Procedure : 2013/2277(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0149/2014

Ingediende teksten :

A7-0149/2014

Debatten :

PV 12/03/2014 - 12
CRE 12/03/2014 - 12

Stemmingen :

PV 13/03/2014 - 14.3

Aangenomen teksten :

P7_TA(2014)0239

VERSLAG     
PDF 379kWORD 213k
28 februari 2014
PE 526.111v02-00 A7-0149/2014

Onderzoeksrapport over de rol en werkzaamheden van de trojka (ECB, Commissie en IMF) met betrekking tot de landen die vallen onder een programma voor de eurozone

(2013/2277(INI))

Commissie economische en monetaire zaken

Rapporteur: Othmar Karas, Liem Hoang Ngoc

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie begrotingscontrole
 ADVIES van de Commissie constitutionele zaken
 UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Onderzoeksrapport over de rol en werkzaamheden van de trojka (ECB, Commissie en IMF) met betrekking tot de landen die vallen onder een programma voor de eurozone

(2013/2277(INI))

Het Europees Parlement,

–       gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 7, artikel 136 in combinatie met artikel 121, en artikel 174,

–       gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–       gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 3,

–       gezien Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 21 mei 2013 betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit(1),

–       gezien het Verdrag tot instelling van het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM),

–       gezien zijn resolutie van 16 juni 2010 over EU 2020(2),

–       gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over het Europees semester voor economische beleidscoördinatie: uitvoering van de prioriteiten voor 2013(3),

–       gezien zijn resolutie van 4 juli 2013 over de prioriteiten van het Europees Parlement met betrekking tot het werkprogramma van de Commissie voor 2014(4),

–       gezien zijn resolutie van 12 juni 2013 over "Voorbereiding van de Europese Raad (27-28 juni 2013) - Democratische besluitvorming in de toekomstige EMU"(5),

–       gezien zijn resolutie van 20 november 2012 met aanbevelingen aan de Commissie over het verslag van de voorzitters van de Europese Raad, de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank en de Eurogroep "Naar een echte Economische en Monetaire Unie"(6),

–       gezien zijn resolutie van 6 juli 2011 over de financiële, economische en sociale crisis: aanbevelingen voor te nemen maatregelen en initiatieven(7),

–       gezien zijn resolutie van 20 oktober 2010 over de financiële, economische en sociale crisis: aanbevelingen met betrekking tot de maatregelen en initiatieven die moeten worden genomen (tussentijds verslag)(8),

–       gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–       gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie constitutionele zaken (A7-0149/2014),

A.     overwegende dat de trojka, die bestaat uit de Europese Commissie, de Europese Centrale Bank (ECB) en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), is ontstaan uit het besluit van 25 maart 2010 van de staatshoofden en regeringsleiders van de eurozone om een gezamenlijk programma vast te stellen en onder voorwaarden bilaterale leningen aan Griekenland te verstrekken, en daarbij ook voort te bouwen op aanbevelingen van de Raad Ecofin, en sindsdien ook operationeel is in Portugal, Ierland en Cyprus; overwegende dat de ministers van financiën van de eurozone nauw betrokken zijn bij de besluiten omtrent de nadere invulling van de bilaterale leningen;

B.     overwegende dat de trojka en haar rol zijn verankerd in Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 en worden genoemd in het ESM-Verdrag;

C.     overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) in zijn arrest in de zaak Pringle C-370/12 heeft bevestigd dat de Commissie en de ECB kunnen worden belast met de taken die hun door het ESM-Verdrag zijn opgelegd;

D.     overwegende dat het binnen de trojka de verantwoordelijkheid van de Commissie – die handelt namens de Eurogroep – is om over de voorwaarden te onderhandelen voor financiële steun aan lidstaten uit de eurozone "in overleg met de ECB" en "daar waar mogelijk met het IMF", en dat deze financiële bijstand hierna wordt aangeduid met "bijstand EU-IMF", maar dat de Raad verantwoordelijk is voor de goedkeuring van het macro-economisch aanpassingsprogramma; overwegende dat elk lid van de trojka daarbij zijn eigen procedurele traject heeft gevolgd;

E.     overwegende dat de trojka tot dusver de basisstructuur is geweest voor zowel de onderhandelingen tussen de officiële kredietverleners en de regeringen van de ontvangende landen als voor de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de aanpassingsprogramma's; overwegende dat de eindbesluiten inzake de financiële steun en de voorwaarden daarvoor van de kant van Europa in geval van steun via de Europese Faciliteit voor financiële stabiliteit (EFSF) en het Europees stabiliteitsmechanisme (ESM) worden genomen door de Eurogroep, die derhalve de politieke verantwoordelijkheid voor de programma's draagt;

F.     overwegende dat er brede politieke overeenstemming was om een wanordelijk faillissement van lidstaten van de EU – en met name landen van de eurozone – te voorkomen teneinde te vermijden dat er economische en sociale chaos zou ontstaan, met als gevolg dat pensioenen en ambtenarensalarissen niet meer zouden worden uitbetaald, en met vernietigende effecten op de economie, het bankenstelsel en de sociale zekerheid, en dat de nationale overheden gedurende langere tijd volledig van de kapitaalmarkten zouden zijn afgesloten;

G.     overwegende dat de trojka, samen met de betreffende lidstaat, tevens verantwoordelijk is voor de voorbereiding van de formele besluiten van de Eurogroep;

H.     overwegende dat verschillende lidstaten buiten de eurozone reeds EU-steun hebben ontvangen of nog ontvangen uit hoofde van artikel 143 van het VWEU, die door de EU in samenwerking met het IMF wordt verstrekt;

I.      overwegende dat de EU en de lidstaten verschillende ad hoc-mechanismes in het leven hebben geroepen om financiële steun te verstrekken aan landen uit de eurozone, ten eerste door middel van bilaterale leningen, onder andere ook van verschillende landen buiten de eurozone, en vervolgens via tijdelijke noodhulpfondsen, met name de EFSF en het Europees financieel stabilisatiemechanisme (EFSM), dat is ingesteld ten behoeve van noodlijdende lidstaten, en ten slotte via het ESM, dat uiteindelijk alle andere mechanismen zou moeten vervangen;

J.      overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie onder verwijzing naar artikel 13, lid 3, van het ESM-verdrag onlangs in de zaak Pringle heeft bevestigd dat de Europese Commissie ingevolge haar betrokkenheid bij het ESM-verdrag gehouden is "het algemeen belang van de Unie te bevorderen" en toe te zien op de verenigbaarheid van de door het ESM gesloten memoranda van overeenstemming met het Unierecht;

K.     overwegende dat het Hof in de zaak Pringle tevens heeft geoordeeld dat het ESM in overeenstemming is met het VWEU en daarmee het perspectief heeft geopend voor de potentiële integratie van dat mechanisme in het acquis communautaire binnen de bestaande grenzen van de Verdragen;

L.     overwegende dat een memorandum van overeenstemming (mvo) per definitie een overeenkomst is tussen de betrokken lidstaat en de trojka, en de uitkomst vormt van onderhandelingen waarbij een lidstaat toezegt een aantal nauwkeurig omschreven maatregelen te zullen nemen in ruil voor financiële steun; overwegende dat de Commissie het bewuste mvo ondertekent namens de ministers van financiën van de eurozone; overwegende dat het publiek er geen weet van heeft hoe de onderhandelingen tussen de trojka en de betreffende lidstaat in de praktijk zijn gevoerd en dat bovendien niet duidelijk is in hoeverre een lidstaat die om steun vraagt de uitkomst van de onderhandelingen kan beïnvloeden; overwegende dat in het ESM-verdrag is vastgelegd dat van een lidstaat die om steun uit het ESM verzoekt, wordt verwacht dat deze waar mogelijk ook altijd een verzoek om steun aan het IMF doet;

M.    overwegende dat de totale omvang van de financiële bijstandspakketten in het kader van de vier programma's ongeëvenaard is, evenals de looptijd, de vorm en de context van de programma's, hetgeen tot de onwenselijke situatie leidt dat de steun de normale financiering vanuit de markten vrijwel volledig heeft verdrongen; overwegende dat de bankensector aldus tegen verliezen wordt beschermd doordat omvangrijke bedragen aan staatsschuld van de programmalanden worden overgeheveld van de balans van de particuliere sector naar die van de overheid;

N.     overwegende dat het HvJ van de Europese Unie in het Pringle-arrest heeft verklaard dat het verbod dat is neergelegd in artikel 125 VWEU, waarborgt dat de lidstaten bij het aangaan van schuldverplichtingen onderworpen blijven aan de wetten van de markt, omdat zij er aldus toe worden aangespoord de begrotingsdiscipline te handhaven, en dat de naleving van deze discipline op EU-niveau bijdraagt tot het bereiken van een hoger doel, namelijk het behoud van de financiële stabiliteit in de monetaire unie; het HvJ benadrukt echter dat artikel 125 van het VWEU geen verbod inhoudt op het verlenen van financiële steun door een of meer lidstaten aan een lidstaat die verantwoordelijk blijft voor het nakomen van zijn verplichtingen jegens zijn kredietverleners, op voorwaarde dat de eisen die aan deze steun worden verbonden van dien aard zijn dat de lidstaat een verantwoord begrotingsbeleid dient te voeren;

O.     overwegende dat de financiële crisis tot een economische en sociale crisis heeft geleid; overwegende dat deze economische situatie en de recente ontwikkelingen ernstige en niet te voorziene negatieve effecten hebben gehad op de kwantiteit en kwaliteit van de werkgelegenheid, op de beschikbaarheid van krediet, op de inkomensniveaus, de sociale bescherming en de gezondheids-en veiligheidsnormen, met als gevolg dat de economische en sociale misstanden onmiskenbare proporties hebben bereikt; overwegende dat deze negatieve effecten nog aanzienlijk ernstiger zouden zijn uitgevallen zonder de financiële steun van de EU en het IMF en dat de maatregelen op Europees niveau hebben helpen voorkomen dat de situatie nog verder is verslechterd;

P.     overwegende dat artikel 151 VWEU bepaalt dat de maatregelen van de EU en haar lidstaten verenigbaar moeten zijn met de sociale grondrechten zoals vastgelegd in het Europees Sociaal Handvest van 1961 en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, teneinde onder andere de sociale dialoog te bevorderen;

Q.     overwegende dat artikel 152 VWEU bepaalt dat "de Unie de rol van de sociale partners op het niveau van de Unie erkent en bevordert, en daarbij rekening houdt met de verschillen tussen de nationale stelsels en dat zij hun onderlinge dialoog bevordert, met inachtneming van hun autonomie";

R.     overwegende dat de kosten van dienstverlening voor de afnemers daarvan in sommige lidstaten stijgen, waardoor veel mensen zich niet meer een acceptabel niveau van dienstverlening kunnen veroorloven om in hun basisbehoeften te voorzien, zoals toegang tot essentiële behandelingen;

S.     overwegende dat de taskforce Griekenland is opgezet om het vermogen van de Griekse overheid te versterken om structurele hervormingen uit te werken, door te voeren en te doen naleven, teneinde het concurrentiepotentieel en het functioneren van de economie, de samenleving en de overheid te verbeteren en de voorwaarden voor duurzaam herstel en werkgelegenheid te creëren, alsmede de benutting van de structuur- en cohesiefondsen van de EU in Griekenland te versnellen en gebruik te maken van de kritieke hulpbronnen voor de financiering van investeringen;

T.     overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 20 november 2012 geëist heeft dat de strenge democratische controlenormen die op nationaal en Unieniveau gangbaar zijn ook worden toegepast op de EU-instellingen die lid zijn van de trojka; overwegende dat deze vorm van verantwoordingsplicht absoluut noodzakelijk is voor de geloofwaardigheid van de hulpprogramma's, en met name noopt tot een nauwere betrokkenheid van de nationale parlementen, en het tevens noodzakelijk maakt dat de EU-leden van de trojka in het Europees Parlement worden gehoord op basis van een duidelijk mandaat, alvorens zij hun taken aanvaarden en worden onderworpen aan regelmatige rapportage aan en democratische controle door het Parlement;

U.     overwegende dat de programma's op korte termijn hoofdzakelijk bedoeld waren om een wanordelijk faillissement te voorkomen en speculatie op staatsschulden tegen te gaan; overwegende dat de doelstelling voor de middellange termijn erin bestond te zorgen dat het geleende geld ook zou worden terugbetaald, om aldus zware financiële verliezen te voorkomen die terecht zouden komen op de schouders van de belastingbetalers in de landen die de steun verlenen en garant staan voor de gelden; overwegende dat daarmee ook van het programma geëist wordt dat het leidt tot duurzame groei en effectieve vermindering van de schuldenlast voor de middellange en lange termijn; overwegende dat de programma's zich er niet toe leenden om de macro-economische onevenwichtigheden die soms gedurende decennia waren opgebouwd, integraal te corrigeren;

Economische situatie in de programmalanden aan het begin van de crisis

1.      is van mening dat de precieze oorzaken van de crises in elk van de vier lidstaten verschilden, hoewel er wel degelijk gemeenschappelijke patronen te onderscheiden vielen, zoals de snelle toename van instromend kapitaal en de opbouw van macro-economische onevenwichtigheden in de gehele EU in de jaren die aan de crisis voorafgingen; wijst erop dat de excessieve particuliere en/of publieke schuld, die was opgelopen tot een onhoudbaar niveau, en de overreactie van de financiële markten daarop, in combinatie met speculatieve bewegingen en een verlies aan concurrentievermogen, een cruciale rol hebben gespeeld, en dat geen van deze factoren had kunnen worden voorkomen door implementatie van het bestaande economische bestuurssysteem van de EU; merkt voorts op dat de staatsschuldencrisis in alle gevallen sterk gecorreleerd was aan de wereldwijde financiële crisis, die het gevolg was van lakse regelgeving en wangedrag in de financiële sector;

2.      merkt op dat het ook vóór de crisis al slecht was gesteld met de overheidsfinanciën in Europa, en dat sinds de jaren zeventig de staatsschuld van de lidstaten langzaam maar zeker is opgelopen onder invloed van diverse recessieperioden in de EU; merkt op dat door kostbare herstelplannen, dalende belastinginkomsten en hoge socialezekerheidsuitgaven de staatsschuld en het aandeel daarvan in het bbp in alle lidstaten zijn opgelopen, zij het niet overal in dezelfde mate;

3.      wijst er eens te meer op dat hier sprake is van drie in elkaar grijpende problemen, in die zin dat het onevenwichtige begrotingsbeleid van sommige lidstaten de al vóór de crisis bestaande overheidstekorten nog heeft doen toenemen en dat de financiële crisis deze tekorten nog verder de hoogte in heeft gejaagd, waardoor er spanningen zijn ontstaan op de staatsobligatiemarkten in sommige lidstaten;

4.      merkt op dat de recente financiële, economische en bankencrisis de zwaarste is sinds de Tweede Wereldoorlog; constateert dat zonder Europees optreden de crisis nog ernstigere gevolgen had kunnen hebben; merkt in deze context op dat voormalig ECB-voorzitter Trichet tijdens een openbare hoorzitting zijn bezorgdheid kenbaar maakte en zei dat zonder een snel en daadkrachtig optreden de staatsschuldcrisis had kunnen uitmonden in een met de Grote Depressie van 1929 vergelijkbare crisis;

5.      merkt op dat er vóór de aanvang van het door de EU en het IMF opgezette bijstandsprogramma, dat in het voorjaar van 2010 van start ging, sprake was van een tweeledig risico ten aanzien van de "insolventie" en de "onhoudbaarheid" van de Griekse overheidsfinanciën, die voortvloeiden uit de stelselmatig verslechterende concurrentiepositie van de Griekse economie en een langdurig budgettair wanbeleid, waarbij er de facto slechts heel weinig bedrijfsbelastingen werden geïnd en het overheidstekort in 2009 opliep tot 15,7% van het bbp, terwijl er in 2007 nog een overschot was van 6,5%, en de schuldquote sinds 2003 – toen zij nog op 97,4% stond – steeds verder opliep, en steeg tot 107,4% in 2007, 129,7% in 2009 en 156,9% in 2012; is van mening dat de problematische situatie in Griekenland ook te wijten was aan statistische fraude in de jaren die aan de invoering van het programma voorafgingen; is ingenomen met het daadkrachtige optreden van de Griekse regering om deze problemen met spoed en doeltreffend aan te pakken, onder meer door de oprichting van het onafhankelijke Griekse centraal bureau voor de statistiek in maart 2010; merkt op dat het geleidelijk blootleggen van de statistische fraude in Griekenland ook tot gevolg had dat de gebezigde berekeningsmethoden en prognoses en de voorgestelde maatregelen moesten worden bijgesteld; herinnert eraan dat Eurostat (het Bureau voor de statistiek van de Europese Unie) op aandringen van het Europees Parlement bevoegdheden en middelen heeft gekregen om een solide basis voor betrouwbare en objectieve statistieken te leggen;

6.      merkt op dat Griekenland in het vierde kwartaal van 2008 in een recessie terechtkwam; merkt op dat het land in zes van de zeven kwartalen voorafgaand aan de activering van het bijstandsprogramma een negatieve groei van het bbp kende; merkt op dat er een sterke correlatie bestaat tussen de gevolgen van de financiële crisis en de toename van het overheidstekort enerzijds en de stijging van de staatsschuld en de neerwaartse conjunctuur anderzijds, waarbij de staatsschuld aan het eind van het derde kwartaal van 2008 van 254,7 miljard euro opliep tot 314,1 miljard euro aan het eind van het tweede kwartaal van 2010;

7.      merkt op dat de markten in aansluiting op het verzoek om financiële bijstand van de Griekse regering in april 2010 de fundamentele economische parameters en de solvabiliteit van de andere lidstaten van de eurozone opnieuw onder de loep namen, en dat vervolgens de gespannen situatie rond de Portugese staatsobligaties de herfinancieringskosten van Portugal tot ondraaglijke niveaus deed oplopen;

8.      merkt op dat de economische gegevens die de regering tijdens de onderhandelingen eerst had gehanteerd, moesten worden herzien;

9.      merkt op dat de Portugese economie op het moment dat het door de EU en het IMF opgezette bijstandsprogramma van start ging al een aantal jaren last had van een laag bbp, een lage productiviteitsgroei en een grote instroom van kapitaal, en dat deze patronen, in combinatie met het versneld oplopen van met name de discretionaire uitgaven – die consistent boven de groei van het bbp uitkwamen – en het effect van de wereldwijde financiële crisis hadden geresulteerd in een omvangrijk begrotingstekort en een hoog particulier en overheidsschuldenniveau, waardoor de herfinancieringskosten van Portugal, mede door toedoen van het Griekse besmettingseffect, opliepen tot ondraaglijke niveaus en de overheidssector in feite de toegang tot de kapitaalmarkten onmogelijk werd gemaakt; benadrukt dat in 2010, voordat Portugal op 7 april 2011 om financiële bijstand vroeg, het groeicijfer in Portugal was teruggelopen tot 1,9%, het begrotingstekort 9,8% (over 2010) had bereikt, het schuldenniveau (in 2010) op 94% stond en het tekort op de lopende rekening op 10,6% van het bbp, terwijl het werkloosheidscijfer 12% bereikte; merkt in dit verband op dat de algemene macro-economische indicatoren zeer snel verslechterden – van een redelijk goed niveau vóór de crisis in 2007, toen het groeicijfer in Portugal nog 2,4% bedroeg, het begrotingstekort 3,1%, het schuldenniveau 62,7% en het tekort op de lopende rekening 10,2% van het bbp, en het werkloosheidscijfer van 8,1% – in de richting van een diepe en ongekende recessie;

10.    merkt op dat de Ierse economie voordat het door de EU en het IMF opgezette bijstandsprogramma van start ging net een banken- en economische crisis van ongekende proporties had gekend, die grotendeels het gevolg was van de blootstelling van de Ierse financiële sector aan de Amerikaanse "subprimecrisis", de onverantwoorde risico's die de Ierse banken namen en het wijdverbreide gebruik van effecten op onderpand van activa, waardoor, in aansluiting op de globale garantieregeling en de daaropvolgende reddingsoperatie, de overheidssector geen toegang meer kreeg tot de kapitaalmarkten, zodat het Ierse bbp in 2009 met 6,4% terugliep (en met 1,1% in 2010) – terwijl in 2007 nog een positief groeiniveau van 5% van het bbp werd opgetekend – de werkloosheid steeg van 4,7% in 2007 tot 13,9% in 2010 en het nationaal begrotingssaldo een tekort liet zien, dat in 2010 als gevolg van de steun van de Ierse regering aan de bankensector opliep tot 30,6%, terwijl er in 2007 nog een overschot van 0,2% was geweest; merkt op dat de bankencrisis deels het gevolg was van inadequate regelgeving, zeer lage belastingtarieven en een veel te omvangrijke bankensector; erkent dat de particuliere verliezen van de Ierse banken werden opgenomen in de balans van de Ierse overheid om het risico voor een ineenstorting van het Ierse bankenstelsel te voorkomen en het besmettingsgevaar voor de gehele eurozone tot een minimum te beperken, en dat de Ierse regering in het bredere belang van de Unie handelde door haar aanpak van de Ierse bankencrisis; merkt verder op dat de Ierse economie in het decennium voorafgaand aan het bijstandsprogramma te maken had met een langdurige periode van negatieve reële rentetarieven;

11.    wijst op de afwezigheid van begrotingsonevenwichtigheden en de zeer lage staatsschuld voordat de crisis in Ierland uitbarstte; benadrukt daarnaast ook de zeer flexibele situatie op de arbeidsmarkt voor de crisis; merkt op dat de trojka aanvankelijk aandrong op een verlaging van de lonen; vestigt er de aandacht op dat het in Ierland bestaande bankenmodel niet vol te houden was en dat het belastingstelsel te zeer aangewezen was op belastinginkomsten uit sterk geïnflateerde vastgoed- en effectenmarkten, waardoor zijn inkomsten teloorgingen van zodra de respectieve zeepbellen barstten;

12     merkt op dat ongeveer 40% van het Ierse bbp door de belastingbetaler in de bankensector werd geïnjecteerd op een moment dat er van een bail-in-formule nog geen sprake was, omdat deze aanleiding had gegeven tot veel discussie binnen de trojka;

13.    dringt aan op de volledige uitvoering van de in juni 2012 door de EU-leiders aangegane verbintenis om de vicieuze cirkel tussen banken en overheden te doorbreken en de situatie van de Ierse financiële sector nader te onderzoeken om de zware schuldenlast van de Ierse bankensector substantieel te verlichten;

14.    merkt met betrekking tot de inbreng van de particuliere sector in Griekenland op dat onvoldoende rekening is gehouden met de domino-effecten op het Cypriotische bankwezen, dat al aan de rand van de afgrond stond als gevolg van het falende bankenmodel, en dat voorts wordt gesuggereerd dat activa uit bepaalde grotere lidstaten opnieuw in bescherming werden genomen;

15.    merkt op dat Cyprus in mei 2011 de toegang tot de internationale markten werd ontzegd als gevolg van de aanzienlijke verslechtering van de overheidsfinanciën, de sterke blootstelling van de Cypriotische bankensector aan de Griekse economie en de herstructurering van de overheidsschuld in Griekenland, die leidde tot forse verliezen in Cyprus; merkt op dat er op het moment dat het door de EU en het IMF opgezette bijstandsprogramma in 2013 van start ging, al geruime tijd ernstige bedenkingen bestonden over de systemische instabiliteit van de Cypriotische economie, onder andere vanwege de te zwaar geleveragede, risicogeoriënteerde bankensector en de blootstelling van die sector aan lokale vastgoedmarktbedrijven met hoge schulden, de Griekse schuldencrisis, de afwaardering van Cypriotische staatsobligaties door internationale ratingbureaus, het mislukken van pogingen om overheidsuitgaven te herfinancieren op de internationale markten en de onwil van de Cypriotische overheidsinstanties om de in nood verkerende financiële sector te herstructureren, waarbij zij veeleer de voorkeur bleken te geven aan een enorme kapitaalinjectie uit Rusland; brengt tevens in herinnering dat de situatie nog ingewikkelder werd door de te grote afhankelijkheid van spaargelden van Russische burgers en door het feit dat een beroep werd gedaan op een lening van de Russische autoriteiten; merkt voorts op dat de Cypriotische schuldquote in 2007 op 58,8% stond, en in 2012 nog verder opliep tot 86,6%, terwijl er in 2007 een overheidsoverschot was van 3,5% van het bbp, dat niettemin in 2012 omsloeg in een tekort van -6,4%;

Financiële bijstand EU-IMF, inhoudelijke aspecten van de mvo's en toegepast beleid

16.    merkt op dat het initiële verzoek om financiële bijstand door Griekenland werd gedaan op 23 april 2013 en dat de overeenkomst tussen de Griekse autoriteiten enerzijds en de EU en het IMF anderzijds op 2 mei 2010 werd gesloten, waarbij in de desbetreffende mvo's de beleidsvoorwaarden voor de financiële bijstand van EU en IMF werden gestipuleerd; merkt voorts op dat in maart 2012, na vijf evaluaties en het gebrekkige succes van het eerste programma, een tweede programma moest worden aangenomen, dat sindsdien driemaal is herzien; betreurt dat het IMF in feite geen rekening heeft gehouden met de bezwaren van een derde van de leden van zijn raad van bestuur wat betreft de verdeling van de baten en lasten van het eerste Griekse programma;

17.    stelt vast dat de eerste overeenkomst van mei 2010 geen voorzieningen tot herstructurering van de Griekse schulden kon bevatten, ondanks het feit dat zij eerst was voorgesteld door het IMF, dat conform haar gebruikelijke praktijk de voorkeur zou hebben gegeven aan een vroegtijdige schuldsanering; herinnert aan de onwil van de ECB om in 2010 en 2011 enigerlei vorm van schuldsanering in overweging te nemen met het argument dat dit zou hebben geleid tot een crisis met besmettingsrisico voor andere lidstaten, alsook aan haar weigering om deel te nemen aan de in februari 2012 overeengekomen herstructurering; merkt op dat de Griekse Centrale Bank in november 2010 de onrust op de markt aanzienlijk vergrootte door beleggers publiekelijk te waarschuwen dat de liquiditeitsoperaties van de ECB in het geval van de Griekse staatsschuld niet langer konden worden beschouwd als vanzelfsprekend; merkt voorts op dat de lidstaten hebben toegezegd dat hun banken hun blootstelling aan de Griekse obligatiemarkten, die zij niet konden handhaven, niet zouden intrekken;

18.    merkt op dat het eerste verzoek om financiële bijstand door Portugal werd gedaan op 7 april 2011 en dat de overeenkomst tussen de Portugese autoriteiten enerzijds en de EU en het IMF anderzijds op 17 mei 2011 haar beslag heeft gekregen middels de betreffende mvo's, waarin ook de beleidsvoorwaarden voor de financiële bijstand van EU en IMF zijn opgenomen; merkt voorts op dat het Portugese programma sindsdien regelmatig is herzien ter aanpassing van de oogmerken en doelstellingen, aangezien de oorspronkelijke doelen onhaalbaar waren, en dat dit heeft geresulteerd in de succesvolle tiende herziening van het economisch aanpassingsprogramma van Portugal, met het vooruitzicht dat het programma wellicht spoedig zal kunnen worden afgerond;

19.    herinnert aan de bilaterale druk die naar verluidt door de ECB op de Ierse autoriteiten is uitgeoefend voordat de initiële overeenkomst tussen de ECB en het IMF op 7 december 2010, respectievelijk 16 december 2010 werd gesloten middels de desbetreffende mvo's, waarin de beleidsvoorwaarden voor de financiële bijstand van EU en IMF waren opgenomen; merkt op dat het programma grotendeels gebaseerd was op het eigen nationale herstelplan van de Ierse regering voor 2011-2014, dat op 24 november 2010 was bekendgemaakt; merkt voorts op dat het Ierse programma sindsdien regelmatig is herzien, hetgeen op 9 december 2013 heeft geresulteerd in een twaalfde en laatste herziening, en dat dit programma op 15 december 2013 is afgerond;

20.    merkt op dat de Europese Raad op 29 juni 2012 heeft besloten het ESM de mogelijkheid te bieden om banken rechtstreeks te herkapitaliseren op basis van een regulier besluit en op voorwaarde dat er een effectief toezichtmechanisme wordt ingesteld; merkt voorts op dat het operationele kader voor een direct, aan voorwaarden onderworpen herkapitalisatie-instrument op 20 juni 2013 door de Eurogroep is gedefinieerd;

21.    merkt op dat de ideeën omtrent de bail-in-formule in de loop der tijd veranderd zijn; in het geval van Ierland in 2010 was het treffen van een bail-in-regeling voor houders van senior obligaties voor de Ierse autoriteiten nog geen optie, terwijl het opleggen van een bail-in-regiem voor verzekerde depositohouders in Cyprus in 2013 wél als een beleidsmaatregel naar voren werd geschoven, waardoor de dispariteit tussen de instrumenten die werden ingezet om de banken- en overheidsschuldencrisis te lenigen, nog werd vergroot;

22.    merkt op dat het eerste verzoek om financiële bijstand door Cyprus werd gedaan op 25 juni 2012, maar dat de uiteindelijke overeenkomst over het bijstandsprogramma van EU en IMF vanwege verschillen van opvatting over de te hanteren voorwaarden, alsmede ten gevolge van het verwerpen door het Cypriotische parlement op 13 maart 2013 van een eerste conceptprogramma omdat het strijdig was met de geest van de Europese wetgeving aangezien erin voorgesteld werd een afwaardering toe te passen op kleine deposito's van minder dan 100 000 euro, moest worden uitgesteld tot respectievelijk 24 april (EU) en 15 mei 2013 (IMF), en dat het Cypriotische Huis van afgevaardigden op 30 april 2013 uiteindelijk zijn goedkeuring heeft verleend aan de overeenkomst; wijst erop dat er in het geval van Cyprus aanvankelijk tegenstrijdige programmavoorstellen door de verschillende leden van de trojka waren gedaan en benadrukt het ontbreken van een geloofwaardige verklaring voor de vraag hoe de Europese Commissie en de ministers van financiën van de EU hun goedkeuring hebben kunnen hechten aan het betrekken van verzekerde depositohouders bij de bail-in; betreurt bovendien het feit dat de Cypriotische autoriteiten verklaarden moeilijkheden te ondervinden om de vertegenwoordigers van de trojka tijdens het onderhandelingsproces van hun bezwaren te overtuigen, alsook het feit dat de Cypriotische regering naar verluidt verplicht werd in te stemmen met toepassing van het bail-in-regiem op bankdeposito's, gezien het uitzonderlijk hoge niveau van de particuliere schulden in verhouding tot het bbp; wijst erop dat de Centrale Bank van Cyprus (CBC) en een ministerieel comité nauw waren betrokken bij de onderhandelingen over en de formulering van het financiële bijstandsprogramma en dat het uiteindelijk de gouverneur van de CBC was die het mvo samen met de minister van Financiën heeft ondertekend, en dat moet worden opgemerkt dat er bijzonder weinig tijd was voor verdere onderhandelingen over de detailaspecten van het mvo;

23.    wijst op de ernstige neveneffecten van de toepassing van het bail-in-instrument, dat o.a. de verplichte invoering van kapitaalcontroles impliceert; benadrukt dat de reële economie van Cyprus nog altijd voor grote uitdagingen blijft staan omdat het verbreken van de kredietlijnen zwaar op de productieve sectoren van de economie drukt;

24.    merkt op dat het IMF de mondiale instelling is die tot taak heeft landen die in betalingsbalansproblemen verkeren, conditionele financiële bijstand te verlenen; wijst erop dat alle lidstaten lid van het IMF zijn en derhalve het recht hebben om deze bijstand te verzoeken, in samenwerking met de EU-instellingen, waarbij de belangen van de EU en die van de betrokken lidstaat naar behoren in aanmerking moeten worden genomen; merkt op dat de financiële middelen van het IMF met het oog op de omvang van deze crisis ontoereikend zouden zijn geweest om de problemen van de landen die financiële bijstand nodig hadden op te lossen;

25.    constateert dat het IMF duidelijk heeft gewezen op de risico's van het Griekse programma, inzonderheid met betrekking tot de houdbaarheid van de schuldenlast; merkt op dat het IMF er niet alleen mee heeft ingestemd dat het programma zou worden ontwikkeld en onderhandeld door de trojka, maar dat het tevens heeft besloten zijn "Exceptional Access Policy (EAP)"-criterium inzake de houdbaarheid van schulden aan te passen, zodat er leningen aan Griekenland, Ierland en Portugal konden worden verstrekt;

26.    vestigt de aandacht op de bezwaren die zijn geformuleerd met betrekking tot het door de ECB uit te oefenen toezicht op noodliquiditeitssteun (ELA); beschouwt het door de ECB gehanteerde solvabiliteitsconcept als te weinig transparant en voorspelbaar;

27.    wijst erop dat de EU en de internationale instellingen niet waren voorbereid op een staatsschuldencrisis van een dergelijke omvang, en al evenmin op de uiteenlopende oorzaken en gevolgen ervan binnen de eurozone, die o.a. toe te schrijven waren aan de ernstigste financiële crisis sinds 1929; betreurt het ontbreken van een bruikbare rechtsgrond om een crisis van deze aard het hoofd te kunnen bieden; onderkent de inspanningen die zijn geleverd om snel en resoluut op de crisis te reageren, maar betreurt dat de Raad consequent heeft geweigerd hiervoor een integrale en systematische langetermijnstrategie te ontwikkelen; betreurt dat de EU-structuurfondsen en -maatregelen die gericht zijn op de totstandbrenging van een langdurige economische convergentie binnen de Unie onvoldoende resultaat hebben opgeleverd;

28.    wijst erop dat de cofinancieringspercentages voor de structuurfondsen van de EU zijn verhoogd tot 95% voor een aantal lidstaten die het zwaarst zijn getroffen door de crisis en die financiële steun hebben ontvangen in het kader van een aanpassingsprogramma; benadrukt dat de lokale en nationale overheden moeten worden versterkt om de EU-wetgeving en -programma's volledig te kunnen uitvoeren, zodat de structuurfondsen sneller kunnen worden besteed;

29.    erkent desalniettemin dat de enorme uitdaging waarmee de trojka zich geconfronteerd zag in de aanloop naar de crisis uniek was als gevolg van, onder andere, de slechte staat van de openbare financiën, de behoefte aan structuurhervormingen in een aantal lidstaten, de ontoereikende regulering van de financiële diensten op Europees en nationaal niveau en de grote macro-economische onevenwichtigheden die in de loop der jaren zijn opgebouwd, evenals de beleids- en institutionele tekortkomingen en het feit dat de meeste traditionele macro-economische instrumenten zoals het begrotingsbeleid of externe devaluatie niet meer ter beschikking stonden vanwege de beperkingen van de monetaire unie en het incomplete karakter van de eurozone; merkt bovendien op dat er sprake was van grote tijdsdruk, ten dele vanwege het feit dat financiële steunaanvragen meestal pas werden ingediend op het moment dat de betrokken landen al aan de rand van het bankroet stonden en geen toegang meer hadden tot de markten, terwijl er nog een aantal juridische belemmeringen uit de weg moesten worden geruimd, dat de vrees voor het instorten van de eurozone tastbaar was, dat er duidelijk behoefte was aan politieke afspraken en hervormingsbesluiten, dat de wereldeconomie in een diepe recessie verkeerde en dat een aantal landen waarvan financiële steun werd verwacht, hun eigen overheids- en particuliere schulden in een alarmerend tempo hadden zien toenemen;

30.    spreekt zijn afkeuring uit over het gebrek aan transparantie bij de mvo-onderhandelingen; merkt op dat onderzocht moet worden of de officiële documenten duidelijk ter kennis zijn gebracht en tijdig door de nationale parlementen en het Europees Parlement in behandeling zijn genomen en naar behoren met de sociale partners zijn besproken; wijst voorts op de mogelijk negatieve gevolgen van dergelijke praktijken, waarbij informatie over de rechten van de burger, over de stabiliteit van de politieke situatie in de betrokken landen en het vertrouwen van de burgers in de democratie en het Europese project is achtergehouden;

31.    stelt vast dat de aanbevelingen in het mvo op gespannen voet staan ​​met het moderniseringsbeleid dat gestalte heeft gekregen in de vorm van de strategie van Lissabon en van de Europa 2020-strategie; betreurt voorts dat lidstaten met mvo's vrijgesteld zijn van alle rapportageverplichtingen in het kader van het Europees semester, met inbegrip van de rapportage in het kader van de doelstellingen armoedebestrijding en sociale inclusie, en dat zij geen landenspecifieke aanbevelingen krijgen, afgezien wat betreft de implementatie van hun mvo's; herinnert eraan dat de mvo's moeten worden aangepast om recht te doen aan de praktijk en de instellingen voor loonvorming en het nationale hervormingsprogramma van de betrokken lidstaat in het kader van de strategie van de Unie voor groei en werkgelegenheid, zoals bepaald in Verordening nr. 472/2013 (artikel 7, lid 1); dringt erop aan dat daarvoor wordt gezorgd, mocht zulks nog niet het geval zijn; wijst er echter op dat dit deels te verklaren valt – maar niet volledig te rechtvaardigen is – door het feit dat de programma's onder grote tijdsdruk en onder moeilijke politieke, economische en financiële omstandigheden hun beslag moesten krijgen;

32.    betreurt het dat in de programma's voor Griekenland, Ierland en Portugal een aantal gedetailleerde voorschriften is opgenomen voor de hervorming van de zorgstelsels en voor bezuinigingen; betreurt voorts het feit dat de programma's niet zijn onderworpen aan het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of aan de bepalingen in de Verdragen, waaronder met name artikel 168, lid 7, van het VWEU;

33.    wijst erop dat de macro-economische aanpassingsprogramma's goedgekeurd zijn door de EU-ministers van financiën;

De huidige economische en sociale situatie

34.    betreurt dat de ten uitvoer gelegde maatregelen op korte termijn hebben geresulteerd in een nog ongelijkere inkomensverdeling; merkt op dat er sprake is van een bovengemiddelde toename van dergelijke ongelijkheden in de vier landen; merkt op dat de bezuinigingen op sociale uitkeringen en diensten en de stijgende werkloosheid als gevolg van de maatregelen waarin de programma's voorzien die zijn bedoeld om de macro-economische situatie, inclusief loonsverlagingen, te corrigeren, de armoedeniveaus nog verder doen oplopen;

35.    wijst op de onacceptabel hoge werkloosheid, de langdurige werkloosheid en de werkloosheid onder jongeren in met name de vier lidstaten waar een bijstandsprogramma wordt uitgevoerd; benadrukt dat de hoge werkloosheid onder jongeren de mogelijkheden voor toekomstige economische ontwikkeling in het gedrang brengt, zoals blijkt uit de stroom jonge migranten uit Zuid-Europa, maar ook uit Ierland, waardoor een braindrain dreigt te ontstaan; herinnert eraan dat stelselmatig is vastgesteld dat onderwijs, opleiding en een sterke wetenschappelijke en technologische achtergrond de kritieke elementen zijn voor het structureel inlopen van de achterstand door deze economieën; is derhalve ingenomen met de recente initiatieven op EU-niveau betreffende onderwijs en werkgelegenheid voor jongeren, het programma Erasmus+, het Jeugdwerkgelegenheidsinitiatief en de 6 miljard euro voor de Europese jongerengarantieregeling, maar dringt erop aan dat er politiek en economisch nog meer werk wordt gemaakt van deze problemen; onderstreept dat de bevoegdheden die verband houden met werkgelegenheid hoofdzakelijk onder de lidstaten blijven ressorteren; spoort de lidstaten er derhalve toe aan hun nationale onderwijsstelsels verder te moderniseren en zich in te zetten voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid;

36.    is verheugd over de beëindiging van het programma voor Ierland, waarbij de trojkamissies zijn stopgezet en het land op 7 januari jl. weer met succes toegang heeft kunnen krijgen tot de obligatiemarkten, alsook over de verwachte beëindiging van het programma voor Portugal; betreurt dat de resultaten voor Griekenland nog op zich laten wachten, ondanks de ongekende hervormingen die er zijn doorgevoerd; onderkent dat er zeer zware inspanningen zijn verlangd van individuele personen, gezinnen, bedrijven en instellingen en maatschappelijke instituties in de landen waar aanpassingsprogramma's worden doorgevoerd; neemt nota van de eerste tekenen van een gedeeltelijk economisch herstel in een aantal programmalanden; wijst er echter op dat de aanhoudend hoge werkloosheid weegt op het economisch herstel, en dat er nog steeds behoefte is aan voortdurende, ambitieuze inspanningen, zowel op nationaal als op EU-niveau;

De trojka: economische dimensie en theoretische grondslag en het effect van haar besluiten

37.    benadrukt dat er behoefte is aan degelijke landenspecifieke en voor de gehele eurozone geldende economische modellen die gebaseerd zijn op voorzichtige veronderstellingen, alsook aan onafhankelijke gegevens en betrokkenheid van belanghebbenden en transparantie om geloofwaardige en doeltreffende aanpassingsprogramma's te kunnen ontwikkelen, maar erkent dat economische prognoses meestal berusten op een bepaalde mate van onzekerheid en onvoorspelbaarheid; betreurt dat er niet altijd adequate statistische gegevens en informatie beschikbaar waren;

38.    constateert met voldoening dat dankzij de financiële bijstand op korte termijn effectief een chaotische staatsschuldencrisis is voorkomen, die extreem ernstige economische en sociale gevolgen zou hebben gehad, en waarvan de spill-overeffecten op andere landen niet te overzien zouden zijn geweest en vermoedelijk geleid zouden hebben tot het gedwongen vertrek van landen uit de eurozone; merkt echter op dat er geen garantie is dat dit op de lange termijn kan worden vermeden; merkt tevens op dat de financiële bijstand en het aanpassingsprogramma voor Griekenland noch een ordentelijk faillissement, noch het overspringen van de crisis naar andere lidstaten hebben kunnen voorkomen, en dat het vertrouwen in de markt pas is hersteld en de rentespreads op staatsschulden pas begonnen te dalen toen de ECB de met het OMT-programma van rechtstreekse monetaire transacties in augustus 2012 ingezette politiek met nog andere maatregelen aanvulde; betreurt de economische en sociale achteruitgang die zich manifesteerde toen de budgettaire en macro-economische correcties werden doorgevoerd; merkt op dat de economische en sociale gevolgen erger zouden zijn geweest zonder de financiële en technische bijstand van de EU en het IMF;

39.    merkt op dat de trojka vanaf het begin omstandige documenten heeft gepubliceerd omtrent de diagnose, de strategie om de ongekend ernstige problemen aan te pakken, en het pakket samen met de betrokken nationale regering uitgewerkte beleidsmaatregelen en economische prognoses, die stuk voor stuk regelmatig worden geactualiseerd; merkt op dat deze documenten het publiek niet in staat hebben gesteld zich een totaalbeeld te vormen van de gevoerde onderhandelingen en dat daarmee dus niet op afdoende wijze aan de verantwoordingsplicht wordt voldaan;

40.    betreurt de soms wat al te optimistische veronderstellingen waarvan de trojka is uitgegaan, vooral wat de groei en de werkloosheid betreft, hetgeen o.a. te wijten was aan het feit dat zij de grensoverschrijdende overloopeffecten onvoldoende heeft onderkend (zoals ook door de Commissie wordt erkend in haar verslag over "Begrotingsconsolidatie en spill-overeffecten in de periferie en de kernlanden van de eurozone"), het politieke verzet tegen veranderingen in sommige lidstaten, en de economische en sociale gevolgen van de aanpassing; betreurt het feit dat dit ook van invloed is geweest op de analyse van de trojka omtrent de wisselwerking tussen begrotingsconsolidatie en groei; merkt op dat als gevolg hiervan de begrotingsdoelstellingen niet binnen de gestelde termijn zijn gehaald;

41.    maakt uit de hoorzittingen op dat er een strikt verband is tussen de looptijd van het aanpassingsprogramma en de steun die beschikbaar wordt gesteld via speciale fondsen zoals het ESM, hetgeen betekent dat een langere aanpassingsperiode er onvermijdelijk toe zou hebben geleid dat er aanmerkelijk hogere bedragen ter beschikking moesten worden gesteld en gegarandeerd door de andere eurolanden en het IMF, iets wat politiek niet haalbaar was in het licht van de op zich reeds zeer hoge bedragen; wijst erop dat de looptijd van de aanpassingsprogramma's en de terugbetalingsperiodes duidelijk langer zijn dan die van gewone financiële bijstandsprogramma's van het IMF;

42.    is ingenomen met de verkleining van de structurele tekorten in alle programmalanden sinds de aanvang van hun respectieve bijstandsprogramma's; betreurt dat deze nog niet hebben geleid tot een verlaging van de schuldquotes; merkt op dat de schuldquotes juist sterk zijn toegenomen in alle programmalanden, doordat de toekenning van voorwaardelijke leningen automatisch resulteert in een stijging van de overheidsschuld en doordat het gevoerde beleid op de korte termijn een recessief effect heeft; is voorts van mening dat een accurate raming van de begrotingsmultiplicatoren van cruciaal belang is om de schuldquote door middel van budgettaire aanpassingsmaatregelen met succes terug te dringen; stelt vast dat toewerken naar meer verantwoorde particuliere schuldniveaus tevens noodzakelijk is voor de stabiliteit op lange termijn; erkent dat het doorgaans verschillende jaren duurt voordat structurele hervormingen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het verhogen van de productie en de werkgelegenheid;

43.    is van mening dat begrotingsmultiplicatoren moeilijk met zekerheid in te schatten zijn; herinnert er in dit verband aan dat het IMF heeft toegegeven de begrotingsmultiplicator in zijn groeiprognoses van vóór oktober 2012 te laag te hebben ingeschat; merkt op dat deze periode overeenkomt met die in de conclusies van op één na alle initiële memoranda van overeenstemming die in dit verslag aan de orde komen; herinnert eraan dat de Europese Commissie in november 2012 heeft verklaard dat de fouten in de prognoses niet te wijten waren aan een te lage inschatting van de begrotingsmultiplicatoren; wijst er echter op dat de Commissie in haar antwoorden op de vragenlijst heeft toegegeven dat "begrotingsmultiplicatoren in de huidige situatie doorgaans hoger zijn dan onder normale omstandigheden"; geeft er zich rekenschap van dat begrotingsmultiplicatoren ten dele endogeen ontstaan en met de veranderende macro-economische omstandigheden mee-evolueren; wijst erop dat de trojka in reactie op dit publieke verschil van mening tussen de Europese Commissie en het IMF over de omvang van de begrotingsmultiplicator geen gezamenlijk standpunt heeft ingenomen;

44.    wijst erop dat interne devaluatie middels o.a. verlaging van lonen en pensioenen weliswaar de verklaarde doelstelling van de steunoperaties van het IMF in het kader van de trojka is, maar dat de Commissie zich nooit duidelijk achter deze doelstelling heeft opgesteld; merkt op dat de Commissie daarentegen voor alle vier de betreffende programmalanden juist de nadruk legt op het streven naar begrotingsconsolidatie; onderkent deze verschillen in prioriteit tussen het IMF en de Commissie en neemt kennis van de aanvankelijk inconsistente doelstellingen die de beide instellingen erop nahielden; merkt op dat gezamenlijk is besloten zich te baseren op een combinatie van de beide instrumenten en op structuurhervormingen, met daarnaast nog een aantal andere maatregelen ter aanvulling van deze strategie; merkt op dat deze combinatie van begrotingsconsolidatie en restrictief loonbeleid zowel de overheids- als de particuliere vraag onder druk zette; betreurt het feit dat er minder aandacht is besteed aan de hervorming van de industriële basis en de institutionele structuren van de programmalanden – waardoor zij duurzamer en doelmatiger zouden kunnen opereren – dan aan de bovenvermelde doelstellingen;

45.    is van mening dat er te weinig aandacht is besteed aan het verlichten van de negatieve economische en sociale gevolgen van de aanpassingsstrategieën in de programmalanden; herinnert aan de oorzaken van de crises; betreurt dat de uniforme aanpak van de crisisbeheersing er al te vaak toe heeft geleid dat te weinig recht werd gedaan aan de balans tussen de economische en sociale gevolgen van de voorgeschreven beleidsmaatregelen;

46.    benadrukt dat nationale betrokkenheid van essentieel belang is, en dat verschillen van mening over de door te voeren maatregelen gevolgen hebben voor de te verwachten resultaten, o.a. in de vorm van nog zwaardere problemen gedurende een nog langere periode voor het betrokken land; neemt nota van de ervaringen van het IMF op basis waarvan nationale betrokkenheid kan worden beschouwd als de allerbelangrijkste factor voor het welslagen van financiële bijstandsprogramma's in het algemeen; benadrukt echter dat nationale betrokkenheid niet kan worden gerealiseerd zonder adequate democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht op zowel nationaal als EU-niveau; onderstreept wat dit betreft dat het ter wille van de verantwoordingsplicht en de transparantie op nationaal niveau van cruciaal belang is dat de nationale parlementen de begrotingen en de wetgeving ter implementatie van de economische aanpassingsprogramma's goedkeuren;

47.    benadrukt dat vergroting van de gendergelijkheid een centrale rol speelt bij het versterken van de economie, en dat deze factor bij economische analyses of aanbevelingen nooit over het hoofd mag worden gezien;

De trojka: institutionele dimensie en democratische legitimiteit

48.    merkt op dat vanwege het evolutieve karakter van de reactie van de EU op de crisis, de onduidelijke rol van de ECB in de trojka en de wijze van besluitvorming bij de trojka, het mandaat van de trojka wordt ervaren als onduidelijk en onvoldoende transparant, en als een proces waarbij het aan democratisch toezicht ontbreekt;

49.    wijst er echter op dat de vaststelling van Verordening (EU) nr. 472/2013 op 21 mei 2013 een eerste – zij het ontoereikende – stap vormt op weg naar de codificering van de in de eurozone toe te passen procedures voor landen in financiële moeilijkheden, en dat daardoor een ​​mandaat wordt verleend aan de trojka; is wat dat betreft onder meer ingenomen met: de bepalingen inzake de evaluatie van de houdbaarheid van de overheidsschuld; de transparantere procedures die worden ingesteld voor de goedkeuring van macro-economische aanpassingsprogramma's, en die zich ook uitstrekken tot de noodzaak om negatieve spill-overeffecten en macro-economische en financiële schokken en de aan het Europees Parlement verleende rechten van toezicht daarbij te betrekken; de bepalingen inzake de betrokkenheid van de sociale partners; de vereisten om uitdrukkelijk rekening te houden met de nationale praktijken en instellingen voor loonvorming; de noodzaak om te zorgen voor toereikende middelen voor fundamentele beleidsmaatregelen, bv. voor onderwijs en gezondheidszorg; en de vrijstelling van de relevante vereisten van het stabiliteits- en groeipact voor lidstaten waar een bijstandsprogramma wordt uitgevoerd;

50.    neemt kennis van de verklaring van de voorzitter van de Eurogroep dat de Eurogroep de Commissie een mandaat geeft om namens de Eurogroep te onderhandelen over de aan de verleende bijstand verbonden voorwaarden, waarbij rekening moet worden gehouden met de opvattingen van de lidstaten omtrent de voornaamste elementen van de gestelde voorwaarden en – met het oog op hun eigen financiële beperkingen – omtrent de omvang van de financiële bijstand; merkt op dat de bovengenoemde procedure waarbij de Eurogroep een mandaat verleent aan de Commissie niet specifiek is omschreven in de EU-wetgeving, aangezien de Eurogroep geen officiële instelling van de Europese Unie is; benadrukt dat, ook al treedt de Commissie namens de lidstaten op, de uiteindelijke politieke verantwoordelijkheid voor de opzet en de goedkeuring van de macro-economische aanpassingsprogramma's bij de EU-ministers van financiën en hun regeringen berust; betreurt het ontbreken van democratische legitimiteit en verantwoordingsplicht op EU-niveau voor de Eurogroep bij de uitoefening van uitvoerende bevoegdheden op EU-niveau;

51.    wijst erop dat de reddingsmechanismen en de trojka een ad-hockarakter droegen, en betreurt dat er geen passende rechtsgrondslag voor de instelling van de trojka op basis van het primair recht van de Unie voorhanden was, hetgeen resulteerde in de instelling van intergouvernementele mechanismen in de vorm van het EFSF, en uiteindelijk van het ESM; verlangt dat alle eventuele toekomstige oplossingen gebaseerd moeten zijn op het primaire Unierecht; erkent dat dit kan impliceren dat het Verdrag moet worden gewijzigd;

52.    is verontrust over het feit dat de voormalige voorzitter van de Eurogroep tegenover het Europees Parlement heeft toegegeven dat de Eurogroep de aanbevelingen van de trojka had gesteund zonder uitvoerig te zijn ingegaan op de specifieke beleidsimplicaties daarvan; wijst er met nadruk op dat, indien dit klopt, het de ministers van financiën van de eurozone niet ontheft van hun politieke verantwoordelijkheid voor de macro-economische aanpassingsprogramma's en de mvo's; wijst erop dat deze bekentenis een verontrustend licht werpt op de onduidelijke definities van de rollen van "technisch adviseur" en "bureau van de Eurogroep" die aan de Commissie en de ECB zijn overgedragen in het kader van het ontwerp, de uitvoering en beoordeling van bijstandsprogramma's; betreurt dat er wat dat betreft door de Raad en de Eurogroep geen duidelijk en per geval verantwoord mandaat aan de Commissie is verleend;

53.    zet vraagtekens bij de dubbele rol van de Commissie in de trojka, én als vertegenwoordiger van de lidstaten én als EU-instelling; stelt zich op het standpunt dat er binnen de Commissie een potentieel belangenconflict bestaat tussen haar rol in de trojka en haar verantwoordelijkheid als hoedster van de Verdragen en van het acquis communautaire, met name op beleidsterreinen zoals concurrentie en beleid inzake staatssteun en sociale cohesie, alsook met betrekking tot het loon- en sociaal beleid van de lidstaten en het sociaal beleid, een terrein waarop de Commissie niet bevoegd is, alsmede wat betreft de naleving van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; wijst erop dat deze situatie niet strookt met de normale rol van de Commissie, die erin bestaat te fungeren als een onafhankelijke principale actor die het belang van de EU beschermt en toeziet op de implementatie van de EU-regelgeving binnen de door de Verdragen gestelde grenzen;

54.    wijst tevens op het potentiële belangenconflict tussen de huidige rol van de ECB in de trojka als "technisch adviseur" en haar positie als kredietverlener van de vier lidstaten, alsook op het mandaat dat zij aan het Verdrag ontleent doordat haar eigen optreden wordt bepaald door besluiten waar zij zelf bij betrokken is; staat niettemin positief tegenover haar bijdrage bij de aanpak van de crisis, maar verlangt dat potentiële belangenconflicten waarbij de ECB betrokken is, met name in het kader van cruciale liquiditeitsmaatregelen, nauwlettend worden onderzocht; merkt op dat de ECB gedurende de gehele crisis over cruciale informatie betreffende de gezondheid van de bankensector en de financiële stabiliteit in het algemeen heeft beschikt, en dat zij onder gebruikmaking daarvan zware politieke pressie heeft uitgeoefend op besluitvormers, althans bij de schuldsanering in Griekenland, waarbij de ECB eiste dat collectieveactieclausules uit de condities van de door haar aangehouden overheidsobligaties zouden worden verwijderd, alsook bij de activiteiten op het gebied van noodliquiditeitssteun voor Cyprus en bij het niet-betrekken van houders van senior obligaties bij het bail-in-regime in Ierland;

55.    merkt op dat de rol van de ECB onvoldoende nauwkeurig is gedefinieerd, aangezien in het ESM-verdrag en in Verordening (EU) nr. 472/2013 is vastgelegd dat de Commissie haar taken uitvoert "in overleg met de ECB", waardoor de rol van de ECB beperkt blijft tot het leveren van advies; merkt op dat de Eurogroep heeft verzocht de ECB als adviesverstrekker bij het beleidsoverleg te betrekken ter aanvulling van de standpunten van de overige trojka-partners, en dat het Hof van Justitie in de zaak-Pringle heeft geoordeeld dat de door het ESM-Verdrag aan de ECB toegewezen taken stroken met de diverse taken die het VWEU en de statuten van het ESCB [en de ECB] aan de ECB toekennen, mits definitief aan een aantal voorwaarden is voldaan; wijst op de verantwoordelijkheid die op de Eurogroep rust om de ECB toe te staan binnen de trojka te opereren, maar herinnert eraan dat het mandaat van de ECB door het VWEU wordt beperkt tot de terreinen van het monetaire beleid en de financiële stabiliteit en dat de Verdragen niet voorzien in betrokkenheid van de ECB bij het ​​besluitvormingsproces inzake budgettair, fiscaal en structuurbeleid; brengt in herinnering dat artikel 127 VWEU bepaalt dat het ESCB, onverminderd de prijsstabiliteitsdoelstelling, het algemene economische beleid in de Unie ondersteunt teneinde bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie omschreven doelstellingen van de Unie;

56.    wijst op de over het algemeen beperkte democratische controle die in programmalanden op nationaal niveau kan worden uitgeoefend op de trojka; merkt echter op dat deze democratische controle per land verschilt en afhangt van de bereidheid van de nationale instellingen en de effectieve controlecapaciteit van de nationale parlementen, zoals is gebleken bij de afwijzing van het oorspronkelijke mvo door het parlement van Cyprus; merkt echter op dat de nationale parlementen zich, toen zij werden geraadpleegd, geconfronteerd zagen met de keuze tussen niet voldoen aan hun schuldverplichtingen of aanvaarding van de tussen de trojka en de nationale autoriteiten overeengekomen memoranda van overeenstemming; wijst erop dat het mvo door het nationale parlement in Portugal niet is geratificeerd; wijst met bezorgdheid op het feit dat de trojka bestaat uit drie onafhankelijke instellingen waartussen de verantwoordelijkheid ongelijk is verdeeld, elk met haar eigen mandaat en onderhandelings- en besluitvormingsstructuren en met verschillende niveaus van verantwoordingsplicht, hetgeen heeft geresulteerd in onvoldoende adequaat toezicht en democratische controle op de trojka als geheel;

57.    betreurt dat het IMF vanwege zijn statutaire bepalingen niet formeel voor nationale parlementen of voor het Europees Parlement kan verschijnen of daaraan schriftelijk verslag kan uitbrengen; merkt op dat de IMF-bestuursstructuur voorziet in het afleggen van verantwoording jegens de 188 lidstaten via zijn Raad van Bestuur; benadrukt dat het feit dat het IMF als geldschieter in laatste instantie slechts voor maximaal een derde deelneemt in het toe te kennen steunbedrag de instelling in een minderheidspositie plaatst;

58.    merkt op dat er, na het voorbereidende werk van de trojka, door de Eurogroep en het IMF afzonderlijk en overeenkomstig hun respectieve juridische statussen en functies formele besluiten zijn genomen, waardoor deze instellingen hun respectieve politieke verantwoordelijkheid voor de maatregelen van de trojka op zich hebben genomen; merkt voorts op dat er inmiddels een cruciale rol is toebedeeld aan het ESM als de organisatie die verantwoordelijk is voor de besluitvorming over door lidstaten van de eurozone verleende steun, hetgeen impliceert dat de nationale instituties van de lidstaten van de eurozone, waaronder ook de regeringen van de direct betrokkenen, een centrale rol spelen bij alle besluiten die worden genomen;

59.    stelt vast dat de democratische legitimiteit van de trojka op nationaal niveau voortvloeit uit de politieke verantwoordelijkheid van de Eurogroep en de Ecofin-leden jegens hun respectieve nationale parlementen; betreurt dat het de trojka vanwege haar structuur ontbreekt aan democratische legitimiteit op EU-niveau;

60.    betreurt dat de EU-instellingen worden afgeschilderd als de zondebok voor de negatieve effecten van de door de lidstaten doorgevoerde macro-economische aanpassingen, terwijl de ministers van financiën van de lidstaten de politieke verantwoordelijkheid voor de trojka en haar werkzaamheden dragen; benadrukt dat dit tot nog meer euroscepsis kan leiden, hoewel de verantwoordelijkheid niet bij de Europese maar bij het nationale instanties berust;

61.    verzoekt de Eurogroep, de Raad en de Europese Raad de volledige verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de werkzaamheden van de trojka;

62.    wijst erop dat het ESM een intergouvernementeel orgaan is dat geen deel uitmaakt van de juridische structuur van de Europese Unie en volgens de reguliere procedure is gebonden aan de unanimiteitsregel; is om die reden van opvatting dat er behoefte is aan een geest van wederzijdse betrokkenheid en solidariteit; merkt op dat bij het ESM-verdrag voor leningen het conditionaliteitsbeginsel is ingevoerd in de vorm van een macro-economisch aanpassingsprogramma; wijst er tevens op dat in het ESM-verdrag de begrippen "conditionaliteit" of "aanpassingsprogramma" niet nader zijn gedefinieerd, waardoor de trojka veel speelruimte krijgt wanneer zij voor conditionaliteit pleit;

63.    verwacht van de nationale rekenkamers volledige nakoming van hun wettelijk vastgelegde verantwoordelijkheden ten aanzien van het certificeren van de wettigheid en regelmatigheid van financiële transacties en van de effectiviteit van de toezicht- en controlesystemen; roept de hoogste controle-instanties er in dit verband toe op nauwer samen te werken, in het bijzonder door het uitwisselen van optimale werkmethoden;

Voorstellen en aanbevelingen

64.    is ingenomen met de bereidheid van de Commissie, de ECB, de voorzitter van de eurogroep, het IMF, de nationale regeringen en centrale banken van Cyprus, Ierland, Griekenland en Portugal, alsmede van de sociale partners en de vertegenwoordigers van met maatschappelijk middenveld, om mee te werken en deel te nemen aan de evaluatie door het Europees Parlement van de rol en de werkzaamheden van de trojka, met inbegrip van de beantwoording van een gedetailleerde vragenlijst en/of deelname aan formele en informele hoorzittingen;

65.    betreurt dat de voorstellen in zijn resolutie van 6 juli 2011 over de financiële, economische en sociale crisis door de Europese Raad onvoldoende in aanmerking zijn genomen; benadrukt dat de uitvoering daarvan de economische en sociale convergentie van de Economische en Monetaire Unie zou hebben bevorderd onder verschaffing van volledige democratische legitimiteit aan de maatregelen ter coördinatie van het economisch en begrotingsbeleid;

Op de korte tot middellange termijn

66.    dringt bij wijze van eerste stap aan op de vaststelling van duidelijke, transparante en bindende procedurele voorschriften voor de interactie tussen de instellingen binnen de trojka en de toewijzing van de taken en verantwoordelijkheden daarvan; is er stellig van overtuigd dat een duidelijke definitie en verdeling van taken noodzakelijk is ter verbetering van de transparantie, ter versterking van de democratische controle op en vergroting van de geloofwaardigheid van het werk van de trojka;

67.    dringt aan op de ontwikkeling van een betere communicatiestrategie voor lopende en toekomstige financiële bijstandsprogramma's; dringt erop aan om hieraan de allerhoogste prioriteit te geven, omdat niets doen op dit gebied uiteindelijk het imago van de Unie zal beschadigen;

68.    dringt aan op een onafhankelijk onderzoek naar de gunning van contracten aan externe consultants, het ontbreken van openbare aanbestedingen, de bijzonder hoge vergoedingen die worden betaald en de potentiële belangenconflicten;

Economische en sociale effecten

69.    brengt in herinnering dat het door het Europees Parlement in Verordening 472/2013 bepleite standpunt de invoering van bepalingen behelsde op grond waarvan de macro-economische aanpassingsprogramma's ook moesten voorzien in noodplannen voor het geval de voorspelde basisscenario's niet zouden uitkomen of in het geval van onvoorziene omstandigheden die de steunontvangende lidstaat niet onder controle hebben, zoals onverwachte internationale economische schokken; benadrukt dat dergelijke plannen een voorwaarde zijn voor prudente beleidsvorming, gelet op de broosheid en geringe betrouwbaarheid van de economische modellen die ten grondslag liggen aan de programmaprognoses, zoals is gebleken in alle lidstaten die onder de steunprogramma's vallen;

70.    dringt er bij de EU op aan om de ontwikkelingen in de lidstaten op financieel, economisch en begrotingsgebied nauwlettend te volgen en een geïnstitutionaliseerd systeem van positieve stimulansen op te zetten om de lidstaten die op dit gebied optimale praktijken toepassen of overnemen en lidstaten die hun aanpassingsprogramma's volledig uitvoeren, daarvoor te belonen;

71.    verzoekt de trojka de stand van zaken op te maken inzake het lopende debat over begrotingsmultiplicatoren en de mogelijkheid in overweging te nemen de mvo's te herzien op grond van de laatste empirische bevindingen;

72.    verzoekt de trojka door te gaan met de nieuwe beoordelingen van de houdbaarheid van schulden en om zo spoedig mogelijk iets te doen aan de noodzaak om de Griekse staatsschuld terug te brengen en de ernstige kapitaaluitstroom uit het land tegen te gaan, die in significante mate bijdraagt aan de vicieuze cirkel van de heersende economische depressie in het land; herinnert eraan dat er verschillende mogelijkheden bestaan om een dergelijke schuldherstructurering vorm te geven zoals, naast een waarderingscorrectie op de hoofdsom van obligaties, obligatieruil, verlenging van de looptijd van obligaties en verlaging van de couponrente; is van mening dat de verschillende mogelijkheden voor schuldsanering zorgvuldig moten worden afgewogen;

73.    beklemtoont dat de overeengekomen mvo's – waar dit niet het geval is – in overeenstemming moeten worden gebracht met de doelstellingen van de Europese Unie, d.w.z. de bevordering van de werkgelegenheid, de verbetering van de levensomstandigheden en de arbeidsvoorwaarden, zodat onderlinge aanpassing in positieve zin mogelijk wordt gemaakt, alsmede een adequate sociale bescherming, alsmede sociale dialoog, de ontwikkeling van de personele hulpbronnen om een duurzaam hoog werkgelegenheidsniveau mogelijk te maken, en de bestrijding van uitsluiting, zoals vermeld in artikel 151 VWEU; spreekt zijn steun uit voor een omzichtige verlenging van de budgettaire aanpassingstermijnen, die in de memoranda reeds haar beslag heeft gekregen naarmate de vrees voor een algehele instorting is weggeëbd; is voorstander van eventuele verdere aanpassingen naarmate de macro-economische situatie verbetert;

74.    betreurt dat de lasten niet door iedereen die zich op een onverantwoorde manier heeft gedragen zijn gedeeld en dat de bescherming van obligatiehouders werd beschouwd als een noodzaak waaraan de EU in het belang van de financiële stabiliteit moest voldoen; verzoekt de Raad om het door hem vastgestelde systeem voor de behandeling van legacy-activa in werking te doen treden teneinde de vicieuze cirkel tussen overheden en banken te doorbreken en de staatsschulden van Ierland, Griekenland, Portugal en Cyprus te verlichten; roept de Eurogroep ertoe op zijn toezegging na te komen om de situatie van de financiële sector in Ierland aan een onderzoek te onderwerpen met het oog op de verdere verbetering van de duurzaamheid van het Ierse aanpassingsprogramma; verzoekt de Eurogroep, in het licht van het bovenstaande, zijn belofte aan Ierland na te komen en de schuldenlast van banken aan te pakken; is van mening dat bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de toepassing van het stabiliteits- en groeipact op de zogenoemde "erfschulden" omdat deze in Ierland als onbillijk worden ervaren en als een belasting waaronder het land gebukt gaat als gevolg van de flexibiliteitsbepalingen van het herziene pact; is van mening dat de verdeling van de kosten op de langere termijn het aandeel van de beschermde obligatiehouders moet weerspiegelen; neemt kennis van de verzoek van de Ierse autoriteiten tot overdracht van een deel van de overheidsschuld dat overeenkomt met de kosten van de reddingsoperatie van de financiële sector aan het ESM;

75.    pleit ervoor dat de Commissie, de Eurogroep en het IMF een nader onderzoek instellen naar het concept van "voorwaardelijk converteerbare obligaties", waarbij de opbrengsten van nieuw uitgegeven overheidsschuld in de lidstaten die onder de bijstandsregeling vallen worden gekoppeld aan de economische groei;

76.    herinnert aan de noodzaak van maatregelen om belastinginkomsten te waarborgen, met name voor de programmalanden als bedoeld in Verordening (EU) nr. 472/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versterking van het economische en budgettaire toezicht op lidstaten in de eurozone die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden ten aanzien van hun financiële stabiliteit (verslag-Gauzès), door "maatregelen [te nemen] in nauwe samenwerking met de Commissie en in samenspraak met de ECB en, naargelang het geval, met het IMF, gericht op een efficiëntere en doelmatigere belastinginning en op bestrijding van belastingfraude en -ontduiking, met als doel de belastinginkomsten te verhogen"; herinnert eraan dat met spoed effectieve stappen moeten worden ondernomen om zowel binnen als buiten de EU belastingfraude te bestrijden; pleit voor implementatiemaatregelen waardoor alle partijen een billijke bijdrage aan de belastinginkomsten zouden leveren;

77.    dringt erop aan dat de manier waarop gebruik wordt gemaakt van noodfondsen openbaar wordt gemaakt; onderstreept dat er meer duidelijkheid moet komen omtrent de omvang van de middelen die worden toegewezen voor de financiering van tekorten, voor de financiering van de overheid en voor de terugbetaling aan particuliere schuldeisers;

78.    dringt erop aan de sociale partners effectief te betrekken bij het opzetten en uitvoeren van zowel huidige als toekomstige aanpassingsprogramma's; is van mening dat door de sociale partners in het kader van de programma's gemaakte afspraken moeten worden gehonoreerd voor zover zij met de programma's verenigbaar zijn; wijst er met nadruk op dat Verordening (EU) nr. 472/2013 bepaalt dat de bijstandsprogramma's de nationale praktijken en instellingen voor loonvorming moeten respecteren;

79.    dringt erop aan de EIB te betrekken bij de conceptie en uitvoering van investeringsgerelateerde maatregelen, zodat deze ten goede komen aan het economisch en sociaal herstel;

80.    betreurt dat de programma's niet onder de toepassing vallen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en het Europees Sociaal Handvest, aangezien zij niet zijn gebaseerd op het primaire recht van de Unie;

81.    onderstreept dat de Europese instellingen het recht van de Unie onder alle omstandigheden dienen te eerbiedigen, met inbegrip van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

82.    benadrukt dat het streven naar economische en financiële stabiliteit in de lidstaten en de Unie als geheel de maatschappelijke stabiliteit, het Europees sociaal model en de sociale rechten van de EU-burgers niet mag ondermijnen; onderstreept dat de betrokkenheid van de sociale partners bij de economische dialoog op Europees niveau op de politieke agenda moet worden geplaatst, zoals wordt voorgeschreven door de Verdragen; is van mening dat de sociale partners moeten worden betrokken bij de opstelling en uitvoering van zowel huidige als toekomstige aanpassingsprogramma's;

De Commissie

83.    dringt aan op de volledige tenuitvoerlegging van en zeggenschap over Verordening (EU) nr. 472/2013; verzoekt de Commissie interinstitutionele onderhandelingen aan te knopen met het Europees Parlement, met als doel een gemeenschappelijke procedure te definiëren voor het informeren van de bevoegde commissie van het Europees Parlement omtrent de conclusies die worden getrokken uit de monitoring van het macro-economische aanpassingsprogramma en omtrent de vooruitgang die is geboekt bij het opstellen van het ontwerp voor een macro-economisch aanpassingsprogramma als bedoeld in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 472/2013; herinnert de Commissie eraan dat zij een ex-postevaluatie moet opmaken en publiceren van haar aanbevelingen en van haar deelname aan de trojka; verzoekt de Commissie deze evaluaties op te nemen in het beoordelingsverslag als bedoeld in artikel 19 van Verordening (EU) nr. 472/2013; brengt de Raad en de Commissie in herinnering dat artikel 16 van Verordening (EU) nr. 472/2013 bepaalt dat lidstaten die op 30 mei 2013 financiële bijstand hebben ontvangen, met ingang van die datum zijn onderworpen aan deze verordening; roept de Raad en de Commissie ertoe op overeenkomstig artikel 265 VWEU in te grijpen om de ad-hocprogramma's voor financiële ondersteuning te stroomlijnen en af te stemmen op de procedures en besluiten waarnaar wordt verwezen in Verordening (EU) nr. 472/2013; verzoekt de Commissie en de medewetgevers om bij het ontwerpen en ten uitvoer leggen van de volgende stappen van de EMU de nodige lessen te trekken uit de ervaringen met de trojka, alsook bij de herziening van Verordening (EU) nr. 472/2013;

84.    herinnert de Commissie en de Raad aan het standpunt dat het Parlement ter plenaire vergadering heeft ingenomen ten aanzien van Verordening (EU) nr. 472/2013; benadrukt in het bijzonder dat het Europees Parlement in dit standpunt bepalingen heeft opgenomen die de transparantie van en de democratische controle op het besluitvormingsproces voor de vaststelling van macro-economische aanpassingsprogramma's verder verbeteren, en aldus bewerkstelligen dat het mandaat en de algehele rol van de Commissie duidelijker en beter worden afgebakend; verzoekt de Commissie deze bepalingen opnieuw te beoordelen en ze in het systeem te integreren in geval van een eventueel toekomstig voorstel tot wijziging van Verordening (EU) nr. 472/2013; brengt vanuit dat perspectief in herinnering dat de voorbereiding van de toekomstige bijstandsprogramma's dient te worden geplaatst onder de verantwoordelijkheid van de Commissie, die in voorkomend geval het advies moet inwinnen van derden zoals de ECB, het IMF of andere instanties;

85.    dringt erop aan dat de Commissie conform Verordening (EU) nr. 472/2013 en ook in ruimere zin volledige opening van zaken geeft wanneer zij optreedt in haar hoedanigheid van lid van het EU-bijstandsmechanisme; verlangt dat de vertegenwoordigers van de Commissie in dat mechanisme door het Parlement worden gehoord alvorens zij hun taken aanvatten; dringt erop aan dat zij regelmatig verslag uitbrengen aan het Europees Parlement;

86.    stelt voor dat de Commissie voor elk programmaland een "taskforce voor groei" instelt, waarin deskundigen van onder andere de lidstaten en de EIB zitting hebben, alsmede vertegenwoordigers van de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld, opdat deze sectoren daarbij ook worden betrokken, zodat zij suggesties kunnen aandragen ter bevordering van de groei, in aanvulling op het beleid van begrotingsconsolidatie en structuurhervormingen; deze taskforce zou als doelstelling moeten hebben het vertrouwen te herstellen en op die manier het investeringsklimaat te verbeteren; de Commissie zou moeten voortbouwen op de ervaringen met het twinninginstrument voor samenwerking tussen overheden van lidstaten en begunstigde landen;

87.    is van mening dat in verband met de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden (PMO) of wanneer de Commissie de jaarlijkse governanceverklaringen opstelt, beter rekening moet worden gehouden met de situatie van de eurozone als geheel (met inbegrip van de spill-overeffecten van nationaal beleid op andere lidstaten);

88.    is van mening dat in het kader van de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden (PMO) ook duidelijk moet worden beoordeeld of een lidstaat niet al teveel op één specifieke economische sector leunt;

89.    verzoekt de Commissie in het licht van de staatssteunregels een grondige beoordeling op te maken van de liquiditeitsvoorzieningen van het ESCB;

90.    verzoekt de Commissie in haar hoedanigheid van "hoedster van de Verdragen", aan het einde van 2015 een uitvoerige studie te presenteren van de economische en sociale gevolgen van de aanpassingsprogramma's in de vier landen, om een juist inzicht te krijgen in zowel de korte- als langetermijneffecten van de programma's, zodat de aldus verkregen informatie kan worden gebruikt voor toekomstige bijstandsmaatregelen; verzoekt de Commissie bij de opstelling van deze studie alle relevante overlegorganen in te zetten, met inbegrip van het Economisch en Financieel Comité, het Comité voor de werkgelegenheid en het Comité voor sociale bescherming, en volledig samen te werken met het Parlement; is van mening dat bij het verslag van de Commissie ook de evaluatie van het Europees Bureau voor de grondrechten moet worden betrokken;

91.    verzoekt de Commissie en de Raad erop toe te zien dat alle relevante directoraten-generaal (DG's) van de Commissie en de nationale ministeries bij de mvo-besprekingen en -beslissingen worden waarborgen; wijst met name op de rol die het DG Werkgelegenheid samen met DG ECFIN en DG MARKT te vervullen heeft om ervoor zorgen dat de sociale dimensie bij de onderhandelingen een belangrijk punt van overweging is en dat ook met de sociale effecten rekening wordt gehouden;

De ECB

92.    dringt erop dat dat bij elke hervorming van het trojkastelsel de rol van de ECB zorgvuldig wordt geanalyseerd, zodat deze overeenstemt met het mandaat van de ECB; dringt er met name op aan de ECB de status toe te kennen van een stille waarnemer met een transparante en duidelijk gedefinieerde adviserende rol, terwijl zij geen volledige onderhandelingspartner mag zijn, en dat de ECB niet meer mag optreden als medeondertekenaar van missieverklaringen;

93.    verzoekt de ECB om ex-postevaluaties van het effect van haar aanbevelingen en van haar deelname aan de trojka uit te voeren en te publiceren;

94.    pleit ervoor dat de ECB haar richtsnoeren betreffende de noodliquiditeitssteun (ELA) en haar collaterale kaderverordeningen actualiseert ter wille van de transparantie van de liquiditeitsvoorschriften voor de lidstaten die bijstand ontvangen en ter verhoging van de rechtszekerheid omtrent het solvabiliteitsconcept dat door het ESCB wordt gehanteerd;

95.    verzoekt de ECB en de nationale centrale banken tijdig uitvoerige informatie te publiceren omtrent de noodliquiditeitsbijstand, onder andere over de voorwaarden voor steun, zoals de solvabiliteitstatus, de wijze waarop deze bijstand door de nationale centrale banken wordt gefinancierd, het rechtskader en het praktische functioneren daarvan;

Het IMF

96.    is van mening dat na jaren ervaring met het ontwerpen en uitvoeren van financiële programma's, de Europese instellingen de noodzakelijke kennis hebben verworven om zelf dergelijke programma's te kunnen ontwerpen en ten uitvoer te leggen, waarbij de betrokkenheid van het IMF zal worden geherdefinieerd zoals omschreven in dit verslag;

97.    dringt erop aan dat het IMF in de toekomst nog slechts bij wijze van optie bij de eurozone zal worden betrokken;

98.    verzoekt het IMF de reikwijdte van zijn eventuele toekomstige betrokkenheid bij Uniegerelateerde bijstandsprogramma's te herdefiniëren en te beperken tot die van als katalysator fungerende kredietverstrekker die een minimum aan financiering en deskundigheid beschikbaar stelt aan het leningopnemende land en de EU-instellingen, waarbij de optie van uittreding indien geen overeenstemming wordt bereikt dient te blijven bestaan;

99.    verzoekt de Commissie overeenkomstig artikel 138 VWEU passende maatregelen voor te stellen met het oog op de gezamenlijke vertegenwoordiging van de eurozone in internationale financiële instellingen en conferenties, en met name in het IMF, ter vervanging van het huidige systeem waarbij elke lidstaat op internationaal niveau afzonderlijk is vertegenwoordigd; merkt op dat hiervoor een wijziging in de statuten van het IMF nodig is;

100.  verlangt dat het Europees Parlement op ad-hocbasis wordt geraadpleegd over de mogelijke betrokkenheid van het IMF bij de eurozone;

De Raad en de Eurogroep

101.  dringt aan op een herevaluatie van het besluitvormingsproces van de Eurogroep, zodat daarin ook ruimte wordt geschapen voor adequate democratische controle op zowel nationaal als Europees niveau; dringt aan op de vaststelling van Europese richtsnoeren met het oog op een adequate democratische controle op de implementatie van maatregelen op nationaal niveau, die recht doen aan de kwaliteit van de werkgelegenheid, aan de sociale bescherming, de gezondheidszorg en het onderwijs en iedereen de toegang waarborgen tot sociale stelsels; pleit ervoor dat de permanente voorzitter van de Eurogroep een voltijdse taak zou moeten zijn; stelt voor dat de voorzitter een van de vicevoorzitters van de Commissie zou moeten zijn, die aan het Parlement verantwoording moet afleggen; dringt op de korte termijn aan op de instelling van een regelmatige dialoog tussen de trojka en het Parlement;

102.  verzoekt de Eurogroep, de Raad en de Europese Raad de volledige verantwoordelijkheid op zich te nemen voor de werkzaamheden van de trojka; pleit met name voor een betere verantwoording van besluiten van de Eurogroep met betrekking tot financiële bijstand, aangezien de ministers van financiën uiteindelijk de politieke verantwoordelijkheid dragen voor macro-economische aanpassingsprogramma's en de tenuitvoerlegging daarvan, terwijl ze dikwijls niet rechtstreeks verantwoording hoeven af te leggen aan hun eigen nationale parlement of het Europees Parlement voor specifieke besluiten; is van mening dat de voorzitter van de Eurogroep in het Europees Parlement en de Europese ministers van financiën van de EU in hun eigen nationale parlement moeten worden gehoord alvorens financiële bijstand wordt verleend; benadrukt dat zowel de voorzitter van de Eurogroep als de ministers van financiën moeten worden verplicht regelmatig verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de nationale parlementen;

103.  dringt er bij alle lidstaten op aan hun nationale inbreng in de werkzaamheden en besluiten van het Europees semester te vergroten en alle maatregelen en hervormingen uit te voeren waarmee zij hebben ingestemd in het kader van de landenspecifieke aanbevelingen; brengt in herinnering dat de Commissie in slechts 15 % van de ongeveer 400 landenspecifieke aanbevelingen aanzienlijke vorderingen heeft geconstateerd in vergelijking met de voorbije jaren;

Het ESM

104.  benadrukt dat er na de geleidelijke uitfasering van de trojka een andere instelling moet zijn die toezicht houdt op de lopende hervormingen;

105.  benadrukt dat de oprichting van het EFSF en het ESM buiten de instellingen van de Unie om een stap terug betekent in de ontwikkeling van de Unie, die met name ten koste gaat van het Europees Parlement, de Europese Rekenkamer en het Hof van Justitie;

106.  verlangt dat het ESM wordt geïntegreerd in het rechtskader van de Unie en zich ontwikkelt tot een communautair mechanisme, zoals voorzien in het ESM-Verdrag; verlangt dat het ESM verantwoording moet afleggen aan het Europees Parlement en de Europese Raad, ook met betrekking tot besluiten tot toekenning van financiële bijstand, alsook besluiten tot toekenning van nieuwe leningtranches; erkent dat zolang de lidstaten aan het ESM rechtstreekse bijdragen uit hun nationale begrotingen leveren, zij ook de toekenning van financiële bijstand moeten goedkeuren; dringt erop aan dat het ESM verder wordt uitgebouwd met adequate capaciteiten tot het lenen en uitlenen van middelen en pleit voor de totstandbrenging van een dialoog tussen de Raad van Bestuur van het ESM en de Europese sociale partners en voor integratie van het ESM in de EU-begroting; roept de leden van de ESM er in afwachting dat het bovenstaande realiteit wordt toe op, op korte termijn af te zien van de unanimiteitsregel, zodat gewone besluiten met gekwalificeerde meerderheid in plaats van met eenparigheid van stemmen kunnen worden genomen, en toe te staan dat er anticiperende steun wordt verleend;

107.  verzoekt de Raad en de Eurogroep de toezegging van de voorzitter van de Europese Raad gestand te doen om met het Europees Parlement te onderhandelen over een interinstitutionele regeling tot instelling van een adequaat interimmechanisme ter vergroting van de controleerbaarheid van het ESM; dringt in dit verband ook aan op meer transparantie omtrent de werkmethoden van de Raad van Bestuur van het ESM;

108.  onderstreept dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie in de zaak Pringle de mogelijkheid biedt om het ESM zonder verdragswijziging in het communautaire systeem te integreren op basis van artikel 352 VWEU; verzoekt de Commissie daarom om tegen eind 2014 een hiertoe strekkend wetgevingsvoorstel in te dienen;

De middellange tot lange termijn

109.  dringt erop aan de memoranda in de communautaire wetgeving te integreren teneinde een geloofwaardige en duurzame consolidatiestrategie te bevorderen en aldus bij te dragen aan de doelstellingen van de Europese groeistrategie, evenals aan de vastgestelde doelstellingen op het gebied van sociale cohesie en werkgelegenheid; stelt zich op het standpunt dat, om de bijstandsprogramma's van de nodige democratische legitimiteit te voorzien, de onderhandelingsmandaten aan het Europees Parlement ter stemming moeten worden voorgelegd en dat het Parlement over de daaruit resulterende mvo's moet worden geraadpleegd;

110.  dringt er nogmaals op aan dat besluiten over de versterking van de EMU worden genomen op basis van het Verdrag betreffende de Europese Unie; stelt zich op het standpunt dat elke afwijking van de communautaire methode en een intensiever gebruik van intergouvernementele overeenkomsten (zoals bv. contractuele overeenkomsten) zou leiden tot verdeeldheid binnen de Unie, inclusief de eurozone, en haar geloofwaardigheid zou verzwakken en compromitteren; is zich ervan bewust dat de volledige eerbiediging van de communautaire methode bij de verdere hervormingen van het bijstandsmechanisme van de Unie zou kunnen nopen tot een verdragswijziging, en benadrukt dat bij dergelijke aanpassingen het EP volledig moet worden betrokken en dat zij het voorwerp moeten vormen van een overeenkomst;

111.  is van mening dat de mogelijkheid moet worden onderzocht om het Verdrag zodanig te wijzigen dat het toepassingsgebied van het huidige artikel 143 van het VWEU wordt uitgebreid tot alle lidstaten en niet langer beperkt blijft tot lidstaten die niet de euro als munt hebben;

112.  dringt aan op de oprichting, op basis van het Unierecht, van een Europees Monetair Fonds dat optreedt volgens de communautaire methode; is van mening dat het beoogde EMF de financiële middelen van het ESM voor het verlenen van steun aan lidstaten met betalingsbalansproblemen of lidstaten die insolvabel dreigen te worden moet combineren met de middelen en de ervaring die de Commissie de afgelopen jaren op dit terrein heeft opgebouwd; wijst erop dat bij een dergelijk systeem de belangenconflicten welke inherent zijn aan de huidige rol van de Commissie die handelt namens de Eurogroep en haar veel bredere rol als "hoedster van het Verdrag" worden vermeden; is van mening dat de EMF moet worden onderworpen aan de hoogste democratische normen inzake controleerbaarheid en legitimiteit; is van mening dat een dergelijk systeem zou zorgen voor transparantie in het besluitvormingsproces en zou bewerkstelligen dat alle betrokken instellingen volledig verantwoordelijk en aansprakelijk worden gesteld voor hun daden;

113.  is van mening dat een verdragsherziening noodzakelijk zal zijn om het EU-kader voor de voorkoming en oplossing van crises volledig te verankeren in een juridisch verantwoorde en economisch duurzame basis;

114.  is van mening dat de mogelijkheid moet worden onderzocht om een mechanisme te ontwikkelen met duidelijke procedurele stappen voor landen die insolvabel dreigen te worden, conform de regels van het "six-pack" en het "two-pack"; spoort het IMF er in deze context toe aan en verzoekt de Commissie en de Raad om het IMF een gemeenschappelijk standpunt te doen formuleren teneinde het debat over een internationaal mechanisme voor de herstructurering van staatsschulden (SDRM) nieuw leven in te blazen met als uiteindelijk doel om op dit terrein een billijke en multilaterale strategie uit te werken;

115.  vat zijn aanbeveling om de respectieve functies en taken van elke deelnemer aan de trojka te verduidelijken als volgt samen:

a) een Europees Monetair Fonds, dat de financiële middelen van het ESM en de personele middelen die de Commissie de afgelopen jaren heeft verworven zou combineren, zou de rol van de Commissie overnemen, waardoor zij overeenkomstig artikel 17 van het VEU en met name in haar hoedanigheid van hoedster van de Verdragen zou kunnen optreden;

b) de ECB zou als een stille waarnemer aan het onderhandelingsproces deelnemen, zodat zij in voorkomend geval in haar adviserende rol aan de Commissie – en later eventueel aan het Europees Monetair Fonds – uiting zou kunnen geven aan haar ernstige bezorgdheid;

c) het IMF zou, mocht zijn betrokkenheid daarbij strikt noodzakelijk zijn, kunnen optreden als een marginale kredietverstrekker en in geval van onenigheid uit het programma kunnen stappen;

116.  is van mening dat het initiatief dat met dit verslag op gang is gebracht, nader moet worden uitgewerkt; roept het volgende Parlement ertoe op de werkzaamheden in het kader van dit verslag voort te zetten en de voornaamste bevindingen ervan verder te ontwikkelen en deze nader te onderzoeken;

117.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Eurogroep, de Commissie, de Europese Centrale Bank en het IMF.

(1)

PB L 140 van 27.5.2013, blz. 1.

(2)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0223.

(3)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0447.

(4)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0332.

(5)

Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0269.

(6)

Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0430.

(7)

Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0331.

(8)

Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0376.


TOELICHTING

De hoofddoelstelling van dit verslag is het evalueren van het functioneren van de trojka in de lopende programma's in de vier landen: Griekenland, Portugal, Ierland en Cyprus. De volgende elementen worden daarbij onderzocht:

- Rechtsgrondslag, mandaat en structuur van de trojka

- Besluitvormingsproces binnen de instellingen en in relatie tot andere "instellingen" (zoals de Eurogroep, de ministers van financiën van de lidstaten, et cetera)

- Democratische legitimatie

- "Theoretische" basis van de besluiten (statistische gegevens, prognoses, economische verwachtingen, et cetera)

- Consequenties van het werk van de trojka (zoals onderzoeken of er mogelijk sprake is van schendingen of wanbestuur)

De co-rapporteurs willen benadrukken dat het onderhavige ontwerpverslag als basis dient voor toekomstige politieke discussies, delegaties naar betrokken lidstaten en consultatie van verschillende belanghebbenden in het begin van 2014. Het betreft een beschrijving van de historie en van de stand van zaken, maar geen poging om eindconclusies te trekken of aanbevelingen te doen. Deze zullen tot stand komen na het inhoudelijke werk dat de komende maanden zal worden gedaan.

Als eerste stap is op 22 november 2013 onderstaande vragenlijst toegestuurd aan zowel besluitvormers op EU-niveau (A) als de nationale regeringen van de vier betrokken lidstaten (B). De antwoorden zullen in de loop van de procedure worden geanalyseerd.

Α. Vragenlijst voor de Europese Commissie, de ECB, het IMF, de Eurogroep en de Europese Raad

UITWERKING EN GOEDKEURING VAN DE FINANCIEEL BIJSTANDSPROGRAMMA'S

1.  Wie heeft namens uw instelling het besluit genomen tot deelname aan de financieel bijstandsprogramma's van respectievelijk EL, IE, PT en CY? Wanneer werd elk van deze besluiten respectievelijk genomen?

2.  Wat was uw rol en functie bij de onderhandelingen over en het opzetten van het financieel bijstandsprogramma in respectievelijk EL, IE, PT en CY, met inbegrip van het vaststellen van de beleidsdoelstellingen en de belangrijkste maatregelen, alsmede de tenuitvoerlegging daarvan? Op grond van welke criteria zijn de prioriteiten voor hervorming vastgesteld?

3.  Geef a.u.b. een gedetailleerde beschrijving van de aannames en de methodologie (in het bijzonder met betrekking tot de begrotingsmultiplicatoren) die gehanteerd werden om tot een prognose te komen inzake de houdbaarheid van de schulden, zowel bij aanvang als in de loop van elk programma, en om de begrotingsmaatregelen uit te werken. Wat was de gehanteerde modus operandi die geleid heeft tot het goedkeuren van de conceptprogramma's?

4.  Kreeg u alle relevante informatie, inclusief statistische gegevens, van de lidstaten om een juiste beoordeling te kunnen maken en optimale bijstandsprogramma's te kunnen ontwikkelen?

5.  Hoeveel speelruimte hadden de betrokken landen om te besluiten over de uitwerking van de maatregelen die nodig waren (consolidatie of structurele hervormingen)? Graag een toelichting per land.

6.  Heeft enige betrokken lidstaat (EL, IE, PT, CY), als voorwaarde vooraf voor hun goedkeuring van het mvo, geëist dat in het mvo specifieke maatregelen werden opgenomen? Zo ja: deze verzoeken a.u.b. nader toelichten.

7.  Heeft enige andere lidstaat, als voorwaarde vooraf voor hun goedkeuring aan het verlenen van financiële bijstand, geëist dat in de programma's specifieke maatregelen werden opgenomen? Zo ja: welk land, en wat waren deze voorwaarden voor elk van de programma's?

8.  In welke mate was de Eurogroep betrokken bij de gedetailleerde uitwerking van de programma's? Beschrijf a.u.b. voor elk van de programma's in detail het proces dat binnen de Eurogroep tot een besluit heeft geleid over de inhoud en de goedkeuring van het programma. Heeft de Eurogroep schriftelijk mandaat verleend aan de EU-onderhandelaars van de trojka, met inbegrip van onder andere de doelstellingen en de prioriteiten?

9.  Hoe en wanneer heeft de trojka teruggerapporteerd aan de Eurogroep/EFC?

10. Speelt het ESM een rol bij de onderhandelingen over en de opzet van financiële bijstandsprogramma's? Zo ja: in welke mate?

FUNCTIONEREN VAN DE PROGRAMMA'S

11. Bent u van mening dat alle consolidatiemaatregelen/structurele hervormingen evenwichtig verdeeld zijn over de burgers en tussen de particuliere en de publieke sector? Uw antwoord a.u.b. toelichten.

12. Beschrijf a.u.b. de kwaliteit van de samenwerking ter plaatse tussen de instellingen van de trojka. Welke rol speelden respectievelijk de Commissie, de ECB en het IMF bij deze werkzaamheden? Hoe worden concrete maatregelen of besluiten voorgesteld/gemaakt door de trojka?

13. Hoe verliep de interactie tussen de "taskforce" die in 2011 door de Commissie in het leven is geroepen en de trojka?

14. Hoe verloopt de samenwerking met de nationale overheden? In welke mate worden de betrokken lidstaten betrokken bij het besluitvormingsproces?

15. Wie neemt het eindbesluit over de concrete maatregelen die de betrokken lidstaten moeten nemen?

16. Hoe vaak zijn vertegenwoordigers van de trojka gehoord in de nationale parlementen? Bent u van mening dat de doorgevoerde maatregelen tot stand zijn gekomen onder voldoende democratische controle en voldoende legitimiteit hebben?

17. Zijn de overeengekomen programma's op correcte wijze en tijdig uitgevoerd? Zo nee: wat waren daarvoor de redenen en wat waren daarvan de consequenties voor de effectiviteit van en het draagvlak voor de programma's?

18. In hoeveel gevallen was er naar u weet in elk van de landen sprake van schending van de nationale wetgeving, waardoor de rechtmatigheid van de beslissingen die uit het mvo voortkwamen ter discussie stond? Hebben de Commissie en de ECB onderzocht in hoeverre de maatregelen die via onderhandeling met de lidstaten tot stand waren gekomen in overeenstemming en niet in strijd waren met de verplichtingen van de EU ten aanzien van de grondrechten, zoals aangegeven in de Verdragen?

19. Bent u tevreden over de doelstellingen en de concrete resultaten van het programma in elk van de landen?

20. Zijn externe factoren die zich voordeden tijdens de tenuitvoerlegging van de programma's, van invloed geweest op de resultaten?

21. Welke invloed heeft de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 472/2013 op de tenuitvoerlegging van de programma's gehad? Geef a.u.b. een nadere toelichting over de wijze waarop en de mate waarin de bepalingen van de verordening ten uitvoer zijn gelegd.

22. Wat zou er volgens u in de programmalanden zijn gebeurd indien de EU en het IMF geen financiële bijstand hadden verleend?

23. [Vraag aan de ECB] - Bent u van mening dat het programma voor Noodliquiditeitssteun (Emergency Liquidity Assistance, ELA) in elk van de landen op de juiste wijze is uitgevoerd? Licht uw antwoord a.u.b. toe.

24. [Vraag aan de ECB] – Steunden alle leden van de raad van bestuur van de ECB alle programma's in alle landen? Geef a.u.b. een toelichting indien er afwijkende standpunten waren.

25. Welke maatregelen zijn er genomen om belangenconflicten te voorkomen met de kredietverlenersrol van de ECB, met betrekking tot het bankensysteem van de lidstaten die in financiële problemen verkeerden?

26. [Vraag aan de ECB] – Uit informatie die naar de media is gelekt, komt de suggestie naar voren dat de ECB brieven heeft gestuurd aan programmalanden om hervormingen te eisen en voorwaarden op te leggen in ruil voor liquiditeitssteun en open marktoperaties. Zijn dergelijke brieven inderdaad verstuurd? Zo ja: naar wie, en waarom, en hoe luidde de inhoud daarvan?

27. [Vraag aan het IMF] – Steunden alle leden van de raad van bestuur van het IMF alle programma's in alle landen? Geef a.u.b. een toelichting indien er afwijkende standpunten waren.

28. [Vraag aan de Commissie] – Waren er nationale gedetacheerde deskundigen van het betreffende land ter plaatse? Zo ja: op welke wijze heeft u zich ervan verzekerd dat zij onafhankelijk waren? Neemt u a.u.b. in uw antwoord het gegeven mee dat er in het geval van het IMF geen official uit het betreffende land betrokken kan zijn bij de werkzaamheden ten aanzien van dat land.

29. Op grond van welke criteria werden bedrijven geselecteerd voor een audit-/adviesrol voor financiële instellingen in de programmalanden? Was er daarbij sprake van een aanbestedingsprocedure? Zo nee: waarom niet?

B. Vragenlijst voor de lidstaten die onder een financieel bijstandsprogramma vallen

1.  Wanneer, indien van toepassing, heeft uw land besloten een financieel bijstandsprogramma aan te vragen?

2.  Wat was uw rol en functie bij de onderhandelingen over en het opzetten van het financieel bijstandsprogramma voor uw land?

3.  Wat was de rol van het nationale parlement bij de onderhandelingen over het mvo? Op welke wijze heeft de regering de tekst voorgelegd aan het parlement? Op welke wijze heeft het parlement het uiteindelijke mvo aangenomen? Namen de sociale partners deel aan de discussie over het mvo?

4.  Hoeveel speelruimte had u om te besluiten over de uitwerking van de maatregelen die nodig waren (consolidatie of structurele hervormingen)? A.u.b. toelichten.

5.  Bent u van mening dat alle consolidatiemaatregelen/structurele hervormingen evenwichtig verdeeld werden over de burgers? A.u.b. toelichten.

6.  Beschrijf a.u.b. de kwaliteit van de samenwerking ter plaatse tussen uw overheden en de instellingen van de trojka.

7.  Welke invloed heeft de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 472/2013 gehad op de tenuitvoerlegging van de programma's? Heeft u gebruik gemaakt van de bepalingen in de verordening, in het bijzonder van artikel 7, lid 11? Zo nee: waarom niet?

8.  In hoeveel gevallen was er naar u weet in uw land sprake van schending van de nationale wetgeving, waardoor de rechtmatigheid van de beslissingen die uit het mvo voortkwamen ter discussie stond?

9.  Bent u tevreden over de doelstellingen en de concrete resultaten van het programma in uw land?


ADVIES van de Commissie begrotingscontrole (6.2.2014)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het onderzoeksverslag over de rol en werkzaamheden van de trojka (ECB, Commissie en IMF) met betrekking tot de landen die vallen onder een programma voor de eurozone

(2013/2277(INI))

Rapporteur voor advies: Michael Theurer

SUGGESTIES

De Commissie begrotingscontrole verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

1.  benadrukt dat aan het begin van de financiële crisis 16 van de 17 lidstaten van de eurozone niet voldeden aan de criteria van Maastricht; herinnert eraan dat de lidstaten de Europese wetgeving moeten naleven; is van mening dat de mechanismen voor begrotingscontrole verbeterd moeten worden met het oog op tenuitvoerlegging van het beleid voor werkgelegenheid en groei in de eurozone zoals dat zowel in de strategie van Lissabon als in de Europa 2020-strategie is vastgelegd; wijst erop dat de Unie geen doeltreffende vroegtijdige waarschuwingen heeft afgegeven en derhalve geen stappen heeft ondernomen voor het aanpakken van de buitensporige gecumuleerde tekorten van de landen die getroffen zijn door de crisis, en niet over passende mechanismen beschikte om hier toezicht op uit te oefenen;

2.  wijst erop dat de Europese belastingbetalers zich in hoge mate solidair hebben betoond met de door de crisis getroffen landen en dat die landen aanzienlijke inspanningen hebben verricht om hun structurele problemen aan te pakken;

3.  benadrukt dat financiële steun in de eurozone alleen verleend kan worden indien de ontvangende landen zich inspannen om structurele hervormingen door te voeren;

4.  onderstreept dat de democratische legitimiteit van de onderhandelingen van de trojka en de besluiten van de Eurogroep beperkt is en versterkt moet worden, mede gezien het feit dat de trojka niet meer is dan een technisch orgaan;

5.  is van mening dat de programma's voor macro-economische aanpassing ook geëvalueerd moeten worden om na te gaan hoe de wettelijke en institutionele bepalingen verder verbeterd kunnen worden om een doeltreffender systeem van begrotingscontrole te bewerkstelligen;

6.  verwacht van de nationale rekenkamers volledige nakoming van hun wettelijk vastgelegde verantwoordelijkheden inzake het certificeren van de wettigheid en regelmatigheid van de financiële transacties en van de doelmatigheid van de toezicht- en controlesystemen; roept de hoge controle-instanties in dit verband op om hun samenwerking te intensiveren, in het bijzonder door het uitwisselen van optimale werkmethoden;

7.  roept de lidstaten op de deskundigheid binnen overheidsinstanties en centrale banken te vergroten, zodat minder geld besteed hoeft te worden aan externe deskundigen;

8.  benadrukt dat het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), een in Luxemburg gevestigde internationale organisatie die fungeert als permanente bron van financiële steun voor lidstaten in financiële problemen, en die beschikt over een maximale leencapaciteit van 500 miljard EUR, rechtstreeks verantwoording dient af te leggen aan het Parlement; verwacht van het ESM dat deze organisatie bij de bevoegde commissies van het Parlement elk half jaar een volledig activiteitenverslag indient; beveelt in dit verband ten sterkste aan dat het ESM de communautaire beheersmethode toepast, zoals voorzien in het ESM-verdrag; eist daarnaast dat het ESM verantwoording dient af leggen aan het Parlement;

9.  heeft kritiek op het feit dat het ESM-verdrag onvoldoende bepalingen bevat om een doeltreffende externe controle te waarborgen; betreurt het feit dat in artikel 24 (over het auditcomité) van de organisatievoorschriften van het ESM wordt bepaald dat de Rekenkamer slechts één lid mag benoemen, terwijl de voorzitter twee leden mag voorstellen;

10. is ontevreden over de bepalingen van artikel 24, lid 6, van de organisatievoorschriften van het ESM, inhoudende dat de procedure voor het informeren van het Parlement slechts bestaat uit de indiening van het jaarverslag van het auditcomité bij het Parlement; benadrukt dat het Parlement het recht heeft om een debat over het jaarverslag te houden met het auditcomité, in aanwezigheid van de Raad van gouverneurs van het ESM;

11. verwacht van de Commissie, de Raad en de lidstaten dat zij zo spoedig mogelijk een samenhangend en krachtig beleid ontwikkelen ter bestrijding van belastingontduiking (waaronder BTW-ontduiking) en belastingfraude, onder meer door gecoördineerde maatregelen te treffen tegen offshore financiële transacties en belastingparadijzen;

12. wijst erop dat de medefinancieringspercentages voor de structuurfondsen van de EU zijn verhoogd tot 95% voor een aantal lidstaten die het zwaarst getroffen waren door de crisis en die financiële steun hebben ontvangen in het kader van een aanpassingsprogramma; benadrukt dat lokale en nationale overheden versterkt moeten worden zodat ze de EU-wetgeving en -programma's volledig kunnen uitvoeren, leidend tot een snellere absorptie van structuurfondsen;

13. betreurt de ontoereikende resultaten van de strategie van Lissabon en wijst er opnieuw op dat de EU-steun vooral gericht moet zijn op groei en werkgelegenheid;

14. neemt kennis van het feit dat er stemmen opgaan om een Europees Monetair Fonds (EMF) op te richten, dat in de plaats moet komen van de trojka en het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM); is van mening dat een dergelijk EMF moet worden opgericht door gebruik te maken van instrumenten van de EU, maar moet worden gefinancierd door de belastingbetalers in de lidstaten; wijst erop dat een geloofwaardig en onafhankelijk crisisbeheer noodzakelijk is; acht het daarom van groot belang dat het IMF betrokken blijft bij het Europese crisisbeheer.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

22.1.2014

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

21

2

1

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marta Andreasen, Jean-Pierre Audy, Inés Ayala Sender, Tamás Deutsch, Martin Ehrenhauser, Jens Geier, Ingeborg Gräßle, Cătălin Sorin Ivan, Monica Luisa Macovei, Monika Panayotova, Petri Sarvamaa, Theodoros Skylakakis, Søren Bo Søndergaard, Michael Theurer

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Thijs Berman, Barbara Weiler

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Emer Costello, Jürgen Creutzmann, Albert Deß, Ismail Ertug, Richard Falbr, Peter Jahr, Elisabeth Jeggle, Teresa Jiménez-Becerril Barrio


ADVIES van de Commissie constitutionele zaken (11.2.2014)

aan de Commissie economische en monetaire zaken

inzake het onderzoeksverslag over de rol en werkzaamheden van de trojka (ECB, Commissie en IMF) met betrekking tot de landen die vallen onder een programma voor de eurozone

(2013/2277(INI))

Rapporteur voor advies: Helmut Scholz

SUGGESTIES

De Commissie constitutionele zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie economische en monetaire zaken onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A. overwegende dat de onlangs ontwikkelde instrumenten voor financiële bijstand aan landen van de eurozone niet gebaseerd zijn op primair EU-recht, en overwegende dat artikel 143 VWEU expliciet de instrumenten noemt voor landen buiten de eurozone;

B.  overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie onder verwijzing naar artikel 13, lid 3, van het ESM-verdrag onlangs in de zaak Pringle heeft bevestigd dat de Europese Commissie door haar betrokkenheid bij het ESM-verdrag gehouden is het algemeen belang van de Unie te bevorderen en toe te zien op de verenigbaarheid van de door het ESM gesloten memoranda van overeenstemming met het Unierecht;

C. overwegende dat artikel 151 VWEU stelt dat maatregelen van de EU en haar lidstaten verenigbaar moeten zijn met de sociale grondrechten zoals vastgelegd in het Europees Sociaal Handvest van 1961 en in het Gemeenschapshandvest van de sociale grondrechten van de werkenden van 1989, teneinde onder meer de sociale dialoog te bevorderen;

D. overwegende dat de tekst van artikel 152 VWEU luidt: "De Unie erkent en bevordert de rol van de sociale partners op het niveau van de Unie, en houdt daarbij rekening met de verschillen tussen de nationale stelsels. Zij bevordert hun onderlinge dialoog, met inachtneming van hun autonomie.";

E.  overwegende dat de voorwaarden voor financiële bijstand in onderling overleg overeengekomen worden door de relevante EU-instellingen, het ESM en het IMF, maar dat de uiteindelijke beslissing altijd wordt genomen door de raad van bestuur van het ESM, op basis van een memorandum van overeenstemming (MoU) dat in onderhandelingen tussen de trojka en de betrokken lidstaat tot stand is gekomen;

F.  overwegende dat de trojka een ad hoc-oplossing was waartoe onder aanzienlijke tijdsdruk als gevolg van de economische crisis, toen er snelle beslissingen nodig waren, besloten is om landen in extreme moeilijkheden te steunen, een wanordelijk faillissement en de besmetting van andere lidstaten te voorkomen, speculatie op staatsschulden te beëindigen en de ineenstorting van de eurozone te verhinderen;

G. overwegende dat de MoU's die zijn ondertekend door de eurozonelanden die om financiële bijstand verzochten, negatieve gevolgen voor de sociale rechten van de burger hebben; overwegende dat het in dit verband uiterst belangrijk is om ervoor te zorgen dat de ontwikkeling en uitvoering van de programma's voor financiële bijstand aan een passende democratische verantwoording op zowel Europees als nationaal niveau onderworpen zijn;

1.  benadrukt dat de oprichting van het EFSF en het ESM buiten de instellingen van de Unie om een stap terug betekent in de ontwikkeling van de Unie, die met name ten koste gaat van het Europees Parlement, de Europese Rekenkamer en het Hof van Justitie van de Europese Unie;

2.  dringt aan op wijziging van het Verdrag teneinde in het communautair kader één enkel instrument voor financiële bijstand in te voeren voor alle lidstaten van de EU, aangezien het afwijken van de communautaire methode en een toenemend gebruik van intergouvernementele akkoorden de Unie zullen verzwakken; is van mening dat een dergelijke wijziging de Unie en haar instellingen zou moeten voorzien van alle noodzakelijke instrumenten en middelen om vlot en doeltreffend en op een naar behoren democratisch gelegitimeerde wijze op uitdagingen te reageren die de economische, financiële en maatschappelijke stabiliteit van de eurozone en haar lidstaten in gevaar kunnen brengen; roept dan ook op tot oprichting van een Europees Monetair Fonds (EMF);

3.  is van mening dat de trojka is opgericht als noodvoorziening en noodoplossing om de eurozone en de economische en financiële soliditeit van de daarvan deel uitmakende landen te redden, maar dat voortaan een definitieve aanpak en een definitief mechanisme gericht op de doelstellingen van duurzame groei en financiële stabiliteit aanwezig zouden moeten zijn om soortgelijke situaties te voorkomen en aan te pakken;

4.  betreurt het dat het stelsel van financiële bijstand nog niet onderworpen is aan adequate parlementaire toetsing en verantwoording in het kader van de EU-verdragen;

5.  is van mening dat de huidige analyse van de trojka-werkzaamheden inzake de programmalanden als een belangrijke informatiebron moet worden gebruikt om van het verleden te leren en nieuwe benaderingen voor nieuwe mechanismen vast te stellen die moeten worden ingesteld om hoge kosten voor het herstel van Europese economieën in de toekomst te voorkomen;

6.  stelt vast dat, hoewel de onderhandelingen over de MoU's en het mandaat van de trojka als weinig transparant opgevat zijn, de nationale kiezers van de programmalanden de gelegenheid hebben gehad om in te stemmen met de algemene lijnen van de aanpassingsprogramma's;

7.  onderstreept dat het in de eerste plaats de Europese Commissie is, als een van de Europese instellingen die betrokken zijn bij het definiëren, besluiten en controleren van de wijze waarop programma's voor economische aanpassing van nationale regeringen moeten aansluiten bij het MoU, die verantwoording aan het Europees Parlement moet afleggen; dringt erop aan dat de volgende Conventie bepaalt dat over de desbetreffende besluiten regelmatig verslag moet worden uitgebracht aan het Europees Parlement; benadrukt dat de rechtstreekse democratische verantwoordingsplicht van de Europese instellingen aan het Europees Parlement en van de regeringen van de lidstaten aan hun nationale parlementen moet worden gewaarborgd;

8.  benadrukt dat het streven naar economische en financiële stabiliteit in de lidstaten en de Unie als geheel de maatschappelijke stabiliteit, het Europees sociaal model en de sociale rechten van de EU-burgers niet mag ondermijnen; onderstreept dat de participatie van de sociale partners in de economische dialoog op Europees niveau op de politieke agenda moet worden gezet, zoals voorzien in de Verdragen; is van mening dat de sociale partners moeten worden betrokken bij de opstelling en uitvoering van zowel huidige als toekomstige aanpassingsprogramma's;

9.  dringt aan op onverwijlde verduidelijking van de respectievelijke verantwoordelijkheden van de instellingen die deel uitmaken van de trojka en hun betrekkingen met de Eurogroep;

10. is van oordeel dat de relatie tussen de eurozone en het IMF opnieuw gedefinieerd moet worden, teneinde de rechtstreekse betrokkenheid van het IMF bij de oplossing van de problemen met de staatsschuld in de eurozone geleidelijk te beëindigen;

11. benadrukt dat de EU-instellingen volledig zijn gebonden door de wetgeving van de Unie en dat zij binnen de trojka verplicht zijn overeenkomstig de grondrechten te handelen, die volgens artikel 51 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te allen tijde van toepassing zijn.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

11.2.2014

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

9

4

10

Bij de eindstemming aanwezige leden

Andrew Henry William Brons, Zdravka Bušić, Carlo Casini, Andrew Duff, Ashley Fox, Roberto Gualtieri, Zita Gurmai, Gerald Häfner, Daniel Hannan, Stanimir Ilchev, Constance Le Grip, Morten Messerschmidt, Sandra Petrović Jakovina, Paulo Rangel, Tadeusz Ross, Algirdas Saudargas, Indrek Tarand, Luis Yáñez-Barnuevo García

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Elmar Brok, Zuzana Brzobohatá, Vital Moreira, Helmut Scholz, György Schöpflin, Rainer Wieland


UITSLAG VAN DE EINDSTEMMING IN DE COMMISSIE

Datum goedkeuring

24.2.2014

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

31

10

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marino Baldini, Burkhard Balz, Jean-Paul Besset, Sharon Bowles, Udo Bullmann, Nikolaos Chountis, George Sabin Cutaş, Leonardo Domenici, Diogo Feio, Markus Ferber, Elisa Ferreira, Ildikó Gáll-Pelcz, Jean-Paul Gauzès, Sven Giegold, Sylvie Goulard, Liem Hoang Ngoc, Gunnar Hökmark, Othmar Karas, Wolf Klinz, Jürgen Klute, Rodi Kratsa-Tsagaropoulou, Philippe Lamberts, Werner Langen, Astrid Lulling, Ivana Maletić, Hans-Peter Martin, Sławomir Nitras, Anni Podimata, Antolín Sánchez Presedo, Olle Schmidt, Theodor Dumitru Stolojan, Kay Swinburne, Sampo Terho, Ramon Tremosa i Balcells

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervanger(s)

Pervenche Berès, Zdravka Bušić, Sari Essayah, Danuta Maria Hübner, Krišjānis Kariņš, Olle Ludvigsson, Gay Mitchell, Nils Torvalds

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervanger(s) (art. 187, lid 2)

Alejandro Cercas, Emma McClarkin, Henri Weber

Laatst bijgewerkt op: 10 maart 2014Juridische mededeling