Procedure : 2010/2301(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0141/2012

Ingediende teksten :

A7-0141/2012

Debatten :

PV 22/05/2012 - 13
CRE 22/05/2012 - 13

Stemmingen :

PV 23/05/2012 - 8.5
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2012)0218

VERSLAG     
PDF 334kWORD 210k
20 april 2012
PE 478.356v03-00 A7-0141/2012

over de EU en China: handelsonevenwicht?

(2010/2301(INI))

Commissie internationale handel

Rapporteur: Marielle De Sarnez

ERRATA/ADDENDA
AMENDEMENTEN
ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie
 ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over de EU en China: handelsonevenwicht?

(2010/2301(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de artikelen 2, 3, 6 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gezien de artikelen 153, 191, 207 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de artikelen 12, 21, 28, 29, 31 en 32 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien het Protocol inzake de toetreding van de Volksrepubliek China tot de Wereldhandelsorganisatie van 23 november 2001,

–   gezien zijn resolutie van 5 februari 2009 en het verslag van zijn Directoraat-generaal extern beleid van juli 2011 over de handels- en economische betrekkingen met China(1),

–   gezien het gezamenlijke communiqué van de dertiende EU-China-top, die plaatsvond op 6 oktober 2010 in Brussel,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Handel, groei en wereldvraagstukken –Handelsbeleid als kernelement van de Europa 2020-strategie" (COM(2010)0612) en zijn resolutie van 27 september 2011 over een nieuw handelsbeleid voor Europa in het kader van de Europa 2020-strategie(2),

–   gezien zijn resolutie van 19 februari 2008 over de strategie van de EU voor markttoegang ten behoeve van Europese exporteurs(3),

–   gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap en de mededeling van de Commissie van 6 december 2006 getiteld "Europa als wereldspeler: de handelsbeschermingsinstrumenten van Europa in een veranderende wereldeconomie",

–   gezien de mededeling van de Commissie van 24 mei 2011 getiteld "Een eengemaakte markt voor intellectuele-eigendomsrechten", het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten door de douane (COM(2011)0285), het verslag van de Commissie van 14 juli 2011 over de handhaving van de intellectuele-eigendomsrechten door de Europese douane en zijn resolutie van 18 december 2008 over de impact van namaak op de internationale handel,

–   gezien het verslag van de Wereldhandelsorganisatie van 5 juli 2011 betreffende de maatregelen van China inzake de uitvoer van diverse grondstoffen en zijn resolutie van 13 september 2011 over een doeltreffende grondstoffenstrategie voor Europa(4),

   gezien zijn resolutie van 13 december 2011 over handels- en investeringsbelemmeringen(5),

–   gezien zijn resolutie van 6 april 2011 over het toekomstig Europees internationaal investeringsbeleid(6),

–   gezien zijn resoluties van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(7), over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten(8) en over het internationaal handelsbeleid in de context van de klimaatveranderingsvereisten(9),

–   gezien zijn resolutie van 24 april 2008 over een routekaart voor hervorming van de Wereldhandelsorganisatie(10) en zijn resolutie van 14 september 2011 over de stand van de onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda van Doha(11),

   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement getiteld "EU – China: Hechtere partners, groeiende verantwoordelijkheden" (COM(2006)0631) en het begeleidende beleidsdocument getiteld "Concurrentie en partnerschap – Het handels- en investeringsbeleid van de EU ten aanzien van China" (COM(2006)0632),

–   gezien zijn resolutie van 5 februari 2009 over versterking van de rol van Europese kmo's in de internationale handel(12),

–   gezien de conclusies van de Europese Raad van 23 oktober 2011 en de slotverklaring van de G20-top, afgelegd in Cannes op 4 november 2001, getiteld "Building our common future: renewed collective action for the benefit of all",

   gezien het witboek van de Chinese regering van 23 december 2010 over de samenwerking tussen China en Afrika op het gebied van handel en economie,

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A7-0141/2012),

A. overwegende dat China in 2001 tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) is toegetreden en dat het land vervolgens is uitgegroeid tot de grootste uitvoerder van goederen ter wereld – goed voor 10,36% van de uitvoer in 2010 – en tot de tweede economische wereldmacht;

B.  overwegende dat de EU de belangrijkste afzetmarkt is voor de Chinese uitvoer, die tussen 2009 en 2010 met 39,5% is gegroeid, en dat China de tweede handelspartner van de EU is;

C. overwegende dat de EU Japan heeft vervangen als belangrijkste bron van invoer van China; dat de toenemende Chinese import een essentiële rol heeft gespeeld in de recente economische resultaten van exportgerichte EU-lidstaten, zoals Duitsland;

D. overwegende dat de sterkere ontwikkeling van zijn economie en zijn toetreding tot de WTO China niet alleen omvangrijke winsten opleveren maar ook een zwaardere verantwoordelijkheid geven om een positieve rol te spelen in de economische wereldorde, met name in het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbankgroep;

E.  overwegende dat sinds de ondertekening van de samenwerkingsovereenkomst EU-China in 1985 de bilaterale handelsbetrekkingen aanzienlijk ontwikkeld zijn en dat het dus essentieel is dat die overeenkomst wordt aangepast aan de huidige economische toestand; dat de Commissie in 2006 haar centrale beleidsstrategie ten opzichte van China heeft aangenomen en in het kader daarvan in januari 2007 onderhandelingen is begonnen over een alomvattend partnerschaps- en samenwerkingsakkoord ten einde de betrekkingen tussen de EU en China op het gebied van handel en investeringen verder te verbeteren;

F.  overwegende dat de bilaterale handel tussen de EU en China de voorbije dertig jaar een snelle en voortdurende groei heeft gekend, waarbij de totale bilaterale handel in 2010 wel 395 miljard euro bedroeg; dat de bilaterale handel sinds 1997 een wanverhouding in het voordeel van China vertoont en dat dit handelstekort in 2010 neerkwam op 168,8 miljard euro tegenover 49 miljard euro in 2000, terwijl de toevoegde waarde van Chinese exportproducten erg klein is als de waarde van onderdelen die uit de EU en andere landen zijn ingevoerd, ervan wordt afgetrokken; en dat nagenoeg 85% van alle uitvoerhandel die voortvloeit uit assemblageactiviteiten, wordt gerealiseerd door buitenlandse ondernemingen met vestigingen in China;

G. overwegende dat het bedrag aan buitenlandse investeringen van de EU in China in 2010 4,9 miljard euro beliep en dat het bedrag aan buitenlandse investeringen van China in de EU datzelfde jaar 0,9 miljard euro beliep;

H. overwegende dat de verschillen die de maatschappelijke, economische en democratische modellen van China en de EU van elkaar onderscheiden, alsook hun respectieve demografische situatie en hun natuurlijke hulpbronnen, een belangrijke rol spelen in de handelsonevenwichtigheden die tussen beide regio's bestaan;

I.   overwegende dat China niet zozeer op commercieel als wel op industrieel vlak een uitdaging vormt, en dat Europa een ambitieus industriebeleid op Europese schaal dient te voeren, aangezien met een zuiver nationale aanpak geen samenhangende communautaire aanpak ten opzichte van China mogelijk is;

J.   overwegende dat de overbrenging van de productie van een groot aantal consumptiegoederen naar China in de Europese Unie veel banen verloren heeft doen gaan; dat die overbrenging ook gepaard ging met spectaculaire prijsdalingen, waardoor veel van die consumptiegoederen in de Europese Unie betaalbaar werden voor gezinnen met een laag inkomen en de inflatie relatief laag bleef;

K. overwegende dat de deelnemers aan de jongste conferentie van de Verenigde Naties over de klimaatverandering, die in Durban plaatsvond, niet tot een bindende overeenkomst zijn gekomen en dat de verbintenissen die sommige landen zijn aangegaan om hun broeikasgasemissies te beperken, ontoereikend zijn daar de tijd dringt om overeenkomstig de klimaatveranderingsagenda de temperatuur in de loop van de 21e eeuw met niet meer dan twee graden te laten stijgen;

L.  overwegende dat de economische groei in Europa naar verwachting veel zwakker zal zijn dan die van China, die in 2012 zou uitkomen op circa 9%;

M. overwegende dat het soort interne economische onevenwichtigheden waaronder de Europese economieën gebukt gaan, zich ook in de Chinese economie aan het ontwikkelen zijn, niet het minst in de vastgoedsector, getuige de recente woningbouwzeepbel;

N. overwegende dat het effect van het gemeenschappelijke handelsbeleid van de EU soms in gevaar wordt gebracht door de uiteenlopende nationale belangen die door de lidstaten ten opzichte van China worden nagestreefd;

O. overwegende dat de sociale kostprijs die samenhangt met de huidige economische crisis, hoog is; dat de arbeidsparticipatie in de Europese Unie met 1,8% gedaald is, waardoor 9,6% van de beroepsbevolking (23 miljoen mensen) momenteel geen baan heeft, dat het werkloosheidspercentage bij jongeren 21% bedraagt, dat de vooruitzichten voor de heropleving van de werkgelegenheid onzeker blijven en dat 17% van de burgers van de Unie het gevaar loopt in armoede te vervallen;

P.  overwegende dat China, sinds het in 2001 tot de WTO is toegetreden, de WTO-regels moet naleven, zijn handel dient te liberaliseren en zijn markt dient te openen; overwegende dat de inspanningen die het land daartoe heeft gedaan, tot dusver hoegenaamd niet bevredigend zijn;

Q. overwegende dat de toetreding van China tot de overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA) er gemakkelijker op zou moeten worden als het toepassingsgebied van de GPA-regels via een herziening wordt uitgebreid, zoals overeengekomen tijdens de jongste ministerconferentie van de WTO op 15 december 2011;

R.  overwegende dat de pogingen van Europese ondernemingen om toegang te krijgen tot de Chinese markt, worden belemmerd door het dirigistische industriebeleid van de Chinese regering, de ontoereikende bescherming van intellectuele eigendom, een dubbelzinnig normensysteem naar zowel inhoud als toepassing, en andere niet-tarifaire en technische handelsbelemmeringen;

S.  overwegende dat de onderwaardering van de yuan China kunstmatige handelsvoordelen blijft opleveren en dat de lidstaten van de G20 zich ertoe verbonden hebben flexibeler wisselkoersen te bevorderen;

T.  overwegende dat de EU in 2010 aan haar buitengrenzen meer dan 103 miljoen artikelen, met een totale waarde van 1,11 miljard euro, in beslag heeft genomen die verdacht werden van schending van intellectuele-eigendomsrechten (IER); dat 85% van die goederen afkomstig was uit China; dat de bescherming van IER voor een groot stuk afhangt van de correcte toepassing van de bestaande wetgeving en internationale afspraken, waaronder strafbepalingen; dat dergelijke goederen vaak worden geproduceerd op plaatsen waar ook reguliere goederen worden vervaardigd, vaak zonder inachtneming van het arbeidsrecht en de gezondheids- en veiligheidsnormen, wat de consumenten en, in het geval van chemische producten, ook het milieu in het algemeen in gevaar brengt;

U. overwegende dat China volgens zijn twaalfde vijfjarenplan, waarvan een aantal doelstellingen vergelijkbaar zijn met die van de Europa 2020-strategie, de intentie heeft de strategische sectoren energie, bouw en vervoer te ontwikkelen en geconfronteerd zal worden met grote behoeften in de dienstensector; dat dit wellicht nieuwe investeringskansen zal bieden voor Europese bedrijven en voor nauwere samenwerking;

De toegang tot de markt verbeteren

1.  verzoekt de Commissie het wederkerigheidsbeginsel toe te passen op het gemeenschappelijk handelsbeleid van de EU met ontwikkelde en opkomende landen zoals China om de eerlijke concurrentie te herstellen en een grotere gelijkheid van behandeling te garanderen;

2.  verwelkomt de versterking van de economische betrekkingen tussen de Europese Unie en China; roept de EU en China op een partnerschapsrelatie met wederzijdse voordelen na te streven in plaats van bikkelharde concurrentie en confrontaties aan te gaan;

3.  stelt vast dat de Chinese economie niet voldoet aan de criteria van een markteconomie zoals gedefinieerd door de WTO; roept de Commissie op met de Chinese regering samen te werken om tegen 2016, wanneer de WTO het land waarschijnlijk de status van markteconomie zal verlenen, alle resterende hinderpalen uit de weg te ruimen; benadrukt dat die status slechts vóór die datum mag worden verleend op voorwaarde dat China aan alle criteria voldoet; dringt erop aan dat de EU regelmatig via jaarverslagen beoordeelt in hoeverre China de verplichtingen van het protocol betreffende zijn toetreding tot de WTO nakomt;

4.  neemt weliswaar aan dat de objectieve voorwaarden waaraan China moet voldoen om de status van markteconomie te verkrijgen, in de nabije toekomst waarschijnlijk niet vervuld zullen worden, maar roept de Commissie toch op uiterlijk eind 2012 aan het Parlement een voorstel voor te leggen inzake de maatregelen die zij denkt te nemen voordat de EU die status erkent;

5.  betreurt dat er op de Chinese markt veel tarifaire en non-tarifaire belemmeringen bestaan, zoals bepaalde discriminaties ten aanzien van buitenlandse marktdeelnemers, met name in de bank-, verzekerings- en telecommunicatiesector, en dat de tariefstructuur en de technische handelsbelemmeringen zo complex zijn, zoals het gebrek aan transparantie van de technische regels en de conformiteitsbeoordelingsprocedures en van het Chinese verplichte certificatiesysteem (CCC); betreurt dat China, in tegenstelling tot de bepalingen van de WTO-overeenkomst inzake subsidies en compenserende maatregelen (OSCM), zijn specifieke subsidies niet stelselmatig aanmeldt;

6.  wijst erop dat China ruimschoots profiteert van handelsvoordelen ten opzichte van de EU dankzij doelgerichte overheidssubsidies via de meest uiteenlopende juridische constructies; dringt er bij China op aan zijn programma's voor staatssteun aan te passen aan de betreffende wetgeving van de WTO; verzoekt de Commissie bovendien de antisubsidieverordening te hervormen zodat de EU doeltreffend kan reageren op de grote uitdagingen die door China worden gesteld;

7.  stelt vast dat China het betreurt dat er voor de handel met de Europese markt belemmeringen bestaan, zoals de aanzienlijke landbouwsubsidies die de EU aan de Europese landbouwers toekent, het ingewikkelde stelsel van landbouwtarieven, de technische handelsbelemmeringen en de belemmeringen die in het leven zijn geroepen om investeringen van derde landen in bepaalde lidstaten te verhinderen;

8.  maakt zich zorgen over het gebrek aan betrouwbaarheid van het rechtsstelsel, dat tekortschiet om contractuele verplichtingen te doen naleven, en over het gebrek aan transparantie en eenvormigheid bij de toepassing van het regelgevingsstelsel betreffende investeringen;

9.  is bezorgd over het gebrek aan voorspelbaarheid en openbaarheid van de technische regels en normen voor producten, met name op het vlak van certificering, wat grote handelsbelemmeringen veroorzaakt voor de ondernemingen die naar China uitvoeren;

10. verzoekt China de internationale normen voor producten en diensten aan te nemen om het handelsverkeer tussen China en andere landen verder te bevorderen; is verheugd over de groeiende deelname van China aan de organen die internationale normen vaststellen, en meent dat het land moet worden aangemoedigd op de ingeslagen weg voort te gaan door omgekeerd de EU te betrekken bij de organen die Chinese normen vaststellen; wijst met nadruk op het belang van de conformiteit van Chinese invoer met de Europese normen die gelden voor levensmiddelen en andere producten;

11. constateert met bezorgdheid dat buitenlandse bedrijven moeilijk toegang krijgen tot Chinese openbare aanbestedingen, terwijl de toegang tot Europese openbare aanbestedingen gegarandeerd is; uit zijn bezorgdheid over de potentieel oneerlijk mededingingsvoorwaarden die er gelden, met name omdat Chinese ondernemingen dankzij verkapte staatssteun veel voordeliger aanbiedingen kunnen doen dan hun Europese concurrenten; uit zijn voldoening over de herziening en uitbreiding van het toepassingsgebied van de overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA), die is overeengekomen tijdens de jongste ministerconferentie van de WTO op 15 december 2011, en over de verbintenissen die China daarbij is aangegaan, ook al zijn die nog steeds ontoereikend; moedigt China derhalve aan zijn toetreding tot de overeenkomst aan te bieden onder soortgelijke voorwaarden als die van de andere partijen bij de overeenkomst, zoals het heeft beloofd in zijn toetredingsprotocol tot de WTO; verzoekt de Commissie snel, indien mogelijk in 2012, een Europees instrument uit te werken dat wederkerigheid moet garanderen inzake de openstelling van overheidsopdrachten; vindt het ook cruciaal de instrumenten te versterken die bedoeld zijn om de markttoegang voor Europese kmo's op prioritaire markten, zoals de Chinese, aan te moedigen, te coördineren en te ondersteunen;

12. wijst erop dat de exportkredieten die de Chinese autoriteiten en banken verlenen, handelsverstoringen in de hand werken; roept China bijgevolg op de OESO-regeling inzake richtsnoeren voor door de overheid gesteunde exportkredieten na te leven; roept de Commissie op de inspanningen van de OESO om China aan die regeling te doen deelnemen, te ondersteunen; moedigt China ook aan ondertekenaar te worden van het verdrag van de OESO inzake de bestrijding van omkoperij;

13. wijst erop dat de belangrijkste manier waarop buitenlandse bedrijven zich in China mogen vestigen, bestaat uit het joint venture-mechanisme, wat een erg strak keurslijf is dat al te vaak wordt geassocieerd met de overdracht van strategische technologieën die de ontwikkeling van het concurrentievermogen van China ten goede kunnen komen, ten nadele van de Europese industrie op gebieden waar de EU vooroploopt; is ervan overtuigd dat als China het joint venture-mechanisme verder zou openstellen en de immateriële-eigendomsrechten (IER) beter zou beschermen, dat beide partijen ten goede zou komen en een grotere toegankelijkheid van de Chinese markt voor Europese bedrijven in de hand zou werken;

14. roept de EU op bij illegale handelspraktijken van China waar nodig gebruik te maken van handelsbeschermingsinstrumenten die stroken met de WTO-regels, namelijk antidumping-, antisubsidie- en vrijwaringsmaatregelen, en ook meer het WTO-mechanisme voor geschillenbeslechting aan te wenden om de handelsbetrekkingen tussen de EU en China in eerlijke omstandigheden te laten verlopen; is erover bezorgd dat China in toenemende mate gebruik maakt van antidumpingmaatregelen die tegen uitvoer uit de EU gericht zijn, alsook van dumpingprijzen en overheidssubsidies; verzoekt China dan ook ervoor te zorgen dat zijn antidumpingmaatregelen overeenstemmen met de WTO-regels;

De Europese industriële belangen verdedigen

15. betreurt de ontoereikende bescherming van IER in China en het gebrek aan concrete middelen die Europese bedrijven, met name kmo's, ter beschikking worden gesteld om inbreuken op IER doeltreffend te bestrijden; is ingenomen met de beslissing van de Commissie om een herziening van de richtlijn betreffende de handhaving van IER voor te stellen; vraagt de Commissie en de lidstaten de IER beter te verdedigen in alle multilaterale organisaties waarvan China lid is (de WTO, de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom (WIPO)); wenst dat China het bestaande internationale recht inzake de bescherming van IER in zijn nationale wetgeving blijft omzetten, en meer bepaald namaak en piraterij bestrijdt, en dringt erop aan dat de Chinese autoriteiten toezien op de toepassing van dat recht, met name op het regionale niveau; betreurt dat China niet heeft deelgenomen aan de onderhandelingen over de internationale overeenkomst ter bestrijding van namaak (ACTA); roept de Commissie en de lidstaten op tot een grotere douanesamenwerking in de EU en met derde landen, met name met China, bij de inbeslagname van nagemaakte goederen, en tot vereenvoudiging van de douaneprocedures; vraagt de Commissie en de lidstaten nauwer met derde landen samen te werken in verband met vraagstukken rond auteursrechten en het verlenen van licenties;

16. is ervan overtuigd dat een betere bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten en een doeltreffende toepassing van de bijbehorende regels in China voor investeerders uit de Europese Unie en daarbuiten een sterke stimulans zouden vormen om er te investeren, nieuwe technologische deskundigheid te delen en de in China bestaande technologieën te moderniseren;

17. stelt vast dat 97% van de zeldzame aardmetalen die in de wereld worden gebruikt, uit China komt, en roept het land op zijn handelspartners duurzame productiewijzen en een eerlijke toegang tot de markt te garanderen; verzoekt de Commissie speciaal aandacht te besteden aan eventuele beperkingen van China inzake de uitvoer van zijn grondstoffen; wijst in dat verband op de op 5 juli 2011 uitgesproken en in hogere voorziening bevestigde veroordeling van China door de WTO omdat het voor bepaalde grondstoffen exportbeperkingen had ingesteld; verzoekt de Commissie een Europese strategie voor oordeelkundig grondstoffengebruik uit te stippelen, via een grotere energie-efficiëntie, recycling, een doeltreffender gebruik van hulpbronnen en de ontwikkeling van industriële samenwerking in de toekomstgerichte en innoverende sectoren van de groene economie; pleit voor onderhandelingen met het oog op de aanname van gemeenschappelijke regels en beginselen betreffende de grondstoffenhandel, waardoor een kader voor het gebruik van uitvoerbeperkingen tot stand wordt gebracht, binnen de WTO en binnen de G20, omdat dit vraagstuk vooral van belang is voor de industrielanden en voor China;

18. verzoekt de Commissie te onderhandelen over een ambitieuze en evenwichtige investeringsovereenkomst EU-China om een beter klimaat te scheppen voor Europese investeerders in China, transparantie te garanderen wat betreft het bestuur van Chinese bedrijven die in de EU investeren, en tegelijk de wederzijdse kapitaalstromen naar een hoger niveau te tillen; roept de Raad op het mandaat van de Commissie voor een toekomstige investeringsovereenkomst met China uit te werken en daarbij terdege rekening te houden met de zienswijzen en standpunten van het Parlement als verwoord in de resolutie van 6 april 2011 over het toekomstig Europees internationaal investeringsbeleid;

19. verwelkomt de opening van het EU-centrum voor kleine en middelgrote ondernemingen, in november 2010 in Peking; dit centrum heeft in maart 2011 zijn deuren geopend voor kmo's en heeft als doel Europese kmo's te helpen de moeilijkheden te overwinnen waarmee ze te maken krijgen wanneer ze op de Chinese markt actief zijn, met name in de eerste stadia van hun activiteit; is ook verheugd dat het centrum interessante sectoren voor de Europese kmo's in China zoekt en hen helpt met de Chinese regelgeving;

20. benadrukt het belang van samenwerking tussen bedrijven en het opzetten van partnerschappen tussen Chinese universiteiten en Europese bedrijven om de innovatie in China te verbeteren; wijst op de voordelen van de EU-databank markttoegang, waarin Europese bedrijven gegevens kunnen vinden inzake de markttoegangsvoorwaarden, zoals invoerheffingen, productvereisten, handelsbelemmeringen, formaliteiten, documenten en statistieken; verwelkomt de activiteiten van de Europese Kamer van Koophandel in China;

21. meent dat indien de Commissie een mechanisme opzet voor de uitwisseling van informatie betreffende intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen op het gebied van handel met China, dit een coherent beleid ten aanzien van China in de hand zal werken;

De monetaire concurrentie verminderen

22. wijst erop dat China staatsschuld van lidstaten van de eurozone aanhoudt; onderstreept dat het aanhouden van die schuld een nieuwe politieke dimensie heeft gekregen door de zware schuldproblemen in de eurozone; verzoekt de Commissie met de Europese Centrale Bank (ECB) en de lidstaten beraad te starten over de oprichting van een gecoördineerd systeem om de houders van die staatsschuld te identificeren; vreest dat het onderhandelingsvermogen van de EU in het kader van handelsgesprekken met China is aangetast doordat dit land bijdraagt aan de financiële stabilisering van de eurozone;

23. onderstreept dat de vermeende onderwaardering en de oninwisselbaarheid van de yuan de Chinese export een oneerlijk concurrentievoordeel kunnen opleveren, terwijl China een derde van de wereldwijde deviezenreserves aanhoudt; roept ertoe op de op de G20-landen toepasselijke internationale financiële regulering en de macro-economische coördinatie tussen hen te versterken omdat de economische stabiliteit en de wereldhandel anders in gevaar dreigen te komen; roept China op de yuan tot een gepaste wisselkoers te laten stijgen; wijst erop dat de EU, volgens de bepalingen van de Europese verdragen, bij onhoudbare wereldwijde monetaire wanverhoudingen een wisselkoersbeleid kan aannemen;

24. verzoekt de Commissie China aan te moedigen zijn lopende rekeningen te liberaliseren; verzoekt de Commissie bewijsmateriaal te verstrekken waaruit blijkt hoe het systeem van vaste wisselkoersen het concurrentievermogen van de EU aantast, en vervolgens geschikte prioritaire acties te plannen;

Naar een nieuw institutioneel kader voor de handelsbetrekkingen tussen de EU en China

25. verzoekt de lidstaten, aan de hand van geschikte controlemechanismen, zich ervan te vergewissen dat buitenlandse ondernemingen die in de EU actief zijn, alle binnen de interne markt geldende wetgeving, met inbegrip van de sociale normen en milieunormen, in acht nemen, de bescherming van octrooien te garanderen en bij te dragen aan de inspanningen ter bevordering van de duurzaamheid van de werkgelegenheid wanneer zij Europese bedrijven overnemen of dochterondernemingen in de EU vestigen; verzoekt de Commissie en de lidstaten een instelling op te richten die als taak heeft buitenlandse strategische investeringen vooraf te onderzoeken, naar het model van de CFIUS-commissie in de Verenigde Staten, om een duidelijk beeld te krijgen van de ondernemingen die op Europees grondgebied actief zijn en er investeren, en op regelmatige basis verslag uit te brengen aan het Parlement;

26. roept de EU op bij alle betrokken internationale organisaties, zoals de WHO, de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en de Verenigde Naties (VN), stappen te ondernemen om een hervormingsproces op gang te brengen om dwingende normen op sociaal, milieu- en volksgezondheidsgebied op te nemen in de WTO-regels over de organisatie van de handelsbetrekkingen;

27. betreurt de fragmentatie en het gebrek aan coördinatie van het institutionele kader in de handelsbetrekkingen van de EU met China; vraagt de Commissie het organogram van de bilaterale betrekkingen dringend te herzien, een betere coördinatie na te streven en alle overlappingen wat betreft de ontelbare werkgroepen, dialogen en formele en informele organen die op dit vlak actief zijn, weg te werken; vraagt de lidstaten, de regio's en de gemeenten hun beleid ten opzichte van China beter op elkaar af te stemmen en dringende maatregelen te nemen om tot een werkbare consensus te komen en zo de gemeenschappelijke EU-doelstellingen te bevorderen;

28. verzoekt de EU een strategie te ontwikkelen om gedwongen overdrachten van technologie te voorkomen; wenst in dit verband dat de procedure van nauwere samenwerking inzake het gemeenschapsoctrooi snel wordt afgerond;

29. dringt erop aan dat alle goederen die op de interne markt in omloop zijn, strikt aan de Europese regels en voorschriften voldoen, en verzoekt de Commissie snel een met de WTO-regels strokend scenario voor te stellen voor de geleidelijke invoering van een stelsel van randvoorwaarden voor de handelsbetrekkingen en/of een pakket correcties aan de grenzen voor goederen uit derde landen die niet aan deze normen voldoen;

De wereldrol van China onder de loep nemen

30. onderstreept de groeiende invloed van China op het gebied van de internationale handel; roept de EU derhalve op de politieke, economische, sociale en milieueffecten van de toenemende investeringen van China in de ontwikkelingslanden, en met name in Afrika en Latijns-Amerika, nauwlettend in het oog te houden;

31. bevestigt nogmaals dat de Chinese investeringen in Latijns-Amerika en Afrika, en met name in de speciale economische zones (SEZ), moeten bijdragen aan de economische ontwikkeling van de betrokken landen en aan de ontwikkeling van lokale productieketens via het inzetten van lokale arbeidskrachten;

32. vreest dat bepaalde Europese bedrijven voornamelijk in China investeren omwille van de lage productiekosten als gevolg van de minder strikte sociale, milieu- en mensenrechtennormen; beveelt de Commissie en de lidstaten sterk aan Europese bedrijven in China aan te moedigen doeltreffende handelwijzen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) aan de dag te leggen, en om beste praktijken op het gebied van MVO-initiatieven bekend te maken en te verspreiden; dringt er bij de Commissie bovendien op aan na te gaan hoe MVO-bepalingen kunnen worden opgenomen in de nieuwe investeringsovereenkomst EU-China;

33. is van mening dat het niets oplevert, vooral niet voor de ontwikkelingslanden zelf, om de Chinese activiteiten in ontwikkelingslanden als oneerlijke concurrentie te beschouwen en in een conflictsfeer hierop te reageren; benadrukt dat, in het belang van de ontwikkelingslanden alsook voor de mondiale concurrentie en groei, de Europese ondernemingen en actoren die met China trachten te concurreren in de handel en economische betrekkingen met de ontwikkelingslanden, zich zouden moeten inzetten voor een aanbod dat het aantrekkelijkst is wat betreft duurzaamheid en winst op de lange termijn, ook op het vlak van milieu-, sociale en bestuurlijke aspecten en mensenrechten;

34. wijst erop dat China de grootste emittent van broeikasgassen ter wereld is; dringt erop aan dat de EU binnen internationale organisaties voorstelt om in de discussies over de internationale handelsbetrekkingen milieuaspecten en doelstellingen inzake klimaatverandering op te nemen; is van mening dat de economische macht van China en 's lands vermogen om technologische innovatie te stimuleren moeten worden ingezet in de wereldwijde strijd tegen de klimaatverandering;

35. is van mening dat de door de Chinese autoriteiten geleverde inspanningen met betrekking tot bepaalde grondrechten in China, met name sociale en arbeidsrechten, ontoereikend zijn; spoort de EU en China daarom aan een nauwere en meer verantwoordelijke strategische dialoog aan te gaan op basis van wederzijds begrip;

De EU beter wapenen tegen de wereldwijde concurrentie

36. dringt erop aan dat de EU, teneinde haar concurrentievermogen te behouden tegenover nieuwe grote spelers uit de industrie en de onderzoekswereld, een ambitieus gemeenschappelijk industriebeleid ontwikkelt dat gebaseerd is op onderzoek en innovatie, innoverend gefinancierd wordt – bijvoorbeeld met projectobligaties – en de ontwikkeling van kmo's ondersteunt, met name via toegang tot openbare aanbestedingen; roept de EU ertoe op meer uit te spelen dat producten in Europa zijn gemaakt, door consumenten degelijkere informatie te verschaffen en met name door de verordening inzake de oorsprongsaanduiding van in de EU ingevoerde goederen goed te keuren;

37. wenst dat de EU haar economisch, budgettair, fiscaal en politiek bestuur versterkt om een geloofwaardige en invloedrijke gesprekspartner op het internationale toneel te worden; roept de Raad en de Commissie ertoe op met één stem te spreken om te voorkomen dat bilaterale partnerschappen en overeenkomsten het standpunt van de EU verzwakken; spoort de Commissie ertoe aan nauw met de lidstaten samen te werken bij de vaststelling van hun handels- en ander beleid ten aanzien van China; vraagt de EU ten aanzien van China een langetermijnstrategie te ontplooien en zo te zorgen voor de operationele coördinatie, zowel tussen de instellingen van de EU onderling als tussen de EU en de lidstaten;

38. onderstreept de noodzaak om jegens China een uitgebalanceerde strategie te ontwikkelen; roept de Commissie en de lidstaten ertoe op met China op grote schaal samen te werken op terreinen zoals gemeenschappelijk onderzoek naar bijvoorbeeld productveiligheid en menselijke gezondheid, en meer wetenschappelijke, technologische en culturele uitwisselingsinitiatieven te ontplooien;

39. stelt vast dat tal van handelsconflicten met China verband houden met de kwaliteit en toepassing van reglementering op verschillende beleidsdomeinen, onder meer het industrie- en het milieubeleid, maatregelen om de crisis te bestrijden, de financiële stabiliteit en de consumentenbescherming; verzoekt om dergelijke kwesties op te lossen door middel van een grotere bilaterale samenwerking of via geschillenbeslechting bij de WTO;

40. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1)

PB C 67E van 18.3.2010, blz. 132.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0412.

(3)

PB C 184E van 6.8.2009, blz. 16.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0364.

(5)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0565.

(6)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0141.

(7)

PB C 99E van 3.4.2012, blz. 101.

(8)

PB C 99E van 3.4.2012, blz. 31.

(9)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0445.

(10)

PB C 259E van 29.10.2009, blz. 77.

(11)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0380.

(12)

PB C 67E van 18.3.2010, blz. 101.


TOELICHTING

Daags voor de opening van de G20-top, op 1 november 2011, verklaarde de president van de Volksrepubliek China, Hu Jintao, dat "China van plan was om met Europa […] een partnerschap op voet van gelijkheid aan te gaan, gebaseerd op wederzijds respect, vriendschap en vertrouwen, een partnerschap van samenwerking in het teken van wederzijdse voordelen, win-winsituaties en gemeenschappelijke ontwikkeling […]". Die verklaring, in volle Europese staatsschuldencrisis, toont aan dat de Chinese economie zich niet lang een groeivertraging in Europa kan veroorloven.

In wezen verklaart China hiermee dat het de groei van zijn handelspartners nodig heeft om zijn eigen economische ontwikkeling en de daarmee gepaard gaande interne veranderingen op gang te houden, met name op het vlak van binnenlands verbruik en verhoging van de levensstandaard van zijn bevolking. Die structurele ontwikkeling is vastgelegd in het twaalfde Chinese vijfjarenplan (2011-2015), waarin de klemtoon ligt op het weer in evenwicht brengen van de Chinese groei via een hoger binnenlands verbruik en duurzame ontwikkeling.

Deze ommekeer biedt nieuwe kansen voor de Europese economie, op voorwaarde dat die doelstellingen geflankeerd worden door krachtdadige beslissingen van de Chinese autoriteiten inzake markttoegang, toezicht op buitenlandse investeringen, bescherming van intellectuele-eigendomsrechten en opheffing van technische handelsbelemmeringen. Mochten al deze hinderpalen uit de weg geruimd worden, dan zou dat het handelsverkeer weer in evenwicht brengen en de Europese economie opnieuw doen groeien. Want Europa heeft China nodig en China Europa.

In die geest moet een nieuwe fase in de handelsbetrekkingen tussen de EU en China van start gaan, gebaseerd op een partnerschap op voet van gelijkheid, in het teken van wederzijdse voordelen en gemeenschappelijke ontwikkeling. Die wederkerigheid eisen de Europeanen trouwens al lang.

De opening van het handelsverkeer heeft de hoofdzakelijk exportgerichte Chinese economie geen windeieren gelegd: sinds 30 jaar kan ze bogen op een groei van bijna 10% per jaar. Tegen 2050 zal China zijn uitgegroeid tot de machtigste economie ter wereld.

Daartegenover staat dat de EU – de grootste handelsmacht en de belangrijkste uitvoerbestemming voor de VRC – haar handelstekort zag uitdiepen van 49 miljard euro in 2000 tot 168,9 miljard in 2010 en tegelijkertijd een geringe groei optekende, waardoor in de meeste lidstaten het begrotingstekort opliep.

Er is dus duidelijk een wanverhouding, waarvan de oorzaken moeten worden onderzocht en waarvoor mogelijke oplossingen moeten worden voorgesteld in het kader van een hernieuwd partnerschap, gebaseerd op de beginselen van wederkerigheid en eerlijke concurrentie.

I. Oorzaken van onevenwichtigheden

Europese bedrijven kunnen momenteel niet in China investeren onder soortgelijke voorwaarden als die welke gelden voor Chinese investeringen in Europa.

Handelsbarrières die de toegang tot de Chinese markten belemmeren

Ondanks de vooruitgang die Peking heeft geboekt in het wegwerken van handelsbarrières die de toegang tot zijn markten belemmeren, blijven er nog veel hinderpalen bestaan, getuige het jongste verslag van de Europese Kamer van Koophandel in China: van de Europese bedrijfsleiders die in China actief zijn, voelde 43% zich in 2011 gediscrimineerd door de maatregelen van Peking, tegenover 33% in 2010. In datzelfde verslag staat zelfs te lezen dat "recente maatregelen de openstelling van de markt nog meer beperken, wat vragen oproept over de wil om voor alle marktspelers duurzame kansen te scheppen".

Andere handelsbelemmeringen blijven bestaan, zoals de toekenning van uitvoersubsidies en exportkredieten in bepaalde sectoren, de vereiste nationale certificaties of het gebrek aan transparante voorschriften.

Een beperkte toegang tot Chinese openbare aanbestedingen

Deelnemen aan Chinese openbare aanbestedingen is voor Europese bedrijven een onmogelijke opgave. Afgezien van problemen met ingewikkelde voorschriften blijven de volumes en terreinen van openbare aanbestedingen beperkt en het gebrek aan transparantie en concurrentie alsook normen die niet met de internationale regels stroken, zijn factoren die Europese bedrijven uitsluiten.

Overdrachten van technologie en de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten (IER)

De meeste ondernemingen die in China willen investeren zijn hightechbedrijven. Het Chinese joint venture-mechanisme belet buitenlandse investeerders echter om meerderheidsaandeelhouder te worden in de auto- of telecommunicatiesector.

Bovendien schrikt de geringe bescherming van intellectuele eigendom in China – dat niet deelneemt aan de ACTA-onderhandelingen – Europese investeerders steeds meer af. In dit verband zij aangestipt dat de groei van de Chinese uitvoer gepaard gaat met een stijging van de hoeveelheid in beslag genomen namaakgoederen aan de buitengrenzen van de EU: in 2010 kwam 85% van de door de Europese douane in beslag genomen goederen die inbreuk maakten op intellectuele-eigendomsrechten, uit China.

Grondstoffen

Het Chinese beleid inzake grondstoffen – en met name de voor de Europese geavanceerde sectoren belangrijke zeldzame aardmetalen – veroorzaakt steeds meer spanningen. China concentreert 97% van de wereldproductie daarvan en heeft daaromtrent exportbeperkingen ingevoerd, officieel om voorrang te geven aan de binnenlandse vraag. Bepaalde Chinese praktijken betreffende andere grondstoffen zijn trouwens aangevochten bij het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO, dat China in juli 2011 in het ongelijk heeft gesteld.

De muntkwestie

Terwijl de Verenigde Staten en Europa, de twee grote partners van China, "vlottende" munten hebben, vormt de onderwaardering en de oninwisselbaarheid van de yuan, die neerkomt op monetaire dumping van ongeëvenaarde omvang, een prangend probleem. Dankzij die onderwaardering kon China niet alleen bijna 3200 miljard dollar aan deviezenreserves opbouwen en zijn investeringen in Europa ontwikkelen om spitstechnologieën te verwerven, maar ook een deel van de staatsschuld van bepaalde Europese landen opkopen, zonder dat wij weten – bij gebrek aan een meetinstrument – hoeveel het daarvan aanhoudt, hetgeen ook geldt voor de investeringen.

Omgekeerd heeft China ook kritiek aan ons adres: op het ingewikkelde systeem van de douanerechten voor landbouwproducten en de subsidies van het GLB, op technische handelsbelemmeringen of op de beperkingen van buitenlandse investeringen door de EU-lidstaten… Dit verslag bevat adviezen over de actie die de EU inzake de Chinese investeringen op haar grondgebied moet ondernemen, met inachtneming van het WTO-kader. Het toont vooral dat het nodig is een Europees economisch en industriebeleid uit te werken opdat de EU eerlijk handel kan drijven met China, wars van enig protectionisme.

II. Wederkerigheid centraal in een nieuw partnerschap

Op deze eerste, noodzakelijke stap – namelijk de openstelling van onze respectieve grenzen, na decennia van koude oorlog – moet een "win-win"-partnerschap volgen. Dat is niet meer dan logisch want China heeft ruimschoots geprofiteerd van de liberalisering van het handelsverkeer. Het te zoeken evenwicht móet er komen want in de crisis die Europa nu doormaakt, is de publieke opinie niet ongevoelig voor beschuldigende uitlatingen aan het adres van China, dat wordt beschouwd als de oorzaak van al ons onheil.

De visie van Europa bestaat erin zich niet af te sluiten noch zich volledig open te stellen. Beide houdingen druisen in tegen de Gemeenschapsgedachte en tegen het belang van Europa en de Europeanen, die een gereguleerde, evenwichtige en multilaterale visie op internationale betrekkingen voorstaan. De aanpak van Europa bestaat in het opbouwen van partnerschappen op basis van welgemeendheid en wederkerigheid, twee factoren die spanningen verminderen en gedeelde groei opleveren.

Eerlijke toegang tot de markten en eerlijke internationale concurrentie

Europese bedrijven moeten onder dezelfde voorwaarden toegang krijgen tot de Chinese markt als Chinese bedrijven tot de Europese. China moet dringend toetreden tot de multilaterale overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA), zijn normen en standaarden aan de internationale normen aanpassen, gemeenschappelijke standaarden in de toekomstgerichte sectoren uitwerken en een einde maken aan de afscherming van de toegang tot zijn markt, onder meer via het vergunningenstelsel, rechtstreekse steun en de belemmeringen van overheidsopdrachten. Daarnaast dient de EU een strategie te ontwikkelen om gedwongen overdrachten van technologie te voorkomen. Ook het vraagstuk van de procedure van nauwere samenwerking inzake het gemeenschapsoctrooi moet snel worden opgelost.

Tevens is het absoluut noodzakelijk na te denken over een hervorming van de WTO om de naleving af te dwingen van gemeenschappelijke voorschriften op sociaal, milieu- en volksgezondheidsgebied, die gezamenlijk zijn uitgewerkt met de IAO, de WHO en de VN. In dat toekomstige dwingende kader moet worden gedacht aan de geleidelijke invoering van een stelsel van randvoorwaarden voor de handelsbetrekkingen. Ten slotte is er de gevoelige kwestie van China's status van markteconomie: de Commissie zou zich tot doel moeten stellen de Chinese regering te begeleiden bij haar inspanningen om de huidige hinderpalen uit de weg te ruimen.

Nieuwe instrumenten voor meer transparantie

In tegenstelling tot de Verenigde Staten weet de EU niet precies in hoeverre China in de economie van de lidstaten is doorgedrongen, of het nu gaat om investeringen of de aankoop van staatsobligaties. Dat ze dat niet weet, schaadt uiteraard het Europese belang en voedt allerlei waanvoorstellingen. De EU moet meetinstrumenten creëren naar het model van de Committee on Foreign Investment in the United States (CFIUS) om buitenlandse bezitters van staatsschuld in kaart te brengen. De EU zou ook een jaarverslag moeten publiceren over de mate waarin China de verplichtingen van zijn toetredingsprotocol tot de WTO nakomt, en beter gebruik moeten maken van de handelsbeschermingsinstrumenten die zij ter beschikking heeft.

De onderwaardering en de oninwisselbaarheid van de yuan schaden de transparantie en de oprechtheid van de handelsbetrekkingen. Daarom moet de EU bij de Chinese autoriteiten aandringen en ze aanmoedigen om met de reeds gestarte inspanningen door te gaan. We mogen niet vergeten dat de EU, volgens de Europese Verdragen, bij onhoudbare wereldwijde monetaire wanverhoudingen een wisselkoersbeleid kan aannemen.

Een nieuw kader voor de betrekkingen EU-China

De handelsbetrekkingen tussen de EU en China zijn op 30 jaar tijd aanzienlijk veranderd, net als de groeiende invloed van China op het internationale toneel. Het is dus noodzakelijk dat de EU en China de voorwaarden van hun samenwerkingsovereenkomst uit 1985 actualiseren. China mag dan nog niet als een markteconomie kunnen worden beschouwd, wel moeten in die overeenkomst dwingender voorschriften inzake in- en uitvoer van producten komen te staan.

In de nieuwe investeringsovereenkomst zou rekening moeten worden gehouden met de noodzaak van onbeperkte toegang tot Chinese openbare aanbestedingen tegen dezelfde voorwaarden als in Europa. De EU moet bovendien de economische, sociale en milieueffecten van de groeiende investeringen van China in de ontwikkelingslanden, en met name in Afrika, nauwlettend in het oog houden.

----

De EU moet dringend een gecoördineerd herindustrialiseringsbeleid en een onderzoeks- en innovatiebeleid ten uitvoer leggen dat een antwoord biedt op de nieuwe mondiale uitdagingen. Vanuit dit oogpunt zou het bijvoorbeeld nuttig zijn dat de EU de aankoop van Europese producten aanmoedigt.

Uiteraard is absoluut een betere coördinatie tussen de lidstaten nodig opdat hun bilaterale betrekkingen met China het standpunt van de EU ten aanzien van dat land niet verzwakken.

Betere coördinatie is trouwens niet alleen vereist voor handelsaangelegenheden. Wij komen op voor het model van een open sociale markteconomie - zij het met hoge eisen inzake wederkerigheid om het belang van de Europeanen te beschermen -, maar willen daarnaast ook onze opvatting over ontwikkeling, democratie en mensenrechten uitdragen en verdedigen. Sociale en economische vooruitgang gaan volgens ons immers nauw samen met de invoering van democratische instellingen.


ADVIES van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (8.12.2011)

aan de Commissie internationale handel

inzake de EU en China: handelsonevenwicht?

(2010/2301(INI))

Rapporteur voor advies: Jan Zahradil

SUGGESTIES

De Commissie ontwikkelingssamenwerking verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat China een opkomende economie is geworden met sinds 1999 groeicijfers van meer dan 10%, en dat het sinds februari 2011 de op één na grootste economie ter wereld is; overwegende dat China tegelijkertijd, en in het bijzonder in de provincies in het binnenland, nog steeds voor de klassieke opgaven van een ontwikkelingsland staat;

B.  overwegende dat voor de periode 2007-2013 aan China een indicatief bedrag van 224 miljoen euro aan ontwikkelingsbijstand van de EU was toegewezen; overwegende dat de Commissie in maart 2011 het tweede vijfjarige handelsproject EU-China heeft aangekondigd, en 20 miljoen euro aan handelsgerelateerde hulp aan China heeft toegewezen;

C. overwegende dat dankzij de economische groei in China een half miljard mensen zich sinds 1990 uit de armoede heeft kunnen verheffen; overwegende dat niettemin nog steeds een groot deel van de migrantenarbeiders in de steden en de plattelandsbevolking in armoede leeft, en er volgens de Wereldbank nog steeds 207 miljoen Chinezen onder de armoedegrens leven;

D. overwegende dat de opkomst van China als donor van ontwikkelingshulp in Afrika een van de meest opvallende gebeurtenissen van de afgelopen tien jaar is;

E.  overwegende dat de betrekkingen van China met Afrikaanse landen gestuurd worden door bijvoorbeeld de noodzaak energiebronnen te verkrijgen voor zijn economische ontwikkeling;

F.  overwegende dat er belangrijke verschillen zijn tussen de Commissie voor Ontwikkelingsbijstand van de OESO (OESO-DAC) en de ontwikkelingssamenwerking van China; overwegende dat het programma van leningen in ruil voor concessies, dat loopt via de Chinese Eximbank, een zeer belangrijk instrument is in de buitenlandse Chinese betrekkingen;

G. overwegende dat met de Speciale Economische Zones (SEZ) van China in Afrika beoogd wordt een omgeving te creëren die kleine en middelgrote Chinese bedrijven steunt om bedrijfsinitiatieven te ontplooien in het buitenland; overwegende dat volgens de Afrikaanse ontwikkelingsbankgroep de door China geleide SEZ in Afrika ten zuiden van de Sahara tot dusver qua investeringen maar beperkte resultaten hebben gehad, en de effecten ook op het gebied van werkgelegenheid en integratie met de lokale economie beperkt zijn;

H. overwegende dat het Chinese toetredingsprotocol uniek is in de zin dat het een aantal speciale verplichtingen uitsluitend voor China inhoudt in de vorm van "WTO-plus verplichtingen" (zoals in het geval van exportheffingen) alsook "WTO-minus rechten" die WTO-leden toestaan beschermende maatregelen te nemen tegen Chinese export, die afwijken van algemene WTO-voorschriften;

I.   overwegende dat China toegang nodig heeft tot hoge eindtechnologie en distributienetwerken voor de volgende fase van zijn economische ontwikkeling, die gebaseerd zal zijn op innovatie, binnenlandse handel en binnenlandse consumptie;

J.   overwegende dat de snelle economische groei van China deels ten koste is gegaan van de mensenrechten, en deels gebaseerd is op dwangarbeid en kinderarbeid;

K. overwegende dat China, dat geen lid is van de OESO, niet verplicht is om te voldoen aan de OESO-voorschriften, die: gebonden hulp beperken; kredietverschaffing reguleren en maximale terugbetalingsvoorwaarden, een risicoclassificatie per land en minimale rentevoeten opleggen; uitwisseling van informatie verplicht stellen; en sociale, milieu- en bestuursnormen inzake financieringsactiviteiten opleggen;

L.  overwegende dat China de tweede grootste handelspartner van de Europese Unie is;

M. overwegende dat China in de afgelopen decennia belangrijke sociale vooruitgang heeft geboekt; overwegende dat een dergelijke verbetering van de levensstandaard voor zo'n omvangrijke bevolking in zo'n korte tijd uniek is in de geschiedenis, en hierdoor de armoede voor meer dan 350 miljoen mensen is verminderd;

N. overwegende dat China dankzij zijn exportfinancieringsactiviteiten zijn aanwezigheid in vele ontwikkelingslanden, met name in Afrika, heeft kunnen uitbreiden;

O. overwegende dat de EU sinds 1997 een structureel tekort heeft op de goederenhandelsbalans met China, en dat de EU daarom een nieuw strategisch samenwerkingskader met China moet opzetten;

P.  overwegende dat hechtere economische betrekkingen met China de ontwikkelingslanden aanmerkelijke potentiële voordelen opleveren, met name wat betreft de ontwikkeling van de infrastructuur;

Q. overwegende dat de Chinese activiteiten op het vlak van financiering van exportkredieten in de ontwikkelingslanden echter een potentiële bedreiging vormen voor het beheer van de natuurlijke hulpbronnen, duurzame schuldaflossing, verbetering van bestuur, en lokale werkgelegenheid en productiviteit;

R.  overwegende dat de Chinese deelname aan een internationaal handelssysteem, dat gebaseerd is op openheid en transparantie, van cruciaal belang is om internationale welvaart en duurzaamheid te verzekeren;

1.  is ervan overtuigd dat de sterke groei van de handel tussen alle EU-lidstaten en China een cruciaal ontwikkelingsinstrument is voor zowel de EU als China, aangezien open handel een van de meest doeltreffende stuwende krachten is van economische groei, armoedebestrijding en vermogensschepping; is van mening dat het unieke karakter van de Chinese verbintenis ten aanzien van de WTO, die China belet "speciale en gedifferentieerde behandeling" aan te vragen zoals andere leden die een ontwikkelingsland zijn, vragen opwerpt over coherentie en consistentie; verzoekt de Commissie daarom de coherentie en consistentie van haar handelsbeleid ten aanzien van China te onderzoeken tegen de achtergrond van haar ontwikkelingsbeleid ten aanzien van Afrika;

2.  benadrukt dat er nog grote groeimogelijkheden zijn wat betreft de wederzijdse markttoegang, liberalisering en verdieping van de handel en investeringssamenwerking tussen Europa en China; benadrukt echter wel als voorwaarde dat eerlijke concurrentie, wederzijdse toegang en duidelijke marktregelgeving, vooral inzake buitenlandse directe investeringen (BDI) en bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten (IER), moeten worden gewaarborgd;

3.  merkt op dat met het Chinees-Afrikaanse Ontwikkelingsfonds (CADF) het opzetten van speciale Chinese economische verwerkingszones in Afrika wordt gesteund; deelt de zienswijze van de Afrikaanse ontwikkelingsbankgroep dat de Chinese investeringen geïntegreerd moeten worden in de nationale productieketen om ervoor te zorgen dat deze zones daadwerkelijk industrialisering bevorderen, hetgeen onder meer het volgende inhoudt: versterking van de juridische voorschriften en regelgeving, waaronder sociale en milieuwaarborgen, alsook verbetering van de toegang voor plaatselijke bedrijven en werknemers tot de zones om connecties met de lokale economie tot stand te brengen;

4.  is van mening dat handel de mensenrechten op mondiaal niveau moet bevorderen en dat alle handelspartners van de EU de IAO-verdragen moeten eerbiedigen, in het bijzonder het verdrag tegen dwangarbeid, hetgeen betekent dat producten die worden vervaardigd in gevangenissen en gevangeniskampen (Lao Gai) niet op de EU-markt toegelaten mogen worden;

5.  verzoekt de EU efficiënter op te treden in de handel met China, door een betere institutionele organisatie alsook door een coherent standpunt van de lidstaten ten aanzien van China;

6.  merkt op dat de groei van China en zijn vermogen om zich in dertig jaar te ontwikkelen van onderontwikkeling naar een opkomende wereldmacht ertoe hebben bijgedragen dat China een alternatieve bron van handel en financiering is geworden naast de traditionele partners van Afrika;

7.  beseft dat de impact van China op Afrika varieert al naargelang de omvang, de economische structuren en de kwaliteit van het bestuur en de instellingen in Afrikaanse economieën; is van mening dat de impact van de Chinese handel op Afrikaanse landen – bijvoorbeeld aan de hand van de vraag in hoeverre de handel met China verdere specialisatie in grondstoffen stimuleert of Afrikaanse economieën kan helpen hun productie te diversifiëren en duurzame projecten te financieren – verder geëvalueerd moet worden;

8.  onderstreept dat China's rol als belangrijkste financieringsbron in Afrika aanleiding heeft gegeven tot bezorgdheid over een aantal zaken; onderstreept met name dat China, in tegenstelling tot internationale organisaties en bilaterale hulpagentschappen van traditionele donorlanden, die voor hun bijstand voorwaarden stellen inzake goed bestuur, geen voorwaarden stelt; vreest daarom dat de invloed van China de inspanningen om in Afrika het bestuur te verbeteren en corruptie te verminderen verder afzwakt, in het bijzonder in zijn partnerlanden met zwakke instellingen, zoals Angola, Congo, Nigeria en Soedan;

9.  benadrukt dat het ontwikkelingseffect van investeringen in de mijnbouwsector versterkt moet worden door meer transparantie in de aanbestedings- en gunningenprocedures en actievere betrokkenheid van de Afrikaanse burgerorganisaties bij het toezicht; verzoekt de EU in dit verband China te stimuleren de beginselen van het Initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën te onderschrijven;

10. is van mening dat voor het behalen van winsten uit de samenwerking tussen China en Afrika onder meer vereist is dat Afrikaanse regeringen hun bestuurlijke instellingen versterken; benadrukt tevens dat de politieke dialoog tussen China en de EU-lidstaten moet worden geïntensiveerd, om China ertoe te brengen aandacht te besteden aan de implicaties van zijn hulp voor het bestuur en het milieu, en te verzekeren dat zijn bijstand aanvullend is, en niet competitief, ten opzichte van de hulp van traditionele donors;

11. merkt op dat de Chinese investeringen in Afrika, die voornamelijk via de Export-Import-bank lopen, aanleiding geven tot bezorgdheid, onder meer over de duurzaamheid van projecten, zoals in het geval van de omstreden projecten voor hydro-elektrische stuwdammen; deelt het standpunt van de Afrikaanse ontwikkelingsbankgroep dat het wenselijk is om de uitvoering van de equatorbeginselen – een vrijwillig normenpakket voor het vaststellen, beoordelen en beheren van sociale en milieurisico's in projectfinanciering – uit te breiden tot Chinese investeringen;

12. merkt met bezorgdheid op dat de meeste grootschalige Chinese projecten in Afrika voornamelijk zijn uitgevoerd door Chinese arbeidskrachten; wijst erop dat dit een van de redenen is waarom de lokale arbeidskrachten ongeschoold blijven en de positieve effecten voor de bevolking op het vlak van de werkgelegenheid minimaal zijn;

13. is van mening dat Afrikaanse landen de toegevoegde waarde van hun productie moeten verhogen, ongeacht om welke partnerlanden het gaat; meent dat dit inhoudt dat er instrumenten moeten worden ontwikkeld om bijvoorbeeld de vraag naar ongeschoolde Afrikaanse arbeidskrachten voor investeringsprojecten te vergroten;

14. is op de hoogte van het feit dat de snelle economische groei in China weliswaar grote rijkdom heeft gebracht, met name voor de stedelijke bevolking, maar ook de kloof tussen stedelijke gebieden en plattelandsgebieden, waar 50,3% van de Chinese bevolking leeft, heeft verbreed, en daarmee heeft bijgedragen tot een proces van urbanisatie en trek van het platteland naar de stad, en tot gevolg heeft gehad dat in 2011 voor het eerst in de geschiedenis van China meer dan de helft van de bevolking in steden leeft;

15. wijst erop dat de hulp van China op een aantal punten verschilt van de hulp van OESO-landen, en in het bijzonder dat waar de OESO-landen via de OESO-regeling inzake door de overheid gesteunde exportkredieten zich ertoe verbinden zich te houden aan een overeengekomen pakket normen op milieu-, sociaal en bestuurlijk gebied bij hun exportfinancieringsactiviteiten, China zich niet tot deze regels verbonden heeft;

16. wijst er tevens op dat de OESO-leden hebben ingestemd met de OESO-aanbevelingen over omkoping en door de overheid gesteunde exportkredieten, die beogen omkoping van buitenlandse overheidsbeambten af te schrikken en te bestraffen bij door overheidsexportkredieten gesteunde internationale zakentransacties, maar dat China deze maatregelen niet heeft genomen; acht het in het licht hiervan van bijzonder belang dat de EU verdere discussies met China aangaat om gemeenschappelijke normen met de OESO inzake ontwikkelingshulp, met inbegrip van schuldenverlichting te ontwikkelen en toe te passen;

17. dringt er bij de Commissie op aan China te blijven steunen bij de verwezenlijking van zijn strategische ontwikkelingsdoelen, maar tegelijkertijd de aandacht te verleggen van traditionele ontwikkelingssamenwerking en -hulp naar een meer evenwichtige, op handel gerichte relatie met China in het belang van beide partijen, via een geleidelijke verlaging, vanaf 2013, van de officiële ontwikkelingshulp (ODA); benadrukt in dit verband dat de nieuwe benadering rekening moet houden met het feit dat China zelf een belangrijke donor is geworden, in het bijzonder in Afrika, en dat daarom de ontwikkelingsagenda met de EU eerder gericht moet zijn op concrete gebieden waar gemeenschappelijke belangen liggen; benadrukt dat de handelsbetrekkingen van de EU met China voortdurend moeten worden aangevuld met inspanningen ten behoeve van, en aandrang op democratische ontwikkeling;

18. verzoekt de Commissie China in het bijzonder te steunen bij zijn inspanningen om zijn landbouwproductie efficiënter te maken;

19. verzoekt de Commissie dit te doen in samenspraak met de Chinese autoriteiten om ervoor te zorgen dat de benadeelde en arme bevolking die momenteel profijt heeft van de EU-ontwikkelingsprojecten, niet in de steek wordt gelaten;

20. verzoekt de Commissie de ontwikkelingshulp aan China, die 128 miljoen euro bedraagt voor de periode 2007-2010, af te bouwen, daar China een opkomende markteconomie is en een van de belangrijkste economische en politieke wereldspelers;

21. verzoekt de Commissie onverwijld in de dialoog met China de kwestie van de Chinese landaankoop in ontwikkelingslanden aan de orde te stellen;

22. wijst erop dat China zelf steeds meer een van de belangrijkste donors wordt, ondanks het feit dat 16% van zijn bevolking van 1,3 miljard nog steeds onder de armoedegrens leeft;

23. verzoekt de Commissie derhalve China als een partner te behandelen, met respect voor zijn culturele tradities en waarden, en tegelijk China dezelfde legitieme eisen te stellen met betrekking tot de eerbiediging van de mensenrechten als andere handelspartners van de EU, en de overgang van China naar een open samenleving, gebaseerd op de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten, te steunen en erop aan te dringen dat het de fundamentele arbeidsnormen van de IAO moet naleven; is van mening dat een dergelijke benadering zal helpen de huidige spanningen te overwinnen, verdere handel te intensiveren en wederzijdse investeringen te vergroten, en zo voor beide partners tot een win-winsituatie zal leiden;

24. verzoekt de Commissie derhalve met China samen te werken als een partner in internationale ontwikkeling, om positieve praktijken uit te wisselen en gebruik te maken van comparatieve voordelen en de verschillende sterke punten van alle internationale handelspartners, en zo optimale en zo breed mogelijke steun aan de ontwikkelingslanden te bieden;

25. benadrukt dat, gezien het feit dat China nu de tweede grootste wereldeconomie is, de kwestie van de markttoegang tussen Europa en China in elk geval gebaseerd moet zijn op het wederkerigheidsbeginsel; dringt aan op een snelle afsluiting van de DOHA-onderhandelingen; benadrukt dat China dringend moet voldoen aan de internationale milieunormen en zijn WTO-verplichtingen, in het bijzonder met betrekking tot de intellectuele-eigendomsrechten; waarschuwt tegen het gebruik van protectionistisch maatregelen, vooral gezien het huidige economische klimaat, daar dit op de lange termijn schadelijk zou zijn, niet alleen voor de bilaterale politieke betrekkingen maar ook voor de economie van de EU en van China, en in strijd zou zijn met de ontwikkelingsdoelen van de EU, als vastgelegd in de EU-2020-strategie;

26. verzoekt de Commissie met de Chinese partners de ontwikkeling van billijke, transparante en ontwikkeling bevorderende importverdragen en concessies voor grondstoffen uit ontwikkelingslanden te bespreken; is bezorgd over een groeiende concurrentie op het gebied van grondstoffen tussen de Europese Unie en China en de nadelige effecten hiervan op de ontwikkelingslanden;

27. dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan alle beschikbare diplomatieke kanalen en andere instrumenten te benutten om China aan te moedigen zich te verbinden tot internationale normen inzake transparantie met betrekking tot zijn activiteiten op het vlak van financiering van exportkredieten in de ontwikkelingslanden en andere handelsgerelateerde maatregelen, zowel binnen China als in het buitenland; verzoekt de Commissie en de lidstaten dringend zich te blijven inspannen om China te betrekken in organisaties voor vaststelling van internationale voorschriften en normen met betrekking tot het internationale handelssysteem;

28. verzoekt de EU en de VS betrekkingen op alle niveaus aan te gaan met deze opkomende economische gigant, in het wederzijdse belang van alle partijen;

29. acht het noodzakelijk dat het ontwikkelingsbeleid van de EU en de betrokken actoren de opbouw bevorderen van de capaciteit van ontwikkelingslanden om solide contracten met China te sluiten - in het bijzonder over natuurlijke hulpbronnen -, schulden te regelen en te reageren op potentiële bedreigingen van de lokale productiviteit en de werkgelegenheid door de instroom van Chinese werknemers en producten;

30. roept China op zich meer te verbinden tot mondiale instellingen, vanuit de erkenning dat China reeds een volwaardige en actieve rol speelt in de VN en in vredeshandhavingmissies;

31. is van mening dat het niets oplevert, vooral niet voor de ontwikkelingslanden zelf, om de Chinese activiteiten in ontwikkelingslanden als oneerlijke concurrentie te beschouwen en in een conflictsfeer hierop te reageren; benadrukt dat in het belang van de ontwikkelingslanden alsook voor de mondiale concurrentie en groei, de Europese ondernemingen en actoren die trachten te concurreren met China in de handel en economische betrekkingen met de ontwikkelingslanden, zich moeten inzetten voor een aanbod dat het aantrekkelijkst is wat betreft duurzaamheid en winst op de lange termijn, ook op het vlak van milieu-, sociale en bestuurlijke aspecten en mensenrechten.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

5.12.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

16

3

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Véronique De Keyser, Leonidas Donskis, Charles Goerens, Catherine Grèze, Eva Joly, Filip Kaczmarek, Miguel Angel Martínez Martínez, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Michèle Striffler, Alf Svensson, Anna Záborská, Iva Zanicchi, Gabriele Zimmer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Fiona Hall, Eduard Kukan, Krzysztof Lisek, Judith Sargentini

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Vittorio Prodi


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (17.6.2011)

aan de Commissie internationale handel

inzake de EU en China: handelsonevenwicht?

(2010/2301(INI))

Rapporteur voor advies: Dirk Sterckx

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat de EU en China tot elkaars belangrijkste handelspartners gerekend worden;

B.  overwegende dat ondanks de hoge groeicijfers in China in de afgelopen twee decennia het werkloosheidspercentage in het land aanzienlijk is gestegen;

1.  verzoekt de Commissie de bestaande dialoog over werkgelegenheid en sociaal beleid te intensiveren en een gestructureerde sociale dialoog met China aan te gaan in het kader van de dialoog op hoog niveau over economie en handel;

2.  stelt concurrentie vast tussen sociale systemen door het openen van de wereldmarkt; noteert een stijging van informele arbeid in stedelijke gebieden alsook inbreuken op principes van waardig werk ondanks een wetgevend kader inzake arbeidsvoorwaarden; merkt op dat, hoewel de openstelling van de Chinese economie grote voordelen heeft opgeleverd, bijvoorbeeld betere toegang tot de arbeidsmarkt en een daling van de werkloosheid op het platteland, niet alle lagen van de Chinese bevolking in gelijke mate van de sterke economische groei hebben geprofiteerd en grote verschillen tussen de stedelijke en de plattelandsgebieden van het land ontstaan; wijst erop dat de ongelijkheid op het gebied van inkomen, toegang tot de arbeidsmarkt, sociale zekerheid, gezondheid en onderwijs tussen de stedelijke en de plattelandsbevolking een aanzienlijke uitdaging voor het cohesiebeleid van China oplevert;

3.  spreekt de wens uit dat de commerciële concurrentie tussen China en de Europese Unie volgens de gestelde regels zou verlopen, zodat respectvolle wedijver mogelijk wordt, en de stabiliteit en de valorisatie van de ondernemingen wordt gegarandeerd opdat de belangen van de werknemers niet geschaad worden;

4.  wijst op de invloed die China als grootste exportland heeft op de wereldeconomie en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheid voor het respecteren van sociale minimumstandaarden; verwelkomt de op dit vlak geleverde inspanningen door de Chinese centrale en lokale overheden; acht een alomvattende, aan alle internationale normen voldoende wet inzake sociale zekerheid en gezondheidszorg alsook een strikte en doeltreffende controle op het naleven van de wetgeving op arbeidsvoorwaarden absoluut noodzakelijk; wijst erop dat een duurzame financiering van een stabiel sociale zekerheids- en gezondheidsstelsel dat alle provincies van het land in gelijke mate ten goede komt, een van de grootste uitdagingen van de Chinese regering is; vestigt in dat opzicht de aandacht op het Social Security Reform Co-Operation Project tussen de EU en China, dat als doel heeft de Chinese burgers toegang te bieden tot een adequate en betaalbare sociale zekerheid;

5.  wijst op de impact die China heeft op de mondiale economie, op de verantwoordelijkheid van het land wat de naleving van sociale minimumnormen betreft en op het feit dat de handelsbetrekkingen tussen de EU en China belangrijk zijn; benadrukt het feit dat eerbiediging van de mensenrechten en de sociale rechten in het kader van de samenwerking tussen de EU en China essentieel is; onderstreept het feit dat het belangrijk is alle regels van de Internationale Arbeidsorganisatie en de Wereldhandelsorganisatie, inclusief degene die betrekking hebben op het recht op de vrije oprichting van onafhankelijke vakbonden, na te leven en snel uit te voeren; steunt de strijd voor behoorlijke lonen en arbeidsomstandigheden; vraagt wederzijdse naleving van de arbeidswetgeving, met name de preventie van illegale vormen van arbeid, bijvoorbeeld kinderarbeid en dwangarbeid; merkt op dat de Chinese regering verbeteringen heeft gerealiseerd wat betere voorwaarden voor werknemers betreft, maar stelt vast dat de rechten van de werknemers niet altijd worden geëerbiedigd als gevolg van een gebrekkige handhaving van de arbeidswetgeving en doordat de werkgevers de normen op het gebied van milieu, gezondheid en veiligheid vaak niet naleven, met als gevolg een gevaarlijke arbeidsomgeving; vraagt een grondige verbetering van de wetgeving op dit gebied; benadrukt het feit dat het belangrijk is de toeleveringsketen beter te controleren wat de arbeidsomstandigheden betreft; verwacht dat de Chinese regering en de Chinese bedrijven het SAP+ als norm voor hun dagelijkse activiteit nemen;

6.  acht het van wezenlijk belang dat de in 2009 opgestarte dialoog tussen de EU en China met het oog op de verbetering van de arbeidsomstandigheden en de vermindering van het aantal arbeidsongevallen en beroepsziekten wordt geïntensiveerd; onderstreept het feit dat goede praktijken op commercieel en sociaal gebied moeten worden uitgewisseld; vraagt een uitwisseling van beste praktijken tussen de vakbonden in de EU en China, om te helpen de arbeidsomstandigheden van de beroepsbevolking te verbeteren en de IAO-conventies na te leven;

7.  is van mening dat het toezicht op de daadwerkelijke naleving van deze rechten moet worden toevertrouwd aan de IAO;

8.  dringt aan op verdere verbetering van de ontwikkelingshulp van de EU, met name op terreinen zoals werkgelegenheid, bescherming van de veiligheid en gezondheid op het werk, armoedebestrijding, volksgezondheid en hygiëne, onderwijs en verbetering van de levensomstandigheden van kinderen;

9.  wijst erop dat verdere verbeteringen voor Chinese arbeidskrachten van belang zijn voor de wereldhandel;

10. benadrukt het belang van het uitwisselen van ervaring en optimale werkmethoden wat betreft werkgelegenheidskansen bij het creëren van groene banen, als het gaat om de aanpak van de economische, sociale en milieueffecten van de klimaatverandering;

11. dringt aan op de verdere ontwikkeling van verbeterde samenwerking wat betreft de werkgelegenheid van legale immigranten en de bescherming van de rechten en belangen van migrerende werknemers alsook op betere coördinatie in internationale arbeidsaangelegenheden;

12. merkt op dat de Chinese bevolking vergrijst en de schijnbaar oneindige groei van het aantal beschikbare werkkrachten, vooral lager geschoolde arbeidskrachten, lijkt te eindigen; stelt vast dat er een handelsverlegging plaatsvindt van China naar andere Zuidoost-Aziatische landen door potentiële kostenvoordelen; vraagt daarom aan de Commissie een geïntegreerd Europees beleid voor de Zuidoost-Aziatische regio dat Europese multinationals zal weerhouden van sociaal onverantwoord gedrag in deze landen; constateert dat in de gestaag aangroeiende middenklasse van de Chinese samenleving het besef van maatschappelijke normen misschien wel aan het toenemen is, een besef dat echter bij de bevolking als geheel nog niet zo uitgesproken aanwezig is;

13. merkt op dat de wetenschappelijke analyses uiteenlopen wat betreft de gevolgen van Europese directe buitenlandse investeringen in China voor de werkgelegenheid in Europa; merkt op dat uit sommige studies blijkt dat er wellicht geen sprake is van meetbare negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid in Europa, en dat directe buitenlandse investeringen tot op zekere hoogte een positief effect kunnen hebben op de werkgelegenheid in de Europese vestigingen van de betrokken bedrijven; neemt ook kennis van studies waaruit blijkt dat sprake is van bepaalde negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid in Europa;

14. is van mening dat de invoer van namaakproducten uit China niet alleen een gevaar betekent voor de gezondheid en de veiligheid van de Europese consument, maar ook funest is voor de werkgelegenheid in de Europese Unie;

15. dringt er bij Europese ondernemingen die in China werkzaam zijn op aan met betrekking tot de werknemers de hoogste internationale normen en optimale werkmethoden op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen toe te passen;

16. merkt op dat de democratische rechten de afgelopen maanden steeds vaker door het Chinese regime werden beknot en dat in dit verband ook vakbondsleden gevangen werden genomen en vervolgd.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

16.6.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

35

6

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Regina Bastos, Edit Bauer, Heinz K. Becker, Mara Bizzotto, Philippe Boulland, Milan Cabrnoch, Alejandro Cercas, Ole Christensen, Derek Roland Clark, Tadeusz Cymański, Frédéric Daerden, Karima Delli, Proinsias De Rossa, Frank Engel, Sari Essayah, Ilda Figueiredo, Marian Harkin, Nadja Hirsch, Liisa Jaakonsaari, Danuta Jazłowiecka, Martin Kastler, Jean Lambert, Patrick Le Hyaric, Veronica Lope Fontagné, Elizabeth Lynne, Elisabeth Morin-Chartier, Csaba Őry, Konstantinos Poupakis, Sylvana Rapti, Licia Ronzulli, Elisabeth Schroedter, Joanna Katarzyna Skrzydlewska, Jutta Steinruck, Traian Ungureanu

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Vilija Blinkevičiūtė, Julie Girling, Kinga Göncz, Sergio Gutiérrez Prieto, Richard Howitt, Filiz Hakaeva Hyusmenova, Jan Kozłowski, Evelyn Regner, Dirk Sterckx


ADVIES van de Commissie industrie, onderzoek en energie (24.11.2011)

aan de Commissie internationale handel

inzake de EU en China: handelsonevenwicht?

(2010/2301(INI))

Rapporteur voor advies: Yannick Jadot

SUGGESTIES

De Commissie industrie, onderzoek en energie verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  is van mening dat het handelsonevenwicht tussen de EU en China duidt op verschillen qua maatschappelijk, economisch en democratisch model en specifieke eigenschappen op het gebied van de demografie en de natuurlijke hulpbronnen en dat de afwezigheid of de gebrekkige naleving van bepaalde rechten, met name democratische rechten en sociale en werknemersrechten, in China hiertoe bijdraagt; erkent dat er zekere inspanningen worden geleverd om het gebrek aan evenwicht te corrigeren, maar dat deze ontoereikend blijven; spoort daarom aan tot constructief engagement en een strategie voor een nauwere en meer verantwoordelijke dialoog tussen beide partners die gebaseerd is op wederzijds begrip;

2.  wijst erop dat China in 2016 de status van markteconomie krijgt en verzoekt de Commissie maatregelen voor te stellen om na 2016 handelsbeschermingsmechanismen te behouden indien nodig, onder meer ten behoeve van de Europese innoverende kmo's; dringt erop aan dat China zijn WTO-verbintenissen naleeft door zijn markt volledig open te stellen voor goederen en diensten en buitenlandse investeringen; dringt erop aan dat de EU en China een handelsbeleid voeren dat de economische en sociale samenwerking en ontwikkeling van beide partijen vergemakkelijkt; meent dat beide partijen zowel voor uitdagingen als voor grote kansen staan; onderstreept dat de aangroeiende vraag in de opkomende economieën een kans biedt voor de EU om te profiteren van de voordelen van de globalisering door de uitvoer van goederen en diensten naar nieuwe markten verder te intensiveren; benadrukt de noodzaak van positieve wederkerigheid, met name voor overheidsopdrachten; vindt het jammer dat China gebruik blijft maken van diverse non-tarifaire belemmeringen die een ernstige rem zetten op de aanwezigheid van Europese ondernemingen op de Chinese markt omdat ze de Europese bedrijven op kosten jagen en hun afzetmogelijkheden beperken; onderstreept dat de toegang tot bepaalde sleutelsectoren begrensd blijft als gevolg van de beperkingen die zijn opgelegd aan de investeringen in strategische sectoren;

3.  vestigt de aandacht op het feit dat de Europese ondernemingen geneigd zijn hun activiteit naar China te verplaatsen met als doel kostenverlaging en winstmaximalisatie, wat echter nadelig is voor de werkgelegenheid in de Unie en voorbijgaat aan de streefdoelen die de Unie zich heeft gesteld op het vlak van het verminderen van de luchtvervuiling en het waarborgen van de sociale en werkgelegenheidsnormen;

4.  is van oordeel dat China de EU voor de uitdaging stelt om een ambitieus en proactief Europees industriebeleid ten uitvoer te leggen, dat gebaseerd moet zijn op:

     –   de vaststelling, de toepassing en de naleving van strikte normen,

     –   de intensivering van legitieme antidumpingmaatregelen,

     –   een meer ambitieuze, coherente en evenwichtige aanpak op het gebied van Europese overheidsopdrachten, met name om de toegang van de Europese bedrijven tot de Chinese markt te verbeteren,

     –   het streven naar onderzoek en innovatie,

     –   eerbiediging van intellectuele-eigendomsrechten;

     –   en bevordering van een groene en duurzame economie;

5.  wijst erop dat een dergelijk industriebeleid slechts doeltreffend is als het op Europese schaal wordt gecoördineerd, ontwikkeld en uitgevoerd en dat een louter nationale aanpak een coherent en efficiënt EU-optreden ten aanzien van China onmogelijk maakt;

6.  benadrukt dat de zwakke bescherming tegen namaak en het gebrek aan bereidheid bij de Chinese overheid om de namaak van producten aan te pakken, belemmeringen vormen voor de verdere expansie en meer investeringen van Europese ondernemingen in China; verzoekt de Commissie in het kader van de betrekkingen tussen de EU en China en tijdens de nieuwe ronde van macro-economische onderhandelingen, passende maatregelen ter bestrijding van namaak vast te stellen;

7.  wijst erop dat de Chinese maatregelen ter beperking van de markttoegang en het gebrek aan afdoende bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten de expansiemogelijkheden van de Europese ondernemingen in China aanzienlijk inperken; roept daarom China dringend op tot grotere economische openheid;

8.  stelt vast dat de technische belemmeringen voor buitenlandse bedrijven in stand worden gehouden en dat bij sommige Chinese reguleringsorganen de tendens naar ongelijke behandeling sterker wordt, en constateert bovendien een gebrek aan transparantie in de regelgeving;

9.  stelt verontrust vast dat China de vrije wereldhandel in zeldzame aardmetalen en afgeleide producten blijft belemmeren en de beperkende maatregelen nog stringenter heeft gemaakt door de exportquota nu ook voor legeringen van zeldzame aardmetalen te verlagen; roept de Commissie ertoe op vastberaden met China samen te werken om overeenkomsten te bereiken die voor beide partijen voordelig zijn en stroken met het milieurecht en het internationaal handelsrecht;

10. meent dat indien de Commissie een mechanisme opzet voor de uitwisseling van informatie betreffende intergouvernementele overeenkomsten tussen lidstaten en derde landen inzake de handel met China, dit een coherent beleid ten aanzien van China in de hand zal werken;

11. acht het belangrijk dat beide zijden het eens worden over een investeringskader en dat wordt gezocht naar raakvlakken tussen de EU 2020-strategie en het Chinese vijfjarenplan;

12. maakt zich zorgen over het gebrek aan wil bij de Chinese autoriteiten om de internetbeveiliging te verbeteren en de cybercriminaliteit te vervolgen, aangezien deze de veiligheid van het wereldwijde net en de informatie ondermijnt en aanzienlijke negatieve gevolgen heeft voor de EU op economisch en sociaal vlak;

13. wijst op de vorderingen die China heeft gemaakt bij het ontwikkelen en het introduceren van zijn eigen normen en spoort China en de EU ertoe aan samen te werken in het kader van de internationale onderhandelingen over normen; is van oordeel dat de EU, als grootste wereldmarkt, ook normgevend de wereldleider moet blijven, in het bijzonder voor strategische sectoren; dringt er bijgevolg op aan dat voor alle goederen die op de interne Europese markt in omloop zijn, de normen op sociaal, milieu- en volksgezondheidsgebied strikt worden nageleefd; dringt er bij de lidstaten op aan dat zij de instrumenten voor markttoezicht versterken om ervoor te zorgen dat alleen goederen die aan de EU-normen beantwoorden, in de interne markt binnenkomen; verzoekt de Commissie na te gaan of een gemeenschappelijke EU-aanpak van het markttoezicht een passend instrument is om de bestaande toezichtregeling te ondersteunen;

14. wijst erop dat China zwaar investeert in energie-efficiëntie en hernieuwbare energieën, die ook overheidssteun krijgen en dat dit een uitdaging vormt voor de eigen fabrikanten van de EU die werkzaam zijn op het gebied van hernieuwbare energie; merkt op dat volgens het wereldwijd overzicht inzake hernieuwbare energie voor 2010 dat is uitgegeven door het Renewable Energy Policy Network for the 21st Century (REN21), dat gesteund wordt door het Internationaal Energieagentschap en de Verenigde Naties, China in 2009 de meeste capaciteit hernieuwbare energie heeft aangeleverd (37 GW van de wereldwijde toename van 80 GW); dringt aan op urgente maatregelen en een sterker engagement om ervoor te zorgen dat de EU op deze gebieden nog altijd goed is voor een koppositie en geen netto-invoerder van technologieën voor hernieuwbare energie wordt, door de onderzoeksinspanningen van de EU toe te spitsen op het efficiënt hulpbronnenbeheer en op groene economie en door te investeren in een duurzame, evenwichtige en geïntegreerde economie; waarschuwt voor het oneigenlijke gebruik van handels- en investeringsbelemmeringen in de sector van "groene goederen";

15. onderstreept dat China de eerste plaats in de wereldranglijst bekleedt wat het aantal windmolenparken betreft, dat de Chinese en Indiase producenten van windmolenturbines zich plaatsen onder de eerste tien en dat China momenteel de grootste producent van fotovoltaïsche zonnepanelen ter wereld is; roept de Commissie en de lidstaten op om in de EU maatregelen te nemen voor de ontwikkeling en eco-efficiënte productie van deze technologie en andere innovatieve technologieën die nodig zijn voor het bereiken van de ambitieuze doelstellingen voor het verminderen van broeikasgasemissies;

16. is van mening dat de stijging van de nationale vraag en de voortzetting van de economische hervormingen in China van doorslaggevend belang zullen zijn voor het bevorderen van een evenwichtiger marktklimaat en het terugdringen van de bilaterale tekorten; spoort het land aan tot een noodzakelijke hervorming van de bankdiensten en de totstandbrenging van een reële markt voor consumentenkrediet;

17. roept de EU en China ertoe op strategische partnerschappen te ontwikkelen op het gebied van O&O en industriële, technologische en op innovatie gerichte samenwerking in de toekomstgerichte sectoren van de groene economie, zoals consumptievermindering, recycling en "urban mining" (stedelijke mijnbouw), het doeltreffend en duurzaam gebruik van grondstoffen, zeldzame aardmetalen en andere strategische hulpbronnen in de gehele economische cyclus, de hernieuwbare energiebronnen en de energie-efficiëntie, door middel van:

     –   het delen en gezamenlijk produceren van technologie op het gebied van hernieuwbare energie, en gezamenlijke O&O-programma's,

     –   het verbeteren van de transparantie en de betrouwbaarheid van gegevens inzake energie en de uitwisseling van beste praktijken en informatie,

     –   het versterken van het partnerschap in het kader van het ITER-project;

18. dringt erop aan dat de EU extra inspanningen levert om haar grondstoffenbevoorrading veilig te stellen door onderzoek te doen naar duurzame alternatieven;

19. merkt op dat China beperkingen blijft opleggen aan de export van grondstoffen, in de vorm van heffingen en quota, tegen de wil van de Wereldhandelsorganisatie in, waardoor de totale prijs van de grondstoffen kunstmatig de hoogte in wordt gejaagd en de binnenlandse prijs daalt, wat de Chinese producenten een significant concurrentievoordeel oplevert;

20. herinnert eraan dat China nagenoeg 97% van de voorraad van zeldzame aardmetalen in handen heeft, waarvoor de Chinese autoriteiten quota hebben ingesteld die de uitvoer beperken, met als gevolg een stijging van de aankoopprijs voor het Europese bedrijfsleven, dat benadeeld wordt ten opzichte van de Chinese ondernemingen;

21. roept de EU en China ertoe op strategische partnerschappen te ontwikkelen op het gebied van O&O door middel van nauwere samenwerking tussen Chinese en EU-universiteiten en onderzoeksinstituten, gemeenschappelijke academische en opleidingsprogramma's en een grotere mobiliteit van onderzoekers; is blij dat de Europese programma's toegankelijk zijn voor Chinese onderzoeksteams en dringt erop aan dat de Chinese programma's ook worden opgesteld voor Europese onderzoekers; moedigt de totstandbrenging van technologische partnerschappen aan om de gemeenschappelijke uitdaging te kunnen aangaan om hulpbronnenefficiënte productietechnieken en samenwerkingsprogramma's op onderzoeksgebied te ontwikkelen in het wederzijds belang van de Europese en de Chinese bevolking;

22. dringt aan op een evaluatie van de impact van de Speciale Economische Zones van China in de Noord-Afrikaanse landen en de Afrikaanse landen bezuiden de Sahara, met name in de landen waarmee de EU handelsakkoorden heeft gesloten; wijst er verontrust op dat het Chinese beleid in Afrika dramatische gevolgen kan hebben voor de natuurlijke hulpbronnen en een uitdaging vormt voor het ontwikkelingsbeleid van de EU; verzoekt de Commissie na te gaan of het handelsbeleid van de Unie ten aanzien van China in overeenstemming is met het ontwikkelingsbeleid van de Unie in Afrika.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

23.11.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

43

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Jean-Pierre Audy, Ivo Belet, Bendt Bendtsen, Jan Březina, Giles Chichester, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Vicky Ford, Adam Gierek, Norbert Glante, Robert Goebbels, Fiona Hall, Jacky Hénin, Edit Herczog, Kent Johansson, Romana Jordan Cizelj, Lena Kolarska-Bobińska, Béla Kovács, Philippe Lamberts, Angelika Niebler, Jaroslav Paška, Aldo Patriciello, Anni Podimata, Herbert Reul, Paul Rübig, Amalia Sartori, Francisco Sosa Wagner, Konrad Szymański, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Ioannis A. Tsoukalas, Vladimir Urutchev, Alejo Vidal-Quadras, Henri Weber

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Satu Hassi, Jolanta Emilia Hibner, Yannick Jadot, Ivailo Kalfin, Seán Kelly, Holger Krahmer, Werner Langen, Alajos Mészáros, Mario Pirillo, Vladimír Remek

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Cristian Silviu Buşoi, Anna Hedh


ADVIES van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (23.11.2011)

aan de Commissie internationale handel

inzake de EU en China: handelsonevenwicht?

(2010/2301(INI))

Rapporteur voor advies: Morten Løkkegaard

SUGGESTIES

De Commissie interne markt en consumentenbescherming verzoekt de ten principale bevoegde Commissie internationale handel onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  onderstreept de onderlinge afhankelijkheid van de markten in China en de EU en benadrukt dat er gelijke concurrentie moet zijn en dat protectionisme moet worden vermeden; tekent aan dat China vooruitgang heeft geboekt als het gaat om het openstellen van zijn markten; benadrukt echter dat de zgn. "binnenlandse maatregelen" in China moeten worden rechtgezet, omdat deze het zakelijke klimaat voor Europese bedrijven hinderen; is van mening dat de koers van de Wereldhandelsorganisatie moet worden gevolgd, maar dat een vrijhandelsovereenkomst met China de handelsbetrekkingen zal verbeteren en voor beide partijen een positief effect zal hebben; wijst er echter met nadruk op dat de sluiting van een WTO-akkoord voor de EU prioriteit moet krijgen;

2.  benadrukt het belang van de economische en handelsdialoog op hoog niveau tussen de EU en China; verzoekt de EU en China twee keer per jaar bijeen te komen om hun bilaterale betrekkingen te versterken door middel van dialoog en om concrete resultaten te behalen op het gebied van o.a. investeringen, dienstverlening, intellectuele-eigendomsrechten, openbare aanbestedingen, productveiligheid, naleving van de regels inzake handelsmerken, toegang tot grondstoffen, normen alsmede tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen; roept de Commissie ertoe op nog meer de nadruk te leggen op de problemen die Europese bedrijven in China ondervinden in termen van bureaucratische rompslomp, personeelsproblematiek en markttoegang;

3.  onderstreept de noodzaak om jegens China een uitgebalanceerde strategie te ontwikkelen; roept de Commissie en de lidstaten ertoe op met China op grote schaal samen te werken op terreinen zoals gemeenschappelijk onderzoek naar bijvoorbeeld productveiligheid en menselijke gezondheid, en meer wetenschappelijke, technologische en culturele uitwisselingsinitiatieven te ontplooien;

4.  betreurt dat het investeringsklimaat in China niet transparant is en dat er nog steeds discriminerende eisen van toepassing zijn; dringt aan op sluiting van een bilaterale investeringsovereenkomst met China, die is gericht op een verbeterde markttoegang voor investeringen, waarbij de sectoren met de grootste beperkingen het eerst aan de beurt moeten komen; onderstreept de noodzaak om handel en investeringen, met name voor mkb-bedrijven, te faciliteren; wijst op het belang van coördinatie tussen de centrale en lokale autoriteiten in China; benadrukt dat China de voornaamste invoerbron en tevens de op één na grootste exportmarkt van de EU is, waarbij zowel de import als de export in de jaren 2009-2010 met ruim 30 procent zijn gestegen;

5.  constateert met bezorgdheid dat er als gevolg van het ontbreken van een vrij toegankelijk handelsregister sprake is van een tekort aan betrouwbare informatie omtrent de commerciële partners in China; onderstreept het belang van betrouwbare informatie als een essentiële voorwaarde voor een goed ondernemersklimaat;

6.  is bezorgd over het feit dat piraterij en het vervaardigen van namaakproducten op grote schaal voorkomen en dat er in China weinig wordt gedaan als het gaat om de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, hetgeen niet alleen ten koste gaat van de innovatie in de EU, maar ook ernstige gevolgen heeft voor de veiligheid van de consument; dringt er zowel bij de Commissie als bij de lidstaten op aan nauwer met China in overleg te treden over de effectieve handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, ook op regionaal en lokaal niveau; wijst op de discriminerende formele vereisten waardoor buitenlandse ondernemingen wordt belet hun rechten en octrooien in China effectief te verdedigen; is van oordeel dat de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten van internationale bedrijven door de Chinese autoriteiten van essentieel belang is voor de groei van de handel tussen de EU en China en uit zijn voldoening over de geleverde inspanningen; is van mening dat de export van hightechproducten uit de EU een exponentiële groeisector zou kunnen worden dankzij de Chinese behoefte aan deze producten en het vermogen van de EU om ze te produceren;

7.  benadrukt de behoefte aan een betere toegang tot overheidsopdrachten; is bezorgd over het relatief protectionistische karakter van het Chinese beleid en de Chinese wetgeving inzake overheidsopdrachten; benadrukt dat de EU druk moet blijven uitoefenen op China met zijn opkomende markten, in het bijzonder wat betreft zijn snelle toetreding tot de WTO-Overeenkomst inzake overheidsopdrachten (GPA), om te bewerkstelligen dat de procedures voor overheidsopdrachten voldoen aan de internationale normen en om voor onderaannemers voorspelbare voorwaarden te creëren; steunt de door de Commissie door te voeren herziening van de maatregelen die nodig zijn om een gelijk speelveld te creëren wat betreft eerlijke toegang tot aanbestedingsprocedures in derde landen voor EU-bedrijven en vice versa; wijst er evenwel op dat deze maatregelen zo moeten worden opgezet dat zij niet tot ongewenste nieuwe vormen van marktcompartimentering leiden, die op hun beurt weer een negatieve uitwerking kunnen hebben op de Europese industrie en de mondiale handelsbetrekkingen van de EU;

8.  is bezorgd over het feit dat er steeds meer specifieke binnenlandse normen en certificeringsprocedures worden ingevoerd, waardoor er nieuwe technische handelsbarrières worden gecreëerd; onderstreept de noodzaak voor de EU om met China in overleg te treden en China bij het besluitvormingsproces te betrekken met het oog op de ontwikkeling van toekomstige internationale normen, om te vermijden dat er bij wijze van de facto handelsbelemmering verschillende normen worden aangelegd; benadrukt dat de procedure voor het aanvragen van een bedrijfsvergunning in China moeizaam verloopt en wordt ervaren als een instrument om de vestiging en uitbreiding van buitenlandse bedrijven in een aantal sectoren te vertragen; onderstreept de noodzaak tot vereenvoudiging van deze procedure; verwelkomt de inspanningen die door China zijn geleverd om binnenlandse normen af te stemmen op de internationale standaarden;

9.  is bezorgd over het restrictieve beleid van China en zijn dominante positie op de markt voor een aantal grondstoffen die van cruciaal belang zijn voor het functioneren van de Europese economie; verzoekt de Commissie op zowel regionaal als multilateraal en bilateraal niveau consequent toezicht te houden op de grote verschillen in de vraag naar en het aanbod van kritieke grondstoffen en zeldzame aardmetalen en deze te helpen verkleinen en met China nader in overleg te treden over het feit dat China de WTO-regels gebruikt om quota voor zeldzame aardmetalen af te dwingen, terwijl het daarbij in feite niet om bedreigde grondstoffen gaat; dringt er met name op aan dat China zich houdt aan de WTO-regels inzake de toegang tot grondstoffen zoals die zijn neergelegd in het desbetreffende WTO-besluit van 5 juli 2011, alsook aan de regels met betrekking tot zeldzame aardmetalen; benadrukt de noodzaak van een gemeenschappelijke Europese aanpak op het gebied van grondstoffen, om de politieke druk op te voeren en ervoor te zorgen dat bedrijven binnen de EU gelijke toegang hebben tot de voor hun productieactiviteiten essentiële hulpbronnen;

10. dringt er bij de Commissie op aan een diepgaande analyse op te maken van het effect van de wisselkoersen op de handelsbalans tussen de EU en China; steunt China bij het nemen van verdere stappen in de richting van volledige convertibiliteit van de Chinese yuan;

11. wijst met name op een aantal in opdracht van de EU-instellingen opgemaakte rapporten waarin vaak partijdige en denigrerende taal wordt gebezigd ter beschrijving van binnenlandse en mondiale economische activiteiten van China(1); onderstreept de noodzaak van een op constructieve kritiek gebaseerde dialoog en van eerbiediging van de specifieke culturele karakteristieken en de verschillen in politieke organisatie.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.11.2011

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

28

1

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Pablo Arias Echeverría, Lara Comi, Anna Maria Corazza Bildt, António Fernando Correia De Campos, Jürgen Creutzmann, Cornelis de Jong, Evelyne Gebhardt, Małgorzata Handzlik, Iliana Ivanova, Eija-Riitta Korhola, Edvard Kožušník, Hans-Peter Mayer, Phil Prendergast, Mitro Repo, Robert Rochefort, Heide Rühle, Matteo Salvini, Christel Schaldemose, Andreas Schwab, Róża Gräfin von Thun und Hohenstein, Bernadette Vergnaud, Barbara Weiler

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Regina Bastos, María Irigoyen Pérez, George Lyon, Ramona Nicole Mănescu, Emma McClarkin, Konstantinos Poupakis, Sylvana Rapti, Marc Tarabella, Kyriacos Triantaphyllides, Wim van de Camp

(1)

DG EXPO, "China in Africa: A Critique", Beleidsnota, (oktober 2010), PE 449.518, blz. 10 - "The Chinese economic presence has spread through Africa like an oil slick."


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

27.3.2012

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

24

2

4

Bij de eindstemming aanwezige leden

William (The Earl of) Dartmouth, Damien Abad, Laima Liucija Andrikienė, Maria Badia i Cutchet, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, Marielle de Sarnez, Yannick Jadot, Metin Kazak, Bernd Lange, David Martin, Vital Moreira, Paul Murphy, Godelieve Quisthoudt-Rowohl, Niccolò Rinaldi, Helmut Scholz, Peter Šťastný, Robert Sturdy, Gianluca Susta, Keith Taylor, Iuliu Winkler, Jan Zahradil, Paweł Zalewski

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Josefa Andrés Barea, George Sabin Cutaş, Mário David, Elisabeth Köstinger, Jörg Leichtfried, Jarosław Leszek Wałęsa

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Gabriel Mato Adrover

Laatst bijgewerkt op: 10 mei 2012Juridische mededeling