen bevordert;

10. dringt aan op sluiting van een internationaal bindende overeenkomst over klimaatbescherming en spreekt zijn uitdrukkelijke steun uit aan de doelstelling om de CO2-emissies in de EU tot 2020 met 30% te verminderen, en wel onafhankelijk van internationale onderhandelingen, en aan het doel dat de EU zich op de lange termijn heeft gesteld, namelijk om de emissies van CO2 en andere broeikasgassen tot 2050 met ten minste 85% te verminderen;

11. is ervan overtuigd dat de strijd tegen de klimaatverandering op het beginsel van solidariteit tussen de geïndustrialiseerde en de ontwikkelingslanden moet berusten en wellicht nauwere samenwerking tussen de VN, de WTO en de overige instellingen van Bretton Woods behoeft; dringt er dan ook op aan dat de ontwikkelingslanden, opkomende economieën en geïndustrialiseerde landen tezamen een wereldwijd concept voor emissiehandel en belasting op energie en broeikasgasemissies ontwikkelen, om enerzijds het verplaatsen van ondernemingen te voorkomen (carbon leakage) en anderzijds financiële middelen voor de strijd tegen de klimaatverandering c.q. het opvangen van de gevolgen van en de aanpassing aan de klimaatverandering te genereren;

12. is van mening dat individuele maatregelen die betrekking hebben op - in de bewoordingen van het besluit van de WTO-raad voor handelsonderhandelingen over handel en milieu van 15 december 1993 - "de relatie tussen handelsmaatregelen en milieumaatregelen, en gericht (zijn) op de bevordering van duurzame ontwikkeling"(zoals belastingaanpassingen aan de grens en "anti-ecodumpingsrechten") volgens de huidige stand van de WTO-jurisprudentie alleen verenigbaar zijn met de WTO-regels als zij in het kader van een juridisch bindend wereldwijd akkoord onder auspiciën van de UNFCCC worden genomen, en dringt er dan ook bij de Commissie op aan nog vóór de COP 17 in Zuid-Afrika een mededeling aan het Europees Parlement en de Raad voor te leggen over de wijze waarop een dergelijk systeem in een post-Kyoto-overeenkomst zou kunnen worden geïntegreerd;

13. erkent dat de WTO-regels niet onverenigbaar zijn met fiscale grensmaatregelen die het effect neutraliseren van binnenlands beleid waarbij de kosten van externe milieufactoren in de prijs van producten worden doorberekend, zolang de aanpassingen niet discriminerend van aard zijn;

14. is van mening dat belastingaanpassingen aan de grens niet gebruikt mogen worden als protectionistisch instrument, maar moeten worden ingezet om emissies te verminderen; is van oordeel dat de EU een deel van de potentiële belastingopbrengst zou moeten reserveren voor het nakomen van haar financiële verplichtingen in het kader van de UNFCCC;

15. stelt vast dat CO2-emissies in de internationale handel aanzienlijk kunnen worden teruggedrongen door vervoermiddelen te kiezen op basis van efficiency- en milieucriteria; dringt erop aan de transport- en milieukosten door te berekenen in de prijzen van producten (internalisering van externe kosten), met name door de scheepvaart, die 90% van het vervoer in de internationale handel voor haar rekening neemt, bij het Europese emissiehandelssysteem (ETS) te betrekken;

16. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan alles in het werk te stellen om in het kader van de Internationale Maritieme Organisatie tot een juridisch bindend akkoord over de vermindering van uitstoot van de scheepvaart te komen;

17. spreekt zich uit tegen de subsidiëring van fossiele brandstoffen en dringt aan op krachtigere stimulering van milieuvriendelijke, hernieuwbare energievormen en onderzoek en ontwikkeling van decentrale energiebronnen, met name in ontwikkelingslanden; herinnert in dit verband aan de afspraak van de G20 om subsidie op fossiele brandstoffen geleidelijk af te schaffen en dringt er bij de Commissie op aan voorstellen voor te leggen voor een Europese strategie ter uitvoering hiervan, met duidelijke termijnen en waar nodig compensatiemechanismen;

18. pleit voor krachtigere stimulering van hernieuwbare energievormen en dringt erop aan dat de regeringen van de lidstaten een consequent beleid hanteren en een bindend juridisch kader vaststellen dat op de lange termijn voorziet in goedkeuring van een gefaseerd subsidieprogramma waarmee wordt bijgedragen tot opening van de markten en totstandbrenging van een minimuminfrastructuur, hetgeen van essentieel belang is in tijden van crisis en onzekerheid voor het bedrijfsleven;

19. pleit ervoor om voor de productie van biobrandstoffen en biomassa concrete en bindende duurzaamheidscriteria en –normen te ontwikkelen, die rekening houden met het vrijkomen van klimaatgassen en instoof door onrechtstreekse wijziging van landgebruik (ILUC) en de hele productiecyclus; onderstreept dat de continuïteit van de voedselvoorziening ten behoeve van de bevolking voorrang moet krijgen vóór de productie van biobrandstoffen, en dat er dringend vanuit een meer holistische invalshoek moet worden nagedacht over duurzaam landgebruik in beleid en praktijk.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.9.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

49

2

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

János Áder, Kriton Arsenis, Pilar Ayuso, Paolo Bartolozzi, Sandrine Bélier, Sergio Berlato, Martin Callanan, Chris Davies, Bairbre de Brún, Esther de Lange, Anne Delvaux, Bas Eickhout, Jill Evans, Elisabetta Gardini, Gerben-Jan Gerbrandy, Julie Girling, Nick Griffin, Françoise Grossetête, Satu Hassi, Jolanta Emilia Hibner, Dan Jørgensen, Karin Kadenbach, Christa Klaß, Holger Krahmer, Jo Leinen, Corinne Lepage, Peter Liese, Radvilė Morkūnaitė-Mikulėnienė, Gilles Pargneaux, Antonyia Parvanova, Andres Perello Rodriguez, Sirpa Pietikäinen, Mario Pirillo, Pavel Poc, Frédérique Ries, Oreste Rossi, Daciana Octavia Sârbu, Carl Schlyter, Horst Schnellhardt, Richard Seeber, Theodoros Skylakakis, Bogusław Sonik, Catherine Soullie, Salvatore Tatarella, Anja Weisgerber, Sabine Wils, Marina Yannakoudakis

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Christofer Fjellner, Matthias Groote, Marisa Matias, Judith A. Merkies, Bill Newton Dunn, Kathleen Van Brempt

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Kay Swinburne


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (8.10.2010)

aan de Commissie internationale handel

inzake het internationaal handelsbeleid in het kader van de verplichtingen met betrekking tot klimaatverandering

(2010/2103(INI))

Rapporteur voor advies: Catherine Grèze

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  onderstreept dat de toename van de CO2-uitstoot door vervoer en internationale handel de doeltreffendheid van de klimaatveranderingsstrategie van de EU ondermijnt; is van oordeel dat dit steekhoudende argumenten zijn om over te stappen van een op export gerichte ontwikkelingsstrategie op een endogene ontwikkelingsaanpak gebaseerd op een gediversifieerde en plaatselijke consumptie en productie in ontwikkelingslanden; herinnert eraan dat een dergelijke strategie positieve effecten zou hebben op de werkgelegenheid in zowel de EU, als de ontwikkelingslanden;

2.  betreurt het feit dat het bij internationale handel voor een belangrijk deel om homogene producten gaat die net zo goed ter plekke zouden kunnen worden geproduceerd en dat de milieukosten van het vervoer van deze producten niet in de vervoerstarieven worden doorberekend;

3.  maakt zich zorgen over het feit dat de economische mondialisering in veel gevallen heeft geleid tot een landbouwmodel gebaseerd op een monocultuur van exportgewassen dat niet-duurzame landbouwpraktijken in de hand werkt in een groot aantal ontwikkelingslanden; is van mening dat de handelsstelsels terdege rekening moeten houden met de behoeften van kleine boeren en plattelandsgemeenschappen, in het bijzonder in de ontwikkelingslanden, en tegelijkertijd stimulansen moeten bieden voor biologische landbouw, die minder koolstofintensief is en derhalve bijdraagt aan het verminderen van de klimaatverandering; dringt erop aan op nationaal en internationaal niveau normen voor kwalitatief hoogwaardige handel vast te stellen en regeringen in staat te stellen markttoegang te koppelen aan de naleving van deze normen, bijvoorbeeld door preferentiële markttoegang te bieden aan producten die aan bepaalde duurzaamheidsnormen voldoen;

4.  beklemtoont dat de ontwikkelde landen het voortouw moeten nemen bij het reduceren van CO2-emissies; is van oordeel dat het vaststellen van normen, etikettering en certificering instrumenten zijn met een groot potentieel voor het reduceren van energiegebruik en derhalve het aanpakken van de klimaatverandering; verzoekt de lidstaten de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten (ETS) aan te scherpen middels het vaststellen van een minimumprijs voor koolstof; is van oordeel dat het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) er niet in is geslaagd rekening te houden met de behoeften van de meest kwetsbare landen;

5.  betreurt het feit dat in geen enkele van de bestaande WTO-akkoorden direct naar klimaatverandering, voedselveiligheid en de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling wordt verwezen; betreurt de ontwikkeling van biopiraterij met betrekking tot klimaatbestendige zaden; is van oordeel dat de WTO-regels moeten worden gewijzigd om te zorgen voor coherentie en consistentie met de toezeggingen in het kader van het protocol van Kyoto en de multilaterale milieu-overeenkomsten; dringt met klem aan op een hervorming van de WTO om producten te kunnen herkennen op basis van hun productieprocessen en -methoden (PPM's), en op de invoering van nieuwe vormen van flexibiliteit door middel van het gebruik van 'dwanglicenties' van de TRIPS-overeenkomst;

6.  beklemtoont dat meer technologie-overdracht naar ontwikkelingslanden als middel voor het aanpakken van koolstoflekkage een zeer belangrijk onderdeel van een klimaatregeling voor de periode na 2012 uitmaakt; betreurt dat technologieoverdracht slechts een klein deel van de ontwikkelingssteun uitmaakt; spoort de lidstaten aan meer technische en financiële bijstand aan ontwikkelingslanden te leveren om de gevolgen van de klimaatverandering op te vangen, aan klimaatgerelateerde normen te voldoen en om vantevoren ontwikkelingseffectbeoordelingen te kunnen houden van normen, etikettering en certificering;,

7.  verzoekt de EU het initiatief te nemen bij het in kaart brengen van de belangrijkste hinderpalen voor de verspreiding van technologieën in de ontwikkelingslanden ter bestrijding van de klimaatverandering;

8.  verzoekt de EU met klem de alomvattende milieubepalingen in bilaterale en regionale handelsakkoorden als ontwikkelingsinstrument in te zetten, dat wil zeggen de noodzaak te benadrukken van een goede implementatie van milieuclausules en samenwerkingsmechanismen ter bevordering van technologieoverdracht, technische bijstand en capaciteitsopbouw;

9.  beklemtoont dat er inspanningen moeten worden geleverd om te bewerkstelligen dat negatieve milieugevolgen van handel in prijzen worden doorberekend en dat het beginsel 'de vervuiler betaalt' wordt gehandteerd; dringt aan op synchronisatie van de etiketterings- en informatiesystemen met betrekking tot milieunormen;

10. acht het belangrijk dat internationale toezeggingen betreffende het reduceren van broeikasgasemissies ook betrekking hebben op internationaal luchtvervoer en scheepvaart;

11. verzoekt de Commissie in handelsovereenkomsten met derde landen stelselmatig milieuclausules op te nemen, met name met betrekking tot het reduceren van CO2-emissies en de overdracht van lage-emissietechnologie;

12. is van oordeel dat in nieuwe internationale milieubeschermingsovereenkomsten harde garanties moeten worden opgenomen betreffende het reduceren van de negatieve gevolgen voor het milieu van de internationale houthandel en betreffende het stoppen van de ontbossing, die beide een grote bron van zorg zijn;

13. acht het van cruciaal belang dat er strikte duurzaamheidsnormen voor de internationale handel in biobrandstoffen worden vastgesteld, met inachtneming van hun tegenstrijdige milieu- en sociale gevolgen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.10.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Thijs Berman, Michael Cashman, Corina Creţu, Leonidas Donskis, Charles Goerens, Catherine Grèze, Enrique Guerrero Salom, András Gyürk, Eva Joly, Gay Mitchell, Norbert Neuser, Bill Newton Dunn, Maurice Ponga, David-Maria Sassoli, Birgit Schnieber-Jastram, Michèle Striffler, Alf Svensson, Eleni Theocharous, Ivo Vajgl, Anna Záborská, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Kriton Arsenis, Santiago Fisas Ayxela, Isabella Lövin, Miguel Angel Martínez Martínez, Bart Staes, Patrizia Toia

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Róża Gräfin von Thun und Hohenstein


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.10.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

14

4

8

Bij de eindstemming aanwezige leden

William (The Earl of) Dartmouth, Laima Liucija Andrikienė, Kader Arif, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, Marielle De Sarnez, Harlem Désir, Christofer Fjellner, Joe Higgins, Yannick Jadot, Bernd Lange, Vital Moreira, Tokia Saïfi, Helmut Scholz, Gianluca Susta, Keith Taylor, Jan Zahradil, Pablo Zalba Bidegain

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Catherine Bearder, George Sabin Cutaş, Béla Glattfelder, Małgorzata Handzlik, Salvatore Iacolino, Jarosław Leszek Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Ricardo Cortés Lastra, Jelko Kacin

Laatst bijgewerkt op: 12 november 2010Juridische mededeling