Procedure : 2016/2140(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0080/2017

Ingediende teksten :

A8-0080/2017

Debatten :

PV 26/04/2017 - 21
CRE 26/04/2017 - 21

Stemmingen :

PV 27/04/2017 - 5.65

Aangenomen teksten :

P8_TA(2017)0196

VERSLAG     
PDF 420kWORD 86k
28 maart 2017
PE 595.670v02-00 A8-0080/2017

over het EU-vlaggenschipinitiatief inzake de kledingsector

(2016/2140(INI))

Commissie ontwikkelingssamenwerking

Rapporteur voor advies: Lola Sánchez Caldentey

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 TOELICHTING
 ADVIES van de Commissie internationale handel
 ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken
 INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het EU-vlaggenschipinitiatief inzake de kledingsector

(2016/2140(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 153, 191, 207, 208 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 12, 21, 28, 29, 31 en 32 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake sociale, economische en culturele rechten,

–  gezien het Verdrag inzake de rechten van het kind(1) en algemene opmerking nr. 16 van het VN-comité voor de rechten van het kind,

–  gezien de fundamentele verdragen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) inzake kinderarbeid, gedwongen arbeid, discriminatie en de vrijheid van vereniging en collectief onderhandelen,

–  gezien de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten(2),

–  gezien resolutie 26/9 van de VN-Mensenrechtenraad(3) tot instelling van een intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur voor transnationale bedrijven en andere ondernemingen met betrekking tot de rechten van de mens, met als mandaat het uitwerken van een internationaal juridisch bindend instrument, aan de hand waarvan de activiteiten van transnationale ondernemingen en andere ondernemingen overeenkomstig het internationaal recht inzake de mensenrechten moeten worden gereguleerd,

–  gezien resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de VN van 25 september 2015, getiteld "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling"(4),

–  gezien de door het trustfonds van de VN voor het stoppen van geweld tegen vrouwen gefinancierde programma's gericht op het aanpakken van intimidatie en geweld tegen vrouwen in de kledingsector(5),

–  gezien het investeringsbeleidskader voor duurzame ontwikkeling (2015) van UNCTAD(6),

–  gezien de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen(7),

–  gezien Richtlijn 2014/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU met betrekking tot de bekendmaking van niet-financiële informatie en informatie inzake diversiteit door bepaalde grote ondernemingen en groepen(8),

–  gezien de mededeling van 14 oktober 2015 van de Commissie met als titel "Handel voor iedereen: naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid"(COM(2015)0497)(9),

–  gezien de richtsnoeren van de Commissie van 2015 voor de analyse van mensenrechteneffecten in het kader van effectbeoordelingen van handelsgerelateerde beleidsinitiatieven(10),

–  gezien zijn resolutie van 25 november 2010 over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het kader van internationale handelsovereenkomsten(11),

–  gezien zijn resolutie van 29 april 2015 over de instorting van het Rana Plaza-gebouw en de voortgang bij het Duurzaamheidspact Bangladesh(12),

–  gezien zijn resolutie van 14 april 2016 over de particuliere sector en ontwikkeling(13),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over de uitvoering van de aanbevelingen van 2010 van het Parlement over de sociale en milieunormen, de mensenrechten en maatschappelijk verantwoord ondernemen(14),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over de uitvoering van de thematische doelstelling "Vergroting van de concurrentiekracht van mkb-bedrijven" (artikel 9, punt 3, van de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen)(15),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 over strafrechtelijke aansprakelijkheid van bedrijven voor ernstige schendingen van de mensenrechten in derde landen(16),

–  gezien zijn resolutie van 14 december 2016 over het jaarverslag over mensenrechten en democratie in de wereld en het beleid van de Europese Unie ter zake 2015(17),

–  gezien de in 2005 gepubliceerde studie van het directoraat-generaal Extern beleid van het Europees Parlement over de mensenrechten- en democratieclausules in door de EU gesloten internationale overeenkomsten(18),

–  gezien de studie van de beleidsondersteunende afdeling van het directoraat-generaal Extern beleid van het Europees Parlement getiteld "The EU’s Trade Policy: from gender-blind to gender-sensitive?"(19),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 14 december 2016 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van een protocol bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Oezbekistan, anderzijds, tot wijziging van de overeenkomst teneinde de bepalingen van de overeenkomst uit te breiden tot de bilaterale handel in textiel, gelet op het vervallen van de bilaterale overeenkomst inzake textiel(20),

–  gezien het Pact ter continuele verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh,

–  gezien het IAO-programma inzake het verbeteren van de werkomstandigheden in de sector confectiekleding in Bangladesh(21),

–  gezien de overeenkomst van 2013 inzake gebouwen- en brandveiligheid in Bangladesh,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst die op 25 april 2016 werd ondertekend door de voorzitter van Inditex, Pablo Isla, en de secretaris-generaal van IndustriALL Global Union, Jyrki Raina, inzake het verantwoordelijke beheer van de toeleveringsketen in de kledingsector,

–  gezien de conferentie op hoog niveau over het verantwoordelijke beheer van de toeleveringsketen in de kledingsector, gehouden in Brussel op 25 april 2016,

–  gezien het SAP+-stelsel van de EU(22),

–  gezien Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG(23),

–  gezien het Vision Zero-fonds dat in 2015 door de G7 werd opgestart in samenwerking met de IAO om de veiligheid en gezondheid op het werk in productielanden te bevorderen,

–  gezien het Duitse partnerschap voor duurzaam textiel(24) en het Nederlandse Convenant Duurzame Kleding en Textiel(25),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0080/2017),

A.  overwegende dat economische ontwikkeling gepaard moet gaan met sociale rechtvaardigheid en een beleid van goed bestuur; overwegende dat de complexiteit en het versnipperde karakter van mondiale waardeketens vragen om aanvullend beleid om een proces van continue verbetering op gang te brengen om de verduurzaming van mondiale waardeketens en productieketens te realiseren, teneinde waarde te creëren in de toeleveringsketens, en om onderzoek naar de gevolgen die organisatorische structuren in de sector, het coördinatiesysteem en de onderhandelingsmacht van leden van het netwerk hebben voor de ontwikkeling van deze processen; overwegende dat flankerende maatregelen noodzakelijk zijn om te beschermen tegen de potentiële negatieve effecten van die ketens; overwegende dat ervoor moet worden gezorgd dat slachtoffers van mensenrechtenschendingen daadwerkelijk toegang tot rechtsmiddelen hebben;

B.  overwegende dat wereldwijd 60 miljoen mensen werkzaam zijn in de textiel- en kledingindustrie en dat deze met name in ontwikkelingslanden voor veel werkgelegenheid zorgt;

C.  overwegende dat textielfabrikanten in ontwikkelingslanden voortdurend worden geconfronteerd met agressieve inkooppraktijken in de internationale groot- en detailhandel, wat ook te wijten is aan de hevige mondiale concurrentie;

D.  overwegende dat de slachtoffers van de drie dodelijkste incidenten in de kledingsector (Rana Plaza, Tazreen en Ali Enterprises) compensatie voor het inkomensverlies hebben ontvangen of deze zullen ontvangen; overwegende dat het verlenen van compensatie in dit geval in overeenstemming is met IAO-Verdrag 121 en het resultaat is van een ongeëvenaarde samenwerking tussen merken, vakverenigingen, het maatschappelijk middenveld, regeringen en de IAO; overwegende dat daadwerkelijke genoegdoening gezien de wijdverbreide schending van belangrijke mensenrechten nog steeds zelden voorkomt;

E.  overwegende dat slachtoffers van mensenrechtenschendingen waarbij Europese bedrijven betrokken zijn met talloze hindernissen te maken krijgen wat de toegang tot rechtsmiddelen betreft, met inbegrip van procedurele belemmeringen bij de ontvankelijkheid en toegang tot bewijsmateriaal, vaak belemmerende proceskosten, gebrek aan duidelijke aansprakelijkheidsnormen voor de betrokkenheid van bedrijven bij mensenrechtenschendingen, en onduidelijkheid over de toepasselijkheid van EU-regels op het gebied van internationaal privaatrecht in transnationale geschillen;

F.  overwegende dat overeenkomstig artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) ook het handelsbeleid van de Unie moet voortbouwen op het extern beleid van de EU en de doelstellingen hiervan, in het bijzonder die met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking als omschreven in artikel 208; overwegende dat artikel 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bekrachtigt dat het extern optreden van de EU geleid wordt door de beginselen van democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, de eerbiediging van de menselijke waardigheid, de beginselen van gelijkheid en solidariteit en de naleving van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

G.  overwegende dat de EU, na China, de tweede grootste exporteur van textielproducten en confectie ter wereld is, dankzij ongeveer 174 000 textiel- en kledingondernemingen, waarvan 99 % kleine en middelgrote ondernemingen zijn, die banen bieden voor ongeveer 1,7 miljoen burgers; overwegende dat meer dan een derde (34,3 % met een totale waarde van 42,29 miljard EUR) van de kleding die voor gebruik in Europa is bestemd, wordt gecreëerd door EU-ondernemingen;

H.  overwegende dat de IAO-Verklaring over de fundamentele principes en rechten met betrekking tot werk de lidstaten verplicht de beginselen en rechten in vier categorieën te eerbiedigen en te bevorderen, ongeacht of zij de desbetreffende verdragen hebben ondertekend, dat wil zeggen, de vrijheid van vereniging en de effectieve erkenning van het recht op collectief onderhandelen, de afschaffing van discriminatie in arbeid en beroep, de afschaffing van dwangarbeid, de afschaffing van kinderarbeid;

I.  overwegende dat collectief onderhandelen een van de manieren is om ervoor te zorgen dat een stijging van de productiviteit gepaard gaat met een stijging van de lonen; overwegende dat het gebruik van atypische vormen van arbeid in de wereldwijde toeleveringsketens, met inbegrip van onderaanneming en informele arbeid, collectieve overeenkomsten echter heeft verzwakt; overwegende dat veel werknemers in de kledingsector geen leefbaar loon verdienen;

J.  overwegende dat talrijke lidstaten, zoals Duitsland, Nederland, Denemarken en Frankrijk, nationale programma's hebben opgezet;

K.  overwegende dat het project voor het realiseren van langetermijnwaarde van ondernemingen en investeerders, dat wordt uitgevoerd in het kader van de VN-beginselen van verantwoord investeren, en het mondiaal pact van de VN aantonen dat de economie verenigbaar is met de beginselen van sociale rechtvaardigheid, milieuduurzaamheid en eerbiediging van de mensenrechten, en dat de economie en deze beginselen elkaar versterken;

L.  overwegende dat de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten betrekking hebben op alle landen en op alle ondernemingen, of deze nu transnationaal zijn of niet, onafhankelijk van hun omvang, locatie, eigendom en structuur;

M.  overwegende dat de EU als investeerder, koper, detailhandelaar en consument een sleutelrol speelt in de kledingindustrie en -handel en daarom bij uitstek geschikt is om verschillende wereldwijde initiatieven te bundelen teneinde de onmenselijke situatie waarin tientallen miljoenen werknemers in de sector verkeren aanzienlijk te verbeteren en een gelijk speelveld voor alle betrokkenen te creëren;

N.  overwegende dat een verantwoord beheer van mondiale waardeketens vanuit het oogpunt van ontwikkeling van bijzonder groot belang is, aangezien zeer ernstige schendingen van de mensenrechten en de arbeidsrechten en milieuvervuiling veel voorkomen in de producerende landen, die voor de grootste uitdagingen staan als het gaat om duurzame ontwikkeling en groei, die gevolgen hebben voor de meest kwetsbare delen van de bevolking;

O.  overwegende dat de sterke uitvoerprestaties in de kledingsector, met name van China, Vietnam, Bangladesh en Cambodja, zullen aanhouden;

P.  overwegende dat de meeste mensenrechtenschendingen in de kledingsector betrekking hebben op diverse aspecten van de arbeidsrechten, met name de ontzegging aan werknemers van het recht vakverenigingen op te richten, zich bij vakverenigingen naar eigen keuze aan te sluiten en te goeder trouw collectieve onderhandelingen te voeren, waardoor moeilijk kan worden gegarandeerd dat werknemers hun fundamentele rechten kunnen genieten op de werkplek; overwegende dat deze stand van zaken tot gevolg heeft dat op grote schaal schendingen van de arbeidsrechten plaatsvinden, onder meer in de vorm van hongerlonen, loondiefstal, gedwongen tewerkstelling en kinderarbeid, willekeurige ontslagen, onveilige werkplekken en ongezonde arbeidsomstandigheden, geweld tegen vrouwen, fysieke en seksuele intimidatie en onzeker werk en arbeidsverhoudingen; overwegende dat daadwerkelijke compenserende maatregelen ondanks de wijdverbreide schending van mensenrechten over het algemeen nog steeds zelden voorkomen; overwegende dat deze tekorten op het gebied van fatsoenlijk werk met name acuut zijn in exportproductiezones (EPZ's) die banden hebben met wereldwijde toeleveringsketens, die vaak worden gekenmerkt door vrijstelling van arbeidswetten en belasting en door de beperking van de activiteiten van vakverenigingen en collectieve onderhandelingen;

Q.  overwegende dat vrijwillige initiatieven van de particuliere sector van de afgelopen 20 jaar, zoals gedragscodes, labels, zelfevaluatie en sociale audits, weliswaar relevante kaders bieden voor samenwerking op gebieden zoals gezondheid en veiligheid op het werk, maar niet voldoende zijn gebleken om de werknemersrechten daadwerkelijk te verbeteren, in het bijzonder op het vlak van eerbiediging van mensenrechten en gendergelijkheid, het verhogen van het aantal arbeidersrechten, het bewustzijn onder consumenten en de milieuveiligheid en veiligheid en duurzaamheid binnen de toeleveringsketen in de kledingsector;

R.  overwegende dat initiatieven met meerdere belanghebbenden, zoals het Duitse partnerschap voor duurzaam textiel of het Nederlandse Convenant Duurzame Kleding en Textiel belanghebbenden zoals de sector, de vakverenigingen, de regering en ngo's rond dezelfde tafel brengen; overwegende dat de normen die door de initiatieven zijn uitgewerkt ook milieukwesties betreffen; overwegende dat deze initiatieven zich nog niet in de uitvoeringsfase bevinden, waardoor nog geen concrete resultaten beschikbaar zijn; overwegende dat dergelijke nationale initiatieven noodzakelijk zijn als gevolg van een gebrek aan wetgevingsinitiatieven van de EU; overwegende dat de meerderheid van de lidstaten geen dergelijke initiatieven heeft opgericht;

S.  overwegende dat de inspanningen van ondernemingen voor het naleven van de arbeidswetten kunnen dienen ter ondersteuning, maar niet ter vervanging van de doeltreffendheid en efficiëntie van het overheidsbestuur, namelijk de plicht van de staat om de naleving te bevorderen en de nationale arbeidswetten en -regelgeving te handhaven, met inbegrip van arbeidsbeheer en -inspectie, geschillenbeslechting en de vervolging van overtreders, en de internationale arbeidsnormen te ratificeren en uit te voeren;

T.  overwegende dat snelle mode nog steeds de trend is binnen de kledingsector en leidt tot een enorm gevaar voor en druk op werknemers in de kledingsector in de producerende landen;

U.  overwegende dat het Duitse ministerie voor Ontwikkelingssamenwerking de doelstelling heeft vastgesteld om ervoor te zorgen dat voor 2020 50 % van de Duitse invoer van textiel voldoet aan ecologische en sociale criteria;

V.  overwegende dat de verschillende instrumenten en initiatieven op beleidsgebieden als handel en investeringen, ondersteuning van de particuliere sector en ontwikkelingssamenwerking met het oog op een betere governance van wereldwijde waardeketens een bijdrage moeten leveren tot duurzaamheid en een verantwoord beheer van die waardeketens in het kader van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, waarin de cruciale impact wordt erkend van handelsbeleid bij het verwezenlijken van de doelen ervan door een aantal beleidsterreinen, zoals oorsprongsregels, grondstoffenmarkten, arbeidsrechten en gendergelijkheid, op te nemen;

W.  overwegende dat de specifieke kenmerken van de waardeketens in de kledingsector, zoals de geografische spreiding van de verschillende stadia van het productieproces, verschillende soorten werknemers in de kledingsector, aankoopbeleid, lage prijzen, grote hoeveelheden, korte levertijden, onderaanneming en de korte duur van de relaties tussen opdrachtgevers en leveranciers de overzichtelijkheid, traceerbaarheid en transparantie van de toeleveringsketen van een onderneming in de weg staan en het risico van mensenrechten- en arbeidsrechtenschendingen, ontoereikend dierenwelzijn en aantasting van het milieu reeds bij de productie van de grondstoffen vergroten; overwegende dat transparantie en traceerbaarheid voorwaarden zijn voor de aansprakelijkheid van ondernemingen en verantwoord consumptiegedrag; overwegende dat de consument het recht heeft om te weten waar en onder welke sociale en milieuomstandigheden kledingstukken zijn geproduceerd; overwegende dat het waarborgen van het recht van consumenten op betrouwbare, transparante en relevante informatie over de duurzaamheid van de productie zal helpen zorgen voor blijvende verandering ten aanzien van de traceerbaarheid en transparantie van de toeleveringsketen in de kledingsector;

X.  overwegende dat vrouwenrechten een wezenlijk onderdeel van de mensenrechten vormen; overwegende dat gendergelijkheid in handelsovereenkomsten onder het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling valt; overwegende dat de specifieke gevolgen van handels- en investeringsovereenkomsten vanwege structurele ongelijkheden tussen de seksen anders zijn voor vrouwen dan voor mannen; overwegende dat ter bevordering van gendergelijkheid en vrouwenrechten de genderdimensie in alle handelsovereenkomsten moet worden behandeld;

Y.  overwegende dat het werk van vrouwen in de kledingsector in ontwikkelingslanden een belangrijke bijdrage levert aan het gezinsinkomen en het terugdringen van de armoede;

Z.  overwegende dat de rechten van kinderen een integraal deel uitmaken van de mensenrechten en dat het uitbannen van kinderarbeid een plicht moet blijven; overwegende dat het werk van kinderen specifieke regels vereist met betrekking tot leeftijd, werktijden en soorten werk;

AA.  overwegende dat in december 2016 veel vakbondsactivisten werden opgepakt in Bangladesh na een protest voor een leefbaar loon en betere werkomstandigheden; overwegende dat enkele honderden werknemers in de kledingsector zijn ontslagen naar aanleiding van de protesten; overwegende dat het recht van vereniging nog steeds niet wordt geëerbiedigd in de producerende landen;

AB.  overwegende dat naar schatting 70 à 80 %(26) van de werknemers in de confectie-industrie in productielanden laaggeschoolde vrouwen, en dan veelal minderjarigen zijn; overwegende dat deze vrouwen en kinderen vanwege de lage lonen, in combinatie met een gebrekkige en vaak volledig afwezige sociale bescherming, bijzonder kwetsbaar zijn voor uitbuiting; overwegende dat het genderperspectief en specifieke maatregelen voor de versterking van de positie van vrouwen in de bestaande duurzaamheidsinitiatieven grotendeels ontbreken;

AC.  overwegende dat de particuliere sector een essentiële rol speelt bij het bevorderen van duurzame en inclusieve economische groei in ontwikkelingslanden; overwegende dat de economie in sommige ontwikkelingslanden afhankelijk is van de kledingsector; overwegende dat de uitbreiding van deze sector ervoor heeft gezorgd dat veel werknemers van de informele economie naar de formele sector konden overgaan;

AD.  overwegende dat de kledingsector thans van alle sectoren de meeste duurzaamheidsinitiatieven kent; overwegende dat enkele bestaande initiatieven hebben geholpen de situatie in de kledingsector te verbeteren en de inspanningen derhalve ook op Europees niveau moeten worden voortgezet;

AE.  overwegende dat handelsovereenkomsten een belangrijk instrument zijn voor het bevorderen van fatsoenlijk werk binnen de wereldwijde toeleveringsketens, in combinatie met de sociale dialoog en toezicht op het niveau van ondernemingen;

AF.  overwegende dat de Commissie in oktober 2015 haar nieuwe handelsstrategie "Handel voor iedereen" heeft gelanceerd, waarin zij haar streven uiteenzet om handelsovereenkomsten en preferentieprogramma's te gebruiken als hefboom voor het bevorderen van duurzame ontwikkeling, mensenrechten en eerlijke en ethische handel in de wereld en het verbeteren van de verantwoordelijkheid van de toeleveringsketens als middel om duurzame ontwikkeling, de mensenrechten, de corruptiebestrijding en goed bestuur in derde landen te bevorderen;

1.   is ingenomen met het feit dat sinds de instorting van de Rana Plaza-fabriek, de bekendmaking van het Franse wetsontwerp inzake de zorgvuldigheidsplicht van ondernemingen, de Britse antislavernijwet, het Nederlandse Convenant Duurzame Kleding en Textiel, het Duitse partnerschap voor duurzaam textiel en het door voorzitter Juncker tijdens de G7-top gehouden pleidooi voor het nemen van "snelle maatregelen" ter versterking van de verantwoording in wereldwijde toeleveringsketens, in die ketens in toenemende mate aandacht wordt besteed aan de bevordering van duurzaamheid, transparantie en traceerbaarheid voor de waarde- en productieketens en goede arbeidsomstandigheden; is verheugd dat de Commissie zich inzet voor een verantwoord beheer van de waardeketens, ook in de kledingsector, zoals uiteengezet in haar mededeling "Handel voor iedereen"; is ingenomen met het "groenekaartinitiatief", in het kader waarvan acht lidstaten ertoe oproepen een zorgplicht voor in de EU gevestigde ondernemingen in te voeren ten aanzien van personen en gemeenschappen die als gevolg van ondernemingsactiviteiten de dupe worden van mensenrechtenschendingen of aantasting van het lokale milieu; is ingenomen met de holistische aanpak van de Higg-index voor het meten van de ecologische, sociale en arbeidsgerelateerde impact; benadrukt dat de Higg-index verder moet worden verbeterd, ook op het vlak van transparantie;

2.  is verheugd over de samenwerkingsovereenkomst die werd gesloten tussen Inditex en IndustriALL Global Union – die samen 50 miljoen werknemers in 140 landen vertegenwoordigen – inzake het verbeteren van het beheer van de toeleveringsketen in de kledingsector; benadrukt dat de toekomst van de kledingsector afhankelijk zal zijn van het verbeteren van de duurzame productiviteit en traceerbaarheid, teneinde de doeltreffende identificatie te waarborgen van de processen die in de gehele waardeketen plaatsvinden, wat het mogelijk zal maken om verbeteringen te identificeren en te introduceren;

3.  is ingenomen met de benadering van de wettelijk bindende overeenkomst inzake gebouwen- en brandveiligheid in Bangladesh en het Duurzaamheidspact voor Bangladesh, dat door de Commissie en de IAO na de ramp van Rana Plaza in 2013 werd opgestart, aangezien deze bepalingen over vakbonden en de sanering van geïnspecteerde fabrieken omvat, en vraagt dat de termijn wordt verlengd; onderstreept het belang van een voortdurend toezicht op de doelstellingen van het pact om de rechten van werknemers te verbeteren, evenals de behoefte aan een verantwoordelijker beheer van de toeleveringsketens op internationaal niveau; vraagt de Commissie om een grondige evaluatie van de al dan niet geboekte vooruitgang, met, indien nodig, eventuele aanpassingen van het handelsregime, met name in het licht van de verslagen van de toezichtsmechanismen van de IAO; verzoekt de Commissie vergelijkbare programma's en maatregelen na te streven met andere handelspartners van de EU die kleding produceren, zoals Sri Lanka, India of Pakistan;

4.  steunt het onderzoek van de Commissie naar een mogelijk EU-breed initiatief inzake de kledingsector; merkt voorts op dat de huidige toename van het aantal bestaande initiatieven kan leiden tot een onvoorspelbaar klimaat voor bedrijven; is van mening dat in het nieuwe voorstel kwesties met betrekking tot de mensenrechten moeten worden aangepakt, de traceerbaarheid en transparantie van waardeketens moeten worden bevorderd, bewuste consumptie moet worden bevorderd en de nadruk moet liggen op arbeidsrechten en in het bijzonder gendergelijkheid; is van mening dat EU-consumenten het recht hebben te worden geïnformeerd over de duurzaamheid en de overeenstemming van producten van de kledingsector met de eerbiediging van de mensenrechten en respect voor het milieu; is in dit verband van mening dat wetgevingsinspanningen en initiatieven van de EU inzake kleding zichtbaar moeten zijn in het eindproduct;

5.  verzoekt de Commissie verder te gaan dan de presentatie van een werkdocument van de diensten van de Commissie en een wetgevingsvoorstel in te dienen over bindende zorgvuldigheidsverplichtingen voor toeleveringsketens in de kledingsector; benadrukt dat dit wetgevingsvoorstel moet aansluiten bij de nieuwe richtsnoeren van de OESO inzake zorgvuldigheid in de kleding- en schoenensector, de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen die in de Europese Unie invoeren, de resolutie van de IAO over fatsoenlijk werk in toeleveringsketens, internationaal overeengekomen mensenrechtennormen en sociale en milieunormen;

6.  benadrukt dat de nieuwe OESO-richtsnoeren het leidende beginsel moeten vormen in het wetgevingsvoorstel van de Commissie; benadrukt dat dit wetgevingsvoorstel kernnormen moet omvatten, zoals veiligheid en gezondheid op het werk, gezondheidsnormen, een leefbaar loon, vrijheid van vereniging en vrijheid om collectieve onderhandelingen te voeren, voorkoming van seksuele intimidatie en geweld op de werkplek en het uitbannen van gedwongen en kinderarbeid; verzoekt de Commissie daarnaast aandacht te besteden aan essentiële criteria voor duurzame productie, transparantie en traceerbaarheid, met inbegrip van het verzamelen en de transparantie van gegevens en instrumenten voor de verstrekking van consumenteninformatie, controles op de inachtneming van de zorgvuldigheidsplicht en audits, toegang tot rechtsmiddelen, gendergelijkheid, kinderrechten, verslaglegging over passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen, aansprakelijkheid van ondernemingen bij door mensen veroorzaakte rampen en bewustmaking in de Europese Unie; moedigt de Commissie aan andere nationale wetgevingsvoorstellen en initiatieven te erkennen die hetzelfde doel hebben als de wetgeving, zodra deze voorstellen en initiatieven zijn gecontroleerd en voldoen aan de vereisten van de Europese wetgeving;

7.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om initiatieven op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen en zorgvuldigheidsplichten die deel uitmaken van bestaande kaders voor de kledingindustrie naar andere sectoren uit te breiden, teneinde te verzekeren dat de EU en de Europese handelaren en exploitanten hun verplichting tot eerbiediging van de mensenrechten en de hoogste sociale en milieunormen nakomen; benadrukt dat de kledingindustrie in de EU ook aan de normen van de IAO moet voldoen, zoals een leefbaar loon of behoorlijke arbeidsomstandigheden; dringt er bij de Commissie op aan aandacht te besteden aan de lonen en werkomstandigheden in de kledingsector in de lidstaten van de EU; dringt er bij de lidstaten op aan de IAO-normen ten uitvoer te leggen in de kledingsector;

8.  verzoekt de Commissie om door middel van specifieke bepalingen in het wetgevingsvoorstel over de kledingsector het gebruik van ecologisch en duurzaam beheerde grondstoffen zoals katoen actief te bevorderen en aan te sporen tot hergebruik en recycling van kleding en textiel in de Europese Unie; verzoekt de EU, de lidstaten en ondernemingen om de financiering voor onderzoek en ontwikkeling te verhogen, ook met betrekking tot de recycling van kleding, teneinde voor een duurzame alternatieve inkoop van grondstoffen voor de kledingsector van de EU te zorgen; is verheugd over initiatieven die gericht zijn op het ten uitvoer leggen van de hoogste en strengste beschikbare normen voor dierenwelzijn (zoals de norm voor verantwoordelijk dons en de norm voor verantwoordelijke wol) en dringt er bij de Commissie op aan deze te volgen als richtsnoeren voor het invoeren van specifieke bepalingen in haar wetgevingsvoorstel; verzoekt de Commissie instellingen te voorzien van aanvullende middelen voor de follow-up van het vlaggenschipinitiatief;

9.  onderstreept de noodzaak om gedragscodes, keurmerken en fairtraderegelingen te versterken en ervoor te zorgen dat deze aansluiten bij internationale normen, zoals de VN-richtsnoeren inzake het bedrijfsleven en mensenrechten, het mondiaal pact van de VN, de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationals en sociaal beleid (MNO-verklaring), de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen, de OESO-richtsnoeren inzake zorgvuldigheidsverplichtingen voor de kleding- en schoenensector en de door UNICEF, het mondiaal pact van de VN en Save the Children ontwikkelde beginselen inzake het bedrijfsleven en kinderrechten; onderstreept evenzeer de noodzaak om de grensoverschrijdende dialoog uit te breiden door middel van het sluiten van internationale kaderovereenkomsten om de rechten van werknemers in de toeleveringsketens van MNO's te bevorderen;

10.  onderstreept het belang van de uitvoering, handhaving of omzetting van bestaande wetgeving op regionaal, nationaal en internationaal niveau;

11.  dringt er bij de Commissie op aan haar belofte waar te maken om verbeteringen in de confectie-industrie te bevorderen, onder meer door bijzondere aandacht aan genderkwesties en kinderen te besteden; verzoekt de Commissie om gendergelijkheid, emancipatie van vrouwen en de rechten van kinderen centraal te stellen in haar wetgevingsvoorstel; is van mening dat het initiatief non-discriminatie moet bevorderen en het probleem van intimidatie op de werkplek moet aanpakken, zoals reeds in Europese en internationale toezeggingen is voorzien;

12.  herhaalt zijn steun voor gendergelijkheid en de versterking van de positie van vrouwen; benadrukt dat het noodzakelijk is om toegang tot leidinggevende functies voor vrouwen te bevorderen door vrouwelijke werknemers te informeren over hun rechten, de arbeidswetgeving en veiligheids- en gezondheidskwesties en mannelijke managers voor te lichten over gendergelijkheid en discriminatie;

13.  verzoekt de Commissie met een uitvoerige strategie te komen voor een beleid inzake ontwikkeling, "hulp voor handel" en overheidsopdrachten dat een rechtvaardigere en duurzamere toeleveringsketen en lokale micro-ondernemingen in de kledingsector stimuleert door goede praktijken te bevorderen en prikkels te geven voor actoren in de particuliere sector, van verbouwers van vezelgewassen tot consumenten, die in de duurzaamheid en rechtvaardigheid van hun toeleveringsketen investeren;

14.  is van mening dat het informeren van consumenten een cruciale rol speelt bij het waarborgen van fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, zoals is gebleken bij de instorting van de Rana Plaza-fabriek; dringt erop aan dat consumenten betrouwbare en duidelijke informatie wordt verstrekt over duurzaamheid in de kledingsector, over de oorsprong van producten en over de mate waarin de rechten van werknemers worden nageleefd; beveelt aan informatie die naar aanleiding van een EU-maatregel is verzameld beschikbaar te maken voor het publiek en verzoekt de Commissie en de lidstaten te overwegen een openbare online-databank op te zetten met alle relevante informatie over alle actoren in de toeleveringsketen;

15.  pleit voor meer inspanningen om bij de Europese consument meer besef te wekken wat de productie van textielproducten betreft; stelt hiertoe voor EU-brede etiketteringsnormen voor "faire kleding" te ontwikkelen die zowel door multinationals als door kleine en middelgrote bedrijven kunnen worden gebruikt, om aan te geven dat er bij de productie sprake is geweest van faire arbeidsomstandigheden en om klanten te helpen om op basis van betere informatie betere aankoopbeslissingen te nemen;

16.  benadrukt de behoefte aan het vergaren en publiceren van uitgebreide gegevens over de duurzaamheidsprestaties van ondernemingen; wijst in dit verband op de noodzaak van de uitwerking van gemeenschappelijke definities en normen voor het geharmoniseerd vergaren en vergelijken van statistische gegevens over met name de algemene invoer, evenals over individuele productielocaties; verzoekt de Commissie een initiatief te ontplooien om de publicatie van productielocaties verplicht te maken;

17.  verzoekt de Commissie een breed scala aan toezichtssystemen in de EU-kledingsector te ontwikkelen met gebruik van kernprestatie-indicatoren, die het vergaren van gegevens omvatten met behulp van enquêtes, audits en technieken voor gegevensanalyse die de prestaties op doeltreffende wijze kunnen meten en de gevolgen hiervan voor de ontwikkeling, arbeidsrechten en mensenrechten kunnen aanpakken in de gehele toeleveringsketen in de kledingsector;

18.  is van mening dat het van essentieel belang is om betere toegang te krijgen tot informatie over de gedragingen van bedrijven; acht het van fundamenteel belang dat er een doeltreffend en verplicht rapportagesysteem en een mechanisme van passende zorgvuldigheid worden ingesteld voor kledingproducten die de EU-markt binnenkomen; meent dat alle actoren in elke schakel van de toeleveringsketen, met inbegrip van alle toeleveranciers in de formele en de informele economie en in alle exportproductiezones, verantwoordelijkheid moeten dragen, en prijst de inspanningen die in dit opzicht worden geleverd; is van oordeel dat de EU de aangewezen speler is om een gemeenschappelijk kader te ontwikkelen door middel van wetgeving tot vaststelling van bindende transnationale zorgvuldigheidseisen, toegang tot rechtsmiddelen voor slachtoffers, en voorschriften inzake transparantie van de toeleveringsketen en traceerbaarheid, terwijl ook aandacht wordt besteed aan de bescherming van klokkenluiders; beveelt aan betrouwbare, duidelijke en nuttige informatie inzake duurzaamheid ter beschikking te stellen van de consument;

19.  merkt op dat coördinatie, het delen van informatie en het uitwisselen van goede praktijken kan bijdragen tot een verhoogde efficiëntie van particuliere en openbare initiatieven binnen de waardeketen en het behalen van positieve resultaten op het gebied van duurzame ontwikkeling;

20.  pleit voor nationale en Europese initiatieven om consumenten aan te moedigen lokaal vervaardigde producten te kopen;

21.  stelt vast dat de prijs nog steeds een bepalende factor is bij het inkoopbeleid van merken en detailhandelaren, vaak ten koste van het welzijn en het loon van werknemers; roept de EU op samen te werken met alle relevante belanghebbenden om een succesvol sociaal partnerschap te bevorderen en belanghebbenden te steunen bij het ontwikkelen en toepassen van loonvormingsmechanismen in overeenstemming met de desbetreffende ILO-verdragen, met name in landen waar de wetgeving ontoereikend is; benadrukt dat werkenden zeker moeten kunnen zijn van de regelmatige betaling van een passend loon dat henzelf en hun gezin in staat stelt te voorzien in hun basisbehoeften zonder dat zij geregeld overuren moeten maken; onderstreept dat er collectieve overeenkomsten moeten worden gesloten om negatieve loonkostenconcurrentie te voorkomen, en dat consumenten bewust moeten worden gemaakt van de mogelijke gevolgen van het verlangen naar steeds lagere prijzen;

22.  benadrukt dat de regeringen van producerende landen in staat moeten zijn om de internationale normen en regels ten uitvoer te leggen, met inbegrip van het opstellen, uitvoeren en handhaven van passende wetgeving, met name op het gebied van het tot stand brengen van de rechtsstaat en het bestrijden van corruptie; verzoekt de Commissie de producerende landen in dit opzicht te steunen in het kader van het ontwikkelingsbeleid van de EU;

23.  erkent dat hoewel elke staat verantwoordelijk blijft voor het handhaven van de arbeidswetten, de capaciteiten en middelen van ontwikkelingslanden te beperkt kunnen zijn voor een doeltreffende controle en handhaving van de naleving van de wet- en regelgeving; verzoekt de EU, in het kader van de opdracht van haar programma's voor ontwikkelingssamenwerking, de capaciteitsopbouw te versterken en regeringen van ontwikkelingslanden te voorzien van technische ondersteuning op het gebied van systemen voor arbeidsbeheer en -inspectie, onder meer in fabrieken waaraan werk is uitbesteed, en toegang tot passende en doeltreffende rechtsmiddelen en klachtenmechanismen, met inbegrip van in EPZ's waar lange werktijden, gedwongen overwerken en loondiscriminatie aan de orde van de dag zijn, teneinde de governancekloof te dichten;

24.  benadrukt het belang van arbeidsinspecties en sociale audits in de toeleveringsketen van de kleding- en schoenensector; is van mening dat deze te vaak slechts de situatie op het moment van de inspectie tonen; beveelt aan dat verdere maatregelen worden genomen om de inspecties en audits te verbeteren, met inbegrip van opleidingen voor inspecteurs en de onderlinge aanpassing van inspectienormen en -methoden door middel van samenwerking met de kledingsector en de producerende landen;

25.  benadrukt de betekenis van onafhankelijke arbeidsinspecties bij vroegtijdige waarschuwing en preventie en bij de handhaving van nationale wet- en regelgeving op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk, maar merkt op dat factoren als "controlemoeheid" hun doeltreffendheid kunnen aantasten en dat controles alleen de stand van zaken weergeven zoals die op het moment van de controle was; is van mening dat de ratificatie en tenuitvoerlegging van ILO-verdrag 81 van belang is voor het opsporen van misstanden; beveelt aan verder onderzoek uit te voeren naar manieren om controles en inspecties te verbeteren, bijvoorbeeld door convergerende controlenormen en -methoden toe te passen en door telkens verschillende inspecteurs te sturen, hetgeen tot strengere normen kan leiden, met name in landen met een corruptieprobleem; wijst op het belang van adequate rekrutering van arbeidsinspecteurs alsmede voortdurende scholing voor nieuwe en al aanwezige inspecteurs wat betreft internationale verdragen en normen, de lokale arbeidswetgeving en passende inspectietechnieken; verzoekt de EU financiële en technische bijstand te blijven verlenen voor de ontwikkeling van arbeidsinspecties in ontwikkelingslanden in overeenstemming met de relevante ILO-verdragen, met name in de context van haar ontwikkelingsfondsen;

26.  merkt op dat de kledingindustrie banen biedt voor mensen met zeer uiteenlopende vaardigheidsprofielen, van laaggeschoold werk tot hooggespecialiseerde functies;

27.  is van mening dat de bescherming van de gezondheid en veiligheid voor alle werknemers gewaarborgd moet worden via internationale normen, de tenuitvoerlegging van de nationale wetgeving en collectieve onderhandelingen op alle niveaus (op bedrijfs- en op plaatselijk, nationaal en internationaal niveau), en via op bedrijfsniveau geldende beleidsmaatregelen zoals actieplannen voor gezondheid en veiligheid op de werkplek die in overleg met de werknemers en hun vertegenwoordigers schriftelijk worden opgesteld, uitgevoerd en bewaakt;

28.  benadrukt dat het handels- en investeringsbeleid van de EU nauw verbonden is met het beleid inzake sociale bescherming, gendergelijkheid, gerechtigheid op belastinggebied, ontwikkeling, mensenrechten, milieu en de bevordering van kmo's; dringt er nogmaals bij de Commissie en de lidstaten op aan om op alle niveaus voor beleidscoherentie voor ontwikkeling te zorgen op het gebied van bedrijfsleven en mensenrechten, met name wat betreft het handels- en investerings- en buitenlands beleid van de Unie, wat onder meer betekent dat de doeltreffendheid van de sociale voorwaarden in bilaterale en regionale overeenkomsten moet worden verbeterd door middel van meer betrokkenheid en raadpleging van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld bij de onderhandelingen en de uitvoering van de arbeidsbepalingen en een systematisch gebruik van uitgebreide "duurzaamheidseffectbeoordelingen van handel" voor- en achteraf;

29.  verzoekt de Europese Commissie zich in te zetten voor de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van kinderen, en de bevordering van bindende sociale, mensenrechten- en milieuclausules in onderhandelingen over internationale en bilaterale overeenkomsten; betreurt het dat de huidige mensenrechtenclausules in vrijhandelsverdragen en andere economische samenwerkingsovereenkomsten niet altijd volledig worden nageleefd door de ondertekenende landen; herhaalt in dit verband dat alle instrumenten om rechtszekerheid te garanderen moeten worden versterkt;

30.  moedigt de EU en de lidstaten aan om via het initiatief voor de kledingsector en andere instrumenten van het handelsbeleid de doeltreffende implementatie van de IAO-normen inzake lonen en arbeidsuren te bevorderen, ook in samenwerking met partnerlanden in de kledingsector; roept de EU daarnaast op om advies en steun te verlenen om de eerbiediging van deze normen te verbeteren en tegelijk te helpen om duurzame ondernemingen op te bouwen en de vooruitzichten voor duurzame werkgelegenheid te verbeteren;

31.  spoort de EU en haar lidstaten aan om de invoering en doeltreffende handhaving van internationale arbeidsnormen en mensenrechten door partnerlanden in lijn met de verdragen en aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), en met name kinderarbeidrechten en normen zoals IAO-verdragen nrs. 138 en 182, via politieke dialoog en capaciteitsopbouw te bevorderen; benadrukt in dit verband dat het recht vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen naar eigen keuze aan te sluiten en te goeder trouw collectieve onderhandelingen te voeren een essentieel criterium is voor de verantwoordelijkheid die bedrijven nemen; betreurt het dat de vrijheid van vereniging vaak wordt geschonden, op veel productielocaties, en moedigt staten aan hun arbeidswetten te versterken; verzoekt de EU in dit verband ervoor te zorgen dat regeringen van ontwikkelingslanden zich verplichten tot het uitbreiden van de rol van vakverenigingen en het actief bevorderen van de sociale dialoog en de fundamentele beginselen en rechten op het werk, met inbegrip van de vrijheid van vereniging en het recht op collectief onderhandelen voor alle werknemers, ongeacht hun arbeidsstatus;

32.  benadrukt dat de belangrijke rol van de kledingsector als drijvende kracht achter de arbeidsintensieve ontwikkeling in opkomende landen, en met name de opkomende Aziatische markten, moet worden benadrukt;

33.  verzoekt instellingen voor ontwikkelingsfinanciering de voorwaarden op het gebied van arbeid in hun prestatienormen te versterken als contractuele voorwaarde voor financiering;

34.  merkt op dat de "hotspotslanden" die vallen onder het vlaggenschipinitiatief een preferentiële toegang tot de EU-markt hebben; spoort de Commissie aan de ratificatie van de fundamentele ILO-normen, veiligheids- en gezondheidsinspecties en de vrijheid van vereniging te blijven aankaarten in de onderhandelingen die zij over de voortzetting van de preferentiële handel voert met landen die een schakel vormen in de wereldwijde toeleveringsketen van de kledingsector, en in het kader van het algemeen stelsel van tariefpreferenties meer aandacht te besteden aan verdragen betreffende mensenrechten, arbeid en milieu;

35.  dringt nogmaals sterk aan op de stelselmatige opname van bindende mensenrechtenclausules in alle internationale overeenkomsten, met inbegrip van handels- en investeringsovereenkomsten, die reeds zijn gesloten of zullen worden gesloten tussen de EU en derde landen; benadrukt bovendien de noodzaak van mechanismen voor voorafgaande controle, die worden ingezet voordat een kaderovereenkomst wordt gesloten en die als fundamenteel onderdeel van de overeenkomst een voorwaarde vormen voor de sluiting ervan; wijst bovendien op de noodzaak van mechanismen voor controle achteraf waarmee concreet gevolg kan worden gegeven aan schendingen van deze clausules, zoals passende sancties als uiteengezet in de mensenrechtenclausules van de overeenkomst, waaronder opschorting van de overeenkomst;

36.  is van mening dat hoofdstukken over duurzame ontwikkeling in EU-handelsovereenkomsten verplicht en afdwingbaar moeten zijn zodat de levensomstandigheden van de bevolking daadwerkelijke zouden verbeteren, en benadrukt dat in bilaterale en multinationale handelsovereenkomsten een clausule moet worden opgenomen die aanmoedigt tot ratificatie en tenuitvoerlegging van de ILO-verdragen en de Agenda voor waardig werk; wijst er andermaal op dat de invoering van stelsels zoals de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur (SAP+), middels de verplichting de 27 verdragen te ratificeren en ten uitvoer te leggen, kan leiden tot de verbetering van de situatie van de rechten van de arbeiders, de schraging van de gelijkheid van mannen en vrouwen en de afschaffing van kinderarbeid en dwangarbeid; dringt in dit verband aan op de noodzaak de tenuitvoerlegging van SAP+ en de naleving van de verdragen door de betrokken landen nauwlettend te volgen; verzoekt de EU ervoor te zorgen dat de voorwaarden met betrekking tot de mensenrechten in verband met unilaterale handelspreferenties, zoals SAP en SAP+, op doeltreffende wijze worden uitgevoerd en gecontroleerd; verzoekt de Commissie bij de komende hervorming van de SAP-/SAP+-regels tariefpreferenties in te voeren voor textielproducten waarvan is bewezen dat zij op duurzame wijze zijn geproduceerd; dringt er bij de Commissie op aan vastgestelde duurzaamheidscriteria en minimale vereisten voor detectie- en certificeringssystemen op basis van internationale verdragen te erkennen, zoals de fundamentele arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie of de bescherming van de biodiversiteit; verzoekt de Commissie de productie van fairtradeproducten door middel van dit instrument van tariefpreferenties te bevorderen en bij haar toezichts- en evaluatie-activiteiten meer gewicht te geven aan de IAO-verslagen en de bevindingen van haar toezichtsorganen en de contacten te verbeteren met de lokale agentschappen van de IAO en de Verenigde Naties in de begunstigde landen, teneinde volledig rekening te houden met hun standpunten en ervaringen;

37.  dringt opnieuw aan op de uitvoering van duurzaamheidseffectbeoordelingen voor alle nieuw onderhandelde overeenkomsten en op de inzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens;

38.  herinnert eraan dat belastingheffing een belangrijk instrument is voor het bevorderen van fatsoenlijk werk; is van mening dat fiscale stimuleringsmaatregelen, zoals belastingvrijstellingen in EPZ's, moeten worden heroverwogen, evenals vrijstellingen van de nationale arbeidswet- en regelgeving, om te waarborgen dat alle ondernemingen, met inbegrip van multinationals, belasting betalen aan de regeringen van de landen waarin de economische activiteit plaatsvindt en waarde wordt gecreëerd;

39.  is zeer verheugd over de start van de voorbereidende werkzaamheden voor een bindend VN-verdrag inzake bedrijfsleven en mensenrechten, dat naar verwachting ook in de kledingsector tot een versterking van maatschappelijk verantwoord ondernemen zal leiden; betreurt obstructieve houdingen met betrekking tot dit proces en verzoekt de EU en haar lidstaten op constructieve wijze aan deze onderhandelingen deel te nemen;

40.   wijst nogmaals op de negatieve gevolgen van sociale dumping, met inbegrip van mensenrechtenschendingen en niet-naleving van arbeidsnormen, voor de Europese kledingsector; vertrouwt erop dat de EU gezien haar kritische massa wereldwijd een voortrekkersrol kan spelen en een drijvende kracht voor verandering kan zijn; spoort de Commissie derhalve aan om tijdens de volgende ministeriële bijeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie samen te werken met de internationale partners om een wereldwijd initiatief te lanceren; verzoekt de Commissie verplichte maatregelen vast te stellen om ervoor te zorgen dat de ondernemingen die in de Europese Unie invoeren zich houden aan het gelijke speelveld, zoals vastgesteld in het gevraagde wetgevingsvoorstel; erkent in dit verband de speciale behoeften van Europese kmo's en het feit dat de aard en omvang van de zorgvuldigheid, zoals de specifieke stappen die een onderneming moet nemen, worden beïnvloed door de grootte van de onderneming, haar operationele activiteiten en de ernst van de mogelijke negatieve impact hiervan; verzoekt derhalve om passende aandacht voor kmo's, die de Europese productiesector voor kleding domineren; is van oordeel dat de Europese kmo's en micro-ondernemingen die betrokken zijn bij de invoering van het initiatief, ook Europese financiële steun via het Cosme-programma moeten krijgen;

41.  verzoekt de Commissie specifieke maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat kleine en middelgrote Europese ondernemingen toegang krijgen tot financiële en beleidsinstrumenten, met bijzondere aandacht voor hun capaciteit om te zorgen voor traceerbaarheid en transparantie, zodat nieuwe vereisten geen onevenredige last opleveren, en hen in contact te helpen komen met verantwoordelijke producenten;

42.  benadrukt dat er in de kledingindustrie in sommige EU-lidstaten herhaaldelijk gevallen zijn geconstateerd van onzekere arbeidsomstandigheden wat betreft gezondheid en veiligheid, lonen, sociale zekerheid en arbeidstijden; pleit voor het ontwikkelen van doeltreffende en doelgerichte initiatieven in de EU om de situatie in de kledingsector te verbeteren en de werkgelegenheid in de lidstaten te stimuleren;

43.  herinnert eraan dat de opname van sociale bepalingen in overheidsopdrachten van grote invloed kan zijn op de rechten van werknemers en werkomstandigheden in de wereldwijde toeleveringsketens; betreurt het echter dat de verantwoordelijkheden van de eerste aannemer volgens onderzoek van de IAO(27) in de meeste sociale bepalingen worden beperkt, terwijl bepalingen inzake onderaanneming en uitbesteding op ad-hocbasis worden opgenomen in overheidsopdrachten; verzoekt de EU de ontwikkelingslanden te helpen van het beleid inzake overheidsopdrachten een instrument te maken voor het bevorderen van fundamentele beginselen en rechten op de werkplek;

44.  is ervan overtuigd dat overheidsopdrachten een nuttig instrument zijn om een verantwoorde kledingindustrie te bevorderen; dringt er bij de Commissie en de Europese instellingen op aan een voorbeeldfunctie te vervullen op het gebied van overheidsopdrachten voor textiel dat in de instellingen wordt gebruikt; verzoekt de Europese instellingen, met inbegrip van het Parlement, in dit verband ervoor te zorgen dat al hun overheidsopdrachten, met inbegrip van de merchandising van de instellingen en, in het geval van het Parlement, van politieke fracties, recycling en een eerlijke en duurzame toeleveringsketen in de kledingsector bevorderen; verzoekt de Commissie bovendien richtsnoeren op te stellen voor lokale autoriteiten over sociale criteria bij de aankoop van textiel, naar aanleiding van de richtlijn van 2014 inzake overheidsopdrachten, en hen dienovereenkomstig aan te sporen; moedigt de Commissie aan om de wetgeving te gebruiken om te zorgen voor een verdere uitvoering en bevordering van de SDG's en om een plan voor te stellen om ervoor te zorgen dat de meerderheid van de overheidsopdrachten voor kleding in de EU voor 2030 uit duurzame bronnen afkomstig is;

45.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden.

(1)

https://www.unicef.org/crc/

(2)

http://www.ohchr.org/Documents/Publications/GuidingPrinciplesBusinessHR_EN.pdf

(3)

A/HRC/RES/26/9 (http://www.ihrb.org/pdf/G1408252.pdf).

(4)

A/RES/70/1 (http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/70/1)

(5)

http://www.unwomen.org/en/trust-funds/un-trust-fund-to-end-violence-against-women

(6)

http://unctad.org/en/PublicationsLibrary/diaepcb2015d5_en.pdf

(7)

http://www.oecd.org/daf/inv/mne/48004323.pdf

(8)

PB L 330 van 15.11.2014, blz. 1.

(9)

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52015DC0497&qid=1484845590267&from=NL

(10)

http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/july/tradoc_153591.pdf

(11)

PB C 99 E van 3.4.2012, blz. 101.

(12)

PB C 346 van 21.9.2016, blz. 39.

(13)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0137.

(14)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0298.

(15)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0335.

(16)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0405.

(17)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0502.

(18)

http://www.europarl.europa.eu/meetdocs/2004_2009/documents/nt/584/584520/584520en.pdf

(19)

http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/IDAN/2015/549058/EXPO_IDA(2015)549058_EN.pdf

(20)

Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0490.

(21)

http://www.ilo.org/dhaka/Whatwedo/Projects/safer-garment-industry-in-bangladesh/lang--en/index.htm

(22)

http://trade.ec.europa.eu/doclib/docs/2015/august/tradoc_153732.pdf

(23)

PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65.

(24)

https://www.textilbuendnis.com/en/

(25)

https://www.ser.nl/en/publications/publications/2016/agreement-sustainable-garment-textile.aspx

(26)

https://europa.eu/eyd2015/en/fashion-revolution/posts/exploitation-or-emancipation-women-workers-garment-industry

(27)

Verslag IV van de IAO, 105e sessie, 2016 (blz. 45)


TOELICHTING

De wereldwijde kledinghandel is goed voor een omzet van meer dan 2,86 triljoen EUR en meer dan 75 miljoen banen, waarvan drie kwart door vrouwen worden vervuld. De toeleveringsketen in de kledingindustrie wordt gekenmerkt door een bijzonder hoog risico van mensenrechtenschendingen en schendingen van de menselijke waardigheid.

Vier jaar na de ramp met het Rana Plaza in Bangladesh – bij de instorting van dit acht verdiepingen tellende gebouw in Savar in de buurt van Dhaka, waar verschillende kledingfabrieken waren gevestigd, kwamen meer dan 1 100 mensen om het leven en vielen 2 500 gewonden – is er meer aandacht voor de omstandigheden waaronder kleding wordt geproduceerd. Daarnaast zijn er uiteenlopende initiatieven gestart door publieke en private actoren, met name door maatschappelijke organisaties, de IAO en de OESO. Deze initiatieven zijn echter niet geharmoniseerd, vertonen soms overlappingen en strekken zich niet uit tot alle delen van de sector.

Hoewel moet worden erkend dat de Europese Unie en haar instellingen vastbesloten zijn om hiervoor oplossingen te vinden en dat een verdere bijdrage wordt geleverd door stappen die in het kader van initiatieven als het Bangladesh Compact en het Vision Zero-fonds van de G7 zijn genomen, zijn verdere maatregelen nodig. De Europese Unie en haar lidstaten dienen zich actief en op doeltreffende wijze in te zetten om een eind te maken aan de mensenrechtenschendingen in de toeleveringsketen van deze bedrijfstak.

De problemen in de toeleveringsketen van de kledingsector kunnen worden onderverdeeld in drie dimensies, die alle drie moeten worden aangepakt om ervoor te zorgen dat de mensenrechten en de menselijke waardigheid in acht worden genomen. Daarnaast moet het genderperspectief worden geïntegreerd in alle maatregelen, teneinde de gelijkheid van vrouwen en mannen te waarborgen en vrouwenrechten doeltreffend te beschermen.

Een van die dimensies betreft fatsoenlijk werk en sociale normen. Onze kleding wordt vaak geproduceerd onder omstandigheden waarin niet is voldaan aan de fundamentele voorwaarden voor de menselijke waardigheid, gezien het feit dat lage prijzen nog steeds de bepalende factor zijn voor het koopgedrag van het publiek, wat vaak ten koste gaat van het welzijn van de werknemers. De arbeidsrechten worden in vele gevallen geschonden. Vakbonden en werknemersorganisaties moeten op een onafhankelijke en vrije manier kunnen optreden om de rechten van werknemers, met name met betrekking tot veiligheid en gezondheid, te bevorderen en te beschermen, en moeten in staat worden gesteld hun fundamentele rol als noodzakelijke partners in de sociale dialoog en in collectieve onderhandelingen doeltreffend te vervullen.

Een andere belangrijke dimensie betreft transparantie en traceerbaarheid. Als burgers hebben we geen enkele kijk op de omstandigheden waaronder de door ons gedragen kledingstukken worden vervaardigd. Er zijn duidelijke ontwikkelingen nodig op het gebied van etikettering en bewustmaking. Hiervoor zijn snelle en betrouwbare politieke toezeggingen nodig. Transparantie en traceerbaarheid in de gehele toeleveringsketen zijn absoluut noodzakelijk als eerste, onomkeerbare stap om verdere vooruitgang mogelijk te maken.

De bestaande vrijwillige initiatieven vertonen niet alleen herhaaldelijk overlappingen en lacunes, zodat actoren in de toeleveringsketen nog steeds allerlei achterdeuren kunnen gebruiken, zij zijn ook niet toereikend om mensenrechtenkwesties doeltreffend aan te pakken of de inachtneming van minimumnormen voor milieubescherming en sociale normen inzake onder meer veiligheid en gezondheid, lonen, sociale zekerheid en werktijden, te waarborgen. Zo worden zelfs de meest basale arbeids- en mensenrechten nog steeds op beschamende wijze met voeten getreden. Daarom bestaat dringend behoefte aan een wettelijk bindend institutioneel kader.

De Commissie moet, in overeenstemming met het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, dat is neergelegd in artikel 208 VWEU, een wetgevingsvoorstel betreffende bindende zorgvuldigheidsverplichtingen voor de toeleveringsketen in de kledingsector ontwikkelen dat aansluit bij de OESO-richtsnoeren en de hoogste op internationaal niveau overeengekomen normen inzake mensenrechten en sociale en milieunormen. Het is van het hoogste belang om voor dwingende en bindende verplichtingen te zorgen, zowel aan de leveranciers- als de afnemerszijde van de distributieketen. Hierbij moet worden benadrukt dat de verantwoordelijkheid voor onethische praktijken in de kledingindustrie evenzeer bij producenten, hun gelieerde ondernemingen en dochtermaatschappijen aan leverancierszijde ligt als bij distributeurs en detailhandelaren aan afnemerzijde.

Het voorstel moet mensenrechten centraal stellen en de focus leggen op de belangrijkste problemen waarmee werknemers in de kledingsector worden geconfronteerd (gebrekkige veiligheid en gezondheid op het werk, hongerlonen, ontzegging van vrijheid van vereniging, seksuele intimidatie en geweld). Daarbij moeten de volgende aspecten aan bod komen: essentiële criteria voor duurzame productie, transparantie, traceerbaarheid en mechanismen ter waarborging van controles op de praktijken in de bedrijfstak door overheden en onafhankelijke instanties, met inbegrip van het verzamelen van gegevens en instrumenten voor de verstrekking van consumenteninformatie, controles op de inachtneming van de zorgvuldigheidsplicht en audits, toegang tot rechtsmiddelen; gendergelijkheid, verslaglegging over passende zorgvuldigheid in de toeleveringsketen en bewustmaking.

In dit verband zijn de voorbereidende werkzaamheden voor een bindend VN-verdrag inzake bedrijfsleven en mensenrechten zeer toe te juichen en noodzakelijk. Dit verdrag moet zo spoedig mogelijk en met volledige medewerking van de EU en haar lidstaten worden gerealiseerd, aangezien het ertoe zal bijdragen dat ondernemingen, waar ook ter wereld, niet meer ongestraft inbreuk zullen kunnen maken op de mensenrechten.


ADVIES van de Commissie internationale handel (28.2.2017)

aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking

inzake het EU-vlaggenschipinitiatief inzake de kledingsector

(2016/2140(INI))

Rapporteur voor advies: Sajjad Karim

SUGGESTIES

De Commissie internationale handel verzoekt de ten principale bevoegde Commissie ontwikkelingssamenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat de wereldwijde handel in confectiekleding naar schatting 2,8 biljoen EUR waard is en werk biedt aan meer dan 75 miljoen mensen; overwegende dat driekwart van deze werknemers vrouw is; overwegende dat gendergelijkheid een drijvende kracht voor ontwikkeling is; overwegende dat vrouwenrechten deel uitmaken van het mensenrechtenspectrum; overwegende dat de complexe toeleveringsketens in de textielsector leiden tot lage niveaus van transparantie, en het risico op mensenrechtenschendingen en uitbuiting doen toenemen; overwegende dat de werknemers niet genoeg verdienen om hun familie van de elementaire menselijke levensbehoeften te voorzien;

B.  overwegende dat de EU als investeerder, koper, detailhandelaar en consument een sleutelrol speelt in de kledingindustrie en -handel en daarom bij uitstek geschikt is om verschillende wereldwijde initiatieven te bundelen teneinde de onmenselijke situatie waarin tientallen miljoenen werknemers in de sector verkeren aanzienlijk te verbeteren en een gelijk speelveld voor alle betrokkenen te creëren;

C.  overwegende dat de textiel- en kledingsector op Europees niveau 185 000 bedrijven telt die 1,7 miljoen mensen tewerkstellen en een omzet van 166 miljard EUR hebben; overwegende dat de EU nagenoeg de helft van de totale kledingproductie in de wereld invoert; overwegende dat de producerende landen vooral opkomende economieën zijn;

D.  overwegende dat krachtens artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) de handelspolitiek van de Unie gevoerd moet worden in het kader van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie; overwegende dat in artikel 208 van het VWEU het beginsel van beleidssamenhang in de ontwikkelingssamenwerking is vervat, alsook dat het hoofddoel van het beleid is de armoede terug te dringen; overwegende dat in de mededeling "Handel voor iedereen" het EU-handelsbeleid op drie kernbeginselen wordt gestoeld – doeltreffendheid, transparantie en waarden – en een specifiek onderdeel is gewijd aan een verantwoord beheer van toeleveringsketens;

E.  overwegende dat artikel 8 van het VWEU bepaalt dat de Unie er bij elk optreden naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, en overwegende dat de EU derhalve de taak heeft gendergelijkheid in al haar beleidsvormen te integreren om ervoor te zorgen dat mannen en vrouwen op voet van gelijkheid profiteren van sociale vooruitgang, economische groei en fatsoenlijke banen, een einde te maken aan discriminatie, en de eerbiediging van de rechten van vrouwen in de wereld te bevorderen;

F.  overwegende dat in september 2012 bij een brand in Karachi, Pakistan, 289 mensen om het leven zijn gekomen; overwegende dat tijdens hetzelfde jaar bij een brand in de fabriek van Tazreen Fashions in Bangladesh 117 doden en meer dan 200 gewonden zijn gevallen; overwegende dat bij de instorting van het Rana Plaza-gebouw in 2013 1 129 doden en ongeveer 2 500 gewonden zijn gevallen;

G.  overwegende dat als gevolg van deze dramatische gebeurtenissen de vraag naar meer transparantie en traceerbaarheid van de volledige toeleveringsketen bij de Europese consumenten aanzienlijk is toegenomen;

H.  overwegende dat de bescherming van de arbeidsrechten in de producerende landen ondanks de vele toezeggingen van de EU, internationale organisaties, lokale regeringen en particuliere marktspelers nog steeds duidelijk onder de internationale normen blijft;

I.  overwegende dat de Agenda voor waardig werk van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) sinds 2015 integraal deel uitmaakt van de nieuwe Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling;

J.  overwegende dat talrijke lidstaten, zoals Duitsland, Nederland, Denemarken en Frankrijk, nationale programma's hebben opgezet;

K.  overwegende dat in alle door de EU gesloten vrijhandelsovereenkomsten ambitieuze hoofdstukken inzake de duurzame ontwikkeling moeten worden opgenomen;

L.  overwegende dat de EU in haar prioriteiten de bevordering van sociale en milieunormen moet opnemen in het kader van multilaterale instellingen zoals de Wereldhandelsorganisatie of de G20, evenals in het kader van al haar bilaterale betrekkingen met derde landen;

M.  overwegende dat in de leidende beginselen van de VN inzake het bedrijfsleven en de mensenrechten duidelijk is vastgelegd wat de verantwoordelijkheden zijn van de regeringen en de ondernemingen, die gehouden zijn de mensenrechten in alle stadia van de keten en in alle productielanden te beschermen en te eerbiedigen, of het nu gaat om het land waar de opdrachtgever is gevestigd of het land waar de leverancier is gevestigd; overwegende dat de EU zich ertoe verbonden heeft de goedkeuring van de leidende beginselen te bevorderen en bij te dragen tot de tenuitvoerlegging ervan;

1.  betreurt het feit dat de Commissie nog steeds geen ambitieus EU-breed vlaggenschipinitiatief inzake de kledingsector heeft ingediend, dat op de richtsnoeren van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) voor multinationale ondernemingen gebaseerd en afgestemd moet zijn, zodat de bedrijven beschikken over een uniform geheel van normen inzake de plicht tot zorgvuldigheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen, en dringt er bij de Commissie op aan dat zij dit zo spoedig mogelijk lanceert; merkt voorts op dat de huidige toename van het aantal bestaande initiatieven op lokaal, regionaal en mondiaal niveau kan leiden tot een onvoorspelbaar klimaat voor bedrijven; onderstreept voorts dat coördinatie, het delen van informatie en het uitwisselen van beste praktijken bijdragen tot een grotere doeltreffendheid van particuliere en overheidsinitiatieven met betrekking tot de waardeketen en positieve resultaten kunnen opleveren wat betreft duurzame ontwikkeling;

2.  meent dat het voorstel een harmonieuze samenwerking met internationale organisaties zoals de VN, de Wereldhandelsorganisatie (WTO), de IAO en de OESO moet bevorderen door het opstellen van gemeenschappelijke definities die duidelijker en beter gecoördineerde maatregelen en evaluaties mogelijk maken; pleit voor de erkenning en valorisatie van bestaande succesvolle initiatieven, bijvoorbeeld via duurzame overheidsopdrachten en het koppelen van toegang tot overheidsopdrachten aan het naleven van de regelingen voor maatschappelijk verantwoord ondernemerschap; stelt in dit verband prijs op het "Pact ter continuele verbetering van de arbeidsrechten en de veiligheid in fabrieken van confectiekleding en breigoederen in Bangladesh" (het Duurzaamheidspact) als een stap voorwaarts op het gebied van toezicht, maar vraagt de betrokken partijen om volledige inachtneming; verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om de in de evaluatieverslagen gerapporteerde tekortkomingen te verhelpen;

3.  onderstreept in dit verband dat een overzicht van alle reeds vigerende, door de Europese bedrijven genomen maatregelen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen moet worden opgesteld om beter de goede praktijken af te bakenen en bij te dragen tot de vaststelling van een gemeenschappelijk actiekader op Europees niveau; herinnert in dit verband eraan dat ook de particuliere sector talrijke initiatieven heeft ontplooid ter vergroting van het niveau van verantwoordingsplicht van de toeleveringsketen;

4.  verzoekt de Commissie rekening te houden met de bijzondere behoeften van kmo's, die 90 % van de kledingindustrie in Europa uitmaken, en haar aanpak te baseren op het beginsel van schaalbaarheid, met bijzondere aandacht voor de capaciteit van kmo's om te zorgen voor traceerbaarheid en transparantie in overeenstemming met de OESO-richtsnoeren, zodat kmo's niet onevenredig zwaar worden belast; verzoekt de Commissie derhalve te voorzien in een speciale helpdesk voor kmo's en hen te ondersteunen met op maat gemaakte programma's voor capaciteitsopbouw; is van oordeel dat de Europese kmo's en micro-ondernemingen die betrokken zijn bij de invoering van het initiatief, ook Europese financiële steun via het COSME-programma moeten krijgen;

5.  benadrukt de noodzaak van een geïntegreerde aanpak van transparantie en traceerbaarheid met betrekking tot het verzamelen van gegevens over prestaties op sociaal, mensenrechten-, milieu- en arbeidsgebied, die in de hele toeleveringsketen moet worden gevolgd aan de hand van een gestandaardiseerde methodologie voor het meten van de impact van waardeketens in de kledingsector op duurzame ontwikkeling, met het oog op meer samenhang bij de evaluatie van het maatschappelijk verantwoord ondernemerschap van bedrijven, waarbij rekening moet worden gehouden met de diversiteit van de actoren, gezien de complexiteit van de keten; vraagt de Commissie om meer te doen dan alleen maar een werkdocument te presenteren; wijst erop dat de belangrijkste impactgebieden niet alleen aan bod komen in de OESO-richtsnoeren maar ook in andere initiatieven, zoals de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de VN, de Franse wet inzake de zorgvuldigheidsplicht van ondernemingen, de Britse antislavernijwet, alsook een aantal door de industrie gestuurde initiatieven die de grondslag kunnen vormen voor een dergelijk initiatief;

6.  verzoekt de Commissie in haar initiatief bijzondere aandacht te besteden aan de toegang tot de rechter, verhaalsmogelijkheden voor slachtoffers en hun families en de bescherming van klokkenluiders;

7.  herinnert eraan dat de traceerbaarheid en transparantie van de toeleveringsketen een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan blijvende verandering en erkent dat de gebrekkige toegang tot informatie een belangrijke belemmering vormt voor de publieksvoorlichting over schendingen van de mensenrechten; onderstreept daarom opnieuw de noodzaak van een zorgvuldigheidsstelsel over de volledige toeleveringsketen, dat elk product koppelt aan de respectieve producenten; doet in dit verband een beroep op de Commissie om de traceerbaarheid en transparantie van de toeleveringsketen in de kledingsector op realistische, evenwichtige en uitvoerbare wijze te versterken en hierbij rekening te houden met de diversiteit van de actoren in de toeleveringsketen; beveelt aan betrouwbare, duidelijke en nuttige informatie inzake duurzaamheid ter beschikking te stellen van de consument;

8.  verzoekt de Commissie om bij de komende herziening van de verordening betreffende een schema van algemene preferenties (SAP) tariefpreferenties in te voeren voor textiel waarvan kan worden aangetoond dat het op duurzame wijze is geproduceerd; is van oordeel dat de goederen op vrijwillige basis moeten worden voorgelegd ter certificering van hun duurzame productiewijze en dat de desbetreffende bewijsstukken bij invoer in de EU moeten worden overgelegd; meent dat de EU zo inspanningen van de particuliere sector om duurzaamheid in de textielwaardeketen in te bouwen kan ondersteunen; is van oordeel dat erkenning moet worden verleend op basis van vastgestelde duurzaamheidscriteria en minimumnormen voor de controle- of certificeringssystemen; is van mening dat de duurzaamheidscriteria onder meer moeten voortvloeien uit internationale overeenkomsten, bijvoorbeeld de essentiële arbeidsnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) of het Verdrag inzake biologische diversiteit; meent bovendien dat op die manier ook de productie van fairtradeproducten (bv. Social Accountability International (SAI) of Fairtrade Textile Standard) kan worden aangemoedigd en bevorderd;

9.  onderstreept dat de onderhandelingen door de EU over vrijhandelsovereenkomsten met een ambitieus hoofdstuk inzake duurzame ontwikkeling aan de EU de gelegenheid bieden bij te dragen tot de verbetering van de rechten van de arbeiders – met name van vrouwelijke arbeiders – en tot de afschaffing van elke vorm van kinderarbeid en dwangarbeid; onderstreept dat de tenuitvoerlegging van vrijhandelsovereenkomsten het met name mogelijk maakt een dialoog tussen de ondernemingen en het maatschappelijk middenveld op gang te brengen over de toeleveringsketen van de kledingsector en aldus een bijdrage kan leveren tot de verbetering van de productieomstandigheden en de veiligheid van de arbeiders;

10.  wijst er andermaal op dat de invoering van stelsels zoals de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur (SAP+), middels de verplichting de 27 verdragen te ratificeren en ten uitvoer te leggen, kan leiden tot de verbetering van de situatie van de rechten van de arbeiders, de schraging van de gelijkheid van mannen en vrouwen en de afschaffing van kinderarbeid en dwangarbeid; dringt in dit verband aan op de noodzaak de tenuitvoerlegging van SAP+ en de naleving van de verdragen door de betrokken landen nauwlettend te volgen;

11.  moedigt de EU en de lidstaten aan om via het initiatief voor de kledingsector en andere instrumenten van het handelsbeleid de doeltreffende implementatie van de IAO-normen inzake lonen en arbeidsuren te bevorderen, ook in samenwerking met partnerlanden in de kledingsector; roept de EU daarnaast op om advies en steun te verlenen om de eerbiediging van deze normen te verbeteren en tegelijk te helpen om duurzame ondernemingen op te bouwen en de vooruitzichten voor duurzame werkgelegenheid te verbeteren;

12.  onderstreept dat het Duurzaamheidspact, dat na de ramp van Rana Plaza is gelanceerd, een interessant Europees initiatief vormt dat als basis kan dienen voor nieuwe maatregelen die in partnerschap met derde landen worden uitgewerkt en erop gericht zijn de arbeidsomstandigheden en de gezondheid en veiligheid op het werk in de kledingsector te verbeteren;

13.  doet een beroep op de Europese Commissie om haar internationale samenwerking met organisaties zoals de IAO, de OESO of de Verenigde Naties, voort te zetten en uit te diepen ten einde meer verantwoordelijkheid van de actoren in de toeleveringsketen van de textiel- en kledingsector te bevorderen;

14.  verzoekt de regeringen van de toeleveringslanden met alle betrokken partijen samen te werken met het oog op de ontwikkeling van arbeidsverhoudingen en collectieve onderhandelingen, en van de producenten toezegging te krijgen voor de instelling van gemakkelijk toegankelijke en doeltreffende klachtenmechanismen, die overeenkomstig internationaal overeengekomen normen essentiële waarborgen vormen voor de daadwerkelijke eerbiediging van de arbeidsnormen en mensenrechten, als aanvulling op de gerechtelijke beroepsmogelijkheden, in overeenstemming met door de speciale VN-gezant voor bedrijfsleven en mensenrechten ontwikkelde kader;

15.  verzoekt de Commissie verder te ijveren voor de ratificatie en tenuitvoerlegging van de belangrijkste IAO-verdragen en de IAO-agenda voor waardig werk; verzoekt de Commissie derhalve de IAO, lokale regeringen en arbeidsorganisaties bij te staan bij de ondersteuning van capaciteitsopbouw in de industriële betrekkingen en de handhaving van arbeidsrechten en -wetgeving, met bijzondere aandacht voor de uitbanning van kinderarbeid en dwangarbeid, alsook de bevordering van de strengste normen op het gebied van gezondheid en veiligheid;

16.  spoort de EU ertoe aan een dialoog met bepaalde derde landen op gang te brengen en te onderhouden om bij te dragen tot de verbetering van de rechten van de arbeiders en de mensenrechten in deze landen; verzoekt de EU en de lidstaten hun steun te geven aan de werkzaamheden van de VN, met inbegrip van het Milieuprogramma van de VN (UNEP), door de mogelijkheid van een internationaal verdrag te onderzoeken, hetgeen ook de doeltreffendheid van maatschappelijk verantwoord ondernemen in de kledingsector zou bevorderen;

17.  wenst dat de Commissie zich in haar voorstel laat leiden door het Duurzaamheidspact dat in Bangladesh ten uitvoer werd gelegd na de ineenstorting van Rana Plaza;

18.  vraagt om verduidelijking over de manier waarop kleding die wordt geproduceerd in exportproductiezones waar weinig tot geen sociale bescherming geldt, in het algemeen kan worden geïdentificeerd en uitgesloten van het SAP+-stelsel in bepaalde begunstigde landen;

19.  is ervan overtuigd dat overheidsopdrachten een nuttig instrument zijn om een verantwoorde kledingindustrie te bevorderen;

20.  wijst erop dat de beroepsbevolking in de mondiale kledingindustrie grotendeels vrouwelijk is: ca. 85 % van de werknemers in de sector zijn vrouwen, die vaak in moeilijke omstandigheden en voor lage lonen werken; verzoekt daarom om het genderaspect te integreren in het EU-kledinginitiatief, met name om aanzienlijke vooruitgang mogelijk te maken inzake gelijke lonen, gelijkheid van mannen en vrouwen, sociale en arbeidsrechten van vrouwen, waaronder moederschapsbescherming, en participatie van vrouwen in collectieve onderhandelingen;

21.  dringt opnieuw aan op de uitvoering van duurzaamheidseffectbeoordelingen voor alle nieuw onderhandelde overeenkomsten en op de inzameling van naar geslacht uitgesplitste gegevens;

22.  verzoekt de Commissie met multinationale ondernemingen, detailhandelaars en merken in dialoog te gaan en hen aan te moedigen om zich in te zetten voor meer maatschappelijk verantwoord ondernemerschap; verwacht dat EU-ondernemingen de volledige eerbiediging van de fundamentele arbeidsnormen van de IAO in hun toeleveringsketen waarborgen, in overeenstemming met de OESO-richtsnoeren voor multilaterale ondernemingen en de tripartiete beginselverklaring van de IAO betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid; vraagt hun een constructieve dialoog aan te gaan met lokale werknemers en organisaties; verzoekt de Commissie de uitwisseling van beste praktijken aan te moedigen;

23.  wijst op de noodzaak van een gelijk speelveld om werknemers te beschermen tegen sociale en milieudumping; vertrouwt erop dat de EU gezien haar kritische massa wereldwijd een voortrekkersrol kan spelen en een drijvende kracht voor verandering kan zijn; meent dat alleen een multilateraal kader de schending van mensenrechten en arbeidsrechten kan voorkomen; spoort de Commissie derhalve aan om tijdens de volgende ministeriële bijeenkomst van de Wereldhandelsorganisatie samen te werken met de internationale partners om een wereldwijd initiatief te lanceren.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

28.2.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

32

0

3

Bij de eindstemming aanwezige leden

Laima Liucija Andrikienė, Maria Arena, Tiziana Beghin, David Campbell Bannerman, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Christofer Fjellner, Karoline Graswander-Hainz, Heidi Hautala, Bernd Lange, David Martin, Emmanuel Maurel, Emma McClarkin, Anne-Marie Mineur, Sorin Moisă, Artis Pabriks, Franck Proust, Tokia Saïfi, Marietje Schaake, Helmut Scholz, Joachim Schuster, Joachim Starbatty, Adam Szejnfeld, Hannu Takkula, Iuliu Winkler

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Reimer Böge, Klaus Buchner, Sergio Gutiérrez Prieto, Sander Loones, Georg Mayer, Fernando Ruas, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Pedro Silva Pereira

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Jean-François Jalkh, Joëlle Mélin

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

32

+

ALDE

Marietje Schaake, Hannu Takkula

ECR

David Campbell Bannerman, Sander Loones, Emma McClarkin, Joachim Starbatty

EFDD

Tiziana Beghin

GUE/NGL

Anne-Marie Mineur, Helmut Scholz

PPE

Laima Liucija Andrikienė, Reimer Böge, Daniel Caspary, Salvatore Cicu, Christofer Fjellner, Artis Pabriks, Franck Proust, Fernando Ruas, José Ignacio Salafranca Sánchez-Neyra, Tokia Saïfi, Adam Szejnfeld, Iuliu Winkler

S&D

Maria Arena, Karoline Graswander-Hainz, Sergio Gutiérrez Prieto, Bernd Lange, David Martin, Emmanuel Maurel, Sorin Moisă, Joachim Schuster, Pedro Silva Pereira

Verts/ALE

Klaus Buchner, Heidi Hautala

0

-

--

--

3

0

ENF

Jean-François Jalkh, Georg Mayer, Joëlle Mélin

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


ADVIES van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (10.2.2017)

aan de Commissie ontwikkelingssamenwerking

inzake het EU-vlaggenschipinitiatief voor de kledingsector

(2016/2140(INI))

Rapporteur voor advies: Jean Lambert

SUGGESTIES

De Commissie werkgelegenheid en sociale zaken verzoekt de ten principale bevoegde Commissie ontwikkelingssamenwerking onderstaande suggesties in haar ontwerpresolutie op te nemen:

A.  overwegende dat wereldwijd 60 miljoen mensen werkzaam zijn in de textiel- en kledingindustrie en dat deze met name in ontwikkelingslanden voor veel werkgelegenheid zorgt;

B.  overwegende dat deze bedrijfstak gekenmerkt wordt door een grote internationale verwevenheid en overwegende dat de toeleveringsketens daarom zeer complex zijn, zodat geïsoleerde nationale initiatieven slechts beperkt effect hebben;

C.  overwegende dat textielfabrikanten in ontwikkelingslanden voortdurend worden geconfronteerd met agressieve inkooppraktijken in de internationale groot- en detailhandel, wat ook te wijten is aan de hevige mondiale concurrentie;

D.  overwegende dat ondernemingen met name bij het waarnemen van taken van soevereine staten slechts in beperkte mate invloed kunnen uitoefenen en dat de regeringen van de producerende landen daarom de nodige economische en wettelijke randvoorwaarden moeten scheppen om zich van hun controletaken te kunnen kwijten;

E.  overwegende dat volkenrechtelijke verdragen een essentieel middel zijn om misstanden op het gebied van sociale en arbeidsbescherming in derde landen te bestrijden en overwegende dat ondernemingen verplicht zijn bij hun activiteiten rekening te houden met deze beginselen;

1.  stelt vast dat de kledingsector voor werknemers een van de meest onveilige sectoren is, met vaak ontoereikende arbeidsomstandigheden zowel in als buiten Europa, met name wat betreft de veiligheid en gezondheid op het werk; dringt erop aan dat ratificatie en tenuitvoerlegging door de deelnemende landen van de ILO-verdragen, de tripartiete beginselverklaring van de Internationale Arbeidsorganisatie betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid en de Agenda voor waardig werk centraal komen te staan in het vlaggenschipinitiatief; dringt aan op bijzondere aandacht voor degenen die het meest kwetsbaar zijn voor uitbuiting, met name kinderen en vrouwen;

2.  veroordeelt alle vormen van kinderarbeid en dringt er bij de EU en de lidstaten op aan alles in het werk te stellen om een einde te maken aan de invoer naar de Europese interne markt van kleding die met behulp van kinderarbeid is geproduceerd; onderstreept in dit verband het belang van registers van verantwoordelijke leveranciers; veroordeelt en vestigt de aandacht op de praktijk van uitbuiting van toeleveranciers die slechte en onrechtmatige arbeidsnormen hanteren; acht het van essentieel belang dat de deelnemende landen de ratificatie en tenuitvoerlegging van de ILO-verdragen 182 inzake de ergste vormen van kinderarbeid en 138 betreffende de minimumleeftijd voor toelating tot het arbeidsproces waarborgen; verzoekt de Commissie lering te trekken uit de ervaringen die worden opgedaan met het internationale programma voor de uitbanning van kinderarbeid (IPEC) en het wereldwijde bondgenootschap ter uitbanning van dwangarbeid, moderne slavernij, mensenhandel en kinderarbeid;

3.  merkt op dat de kledingindustrie banen biedt voor mensen met zeer uiteenlopende vaardigheidsprofielen, van laaggeschoold werk tot hooggespecialiseerde functies;

4.  is van mening dat vrijwillige initiatieven om een ecologische, ethische en duurzame benadering te hanteren de textielsector ten goede komen; merkt evenwel op dat zij op zichzelf niet volstaan om fundamentele arbeidsrechten zoals de bescherming van werknemers, de vrijheid van vereniging, collectieve onderhandelingen en kwesties als kinderarbeid, gezondheid en veiligheid, fatsoenlijke lonen, sociale zekerheid en arbeidstijd adequaat aan te pakken; benadrukt dat door de betrokken landen regelgeving moet worden vastgesteld en gehandhaafd die tot doel heeft te waarborgen dat arbeidsrechten in de gehele toeleveringsketen worden geëerbiedigd, en dat bestuurlijke arbeidsinstanties en arbeidsinspectiesystemen moeten worden versterkt en klachtenmechanismen moeten worden ingevoerd; wijst erop dat moet worden gegarandeerd dat de nationale wet- en regelgeving in overeenstemming is met de fundamentele ILO-verdragen;

5.  stelt vast dat de prijs nog steeds een bepalende factor is bij het inkoopbeleid van merken en detailhandelaren, vaak ten koste van het welzijn en het loon van werknemers; roept de EU op samen te werken met alle relevante belanghebbenden om een succesvol sociaal partnerschap te bevorderen en belanghebbenden te steunen bij het ontwikkelen en toepassen van loonvormingsmechanismen in overeenstemming met de desbetreffende ILO-verdragen, met name in landen waar de wetgeving ontoereikend is; benadrukt dat werkenden zeker moeten kunnen zijn van de regelmatige betaling van een passend loon dat henzelf en hun gezin in staat stelt te voorzien in hun basisbehoeften zonder dat zij geregeld overuren moeten maken; onderstreept dat er collectieve overeenkomsten moeten worden gesloten om negatieve loonkostenconcurrentie te voorkomen, en dat consumenten bewust moeten worden gemaakt van de mogelijke gevolgen van het verlangen naar steeds lagere prijzen;

6.  benadrukt dat de regeringen van de producerende landen in staat moeten zijn om de internationale normen en de toepasselijke wetgeving ten uitvoer te leggen, aangezien zij noodzakelijke partners zijn in de sociale dialoog en bij de inspanningen in het kader van het vlaggenschipinitiatief;

7.  dringt erop aan dat het EU-initiatief maatregelen op het gebied van vaardigheidstraining en een leven lang leren bevordert, met inbegrip van ondernemerschapsopleiding, waarmee wordt bijgedragen tot economische en sociale ontwikkeling; moedigt alle initiatieven aan die gericht zijn op bewustmaking van fundamentele arbeidsrechten en mechanismen voor rechtshulp in geval van schending van die rechten, en die voorzien in scholing van werknemers en werkgevers op het gebied van sociale dialoog en collectieve onderhandelingen; onderstreept dat het initiatief moet bijdragen aan de versterking van de positie van vrouwen, daar vrouwen het grootste deel van het personeel in de kledingsector uitmaken, maar in hoge mate ondervertegenwoordigd zijn in hoger gekwalificeerde en leidinggevende functies; is dan ook van oordeel dat het initiatief non-discriminatie en gendergelijkheid actief moet bevorderen, ook wat lonen betreft, en de rol van vrouwen in de samenleving in derde landen moet versterken, daar dit de familie in bredere zin en de samenleving ten goede komt;

8.  is van mening dat de Commissie met haar voorstellen voor doelstellingen van het vlaggenschipinitiatief reeds eerste stappen in de goede richting heeft gezet, zoals meer bewustmaking onder consumenten en ondersteuning van ontwikkelingslanden bij het aanhaken bij en uitvoeren van internationale arbeids- en milieunormen; betreurt evenwel dat de huidige doelstellingen en benadering van de Commissie, zoals uiteengezet in het verslag van de op 25 april 2016 gehouden conferentie op hoog niveau over verantwoord beheer van de toeleveringsketen in de kledingsector, niet gericht noch ambitieus genoeg zijn om concrete verbeteringen in de kledingsector te bewerkstelligen; merkt op dat uit de voorlopige bevindingen van een studie van de Commissie over toeleveringsketens in de kledingsector naar voren komt dat de belangrijkste tekortkomingen gendergelijkheid, werknemersrechten, milieu en transparantie van de toeleveringsketen betreffen; roept de Commissie op om met spoed het verslag te publiceren dat zij in opdracht heeft gegeven om lacunes in het huidige beleid op te sporen en om specifieke voorstellen te doen om deze lacunes aan te pakken;

9.  dringt er bij de Commissie op aan zo snel mogelijk met het EU-vlaggenschipinitiatief inzake verantwoord beheer van de toeleveringsketen in de kledingsector te komen, dat zij in het vooruitzicht heeft gesteld in het kader van het Europese Jaar van ontwikkeling 2015, en meent dat het initiatief rekening moet houden met bestaande nationale initiatieven zoals die in Duitsland en Nederland; is van oordeel dat de EU in staat en verplicht is om wereldwijd een verantwoord beheer van de toeleveringsketen te bevorderen als reactie op tragische gebeurtenissen zoals de instorting van de Rana Plaza-fabriek in Bangladesh en de ongekende aandacht die deze oproepen bij EU-burgers;

10.  is van mening dat alle maatregelen die naar aanleiding van het vlaggenschipinitiatief worden genomen moeten bijdragen aan de bevordering van initiatieven met meerdere belanghebbenden, zoals het programma "Beter werk" van de ILO/IFC, waarin een tripartiete aanpak wordt gecombineerd met naleving door fabrieken en het opzetten van een dialoog tussen werknemers en directies op nationaal niveau, of het juridisch bindende initiatief ACCORD in Bangladesh, dat in participatie van vakbonden voorziet alsook in inspecties in fabrieken en herstelmaatregelen;

11.  verzoekt de Commissie een verslag voor te leggen waarin de bestaande initiatieven en hun bijdrage tot de verbetering van de arbeidsomstandigheden van werknemers in de kledingindustrie in kaart worden gebracht;

12.  wijst erop dat werknemersorganisaties en werkgeversbonden noodzakelijke partners zijn in de sociale dialoog en in collectieve onderhandelingen en daarom gesteund moeten worden; benadrukt dat onafhankelijke, representatieve werknemersorganisaties op een onafhankelijke en vrije manier moeten kunnen optreden om de rechten van werknemers te bevorderen en te beschermen, met name op het gebied van de bescherming van gezondheid en veiligheid op het werk; onderstreept in dit verband dat deze organisaties toegang moeten hebben tot fabrieken om werknemers te scholen wat hun rechten en hun veiligheid betreft; wijst erop dat de maatregelen die voortvloeien uit initiatieven voor de kledingsector moeten voorzien in fundamentele werknemersrechten, en de ratificatie en tenuitvoerlegging van de ILO-verdragen, met name de verdragen 87 en 98, moeten bevorderen en dat werknemersvertegenwoordigers moeten worden betrokken bij het op bedrijfsniveau in te voeren proces van zorgvuldigheid (due diligence);

13.  is van mening dat de naleving van de toepasselijke wetgeving en collectieve arbeidsovereenkomsten een noodzakelijke voorwaarde is voor maatschappelijk verantwoord ondernemen; is tevens van mening dat maatschappelijk verantwoord gedrag ook moet inhouden dat er goede betrekkingen met vakbonden zijn en met name dat de vakbondsrechten geëerbiedigd worden, en dat de werknemers en hun vertegenwoordigingen continu geïnformeerd worden;

14.  benadrukt voorts dat de capaciteitsopbouw van rechtsstatelijke structuren in de producerende landen moet worden versterkt en dat in het kader van het Europese ontwikkelings- en buitenlands beleid consequent steun moet worden verleend aan en moet worden aangedrongen op de versterking ervan;

15.  is van mening dat de bescherming van de gezondheid en veiligheid voor alle werknemers gewaarborgd moet worden via internationale normen, de tenuitvoerlegging van de nationale wetgeving en collectieve onderhandelingen op alle niveaus (op bedrijfs- en op plaatselijk, nationaal en internationaal niveau), en via op bedrijfsniveau geldende beleidsmaatregelen zoals actieplannen voor gezondheid en veiligheid op de werkplek die in overleg met de werknemers en hun vertegenwoordigers schriftelijk worden opgesteld, uitgevoerd en bewaakt;

16.  is van oordeel dat in EU-initiatieven voor de kledingsector moet worden erkend dat de EU een geschikt niveau is om de leidende beginselen van de VN inzake bedrijfsleven en mensenrechten en de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen met betrekking tot zorgvuldigheidseisen en transparantie van de toeleveringsketen - die bedrijven verantwoordingsplicht in de toeleveringsketen opleggen - uit te dragen en verder te ontwikkelen; merkt op dat ondernemingen procedures dienen te ontwikkelen met behulp waarvan zij de gevolgen van hun economische activiteiten voor de mensenrechten en de arbeidsomstandigheden kunnen nagaan en kunnen opvangen; stelt voor de normen toe te snijden op de specifieke kenmerken van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's);

17.  erkent dat de huidige inspanningen voor scholing van management en werknemers op het gebied van gezondheid en veiligheid, arbeidsrecht en gendergelijkheid essentieel zijn voor de verbetering van de rechten van werknemers, en dringt erop aan dat het vlaggenschipinitiatief een specifiek platform ontwikkelt voor het uitwisselen van optimale praktijken voor training van management en werknemers, waarbij met name aandacht moet worden besteed aan het middenkader;

18.  spoort de EU aan om ontwikkelingslanden te steunen bij de aanvaarding en tenuitvoerlegging van internationale normen en verdragen; spoort de Commissie aan de ratificatie van de fundamentele ILO-normen, veiligheids- en gezondheidsinspecties en de vrijheid van vereniging te blijven aankaarten in de onderhandelingen die zij over de voortzetting van de preferentiële handel voert met landen die een schakel vormen in de wereldwijde toeleveringsketen van de kledingsector, en in het kader van het algemeen stelsel van tariefpreferenties meer aandacht te besteden aan verdragen betreffende mensenrechten, arbeid en milieu; is van mening dat de EU in haar handelsovereenkomsten bepalingen inzake verbetering van de levensomstandigheden van werknemers zou moeten opnemen en benadrukt dat in bilaterale en multinationale handelsovereenkomsten een clausule moet worden opgenomen die aanmoedigt tot ratificatie en tenuitvoerlegging van de ILO-verdragen en de Agenda voor waardig werk;

19.  benadrukt de betekenis van onafhankelijke arbeidsinspecties bij vroegtijdige waarschuwing en preventie en bij de handhaving van nationale wet- en regelgeving op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk, maar merkt op dat factoren als "controlemoeheid" hun doeltreffendheid kunnen aantasten en dat controles alleen de stand van zaken weergeven zoals die op het moment van de controle was; is van mening dat de ratificatie en tenuitvoerlegging van ILO-verdrag 81 van belang is voor het opsporen van misstanden; beveelt aan verder onderzoek uit te voeren naar manieren om controles en inspecties te verbeteren, bijvoorbeeld door convergerende controlenormen en -methoden toe te passen en door telkens verschillende inspecteurs te sturen, hetgeen tot strengere normen kan leiden, met name in landen met een corruptieprobleem; wijst op het belang van adequate rekrutering van arbeidsinspecteurs alsmede voortdurende scholing voor nieuwe en al aanwezige inspecteurs wat betreft internationale verdragen en normen, de lokale arbeidswetgeving en passende inspectietechnieken; verzoekt de EU financiële en technische bijstand te blijven verlenen voor de ontwikkeling van arbeidsinspecties in ontwikkelingslanden in overeenstemming met de relevante ILO-verdragen, met name in de context van haar ontwikkelingsfondsen;

20.  merkt op dat het aantal normen en methoden voor sociale audits, die soms slechts weinig van elkaar verschillen, sinds de opkomst van sociale audits in de toeleveringsketens in de kleding- en schoenensector meer dan twintig jaar geleden drastisch is gestegen en dat merken en detailhandelaren elk hun eigen, minimaal van elkaar afwijkende normen toepassen waardoor fabrikanten waardevolle middelen moeten besteden aan het beheren van een gestage stroom van controles; beveelt derhalve aan de bestaande inspanningen van de industrie te ondersteunen om in overleg met de belanghebbenden voor een snellere convergentie van de auditnormen te zorgen;

21.  meent dat in elke schakel van de toeleveringsketen, met inbegrip van alle onderaannemers, sprake moet zijn van verantwoordelijkheid, en prijst de inspanningen die in dit opzicht worden geleverd; is evenwel van mening dat de EU de beste positie bekleedt om een gemeenschappelijk kader te ontwikkelen waarmee kledingbedrijven in de EU die de productie outsourcen naar derde landen, wettelijk verplicht worden de nodige zorgvuldigheid inzake mensenrechten te betrachten, inclusief bindende maatregelen ter waarborging van traceerbaarheid en transparantie, zodat ondernemingen die activiteiten willen ontplooien op de Europese markt ertoe worden verplicht informatie te verstrekken over de gehele toeleveringsketen van hun producten; beveelt aan in samenwerking met lokale en internationale vakorganisaties regelgeving te ontwikkelen die vrijwillige initiatieven op nationaal, Europees en internationaal niveau aanvult en ondersteunt;

22.  wijst er nogmaals op dat traceerbaarheid en transparantie van de toeleveringsketen van cruciaal belang zijn om blijvende veranderingen te bewerkstelligen; is van mening dat een gebrekkige toegang tot informatie in de kledingsector in derde landen vaak de belangrijkste belemmering vormt voor het bestrijden van schendingen van mensen-, sociale en arbeidsrechten in de wereldwijde toeleveringsketen en dat er een meldingssysteem moet komen met informatie over alle actoren binnen de keten van elk product, van de plaats van productie tot de detailhandel; roept de EU op de ontwikkeling van een gemeenschappelijk kader voor het verzamelen van gegevens over prestaties op sociaal, milieu- en arbeidsgebied te steunen;

23.  is van mening dat het informeren van consumenten een cruciale rol speelt bij het waarborgen van fatsoenlijke arbeidsomstandigheden, zoals is gebleken bij de instorting van de Rana Plaza-fabriek; dringt erop aan dat consumenten betrouwbare en duidelijke informatie wordt verstrekt over duurzaamheid in de kledingsector, over de oorsprong van producten en over de mate waarin de rechten van werknemers worden nageleefd; beveelt aan informatie die naar aanleiding van een EU-maatregel is verzameld beschikbaar te maken voor het publiek en verzoekt de Commissie en de lidstaten te overwegen een openbare online-databank op te zetten met alle relevante informatie over alle actoren in de toeleveringsketen;

24.  wijst erop dat voor de kledingsector een invulling moet worden gegeven aan maatschappelijk verantwoord ondernemen (mvo) door rekening te houden met gebieden als kwaliteit van arbeid, organisatie van het werk, gelijke kansen en gelijk loon, sociale insluiting, maatregelen tegen discriminatie en de ontwikkeling van een leven lang leren en scholing; dringt er bij de Commissie op aan een voorstel voor convergentie van mvo-vereisten in te dienen, inclusief een kader voor sociale verslaglegging en verantwoording van bedrijven en managers voor de gevolgen van misstanden en misdrijven, en de vaststelling van een kader voor Europese overeenkomsten inzake mvo; benadrukt dat maatschappelijk verantwoord ondernemen projecten zou moeten bevorderen die bijdragen aan een overstap naar een duurzame economie; roept de Commissie en de lidstaten op EU-bedrijven stimulansen te bieden om verplichtingen inzake mvo en zorgvuldigheid van ondernemingen aan te gaan; wijst erop dat onder een dergelijke zorgvuldigheid ook proactieve maatregelen vallen om schendingen van mensen-, arbeids- of milieurechten in de toeleveringsketen vast te stellen en te voorkomen;

25.  pleit voor meer inspanningen om bij de Europese consument meer besef te wekken wat de productie van textielproducten betreft; stelt hiertoe voor EU-brede etiketteringsnormen voor "faire kleding" te ontwikkelen die zowel door multinationals als door kleine en middelgrote bedrijven kunnen worden gebruikt, om aan te geven dat er bij de productie sprake is geweest van faire arbeidsomstandigheden en om klanten te helpen om op basis van betere informatie betere aankoopbeslissingen te nemen;

26.  benadrukt dat er in de kledingindustrie in sommige EU-lidstaten herhaaldelijk gevallen zijn geconstateerd van onzekere arbeidsomstandigheden wat betreft gezondheid en veiligheid, lonen, sociale zekerheid en arbeidstijden; pleit voor het ontwikkelen van doeltreffende en doelgerichte initiatieven in de EU om de situatie in de kledingsector te verbeteren en de werkgelegenheid in de lidstaten te stimuleren;

27.  is van oordeel dat de niet-eerbiediging van internationale sociale normen in de kledingsector een vorm van sociale en milieudumping is die ten koste gaat van bedrijven en werknemers; wijst erop dat aan de naleving van strikte milieuvoorschriften door Europese ondernemingen in derde landen dezelfde eisen moeten worden gesteld als aan de naleving van werknemersrechten, aangezien niet-naleving een gevaar vormt voor de gezondheid van de werknemers en tot de vernietiging van landelijke gebieden en visgronden leidt, waardoor de lokale bevolking van haar ontwikkelingsmogelijkheden wordt beroofd;

28.  is ingenomen met de bijdrage van de Commissie aan het Vision Zero Fund en spoort aan tot verdere investeringen in de verbetering van de veiligheid van werknemers; merkt evenwel op dat het fonds net als de meeste bestaande initiatieven te weinig aandacht besteedt aan eerlijke lonen, het recht van vereniging en discriminatie op de werkvloer;

29.  pleit voor nationale en Europese initiatieven om consumenten aan te moedigen lokaal vervaardigde producten te kopen;

30.  is ervan overtuigd dat een verantwoord beheer van de wereldwijde toeleveringsketen in de kledingsector kan bijdragen tot economische groei, het scheppen van fatsoenlijke banen, armoedebestrijding, de versterking van de mensen- en de arbeidsrechten en de overgang van de informele naar de formele economie; wijst echter op de bijzondere situatie van exportproductiezones (EPZ's) waar in bepaalde landen uitzonderingen op de toepassing van de plaatselijke arbeidswetgeving gelden, vakbondsactiviteiten verboden zijn en geen beroepsmogelijkheden bestaan voor werknemers, hetgeen niet in overeenstemming is met de ILO-normen; dringt erop aan door toezicht en verslaglegging voor meer transparantie te zorgen in EPZ's;

31.  wijst erop dat de kledingindustrie in de lidstaten gebaseerd moet zijn op innovatie en producten met een hogere toegevoegde waarde; verzoekt de Commissie financiële steun te verstrekken aan kmo's in de kledingindustrie en de financiering in het kader van EU-programma's voor die bedrijven te vereenvoudigen en daarnaast steun te verlenen voor materiaalonderzoek;

32.  steunt kmo's in de lidstaten die een significante bijdrage leveren aan de instandhouding en versterking van het Europees cultureel erfgoed in de kledingindustrie.

UITSLAG VAN DE EINDSTEMMINGIN DE MEDEADVISERENDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

6.2.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

42

4

0

Bij de eindstemming aanwezige leden

Brando Benifei, Enrique Calvet Chambon, Lampros Fountoulis, Marian Harkin, Rina Ronja Kari, Ádám Kósa, Jean Lambert, Jérôme Lavrilleux, Jeroen Lenaers, Verónica Lope Fontagné, Javi López, Thomas Mann, Anthea McIntyre, Elisabeth Morin-Chartier, Marek Plura, Sofia Ribeiro, Robert Rochefort, Maria João Rodrigues, Anne Sander, Sven Schulze, Jutta Steinruck, Romana Tomc, Yana Toom, Ulrike Trebesius, Marita Ulvskog, Renate Weber, Jana Žitňanská

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Maria Arena, Georges Bach, Mircea Diaconu, Sergio Gutiérrez Prieto, Krzysztof Hetman, Dieter-Lebrecht Koch, Paloma López Bermejo, Edouard Martin, Alex Mayer, Csaba Sógor, Helga Stevens, Neoklis Sylikiotis, Flavio Zanonato

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Clara Eugenia Aguilera García, Jakop Dalunde, Ulrike Rodust, Marc Tarabella, Miguel Viegas, Daniele Viotti


INFORMATIE OVER DE GOEDKEURINGIN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

Datum goedkeuring

21.3.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

14

2

8

Bij de eindstemming aanwezige leden

Raymond Finch, Doru-Claudian Frunzulică, Enrique Guerrero Salom, Maria Heubuch, György Hölvényi, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Maurice Ponga, Lola Sánchez Caldentey, Eleni Theocharous, Paavo Väyrynen, Bogdan Brunon Wenta, Anna Záborská, Željana Zovko

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, Cécile Kashetu Kyenge, Florent Marcellesi, Louis Michel, Jan Zahradil

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Tania González Peñas, Martina Werner


HOOFDELIJKE EINDSTEMMING IN DE TEN PRINCIPALE BEVOEGDE COMMISSIE

14

+

ALDE

Louis Michel, Paavo Väyrynen

ECR

Eleni Theocharous

GUE/NGL

Tania González Peñas, Lola Sánchez Caldentey

S&D

Doru-Claudian Frunzulică, Enrique Guerrero Salom, Cécile Kashetu Kyenge, Arne Lietz, Linda McAvan, Norbert Neuser, Martina Werner

Verts/ALE

Maria Heubuch, Florent Marcellesi

2

-

ECR

Jan Zahradil

EFDD

Raymond Finch

8

0

PPE

Agustín Díaz de Mera García Consuegra, Frank Engel, György Hölvényi, Teresa Jiménez-Becerril Barrio, Maurice Ponga, Bogdan Brunon Wenta, Željana Zovko, Anna Záborská

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 11 april 2017Juridische mededeling