Procedure : 2009/2219(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0312/2010

Ingediende teksten :

A7-0312/2010

Debatten :

PV 24/11/2010 - 20
CRE 24/11/2010 - 20

Stemmingen :

PV 25/11/2010 - 8.2
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0434

VERSLAG     
PDF 297kWORD 189k
8 november 2010
PE 445.733v02-00 A7-0312/2010

over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten

(2009/2219(INI))

Commissie internationale handel

Rapporteur: Tokia Saïfi

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten

(2009/2219(INI))

Het Europees Parlement,

–    gelet op de artikelen artikel 2, 3, 6 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gelet op de artikelen 153, 191, 207 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gelet op de artikelen 12, 21, 28, 29, 31 en 32 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens (1948) en andere VN-instrumenten op het gebied van de mensenrechten, met name de verdragen inzake de burgerrechten en politieke rechten (1966) en inzake de economische, sociale en culturele rechten (1966), het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (1965), het Verdrag inzake de afschaffing van alle vormen van discriminatie van vrouwen (1979), het Verdrag inzake de rechten van het kind (1989), de VN-Verklaring over de rechten van de inheemse volkeren (2007) en het slotdocument van de VN-millenniumtop van 20-22 september 2010 in New York,

–   gezien de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), evenals de verklaring die tijdens de vierde WTO-ministersconferentie op 14 november 2001 in Doha is goedgekeurd, met name paragraaf 31,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 september 1996 over de mededeling van de Commissie over de bepalingen inzake de eerbiediging van de democratische beginselen en de rechten van de mens in de overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen (COM(1995)0216)(1), alsmede zijn resolutie van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en democratieclausule in EU-overeenkomsten(2),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 oktober 2001 over openheid en democratie in de internationale handel, waarin wordt aangedrongen op de naleving van de sociale minimumnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO)(3), en op de aanvaarding door de Europese Unie van de besluiten van de IAO, met inbegrip van eventuele oproepen tot sancties in verband met ernstige overtredingen van de sociale minimumnormen,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 april 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen (COM(2001)0252)(4),

–   gezien de mededeling van de Commissie "De sociale dimensie van de globalisering – hoe de EU ertoe bijdraagt dat iedereen er voordeel van heeft" (COM(2004)0383),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 november 2005 over de sociale dimensie van de globalisering (5),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 juli 2005 over de uitbuiting van kinderen in ontwikkelingslanden, met speciale aandacht voor kinderarbeid (6),

–    gezien de conclusies van de Raad van 14 juni 2010 inzake kinderarbeid (7),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 juli 2006 over eerlijke handel en ontwikkeling (8),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 mei 2007 over Europa als wereldspeler – externe aspecten van het concurrentievermogen(9), in reactie op de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Europa als wereldspeler: wereldwijd concurreren: een bijdrage aan de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid" (COM(2006)0567),

–   gezien de mededeling van de Commissie "Bevordering van waardig werk voor iedereen – Bijdrage van de Europese Unie aan de uitvoering van de agenda voor waardig werk over de hele wereld" (COM(2006)0249),

–   gezien de ministersverklaring van de Economische en Sociale Raad van de VN uit 2006 over volledige werkgelegenheid en waardig werk waarin volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk voor allen als een sleutelelement van de duurzame ontwikkeling wordt erkend,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 mei 2007 over het thema "Bevordering van waardig werk voor iedereen"(10) , waarin erop wordt aangedrongen om, in het kader van de bevordering van waardig werk, in de handelsovereenkomsten van de Europese Unie, in het bijzonder bilaterale overeenkomsten, sociale normen op te nemen,

–   gezien de agenda voor waardig werk en het mondiale banenpact van de IAO dat op 19 juni 2009 tijdens de Conferentie van de IAO is aangenomen, en de verklaring van de IAO van 2008 over sociale gerechtigheid voor een billijke mondialisering,

–   gezien het verdrag van Brussel van 1968, zoals geconsolideerd door Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (11),

–   gezien het stelsel van algemene tariefpreferenties (SAP), dat sinds 1 januari 2006 van kracht is en dat toegang zonder douanerechten verleent dan wel een verlaagd tarief toekent voor een toenemend aantal producten en tevens een nieuwe prikkel bevat voor kwetsbare landen met specifieke handels-, financiële of ontwikkelingsbehoeften,

–   gezien alle overeenkomsten tussen de Europese Unie en derde landen,

–   gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van landen van Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Unie, op 23 juni 2000 te Cotonou ondertekend, alsmede de herzieningen van de overeenkomst van 2005 en 2010,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties over economische partnerschapsovereenkomsten met de ACS-regio's en -landen, met name die van 26 september 2002(12), 23 mei 2007(13) en 12 december 2007(14),

–   gelet op de internationale milieuverdragen zoals het Protocol van Montreal inzake stoffen die de ozonlaag afbreken (1987), het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen (1989), het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid (2000) en het Protocol van Kyoto (1997),

–   gezien hoofdstuk 13 van de vrijhandelsovereenkomst die in oktober 2009 is gesloten tussen de Europese Unie en Zuid-Korea,

–   gezien de afsluiting van de onderhandelingen tussen de EU en Colombia en Peru over een meerpartijenovereenkomst inzake de handel,

–   gezien de hoorzitting van het Europees Parlement "Sociale en milieunormen in onderhandelingen over handelsakkoorden" van 14 januari 2010,

–   gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0312/2010),

A. overwegende dat de koppeling tussen handel, mensenrechten en sociale en milieunormen een sleutelelement is geworden van de economische en handelsbetrekkingen en een onlosmakelijk onderdeel vormt van de onderhandelingen in het kader van vrijhandelsovereenkomsten,

B.  overwegende dat concurrentieverstoring en het gevaar van sociale en milieudumping zich steeds vaker voordoen, ten koste van met name ondernemingen en werknemers die gevestigd zijn in de Europese Unie en die zich aan strengere sociale, milieu- en fiscale normen moeten houden,

C.  overwegende dat de EU in haar betrekkingen met derde landen een handelsstrategie moet vaststellen die op wederkerigheid gebaseerd moet zijn, maar ook moet worden afgestemd op het ontwikkelingsniveau van haar handelspartners, zowel ten aanzien van haar eisen op sociaal en milieugebied als ten aanzien van de liberalisering van de handel, om de voorwaarden te scheppen voor een eerlijke en loyale internationale concurrentie,

D. overwegende dat de bilaterale betrekkingen bij uitstek het kader zijn geworden voor het nastreven van deze beleidsdoelstellingen, aangezien de vooruitzichten op de invoering van multilaterale regels met betrekking tot de koppeling tussen handel, werk en milieu in het kader van de WTO niet erg gunstig zijn,

E.  overwegende dat het niettemin van essentieel belang is te werken aan een nieuw evenwicht tussen het handelsrecht en de grondrechten, en het overleg tussen de belangrijkste internationale organisaties te versterken, meer in het bijzonder de IAO en de WTO, met het oog op een grotere samenhang tussen internationaal beleid en een beter mondiale governance,

F.  overwegende dat er vele redenen zijn om bepalingen over de mensenrechten en sociale en milieunormen op te nemen in internationale handelsovereenkomsten, van de wil om een eerlijke en rechtvaardige handel in te voeren en gelijke handelsvoorwaarden ("level playing field") te scheppen, tot het meer normatieve streven om de universele waarden die worden gedragen door de Europese Unie te beschermen en een coherent Europees beleid te voeren,

G. herinnert eraan dat in de VN-verklaring van 1986 inzake het recht op ontwikkeling wordt bevestigd dat “het recht op ontwikkeling een onvervreemdbaar mensenrecht is, op grond waarvan ieder mens en alle volkeren er aanspraak op kunnen maken deel te nemen aan, bij te dragen tot en voordeel te hebben van de economische, sociale en culturele ontwikkeling”; is daarom van oordeel dat de EU de verplichting heeft dit recht niet te ondermijnen en het juist in internationale overeenkomsten moet integreren en als richtsnoer bij Europees beleid moet laten dienen;

H. overwegende dat het Verdrag van Lissabon opnieuw bevestigt dat het externe optreden van de Europese Unie, waarvan de handelspolitiek een onderdeel vormt, door dezelfde beginselen wordt geleid als die welke ten grondslag liggen aan de oprichting van de Unie; overwegende dat het Europees sociaal model, waarin duurzame economische groei gecombineerd wordt met betere arbeids- en levensomstandigheden, bovendien als model voor andere partners kan dienen; overwegende dat de handelsovereenkomsten tegelijk moeten stroken met ander verplichtingen en internationale verdragen, die de verdragsluitende landen volgens de aangegane verbintenissen moeten naleven, overeenkomstig hun nationale recht,

I.   overwegende het belang van de instandhouding van de in de Europese Unie geldende sociale en milieunormen, en de naleving ervan door buitenlandse ondernemingen die actief zijn in de interne markt,

J.   overwegende dat de opneming van de mensenrechten en de sociale en milieunormen in de handelsovereenkomsten een toegevoegde waarde aan deze overeenkomsten kan verlenen, omdat aldus de gelegenheid wordt gecreëerd voor meer interactie met maatschappelijke organisaties en grotere steun voor de politieke en sociale stabiliteit, waardoor een gunstiger handelsklimaat ontstaat,

K. overwegende dat de handelssector en de naleving van de sociale, mensenrechten- en milieunormen belangrijk zijn voor het bewaren van vrede en welvaart in de wereld, maar dat daarmee niet alle problemen tussen de staten in de wereld kunnen worden opgelost; overwegende echter dat een politieke impasse kan worden overwonnen door een versterking van de handelsbetrekkingen, waarbij gemeenschappelijke belangen worden geformuleerd, met name op het gebied van milieubescherming, als methode om conflicten op te lossen;

L.  overwegende dat andere landen op positieve wijze hebben laten zien hoe sociale normen in handelsovereenkomsten kunnen worden opgenomen,

M.  overwegende dat het stelsel van algemene preferenties is uitgewerkt met inachtneming door de begunstigde landen van de beginselen op het stuk van de mensenrechten en de basisnormen inzake het arbeidsrecht in de internationale verdragen, en dat hierin een speciaal stelsel van aanvullende tariefpreferenties is opgenomen om de ratificatie en de doelmatige tenuitvoerlegging van de internationale basisverdragen inzake de mensenrechten en het arbeidsrecht, de bescherming van het milieu en goed bestuur te bevorderen; overwegende dat niet-naleving van de voorwaarden kan leiden tot opschorting van de handelsregeling,

1.  dringt er daarom op aan dat in de toekomstige handelsstrategie van de Europese Unie de handel niet langer als een doel op zich wordt beschouwd, maar als een instrument waarmee de Europese waarden en handelsbelangen kunnen worden bevorderd, maar ook als een instrument voor de eerlijke handel waarmee de sociale en milieunormen daadwerkelijk kunnen worden ingevoerd en nageleefd met alle handelspartners van de EU; meent dat de Europese Unie zich in haar onderhandelingen moet laten leiden door een positieve maar ook juridisch bindende benadering; onderstreept dat alle partijen gebaat zijn bij de opneming van bepalingen met betrekking tot duurzame ontwikkeling, met name in bilaterale overeenkomsten;

2.  wijst er eens te meer op dat het gemeenschappelijke handelsbeleid van de Europese Unie een instrument is in dienst van de algemene doelstellingen van de Unie en dat het overeenkomstig artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ten uitvoer moet worden gelegd "op basis van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie", en dat het volgens artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie met name moet bijdragen "tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties";

Mensenrechten en sociale en milieunormen in multilaterale handelsbetrekkingen

3.  nodigt uit tot een nauwere multilaterale samenwerking tussen de WTO en de belangrijkste instellingen van de Verenigde Naties op het gebied van de mensenrechten; is van mening dat nauwere banden met het Bureau van de hoge commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, alsmede een nauwere verwevenheid met speciale procedures bijzonder nuttig zouden zijn voor het scheppen van een multilateraal handelskader dat bijdraagt aan de naleving van de mensenrechten; is tevens van oordeel dat de WTO-panels en de beroepsinstantie de deskundigheid van de hoge commissaris in aanmerking zouden kunnen nemen bij gevallen van ernstige schending van de mensenrechten;

4.  is van mening dat het periodieke wereldwijde onderzoek van de Raad van de mensenrechten een instrument zou moeten zijn om na te gaan of de bepalingen inzake de mensenrechten in de internationale handelsovereenkomsten worden nageleefd;

5.   onderstreept dat een diepgaandere samenwerking met de IAO, het orgaan dat bevoegd is om de internationale arbeidsnormen te definiëren en toe te zien op de toepassing in het recht en in de praktijk, alsmede de volledige deelname van de IAO aan de werkzaamheden van de WTO, van essentieel belang zijn;

a)  verzoekt daarom dat de IAO de status van officiële waarnemer in de WTO wordt toegekend en zij spreekrecht krijgt op ministersconferenties van de WTO;

b)  stelt voor een comité handel en waardige arbeid op te richten in de WTO, naar het voorbeeld van het comité handel en milieu; dringt er op aan dat beide comités een duidelijk omschreven opdracht krijgen en tastbare invloed hebben;

c)  stelt voor dat de IAO en het Bureau van de hoge commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten betrokken kunnen worden bij belangrijke gevallen waarin de overtreding van internationale arbeidsverdragen onderwerp is van een handelsgeschil;

d)  stelt voor dat er een beroepsprocedure bij de IAO mogelijk is wanneer een lidstaat van de WTO oordeelt dat een besluit van de WTO-geschillencommissie besluiten van de IAO over de naleving van arbeidsverdragen ter discussie stelt;

6.   bevestigt andermaal dat de doelstellingen inzake handhaving en bescherming van een open en niet-discriminerend handelsstelsel enerzijds, en de doelstellingen inzake milieubescherming en bevordering van duurzame ontwikkeling anderzijds elkaar wederzijds moeten versterken; onderstreept dat de lidstaten overeenkomstig artikel 20 van de GATT handelsmaatregelen kunnen nemen ter bescherming van het milieu, mits deze niet worden getroffen voor arbitraire of ongerechtvaardigde discriminatoire doeleinden; moedigt de lidstaten aan deze bepaling volledig te benutten;

7.   is verheugd over het bestaan van het WTO-comité handel en milieu, dat een belangrijk forum zou moeten zijn voor verdere integratie en verdieping van de koppeling tussen milieu en handel; hoopt dat de rol en werkzaamheden van het comité steeds belangrijker zullen worden, opdat op een positieve manier het hoofd kan worden geboden aan de essentiële uitdagingen waarmee de internationale gemeenschap op het gebied van handel en milieu wordt geconfronteerd;

8.   wijst op het belang van een betere toegang tot groene goederen en technologieën om de doelstellingen van een duurzame ontwikkeling te realiseren en verzoekt alle onderhandelende partijen zich nog meer in te spannen voor een snelle afronding van de onderhandelingen over de verlaging of opheffing van tarifaire en niet-tarifaire barrières voor milieugoederen en –diensten, om nieuwe vormen van werkgelegenheidsbeleid en het creëren van banen die voldoen aan de IAO-normen inzake waardig werk, alsmede de groeikansen voor de Europese industrie en het Europese MKB te bevorderen;

9.  wijst op de noodzaak vorderingen te boeken in de onderhandelingen over de andere punten van artikel 31 van de verklaring van Doha met betrekking tot de relatie tussen de bestaande WTO-regels en de specifieke handelsverplichtingen in de multilaterale milieuakkoorden (MMA), en een nauwere samenwerking te bevorderen tussen de secretariaten van de MMA en de WTO-comités, hetgeen essentieel is voor een samenhangende ontwikkeling van handelsstelsels en milieuregelingen;

10. is van oordeel meent dat een multilateraal verdrag over het klimaat het beste instrument is om de negatieve externe milieueffecten met betrekking tot CO2 in de kosten door te berekenen, maar dat zo'n verdrag waarschijnlijk niet haalbaar is in de nabije toekomst; is derhalve van mening dat de Europese Unie de mogelijkheden moet blijven onderzoeken om voor de industriesectoren die daadwerkelijk zijn blootgesteld aan koolstoflekkage, adequate milieu-instrumenten in te voeren ter aanvulling op de handel in CO2-emissierechten van de EU ETS, met name een mechanisme voor de doorberekening van CO2-kosten, met inachtneming van de WTO-regels, omdat een dergelijk mechanisme het mogelijk maakt de risico’s van overdracht van CO2-emissies naar derde landen te bestrijden;

11. stelt voor om, wanneer er eenmaal een internationale klimaatovereenkomst is vastgesteld en getekend, zich in te zetten voor de oprichting van een werkelijke mondiale milieuorganisatie om ervoor te zorgen dat de aangegane verbintenissen worden uitgevoerd en de milieunormen worden nageleefd; is van mening dat bij deze toekomstige organisatie bijvoorbeeld verplicht zaken met betrekking tot milieudumping aanhangig moeten worden gemaakt;

Mensenrechten en sociale en milieunormen in bilaterale handelsovereenkomsten

12. steunt krachtig de praktijk van opneming van juridisch bindende clausules inzake mensenrechten in internationale overeenkomsten van de Europese Unie, maar herinnert eraan dat er nog grote uitdagingen zijn als het gaat om toezicht op en uitvoering van deze clausules; verklaart andermaal dat deze clausules eveneens moeten worden opgenomen in alle handels- en sectorovereenkomsten, met een duidelijk en concreet overlegmechanisme, naar het voorbeeld van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou; is verheugd over het feit dat een dergelijke clausule is opgenomen in de vrijhandelsovereenkomsten van de nieuwe generatie;

13. wijst erop dat dezelfde benadering inzake een systematische opneming moet worden gevolgd ten aanzien van de hoofdstukken over duurzame ontwikkeling in bilaterale overeenkomsten;

14. stelt vast dat de onderhandelingen over toekomstige handelsovereenkomsten tegen de achtergrond van de huidige financiële crisis gevoerd zouden kunnen worden; is van mening dat dit er echter niet toe mag leiden dat, met het oog op de verwezenlijking van andere doelen, wordt voorbijgegaan aan sociale en milieunormen, met name voor de uitstoot van broeikasgassen en het beheer van gevaarlijke afvalstoffen;

15. verzoekt de Commissie, rekening houdend met bovengenoemde doelstellingen, in alle vrijhandelsovereenkomsten waarover zij met derde landen onderhandelt, een reeks sociale en milieunormen op te nemen, waaronder:

a)   een lijst met minimumnormen die door alle handelspartners van de EU moeten worden geëerbiedigd; op sociaal gebied moeten deze normen overeenstemmen met de acht belangrijkste verdragen van de IAO (ILO Core Labour Standards) als vermeld in de IAO-verklaring inzake fundamentele rechten en beginselen op de werkplek (1998); voor de geïndustrialiseerde landen komen hier nog de vier prioritaire IAO-verdragen bij (ILO Priority Conventions); op milieugebied en op het gebied van de mensenrechten moet de minimumnorm overeenstemmen met de lijst van verdragen inzake milieu en goed bestuur, als bepaald in de Europese verordening inzake het stelsel van algemene tariefpreferenties;

b)   een lijst van aanvullende verdragen die geleidelijk en met de nodige flexibiliteit ten uitvoer moeten worden gelegd, rekening houdend met de ontwikkeling van de economische, sociale en milieusituatie van het betrokken partnerland; op sociaal gebied moet het einddoel overeenstemmen met de volledige tenuitvoerlegging van de Agenda voor waardig werk van de IAO;

16. onderstreept dat onder naleving van deze normen moet worden verstaan ratificatie van de normen, omzetting ervan in nationaal recht en daadwerkelijke handhaving op het gehele nationale grondgebied;

17. vraagt dat alle toekomstige handelsovereenkomsten voorzien in een verbod op kinderarbeid, met name met betrekking tot de winning en verwerking van natuursteen, en een uniform Europees certificatiesysteem omvatten dat waarborgt dat kan worden aangetoond dat ingevoerde natuursteen en natuursteenproducten doorheen de hele waardeketen werden geproduceerd zonder een beroep te doen op kinderarbeid, in de zin van IAO-verdrag nr. 182;

18. onderstreept dat in het kader van vrijhandelsovereenkomsten koppeling van liberalisering aan voorwaarden zou kunnen worden overwogen, zoals versnelling van het tijdschema voor afschaffing van tarieven of toegang tot een aanvullende markt, al naargelang sociale en milieunormen worden nageleefd;

19. wijst op het belang van een doorlopende controle op de uitvoering van de overeenkomst, met een open en inclusieve benadering in alle fases:

a)  neemt nota van de onderzoeken naar de effecten op de duurzame ontwikkeling, maar is van mening dat deze ook moeten worden uitgevoerd vóór, tijdens en na de onderhandelingen, zodat er een voortdurende evaluatie plaatsvindt; wijst er tevens op dat naar aanleiding van de uitkomsten hiervan volledige actie moet worden ondernomen; is tevens van mening dat de onderhandelaars beter rekening zouden moeten houden met de prioriteiten en de aandachtspunten die er uit deze onderzoeken naar voren komen,

b)  verzoekt de Commissie onderzoeken uit te voeren naar de effecten op de mensenrechtensituatie ter aanvulling van onderzoek naar duurzame ontwikkeling, met duidelijke handelsindicatoren, gebaseerd op de mensenrechten en sociale en milieunormen,

c)  verzoekt beide partijen regelmatige verslagen te presenteren over de algemene vorderingen die gemaakt zijn met de uitvoering van alle verbintenissen die in het kader van de overeenkomst zijn aangegaan,

d) vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de parlementen van de partnerlanden bij handelsbesprekingen worden betrokken om een behoorlijk bestuur en de uitoefening van democratisch toezicht in de ontwikkelingslanden te bevorderen;

e)  acht het belangrijk dat de burgers bij alle stadia van de besprekingen en ook bij het vervolg op de overeenkomst worden betrokken, en dringt aan op de invoering van fora voor duurzame ontwikkeling of raadgevende groepen voor overleg met de sociale partners en vertegenwoordigers van het onafhankelijk maatschappelijk middenveld;

20. wenst dat de handelsovereenkomsten van de EU daadwerkelijk voorzien in de hoogste niveaus aan transparantie, strikte normen voor overheidsopdrachten en rapportage per land door ondernemingen in zowel industrielanden als ontwikkelingslanden teneinde onwettige kapitaalvlucht te bestrijden;

21. dringt er krachtig op aan dat de Unie zich sterk maakt voor het recht op toegang tot natuurlijke hulpbronnen bij de onderhandelingen over handelsovereenkomsten en voor de rechten van autochtone en inheemse bevolkingsgroepen betreffende de toegang tot essentiële natuurlijke hulpbronnen; verzoekt de Commissie om bij onderhandelingen en in internationale handelsovereenkomsten tevens aandacht te schenken aan de problematiek van de aankoop en de eigendom van grond in derde landen, met name de minst ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden;

22. erkent weliswaar dat het hoofdstuk over duurzame ontwikkeling in bilaterale overeenkomsten die momenteel in onderhandeling zijn, dwingend is maar meent dat het nog aangescherpt kan worden als het uitgebreid wordt met:

a)   een klachtenprocedure die openstaat voor de sociale partners;

b)   een onafhankelijk orgaan voor een snelle en doelmatige oplossing van geschillen die verband houden met sociale en milieuproblemen, zoals panels van deskundigen die door beide partijen worden geselecteerd op basis van hun deskundigheid inzake mensenrechten, arbeidsrecht en milieurecht, en wier aanbevelingen deel moeten uitmaken van een nauwkeurig omschreven procedure, met bepalingen voor de uitvoering hiervan,

c)   een mechanisme voor de oplossing van geschillen, op identieke wijze als voor de andere onderdelen van de overeenkomst, waarin voorzien is in boetes die bedoeld zijn om de situatie op de betreffende terreinen te verbeteren, of ten minste een tijdelijke opschorting van bepaalde handelsvoordelen die in de overeenkomst zijn voorzien bij ernstige schending van bovengenoemde normen;

23. onderstreept dat de overeenkomsten aangevuld moeten worden met flankerende maatregelen, met inbegrip van technische ondersteuning en samenwerkingsprogramma's, die de capaciteit om de overeenkomst uit te voeren moeten verbeteren, in het bijzonder de belangrijkste verdragen op het gebied van de mensenrechten en sociale en milieunormen;

Mensenrechten en sociale en milieunormen in unilaterale handelsbetrekkingen: SAP en SAP+

24.  is van mening dat de 27 verdragen die geratificeerd en daadwerkelijk uitgevoerd moeten worden om in aanmerking te kunnen komen voor SAP+, een unieke verzameling van verdragen over normen betreffende mensenrechten, arbeidsrecht, milieu en goed bestuur vormen; onderstreept dat het SAP+ tot dusver een zichtbaar positief effect heeft gehad wat betreft de ratificatie van deze verdragen, maar minder effect als het gaat om de uitvoering ervan, en wil dus meer het accent leggen op de flankerende maatregelen ter verbetering van het uitvoerende vermogen van een land; is tevens van mening dat de Commissie, omwille van de geloofwaardigheid van het SAP+, onderzoeken moet instellen, als eenduidige tekenen erop wijzen dat bepaalde landen zich niet aan de 27 verdragen houden, en zo nodig de preferenties moet schrappen;

25. is van mening dat er in de overeenkomsten van de Europese Unie met derde landen een nauwere koppeling tussen de mensenrechtenclausules en het SAP+ kan worden aangebracht, in het bijzonder wat betreft de follow-up;

26. verzoekt de Commissie bij de herziening van de SAP-regeling ervoor te zorgen dat deze regeling vooral ten goede komt aan de landen die deze het nodigst hebben en de oorsprongregels te vereenvoudigen opdat de begunstigde landen van het initiatief "Alles behalve wapens" en de SAP+-regeling zoveel mogelijk kunnen profiteren van de preferenties die hun worden toegekend; dringt erop aan dat transparante vergelijkingsindicatoren, mechanismes en criteria worden opgesteld voor de toekenning en intrekking van preferenties in het kader van deze regeling; dringt er tevens op aan dat het Europees Parlement volledig bij deze herzieningsprocedure wordt betrokken, met name ten aanzien van het voorstel van de Raad inzake de lijsten van begunstigde landen, het instellen van onderzoeken of de tijdelijke opschorting van de SAP+-regeling;

27.  verzoekt de Commissie met klem om onverwijld een voorstel in te dienen voor een verordening die de invoer in de EU verbiedt van goederen die zijn geproduceerd met behulp van moderne vormen van slavernij, dwangarbeid, in het bijzonder dwangarbeid door bepaalde kwetsbare groepen dus met schending van de fundamentele normen inzake de mensenrechten;

28. verzoekt de Commissie, op grond van de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie, het Parlement tijdens onderhandelingen over internationale handelsovereenkomsten voortdurend op de hoogte te houden van alle relevante aangelegenheden;

29. verzoekt de Commissie, met het oog op de ruimere bevoegdheden van het Parlement uit hoofde van het Verdrag van Lissabon, te zorgen voor een doeltreffende informatiestroom en het Parlement via zijn afgevaardigde vertegenwoordigers op elk moment de status van waarnemer te geven, waardoor het tevens toegang krijgt tot alle relevante vergaderingen en alle terzake doende documenten.

30. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de parlementen van de lidstaten.

(1)

PB C 320 van 28.10.1996, blz. 261.

(2)

PB C 290E van 29.11.2006, blz. 107.

(3)

PB C 112 E van 9.5.2002, blz. 326.

(4)

PB C 131 E van 5.6.2003, blz. 147.

(5)

PB L 280 E van 18.11.2006, blz. 65.

(6)

PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 84.

(7)

Conclusies van de Raad van 14.6.2010 inzake kinderarbeid, 10937/1/10.

(8)

PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 865.

(9)

PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 128.

(10)

PB L 102 E van 24.4.2008, blz. 321.

(11)

PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.

(12)

PB C 273 E van 14.11.2003, blz. 305.

(13)

PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 301.

(14)

PB C 323 E van 18.12.2008, blz. 361.


TOELICHTING

De opname van clausules over de mensenrechten of sociale en milieunormen in handelsovereenkomsten is een complexe aangelegenheid die de internationale gemeenschap verdeelt. Enerzijds wijzen de noordelijke landen de door landen met een opkomende economie bedreven sociale en ecologische dumping af, die een concurrentieverstoring is in het handelsverkeer; anderzijds verdenken de zuidelijke landen de noordelijke landen ervan hun economische ontwikkeling te willen dwarsbomen en via invoering van bepaalde normen een verkapte vorm van protectionisme toe te passen.

Hieruit blijkt wel hoe moeilijk het is om de kwestie van opname van normen in multilaterale organisaties en nog meer in de WTO op onpartijdige wijze aan de orde te stellen, terwijl toch de sociale clausule steeds vaker in bilaterale handelsovereenkomsten wordt opgenomen.

We kunnen echter wel constateren dat er momenteel sprake is van een steeds schevere verhouding tussen de internationale handelsvoorschriften en de andere normen van internationaal recht; daarom is het noodzakelijk nieuwe wegen te bewandelen door met name te werken aan een werkelijke coördinatie tussen de internationale organisaties (WTO en IAO).

De Europese Unie heeft een doorslaggevende rol in dit streven naar een nieuwe mondiale governance en moet daarom de samenhang tussen het beleid van de internationale instellingen bevorderen.

Nu de Europese Unie bezig is met een herziening van haar handelsstrategie moet in het licht van deze constateringen de vraag worden gesteld welke koers de Unie wil varen. Als de Unie daadwerkelijk een duidelijke boodschap tegen het protectionisme wil uitdragen moet zij er ook op toezien dat de internationale handel eerlijk is en dat de voordelen wederzijds zijn.

Via het gevoerde beleid, en meer in het bijzonder het handelsbeleid, moet de Unie opkomen voor haar handelsbelangen, met inachtneming van haar normen en waarden, en tegelijk toezien op de inachtneming door andere landen van die normen en waarden.

Deze overweging moet de verschillende Europese instellingen helpen bij het lanceren en voeren van een nieuw handelsbeleid, een ambitieus beleid gebaseerd op daadkracht en dialoog.

Immers, we moeten wel bedenken dat industriële en handelsondernemingen in Europa gebonden zijn aan strikte naleving van sociale en milieuvoorschriften. Als de Europese Unie dwingende normen naleeft moet zij met het oog op bescherming van een eerlijke handel, ook van haar handelspartners, en met name van opkomende landen, naleving van die normen kunnen verlangen, en kwaliteits- en duurzaamheidseisen kunnen bevorderen, vooral voor voedingsmiddelen die haar grondgebied binnenkomen.

De hoge normen van de Europese binnenmarkt op het gebied van gezondheid, veiligheid, milieu en bescherming van de werknemers en consumenten, vormen een specifiek Europees model dat internationaal en in multilateraal verband tot voorbeeld moet strekken en een plaats moet hebben in de lopende onderhandelingen over bilaterale handelsovereenkomsten. Zo kan de Unie in breder verband ervoor zorgen dat het extern beleid dat zij voert via haar handelsbeleid en ontwikkelingssamenwerking effectief bijdraagt aan de sociale ontwikkeling van de derde landen waarmee zij handelsbetrekkingen onderhoudt.

Het aandragen van mogelijke oplossingen en voorstellen over deze problematiek kan bijdragen tot een positieve herwaardering van het Europese handelsbeleid door de burger (in een context waarin met afkeuring of vrees gereageerd wordt op handelsbesprekingen, alsmede tot een debat over eerlijks handelsbetrekkingen ("level playing field"). De openstelling van het handelsverkeer wordt door de samenleving geaccepteerd en als positief ervaren als deze bijdraagt tot een verbetering van de levensstandaard. Evenzo worden de bloei van het handelsverkeer en het liberalisme positief gewaardeerd als de sociale en milieurechten niet in het geding komen. De Europese Unie moet dus een evenwicht zoeken tussen een beperkende en liberale benadering, en een compromis tussen de bescherming van haar handelsbelangen en de naleving van universele waarden, zoals de toepassing van dwingende sociale en milieunormen.

Om dit compromis tot stand te brengen moet de Unie en dialoog met haar partners op gang brengen en een gemeenschappelijk terrein van gedeelde waarden vinden. In deze transparante dialoog is voor het Europees Parlement, door de nieuwe bevoegdheden die het krachtens het Verdrag van Lissabon zijn toegekend, een sleutelrol weggelegd. In die zin moet het een politiek en moreel mandaat aan de besprekingen geven. Daarnaast moet het Parlement zich uitspreken over de noodzaak voor de Unie om haar handelsbelangen te beschermen en tegelijkertijd zich sterk te maken voor de invoering van een normatief kader. Het Parlement moet een brede maatschappelijke discussie bevorderen. Het moet zich profileren als de instelling die laat horen dat het respect voor het menselijk leven, fatsoenlijk werk overal en voor iedereen op dezelfde manier geldt, dat de betekenis van de milieu- en sociale rechten (vakbondsrechten, bestrijding van kinderarbeid, enz.) universeel is.

Dit vraagstuk moet op verschillende niveaus, namelijk multilateraal, bilateraal en unilateraal, aan de orde worden gesteld.

I. Mensenrechten en sociale en milieunormen in multilaterale handelsbetrekkingen

Zoals uiteengezet, is het van het grootste belang om een samenhang tussen het beleid van de internationale instellingen te bevorderen en een nieuwe mondiale governance in te voeren, die gecoördineerd wordt door de Wereldhandelsorganisatie, de Internationale Arbeidsorganisatie en een (toekomstige?) mondiale milieuorganisatie. We weten hoe moeilijk het is om in de regelgeving voor de internationale handel normen op te nemen die niet rechtstreeks aan de handel gerelateerd zijn. Daarom is een versterkt overleg met de IAO wellicht een concretere weg om bepaalde basiselementen met betrekking tot de naleving van de sociale normen op de onderhandelingstafel te krijgen. Daarom moet de IAO een grotere rol krijgen en uitgebreid worden met een orgaan voor de interpretatie van normen. Niet alleen zou de naleving van alle belangrijkste IAO-normen verplicht moeten worden gesteld, maar de IAO zou ook moeten worden betrokken bij kwesties in verband met fundamentele arbeidsrechten in het kader van beslechting van internationale geschillen, waaronder ook handelsgeschillen (een soort prejudiciële verwijzing van de WTO naar de IAO).

Weliswaar vormt de opname van sociale normen in handelsovereenkomsten nog een zwak punt, maar op milieugebied ziet het ernaar uit dat handelsmaatregelen die vereist zijn krachtens multilaterale milieuakkoorden (MMA) om algemeen als legitiem beschouwde milieudoelstellingen te halen, en die geen verkapte handelsbeperking zijn, tegenwoordig worden gezien als bepalingen die vallen onder de uitzonderingen van artikel XX van de WTO.

Tot slot zou het een relevant zijn om een specifiek mondiale organisatie voor milieuzaken op te richten. Als het mandaat van deze organisatie duidelijk wordt gedefinieerd, ook ten opzichte van andere internationale organisaties - naar het voorbeeld van de WTO - en zij kan optreden op basis van gemeenschappelijk aanvaarde principes, kan zij onder de naam van Mondiale Milieuorganisatie (MMO) belast worden met het opstellen en uitvoeren van milieunormen. Gevallen van milieudumping kunnen dan voorgelegd worden aan de MMO.

Op het gebied van de mensenrechten moet nu eens een nauwere multilaterale samenwerking tot stand komen tussen de WTO en de belangrijkste instellingen van de Verenigde Naties op het gebied van de mensenrechten. Zo kan de deskundigheid van de hoge commissaris in aanmerking worden genomen in de WTO-panels en de beroepsinstantie wanneer gevallen van ernstige schending van de mensenrechten worden geconstateerd.

II. Mensenrechten en sociale en milieunormen in bilaterale handelsovereenkomsten

Verplichte toepassing van genoemde normen in het kader van bilaterale overeenkomsten is een bijzonder gevoelig onderwerp en vestigt de aandacht op de vraag of de Europese Unie wel dan niet in staat is de toepassing en naleving van deze normen op te leggen.

In de onlangs afgesloten of lopende bilaterale besprekingen tracht de Unie sociale normen in vrijhandelsovereenkomsten op te nemen, maar krijgt daarbij soms te maken met vijandige reacties van bepaalde landen, die aanvoeren dat deze normen protectionistische barrières vormen. De Unie stuit heeft eveneens op problemen met landen die weliswaar de IAO-verdragen hebben ondertekend, maar die de vakbondsrechten niet naleven.

Niettemin zijn er concrete ontwikkelingen in de vrijhandelsovereenkomsten, met onderhandelingen over hoofdstukken over duurzame ontwikkeling. Een basisbeginsel van sommige vrijhandelsovereenkomsten is de verbintenis van de partijen om de mensenrechten en de ontwikkeling van een duurzame economie op basis van de bescherming en bevordering van de rechten van de werknemers en van het milieu in acht te nemen.

Om ervoor te zorgen dat deze hoofdstukken over duurzame ontwikkeling daadwerkelijk worden nagekomen moet er nagedacht worden over de invoering van mechanismes voor wederzijds toezicht en van stimulansen. Een optie die kan worden overwogen is bijvoorbeeld liberalisering gekoppeld aan voorwaarden, zoals versnelling van het tijdschema voor afschaffing van tarieven of toegang tot een aanvullende markt, al naargelang milieu- en sociale normen wel of niet worden nageleefd. Daarnaast moet er een variabele indicator komen met eisen die variëren per het land en de economische situatie, zodat een geleidelijke en flexibele benadering kan worden gevolgd ten aanzien van de verplichting om sociale en milieunormen na te komen.

Tenslotte - en niet in de laatste plaats – moeten de instanties voor arbitrage en fora voor uitwisseling en dialoog worden uitgebreid, daar deze een grotere betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld mogelijk maken en op de langere termijn een werkelijk hefboomeffect kunnen uitoefenen op het intern beleid van de partnerlanden. Een andere mogelijkheid zou zijn gemeenschappelijke bilaterale 'waarnemingsposten' op te richten die een forum kunnen vormen voor uitwisseling tussen regeringen, het Europees Parlement, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld in brede zin. Tot slot moet de Commissie verzocht worden onderzoeken uit te voeren naar de effecten op de mensenrechtensituatie ter aanvulling van onderzoek naar duurzame ontwikkeling, met duidelijke handelsindicatoren, gebaseerd op de mensenrechten en milieu- en sociale normen.

III. Mensenrechten en sociale en milieunormen in unilaterale handelsbetrekkingen: SAP en SAP+

Deze instrumenten geven de mogelijkheid de fundamentele beginselen en rechten van de Europese Unie te bevorderen. Het SAP, dat de Unie in staat stelt unilateraal handelspreferenties toe te kennen, heeft zich echter tot een zeer bureaucratisch systeem ontwikkeld, met weinig transparante criteria voor de toekenning of intrekking van preferenties. De Unie moet daarom bij de herziening van de SAP-verordening ervoor zorgen dat een meer gerichte aanpak ten aanzien van de begunstigden kan worden gevolgd, waarbij rekening wordt gehouden met hun ontwikkelingsniveau, en dat de follow-up van deze landen in kwesties in verband met de mensenrechten en de sociale en milieunormen kan worden geëvalueerd. Tenslotte kan de Commissie de mogelijkheid onderzoeken om een kader voor samenwerking tussen de Unie en de begunstigde landen van het SAP op te zetten, om onderzoek en evaluatie van geschillen alsmede meer flankerende maatregelen te vergemakkelijken.


ADVIES van de Commissie buitenlandse zaken (7.10.2010)

aan de Commissie internationale handel

inzake mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten

(2009/2219(INI))

Rapporteur voor advies: David Martin

SUGGESTIES

De Commissie buitenlandse zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  herinnert eraan dat economische en sociale rechten integraal deel uitmaken van de mensenrechten sinds het aannemen van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) in 1948; is van mening dat het een taak van de EU is om de minst ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden waarmee zij internationale overeenkomsten, waaronder handelsovereenkomsten, sluit, bij te staan bij het in de praktijk brengen van deze economische en sociale rechten;

2.  verzoekt de Commissie om slechts handelsovereenkomsten te sluiten die bepalingen bevatten inzake democratie, mensenrechten en sociale, gezondheids- en milieunormen; herhaalt eens te meer zijn verzoek aan de Commissie en de Raad om effectief gevolg te geven aan de bepalingen op dit vlak die nu al deel uitmaken van de geldende internationale overeenkomsten en derhalve een aangepast mechanisme in te voeren dat aansluit bij de geest van de artikelen 8, 9 en 96 van de Overeenkomst van Cotonou;

3.  vindt dat de handelsonderhandelingen en ­overeenkomsten van de EU met derde landen een clausule op het gebied van mensenrechten dienen te omvatten en een effectbeoordeling vooraf, waarin gekeken wordt naar de mensenrechtensituatie met betrekking tot alle partijen bij die overeenkomsten; is van oordeel dat deze analyse ook moet bestaan uit ontmoetingen met mensenrechtenbeschermers die actief zijn in de desbetreffende landen;

4.  is van oordeel dat, met name wat het onderwerp mensenrechten betreft, het interne en externe beleid van de EU moet stroken met en te allen tijde uitvoering moet geven aan de in titel V, hoofdstuk 1, van het EU-Verdrag vastgelegde beginselen van democratie, de rechtsstaat, en de universaliteit, de onvervreemdbaarheid en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; onderstreept in dit verband dat de internationale geloofwaardigheid van de EU als voorvechtster van mensenrechten afhankelijk is van haar vermogen ervoor te zorgen dat multinationals uit de EU in hun overzeese activiteiten, en met name in ontwikkelingslanden, de mensenrechten eerbiedigen en zich houden aan sociale en milieunormen; dringt aan op de snelle implementatie van het Europees mensenrechtenverdrag, en het Europees handvest van de grondrechten; is van oordeel dat de EU zich bij haar optreden in derde landen aan het Europees mensenrechtenverdrag moet houden, zoals aanbevolen door het Europees Hof voor de rechten van de mens;

5.  verzoekt de Commissie, in haar hoedanigheid van vertegenwoordigster van de Unie en de lidstaten, om bij de WTO en haar leden nadrukkelijk onder de aandacht te brengen dat bij handelsonderhandelingen, en met name die in het kader van de Doha-overeenkomst, voldoende plaats ingeruimd moet worden voor de mensenrechten en sociale, gezondheids- en milieunormen, en verzoekt haar tevens om concreet toe te zien op de toepassing en bevordering van die rechten en normen bij de tenuitvoerlegging van de handelsovereenkomsten; verzoekt de Commissie om de WTO en haar leden ertoe te bewegen als eerste stap de delegaties van de IAO, het secretariaat van het IAB en de secretariaten van de multilaterale en internationale milieuovereenkomsten toe te laten als waarnemer;

6.  dringt er krachtig op aan dat de Unie zich sterk maakt voor het recht op toegang tot natuurlijke hulpbronnen bij de onderhandelingen over handelsovereenkomsten en voor de rechten van autochtone en inheemse bevolkingsgroepen betreffende de toegang tot essentiële natuurlijke hulpbronnen; verzoekt de Commissie om bij onderhandelingen en in internationale handelsovereenkomsten tevens aandacht te schenken aan de problematiek van de aankoop en de eigendom van grond in derde landen, met name de minst ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden;

7.  verzoekt de Commissie uitvoering te geven aan de resolutie van het Parlement van 10 maart 2010 betreffende SAP+; verzoekt haar derhalve een consistenter en billijker toetsingssysteem te ontwikkelen voor alle landen die worden gesteund krachtens dit systeem, om op duidelijke, transparante en voor tegenspraak vatbare wijze successen en tegenslagen in de ontwikkeling van mensenrechten te bewaken, met inbegrip van sociale, economische, culturele en milieurechten;

8.  is niettemin ook van mening dat met het unilateraal vasthouden aan de praktische geldigheid van universele mensenrechten het feit wordt genegeerd dat voor de uitvoering hiervan ook financiële middelen nodig zijn, die onder de gegeven omstandigheden niet alleen door de jonge industrielanden en ontwikkelingslanden kunnen worden opgebracht;

9.  wijst met klem op het feit dat de TRIPs-overeenkomst bedoeld is voor het bevorderen van het recht op gezondheid; is van mening dat de EU erop moet toezien dat handelsovereenkomsten die TRIPs-Plus-bepalingen bevatten de mensenrechten volledig eerbiedigen en op proactieve wijze het recht op gezondheid moeten bevorderen, met name in ontwikkelingslanden;

10. is in deze context van mening dat het Parlement in toekomstige wetgeving zou moeten aandringen op een regeling waarbij handelsvoordelen, waaronder begrepen uit vrijhandelsovereenkomsten afkomstige handelsvoordelen, door de Commissie alleen tijdelijk kunnen worden opgeschort, indien er voldoende bewijs wordt gevonden van schendingen van mensenrechten of rechten van werknemers, of kunnen worden opgeschort door hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter indien een bepaald aantal lidstaten en/of het Europees Parlement hierom verzoeken;

11. is van oordeel dat de EU de mensenrechtenclausules in de handelsovereenkomsten die zij sluit goed moet controleren en doen naleven; onderstreept het belang van de mogelijkheid van het tijdelijk of definitief opschorten van handelspreferenties in het geval van schendingen van mensen- en in het bijzonder arbeidsrechten; verzoekt de Commissie om informatie over de haalbaarheid van de oprichting van een juridisch bindend arbitrage-orgaan en van de internationale vervolging van multinationals;

12. onderstreept dat er manieren moeten worden gevonden om beschuldigingen van ernstige en systematische schendingen van mensenrechten en rechten van werknemers grondiger te bewaken; stelt in deze context voor eventueel te overwegen om aan volgens de speciale procedures van de VN uitgevoerde onderzoeksmissies EU-vertegenwoordigers (in de huidige situatie vanuit de Commissie of in de toekomst vanuit de EDEO) te laten deelnemen, indien er consequenties zijn voor handelsovereenkomsten van de EU;

13. wijst niettegenstaande de toe te juichen invoering van clausules op sociaal gebied en mensenrechten- en milieugebied in internationale handelsovereenkomsten, op het feit dat het om minimale vereisten en om één van meerdere instrumenten gaat, en benadrukt dat het protectionistische misbruik ervan beslist moet worden voorkomen en dat een benadering van de tenuitvoerlegging van deze clausules dan ook op raadplegingen en de democratische betrekking van alle partijen bij het besluitvormingsproces moet inzetten;

14. dringt er bij de Commissie met klem op aan snel een voorstel in te dienen voor een verordening die de import in de EU verbiedt van goederen die zijn geproduceerd met behulp van moderne vormen van slavernij, arbeid onder dwang, in het bijzonder arbeid onder dwang van bepaalde kwetsbare groepen, en dus met schending van fundamentele mensenrechtennormen, en is van oordeel dat in deze verordening moet worden verwezen naar de rechten bedoeld in zowel het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, als in de verklaring uit 1998 van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende de grondbeginselen en -rechten op het werk; benadrukt dat een dergelijke verordening de EU in staat zou moeten stellen specifieke beweringen te onderzoeken zodra er sterke aanwijzingen zijn voor een schending van deze internationale normen; vraagt de Commissie in de periode tot aan de inwerkingtreding van zo'n verordening de importen strenger te controleren en toezicht uit te oefenen op de naleving van ethische normen in de toeleveringsketen in landen die naar de EU exporteren;

15. roept alle lidstaten op de Verordening (EG) nr. 1236/2005(1) van de Raad van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, ten uitvoer te leggen en alle bepalingen daarin bindend te maken in alle internationale handelsovereenkomsten;

16. is van mening dat sociale rechten universele rechten zijn, die echter niet slechts mogen worden afgekondigd, maar waarvan ook de concrete tenuitvoerlegging moet worden gestimuleerd; roept de Commissie en de lidstaten dan ook op om juist de armste landen van de wereld bij de tenuitvoerlegging van deze rechten solidair te ondersteunen;

17. verzoekt de Commissie Europese exportbepalingen te herzien voor wat betreft het bereik van de overdracht van volgens Europese standaarden gebouwde technologie, waaronder begrepen mobiele telefoons, communicatienetwerken en internetscanning- en censuursoftware, en software voor duaal gebruik voor het verzamelen en onderzoeken van gegevens en data mining, waaronder persoonsgegevens, aan repressieve regimes; vraagt de Commissie een voorstel in te dienen voor een verordening betreffende een nieuw licentiesysteem, als deze herziening vraagt om wetgevende actie;

18. roept op tot regelmatige evaluaties van de verbintenissen op het gebied van de mensenrechten in internationale handelsovereenkomsten;

19. roept de Commissie op de Europese exportbepalingen met betrekking tot de verkoop, levering, overdracht of export van wapens en gerelateerd materieel van alle typen, waaronder begrepen munitie, uitrustingen en reserveonderdelen, aan landen of regimes die deze waarschijnlijk zullen inzetten voor binnenlandse onderdrukking van de maatschappij en mensenrechtenschendingen, te herzien;

20. pleit ervoor om bij een parallel engagement voor de mensenrechten, ontwikkelingshulp en internationale handelsovereenkomsten het regionale ontwikkelingsproces in de zin van de VN-millenniumdoelen duurzaam te versterken;

21. moedigt EU-vertegenwoordigers (in de huidige situatie vanuit de Commissie of in de toekomst vanuit de EDEO) aan hun kennis over mensenrechtensituaties te delen met het bedrijfsleven.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.10.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

50

1

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Gabriele Albertini, Bastiaan Belder, Frieda Brepoels, Elmar Brok, Michael Gahler, Marietta Giannakou, Ana Gomes, Andrzej Grzyb, Heidi Hautala, Richard Howitt, Anneli Jäätteenmäki, Ioannis Kasoulides, Tunne Kelam, Nicole Kiil-Nielsen, Andrey Kovatchev, Wolfgang Kreissl-Dörfler, Vytautas Landsbergis, Krzysztof Lisek, Sabine Lösing, Barry Madlener, Mario Mauro, Kyriakos Mavronikolas, Willy Meyer, Francisco José Millán Mon, Alexander Mirsky, María Muñiz De Urquiza, Norica Nicolai, Raimon Obiols, Kristiina Ojuland, Pier Antonio Panzeri, Ioan Mircea Paşcu, Alojz Peterle, Libor Rouček, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Nikolaos Salavrakos, Jacek Saryusz-Wolski, Adrian Severin, Marek Siwiec, Ernst Strasser, Zoran Thaler, Inese Vaidere, Graham Watson, Boris Zala

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Reinhard Bütikofer, Carlo Casini, Nikolaos Chountis, Monica Luisa Macovei, Marietje Schaake, György Schöpflin, Dominique Vlasto

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Marie-Christine Vergiat

(1)

PB L 200 van 30.7.2005, blz. 1..


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (25.10.2010)

aan de Commissie internationale handel

inzake mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten

2009/2219(INI)

Rapporteur voor advies: Filip Kaczmarek

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  overwegende dat artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bepaalt dat de EU "bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden rekening [houdt] met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking"; wijst erop dat de EU derhalve, alvorens zich aan handelsovereenkomsten te binden, serieus rekening moet houden met alle mogelijke gevolgen voor het ontwikkelingsproces, in de eerste plaats op het punt van de uitbanning van armoede;

2.  herinnert eraan dat in de VN-verklaring van 1986 inzake het recht op ontwikkeling wordt bevestigd dat “het recht op ontwikkeling een onvervreemdbaar mensenrecht is, op grond waarvan ieder mens en alle volkeren er aanspraak op kunnen maken deel te nemen aan, bij te dragen tot en voordeel te hebben van de economische, sociale en culturele ontwikkeling”; is daarom van oordeel dat de EU de verplichting heeft dit recht niet te ondermijnen en het juist in internationale overeenkomsten moet integreren en als richtsnoer bij Europees beleid moet laten dienen;

3.  betreurt het dat het nog steeds ontbreekt aan een holistische benadering van de manier waarop ondernemingen in de gehele wereld de mensenrechten eerbiedigen, wat bepaalde staten en bedrijven de mogelijkheid geeft ze te omzeilen; vraagt de Commissie op OESO-niveau initiatieven te ontwikkelen voor het rationaliseren van en het vaststellen van ijkpunten voor particuliere initiatieven op het gebied van het sociaal verantwoord optreden van ondernemingen, met name door het vaststellen van één referentiedocument over de juiste regels en praktijken waaraan een sociaal verantwoord handelende onderneming zich moet houden;

4.  staat positief tegenover vrijhandelsovereenkomsten en alle pogingen de handel met en tussen de ontwikkelingslanden te bevorderen en ziet deze als een betrouwbare weg naar een solide, duurzame ontwikkeling; bepleit in het bijzonder de instelling van regionale vrijhandelsgebieden als middel om via tariefbeperkingen de handel tussen de ontwikkelingslanden met inachtneming van de WHO-regels te bevorderen;

5.  constateert dat de visserij, vooral de kleinschalige, en de aanverwante bedrijvigheid in een groot aantal ontwikkelingslanden een rol van vitaal belang spelen bij het waarborgen van een ononderbroken voedselvoorziening, het scheppen van banen, het genereren van overheidsinkomsten, het bevorderen van de export en het voortbestaan van plaatselijke gemeenschappen; acht het van essentieel belang dat rekening wordt gehouden met de belangen van de plaatselijke bevolking en hun soevereine rechten op de natuurlijke hulpbronnen; is er bezorgd over dat illegale visserij kan bijdragen tot migratie en de duurzame ontwikkeling ernstig kan schaden; benadrukt daarom dat visserijovereenkomst van de EU en ontwikkelingslanden bijdragen aan de bevordering van de binnenlandse visserijnijverheid, met in het bijzonder de nadruk op kleine en middelgrote vissers en visserijbedrijven, de bewaking van de visbestanden, de bestrijding van overbevissing en illegale visserij, de bescherming van de biodiversiteit en de ondersteuning en bevordering van de verhoging van de normen op het gebied van hygiëne en gezondheid;

6.  vraagt de EU om door middel van haar handelsovereenkomsten een sociaal verantwoord optreden van ondernemingen actief te bevorderen om tot een zich in maatschappelijk en ecologisch opzicht sterker op ethische normen oriënterend handelsmilieu in de wereld te komen;

7.  dringt er bij de Commissie op aan de eerbiediging van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO als voorwaarde te stellen bij het aangaan van handelsovereenkomsten en te bevorderen dat men zich op brede schaal houdt aan programma’s die de rechten van werknemers en het milieu beschermen, zoals het initiatief voor transparantie van de mijnbouwindustrie of het Kimberly-proces in de diamantindustrie; is in dit verband verheugd over de nieuwe wet betreffende "conflictmineralen" van de VS en verzoekt de Commissie en de Raad een wetgevingsinitiatief in deze zin te onderzoeken;

8.  wenst dat de handelsovereenkomsten van de EU daadwerkelijk voorzien in de hoogste niveaus aan transparantie, strikte normen voor overheidsopdrachten en rapportage per land door ondernemingen in zowel industrielanden als ontwikkelingslanden teneinde onwettige kapitaalvlucht te bestrijden;

9.  constateert dat de gevolgen van de klimaatverandering in de eerste plaats in de ontwikkelingslanden worden gevoeld en dat het voornamelijk de industrielanden zijn die voor dit verschijnsel verantwoordelijk zijn; is daarom van oordeel dat de handelsbetrekkingen van de EU niet alleen het ontstaan van milieuschade uit de weg moeten gaan maar ook in de gehele wereld actief aan een duurzame ontwikkeling moeten bijdragen;

10. wijst op de enorme capaciteits- en potentieelverschillen tussen de economieën van de industrielanden en die van de armste staten; drukt de Commissie daarom op het hart om bij haar benadering van de onderhandelingen over economische partnerschapsovereenkomsten meer rekening te houden met de behoeften van de ACS-landen en ervoor te zorgen dat landen die er de voorkeur aan geven geen economische partnerschapsovereenkomsten te sluiten daarvan geen nadelige gevolgen ondervinden;

11. vraagt de Commissie om ter bevordering van de mensenrechten beter gebruik te maken van de aan vervulling van voorwaarden gekoppelde mechanismen in instrumenten als het stelsel van algemene tariefpreferenties en de Overeenkomst van Cotonou; verzoekt de Commissie met nadruk meer steun in derde landen te geven voor de ontwikkeling van gerechtelijke instanties die ondernemingen kunnen aanspreken op schendingen van de mensenrechten;

12. vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de parlementen van de partnerlanden bij handelsbesprekingen worden betrokken om een behoorlijk bestuur en de uitoefening van democratisch toezicht in de ontwikkelingslanden te bevorderen.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

25.10.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

15

2

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Michael Cashman, Nirj Deva, Leonidas Donskis, Catherine Grèze, Eva Joly, Filip Kaczmarek, Franziska Keller, Gay Mitchell, Bill Newton Dunn, Birgit Schnieber-Jastram

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Eduard Kukan, Judith Sargentini, Horst Schnellhardt, Patrizia Toia

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Eider Gardiazábal Rubial, Jolanta Emilia Hibner, Paul Rübig


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (3.5.2010)

aan de Commissie internationale handel

inzake mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten

(2009/2219(INI))

Rapporteur voor advies: Richard Howitt

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  verzoekt de Europese Unie de beginselen van geleide en eerlijke handel, die de ontwikkeling hebben gekenmerkt van haar lidstaten en van succesvolle ontwikkelingslanden, met inbegrip van de Aziatische "tijgers", te handhaven en protectionisme te verwerpen, evenals iedere poging om de legitieme relatieve voordelen van ontwikkelingslanden die de mensenrechten, de rechten van werknemers en de vakbondsrechten eerbiedigen, af te zwakken, en WTO-artikel XXIV anders te interpreteren dan momenteel gebeurt zodat kwetsbare productie- en andere sectoren van handelsovereenkomsten kunnen worden uitgesloten, wanneer dit gerechtvaardigd is;

2.  bevestigt dat in alle handelsovereenkomsten verplicht moet worden gesteld dat de partijen de kernnormen zoals vastgelegd in de verklaring van de IAO over de fundamentele beginselen en rechten, hebben geratificeerd, ten uitvoer hebben gelegd en effectief hebben toegepast, en dat het hoofdstuk over duurzame ontwikkeling dezelfde bindende status heeft als de bepalingen betreffende markttoegang en onder dezelfde regeling voor het beslechten van geschillen valt;

3.  benadrukt dat de Commissie, naast haar daadwerkelijke samenwerking met de IAO en andere verdragsorganen, ook moet voortgaan met de vervulling van haar taak van het evalueren van de gevolgen van handelsonderhandelingen voor sociale, milieu- en mensenrechten, met bijzondere aandacht voor de bevordering van fatsoenlijk werk voor iedereen, en dat zij vakbonden als erkende sociale partners en uit de EU en uit derde landen afkomstige ngo's werkzaam op milieu- en sociaal gebied op transparante wijze moet blijven raadplegen in alle stadia van het onderhandelings- en uitvoeringsproces van handelsovereenkomsten om te waarborgen dat deze organisaties daadwerkelijk het recht hebben om kwesties aan de kaak te stellen en bezwaren te uiten, opdat de Commissie deze zelf later kan behandelen en eventueel maatregelen kan nemen;

4.  wenst dat in toekomstige handelsovereenkomsten en in de herziene SAP+-verordening onsamenhangende punten en bestaande tekortkomingen op het gebied van transparantie en billijke procedures worden weggenomen door toepassing van transparante benchmarks en criteria over de naleving van de rechten van werknemers en milieu- en mensenrechten in partnerlanden, zo nodig met inbegrip van specifieke aanbevelingen voor verbeteringen;

5.  is verheugd over het gebruik van duurzaamheidseffectbeoordelingen, maar betreurt dat niet altijd volledig naar de uitkomsten ervan wordt gehandeld, zoals in West-Afrika, de landen uit het Middellandse Zeegebied en Colombia en de ruimere Amerikaanse regio's; roept op meer nadruk te leggen op het aanwenden van de invloed die de EU zowel vóór de sluiting als tijdens de uitvoering van handelsovereenkomsten kan hebben bij het nastreven van concrete verbeteringen op het gebied van de mensenrechten, arbeidsnormen, duurzame ontwikkeling en behoorlijk bestuur;

6.  erkent dat de huidige en toekomstige handelsovereenkomsten tot stand komen in een tijd van economische depressie, die het aantal werklozen in de OESO-landen naar verwachting met acht miljoen zal doen toenemen in twee jaar tijd, dat door productieverplaatsing vele banen verloren gaan, bijvoorbeeld in Ierland en Portugal (één op vier), Denemarken (één op zes) en Estland en Slovenië (één op zeven), en dat het handelsbeleid van de EU gericht moet zijn op de voorkoming van een onevenredige of te snelle afname van het EU-marktaandeel en de werkgelegenheid in alle sectoren en indien noodzakelijk moet zorgen voor een grotere markttoegang voor exporteurs van de Europese Unie; wenst dat handelsovereenkomsten worden gesloten met inachtneming van het toepassingsgebied van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering, teneinde herstructureringsactiviteiten voldoende te kunnen ondersteunen;

7.  wenst dat tijdens de handelsonderhandelingen van de EU de verplichtingen en de rechten van investeerders en ondernemingen, zoals bepaald in het proces van Heiligendamm, dat werd opgestart door het voormalige Duitse voorzitterschap van de Raad met de IAO, de OESO en de VN, worden bevorderd; wijst erop dat in het hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling, in overeenstemming met de nieuwe regels inzake verantwoord investeren op basis van de relevante bepalingen van het Verdrag van Lissabon, alle regels inzake investeringen moeten zijn opgenomen die zijn vastgelegd in vrijhandelsovereenkomsten; is van mening dat in handelsovereenkomsten de naleving verplicht moet worden gesteld van de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, de Tripartiete Verklaring van de IAO over multinationale ondernemingen en sociaal beleid, het Global Compact-initiatief van de VN en de aanbevelingen van de speciale vertegenwoordiger van de VN inzake het bedrijfsleven en mensenrechten;

8.  wenst dat klachten over sociale problemen ter oplossing aan daadwerkelijk onafhankelijke deskundigen worden voorgelegd, en dat hierbij representatieve maatschappelijke en werknemersorganisaties worden betrokken; is van mening dat minstens één van de betrokken deskundigen afkomstig moet zijn van de IAO en dat hun aanbevelingen een onderdeel moeten vormen van een duidelijk omlijnd proces dat een snelle behandeling van de aangekaarte kwesties mogelijk maakt, zodat de beraadslagingen van de deskundigen niet beperkt blijven tot verslagen en aanbevelingen, maar uitmonden in bepalingen voor permanente follow-up en herziening, met name om druk te blijven uitoefenen op regeringen die toelaten dat de rechten van werknemers worden geschonden op hun grondgebied;

9.  benadrukt dat de opname in handelsovereenkomsten van "Mode IV" over het tijdelijke verkeer van werknemers afhankelijk moet zijn van de naleving van de fundamentele arbeidsnormen, met inbegrip van regels op het vlak van de verblijfsduur, het minimumloon en collectieve loonovereenkomsten, nationale arbeidsnormen en collectieve overeenkomsten door partnerlanden;

10. verzoekt de EU haar steun te verlenen aan de uitbreiding van het mechanisme voor herziening van het handelsbeleid van de WTO met de handelsgerelateerde aspecten van duurzame ontwikkeling, waaronder de naleving van de fundamentele arbeidsnormen en wijziging van de definitie van het begrip "subsidie" in de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen, om ervoor te zorgen dat in exportproductiezones de fundamentele arbeidsnormen worden nageleefd en de mensenrechten worden geëerbiedigd; vraagt eveneens dat de delegatie van de EU in Genève de informele groep "vrienden van de arbeid", die werd opgericht om de arbeidsnormen te bevorderen bij de WTO, nieuw leven inblaast en handhaaft;

11. vraagt dat alle toekomstige handelsovereenkomsten voorzien in een verbod op kinderarbeid, met name met betrekking tot de winning en verwerking van natuursteen, en een uniform Europees certificatiesysteem omvatten dat waarborgt dat kan worden aangetoond dat ingevoerde natuursteen en natuursteenproducten doorheen de hele waardeketen werden geproduceerd zonder een beroep te doen op kinderarbeid, in de zin van IAO-verdrag nr. 182.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.4.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

21

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Regina Bastos, Edit Bauer, Jean-Luc Bennahmias, Pervenche Berès, Mara Bizzotto, Martin Callanan, David Casa, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Philip Claeys, Derek Roland Clark, Sergio Gaetano Cofferati, Marije Cornelissen, Tadeusz Cymański, Frédéric Daerden, Proinsias De Rossa, Sari Essayah, João Ferreira, Pascale Gruny, Thomas Händel, Marian Harkin, Roger Helmer, Stephen Hughes, Liisa Jaakonsaari, Danuta Jazłowiecka, Ádám Kósa, Jean Lambert, Veronica Lope Fontagné, Olle Ludvigsson, Elizabeth Lynne, Thomas Mann, Elisabeth Morin-Chartier, Csaba Őry, Siiri Oviir, Rovana Plumb, Konstantinos Poupakis, Sylvana Rapti, Licia Ronzulli, Elisabeth Schroedter, Jutta Steinruck, Traian Ungureanu

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Raffaele Baldassarre, Filiz Hakaeva Hyusmenova, Véronique Mathieu, Gesine Meissner, Ria Oomen-Ruijten, Evelyn Regner, Csaba Sógor, Emilie Turunen, Gabriele Zimmer


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (28.4.2010)

aan de Commissie internationale handel

inzake mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten

(2009/2219(INI))

Rapporteur voor advies: Thomas Ulmer

SUGGESTIES

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.   is van mening dat bij de sluiting van handelsovereenkomsten maatregelen moeten worden genomen inzake de naleving van belangrijke milieu- en gezondheidsnormen en van bepaalde aspecten in verband met de gezondheid van dieren;

2.   erkent dat handelsovereenkomsten via verbindende verplichtingen verbeteringen in milieu- en mensenrechtennormen kunnen bevorderen, mits er maatregelen worden genomen om dergelijke verplichtingen naar behoren uit te voeren, te monitoren en te doen naleven;

3.   verzoekt de Commissie met klem te streven naar de vastlegging van mensenrechten en milieu- en gezondheidsnormen in de bilaterale handelsovereenkomsten waarover zij momenteel onderhandelingen voert met Zuid-Korea, Peru, Colombia, India, de ACS-landen, de Samenwerkingsraad van de Golf en een reeks van landen die deelnemen aan het Europees nabuurschapsbeleid (ENB), en daarbij specifiek aandacht te schenken aan de rechten van werknemers en de bescherming van vrouwen en kinderen, evenals aan normen voor klimaatverandering, productveiligheid en consumentenvoorlichting;

4.   merkt op dat maatregelen en beleid tegen klimaatverandering in toenemende mate het terrein van de internationale handel raken, en verzoekt de Wereldhandelsorganisatie om het vraagstuk van de klimaatverandering verder in zijn werkprogramma te integreren en specifieke regels en normen in dit kader vast te stellen;

5.   is van oordeel dat de Wereldhandelsorganisatie moet toezien op naleving van de verplichtingen en dringt erop aan dat de Commissie, als de vertegenwoordiger van de Europese Unie bij de Wereldhandelsorganisatie, zich nauw laat betrekken bij het toezicht;

6.   verzoekt om harmonisatie van milieunormen en gezondheidseisen als ultiem doel om mondiaal te bereiken, en benadrukt de noodzaak om dergelijke normen op regionaal niveau te ontwikkelen en te verbeteren bij de tenuitvoerlegging van handelsovereenkomsten;

7.   is van oordeel dat naleving van sociale, gezondheids- en milieunormen een voorwaarde moet zijn voor het beginnen van onderhandelingen over handelsovereenkomsten;

8.   verlangt de invoering van een bindend orgaan voor geschillenbeslechting;

9.   pleit ervoor preferenties toe te staan voor nieuwe industrielanden, mits zij blijk geven van vastberadenheid om de Europese sociale, gezondheids- en milieunormen na te leven; omschrijft nieuwe industrielanden als landen die niet meer alle typerende kenmerken van ontwikkelingslanden vertonen en waarbij er van uitgegaan kan worden dat de economische specifieke dynamiek van die landen hen binnen afzienbare tijd in staat stelt de typerende structurele kenmerken van een ontwikkelingsland te overwinnen;

10. dringt er bij de Commissie op aan van de Wereldhandelsorganisatie(WTO) te verlangen dat deze in geschillen haar besluiten niet uitsluitend vanuit een handelsstandpunt neemt; is van mening dat de toelaatbaarheid van grensoverschrijdende maatregelen op het gebied van milieu- en gezondheidsbescherming echter niet afhankelijk mag zijn van de vraag of deze volgens de WTO al dan niet leiden tot een verstoring van vrije handel;

11. stelt vast dat de onderhandelingen over toekomstige handelsovereenkomsten tegen de achtergrond van de huidige financiële crisis gevoerd zouden kunnen worden; is van mening dat dit er echter niet toe mag leiden dat, met het oog op de verwezenlijking van andere doelen, wordt voorbijgegaan aan sociale en milieunormen, met name voor de uitstoot van broeikasgassen en het beheer van gevaarlijke afvalstoffen;

12. erkent dat hoge normen voor milieubescherming en arbeidsrechten in de EU een concurrentienadeel kunnen betekenen voor Europese bedrijven die concurreren met producten en diensten van derde landen waar de normen op dit gebied op een lager peil staan; is van oordeel dat door voorwaarden die aan handelsovereenkomsten worden verbonden een verbetering en versterking van deze normen in derde landen kan worden bereikt om zo een gelijker speelveld voor Europese bedrijven te bewerkstelligen en tegelijkertijd de bescherming van het milieu en van de mensenrechten en sociale en arbeidsrechten in die derde landen te verbeteren;

13. is van mening dat de Wereldhandelsorganisatie en haar lidstaten overeenstemming dienen te bereiken over de totstandbrenging van een open mondiale markt voor milieugoederen, -diensten en -technologieën teneinde de internationale handel te versterken en om een situatie te creëren waarin groene technologieën en investeringen zich vrijelijk kunnen verspreiden door heel de mondiale economie;

14. verzoekt de Commissie om aan te dringen op de sluiting van een overeenkomst betreffende milieugoederen en -diensten als onderdeel van de WTO-handelsbesprekingen in het kader van de Doha-ronde, met als doel de handel in belangrijke klimaatvriendelijke technologieën te liberaliseren;

15. verzoekt de Commissie de handelsovereenkomsten regelmatig te evalueren en het Parlement ter zake van de evaluatie regelmatig op de hoogte te houden en te informeren, waarbij er tevens op moet worden gelet dat de binnenlandse en internationale regelgevingsorganen, de vakbonden en de niet-gouvernementele organisaties samenwerken en de naleving van de sociale, gezondheids- en milieunormen wordt gewaarborgd;

16. onderstreept dat de handelssector en de naleving van sociale, mensenrechten- en milieunormen belangrijk zijn voor het bewaren van vrede en welvaart in de wereld, maar dat daarmee niet alle problemen tussen de staten in de wereld kunnen worden opgelost; merkt echter op dat een politieke impasse kan worden overwonnen door een versterking van de handelsbetrekkingen, waarbij gemeenschappelijke belangen worden geformuleerd, met name op het gebied van milieubescherming, als methode om conflicten op te lossen;

17. verzoekt de Commissie, op grond van de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie, het Parlement tijdens onderhandelingen over internationale handelsovereenkomsten voortdurend op de hoogte te houden van alle relevante aangelegenheden;

18. verzoekt de Commissie, met het oog op de ruimere bevoegdheden van het Parlement uit hoofde van het Verdrag van Lissabon, te zorgen voor een doeltreffende informatiestroom en het Parlement via zijn afgevaardigde vertegenwoordigers op elk moment de status van waarnemer te geven, waardoor het tevens toegang krijgt tot alle relevante vergaderingen en documenten.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.4.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

52

0

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

János Áder, Elena Oana Antonescu, Kriton Arsenis, Pilar Ayuso, Paolo Bartolozzi, Sandrine Bélier, Sergio Berlato, Martin Callanan, Nessa Childers, Chris Davies, Esther de Lange, Anne Delvaux, Edite Estrela, Elisabetta Gardini, Françoise Grossetête, Satu Hassi, Dan Jørgensen, Karin Kadenbach, Christa Klaß, Holger Krahmer, Jo Leinen, Corinne Lepage, Peter Liese, Linda McAvan, Radvilė Morkūnaitė-Mikulėnienė, Miroslav Ouzký, Vladko Todorov Panayotov, Gilles Pargneaux, Antonyia Parvanova, Andres Perello Rodriguez, Mario Pirillo, Frédérique Ries, Anna Rosbach, Oreste Rossi, Dagmar Roth-Behrendt, Daciana Octavia Sârbu, Carl Schlyter, Richard Seeber, Theodoros Skylakakis, Catherine Soullie, Anja Weisgerber, Glenis Willmott, Sabine Wils, Marina Yannakoudakis

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Matthias Groote, Marisa Matias, Michèle Rivasi, Michail Tremopoulos, Thomas Ulmer, Anna Záborská

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Barbara Matera, Søren Bo Søndergaard


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

26.10.2010

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

22

2

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

William (The Earl of) Dartmouth, Kader Arif, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, Marielle De Sarnez, Harlem Désir, Christofer Fjellner, Joe Higgins, Yannick Jadot, Bernd Lange, Vital Moreira, Tokia Saïfi, Helmut Scholz, Gianluca Susta, Keith Taylor, Jan Zahradil, Pablo Zalba Bidegain

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Catherine Bearder, George Sabin Cutaş, Béla Glattfelder, Małgorzata Handzlik, Salvatore Iacolino, Elisabeth Köstinger, Jarosław Leszek Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Jean-Pierre Audy, Ricardo Cortés Lastra, Jelko Kacin, Vytautas Landsbergis, Evžen Tošenovský

Laatst bijgewerkt op: 12 november 2010Juridische mededeling