Procedure : 2016/0376(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0391/2017

Ingediende teksten :

A8-0391/2017

Debatten :

PV 15/01/2018 - 12
CRE 15/01/2018 - 12

Stemmingen :

PV 17/01/2018 - 10.5
CRE 17/01/2018 - 10.5

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0010

VERSLAG     ***I
PDF 1114kWORD 166k
20 december 2017
PE 604.805v03-00 A8-0391/2017

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie

(COM(2016)0761 – C8-0498/2016 – 2016/0376(COD))

Commissie industrie, onderzoek en energie

Rapporteur: Miroslav Poche

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT
 ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid
 PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE
 HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

ONTWERPWETGEVINGSRESOLUTIE VAN HET EUROPEES PARLEMENT

over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie

(COM(2016)0761 – C8-0498/2016 – 2016/0376(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0761),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0498/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 1 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie,

–  gezien Protocol nr. 2 bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 26 april 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 13 juli 2017(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0391/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  Matiging van de energievraag is een van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie, die op 25 februari 2015 is vastgesteld. Het verbeteren van de energie-efficiëntie zal gunstig zijn voor het milieu, de broeikasgasemissies doen afnemen, de voorzieningszekerheid verbeteren door de afhankelijkheid van de invoer van energie van buiten de Unie te doen afnemen, de energiekosten voor huishoudens en ondernemingen doen dalen, helpen de energiearmoede te verminderen, en leiden tot meer werkgelegenheid en economische activiteit in de gehele economie. Dit ligt in de lijn van de verbintenissen die de Unie is aangegaan in het kader van de energie-unie en de mondiale klimaatagenda die in het akkoord van Parijs van december 2015 is vastgelegd door de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

(1)  Matiging van de energievraag is een van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie, die op 25 februari 2015 is vastgesteld. Het verbeteren van de energie-efficiëntie in de hele energieketen, met inbegrip van opwekking, transmissie, distributie en eindgebruik van energie, zal gunstig zijn voor het milieu, de luchtkwaliteit en de volksgezondheid verbeteren, de broeikasgasemissies doen afnemen, de voorzieningszekerheid verbeteren door de afhankelijkheid van de invoer van energie van buiten de Unie te doen afnemen, de energiekosten voor huishoudens en ondernemingen doen dalen, helpen de energiearmoede te verminderen, en leiden tot meer concurrentievermogen, werkgelegenheid en economische activiteit in de gehele economie, en bijgevolg de levenskwaliteit van de burgers verbeteren. Dit ligt in de lijn van de verbintenissen die de Unie is aangegaan in het kader van de energie-unie en de mondiale klimaatagenda die is vastgesteld door de Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21) in Parijs in december 2015 ("de Overeenkomst van Parijs"), waarin is bepaald dat de gemiddelde mondiale temperatuurstijging moet worden beperkt tot beduidend minder dan 2 °C in vergelijking met het pre-industriële tijdperk en dat de inspanningen om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C moeten worden voortgezet.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad9 is een stap op weg naar de verwezenlijking van de energie-unie, waarbij energie-efficiëntie moet worden beschouwd als een op zichzelf staande bron van energie. Bij het vaststellen van nieuwe regels voor de aanbodzijde en andere beleidsdomeinen moet rekening worden gehouden met het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie". De Commissie moet ervoor zorgen dat energie-efficiëntie en vraagrespons onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met productiecapaciteit. Telkens wanneer besluiten over de planning of financiering van energiesysteem worden genomen, moet rekening worden gehouden met energie-efficiëntie. De energie-efficiëntie moet worden verbeterd wanneer dit kosteneffectiever is dan gelijkwaardige oplossingen aan de aanbodzijde. Dit moet de vele voordelen van energie-efficiëntie voor de maatschappij helpen benutten, met name voor de burgers en de bedrijven.

(2)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad9 is een stap op weg naar de verwezenlijking van de energie-unie, waarbij energie-efficiëntie moet worden beschouwd als een op zichzelf staande bron van energie. Bij het vaststellen van nieuwe regels voor de aanbodzijde en andere beleidsdomeinen moet rekening worden gehouden met het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie". De Commissie moet ervoor zorgen dat energie-efficiëntie en vraagrespons voorrang krijgen op meer productiecapaciteit. Telkens wanneer besluiten over de planning en financiering van energiesystemen worden genomen, moet rekening worden gehouden met energie-efficiëntie. Er moet worden geïnvesteerd in een betere efficiëntie van eindenergie wanneer dit kosteneffectiever is dan gelijkwaardige oplossingen aan de aanbodzijde. Dit moet de vele voordelen van een betere energie-efficiëntie in alle stadia van de energieketen helpen benutten en zo bijdragen aan meer welvaart in de Europese samenleving. Voor een optimale benutting van deze voordelen en een geslaagde implementatie van de beoogde beleidsmaatregelen, moeten de Commissie en de lidstaten samenwerken met de plaatselijke en regionale overheden, steden, het bedrijfsleven en de burgers in de hele Unie om ervoor te zorgen dat de toename van de energie-efficiëntie als gevolg van technologische, gedrags- en economische veranderingen hand in hand gaat met een toename van de economische groei.

__________________

__________________

9 Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

9 Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 bis)  Bij alle vormen van primaire energie (zowel niet-hernieuwbare als hernieuwbare) moet rekening worden gehouden met de bijkomende energieonkosten die vereist zijn om deze energie te bekomen en energie-installaties te bouwen, te exploiteren en te ontmantelen, met inbegrip van de processen in verband met het wegnemen van de risico's voor het milieu.

Motivering

Dit amendement vervangt amendement 3 van het ontwerpverslag. Het wil verduidelijken dat het hier gaat om energieonkosten en niet om menselijke arbeid.

Amendement  4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(2 ter)  De maatregelen van de lidstaten moeten worden ondersteund door goed ontworpen en efficiënte financiële instrumenten van de Unie, zoals de Europese structuur- en investeringsfondsen, het Europees Fonds voor strategische investeringen en de Europese Investeringsbank, die investeringen in energie-efficiëntie in alle stadia van de energieketen ondersteunen en uitgaan van een omvattende kosten-batenanalyse op grond van een model van gedifferentieerde discontopercentages. De financiële steun moet gericht zijn op kosteneffectieve methoden om de energie-efficiëntie te verbeteren, wat moet leiden tot een daling van het energieverbruik. Om een ambitieuze energie-efficiëntiedoelstelling te verwezenlijken, moeten obstakels uit de weg worden geruimd, zoals ook blijkt uit de recente verduidelijking van Eurostat over de boeking van energieprestatiecontracten in de nationale rekeningen om investeren in energie-efficiëntiemaatregelen te vergemakkelijken.

Amendement  5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  De Europese Raad van oktober 2014 heeft het streefcijfer voor energie-efficiëntie vastgesteld op 27 % voor 2030; dit streefcijfer moet worden herzien tegen 2020, "waarbij op het niveau van de Unie een streefcijfer van 30 % voor ogen moet worden gehouden". In december 2015 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht om te onderzoeken of een energie-efficiëntiestreefcijfer van 40 % haalbaar is voor dezelfde periode. Het is dan ook wenselijk om over te gaan tot evaluatie en vervolgens herziening van de richtlijn om deze aan te passen met het oog op 2030.

(3)  De Europese Raad van oktober 2014 heeft zijn steun uitgesproken voor een streefcijfer voor energie-efficiëntie van 27 % voor 2030; dit streefcijfer moet worden herzien tegen 2020, "waarbij op het niveau van de Unie een streefcijfer van 30 % voor ogen moet worden gehouden". In december 2015 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht om te onderzoeken of een energie-efficiëntiestreefcijfer van 40 % haalbaar is voor dezelfde periode. Het is dan ook wenselijk om over te gaan tot evaluatie en vervolgens herziening van de richtlijn om deze aan te passen met het oog op 2030.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  Het perspectief voor 2030 voorziet niet in bindende streefcijfers op nationaal niveau. De noodzaak voor de Unie om haar streefcijfers inzake energie-efficiëntie op EU-niveau, uitgedrukt in primair energieverbruik en eindenergieverbruik, in 2020 en 2030 te behalen, moet duidelijk worden uiteengezet in de vorm van een bindend streefcijfer van 30 %. Deze verduidelijking op het niveau van de Unie mag geen beperkingen opleggen aan de lidstaten; het staat hun nog steeds vrij om hun nationale bijdragen vast te stellen op basis van primair energieverbruik of eindenergieverbruik, primaire energiebesparing of eindenergiebesparing, dan wel op basis van energie-intensiteit. Bij de vaststelling van hun nationale indicatieve bijdragen aan energie-efficiëntie moeten de lidstaten er rekening mee houden dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie mag bedragen. Dit betekent da het primaire energieverbruik in de Unie moet afnemen met 23 % en het eindenergieverbruik met 17 % in vergelijking met het niveau van 2005. De voortgang op weg naar het behalen van het streefcijfer voor 2030 moet regelmatig worden beoordeeld; het wetgevingsvoorstel inzake de governance van de energie-unie voorziet in een dergelijke beoordeling.

(4)  De noodzaak voor de Unie om haar streefcijfer inzake energie-efficiëntie op EU-niveau, uitgedrukt in primair energieverbruik en eindenergieverbruik, in 2030 te behalen, moet duidelijk worden uiteengezet in de vorm van een bindend streefcijfer van 40 %. Dit streefcijfer op het niveau van de Unie mag geen beperkingen opleggen aan de lidstaten; het staat hun nog steeds vrij om hun nationale streefcijfers vast te stellen op basis van primair energieverbruik of eindenergieverbruik, primaire energiebesparing of eindenergiebesparing, dan wel op basis van energie-intensiteit. Bij de vaststelling van hun nationale bindende streefcijfers voor energie-efficiëntie moeten de lidstaten er rekening mee houden dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 132 Mtoe primaire energie en niet meer dan 849 Mtoe eindenergie mag bedragen. Dit betekent dat het primaire energieverbruik in de Unie moet afnemen met 34 % en het eindenergieverbruik met 31 % in vergelijking met het niveau van 2005. De voortgang op weg naar het behalen van het streefcijfer voor 2030 moet regelmatig worden beoordeeld; het wetgevingsvoorstel inzake de governance van de energie-unie voorziet in een dergelijke beoordeling.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis)  Bij het vaststellen van de nationale streefcijfers op het gebied van energie-efficiëntie moet het beginsel van billijkheid tussen de lidstaten worden toegepast. Energie is een basisvoorziening en minimale energieverbruiksniveaus zijn daarom onvermijdelijk. Hiermee moet op passende wijze rekening worden gehouden bij het vaststellen van de nationale streefcijfers. Over het algemeen zouden de landen met een lager energieverbruik per inwoner dan het gemiddelde van de Unie meer flexibiliteit moeten krijgen bij het vaststellen van hun streefcijfers.

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 ter)  De punctuele operationele efficiëntie van energiesystemen wordt beïnvloed door het vermogen om stroom die afkomstig is van verschillende bronnen, met een verschillende mate van inertie- en opstarttijd, vlot en flexibel aan het net te leveren; het verbeteren van deze efficiëntie zal een aanzet geven om beter gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen, zoals windenergie in combinatie met gasturbines, ter voorkoming van overbelasting van het net dat wordt gevoed door traditionele grote stroomgeneratoren met energie-units met een aanzienlijke thermische inertie.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 quater)  De Commissie en de lidstaten moeten ervoor zorgen dat de vermindering van het energieverbruik het resultaat is van een hogere energie-efficiëntie en niet van macro-economische omstandigheden.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 quinquies)  De lidstaten moeten nagaan wat de kosteneffectieve mogelijkheden voor energie-efficiëntie zijn op basis van een bottom-upberekening voor elke sector afzonderlijk, aangezien deze afhankelijk zijn van de energiemix, de structuur van de economie en het tempo van de economische ontwikkeling.

Motivering

Met bottom-upsimulaties kunnen de lidstaten nauwkeuriger berekenen welke besparingen zij kosteneffectief kunnen realiseren en op basis daarvan kunnen zij beleidsaanbevelingen doen.

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 5

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(5)  De verplichting voor de lidstaten om langetermijnstrategieën vast te stellen voor het vrijmaken van investeringen in de renovatie van hun gebouwenbestand en deze mee te delen aan de Commissie moet worden geschrapt uit Richtlijn 2012/27/EU en worden toegevoegd aan Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad10, waar het beter aansluit bij de langetermijnplannen voor bijna-energieneutrale gebouwen en het koolstofvrij maken van gebouwen.

(5)  De verplichting voor de lidstaten om langetermijnstrategieën vast te stellen ter bevordering van de renovatie van hun gebouwenbestand en deze mee te delen aan de Commissie moet worden geschrapt uit Richtlijn 2012/27/EU en worden toegevoegd aan Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad10, waar het beter aansluit bij de langetermijnplannen voor bijna-energieneutrale gebouwen en het koolstofvrij maken van gebouwen.

__________________

__________________

10 Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).

10 Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (PB L 153 van 18.6.2010, blz. 13).

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  In het licht van het klimaat- en energiekader voor 2030 moet de verplichting inzake energiebesparing worden verlengd tot na 2020. De verplichtingsperiode verlengen tot na 2020 zou zorgen voor meer stabiliteit voor investeerders en zal derhalve investeringen en maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn, zoals de renovatie van gebouwen, bevorderen.

(6)  In het licht van het klimaat- en energiekader voor 2030 moet de verplichting inzake energiebesparing worden verlengd tot na 2020. De verplichtingsperiode verlengen tot na 2020 zou zorgen voor meer stabiliteit voor investeerders en zal derhalve bevorderlijk zijn voor investeringen en maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn, zoals de grondige renovatie van gebouwen, met als doel op de lange termijn te komen tot een bijna-energieneutraal gebouwenbestand (BENG). De verplichting tot energiebesparing heeft een essentiële rol gespeeld in het creëren van plaatselijke groei en banen en moet worden voortgezet zodat de Unie haar energie- en klimaatdoelstellingen kan halen door nog meer mogelijkheden te creëren en groei minder afhankelijk te maken van energieverbruik. Samenwerking met de particuliere sector is belangrijk om te beoordelen onder welke voorwaarden toegang kan worden verkregen tot particuliere investeringen voor energie-efficiëntieprojecten en om nieuwe inkomstenmodellen te ontwikkelen voor innovatie op het gebied van energie-efficiëntie.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 bis)  Verbeteringen van de energie-efficiëntie hebben ook een positief effect op de luchtkwaliteit, aangezien energie-efficiëntere gebouwen de vraag naar verwarmingsbrandstoffen, met name ook vaste verwarmingsbrandstoffen, doen dalen. Energie-efficiëntiemaatregelen dragen derhalve bij tot de verbetering van de luchtkwaliteit binnen en buiten, en helpen de doelstellingen van het luchtkwaliteitsbeleid van de Unie, zoals met name vastgesteld in Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad1 bis, op een kostenefficiënte wijze te verwezenlijken. De afname van de energievraag in gebouwen moet worden beschouwd als een element van het luchtkwaliteitsbeleid in het algemeen en met name in lidstaten waar het moeilijk is om de EU-grenswaarden voor emissies van luchtverontreinigende stoffen te behalen. Energie-efficiëntie zou kunnen helpen om deze doelstellingen te verwezenlijken.

 

__________________

 

1 bis Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1).

Motivering

Als gevolg van de rook die gepaard gaat met de verbranding van vaste brandstoffen voor verwarmingsdoeleinden is de residentiële sector verantwoordelijk voor een groot deel van de luchtverontreinigende emissies in Europa. Deze luchtverontreinigende stoffen doen het aantal sterfte- en ziektegevallen en ziekenhuisopnamen stijgen, met name omdat de gemeten waarden de streefwaarden in het kader van de EU-wetgeving inzake luchtkwaliteit vaak ruim overschrijden.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 7

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(7)  De lidstaten moeten een cumulatieve besparing op het eindverbruik verwezenlijken voor de volledige verplichtingsperiode, die gelijk staat aan "nieuwe" besparingen ten belope van 1,5 % van de jaarlijkse energieverkoop. Aan deze eis kan worden voldaan door nieuwe beleidsmaatregelen die worden vastgesteld tijdens de nieuwe verplichtingsperiode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2030 of door nieuwe individuele acties als gevolg van beleidsmaatregelen die vóór of tijdens de vorige periode zijn vastgesteld, maar die geleid hebben tot afzonderlijke energiebesparende acties tijdens de nieuwe periode.

(7)  De lidstaten moeten een cumulatieve besparing op het eindverbruik verwezenlijken voor de volledige verplichtingsperiode, die gelijk staat aan "nieuwe" besparingen ten belope van ten minste 1,5 %. Aan deze eis kan worden voldaan door energiebesparingen die voortvloeien uit beleidsmaatregelen, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat deze maatregelen resulteren in individuele acties die na 2020 een verifieerbare energiebesparing opleveren. De besparingen in elke periode moeten cumulatief voortbouwen op de besparingen die in de voorgaande periode(n) moesten worden gerealiseerd.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(9)  De nieuwe besparingen moeten een aanvulling vormen op het basisscenario, zodat besparingen die toch al zouden plaatsvinden, niet kunnen worden geclaimd. Om het effect van de maatregelen te berekenen, mogen alleen nettobesparingen, gemeten als wijziging van het energieverbruik die rechtstreeks is toe te schrijven aan de energie-efficiëntiemaatregel in kwestie, worden meegerekend. Voor de berekening van de nettobesparingen moeten de lidstaten een basisscenario opstellen dat weergeeft hoe de situatie zou evolueren zonder het beleid in kwestie. De beleidsmaatregelen dienen te worden geëvalueerd in vergelijking met dit basisscenario. De lidstaten moeten rekening houden met het feit dat in dezelfde periode andere beleidsmaatregelen kunnen worden genomen die ook een invloed kunnen hebben op energiebesparing, zodat niet alle veranderingen die sinds de invoering van het beleid zijn waargenomen, kunnen worden toegeschreven aan die beleidsmaatregel alleen. De acties van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij moeten daadwerkelijk bijdragen tot de verwezenlijking van de geclaimde besparingen om te voldoen aan de materialiteitsvereiste.

(9)  De nieuwe energiebesparingen moeten een aanvulling vormen op het basisscenario, zodat besparingen die toch al zouden plaatsvinden, niet kunnen worden geclaimd. Om het effect van de maatregelen te berekenen, mogen alleen nettobesparingen, gemeten als wijziging van het energieverbruik die rechtstreeks is toe te schrijven aan de energie-efficiëntiemaatregel in kwestie, worden meegerekend. Voor de berekening van de nettobesparingen moeten de lidstaten een basisscenario opstellen dat weergeeft hoe de situatie zou evolueren zonder het beleid in kwestie. De beleidsmaatregelen dienen te worden geëvalueerd in vergelijking met dit basisscenario. De lidstaten moeten rekening houden met het feit dat in dezelfde periode andere beleidsmaatregelen kunnen worden genomen die ook een invloed kunnen hebben op energiebesparing, zodat niet alle veranderingen die sinds de invoering van het beleid zijn waargenomen, kunnen worden toegeschreven aan die beleidsmaatregel alleen. De acties van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij moeten daadwerkelijk bijdragen tot de verwezenlijking van de geclaimde besparingen om te voldoen aan de materialiteitsvereiste.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 9 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(9 bis)  Het is belangrijk alle stappen in de energieketen mee te nemen in de berekening van de besparingen teneinde het energiebesparingspotentieel in de transmissie en distributie van elektriciteit te vergroten.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)  Energiebesparingen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van Uniewetgeving mogen alleen worden geclaimd als de maatregel in kwestie verder reikt dan het bij de Uniewetgeving vereiste minimum, hetzij door ambitieuzere energie-efficiëntie-eisen vast te stellen op nationaal niveau, hetzij door de mate waarin de maatregel ingang vindt, te vergroten. Erkennende dat de renovatie van gebouwen op lange termijn een essentieel element is om tot grotere energiebesparing te komen, moet worden verduidelijkt dat alle energiebesparingen die voortvloeien uit maatregelen ter bevordering van de renovatie van bestaande gebouwen kunnen worden geclaimd als ze een aanvulling vormen op ontwikkelingen die ook zonder de beleidsmaatregel zouden hebben plaatsgevonden en als de lidstaat aantoont dat de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij daadwerkelijk heeft bijgedragen tot de totstandbrenging van de besparingen die worden geclaimd uit hoofde van de maatregel in kwestie.

(10)  Energiebesparingen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van Uniewetgeving mogen alleen worden geclaimd als de maatregel in kwestie verder reikt dan het bij de Uniewetgeving vereiste minimum, hetzij door ambitieuzere energie-efficiëntie-eisen vast te stellen op nationaal niveau, hetzij door de mate waarin de maatregel ingang vindt, te vergroten. Gebouwen beschikken over een aanzienlijk potentieel om de energie-efficiëntie verder te vergroten, en de renovatie van gebouwen is op lange termijn een essentieel element met schaalvoordelen om tot grotere energiebesparing te komen. Daarom moet worden verduidelijkt dat alle energiebesparingen die voortvloeien uit maatregelen ter bevordering van de renovatie van bestaande gebouwen kunnen worden geclaimd als ze een aanvulling vormen op ontwikkelingen die ook zonder de beleidsmaatregel zouden hebben plaatsgevonden en als de lidstaat aantoont dat de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij daadwerkelijk heeft bijgedragen tot de totstandbrenging van de besparingen die worden geclaimd uit hoofde van de maatregel in kwestie.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 bis)  Het doeltreffende beheer van water kan een significante bijdrage leveren aan de energiebesparingen. De sector water en afvalwater is verantwoordelijk voor 3,5 % van het elektriciteitsgebruik in de Unie1 bis. Bovendien zal de vraag naar water tegen 2040 naar schatting met 25 % stijgen, voornamelijk in de steden. Tezelfdertijd maken waterlekken 24 % uit van het totale waterverbruik in de Unie, met energie- en waterverlies tot gevolg. Alle maatregelen die een doeltreffender waterbeheer en een vermindering van het watergebruik beogen kunnen bijgevolg een significante bijdrage leveren aan de energie-efficiëntiedoelstelling van de Unie1 ter.

 

__________________

 

1 bis World Energy Outlook 2016, International Energy Agency, 2016.

 

1 ter World Energy Outlook 2016, International Energy Agency, 2016.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 ter)  Deze herziening omvat bepalingen met betrekking tot het behandelen van energie-efficiëntie als een infrastructuurprioriteit, vanuit het inzicht dat energie-efficiëntie aan de door het IMF en andere economische instellingen gebruikte definitie van infrastructuur voldoet, evenals het feit dat dit mogelijk een centraal aspect en een prioritaire overweging wordt bij de toekomstige besluitvorming over investeringen in energie-infrastructuur in de Unie1 bis.

 

__________________

 

1 bis Tekst uit het verslag van het Europees Parlement van 2 juni 2016 over de uitvoering van de energie-efficiëntierichtlijn (2012/27/EU) - (2015/2232(INI)).

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 quater)  De energiesector is de grootste waterverbruiker in de Unie, aangezien deze sector 44 % van het waterverbruik voor zijn rekening neemt1 bis. Het gebruik van slimme technologieën en processen voor doeltreffend waterbeheer kan potentieel significante energiebesparingen genereren en tegelijk het concurrentievermogen van de ondernemingen verbeteren.

 

__________________

 

1 bis Werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Landbouw en duurzaam waterbeheer in de EU" van 28 april 2017.

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 quinquies)  De sector water en afvalwater kan ook bijdragen aan de productie van hernieuwbare energie en het verminderen van fossiele-energievoorziening. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk ter plaatse energie te produceren door energiewinning uit slib dat door afvalwaterbewerking ontstaat.

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)  De verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen zal met name voordelen opleveren voor consumenten die te kampen hebben met energiearmoede. De lidstaten kunnen aan verplichtingen gebonden partijen al verplichten om sociale doelstellingen op te nemen in hun energiebesparende maatregelen, met betrekking tot energiearmoede, en deze mogelijkheid moet nu worden uitgebreid tot alternatieve maatregelen en omgevormd tot een verplichting, waarbij de lidstaten volledige flexibiliteit behouden ten aanzien van de omvang, werkingssfeer en inhoud van dergelijke maatregelen. Overeenkomstig artikel 9 van het Verdrag moet het beleid van de Unie op het gebied van energie-efficiëntie inclusief zijn en dus ook garanderen dat energiearme verbruikers toegang krijgen tot maatregelen inzake energie-efficiëntie.

(12)  De verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen zal voordelen opleveren voor alle consumenten, met name voor huishoudens met een laag inkomen, met inbegrip van deze die te kampen hebben met energiearmoede. Elke lidstaat kan overeenkomstig zijn specifieke nationale omstandigheden bepalen wat onder energiearmoede en een huishouden met een laag inkomen wordt verstaan. De lidstaten kunnen aan verplichtingen gebonden partijen al verplichten om in hun energiebesparende maatregelen sociale doelstellingen op te nemen met betrekking tot energiearmoede. Deze mogelijkheid moet nu worden uitgebreid tot alternatieve maatregelen en worden omgevormd tot een verplichting, waarbij de lidstaten volledige flexibiliteit behouden ten aanzien van de omvang, werkingssfeer en inhoud van dergelijke maatregelen. Overeenkomstig artikel 9 van het Verdrag moet het beleid van de Unie op het gebied van energie-efficiëntie inclusief zijn en dus ook garanderen dat energieverbruikers in energiearmoede en met een laag inkomen toegang krijgen tot maatregelen inzake energie-efficiëntie. Hiertoe moeten de lidstaten hun doelstellingen kwantificeren, hun regelingen vergezellen van adequate financiële steun en toezien op de uitvoering van hun maatregelen.

Amendement    23

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 bis)  Tegemoetkomen aan de vraag naar elektriciteit overdag en 's nachts is een belangrijk instrument om de efficiëntie van primaire energie te verhogen, omdat dit consumenten beduidend meer mogelijkheden biedt om energie te besparen door middel van besluiten op basis van informatie die aangeeft dat het energieverbruik kan worden geoptimaliseerd wanneer er vraag is naar energie, ook tijdens piekuren, zodat transmissienetwerken en opwekkingsbronnen beter kunnen worden gebruikt.

Motivering

Dit amendement houdt verband met amendement 19 van het ontwerpverslag. Het wil dit verduidelijken en heeft betrekking op de SmartGrid.

Amendement    24

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 ter)  Om tot lage energierekeningen te komen moeten consumenten hulp krijgen om hun energieverbruik te verminderen door middel van het reduceren van de energiebehoefte van gebouwen, de verbetering van de efficiëntie van toestellen en de beschikbaarheid van in het openbaar vervoer geïntegreerde energiezuinige vervoerswijzen en fietsen. Verbetering van de bouwschillen en vermindering van de energiebehoeften zijn van fundamenteel belang voor het verbeteren van de gezondheid van lage-inkomensgroepen.

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 quater)  Het is van essentieel belang om het publiek bewust te maken en alle burgers in de Unie accurate informatie te verstrekken over de voordelen van verhoogde energie-efficiëntie en de mogelijke toepassing ervan. Verhoogde energie-efficiëntie is ook cruciaal voor de geopolitieke positie en de veiligheid van de Unie omdat dit haar minder afhankelijk maakt van de invoer van brandstoffen uit derde landen.

Amendement    26

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12 quinquies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 quinquies)  Aangezien ongeveer 50 miljoen huishoudens in de Unie met energiearmoede te kampen hebben, moeten energie-efficiëntiemaatregelen de kern uitmaken van een kostenefficiënte strategie voor het aanpakken van energiearmoede en kwetsbaarheid van consumenten. Deze maatregelen moeten complementair zijn met het socialezekerheidsbeleid op lidstaatniveau. Teneinde te waarborgen dat energie-efficiëntiemaatregelen huurders op duurzame wijze een vermindering van energiearmoede opleveren, moet rekening worden gehouden met de kosteneffectiviteit van dergelijke maatregelen, evenals met de mate van betaalbaarheid voor de eigenaars en huurders, naast het feit dat passende financiële ondersteuning voor die maatregelen op het niveau van de lidstaten gegarandeerd moet zijn. Het gebouwenbestand van de Unie moet op de lange termijn bijna-energieneutraal (BEN) worden, overeenkomstig de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Het huidige renovatietempo volstaat niet en de gebouwen die bewoond worden door burgers met een laag inkomen die in energiearmoede leven, zijn het moeilijkst aan te pakken. De in deze verordening vastgestelde maatregelen met betrekking tot verplichte energiebesparingen, verplichte energie-efficiëntieregelingen en alternatieve beleidsmaatregelen zijn daarom bijzonder belangrijk.

Amendement    27

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12 sexies (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 sexies)  De kosten en baten van alle energie-efficiëntiemaatregelen, waaronder ook de terugverdienperiodes, moeten volledig transparant worden gemaakt voor de consumenten.

Amendement    28

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)  Energie die op of in gebouwen wordt opgewekt met technologieën voor hernieuwbare energie vermindert de afhankelijkheid van aangeleverde fossiele energie. De beperking van het energiegebruik en het gebruik van energie uit duurzame bronnen in de bouwsector zijn belangrijke maatregelen om de energieafhankelijkheid van de Unie en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, met name in het licht van de ambitieuze klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de mondiale verbintenis die is aangegaan tijdens de Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21), die in december 2015 plaatsvond in Parijs. Om te voldoen aan hun verplichtingen inzake energiebesparing moeten de lidstaten dan ook de mogelijkheid krijgen om rekening te houden met een bepaalde hoeveelheid hernieuwbare energie die op of in gebouwen is opgewekt voor eigen gebruik. Hiertoe moeten de lidstaten toestemming krijgen om gebruik te maken van de berekeningsmethoden die in het kader van Richtlijn 2010/31/EU zijn vastgesteld.

(13)  Energie die op of in gebouwen wordt opgewekt met technologieën voor hernieuwbare energie vermindert de afhankelijkheid van aangeleverde fossiele energie. De beperking van het energiegebruik en het gebruik van energie uit duurzame bronnen in de bouwsector zijn belangrijke maatregelen om de energieafhankelijkheid van de Unie en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, met name in het licht van de ambitieuze klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de mondiale verbintenis die is aangegaan in de Overeenkomst van Parijs.

Amendement    29

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(13 bis)  De energiebalans van bedrijven en industriesectoren in de lidstaten kan worden verbeterd door de beginselen van de circulaire economie toe te passen, onder meer door een passend gebruik van industrieel afval als secundaire grondstof, op voorwaarde dat het energiepotentieel ervan hoger is dan dat van alternatieve primaire grondstoffen.

Motivering

Dit amendement houdt verband met amendement 22 van het ontwerpverslag.

Amendement    30

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(13 ter)  De lidstaten moeten profiteren van de nieuwe bedrijfsmodellen en technologieën en ernaar streven de marktopname van energie-efficiëntiemaatregelen te bevorderen en te faciliteren, onder meer door middel van innovatieve energiediensten voor grote en kleine klanten.

Amendement    31

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(13 quater)  De lidstaten moeten veel flexibiliteit aan de dag leggen bij het ontwerpen en uitvoeren van alternatieve maatregelen voor het vaststellen van hun nationale prioriteiten op het vlak van energie-efficiëntie, met inbegrip van energie-efficiënte producten en energie-efficiënte productieprocessen; er moet steun worden verleend aan acties die gericht zijn op streefcijfers in verband met het efficiënt gebruik van natuurlijke rijkdommen of met de behoefte om een circulaire economie in te voeren.

Motivering

Dit amendement wijzigt amendement 23 van het ontwerpverslag.

Amendement    32

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)  In het kader van maatregelen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie "Een 'new deal' voor energieconsumenten", in de context van de energie-unie en de strategie betreffende verwarming en koeling, moeten de minimumrechten van de consumenten op duidelijke en tijdige informatie over hun energieverbruik worden versterkt. De artikelen 9, 10 en 11 en bijlage VII van Richtlijn 2012/27/EU moeten dan ook worden gewijzigd om te zorgen voor frequente en betere feedback over energieverbruik. Voorts moet worden verduidelijkt dat de rechten in verband met facturering en factureringsinformatie ook gelden voor verbruikers van uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water, ook al hebben zij geen rechtstreekse, individuele contractuele relatie met een leverancier. Met het oog op de toepassing van deze bepalingen moet het begrip "eindgebruiker" worden verstaan als alle eindafnemers die verwarming/koeling/warm water kopen voor eigen gebruik en alle bewoners van individuele wooneenheden in appartementengebouwen of multifunctionele gebouwen, wanneer de levering aan deze eenheden vanuit een centrale bron gebeurt. Het begrip "individuele bemetering" moet betrekking hebben op het meten van het verbruik in individuele eenheden van dergelijke gebouwen. Uiterlijk op 1 januari 2020 moeten nieuw geïnstalleerde warmtemeters en warmtekostenverdelers op afstand leesbaar zijn om te zorgen voor kostenefficiënte en frequente verstrekking van informatie over het verbruik. Het is de bedoeling dat het nieuwe artikel 9 bis alleen geldt voor uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water.

(14)  In het kader van maatregelen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie "Een 'new deal' voor energieconsumenten", in de context van de energie-unie en de strategie betreffende verwarming en koeling, moeten de minimumrechten van de consumenten op accurate, betrouwbare, duidelijke en tijdige informatie over hun energieverbruik worden versterkt. Terwijl individuele meters vereist moeten blijven indien dit technisch haalbaar en kostenefficiënt is, omdat het in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, moeten de artikelen 9 t/m 11 en bijlage VII van Richtlijn 2012/27/EU dan ook worden gewijzigd om te zorgen voor frequente en betere feedback over energieverbruik, rekening houdend met de beschikbaarheid en de mogelijkheden van de meetapparatuur, met als doel het energiegebruik te optimaliseren. De lidstaten moeten ook rekening houden met het feit dat de succesvolle toepassing van nieuwe technologieën om het energieverbruik te meten grote investeringen in voorlichting en vaardigheden vergen, zowel voor gebruikers als voor leveranciers van energie. Voorts moet worden verduidelijkt dat de rechten in verband met facturering en facturerings- of verbruiksinformatie ook gelden voor verbruikers van uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water, ook al hebben zij geen rechtstreekse, individuele contractuele relatie met een energieleverancier. Met het oog op de toepassing van deze bepalingen moet het begrip "eindgebruiker", naast eindafnemers die verwarming/koeling/warm water kopen voor eigen eindgebruik, tevens bewoners van individuele wooneenheden in appartementengebouwen of multifunctionele gebouwen omvatten, wanneer de levering aan deze eenheden vanuit een centrale bron gebeurt en zij geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met de energieleverancier hebben. Het begrip "individuele bemetering" moet betrekking hebben op het meten van het verbruik in individuele eenheden van dergelijke gebouwen. Uiterlijk op 1 januari 2020 moeten nieuw geïnstalleerde warmtemeters en warmtekostenverdelers op afstand leesbaar zijn om te zorgen voor kostenefficiënte en frequente verstrekking van informatie over het verbruik. Het is de bedoeling dat het nieuwe artikel 9 bis alleen geldt voor uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water.

Amendement    33

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(14 bis)  Factureringsinformatie en jaarlijkse financiële overzichten zijn een belangrijk middel om afnemers te informeren. Gegevens over verbruik en kosten kunnen ook andere informatie bevatten die consumenten helpt hun huidige contract te vergelijken met dat van andere aanbieders en gebruik te maken van procedures voor klachtenafhandeling en geschillenbeslechting. Aangezien geschillen over rekeningen echter een zeer gebruikelijke bron van klachten van consumenten vormen, een factor die bijdraagt tot permanent lage niveaus van consumententevredenheid en betrokkenheid bij de energiesector, moeten rekeningen eenvoudiger, duidelijker en gemakkelijker te begrijpen zijn, en moet ervoor worden gezorgd dat de afzonderlijke instrumenten, zoals factureringsinformatie, informatietechnologieën en jaarlijkse overzichten, alle informatie bevatten die nodig is om consumenten in staat te stellen hun energieverbruik te reguleren, het aanbod te vergelijken en over te stappen op een andere leverancier.

Amendement    34

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(14 ter)  Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) die onder deze richtlijn vallen, zijn ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR en/of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt, overeenkomstig artikel 2, punt 1, van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie1 bis.

 

_______________

 

1 bis. Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen.

Motivering

Het begrip kmo's moet verduidelijkt worden aangezien er diverse interpretaties bestaan van de definitie van kmo's in artikel 8 van Richtlijn 2012/27/EU en dit tot grote administratieve rompslomp leidt.

Amendement    35

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(15 bis)  De bouw van gespreide energieopwekkingsinstallaties vermindert de transmissieverliezen en laat een vlotte aanpassing toe aan veranderingen in de vraag naar energie van de lokale verbruikers. Het rendement van warmtekrachtkoppelingscentrales ligt tussen 80 en 90 %. Warmtekrachtkoppelingsinstallaties met decentrale opwekking, in de buurt van dichtbevolkte gebieden en uitgerust met warmte-accumulatoren, kunnen zeer flexibel en efficiënt elektriciteit en warmte/koude opwekken, volgens de volgende formule:

 

 

waarbij: η = efficiëntie van de omzetting naar eindenergie,

 

Ep = niet-hernieuwbare primaire energie,

 

Eel = elektrische energie,

 

Qkog = thermische energie uit warmtekrachtkoppeling,

 

Qchłodz = koeling uit warmtekrachtkoppeling.

Motivering

Dit amendement vervangt amendement 24 van het ontwerpverslag.

Amendement    36

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(15 ter)  De verhoging van de energie-efficiëntie is een rechtstreeks gevolg van de volgende stappen bij de opwekking en omzetting van energie: efficiënte omzetting van primaire energie naar eindenergie, efficiënte transmissie van deze energie naar de verbruikers in de vorm van elektriciteit, warmte of brandstof, en zuinig gebruik ervan door de eindgebruikers; het besparingseffect op de consumentenmarkt mag niet worden beschouwd als het enige doel van deze efficiëntie, aangezien dit effect kan voortvloeien uit ongunstige energieprijzen.

Amendement    37

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(16)  Om recht te doen aan de technologische vooruitgang en het groeiende aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de sector elektriciteitsopwekking moet de standaardcoëfficiënt voor elektriciteitsbesparing in kWh opnieuw worden geëvalueerd, om rekening te houden met veranderingen in de primaire energiefactor voor elektriciteit (PEF). Berekeningen van de PEF voor elektriciteit worden gebaseerd op jaarlijkse gemiddelden. De boekhoudkundige methode op basis van de fysieke energie-inhoud wordt gebruikt voor opwekking van elektriciteit en warmte door middel van kernenergie, en de methode op basis van technische omzettingsefficiëntie voor de opwekking van elektriciteit en warmte uit fossiele brandstoffen en biomassa. De methode voor niet-brandbare vormen van hernieuwbare energie is het directe equivalent op basis van de totale primaire energie. Voor de berekening van het primaire energieaandeel voor elektriciteit uit WKK wordt de methode van bijlage II van Richtlijn 2012/27/EU toegepast. Er wordt gebruik gemaakt van een gemiddelde marktpositie in plaats van een marginale marktpositie. Het energieomzettingsrendement wordt geraamd op 100 % voor niet-brandbare hernieuwbare energiebronnen, 10 % voor geothermische centrales en 33 % voor kerncentrales. De totale efficiëntie van warmtekrachtkoppeling wordt berekend op basis van de meest recente gegevens van Eurostat. Wat systeemgrenzen betreft, bedraagt de PEF voor alle energiebronnen 1. De berekeningen zijn gebaseerd op de meest recente versie van het PRIMES-referentiescenario. De PEF is gebaseerd op de prognose voor 2020. De analyse heeft betrekking op de EU-lidstaten en Noorwegen. De gegevensreeks voor Noorwegen is gebaseerd op gegevens van het ENTSO-E.

(16)  Uitsluitend voor de doelstellingen van deze richtlijn en om recht te doen aan de technologische vooruitgang en het groeiende aandeel van hernieuwbare energiebronnen in de sector elektriciteitsopwekking, zou de coëfficiënt voor elektriciteitsbesparing in kWh zorgvuldig moeten worden geanalyseerd en eventueel worden herzien om rekening te houden met veranderingen in de primaire energiefactor voor elektriciteit (PEF), waarbij de energiemix van de betrokken lidstaat wordt weergegeven aan de hand van een vergelijkbare en transparante methode.

Amendement    38

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 bis)  Gezien het feit dat de Europese Raad in zijn conclusies van 10 juni 2011 over het energie-efficiëntieplan (10709/11) heeft benadrukt dat 40 % van de primaire energie in de Unie wordt gebruikt in gebouwen, wat neerkomt op 50 % van de eindenergie, en teneinde economische groei mogelijk te maken en de werkgelegenheid te bevorderen in sectoren waar specifieke kwalificaties vereist zijn, zoals de bouwsector en de sector vervaardiging van bouwmaterialen, alsook in sectoren als architectuur en stadsplanning en adviesdiensten op het gebied van verwarmings- en koeltechnologie, moeten de lidstaten een langetermijnstrategie op deze gebieden vaststellen voor de periode na 2020, door middelen vrij te maken voor grote investeringen in thermische renovatie van bestaande woningen en openbare gebouwen, en voor de bouw van BEN-gebouwen.

Motivering

Huisvesting heeft uit technisch oogpunt het meeste potentieel om de energie-efficiëntie te vergroten.

Amendement    39

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 16 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(16 ter)  De primaire-energiefactor (PEF) moet worden gebruikt als een instrument om het verbruik en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen en de energie-efficiëntie te verhogen, alsook om de hernieuwbare energiebronnen verder te ontwikkelen. In dit verband moet de standaardcoëfficiënt voor elektriciteitsbesparing in kWh worden aangepast wanneer technologische, economische of sociale ontwikkelingen aantonen dat een lagere standaardcoëfficiënt noodzakelijk is. De Commissie moet onderzoek verrichten en indien nodig een wetgevingsvoorstel indienen om de standaardcoëfficiënt van de primaire-energiefactor tegen 2024 te wijzigen.

Motivering

Technologische, sociale of economische ontwikkelingen kunnen nopen tot een aanpassing van de standaardcoëfficiënt. Aangezien deze ontwikkelingen elkaar in snel tempo opvolgen is het belangrijk dat de Commissie de standaardcoëfficiënt binnen een significante termijn opnieuw evalueert.

Amendement    40

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 17

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(17)  Om te garanderen dat de bijlagen bij de richtlijn en de in artikel 14, lid 10, vermelde geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden kunnen worden geactualiseerd, is het noodzakelijk de aan de Commissie verleende bevoegdheidsdelegatie te verlengen.

Schrappen

Motivering

Actualisering moet altijd worden overeengekomen met de lidstaten en het Europees Parlement.

Amendement    41

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(18)  Om de effectiviteit van Richtlijn 2012/27/EU te kunnen beoordelen, moet een eis tot algemene herziening van de richtlijn en tot indiening van een verslag aan het Europees Parlement en de Raad op uiterlijk 28 februari 2024 worden ingevoerd.

(18)  Om de effectiviteit van Richtlijn 2012/27/EU te kunnen beoordelen, moet een eis tot algemene herziening van de richtlijn en tot indiening van een verslag aan het Europees Parlement en de Raad op uiterlijk 28 februari 2024 worden ingevoerd. Deze datum valt na de algemene inventarisatie door het UNFCCC in 2023 en laat bijgevolg een afstemming op dit proces toe, waarbij ook rekening wordt gehouden met economische en innovatieve ontwikkelingen.

Amendement    42

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(19 bis)  Lidstaten met een bbp per hoofd van de bevolking dat lager is dan het gemiddelde in de Unie moeten het verbruik van primaire energie kunnen verhogen, op voorwaarde dat bij de omzetting ervan in eindenergie, de verdere transmissie en distributie en nuttige besparingen op de consumentenmarkt rekening wordt gehouden met een aanzienlijke toename van de energie-efficiëntie in elke fase van het technologisch proces dat erin bestaat de stroom vrijgegeven primaire energie te beheersen.

Motivering

De normen inzake het verbruik van nuttige energie moeten in alle lidstaten van de EU beter op elkaar worden afgestemd.

Amendement    43

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(19 ter)  De lokale en regionale autoriteiten moeten een leidende rol krijgen bij de ontwikkeling en het ontwerp, de uitvoering en de evaluatie van de in de richtlijn vastgelegde maatregelen, zodat zij op adequate wijze kunnen inspelen op de specifieke kenmerken van hun klimaat, cultuur en samenleving.

Motivering

In de resolutie van het Europees Parlement van februari 2016 wordt de nadruk gelegd op de rol van lokale en regionale autoriteiten bij de ontwikkeling van Europees beleid, bijvoorbeeld op het gebied van klimaatverandering, energiezekerheid en stedelijke groei, waarbij maatregelen gericht op energiebesparing en -efficiëntie alsook hernieuwbare energie van essentieel belang zijn. De betrokkenheid van de regio's op alle niveaus is nodig om de coördinatie en interactie te verbeteren, met name in landen waar sprake is van verregaande decentralisatie en overgedragen bevoegdheden.

Amendement    44

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 19 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(19 quater)  Gezien de ongelijke spreiding van de opwekkingscapaciteit in de Unie, kan de totale energie-efficiëntie worden verhoogd door eindenergie uit derde landen in te voeren; bijgevolg is er nood aan beleid van de Unie dat niet alleen de handel in primaire energie regelt, onder meer door de aanleg van olie- en gaspijpleidingen, maar ook de invoer van eindenergie in grensgebieden.

Motivering

De invoer van eindenergie, bijvoorbeeld uit aangrenzende derde landen, kan leiden tot een grotere energie-efficiëntie dan de invoer van energie uit verder afgelegen gebieden in de EU.

Amendement    45

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 1 – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Bij deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld met maatregelen voor de bevordering van energie-efficiëntie binnen de Unie, om ervoor te zorgen dat de Unie haar centraal streefcijfer inzake energie-efficiëntie van 20 % voor 2020 en haar bindend centraal streefcijfer van 30 % voor 2030 haalt; de richtlijn effent ook de weg voor verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie na deze data. De richtlijn stelt regels vast om belemmeringen op de energiemarkt weg te nemen en om markttekortkomingen te overwinnen die de efficiëntie in energievoorziening en -gebruik belemmeren en voorziet in de opstelling van indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfers en bijdragen voor 2020 en 2030.

1.  Bij deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld met maatregelen voor de bevordering van energie-efficiëntie binnen de Unie, waarbij het beginsel wordt toegepast van voorrang voor energie-efficiëntie in de hele energieketen, met inbegrip van opwekking, transmissie, distributie en eindgebruik van energie, om ervoor te zorgen dat de Unie haar centraal streefcijfer inzake energie-efficiëntie van 20 % voor 2020 en haar bindend centraal streefcijfer van 40 % voor 2030 haalt; de richtlijn effent ook de weg voor verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie na 2030, overeenkomstig de langetermijndoelstellingen van de Unie inzake energie en klimaat voor 2050 en de Overeenkomst van Parijs. De richtlijn stelt regels vast om belemmeringen op de energiemarkt weg te nemen en om markttekortkomingen te overwinnen die de efficiëntie in energievoorziening en -gebruik belemmeren en voorziet in de opstelling van indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfers voor 2020 en de bindende nationale energie-efficiëntiestreefcijfers voor 2030.

Amendement    46

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 1 – lid 1 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  Deze richtlijn helpt het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie" toepassen en zorgt ervoor dat energie-efficiëntie en vraagrespons onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met opwekkingscapaciteit. Telkens wanneer besluiten over de planning of financiering van energiesystemen worden genomen, moet rekening worden gehouden met energie-efficiëntie.

Amendement    47

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 1 – lid 1 ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 ter.  Om particuliere financiering voor energie-efficiëntiemaatregelen en energierenovaties aan te trekken, gaat de Commissie een dialoog aan met zowel openbare als particuliere financiële instellingen teneinde potentiële beleidsmechanismen in kaart te brengen. Gezien het enorme potentieel om in de bouwsector energie-efficiëntiewinst te boeken, zal met name moeten worden ingezet op investeringen in deze sector, met bijzondere aandacht voor woningen van mensen met een laag inkomen die het risico lopen in energiearmoede terecht te komen. Om investeringen in energie-efficiëntieprojecten financieel interessanter en haalbaarder te maken voor investeerders, overweegt de Commissie mogelijkheden om kleine projecten tot grotere te bundelen. De Commissie verschaft uiterlijk op 1 januari 2019 richtsnoeren aan de lidstaten over het aanboren van particuliere investeringen.

Amendement    48

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(1 bis)  In artikel 2 wordt het volgende punt ingevoegd:

 

'"1 bis.  "energieomzettingsketen", een technologisch proces dat begint met de afgifte van primaire energie en de transmissie ervan naar de markt in de vorm van eindenergie, waarbij deze door de verbruiker wordt omgezet in nuttige energie (arbeid);"

Motivering

Dit amendement vervangt amendement 39 van het ontwerpverslag en dient ter verduidelijking.

Amendement    49

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 ter (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 2 – alinea 1 – punt 3

 

Bestaande tekst

Amendement

 

(1 ter)   In artikel 2 wordt punt 3 vervangen door:

3. "eindenergieverbruik", alle aan de industrie, het vervoer, de huishoudens, de dienstensector en de landbouw geleverde energie. Leveringen aan de energieomzettingssector en de energiebedrijven zelf vallen hier niet onder;

"3.   "eindenergieverbruik": het verbruik van elektriciteit die aan de consumentenmarkt wordt geleverd en nodig is voor de industrie en de vervoersector, alsook energie die wordt geleverd aan huishoudens, de dienstensector en de landbouw; dit verbruik is afhankelijk van de totale hoeveelheid stroom die beschikbaar is voor dispatching, met inbegrip van het werkzaam en blindvermogen, bij de levering van deze energie;"

Motivering

De voor dispatching beschikbare stroom moet altijd groter zijn dan de vraag vanwege het ongelijke verbruik op de markt, teneinde een stroomuitval te voorkomen. Over het algemeen bedraagt deze 20 procent meer dan de vraag.

Amendement    50

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 quater (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 2 – alinea 1 – punt 9 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(1 quater)   In artikel 2 wordt het volgende punt ingevoegd:

 

"9 bis.   "gebouw van een overheidsinstantie", voor de toepassing van artikel 5, een gebouw dat eigendom is van en gebruikt wordt door de centrale overheid of een andere overheidsinstantie op nationaal, regionaal of lokaal niveau, met inbegrip van gebouwen die dienen als ziekenhuis, zorgvoorziening, onderwijsinstelling en sociale woning;"

Amendement    51

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 3 – leden 1, 2 en 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 3

Artikel 3

Energie-efficiëntiedoelstellingen

Energie-efficiëntiedoelstellingen

1.  Elke lidstaat stelt een indicatief nationaal energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2020 vast, op basis van primair of eindenergieverbruik, primaire of eindenergiebesparingen of energie-intensiteit. De lidstaten delen die streefcijfers mee aan de Commissie overeenkomstig artikel 24, lid 1, en bijlage XIV, deel 1. Daarbij drukken zij die streefcijfers ook uit als absoluut verbruiksniveau van primaire en eindenergie in 2020 en leggen zij uit hoe en op basis van welke gegevens dit is berekend.

1.  Elke lidstaat stelt een indicatief nationaal energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2020 vast, op basis van primair of eindenergieverbruik, primaire of eindenergiebesparingen of energie-intensiteit. De lidstaten delen die streefcijfers mee aan de Commissie overeenkomstig artikel 24, lid 1, en bijlage XIV, deel 1. Daarbij drukken zij die streefcijfers ook uit als absoluut verbruiksniveau van primaire en eindenergie in 2020 en leggen zij uit hoe en op basis van welke gegevens dit is berekend.

Bij het bepalen van deze streefcijfers zien de lidstaten er op toe dat:

Bij het bepalen van deze streefcijfers zien de lidstaten er op toe dat:

a)  het energieverbruik van de Unie in 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie mag bedragen;

a)  het energieverbruik van de Unie in 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie of niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie mag bedragen;

b)  rekening wordt gehouden met de in deze richtlijn vastgelegde maatregelen;

b)  rekening wordt gehouden met de in deze richtlijn vastgelegde maatregelen;

c)  rekening wordt gehouden met de maatregelen die zijn vastgesteld om de nationale energiebesparingsstreefcijfers te bereiken als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2006/32/EG; en

c)  rekening wordt gehouden met de maatregelen die zijn vastgesteld om de nationale energiebesparingsstreefcijfers te bereiken als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2006/32/EG; en

d)  rekening wordt gehouden met andere maatregelen om energie-efficiëntie binnen de lidstaten en op Unieniveau te bevorderen.

d)  rekening wordt gehouden met andere maatregelen om energie-efficiëntie binnen de lidstaten en op Unieniveau te bevorderen.

Bij het vaststellen van die streefcijfers kunnen de lidstaten ook rekening houden met nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden, zoals:

Bij het vaststellen van die streefcijfers kunnen de lidstaten ook rekening houden met nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden, zoals:

a)  het resterende kostenefficiënte energiebesparingspotentieel;

a)  het resterende kostenefficiënte energiebesparingspotentieel;

b)  de evolutie en prognoses van het BBP;

b)  de evolutie en prognoses van het bbp;

c)  de wijzigingen van energie-invoer en -uitvoer;

c)  de wijzigingen van energie-invoer en -uitvoer;

d)  de ontwikkeling van alle hernieuwbare energiebronnen, kernenergie, het afvangen en opslaan van kooldioxide; en

d)  de ontwikkeling van alle hernieuwbare energiebronnen, kernenergie, het afvangen en opslaan van kooldioxide; en

e)  vroegtijdige maatregelen.

e)  vroegtijdige maatregelen.

2.  Uiterlijk op 30 juni 2014 gaat de Commissie na of vooruitgang is geboekt en of het waarschijnlijk is dat de Unie tegen 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie zal verbruiken.

2.  Uiterlijk op 30 juni 2014 gaat de Commissie na of vooruitgang is geboekt en of het waarschijnlijk is dat de Unie tegen 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie en/of niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie zal verbruiken.

3.  Bij het uitvoeren van de in lid 2 bedoelde evaluatie zal de Commissie:

3.  Bij het uitvoeren van de in lid 2 bedoelde evaluatie zal de Commissie:

a)  de door de lidstaten meegedeelde nationale indicatieve energie-efficiëntiestreefcijfers samentellen;

a)  de door de lidstaten meegedeelde nationale indicatieve energie-efficiëntiestreefcijfers samentellen;

b)  nagaan of de som van die streefcijfers als een betrouwbaar richtsnoer kan worden beschouwd om te bepalen of de Unie in haar geheel op de goede weg is, rekening houdende met de evaluatie van het eerste jaarverslag overeenkomstig artikel 24, lid 1, en de evaluatie van de nationale actieplannen inzake energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 24, lid 2;

b)  nagaan of de som van die streefcijfers als een betrouwbaar richtsnoer kan worden beschouwd om te bepalen of de Unie in haar geheel op de goede weg is, rekening houdende met de evaluatie van het eerste jaarverslag overeenkomstig artikel 24, lid 1, en de evaluatie van de nationale actieplannen inzake energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 24, lid 2;

c)  rekening houden met aanvullende analyses die voortvloeien uit:

c)  rekening houden met aanvullende analyses die voortvloeien uit:

(i)  een beoordeling van de evolutie van het energieverbruik en het energieverbruik in verhouding tot de economische activiteit, op het niveau van de Unie, met inbegrip van de evolutie van de efficiëntie van de energievoorziening in lidstaten die hun nationale indicatieve streefcijfers hebben gebaseerd op eindenergieverbruik of eindenergiebesparingen, met inbegrip van de voorgang die het gevolg is van de naleving van hoofdstuk III van deze richtlijn door de lidstaten;

(i)  een beoordeling van de evolutie van het energieverbruik en het energieverbruik in verhouding tot de economische activiteit, op het niveau van de Unie, met inbegrip van de evolutie van de efficiëntie van de energievoorziening in lidstaten die hun nationale indicatieve streefcijfers hebben gebaseerd op eindenergieverbruik of eindenergiebesparingen, met inbegrip van de voortgang die het gevolg is van de naleving van hoofdstuk III van deze richtlijn door de lidstaten;

(ii)  resultaten van simulaties van toekomstige tendensen in het energieverbruik op het niveau van de Unie.

(ii)  resultaten van simulaties van toekomstige tendensen in het energieverbruik op het niveau van de Unie.

d)   de resultaten van de punten a), b) en c) vergelijken met het energieverbruik dat nodig zou zijn om tegen 2020 het primair energieverbruik tot hoogstens 1 483 Mtoe en het eindenergieverbruik tot hoogstens 1 086 Mtoe te beperken.

d)   de resultaten van de punten a), b) en c) vergelijken met het energieverbruik dat nodig zou zijn om tegen 2020 het primair energieverbruik tot hoogstens 1 483 Mtoe en/of het eindenergieverbruik tot hoogstens 1 086 Mtoe te beperken.

Amendement    52

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 3 – lid 4

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

4.  Elke lidstaat stelt indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdragen vast om de in artikel 1, lid 1, vermelde doelstelling van de Unie voor 2030 te bereiken, overeenkomstig de artikelen [4] en [6] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie]. Bij het vaststellen van die bijdragen houden de lidstaten er rekening mee dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie mag bedragen. De lidstaten delen deze bijdragen mee aan de Unie in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, overeenkomstig de procedure van artikel [3] en de artikelen [7] tot en met [11] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie]."

4.  Elke lidstaat stelt bindende nationale energie-efficiëntiestreefcijfers vast die cumulatief in overeenstemming zijn met de in artikel 1, lid 1, vermelde doelstelling van de Unie voor 2030, en overeenkomstig de artikelen [4] en [6] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie].

 

Bij het vaststellen van het niveau van hun streefcijfers houden de lidstaten er rekening mee dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 132 Mtoe primaire energie en niet meer dan 849 Mtoe eindenergie mag bedragen.

 

Teneinde de lidstaten voldoende flexibiliteit te bieden om te voldoen aan hun bindende nationale energie-efficiëntiestreefcijfers en tegelijkertijd de economie te ontwikkelen en de industriële productie en activiteit te vergroten, mogen zij hun streefcijfers vaststellen op basis van de energie-intensiteit, d.w.z. de verhouding tussen het energieverbruik en het bruto binnenlands product (bbp).

 

Bij de nationale energie-efficiëntiestreefcijfers wordt rekening gehouden met alle stadia van de energieketen, met inbegrip van opwekking, transmissie, distributie en eindgebruik.

 

De lidstaten delen deze streefcijfers mee aan de Commissie in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, overeenkomstig de procedure van artikel [3] en de artikelen [7] tot en met [11] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie].

Amendement    53

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 5

 

Bestaande tekst

Amendement

 

(2 bis)  Artikel 5 wordt vervangen door:

Artikel 5

"Artikel 5

Voorbeeldfunctie van de gebouwen van overheidsinstanties

Voorbeeldfunctie van de gebouwen van overheidsinstanties

1.  Onverminderd artikel 7 van Richtlijn 2010/31/EU zorgt elke lidstaat ervoor dat vanaf 1 januari 2014 jaarlijks 3 % van de totale vloeroppervlakte van verwarmde en/of gekoelde gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door hun centrale overheid, wordt gerenoveerd om aan de minimumeisen inzake energieprestaties te voldoen die de betrokken lidstaat op grond van artikel 4 van Richtlijn 2010/31/EU heeft vastgelegd.

1.  Onverminderd artikel 7 van Richtlijn 2010/31/EU zorgt elke lidstaat ervoor dat vanaf 1 januari 2014 jaarlijks 3 % van de totale vloeroppervlakte van verwarmde en/of gekoelde gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door hun centrale overheid, wordt gerenoveerd om aan de minimumeisen inzake energieprestaties te voldoen die de betrokken lidstaat op grond van artikel 4 van Richtlijn 2010/31/EU heeft vastgelegd. Vanaf 1 januari 2021 geldt dit lid voor alle verwarmde en/of gekoelde gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door overheidsinstanties, met inachtneming van hun respectieve bevoegdheden en administratieve organisatie.

Deze 3 % wordt berekend over de totale vloeroppervlakte van de gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2 die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid van de betrokken lidstaat en die op 1 januari van ieder jaar niet voldoen aan de nationale minimumeisen inzake energieprestaties, zoals vastgelegd op grond van artikel 4 van Richtlijn 2010/31/EU. Met ingang van 9 juli 2015 wordt deze drempel verlaagd tot 250 m2.

Deze 3 % wordt berekend over de totale vloeroppervlakte van de gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2 die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid van de betrokken lidstaat en die op 1 januari van ieder jaar niet voldoen aan de nationale minimumeisen inzake energieprestaties, zoals vastgelegd op grond van artikel 4 van Richtlijn 2010/31/EU. Met ingang van 9 juli 2015 wordt deze drempel verlaagd tot 250 m2, en geldt vanaf 1 januari 2021 voor gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door overheidsinstanties, met inachtneming van hun respectieve bevoegdheden en administratieve organisatie.

Indien een lidstaat voorschrijft dat de verplichting om jaarlijks 3 % van de totale vloeroppervlakte te renoveren ook geldt voor de vloeroppervlakte van gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door bestuursinstellingen op een lager niveau dan de centrale overheid, dan wordt die 3 % berekend over de totale vloeroppervlakte van de gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2, dan wel, met ingang van 9 juli 2015, van meer dan 250 m2, die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid en deze bestuursinstellingen van de betrokken lidstaat en die op 1 januari van ieder jaar niet voldoen aan de nationale minimumeisen inzake energieprestaties, zoals vastgelegd op grond van artikel 4 van Richtlijn 2010/31/EU.

 

Bij de uitvoering van de maatregelen voor de algehele renovatie van de gebouwen van de centrale overheid overeenkomstig de eerste alinea mogen de lidstaten ervoor kiezen het gebouw, inclusief bouwschil, apparatuur, exploitatie en onderhoud, als één geheel te zien.

Bij de uitvoering van de maatregelen voor de algehele renovatie van de gebouwen van overheidsinstanties overeenkomstig de eerste alinea mogen de lidstaten ervoor kiezen het gebouw, inclusief bouwschil, apparatuur, exploitatie en onderhoud, als één geheel te zien.

De lidstaten schrijven voor dat, ingeval het kosteneffectief en technisch uitvoerbaar is, de gebouwen van de centrale overheid met de slechtste energieprestaties voorrang krijgen bij de uitvoering van energie-efficiëntiemaatregelen.

De lidstaten schrijven voor dat, ingeval het kosteneffectief en technisch uitvoerbaar is, de gebouwen van overheidsinstanties met de slechtste energieprestaties voorrang krijgen bij de uitvoering van energie-efficiëntiemaatregelen.

2.  De lidstaten kunnen beslissen ten aanzien van de volgende categorieën gebouwen geen eisen in de zin van lid 1 vast te stellen of toe te passen:

2.  De lidstaten kunnen beslissen ten aanzien van de volgende categorieën gebouwen geen eisen in de zin van lid 1 vast te stellen of toe te passen:

a)   gebouwen die officieel beschermd zijn als onderdeel van een daartoe aangewezen omgeving, dan wel vanwege hun bijzondere architectonische of historische waarde, voor zover de toepassing van bepaalde minimumeisen inzake energieprestaties hun karakter of aanzicht op onaanvaardbare wijze zou veranderen;

a)   gebouwen die officieel beschermd zijn als onderdeel van een daartoe aangewezen omgeving, dan wel vanwege hun bijzondere architectonische of historische waarde, voor zover de toepassing van bepaalde minimumeisen inzake energieprestaties hun karakter of aanzicht op onaanvaardbare wijze zou veranderen;

b)   gebouwen die eigendom zijn van de strijdkrachten of de centrale overheid en nationale defensiedoeleinden dienen, uitgezonderd individuele woonruimten en kantoorgebouwen voor de strijdkrachten en ander personeel in dienst van de nationale defensieautoriteiten;

b)   gebouwen die eigendom zijn van de strijdkrachten of de centrale overheid en nationale defensiedoeleinden dienen, uitgezonderd individuele woonruimten en kantoorgebouwen voor de strijdkrachten en ander personeel in dienst van de nationale defensieautoriteiten;

c)   gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten.

c)   gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten.

3.  Indien een lidstaat in een bepaald jaar meer dan 3 % van de totale vloeroppervlakte van gebouwen van de centrale overheid renoveert, mag hij het teveel ten opzichte van het jaarlijkse renovatiepercentage meetellen in een van de drie voorgaande of volgende jaren.

3.  Indien een lidstaat in een bepaald jaar meer dan 3 % van de totale vloeroppervlakte van gebouwen van overheidsinstanties renoveert, mag hij het teveel ten opzichte van het jaarlijkse renovatiepercentage meetellen in een van de drie voorgaande of volgende jaren.

4.  De lidstaten mogen nieuwe gebouwen die gebruikt worden door en eigendom zijn van de centrale overheid ter vervanging van specifieke gebouwen van de centrale overheid die in de voorgaande twee jaren zijn gesloopt of gebouwen die in die twee jaren verkocht, gesloopt of buiten gebruik gesteld zijn ten gevolge van een intensiever gebruik van andere gebouwen, meetellen bij het jaarlijkse renovatiepercentage van de gebouwen van de centrale overheid.

4.  De lidstaten mogen nieuwe gebouwen die gebruikt worden door en eigendom zijn van overheidsinstanties ter vervanging van specifieke gebouwen van overheidsinstanties die in de voorgaande twee jaren zijn gesloopt of gebouwen die in die twee jaren verkocht, gesloopt of buiten gebruik gesteld zijn ten gevolge van een intensiever gebruik van andere gebouwen, meetellen bij het jaarlijkse renovatiepercentage van de gebouwen van overheidsinstanties.

5.  Voor de toepassing van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2013 een inventaris is opgesteld en publiek beschikbaar gesteld van de verwarmde en/of gekoelde gebouwen van de centrale overheid met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2, en dat per 9 juli 2015 een inventaris is opgesteld en bekendgemaakt van de gebouwen van de centrale overheid met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2, met uitzondering van de gebouwen die op basis van lid 2 zijn vrijgesteld. De inventaris dient de volgende gegevens te bevatten:

5.  Voor de toepassing van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2013 een inventaris is opgesteld en publiek beschikbaar gesteld van de verwarmde en/of gekoelde gebouwen van de centrale overheid met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2, en dat per 9 juli 2015 een inventaris is opgesteld en bekendgemaakt van de gebouwen van de centrale overheid met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2, met uitzondering van de gebouwen die op basis van lid 2 zijn vrijgesteld. De inventaris dient de volgende gegevens te bevatten:

a)   de vloeroppervlakte in m2, en

a)   de vloeroppervlakte in m2;

b)   de energieprestaties van elk gebouw of andere nuttige energiegegevens.

b)   de energieprestaties van elk gebouw;

 

b bis)   het werkelijke gemeten energieverbruik.

 

Vanaf 1 januari 2021 geldt dit lid voor alle verwarmde en/of gekoelde gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door overheidsinstanties.

6.  Onverminderd artikel 7 van Richtlijn 2010/31/EU, kunnen de lidstaten kiezen voor een alternatieve benadering van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel, waarbij zij andere kostenefficiënte maatregelen treffen, met inbegrip van grondige renovaties en maatregelen om een gedragsverandering bij de gebruikers van het gebouw teweeg te brengen, teneinde in 2020 in de in aanmerking komende gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid een energiebesparing te bereiken die ten minste gelijkwaardig is aan de in lid 1 vereiste, op jaarbasis gerapporteerde, besparing.

6.  Onverminderd artikel 7 van Richtlijn 2010/31/EU, kunnen de lidstaten kiezen voor een alternatieve benadering van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel, waarbij zij andere kostenefficiënte maatregelen treffen, met inbegrip van grondige renovaties en maatregelen om een gedragsverandering bij de gebruikers van het gebouw teweeg te brengen, teneinde in 2030 in de in aanmerking komende gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door overheidsinstanties een energiebesparing te bereiken die ten minste gelijkwaardig is aan de in lid 1 vereiste, op jaarbasis gerapporteerde, besparing.

Voor de alternatieve benadering kunnen de lidstaten de energiebesparingen waartoe de leden 1 tot en met 4 zouden leiden, ramen aan de hand van de geschikte standaardwaarden voor het energieverbruik van referentiegebouwen van de centrale overheid vóór en na renovatie, en op basis van de geschatte oppervlakte van hun gebouwenbestand. De categorieën waaruit de referentiegebouwen van de centrale overheid bestaan zijn representatief voor dit gebouwenbestand.

Voor de alternatieve benadering kunnen de lidstaten de energiebesparingen waartoe de leden 1 tot en met 4 zouden leiden, ramen aan de hand van de geschikte standaardwaarden voor het energieverbruik van referentiegebouwen van overheidsinstanties vóór en na renovatie, en op basis van de geschatte oppervlakte van hun gebouwenbestand. De categorieën waaruit de referentiegebouwen van overheidsinstanties bestaan zijn representatief voor dit gebouwenbestand.

De lidstaten die voor de alternatieve benadering kiezen, brengen de Commissie uiterlijk op 31 december 2013 op de hoogte van de alternatieve maatregelen die zij wensen te nemen, en maken inzichtelijk hoe zij een gelijkwaardige verbetering van de energieprestatie van de gebouwen die deel uitmaken van het gebouwenbestand van de centrale overheid, denken te gaan verwezenlijken.

De lidstaten die voor de alternatieve benadering kiezen, brengen de Commissie [uiterlijk 12 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] op de hoogte van de alternatieve maatregelen die zij wensen te nemen, en maken inzichtelijk hoe zij een gelijkwaardige verbetering van de energieprestatie van de gebouwen die deel uitmaken van het gebouwenbestand van overheidsinstanties, denken te gaan verwezenlijken.

7.  De lidstaten moedigen overheidsinstanties, ook op regionaal en lokaal niveau, en publiekrechtelijke socialehuisvestingmaatschappijen aan om, met inachtneming van hun respectieve bevoegdheden en administratieve organisatie,

7.  De lidstaten moedigen overheidsinstanties, ook op regionaal en lokaal niveau, en publiekrechtelijke socialehuisvestingmaatschappijen aan om, met inachtneming van hun respectieve bevoegdheden en administratieve organisatie,

a)   een energie-efficiëntieplan vast te stellen, dat op zichzelf staat of deel uitmaakt van een breder klimaat- of milieuplan, met specifieke doelstellingen en acties inzake energiebesparing en -efficiëntie, teneinde de in de leden 1, 5 en 6 omschreven voorbeeldfunctie van de gebouwen van de centrale overheid te volgen;

a)   een energie-efficiëntieplan en een renovatiestrategie op lange termijn voor elk gebouw vast te stellen, dat/die op zichzelf staat of deel uitmaakt van een breder klimaat- of milieuplan, met specifieke doelstellingen inzake energiebesparing en -efficiëntie alsook acties en beoordelingen inzake levenscycluskosten, teneinde de in de leden 1, 5 en 6 omschreven voorbeeldfunctie van de gebouwen van overheidsinstanties te volgen;

b)   een energiebeheersysteem in te voeren, inclusief energieaudits, als onderdeel van de uitvoering van hun plan;

b)   een energiebeheersysteem in te voeren, inclusief energieaudits, als onderdeel van de uitvoering van hun plan;

c)   waar passend, energiedienstenbedrijven en energieprestatiecontracten te gebruiken om renovaties te financieren en plannen uit te voeren voor het handhaven of verbeteren van energie-efficiëntie op de lange termijn.

c)   waar passend, energiedienstenbedrijven en energieprestatiecontracten te gebruiken om renovaties te financieren en plannen uit te voeren voor het handhaven of verbeteren van energie-efficiëntie op de lange termijn.

 

7 bis.  De lidstaten rapporteren over de jaarlijkse energiebesparingen als gevolg van de renovaties, inclusief het aandeel van de ingrijpende renovaties, en over de totale gerenoveerde vloeroppervlakte, overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie]."

Amendement    54

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 7

Artikel 7

Verplichting tot energiebesparing

Verplichting tot energiebesparing

1.  De lidstaten moeten een cumulatieve besparing op het eindenergieverbruik bereiken die minstens gelijk is aan:

1.  De lidstaten moeten een cumulatieve besparing op het eindenergieverbruik bereiken die minstens gelijk is aan:

a)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2014 en 31 december 2020 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2013;

a)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2014 en 31 december 2020 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2013;

b)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2021 en 31 december 2030 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2019;

b)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2021 en 31 december 2030 minstens 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2019;

De lidstaten moeten gedurende tien jaar na 2030 nieuwe jaarlijkse besparingen van 1,5 % per jaar blijven behalen, tenzij de Commissie in haar evaluatie van 2027 en om de tien jaar daarna tot de conclusie komt dat dit niet nodig is om de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2050 te halen.

De lidstaten moeten gedurende tien jaar na 2030 nieuwe jaarlijkse besparingen van 1,5 % per jaar blijven behalen, tenzij de Commissie in haar evaluatie van 2027 en om de tien jaar daarna tot de conclusie komt dat dit niet nodig is om de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2050 te halen.

 

De besparingen in elke periode bouwen cumulatief voort op de besparingen die in de voorgaande periode(n) moesten worden gerealiseerd. Indien eerdere beleidsmaatregelen, programma's en/of individuele acties niet langer besparingen opleveren, wordt het verlies van deze besparingen in aanmerking genomen bij de berekening van de totale besparing die aan het einde van elke periode moet worden gerealiseerd, en wordt het verlies vervangen door nieuwe besparingen.

Voor de toepassing van het bepaalde onder b), en onverminderd leden 2 en 3, mogen de lidstaten alleen die energiebesparingen meetellen die voortvloeien uit nieuwe beleidsmaatregelen die na 31 december 2020 zijn ingevoerd of beleidsmaatregelen die tijdens de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 zijn ingevoerd, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat die maatregelen resulteren in individuele acties die worden ondernomen na 31 december 2020 en een besparing opleveren.

De vereiste besparingen voor de onder b) bedoelde periode zijn cumulatief en komen bovenop de vereiste besparingen voor de onder a) bedoelde periode. Hiertoe, en onverminderd leden 2 en 3, mogen de lidstaten energiebesparingen meetellen die voortvloeien uit nieuwe beleidsmaatregelen die na 31 december 2020 zijn ingevoerd of daarvóór, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat die maatregelen resulteren in nieuwe individuele acties die worden ondernomen na 31 december 2020 en een nieuwe besparing opleveren. De lidstaten mogen ook besparingen meetellen van individuele acties die worden ondernomen tussen 1 januari 2014 en 31 december 2020, op voorwaarde dat deze verifieerbare energiebesparingen na 2020 blijven opleveren.

De verkoop van energie, per volume, die gebruikt wordt voor vervoer, mag geheel of gedeeltelijk buiten de berekening blijven.

Enkel voor de toepassing van de onder a) bedoelde periode mag de verkoop van energie, per volume, die gebruikt wordt voor vervoer, geheel of gedeeltelijk buiten de berekening blijven. De verkoop van energie die gebruikt wordt voor vervoer wordt volledig meegeteld bij de berekeningen voor de onder b) bedoelde periode en daarna.

De lidstaten mogen beslissen hoe de berekende hoeveelheid nieuwe besparingen wordt gespreid over elke onder a) en b) vermelde periode, op voorwaarde dat de vereiste totale cumulatieve besparingen aan het einde van elke periode worden bereikt.

De lidstaten mogen beslissen hoe de berekende hoeveelheid nieuwe besparingen wordt gespreid over elke onder a) en b) vermelde periode, op voorwaarde dat de vereiste totale cumulatieve besparingen aan het einde van elke periode worden bereikt.

2.  Onverminderd lid 3, kan elke lidstaat:

2.  Onverminderd lid 3, kan elke lidstaat:

a)  de bij lid 1, onder a), voorgeschreven berekening uitvoeren met waarden van 1 % in 2014 en 2015; 1,25 % in 2016 en 2017; en 1,5 % in 2018, 2019 en 2020;

a)  de bij lid 1, onder a), voorgeschreven berekening uitvoeren met waarden van 1 % in 2014 en 2015; 1,25 % in 2016 en 2017; en 1,5 % in 2018, 2019 en 2020;

b)  de verkoop, per volume, van de energie die gebruikt wordt in de industriële activiteiten die in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG zijn vermeld, geheel of gedeeltelijk buiten de berekening houden;

b)  de verkoop, per volume, van de energie die gebruikt wordt in de industriële activiteiten die in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG zijn vermeld, geheel of gedeeltelijk buiten de berekening houden;

c)  toestaan dat energiebesparingen die gerealiseerd zijn in de sectoren omzetting, distributie en transmissie van energie, met inbegrip van infrastructuur voor efficiënte stadsverwarming en -koeling, en die voortvloeien uit de naleving van de voorschriften van artikel 14, lid 4, artikel 14, lid 5, onder b), en artikel 15, leden 1 tot en met 6 en lid 9, worden meegenomen bij de berekening van de energiebesparingen die vereist zijn uit hoofde van lid 1;

c)  toestaan dat energiebesparingen die gerealiseerd zijn in de sectoren omzetting, distributie en transmissie van energie, met inbegrip van infrastructuur voor efficiënte stadsverwarming en -koeling, en die voortvloeien uit de naleving van de voorschriften van artikel 14, lid 4, artikel 14, lid 5, onder b), en artikel 15, leden 1 tot en met 6 en lid 9, worden meegenomen bij de berekening van de energiebesparingen die vereist zijn uit hoofde van lid 1, onder a) en b);

d)  besparingen die voortvloeien uit afzonderlijke maatregelen die voor het eerst zijn uitgevoerd na 31 december 2008 en die in 2020 en daarna nog steeds een effect hebben, en die meetbaar en verifieerbaar zijn, meenemen bij de berekening van de in lid 1 vermelde energiebesparingen; en

d)  besparingen die voortvloeien uit afzonderlijke maatregelen die voor het eerst zijn uitgevoerd na 31 december 2008 en die in 2020 nog steeds een effect hebben, en die meetbaar en verifieerbaar zijn, meenemen bij de berekening van de in lid 1, onder a), vermelde energiebesparingen; en

e)  de verifieerbare hoeveelheid energie die op of in gebouwen wordt opgewekt voor eigen gebruik als gevolg van beleidsmaatregelen ter bevordering van nieuwe installaties van hernieuwbare energietechnologieën, uitsluiten van de berekening van de in lid 1 vermelde energiebesparingseis.

 

3.  Alle overeenkomstig lid 2 gekozen opties mogen samen niet meer bedragen dan 25 % van de in lid 1 vermelde energiebesparingen. De lidstaten berekenen het effect van de gekozen opties voor de in lid 1, onder a) en b), vermelde perioden afzonderlijk en passen dit toe:

3.  Alle overeenkomstig lid 2 gekozen opties mogen samen niet meer bedragen dan 25 % van de in lid 1 vermelde energiebesparingen. De lidstaten berekenen het effect van de gekozen opties voor de in lid 1, onder a) en b), vermelde perioden afzonderlijk en passen dit toe:

a)   voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder a), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder a), b), c) en d);

a)   voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder a), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder a), b), c) en d);

b)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder b), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder b), c), d) en e), mits individuele acties in de zin van punt d) een verifieerbaar en meetbaar effect blijven hebben na 31 december 2020.

b)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder b), vermelde periode kunnen de lidstaten enkel gebruikmaken van lid 2, onder c).

4.  Energiebesparingen die na 31 december 2020 zijn gerealiseerd, mogen niet worden meegenomen bij de berekening van de cumulatieve besparingen die vereist zijn voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

4.  Energiebesparingen die na 31 december 2020 zijn gerealiseerd, mogen niet worden meegenomen bij de berekening van de cumulatieve besparingen die vereist zijn voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

5.  De lidstaten zien erop toe dat de besparingen die voortvloeien uit de in de artikelen 7 bis en 7 ter en artikel 20, lid 6, bedoelde beleidsmaatregelen worden berekend overeenkomstig bijlage V.

5.  De lidstaten zien erop toe dat de besparingen die voortvloeien uit de in de artikelen 7 bis en 7 ter en artikel 20, lid 6, bedoelde beleidsmaatregelen worden berekend overeenkomstig bijlage V.

6.  De lidstaten verwezenlijken de uit hoofde van lid 1 vereiste besparingen door een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 7 bis vast te stellen of door alternatieve beleidsmaatregelen, zoals bedoeld in artikel 7 ter, vast te stellen. De lidstaten mogen een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie combineren met alternatieve beleidsmaatregelen.

6.  De lidstaten verwezenlijken de uit hoofde van lid 1 vereiste besparingen door een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie als bedoeld in artikel 7 bis vast te stellen of door alternatieve beleidsmaatregelen, zoals bedoeld in artikel 7 ter, vast te stellen. De lidstaten mogen een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie combineren met alternatieve beleidsmaatregelen.

7.  De lidstaten zien erop toe dat energiebesparingen niet dubbel worden geteld wanneer beleidsmaatregelen of afzonderlijke acties een overlappende werking hebben.";

7.  De lidstaten zien erop toe dat energiebesparingen niet dubbel worden geteld wanneer beleidsmaatregelen of afzonderlijke acties een overlappende werking hebben.";

Amendement    55

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 bis – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Wanneer lidstaten beslissen hun verplichting om de bij artikel 7, lid 1, vereiste besparing te verwezenlijken, na te komen aan de hand van een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie, zien zij erop toe dat de in lid 2 bedoelde, aan verplichtingen gebonden partijen die actief zijn op het grondgebied van elke lidstaat, de in artikel 7, lid 1, uiteengezette cumulatieve eindenergiebesparing bereiken, onverminderd artikel 7, lid 2.

1.  Wanneer lidstaten beslissen hun verplichting om de bij artikel 7, lid 1, vereiste besparing te verwezenlijken, na te komen aan de hand van een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie, zien zij erop toe dat de in lid 2 bedoelde, aan verplichtingen gebonden partijen die actief zijn op het grondgebied van elke lidstaat, de in artikel 7, lid 1, uiteengezette cumulatieve eindenergiebesparing bereiken, onverminderd artikel 7, lid 2, of staan zij toe dat de aan verplichtingen gebonden partijen jaarlijkse bijdragen storten in het nationaal fonds voor energie-efficiëntie, overeenkomstig artikel 20, lid 6.

Amendement    56

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 bis – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria wijzen de lidstaten aan verplichtingen gebonden partijen aan onder de energiedistributeurs en/of detailhandelaars in energie die op hun grondgebied actief zijn; daaronder kunnen begrepen zijn distributeurs en detailhandelaars van vervoersbrandstof die op hun grondgebied actief zijn. De energiebesparing die nodig is om aan de verplichting te voldoen, wordt door de aan verplichtingen gebonden partijen gerealiseerd onder de eindafnemers, die door de lidstaat, onafhankelijk van de in artikel 7, lid 1, bedoelde berekening, zijn aangewezen, of, indien de lidstaten hiertoe besluiten, door middel van gecertificeerde besparingen afkomstig van andere partijen, als omschreven in lid 5, onder b).

2.  Op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria wijzen de lidstaten aan verplichtingen gebonden partijen aan onder de energiedistributeurs, detailhandelaars in energie en distributeurs of detailhandelaars van vervoersbrandstof die op hun grondgebied actief zijn. De energiebesparing die nodig is om aan de verplichting te voldoen, wordt door de aan verplichtingen gebonden partijen gerealiseerd onder de eindafnemers, die door de lidstaat, onafhankelijk van de in artikel 7, lid 1, bedoelde berekening, zijn aangewezen, of, indien de lidstaten hiertoe besluiten, door middel van gecertificeerde besparingen afkomstig van andere partijen, als omschreven in lid 5, onder b).

Amendement    57

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 bis – lid 2 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

2 bis.  Indien detailhandelaars in energie worden aangewezen als aan verplichtingen gebonden partijen overeenkomstig lid 2, zien de lidstaten erop toe dat deze handelaars bij de naleving van hun verplichtingen geen barrières opwerpen voor consumenten om van de ene leverancier naar de andere over te stappen.

Motivering

Het recht van consumenten om eenvoudig over te schakelen van de ene op de andere leverancier is cruciaal voor het behoud van een zeer concurrerende leveranciersmarkt met lagere prijzen voor consumenten. Dit kan in gevaar worden gebracht door de verkoop van "bundels", die de consument gedurende een langere periode aan een bepaalde leverancier binden. Het verplichten van energieaanbieders om energiebesparingscertificaten te kopen van derden, kan een alternatieve manier zijn om de mogelijkheden voor overschakeling te behouden.

Amendement    58

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 bis – lid 5 – letter a

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  nemen de lidstaten eisen met een sociale doelstelling op in de besparingsverplichtingen die zij opleggen, waaronder de eis om een gedeelte van de energie-efficiëntiemaatregelen bij voorrang uit te voeren in huishoudens die met energiearmoede kampen, en in sociale woningen;

a)  nemen de lidstaten eisen met een sociale doelstelling op in de besparingsverplichtingen die zij opleggen, waaronder de eis om de energie-efficiëntiemaatregelen bij voorrang uit te voeren in huishoudens met een laag inkomen, met inbegrip van deze die met energiearmoede kampen, en in sociale woningen; De lidstaten berekenen de gerealiseerde besparingen in deze huishoudens ten opzichte van de totale gerealiseerde besparingen in alle huishoudens uit hoofde van dit artikel. Deze besparingen worden gepubliceerd overeenkomstig lid 6 van dit artikel en worden opgenomen in de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen inzake energie en klimaat overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie].

Amendement    59

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 bis – lid 5 – letter b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  mogen de lidstaten de aan verplichtingen gebonden partijen toestaan de gecertificeerde energiebesparingen die zijn behaald door leveranciers van energiediensten of andere derde partijen, mee te laten tellen voor hun verplichting, onder meer ingeval de aan verplichtingen gebonden partijen via andere officieel goedgekeurde instanties of overheidsinstanties maatregelen propageren die al dan niet formele partnerschappen kunnen inhouden en gecombineerd kunnen worden met andere financieringsbronnen. Wanneer lidstaten zulks toestaan, zien zij erop toe dat er een goedkeuringsprocedure van kracht is die helder en transparant is, openstaat voor alle marktdeelnemers en de certificatiekosten zo laag mogelijk probeert te houden;

b)  mogen de lidstaten de aan verplichtingen gebonden partijen toestaan de gecertificeerde energiebesparingen die zijn behaald door leveranciers van energiediensten of andere derde partijen, mee te laten tellen voor hun verplichting, onder meer ingeval de aan verplichtingen gebonden partijen via andere officieel goedgekeurde instanties of overheidsinstanties maatregelen propageren die al dan niet formele partnerschappen kunnen inhouden en gecombineerd kunnen worden met andere financieringsbronnen. Wanneer lidstaten zulks toestaan, zien zij erop toe dat er een geaccrediteerde goedkeuringsprocedure van kracht is die helder, transparant en participatief is, openstaat voor alle marktdeelnemers en de certificatiekosten zo laag mogelijk probeert te houden;

Amendement    60

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 bis – lid 5 – letter c bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c bis)  mogen de lidstaten toestaan dat aanvullende besparingen die worden bereikt door duurzamere technologieën op het gebied van stadsverwarmings- en -koelingssystemen in stedelijke gebieden (die eveneens leiden tot een reductie van de vervuilende stoffen en deeltjes) worden meegerekend voor de hoeveelheid energiebesparingen die vereist zijn uit hoofde van lid 1;

Amendement    61

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 bis – lid 5 – letter c ter (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c ter)  mogen de lidstaten de goedkeuring bevorderen van maatregelen die gericht zijn op het verwarmings- en koelingspotentieel voor energiebesparingen, met als uiteindelijke doel aanvullende beloningen te bieden voor maatregelen die resulteren in minder vervuiling;

Amendement    62

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 bis – lid 5 – letter c quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c quater)  mogen de lidstaten instrumenten invoeren die energiebesparingen certificeren uit energiecontroles of vergelijkbare energiebeheersystemen zoals genoemd in artikel 8, met als doel deze besparingen mee te rekenen in de hoeveelheid energiebesparingen die vereist is uit hoofde van lid 1;

Amendement    63

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 bis – lid 5 – letter c quinquies (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c quinquies)  mogen de lidstaten de aan verplichtingen gebonden partijen toestaan hun verplichting mee te rekenen voor de energiebesparingen op het eindgebruik die zijn bereikt op het gebied van efficiënte infrastructuur voor verwarming en koeling;

Amendement    64

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 bis – lid 5 – letter c sexies (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c sexies)  zorgen de lidstaten ervoor dat de aan verplichtingen gebonden partijen, die geen energie leveren aan particuliere huishoudens, geen energie-efficiëntiemaatregelen moeten doorvoeren in particuliere huishoudens;

Motivering

Veel aan verplichtingen gebonden bedrijven leveren geen energie aan particuliere huishoudens. Het is voor deze partijen dan ook onmogelijk maatregelen door te voeren in particuliere huishoudens.

Amendement    65

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 bis – lid 5 – letter c septies (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

c septies)  beoordelen de lidstaten het effect van de directe en indirecte kosten van deze regelingen op het concurrentievermogen van energie-intensieve industrieën die blootstaan aan internationale concurrentie, en nemen zij maatregelen om dit effect te minimaliseren.

Motivering

Energie-intensieve industrieën zijn onderworpen aan tal van verplichtingen (d.w.z. de ETS-richtlijn enz.). Deze bedrijven zijn vaak blootgesteld aan internationale concurrentie en moeten daarom worden beschermd tegen het CO2-weglekeffect.

Amendement    66

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 bis – lid 6 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

6 bis.  In het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen informeren de lidstaten de Commissie over de door hen beoogde beleidsmaatregelen overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder c). Het effect van deze maatregelen wordt in deze plannen berekend en verwerkt. De door de lidstaten gehanteerde berekening wordt gebaseerd op objectieve, niet-discriminerende criteria, die uiterlijk 1 januari 2019 in samenspraak met de Commissie worden opgesteld.

Amendement    67

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 ter – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Wanneer de lidstaten besluiten hun verplichtingen om de bij artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing door middel van alternatieve beleidsmaatregelen te verwezenlijken, zorgen zij ervoor dat de krachtens artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing wordt gerealiseerd onder de eindafnemers.

1.  Wanneer de lidstaten besluiten hun verplichtingen om de bij artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing door middel van alternatieve beleidsmaatregelen te verwezenlijken, zorgen zij ervoor dat de krachtens artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing volledig wordt gerealiseerd onder de eindafnemers.

Amendement    68

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 ter – lid 1 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

1 bis.  Daarnaast komen alle mogelijkheden om de energie-efficiëntie te vergroten, met inbegrip van beter presterende brandstof in het vervoer, in aanmerking voor het vereiste voor de cumulatieve besparingen op het energie-eindverbruik zoals opgenomen in artikel 7, lid 1.

Motivering

De meerwaarde van efficiënte en schone mengproducten van brandstoffen in het decarboniseren van vervoer; mengproducten van brandstoffen in het vervoer kunnen worden meegerekend voor de doelstelling voor energie-efficiëntie.

Amendement    69

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 ter – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Bij het plannen van alternatieve beleidsmaatregelen om energie te besparen, houden de lidstaten rekening met de gevolgen voor huishoudens die met energiearmoede kampen.

2.  Bij het plannen van alternatieve beleidsmaatregelen om energie te besparen, houden de lidstaten rekening met de gevolgen voor huishoudens met een laag inkomen, met inbegrip van deze die met energiearmoede kampen, en zorgen ze ervoor dat deze maatregelen bij voorrang worden uitgevoerd in deze huishoudens en in sociale woningen.

 

De lidstaten berekenen de gerealiseerde besparingen in deze huishoudens ten opzichte van de totale gerealiseerde besparingen in alle huishoudens uit hoofde van dit artikel.

 

Deze besparingen worden gepubliceerd en opgenomen in de geïntegreerde nationale voortgangsverslagen inzake energie en klimaat overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie].

Amendement    70

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 quater (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(4 bis) Het volgende artikel wordt ingevoegd:

 

"Artikel 7 quater

 

Verlening van energie-efficiëntiediensten

 

De Commissie moet in nauwe samenwerking met de lidstaten garanderen dat de verlening van diensten op het gebied van energie-efficiëntie plaatsvindt in een concurrentiegericht en transparant kader, zodat wanneer energie-efficiëntiediensten worden verleend de eindverbruiker van de laagste kosten voor de beste kwaliteit kan genieten. Daartoe garanderen de lidstaten aan de verschillende ondernemers, en in het bijzonder aan kmo's, non-discriminatoire toegang tot de markt van de energie-efficiëntiediensten, waarbij de deelname onder gelijke voorwaarden voor de verticaal geïntegreerde ondernemers wordt bevorderd en de concurrentievoordelen van ondernemers in de distributie en de verkoop van energie worden tenietgedaan. De lidstaten stellen met het oog daarop alle benodigde wetgevingshandelingen vast, zodat de geïntegreerde ondernemers aan derden dezelfde voorwaarden en dezelfde instrumenten ter beschikking stellen die zij gebruiken om energie-efficiëntiediensten te verlenen."

Amendement    71

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 9 – lid 1 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van aardgas, voor zover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is en voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over het werkelijke tijdstip van het verbruik.

De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van aardgas, voor zover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is en voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, voor wat betreft de geselecteerde technologie en functionaliteit tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters en verwarmingsbedieningssystemen die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over het werkelijke tijdstip van het verbruik en overige functies, zoals van toepassing overeenkomstig de bepalingen inzake elektriciteitsmeting in de artikelen 19 tot en met 22 van Richtlijn (EU) .../... [betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking)].

Motivering

Het meten van zowel elektriciteit als gas vergroot het bewustzijn bij de klant over het feitelijk verbruiksniveau en kan aldus gedragswijzigingen in de hand werken in de richting van meer energie-efficiëntie en -besparingen.

Amendement    72

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter c – punt ii bis (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 9 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

Het slimme meetsysteem biedt de eindconsument toegang tot diens eindverbruikgegevens en de tijdreeksen voor de afrekeningstermijnen van de markt.

Amendement    73

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter d

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 9 – lid 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  lid 3 wordt geschrapt;

d)  lid 3 wordt vervangen door:

 

"3.  Ten aanzien van het gegevensformaat en de functionaliteit worden de bepalingen waar van toepassing afgestemd met de artikelen 18 t/m 21 van de richtlijn betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit (herschikking). Consumentengegevens worden behandeld overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 (algemene verordening gegevensbescherming). Er worden aan eindafnemers geen kosten in rekening gebracht voor toegang tot hun gegevens in een voor hen nuttig formaat."

Motivering

Overeenkomstig de bepalingen voor meting van elektriciteit, moeten consumenten de eigenaars blijven van hun persoonlijke gegevens. De gegevens moeten worden geharmoniseerd en moeten beschikbaar zijn voor alle marktdeelnemers indien de consument deze wil delen, om zo te zorgen voor een concurrerende eindgebruikersmarkt.

Amendement    74

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 6

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 9 bis

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 9 bis

Artikel 9 bis

Meting, individuele bemetering en warmtekostenverdeling voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden

Meting, individuele bemetering en warmtekostenverdeling voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven.

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven.

Ingeval de verwarming en koeling of warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient of door een netwerk voor stadsverwarming of -koeling, wordt altijd een warmtemeter of een warmwatermeter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt.

Ingeval de verwarming, koeling of warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient of door een netwerk voor stadsverwarming of -koeling, wordt een meter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt.

2.  In appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die over een centrale verwarmings- of koelingsbron beschikken of die zijn aangesloten op een systeem voor stadsverwarming of -koeling, worden individuele meters geïnstalleerd om het warmte- of koelingsverbruik of warmwaterverbruik voor iedere eenheid van het gebouw te meten.

2.  In appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die over een centrale verwarmings- of koelingsbron beschikken of die zijn aangesloten op een systeem voor stadsverwarming of -koeling, worden individuele meters geïnstalleerd om het warmte- of koelingsverbruik of warmwaterverbruik voor iedere eenheid van het gebouw te meten, indien dit technisch haalbaar en kostenefficiënt is, omdat het in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen.

Als het gebruik van individuele meters technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is om het warmte- of koelingsverbruik in elke eenheid van het gebouw te meten, worden individuele warmtekostenverdelers gebruikt om het warmteverbruik van elke radiator te meten, tenzij de desbetreffende lidstaat aantoont dat de installatie van dergelijke warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is. In die gevallen kunnen alternatieve kostenefficiënte methoden voor de meting van het warmteverbruik worden overwogen. De voorwaarden van technische onhaalbaarheid en niet-kosteneffectiviteit worden door elke lidstaat duidelijk vastgesteld en gepubliceerd.

Als het gebruik van individuele meters technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is om het warmte- of koelingsverbruik in elke eenheid van het gebouw te meten, worden individuele warmtekostenverdelers gebruikt om het warmteverbruik van elke radiator te meten, tenzij de desbetreffende lidstaat aantoont dat de installatie van dergelijke warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is. In die gevallen kunnen alternatieve kostenefficiënte methoden voor de meting van het warmteverbruik worden overwogen. Na overleg met de Commissie worden de algemene criteria, methoden en/of procedures ter bepaling van technische onhaalbaarheid en niet-kosteneffectiviteit door elke lidstaat duidelijk vastgesteld en gepubliceerd.

In nieuwe gebouwen als bedoeld in de eerste alinea, of wanneer een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd, zoals bepaald in Richtlijn 2010/31/EU, worden altijd individuele meters geïnstalleerd.

Indien nieuwe appartementengebouwen en het residentiële gedeelte van nieuwe multifunctionele gebouwen beschikken over een centrale verwarmingsbron voor warm water of op stadsverwarming zijn aangesloten, wordt, niettegenstaande leden 1 en 2, voorzien in individuele meters voor warm water.

3.  In het geval van appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die zijn aangesloten op stadsverwarming of -koeling of waar een eigen gemeenschappelijk verwarmings- of koelingssysteem voor dergelijke gebouwen gangbaar is, voeren de lidstaten, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, transparante regels in voor de verdeling van de kosten van verwarming, koeling en warmwaterverbruik in dergelijke gebouwen, zoals:

3.  In het geval van appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die zijn aangesloten op stadsverwarming of -koeling of waar een eigen gemeenschappelijk verwarmings- of koelingssysteem voor dergelijke gebouwen gangbaar is, voeren de lidstaten, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, transparante regels in voor de verdeling van de kosten van verwarming, koeling en warmwaterverbruik in dergelijke gebouwen, zoals:

a)   warm water voor huishoudelijk gebruik;

a)   warm water voor huishoudelijk gebruik;

b)   warmte uit de installatie van het gebouw voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten (wanneer trappenhuizen en gangen voorzien zijn van radiatoren);

b)   warmte uit de installatie van het gebouw voor de verwarming van de gemeenschappelijke ruimten (wanneer trappenhuizen en gangen voorzien zijn van radiatoren);

c)   voor het verwarmen of koelen van appartementen.

c)   voor het verwarmen of koelen van appartementen.

4.  Met het oog op de toepassing van dit artikel moeten meters en kostenverdelers die met ingang van 1 januari 2020 worden geïnstalleerd, op afstand leesbaar zijn.

4.  Met het oog op de toepassing van dit artikel moeten nieuwe meters en warmtekostenverdelers die met ingang van 1 januari 2020 worden geïnstalleerd, op afstand leesbaar zijn. De voorwaarden betreffende technische haalbaarheid en kosteneffectiviteit zoals bedoeld in de eerste en tweede alinea van lid 2 blijven van toepassing.

Meters en kostenverdelers die al zijn geïnstalleerd maar nog niet op afstand kunnen worden gelezen, worden uiterlijk op 1 januari 2027 met deze mogelijkheid uitgerust of vervangen, tenzij de lidstaat in kwestie aantoont dat dit niet kostenefficiënt is.

Meters en warmtekostenverdelers die al zijn geïnstalleerd maar nog niet op afstand kunnen worden gelezen, worden uiterlijk op 1 januari 2027 met deze mogelijkheid uitgerust of vervangen, tenzij de lidstaat in kwestie aantoont dat dit niet kostenefficiënt is.

Amendement    75

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 10 – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  In de gevallen waarin de eindgebruiker niet beschikt over een slimme meter als bedoeld in Richtlijn 2009/73/EG, zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2014 de factureringsinformatie nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik, overeenkomstig punt 1.1 van bijlage VII, voor gas, mits zulks technisch mogelijk en economisch verantwoord is.

1.  In de gevallen waarin de eindgebruiker niet beschikt over een slimme meter als bedoeld in Richtlijn 2009/73/EG, zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2014 de factureringsinformatie betrouwbaar en nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik, overeenkomstig punt 1.1 van bijlage VII, voor gas, mits zulks technisch mogelijk en economisch verantwoord is.

Amendement    76

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter c

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 10 – lid 2 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Meters die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met Richtlijn 2009/73/EG maken accurate factureringsinformatie op basis van het werkelijke verbruik mogelijk. De lidstaten zorgen ervoor dat de eindafnemer gemakkelijk toegang krijgt tot aanvullende informatie over het verbruiksverleden, aan de hand waarvan hij zelf tot controle kan overgaan.

Meters die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met Richtlijn 2009/73/EG bieden accurate factureringsinformatie op basis van het werkelijke verbruik. De lidstaten zorgen ervoor dat de eindafnemer gemakkelijk toegang krijgt tot aanvullende informatie over het verbruiksverleden, aan de hand waarvan hij zelf tot controle kan overgaan.

Motivering

Nauwkeurige facturen moeten worden gegarandeerd wanneer de functionaliteit van slimme meters wordt ingeschakeld.

Amendement    77

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 8

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 10 bis

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 10 bis

Artikel 10 bis

Facturering en verbruiksinformatie voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik

Facturering en verbruiksinformatie voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de facturering en verbruiksinformatie nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik van alle eindgebruikers waar meters of kostenverdelers zijn geïnstalleerd, in overeenstemming met de punten 1 en 2 van bijlage VII bis.

1.  De lidstaten zien erop toe dat wanneer meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, de facturerings- en verbruiksinformatie overeenkomstig de punten 1 en 2 van bijlage VII bis nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers voor alle eindgebruikers, dat wil zeggen voor natuurlijke of rechtspersonen die verwarming, koeling of warm water voor hun eigen eindgebruik aankopen, of natuurlijke of rechtspersonen die bewoners zijn van een afzonderlijk gebouw of een eenheid in een appartementengebouw of multifunctioneel gebouw dat is uitgerust met verwarming, koeling of warm water van een centrale bron en die geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met de energieleverancier hebben.

Behalve in het geval van individuele meters zoals bepaald in artikel 9 bis, lid 2, kan aan deze verplichting worden voldaan door een systeem waarbij de eindafnemer regelmatig zelf de meter afleest en de metergegevens meedeelt aan de energieleverancier. Alleen indien de eindafnemer voor een bepaalde factureringsperiode geen metergegevens heeft verstrekt, wordt de facturering gebaseerd op het geschatte verbruik of op een vast tarief.

Aan deze verplichting kan, indien een lidstaat daartoe besluit, en behalve in het geval van verbruik via individuele meters op basis van warmtekostenverdelers overeenkomstig artikel 9 bis, lid 2, worden voldaan met een systeem waarbij de eindafnemer of eindgebruiker regelmatig zelf de meter afleest en de metergegevens meedeelt. Alleen indien de eindafnemer of eindgebruiker voor een bepaalde factureringsperiode geen metergegevens heeft verstrekt, wordt de facturering gebaseerd op het geschatte verbruik of op een vast tarief.

2.  De lidstaten:

2.  De lidstaten:

a)  schrijven voor dat, indien er informatie beschikbaar is over de energiefacturering en het verbruiksverleden van de eindgebruiker, deze op zijn verzoek ter beschikking worden gesteld van een aanbieder van energiediensten die door de eindgebruiker is aangewezen;

a)  schrijven voor dat, indien er informatie beschikbaar is over de energiefacturering en het verbruiksverleden of de meetgegevens van de warmtekostenverdelers van de eindgebruiker, deze op zijn verzoek ter beschikking worden gesteld van een aanbieder van energiediensten die door de eindgebruiker is aangewezen;

b)  zorgen ervoor dat eindafnemers kunnen kiezen voor elektronische factureringsinformatie en facturering en dat zij op verzoek een duidelijke en begrijpelijke uitleg krijgen over de wijze waarop de factuur is opgesteld, in het bijzonder als de factuur niet gebaseerd is op het werkelijke verbruik;

b)  zorgen ervoor dat eindafnemers kunnen kiezen voor elektronische factureringsinformatie en facturering;

c)  zien erop toe dat passende informatie wordt verstrekt bij de factuur die gebaseerd is op het werkelijke verbruik van alle eindgebruikers, in overeenstemming met punt 3 van bijlage VII;

c)  zien erop toe dat duidelijke en begrijpelijke informatie wordt verstrekt bij de factuur van alle eindgebruikers, in overeenstemming met punt 3 van bijlage VII bis;

d)  mogen bepalen dat, op verzoek van de eindafnemer, de bij de factuur gevoegde informatie niet als een betalingsverzoek mag worden beschouwd. In dergelijke gevallen zorgen de lidstaten ervoor dat flexibele regelingen voor de werkelijke betaling worden aangeboden.

d)  mogen bepalen dat, op verzoek van de eindafnemer, de bij de factuur gevoegde informatie niet als een betalingsverzoek mag worden beschouwd. In dergelijke gevallen zorgen de lidstaten ervoor dat flexibele regelingen voor de werkelijke betaling worden aangeboden;

 

d bis)  bevorderen cyberbeveiliging en waarborgen de bescherming van de privacy en de gegevens van eindgebruikers overeenkomstig de desbetreffende wetgeving van de Unie.

 

2 bis.  De lidstaten beslissen wie verantwoordelijk moet zijn voor het verstrekken van de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie aan de eindgebruikers die geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met een energieleverancier hebben.

Amendement    78

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter -a (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 15 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

-a) Aan lid 4 wordt de volgende alinea toegevoegd:

 

"Door de Commissie wordt in overleg met de relevante belanghebbenden een gemeenschappelijke methode gedefinieerd teneinde netwerkexploitanten te stimuleren verliezen te reduceren, een kosten-/energie-efficiënt investeringsprogramma voor infrastructuur uit te voeren en de energie-efficiëntie en de flexibiliteit van het net naar behoren te berekenen. Uiterlijk … [12 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie overeenkomstig artikel 23 een gedelegeerde handeling ter aanvulling van deze richtlijn vast, waarin deze methode nader wordt omschreven."

Amendement    79

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter a – punt ii

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 15 – lid 5 – alinea 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Transmissie- en de distributiesysteembeheerders moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage XII.

Transmissie- en distributiesysteembeheerders moeten bij het aansluiten rekening houden met de noodzaak om te zorgen voor continuïteit van de warmtevoorziening, teneinde zo de toegang te waarborgen tot het netwerk en hoogrenderende warmtekrachtkoppeling te leveren, en moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage XII.

Motivering

Een concurrerende en veilige warmtevoorziening is nodig om kosteneffectieve industriële bedrijfsactiviteiten te waarborgen, aan alle behoeften van de consument tegemoet te komen en de consument te beschermen tegen onverwacht verlies van warmtevoorziening.

Amendement    80

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 bis (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 19 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(11 bis)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:

 

"Artikel 19 bis

 

Financiering van energie-efficiëntie door Europese banken

 

De Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) passen hun beleidsdoelstellingen aan met het oog op erkenning van energie-efficiëntie als op zichzelf staande energiebron en van investeringen in energie-efficiëntie als onderdeel van de investeringsportefeuille voor infrastructuur.

 

De EIB en de EBWO ontwerpen, genereren en financieren, in samenspraak met nationale bevorderingsbanken, programma's en projecten die gericht zijn op de efficiëntiesector, met inbegrip van energiearme huishoudens.

 

De lidstaten maken volledig gebruik van de mogelijkheden en middelen die zijn voorgesteld in het kader van het initiatief "Slimme financiering voor slimme gebouwen"."

Motivering

Er is een stapsgewijze verandering nodig om te zorgen dat financieringsinstellingen toereikende financiële instrumenten leveren voor grootschalige investeringen in energie-efficiëntie.

Amendement    81

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 ter (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 20 – lid 6 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(11 ter)  Aan artikel 20 wordt het volgende lid toegevoegd:

 

"6 bis.   De lidstaten bevorderen afbetalingsregelingen op factuur- en/of fiscale basis in het geval de investeringen in energie-efficiëntie zijn voorgefinancierd door de in lid 1 genoemde financieringsfaciliteiten, door het in lid 4 genoemde nationaal fonds voor energie-efficiëntie of door de aan verplichtingen gebonden partijen zoals gedefinieerd in artikel 7, lid 4, en worden terugbetaald aan de hand van een vaste premie op de distributiekosten met betrekking tot een individuele meter (terugbetaling op factuurbasis) of via een premie op de onroerendgoedbelasting voor het gebouw (terugbetaling op fiscale basis). De terugbetaling blijft gekoppeld aan de meter of het onroerend goed en wordt niet gekoppeld aan de eigenaar of huurder. De terugbetalingstermijnen worden zodanig bepaald dat de periodieke terugbetalingen niet de bespaarde energiekosten overschrijden."

Motivering

Afbetalingsregelingen op factuurbasis vormen een betrouwbaardere betalingsbron dan andere traditionele financieringsproducten en zorgen voor minder transactie- en administratiekosten doordat de afbetaling is gekoppeld aan de meter in plaats van aan de eigenaar of huurder. De afbetaling door klanten op factuurbasis is, indien goed ontworpen, gelijk aan of minder dan de bespaarde energiekosten als gevolg van het lagere energieverbruik. Daarnaast kan met betalingsregelingen op factuurbasis worden voorkomen dat er uiteenlopende stimulansen ontstaan voor huurders en verhuurders.

Amendement    82

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 12

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 23 – lid 3 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

3 bis.   Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

Amendement    83

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 13

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 24 – lid 4 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

4 bis.  In het kader van het verslag over de stand van de energie-unie brengt de Commissie verslag uit over de werking van de koolstofmarkt, overeenkomstig artikel 29, lid 1 en lid 2, onder c), van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie], rekening houdend met de gevolgen van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

Amendement    84

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 13

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 24 – lid 12

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

12.  De Commissie evalueert deze richtlijn uiterlijk op 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar, en brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen.

12.  De Commissie evalueert deze richtlijn uiterlijk op 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar, en brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de algemene doeltreffendheid van de richtlijn en de noodzaak om het energie-efficiëntiebeleid van de Unie verder aan te passen aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en aan de economische en innovatieve ontwikkelingen. Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen.

Amendement    85

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 13

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 24 – lid 12 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

12 bis.  Uiterlijk 31 december 2019 verricht de Commissie een afzonderlijke diepgaande analyse van het potentieel voor energie-efficiëntie met betrekking tot:

 

a) de conversie en transformatie van energie;

 

b) de transmissie en distributie van energie;

 

c) de productie en het daaropvolgende vervoer van energievoorraden, d.w.z. energie gebruikt tijdens de winning van fossiele brandstoffen en het vervoer ervan naar de plaats van gebruik.

 

d) de opslag van energie.

 

De Commissie dient, indien toepasselijk, op basis van haar bevindingen uiterlijk 31 januari 2021 bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel voor een wetgevingshandeling in die zin in.

Amendement    86

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 1 – letter a

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage IV – voetnoot 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  in bijlage IV wordt voetnoot 3 vervangen door: "(3) Van toepassing wanneer de energiebesparing wordt berekend in termen van primaire energie aan de hand van een benadering van onderaf gebaseerd op eindenergieverbruik. Voor besparingen in kWh elektriciteit kunnen de lidstaten een standaardcoëfficiënt van 2,0 gebruiken. De lidstaten kunnen een afwijkende coëfficiënt gebruiken indien zij dat kunnen rechtvaardigen.".

a)  in bijlage IV wordt voetnoot 3 vervangen door: "(3) Uitsluitend van toepassing ten behoeve van deze richtlijn en wanneer de energiebesparing wordt berekend in termen van primaire energie aan de hand van een benadering van onderaf gebaseerd op eindenergieverbruik. Voor besparingen in kWh elektriciteit gebruiken de lidstaten een coëfficiënt die is vastgesteld aan de hand van een transparante en voor alle lidstaten vergelijkbare methode, op basis van nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden. Deze omstandigheden moeten naar behoren worden onderbouwd, meetbaar en verifieerbaar zijn en uitgaan van objectieve en niet-discriminerende criteria. De lidstaten kunnen een standaardcoëfficiënt van 2,0 gebruiken, of een afwijkende coëfficiënt indien zij dat kunnen rechtvaardigen. Hierbij houden de lidstaten rekening met hun elektriciteitsmix die is opgenomen in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen die aan de Commissie moeten worden meegedeeld overeenkomstig artikel [3] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie]. De standaardcoëfficiënt wordt om de vijf jaar herzien op basis van werkelijk waargenomen gegevens.

Amendement    87

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 1 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage V – punt 2 – letter a

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  het moet worden aangetoond dat de besparing een aanvulling vormt op de besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden. Om te bepalen welke besparingen als aanvullend kunnen worden geclaimd, stellen de lidstaten een basisscenario op waarin wordt beschreven hoe het energieverbruik zou evolueren zonder de beleidsmaatregel in kwestie. In dit basisscenario moet rekening worden gehouden met minstens de volgende factoren: tendensen in het energieverbruik, veranderingen in het gedrag van de consumenten, technologische vooruitgang en veranderingen die zijn veroorzaakt door andere maatregelen die op nationaal en EU-niveau ten uitvoer worden gelegd;

a)  het moet worden aangetoond dat de besparing een aanvulling vormt op de besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden. Om te bepalen welke besparingen als aanvullend kunnen worden geclaimd, stellen de lidstaten een basisscenario op waarin wordt beschreven hoe het energieverbruik zou evolueren zonder de desbetreffende beleidsmaatregel en de daaruit voortvloeiende nieuwe individuele actie. In dit basisscenario moet rekening worden gehouden met minstens de volgende factoren: tendensen in het energieverbruik, veranderingen in het gedrag van de consumenten, technologische vooruitgang en veranderingen die zijn veroorzaakt door andere maatregelen die op nationaal en EU-niveau ten uitvoer worden gelegd;

Amendement    88

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 1 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage V – punt 2 – letter b

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

b)  besparingen die voortvloeien uit de toepassing van verplichte Uniewetgeving worden beschouwd als besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden, en kunnen dus niet worden geclaimd uit hoofde van artikel 7, lid 1, behalve besparingen die verband houden met de renovatie van bestaande gebouwen, voor zover het in punt 3, onder h), vermelde oorzakelijk verband is aangetoond;

b)  besparingen die voortvloeien uit de toepassing van verplichte Uniewetgeving worden beschouwd als besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden, en kunnen dus niet worden geclaimd uit hoofde van artikel 7, lid 1, behalve besparingen die verband houden met maatregelen ter bevordering van de renovatie van bestaande gebouwen, voor zover het in punt 3, onder h), vermelde oorzakelijk verband is aangetoond;

Amendement    89

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 1 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage V – punt 2 – letter h

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

h)  bij de berekening van energiebesparingen wordt rekening gehouden met de levensduur van de maatregelen; dit kan geschieden door berekening van de besparingen die elke afzonderlijke actie tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030 zal opleveren. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten een andere methode kiezen die wordt geacht ten minste dezelfde totale hoeveelheid aan besparingen op te leveren. Bij gebruikmaking van andere methoden zorgen de lidstaten ervoor dat de totale energiebesparingen die met deze andere methoden zijn berekend niet hoger zijn dan de energiebesparingen die het resultaat zouden zijn geweest van hun berekening als zij de besparingen meerekenen die elke individuele actie zou opleveren tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030. De lidstaten geven in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen in het kader van de governance van de energie-unie aan welke andere methoden zij hebben gebruikt en welke bepalingen zijn vastgesteld om te garanderen dat zij deze bindende berekeningsvereiste nakomen.

h)  bij de berekening van energiebesparingen wordt rekening gehouden met de levensduur van de maatregelen en met het percentage waarmee het effect van de besparingen met de tijd afneemt. Deze berekening gebeurt aan de hand van de telling van de besparingen die elke afzonderlijke actie tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030 zal opleveren. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten een andere methode kiezen die wordt geacht ten minste dezelfde totale hoeveelheid aan besparingen op te leveren. Bij gebruikmaking van andere methoden zorgen de lidstaten ervoor dat de totale energiebesparingen die met deze andere methoden zijn berekend niet hoger zijn dan de energiebesparingen die het resultaat zouden zijn geweest van hun berekening als zij de besparingen meerekenen die elke individuele actie zou opleveren tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030. De lidstaten geven in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen uit hoofde van de verordening betreffende de governance van de energie-unie aan welke andere methoden zij hebben gebruikt en welke bepalingen zijn vastgesteld om te garanderen dat zij deze bindende berekeningsvereiste nakomen.

Amendement  90

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 1 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage V – punt 3 – letter d

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

d)  de in de beleidsmaatregel vereiste of op grond van die maatregel te behalen hoeveelheid energiebesparingen moet worden uitgedrukt in eindverbruik dan wel primair verbruik van energie, waarbij de conversiefactoren zoals vastgelegd in bijlage IV worden gebruikt;

d)  de in de beleidsmaatregel vereiste of op grond van die maatregel te behalen hoeveelheid energiebesparingen moet worden uitgedrukt in eindverbruik en primair verbruik van energie, waarbij de conversiefactoren zoals vastgelegd in bijlage IV worden gebruikt;

Amendement    91

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 1 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage V – punt 3 – alinea 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor beleidsmaatregelen die worden genomen overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder e), mogen de lidstaten gebruikmaken van de berekeningsmethode die is vastgesteld in Richtlijn 2010/31/EU, voor zover dit in overeenstemming is met de eisen van artikel 7 van deze richtlijn en deze bijlage.

Schrappen

Amendement    92

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 2 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage VII bis

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Bijlage VII bis

Bijlage VII bis

Minimumeisen voor informatie over facturen en verbruik, op basis van werkelijk verbruik van verwarming, koeling en warm water

Minimumeisen voor informatie over facturen en verbruik voor verwarming, koeling en warm water

1.   Facturering op basis van werkelijk verbruik

1.   Facturering op basis van werkelijk verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers

Om eindafnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen, moet er ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik worden gefactureerd.

Om eindafnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen, moet er ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers worden gefactureerd.

2.   Minimumfrequentie van informatie over facturen of verbruik

2.   Minimumfrequentie van informatie over facturen of verbruik

Wanneer op afstand leesbare meters of kostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf [Please insert here …. the entry into force] minstens elk kwartaal, wanneer de eindafnemer daarom vraagt of wanneer hij gekozen heeft voor elektronische facturering, of anders tweemaal per jaar informatie over facturen of verbruik worden verstrekt op basis van het werkelijke verbruik.

Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf [Please insert here …. date of transposition] minstens elk kwartaal, wanneer de eindafnemer daarom vraagt of wanneer hij gekozen heeft voor elektronische facturering, of anders tweemaal per jaar informatie over facturen of verbruik aan de eindafnemers worden verstrekt op basis van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers.

Wanneer op afstand leesbare meters of kostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf 1 januari 2022 minstens maandelijks informatie over facturen of verbruik worden verstrekt. Verwarming en koeling kunnen hiervan worden uitgesloten buiten het verwarmings-/koelingsseizoen.

Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf 1 januari 2022 minstens maandelijks informatie over facturen of verbruik op basis van het werkelijke verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers aan alle eindafnemers worden verstrekt. Deze informatie wordt ook permanent via het internet beschikbaar gesteld en zo vaak bijgewerkt als de gebruikte meetapparatuur en -systemen toelaten. Verwarming en koeling kunnen hiervan worden uitgesloten buiten het verwarmings-/koelingsseizoen.

3.  Minimuminformatie op de factuur op basis van werkelijk verbruik

3.  Minimuminformatie op de factuur

De lidstaten zorgen ervoor dat de eindgebruikers in of bij hun factuur, in duidelijke en begrijpelijke taal de volgende informatie krijgen:

De lidstaten zorgen ervoor dat de eindgebruikers in of bij hun factuur, in duidelijke en begrijpelijke taal de volgende nauwkeurige informatie krijgen op basis van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van de warmtekostenverdeler:

a)  de huidige actuele prijzen en het daadwerkelijke verbruik van energie;

a)  de huidige actuele prijzen en het daadwerkelijke verbruik van energie of de totale warmtekosten en meetgegevens van warmtekostenverdelers;

b)  informatie over de gebruikte brandstofmix, ook voor eindgebruikers van stadsverwarming of stadskoeling;

b)  informatie over de gebruikte brandstofmix en de bijbehorende uitstoot van broeikasgassen, ook voor eindgebruikers van stadsverwarming of stadskoeling, en uitleg bij de verschillende belastingen, heffingen en tarieven;

c)  vergelijkingen van het huidige energieverbruik van de eindgebruikers met hun verbruik over dezelfde periode van het voorgaande jaar, in grafiekvorm, met een klimaatcorrectie voor verwarming en koeling;

c)  vergelijkingen van het huidige energieverbruik van de eindgebruikers met hun verbruik over dezelfde periode van het voorgaande jaar, in grafiekvorm, met een klimaatcorrectie voor verwarming en koeling;

d) contactinformatie voor eindafnemersorganisaties, energieagentschappen of soortgelijke organen, met inbegrip van webadressen, waar informatie kan worden verkregen over de beschikbare maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie, vergelijkende eindverbruikersprofielen en objectieve technische specificaties voor energieverbruikende apparatuur.

d) contactinformatie voor eindafnemersorganisaties, energieagentschappen of soortgelijke organen, met inbegrip van webadressen, waar informatie kan worden verkregen over de beschikbare maatregelen ter verbetering van energie-efficiëntie, vergelijkende eindverbruikersprofielen en objectieve technische specificaties voor energieverbruikende apparatuur;

 

d bis)  informatie over de desbetreffende klachtenprocedures, de diensten van de ombudsman of mechanismen voor alternatieve geschillenbeslechting;

Voorts zorgen de lidstaten ervoor dat in, bij of als verwijzing in rekeningen in duidelijke en begrijpelijke taal vergelijkingen met een gemiddelde genormaliseerde of benchmark-eindafnemer van dezelfde verbruikerscategorie aan de eindafnemers beschikbaar worden gesteld.

d ter)  vergelijkingen met een gemiddelde genormaliseerde of benchmark-eindafnemer van dezelfde verbruikerscategorie.

 

Rekeningen die niet gebaseerd zijn op het werkelijk verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers bevatten een duidelijke en begrijpelijke uitleg over de wijze waarop het in de rekening genoemde bedrag is berekend, en ten minste de informatie als bedoeld in de punten d) en d bis).

Amendement    93

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 2 bis (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage IX – Deel I – letter g

 

Bestaande tekst

Amendement

 

2 bis.  Bijlage IX, deel I, letter g, wordt vervangen door:

g) Economische analyse: Inventaris van effecten

"g) Economische analyse: Inventaris van effecten

Bij de economische analyse wordt rekening gehouden met alle relevante economische effecten.

Bij de economische analyse wordt rekening gehouden met alle relevante economische effecten.

De lidstaten kunnen de kosten en de energiebesparingen ten gevolge van de toegenomen flexibiliteit van de energievoorziening en van een optimaler beheer van de elektriciteitsnetten, met inbegrip van de vermeden kosten en de besparingen vanwege minder investeringen in infrastructuur, in de geanalyseerde scenario's beoordelen en er rekening mee houden in de besluitvorming.

De lidstaten beoordelen de kosten en de energiebesparingen ten gevolge van de toegenomen flexibiliteit van de energievoorziening en van een optimaler beheer van de elektriciteitsnetten, met inbegrip van de vermeden kosten en de besparingen vanwege minder investeringen in infrastructuur, in de geanalyseerde scenario's en houden er rekening mee in de besluitvorming.

Ten minste de volgende kosten en baten worden in aanmerking genomen:

Ten minste de volgende kosten en baten worden in aanmerking genomen:

i) Baten

i) Baten

— Outputwaarde voor de consument (verwarming en elektriciteit)

— Outputwaarde voor de consument (verwarming en elektriciteit)

— Externe baten zoals milieu- en gezondheidsvoordelen, voor zover mogelijk.

— Externe baten zoals milieu-, broeikasgasemissie-, gezondheids- en veiligheidsvoordelen

 

— Arbeidsmarkteffecten, energievoorzieningszekerheid, concurrentievermogen

ii) Kosten

ii) Kosten

— Kapitaalkosten van installaties en apparatuur

— Kapitaalkosten van installaties en apparatuur

— Kapitaalkosten van de betrokken energienetten

— Kapitaalkosten van de betrokken energienetten

— Variabele en vaste beheerskosten

— Variabele en vaste beheerskosten

— Energiekosten

— Energiekosten

— Milieu- en gezondheidskosten, voor zover mogelijk

— Milieu-, gezondheids- en veiligheidskosten

 

— Arbeidsmarktkosten, energievoorzieningszekerheid, concurrentievermogen"

Motivering

De economische effecten van energie-efficiëntiemaatregelen moeten overeenkomstig bovenstaande niet-uitputtende lijst van effecten goed in overweging worden genomen bij een kosten-batenanalyse.

Amendement    94

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage – punt 2 ter (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage XII – alinea 1 – letter a

 

Bestaande tekst

Amendement

 

2 ter.   Bijlage XII, letter a), wordt vervangen door:

"a) stellen hun gestandaardiseerde regels op voor de vergoeding van de kosten van technische aanpassingen, zoals netaansluitingen en -verzwaringen, een verbeterde werking van het net en regels voor de niet-discriminerende uitvoering van netcodes die nodig zijn om nieuwe producenten die elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan het net wensen te leveren, op het koppelnet aan te sluiten; ze maken deze regels bekend;

"a) stellen hun gestandaardiseerde regels op voor de vergoeding van de kosten van technische aanpassingen, zoals netaansluitingen, netverzwaringen en de invoering van nieuwe netten, een verbeterde werking van het net en regels voor de niet-discriminerende uitvoering van netcodes die nodig zijn om nieuwe producenten die elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling aan het net wensen te leveren, op het koppelnet en andere verspreide bronnen aan te sluiten; ze maken deze regels bekend;"

Motivering

Er moet ook rekening worden gehouden met hoogrenderende netten en nieuwe verspreide energiebronnen.

(1)

PB C 246 van 28.7.2017, blz. 42.

(2)

PB C 342 van 12.10.2017, blz. 119.


ADVIES van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (20.9.2017)

aan de Commissie industrie, onderzoek en energie

inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie

COM(2016)0761– C8-0498/2016 – 2016/0376(COD))

Rapporteur voor advies: Jytte Guteland

AMENDEMENTEN

De Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid verzoekt de ten principale bevoegde Commissie industrie, onderzoek en energie onderstaande amendementen in aanmerking te nemen:

Amendement    1

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(1)  Matiging van de energievraag is een van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie, die op 25 februari 2015 is vastgesteld. Het verbeteren van de energie-efficiëntie zal gunstig zijn voor het milieu, de broeikasgasemissies doen afnemen, de voorzieningszekerheid verbeteren door de afhankelijkheid van de invoer van energie van buiten de Unie te doen afnemen, de energiekosten voor huishoudens en ondernemingen doen dalen, helpen de energiearmoede te verminderen, en leiden tot meer werkgelegenheid en economische activiteit in de gehele economie. Dit ligt in de lijn van de verbintenissen die de Unie is aangegaan in het kader van de energie-unie en de mondiale klimaatagenda die in de Overeenkomst van Parijs van december 2015 is vastgelegd door de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

(1)  Matiging van de energievraag is een van de vijf dimensies van de strategie voor de energie-unie, die op 25 februari 2015 is vastgesteld. Het verbeteren van de energie-efficiëntie zal gunstig zijn voor het milieu, de luchtkwaliteit verbeteren door een geringere vraag naar vaste brandstoffen voor verwarming in energie-efficiënte gebouwen, de gezondheid van de burgers van de Unie ten goede komen door de luchtvervuiling te verminderen, en een gezond binnenklimaat te creëren, de broeikasgasemissies doen afnemen, de voorzieningszekerheid verbeteren door de afhankelijkheid van de invoer van energie van buiten de Unie te doen afnemen, de energiekosten voor huishoudens en ondernemingen doen dalen, helpen de energiearmoede te verminderen, en leiden tot meer werkgelegenheid en economische activiteit in de gehele economie. Dit ligt in de lijn van de verbintenissen die de Unie is aangegaan in het kader van de energie-unie en de mondiale klimaatagenda die in de Overeenkomst van Parijs van december 2015 is vastgelegd door de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering.

Amendement    2

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(2)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad9 is een stap op weg naar de verwezenlijking van de energie-unie, waarbij energie-efficiëntie moet worden beschouwd als een op zichzelf staande bron van energie. Bij het vaststellen van nieuwe regels voor de aanbodzijde en andere beleidsdomeinen moet rekening worden gehouden met het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie". De Commissie moet ervoor zorgen dat energie-efficiëntie en vraagrespons onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met productiecapaciteit. Telkens wanneer besluiten over de planning of financiering van energiesysteem worden genomen, moet rekening worden gehouden met energie-efficiëntie. De energie-efficiëntie moet worden verbeterd wanneer dit kosteneffectiever is dan gelijkwaardige oplossingen aan de aanbodzijde. Dit moet de vele voordelen van energie-efficiëntie voor de maatschappij helpen benutten, met name voor de burgers en de bedrijven.

(2)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad9 is een stap op weg naar de verwezenlijking van de energie-unie, waarbij energie-efficiëntie moet worden beschouwd als een op zichzelf staande bron van energie. Bij het vaststellen van nieuwe regels voor de aanbodzijde en andere beleidsdomeinen moet rekening worden gehouden met het beginsel "voorrang voor energie-efficiëntie" en het moet door de financiële instellingen worden erkend middels de verstrekking van specifieke middelen en instrumenten. De Commissie moet ervoor zorgen dat energie-efficiëntie en vraagrespons onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met productiecapaciteit. Telkens wanneer besluiten over de planning of financiering van energiesysteem worden genomen, moet rekening worden gehouden met energie-efficiëntie. De energie-efficiëntie moet worden verbeterd wanneer dit kosteneffectiever is dan gelijkwaardige oplossingen aan de aanbodzijde. Dit moet de vele voordelen van energie-efficiëntie voor de maatschappij helpen benutten, met name voor de burgers en de bedrijven.

__________________

__________________

9 (Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

9 (Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van de Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).

Amendement    3

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(3)  De Europese Raad van oktober 2014 heeft het streefcijfer voor energie-efficiëntie vastgesteld op 27 % voor 2030; dit streefcijfer moet worden herzien tegen 2020, "waarbij op het niveau van de Unie een streefcijfer van 30 % voor ogen moet worden gehouden". In december 2015 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht om te onderzoeken of een energie-efficiëntiestreefcijfer van 40 % haalbaar is voor dezelfde periode. Het is dan ook wenselijk om over te gaan tot evaluatie en vervolgens herziening van de richtlijn om deze aan te passen met het oog op 2030.

(3)  De Europese Raad van oktober 2014 heeft het streefcijfer voor energie-efficiëntie vastgesteld op 27 % voor 2030; dit streefcijfer moet worden herzien tegen 2020, "waarbij op het niveau van de Unie een streefcijfer van 30 % voor ogen moet worden gehouden". In juni 2016 heeft het Europees Parlement de Commissie verzocht voor 2030 een bindend energie-efficiëntiestreefcijfer van 40 % vast te stellen, dat mede de potentiële kosteneffectieve energie-efficiëntie weerspiegelt. Het is dan ook wenselijk om over te gaan tot evaluatie en vervolgens herziening van de richtlijn om deze aan te passen met het oog op 2030.

Amendement    4

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 3 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(3 bis)  Het grote overschot aan emissierechten in het emissiehandelssysteem (ETS) van de Unie, als gevolg van de economische teruggang, de instroom van internationale koolstofcredits en de overmatige toewijzing, heeft geleid tot een lage prijs voor emissierechten in het ETS. Volgens de prognoses zal de koolstofprijs in de voorzienbare toekomst niet stijgen tot een niveau dat de verbetering van energiebesparingen en hernieuwbare energie voldoende zou stimuleren. Het is dus noodzakelijk om specifieke maatregelen en een stabiel langetermijnkader op Unieniveau voor energiebesparende investeringen te handhaven.

Amendement    5

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 4

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(4)  Het perspectief voor 2030 voorziet niet in bindende streefcijfers op nationaal niveau. De noodzaak voor de Unie om haar streefcijfers inzake energie-efficiëntie op EU-niveau, uitgedrukt in primair energieverbruik en eindenergieverbruik, in 2020 en 2030 te behalen, moet duidelijk worden uiteengezet in de vorm van een bindend streefcijfer van 30 %. Deze verduidelijking op het niveau van de Unie mag geen beperkingen opleggen aan de lidstaten; het staat hun nog steeds vrij om hun nationale bijdragen vast te stellen op basis van primair energieverbruik of eindenergieverbruik, primaire energiebesparing of eindenergiebesparing, dan wel op basis van energie-intensiteit. Bij de vaststelling van hun nationale indicatieve bijdragen aan energie-efficiëntie moeten de lidstaten er rekening mee houden dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie mag bedragen. Dit betekent da het primaire energieverbruik in de Unie moet afnemen met 23 % en het eindenergieverbruik met 17 % in vergelijking met het niveau van 2005. De voortgang op weg naar het behalen van het streefcijfer voor 2030 moet regelmatig worden beoordeeld; het wetgevingsvoorstel inzake de governance van de energie-unie voorziet in een dergelijke beoordeling.

(4)  Het perspectief voor 2030 dient te voorzien in bindende streefcijfers op zowel nationaal als Unie-niveau. De noodzaak voor de Unie om haar streefcijfers inzake energie-efficiëntie, uitgedrukt in primair energieverbruik en eindenergieverbruik, in 2020 en 2030 te behalen, moet duidelijk worden uiteengezet in de vorm van een bindend streefcijfer voor energie-efficiëntie van 40 %. Bovendien dienen de lidstaten nationale energieplannen, inclusief bindende nationale streefcijfers, te ontwikkelen, in overeenstemming met Verordening (EU) XX (20XX) [governance van de energie-unie]. De verduidelijking op het niveau van de Unie moet de lidstaten de vrijheid laten om het niveau van hun nationale streefcijfers vast te stellen op basis van primair energieverbruik of eindenergieverbruik, primaire energiebesparing of eindenergiebesparing, dan wel op basis van energie-intensiteit. Bij de vaststelling van hun bindende nationale streefcijfers voor energie-efficiëntie moeten de lidstaten er rekening mee houden dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 132 Mtoe primaire energie en niet meer dan 849 Mtoe eindenergie mag bedragen. Dit betekent dat het primaire energieverbruik in de Unie moet afnemen met 34 % en het eindenergieverbruik met 31 % in vergelijking met het niveau van 2005. De voortgang op weg naar het behalen van het streefcijfer voor 2030 moet regelmatig worden beoordeeld; het wetgevingsvoorstel inzake de governance van de energie-unie voorziet in een dergelijke beoordeling.

Amendement    6

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(6)  In het licht van het klimaat- en energiekader voor 2030 moet de verplichting inzake energiebesparing worden verlengd tot na 2020. De verplichtingsperiode verlengen tot na 2020 zou zorgen voor meer stabiliteit voor investeerders en zal derhalve investeringen en maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn, zoals de renovatie van gebouwen, bevorderen.

(6)  In het licht van de decarbonisatiedoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en het klimaat- en energiekader voor 2030, alsmede de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie voor 2050, moet de verplichting inzake energiebesparing worden verlengd tot na 2020. De verplichtingsperiode verlengen met een langetermijnvisie en daaraan gerelateerde beleidsmaatregelen tot na 2020 zou zorgen voor meer stabiliteit voor investeerders en zal derhalve bevorderlijk zijn voor investeringen en maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn, zoals de renovatie van gebouwen en het creëren van een 'bijna-nul-energie'-gebouwenbestand. Samenwerking met de particuliere sector is van belang om te beoordelen op welke grondslag toegang kan worden verkregen tot particuliere investeringen voor energie-efficiëntieprojecten.

Amendement    7

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(6 bis)  Verbeteringen van de energie-efficiëntie hebben ook een positief effect op de luchtkwaliteit, aangezien energie-efficiëntere gebouwen de vraag naar verwarmingsbrandstoffen, met name ook vaste verwarmingsbrandstoffen, doen dalen. Energie-efficiëntiemaatregelen dragen derhalve bij tot de verbetering van de luchtkwaliteit binnen en buiten, en helpen de doelstellingen van het luchtkwaliteitsbeleid van de Unie, zoals met name vastgesteld in Richtlijn (EU) 2016/22841bis (hierna de luchtkwaliteitsrichtlijn genoemd), op een kostenefficiënte wijze te verwezenlijken. De afname van de energievraag in gebouwen moet worden beschouwd als een element van het luchtkwaliteitsbeleid in het algemeen en met name in lidstaten waar het lastig is om de Uniale grenswaarden voor emissies van luchtverontreinigende stoffen te behalen. Energie-efficiëntie zou kunnen helpen om deze doelstellingen te verwezenlijken.

 

__________________

 

1bis Richtlijn (EU) 2016/2284 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de vermindering van nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG (PB L 344 van 17.12.2016, blz. 1-31).

Amendement    8

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 8

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(8)  Maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn zullen blijven zorgen voor energiebesparingen na 2020, maar om bij te dragen aan het daaropvolgende streefcijfer van de Unie inzake energie-efficiëntie voor 2030, moeten die maatregelen nieuwe besparingen opleveren na 2020. Anderzijds is het mogelijk dat energiebesparingen die na 31 december 2020 zijn gerealiseerd, niet meetellen voor de cumulatieve besparingseis voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

(8)  Maatregelen voor energie-efficiëntie op lange termijn zullen blijven zorgen voor energiebesparingen na 2020, maar om bij te dragen aan het daaropvolgende streefcijfer van de Unie inzake energie-efficiëntie voor 2030 en de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2050 overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs, moeten die maatregelen nieuwe besparingen opleveren na 2020. Anderzijds is het mogelijk dat energiebesparingen die na 31 december 2020 zijn gerealiseerd, niet meetellen voor de cumulatieve besparingseis voor de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020.

Amendement    9

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(10)  Energiebesparingen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van Uniewetgeving mogen alleen worden geclaimd als de maatregel in kwestie verder reikt dan het bij de Uniewetgeving vereiste minimum, hetzij door ambitieuzere energie-efficiëntie-eisen vast te stellen op nationaal niveau, hetzij door de mate waarin de maatregel ingang vindt, te vergroten. Erkennende dat de renovatie van gebouwen op lange termijn een essentieel element is om tot grotere energiebesparing te komen, moet worden verduidelijkt dat alle energiebesparingen die voortvloeien uit maatregelen ter bevordering van de renovatie van bestaande gebouwen kunnen worden geclaimd als ze een aanvulling vormen op ontwikkelingen die ook zonder de beleidsmaatregel zouden hebben plaatsgevonden en als de lidstaat aantoont dat de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij daadwerkelijk heeft bijgedragen tot de totstandbrenging van de besparingen die worden geclaimd uit hoofde van de maatregel in kwestie.

(10)  Energiebesparingen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van Uniewetgeving mogen alleen worden geclaimd als zij voortvloeien uit nieuwe beleidsmaatregelen die al dan niet voor of na 31 december 2020 zijn ingevoerd, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat die maatregelen resulteren in nieuwe individuele acties die worden ondernomen na 31 december 2020 en nieuwe besparingen opleveren, en als de maatregel in kwestie verder reikt dan het bij de Uniewetgeving vereiste minimum, hetzij door ambitieuzere energie-efficiëntie-eisen vast te stellen op nationaal niveau, hetzij door de mate waarin de maatregel ingang vindt, te vergroten. Gebouwen beschikken over een aanzienlijk potentieel voor het verder vergroten van de energie-efficiëntie en de renovatie van gebouwen is een essentieel element op de lange termijn om tot grotere energiebesparing te komen, en deze renovatie moet sneller gebeuren gezien de betrekkelijk korte periode die resteert om het bestaande gebouwenbestand te vernieuwen. Er moet worden verduidelijkt dat alle energiebesparingen die voortvloeien uit maatregelen ter bevordering van de renovatie van bestaande gebouwen kunnen worden geclaimd als ze een aanvulling vormen op ontwikkelingen die ook zonder de beleidsmaatregel zouden hebben plaatsgevonden en als de lidstaat aantoont dat de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partij daadwerkelijk heeft bijgedragen tot de totstandbrenging van de besparingen die worden geclaimd uit hoofde van de maatregel in kwestie.

Amendement    10

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 bis)  Een doeltreffend waterbeheer kan aanzienlijk bijdragen aan energiebesparingen. De watersector gebruikt bijna 3,5 % van de elektriciteit in de Unie1bis. De behandeling en het vervoer van water via pomp- en druksystemen die worden aangedreven door elektrische motoren, verbruiken veel energie. De vraag naar water zou tegen 2040 met 25 % stijgen, voornamelijk in de steden. Tezelfdertijd maken waterlekken 24 % uit van het totale waterverbruik in Europa, waardoor bovenop de waterverliezen ook energieverliezen optreden. Bijgevolg zouden alle maatregelen ten behoeve van een doeltreffender beheer en een vermindering van het waterverbruik bijdragen aan de verwezenlijking van het energie-efficiëntiestreefcijfer van de Unie.

 

_______________

 

1bis World Energy Outlook 2016, International Energy Agency, 2016

Amendement    11

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 10 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(10 ter)  De industriesector is met 44 % de grootste waterverbruiker van Europa1bis. Het gebruik van slimme technologieën en processen voor een doeltreffend waterbeheer kan aanzienlijke energiebesparingen opleveren en tegelijk de concurrentiekracht van ondernemingen versterken. Dit geldt ook voor steden en gemeenten waar water 30 à 50 % van de elektriciteitsrekening uitmaakt.

 

________________

 

1 bis Werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Landbouw en duurzaam waterbeheer in de EU" van 28 april 2017

Amendement    12

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(12)  De verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen zal met name voordelen opleveren voor consumenten die te kampen hebben met energiearmoede. De lidstaten kunnen aan verplichtingen gebonden partijen al verplichten om sociale doelstellingen op te nemen in hun energiebesparende maatregelen, met betrekking tot energiearmoede, en deze mogelijkheid moet nu worden uitgebreid tot alternatieve maatregelen en omgevormd tot een verplichting, waarbij de lidstaten volledige flexibiliteit behouden ten aanzien van de omvang, werkingssfeer en inhoud van dergelijke maatregelen. Overeenkomstig artikel 9 van het Verdrag moet het beleid van de Unie op het gebied van energie-efficiëntie inclusief zijn en dus ook garanderen dat energiearme verbruikers toegang krijgen tot maatregelen inzake energie-efficiëntie.

(12)  Gewaarborgd moet worden dat de verbetering van de energie-efficiëntie van gebouwen met name voordelen zal opleveren voor consumenten met een laag inkomen die met het risico van energiearmoede te maken hebben. De lidstaten kunnen aan verplichtingen gebonden partijen al verplichten om sociale doelstellingen op te nemen in hun energiebesparende maatregelen, met betrekking tot energiearmoede, en deze mogelijkheid moet nu worden uitgebreid tot alternatieve maatregelen, en versterkt in die zin dat het verplicht moet zijn een aanzienlijk deel ervan prioritair ten uitvoer te leggen, en omgevormd tot een verplichting, waarbij de lidstaten volledige flexibiliteit behouden ten aanzien van de omvang, werkingssfeer en inhoud van dergelijke maatregelen. Overeenkomstig artikel 9 van het Verdrag moet het beleid van de Unie op het gebied van energie-efficiëntie inclusief zijn en dus ook garanderen dat energiearme verbruikers toegang krijgen tot maatregelen inzake energie-efficiëntie. Hiertoe moet energiearmoede duidelijk worden gedefinieerd, moet de tenuitvoerlegging - door de lidstaten - van maatregelen worden gemonitord en moeten de regelingen vergezeld gaan van geschikte financiële instrumenten.

Amendement    13

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 bis)  Aangezien ongeveer 50 miljoen huishoudens in de Unie met energiearmoede te kampen hebben, moeten energie-efficiëntiemaatregelen de kern uitmaken van een kostenefficiënte strategie voor het aanpakken van energiearmoede en kwetsbaarheid van consumenten. Deze maatregelen moeten complementair zijn met het socialezekerheidsbeleid op lidstaatniveau.

Motivering

Energie-efficiëntiemaatregelen moeten gericht zijn op de mensen die met energiearmoede worden bedreigd en die niet over de middelen beschikken om de noodzakelijke investeringen te doen. Investeringen in huishoudens die met energiearmoede worden bedreigd, zullen voor die huishoudens en de samenleving in het algemeen evenwel flinke voordelen met zich meebrengen.

Amendement    14

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 ter)  Alle consumenten moeten optimaal kunnen profiteren van de energie-efficiëntiemaatregelen die zij ten uitvoer leggen, aangezien alle kosten, terugverdienperioden en baten ook volledig transparant zijn.

Amendement    15

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 12 quater (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(12 quater)  De gebouwenvoorraad van de Unie moet tegen 2050 "bijna-energieneutrale gebouwen" worden, overeenkomstig de doelstellingen van COP21 (de Overeenkomst van Parijs). Het huidige renovatietempo volstaat niet en de grootste problemen zien we bij de gebouwen die eigendom zijn van of gehuurd worden door burgers met een laag inkomen die met het risico van energiearmoede te kampen hebben. Daarom zijn de maatregelen zoals bedoeld in de artikelen 7, 7 bis en 7 ter van bijzonder groot belang.

Motivering

Energie-efficiëntiemaatregelen moeten gericht zijn op de mensen die met energiearmoede worden bedreigd en die niet over de middelen beschikken om de noodzakelijke investeringen te doen. Investeringen in huishoudens die met energiearmoede worden bedreigd, zullen voor die huishoudens en de samenleving in het algemeen evenwel flinke voordelen met zich meebrengen.

Amendement    16

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 13

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(13)  Energie die op of in gebouwen wordt opgewekt met technologieën voor hernieuwbare energie vermindert de afhankelijkheid van aangeleverde fossiele energie. De beperking van het energiegebruik en het gebruik van energie uit duurzame bronnen in de bouwsector zijn belangrijke maatregelen om de energieafhankelijkheid van de Unie en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, met name in het licht van de ambitieuze klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de mondiale verbintenis die is aangegaan tijdens de Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21), die in december 2015 plaatsvond in Parijs. Om te voldoen aan hun verplichtingen inzake energiebesparing moeten de lidstaten dan ook de mogelijkheid krijgen om rekening te houden met een bepaalde hoeveelheid hernieuwbare energie die op of in gebouwen is opgewekt voor eigen gebruik. Hiertoe moeten de lidstaten toestemming krijgen om gebruik te maken van de berekeningsmethoden die in het kader van Richtlijn 2010/31/EU zijn vastgesteld.

(13)  Energie die op of in gebouwen wordt opgewekt met technologieën voor hernieuwbare energie vermindert de afhankelijkheid van aangeleverde fossiele energie. De beperking van het energiegebruik en het gebruik van energie uit duurzame bronnen in de bouwsector zijn belangrijke maatregelen om de energieafhankelijkheid van de Unie en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, met name in het licht van de ambitieuze klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de mondiale verbintenis die is aangegaan tijdens de Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (COP21), die in december 2015 plaatsvond in Parijs, waarin is vastgesteld dat de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ruim onder 2 °C moet worden gehouden en ernaar moet worden blijven gestreefd de stijging te beperken tot 1,5 °C. De lidstaten moeten dan ook ambitieuze renovatiestrategieën op lange termijn uitwerken in overeenstemming met artikel 2 bis van Richtlijn 2010/31/EU, zoals van kracht, teneinde een zeer energie-efficiënt, bijna-energieneutraal gebouwenbestand te bewerkstelligen tegen 2050 waarbij in de resterende energiebehoeften wordt voorzien door hernieuwbare energie.

Amendement    17

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(14)  In het kader van maatregelen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie "Een 'new deal' voor energieconsumenten", in de context van de energie-unie en de de strategie betreffende verwarming en koeling, moeten de minimumrechten van de consumenten op duidelijke en tijdige informatie over hun energieverbruik worden versterkt. De artikelen 9, 10 en 11 en bijlage VII van Richtlijn 2012/27/EU moeten dan ook worden gewijzigd om te zorgen voor frequente en betere feedback over energieverbruik. Voorts moet worden verduidelijkt dat de rechten in verband met facturering en factureringsinformatie ook gelden voor verbruikers van uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water, ook al hebben zij geen rechtstreekse, individuele contractuele relatie met een leverancier. Met het oog op de toepassing van deze bepalingen moet het begrip "eindgebruiker" worden verstaan als alle eindafnemers die verwarming/koeling/warm water kopen voor eigen gebruik en alle bewoners van individuele wooneenheden in appartementengebouwen of multifunctionele gebouwen, wanneer de levering aan deze eenheden vanuit een centrale bron gebeurt. Het begrip "individuele bemetering" moet betrekking hebben op het meten van het verbruik in individuele eenheden van dergelijke gebouwen. Uiterlijk op 1 januari 2020 moeten nieuw geïnstalleerde warmtemeters en warmtekostenverdelers op afstand leesbaar zijn om te zorgen voor kostenefficiënte en frequente verstrekking van informatie over het verbruik. Het is de bedoeling dat het nieuwe artikel 9 bis alleen geldt voor uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water.

(14)  In het kader van maatregelen die zijn uiteengezet in de mededeling van de Commissie "Een 'new deal' voor energieconsumenten", in de context van de energie-unie en de de strategie betreffende verwarming en koeling, moeten de minimumrechten van de consumenten op duidelijke en tijdige informatie over hun energieverbruik worden versterkt. De artikelen 9, 10 en 11 en bijlage VII van Richtlijn 2012/27/EU moeten dan ook, teneinde het energieverbruik van consumenten te optimaliseren, worden gewijzigd om te zorgen voor frequente en betere informatie en feedback over energieverbruik, indien dit, rekening houdend met de bestaande meetapparatuur, technisch haalbaar en kostenefficiënt is. Voorts moet worden verduidelijkt dat de rechten in verband met facturering en facturerings- of verbruiksinformatie ook gelden voor verbruikers van uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water, ook al hebben zij geen rechtstreekse, individuele contractuele relatie met een leverancier. Onder de definitie van de term "eindafnemer" kunnen uitsluitend natuurlijke of rechtspersonen vallen die energie aankopen op basis van een rechtstreekse, individuele overeenkomst met een energieleverancier. Het begrip "eindgebruiker" moet worden verstaan als een bredere groep consumenten. Het begrip "eindgebruiker" moet, naast eindafnemers die verwarming, koeling of warm water voor eigen gebruik aankopen, tevens bewoners van afzonderlijke eenheden van appartementsgebouwen of multifunctionele gebouwen omvatten wanneer de levering aan deze eenheden vanuit een centrale bron gebeurt en de bewoners geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met de energieleverancier hebben. Uiterlijk op 1 januari 2020 moeten nieuw geïnstalleerde warmtemeters en warmtekostenverdelers op afstand leesbaar zijn om te zorgen voor kostenefficiënte en frequente verstrekking van informatie over het verbruik. Het is de bedoeling dat het nieuwe artikel 9 bis alleen geldt voor uit een centrale bron geleverde verwarming, koeling of warm water. De lidstaten moeten zelf kunnen beslissen over de detailinvulling van de maatregelen voor frequente en verbeterde feedback over energieverbruik voor de bewoners van individuele wooneenheden in appartementengebouwen of multifunctionele gebouwen, wanneer de levering van verwarming, koeling en/of warm water vanuit een centrale bron gebeurt. Het begrip "individuele bemetering" moet betrekking hebben op het meten van het verbruik in individuele eenheden van dergelijke gebouwen. De kostenefficiëntie van individuele bemetering hangt af van de vraag of de kosten in verhouding staan tot de potentiële energiebesparingen.

Amendement    18

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 14 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(14 bis)  De lidstaten moeten er gezien deze nieuwe vereisten rekening mee houden dat innovatie en nieuwe technologieën meer investeringen in onderwijs en vaardigheden vergen, opdat deze technologieën met succes kunnen worden ingevoerd en zowel burgers als ondernemingen kunnen bijdragen aan de verwezenlijking van de energie-efficiëntiedoelstellingen die door de Commissie of de lidstaten zijn vastgesteld.

Amendement    19

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 15

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(15)  Sommige bepalingen van artikel 15 van Richtlijn 2012/27/EU inzake omzetting, transmissie en distributie van energie moeten worden ingetrokken. De evaluatie van het acquis op energiegebied kan ertoe leiden dat de verplichtingen van de lidstaten in het kader van de verschillende energiegerelateerde handelingen anders worden gestructureerd. Deze herstructurering mag geen invloed hebben op de verplichting van de lidstaten om te voldoen aan de essentiële eisen van Richtlijn 2012/27/EU, die geheel of gedeeltelijk opnieuw kunnen worden ingevoerd in andere handelingen.

(15)  Sommige bepalingen van artikel 15 van Richtlijn 2012/27/EU inzake omzetting, transmissie en distributie van energie moeten worden afgestemd op de toepasselijke bepalingen betreffende de elektriciteitsmarkt. De evaluatie van het acquis op energiegebied kan ertoe leiden dat de verplichtingen van de lidstaten in het kader van de verschillende energiegerelateerde handelingen anders worden gestructureerd. Deze herstructurering mag geen invloed hebben op de verplichting van de lidstaten om te voldoen aan de essentiële eisen van Richtlijn 2012/27/EU.

Amendement    20

Voorstel voor een richtlijn

Overweging 18

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

(18)  Om de effectiviteit van Richtlijn 2012/27/EU te kunnen beoordelen, moet een eis tot algemene herziening van de richtlijn en tot indiening van een verslag aan het Europees Parlement en de Raad op uiterlijk 28 februari 2024 worden ingevoerd.

(18)  Energie- en klimaatwetgeving zijn complementair en moeten elkaar onderling versterken. Als onderdeel van de verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs moet de Commissie derhalve ten laatste zes maanden na de algemene inventarisatie van het UNFCCC in 2023 en in overeenstemming met het herzieningsproces van de governanceverordening [ ] overgaan tot een algemene herziening van Richtlijn 2012/27/EU en aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voorleggen over de algemene doeltreffendheid van Richtlijn 2012/27/EU en de noodzaak om het energie-efficiëntiebeleid van de Unie aan te passen aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Een dergelijke herziening en een dergelijk verslag moeten daarna in volgende algemene inventarisaties worden herhaald.

Amendement    21

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 1 – lid 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

1.  Bij deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld met maatregelen voor de bevordering van energie-efficiëntie binnen de Unie, om ervoor te zorgen dat de Unie haar centraal streefcijfer inzake energie-efficiëntie van 20 % voor 2020 en haar bindend centraal streefcijfer van 30 % voor 2030 haalt; de richtlijn effent ook de weg voor verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie na deze data. De richtlijn stelt regels vast om belemmeringen op de energiemarkt weg te nemen en om markttekortkomingen te overwinnen die de efficiëntie in energievoorziening en -gebruik belemmeren en voorziet in de opstelling van indicatieve nationale energie-efficiëntiestreefcijfers en bijdragen voor 2020 en 2030.";

1.  Bij deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld met maatregelen voor de bevordering van energie-efficiëntie binnen de Unie, om ervoor te zorgen dat de Unie haar centraal streefcijfer inzake energie-efficiëntie van 20 % voor 2020 en een bindend centraal streefcijfer van 40 % voor 2030 haalt; de richtlijn effent ook de weg voor verdere verbeteringen van de energie-efficiëntie na deze data, in overeenstemming met de reeds eerder in het kader van de energie-unie vastgestelde, respectievelijk gedane energiedoelstellingen en -toezeggingen voor de lange termijn, alsook met de mondiale klimaatdoelstelling van de Overeenkomst van Parijs. De richtlijn stelt regels vast om belemmeringen op de energiemarkt weg te nemen en om markttekortkomingen te overwinnen die de efficiëntie in energievoorziening en -gebruik belemmeren, en sluit aan bij de toezegging van de Unie om voorrang te geven aan energie-efficiëntie en vele voordelen te bieden voor het klimaat en de burgers en de bedrijven van de Unie. Voorts voorziet de richtlijn in de opstelling van nationale energie-efficiëntiestreefcijfers voor 2020 en bindende nationale energie-efficiëntiedoelstellingen en bijdragen voor 2030.";

 

Om particuliere financiering voor energie-efficiëntiemaatregelen en energierenovaties aan te trekken, gaat de Commissie een dialoog aan met zowel openbare als particuliere financiële instellingen teneinde potentiële beleidsmechanismen in kaart te brengen. Gezien het enorme potentieel om in de bouwsector energie-efficiëntiewinst te boeken, zal met name moeten worden ingezet op investeringen in deze sector, met bijzonder aandacht voor woningen van mensen met een laag inkomen die het risico lopen in armoede terecht te komen. Om investeringen in energie-efficiëntieprojecten financieel interessanter en haalbaarder te maken voor investeerders, dient de Commissie daarnaast mogelijkheden te overwegen om kleine projecten tot grotere te bundelen. De Commissie verschaft uiterlijk op 1 januari 2019 richtsnoeren aan de lidstaten over het aanboren van particuliere investeringen.

Amendement    22

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 2 – alinea 1 – punt 8 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(1 bis)  In artikel 2 wordt een nieuw punt 8 bis toegevoegd:

 

(8 bis)   'overheidsinstantie': regeringen of andere overheidsinstanties op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau, met inbegrip van ziekenhuizen en instellingen voor gezondheidszorg, alsook onderwijsgebouwen en sociale huisvesting

Amendement  23

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 3

Artikel 3

Energie-efficiëntiedoelstellingen

Energie-efficiëntiedoelstellingen

1.   Elke lidstaat stelt een indicatief nationaal energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2020 vast, op basis van primair of eindenergieverbruik, primaire of eindenergiebesparingen of energie-intensiteit. De lidstaten delen die streefcijfers mee aan de Commissie overeenkomstig artikel 24, lid 1, en bijlage XIV, deel 1. Daarbij drukken zij die streefcijfers ook uit als absoluut verbruiksniveau van primaire en eindenergie in 2020 en leggen zij uit hoe en op basis van welke gegevens dit is berekend.

1.   Elke lidstaat stelt een indicatief nationaal energie-efficiëntiestreefcijfer voor 2020 en een bindend nationaal streefcijfer voor 2030 vast, op basis van primair of eindenergieverbruik, primaire of eindenergiebesparingen of energie-intensiteit. De lidstaten delen die streefcijfers mee aan de Commissie overeenkomstig artikel 24, lid 1, en bijlage XIV, deel 1. Daarbij drukken zij die streefcijfers ook uit als absoluut verbruiksniveau van primaire en eindenergie in 2020 en leggen zij uit hoe en op basis van welke gegevens dit is berekend.

Bij het bepalen van deze streefcijfers zien de lidstaten er op toe dat:

Bij het bepalen van deze streefcijfers zien de lidstaten er op toe dat:

a)  het energieverbruik van de Unie in 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie mag bedragen;

a)  het energieverbruik van de Unie in 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie mag bedragen;

b)  rekening wordt gehouden met de in deze richtlijn vastgelegde maatregelen;

b)  rekening wordt gehouden met de in deze richtlijn vastgelegde maatregelen;

c)  rekening wordt gehouden met de maatregelen die zijn vastgesteld om de nationale energiebesparingsstreefcijfers te bereiken als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2006/32/EG; en

c)  rekening wordt gehouden met de maatregelen die zijn vastgesteld om de nationale energiebesparingsstreefcijfers te bereiken als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2006/32/EG; en

d)  en rekening wordt gehouden met andere maatregelen om energie-efficiëntie binnen de lidstaten en op Unieniveau te bevorderen.

d)  en rekening wordt gehouden met andere maatregelen om energie-efficiëntie binnen de lidstaten en op Unieniveau te bevorderen.

Bij het vaststellen van die streefcijfers kunnen de lidstaten ook rekening houden met nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden, zoals:

Bij het vaststellen van die streefcijfers kunnen de lidstaten ook rekening houden met nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden, zoals:

a)  het resterende kostenefficiënte energiebesparingspotentieel;

a)  het resterende kostenefficiënte energiebesparingspotentieel;

b)  de evolutie en prognoses van het BBP;

b)  de evolutie en prognoses van het BBP;

c)  de wijzigingen van energie-invoer en -uitvoer;

c)  de wijzigingen van energie-invoer en -uitvoer;

 

c bis)  technologische ontwikkelingen die de haalbaarheid van de streefcijfers kunnen verbeteren;

d)  de ontwikkeling van alle hernieuwbare energiebronnen, kernenergie, het afvangen en opslaan van kooldioxide; en

d)  de ontwikkeling van alle hernieuwbare energiebronnen, kernenergie, het afvangen en opslaan van kooldioxide; en

 

d bis)  de Overeenkomst van Parijs van december 2015, op basis waarvan de Unie en de lidstaten de stijging van de gemiddelde mondiale temperatuur tot ruim onder de 2 graden Celsius, en liefst tot maximaal 1,5 graden Celsius, moeten beperken; en

 

d ter)  de klimaat- en energiedoelen van de Unie voor 2050.

e)  vroegtijdige maatregelen.

e)  vroegtijdige maatregelen.

2. Uiterlijk op 30 juni 2014 gaat de Commissie na of vooruitgang is geboekt en of het waarschijnlijk is dat de Unie tegen 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie zal verbruiken.

2. Uiterlijk op 30 juni 2014 gaat de Commissie na of vooruitgang is geboekt en of het waarschijnlijk is dat de Unie tegen 2020 niet meer dan 1 483 Mtoe primaire energie en niet meer dan 1 086 Mtoe eindenergie zal verbruiken.

3. Bij het uitvoeren van de in lid 2 bedoelde evaluatie zal de Commissie:

3. Bij het uitvoeren van de in lid 2 bedoelde evaluatie zal de Commissie:

a)  de door de lidstaten meegedeelde nationale indicatieve energie-efficiëntiestreefcijfers samentellen;

a)  de door de lidstaten meegedeelde nationale energie-efficiëntiestreefcijfers samentellen;

b)  nagaan of de som van die streefcijfers als een betrouwbaar richtsnoer kan worden beschouwd om te bepalen of de Unie in haar geheel op de goede weg is, rekening houdende met de evaluatie van het eerste jaarverslag overeenkomstig artikel 24, lid 1, en de evaluatie van de nationale actieplannen inzake energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 24, lid 2;

b)  nagaan of de som van die streefcijfers als een betrouwbaar en realistisch richtsnoer op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria kan worden beschouwd om te bepalen of de Unie in haar geheel op de goede weg is, rekening houdende met de evaluatie van het eerste jaarverslag overeenkomstig artikel 24, lid 1, en de evaluatie van de nationale actieplannen inzake energie-efficiëntie overeenkomstig artikel 24, lid 2;

c)  rekening houden met aanvullende analyses die voortvloeien uit:

c)  rekening houden met aanvullende analyses die voortvloeien uit:

(i)  een beoordeling van de evolutie van het energieverbruik en het energieverbruik in verhouding tot de economische activiteit, op het niveau van de Unie, met inbegrip van de evolutie van de efficiëntie van de energievoorziening in lidstaten die hun nationale indicatieve streefcijfers hebben gebaseerd op eindenergieverbruik of eindenergiebesparingen, met inbegrip van de voorgang die het gevolg is van de naleving van hoofdstuk III van deze richtlijn door de lidstaten;

(i)  een beoordeling van de evolutie van het energieverbruik en het energieverbruik in verhouding tot de economische activiteit, op het niveau van de Unie, met inbegrip van de evolutie van de efficiëntie van de energievoorziening in lidstaten die hun nationale indicatieve streefcijfers hebben gebaseerd op eindenergieverbruik of eindenergiebesparingen, met inbegrip van de voorgang die het gevolg is van de naleving van hoofdstuk III van deze richtlijn door de lidstaten;

(ii)  resultaten van simulaties van toekomstige tendensen in het energieverbruik op het niveau van de Unie.

(ii)  resultaten van simulaties van toekomstige tendensen in het energieverbruik op het niveau van de Unie.

d)   de resultaten van de punten a), b) en c) vergelijken met het energieverbruik dat nodig zou zijn om tegen 2020 het primair energieverbruik tot hoogstens 1 483 Mtoe en het eindenergieverbruik tot hoogstens 1 086 Mtoe te beperken.

d)   de resultaten van de punten a), b) en c) vergelijken met het energieverbruik dat nodig zou zijn om tegen 2020 het primair energieverbruik tot hoogstens 1 483 Mtoe en het eindenergieverbruik tot hoogstens 1 086 Mtoe te beperken.

4. Elke lidstaat stelt indicatieve nationale energie-efficiëntiebijdragen vast om de in artikel 1, lid 1, vermelde doelstelling van de Unie voor 2030 te bereiken, overeenkomstig de artikelen [4] en [6] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie]. Bij het vaststellen van die bijdragen houden de lidstaten er rekening mee dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 321 Mtoe primaire energie en niet meer dan 987 Mtoe eindenergie mag bedragen. De lidstaten delen deze bijdragen mee aan de Unie in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, overeenkomstig de procedure van artikel [3] en de artikelen [7] tot en met [11] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie].";

4. Elke lidstaat identificeert het 'bottom-up' technisch en economisch potentieel voor meer energie-efficiëntieverbeteringen in elke sector, en geeft aan op welke wijze specifieke beleidsmaatregelen in alle stadia van het energiesysteem, van de leverings-, transmissie- en distributiefase tot het eindgebruik van energie, zullen bijdragen tot het verwezenlijken van de in artikel 1, lid 1, vermelde bindende nationale energie-efficiëntiestreefcijfers van de Unie voor 2030, overeenkomstig de artikelen [4] en [6] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie]. Bij het vaststellen van die streefcijfers houden de lidstaten er rekening mee dat het energieverbruik van de Unie in 2030 niet meer dan 1 132 Mtoe primaire energie en niet meer dan 849 Mtoe eindenergie mag bedragen. De lidstaten delen hun nationale streefcijfers mee aan de Unie in het kader van hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, overeenkomstig de procedure van artikel [3] en de artikelen [7] tot en met [11] van Verordening (EU) XX/20XX [Governance van de energie-unie]. De lidstaten brengen daarnaast jaarlijks verslag uit aan de Commissie over de vooruitgang die zij geboekt hebben in de richting van de verwezenlijking van hun streefcijfers.

Amendement    24

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 5

 

Bestaande tekst

Amendement

 

(2 bis)  Artikel 5 wordt vervangen door:

"Artikel 5

"Artikel 5

Voorbeeldfunctie van de gebouwen van overheidsinstanties

Voorbeeldfunctie van de gebouwen van overheidsinstanties

1.  Onverminderd artikel 7 van Richtlijn 2010/31/EU zorgt elke lidstaat ervoor dat vanaf 1 januari 2014 jaarlijks 3 % van de totale vloeroppervlakte van verwarmde en/of gekoelde gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door hun centrale overheid, wordt gerenoveerd om aan de minimumeisen inzake energieprestaties te voldoen die de betrokken lidstaat op grond van artikel 4 van Richtlijn 2010/31/EU heeft vastgelegd.

1.  Onverminderd artikel 7 van Richtlijn 2010/31/EU zorgt elke lidstaat ervoor dat vanaf 1 januari 2014 jaarlijks 3 % van de totale vloeroppervlakte van verwarmde en/of gekoelde gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door hun centrale overheid, wordt gerenoveerd om aan de minimumeisen inzake energieprestaties te voldoen die de betrokken lidstaat op grond van artikel 4 van Richtlijn 2010/31/EU heeft vastgelegd. Vanaf 1 januari 2021 geldt dit lid voor alle verwarmde en gekoelde gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door overheidsinstanties, met inachtneming van hun respectieve bevoegdheden en administratieve organisatie.

Deze 3 % wordt berekend over de totale vloeroppervlakte van de gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2 die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid van de betrokken lidstaat en die op 1 januari van ieder jaar niet voldoen aan de nationale minimumeisen inzake energieprestaties, zoals vastgelegd op grond van artikel 4 van Richtlijn 2010/31/EU. Met ingang van 9 juli 2015 wordt deze drempel verlaagd tot 250 m2.

Deze 3 % wordt berekend over de totale vloeroppervlakte van de gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2 die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid van de betrokken lidstaat en die op 1 januari van ieder jaar niet voldoen aan de nationale minimumeisen inzake energieprestaties, zoals vastgelegd op grond van artikel 4 van Richtlijn 2010/31/EU. Met ingang van 9 juli 2015 wordt deze drempel verlaagd tot 250 m2, en deze vanaf 1 januari 2021 geldt deze voor gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door overheidsinstanties, met inachtneming van hun respectieve bevoegdheden en administratieve organisatie.

Indien een lidstaat voorschrijft dat de verplichting om jaarlijks 3 % van de totale vloeroppervlakte te renoveren ook geldt voor de vloeroppervlakte van gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door bestuursinstellingen op een lager niveau dan de centrale overheid, dan wordt die 3 % berekend over de totale vloeroppervlakte van de gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2, dan wel, met ingang van 9 juli 2015, van meer dan 250 m2, die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid en deze bestuursinstellingen van de betrokken lidstaat en die op 1 januari van ieder jaar niet voldoen aan de nationale minimumeisen inzake energieprestaties, zoals vastgelegd op grond van artikel 4 van Richtlijn 2010/31/EU.

 

Bij de uitvoering van de maatregelen voor de algehele renovatie van de gebouwen van de centrale overheid overeenkomstig de eerste alinea mogen de lidstaten ervoor kiezen het gebouw, inclusief bouwschil, apparatuur, exploitatie en onderhoud, als één geheel te zien.

Bij de uitvoering van de maatregelen voor de algehele renovatie van de gebouwen van overheidsinstanties overeenkomstig de eerste alinea mogen de lidstaten ervoor kiezen het gebouw, inclusief bouwschil, apparatuur, exploitatie en onderhoud, als één geheel te zien.

De lidstaten schrijven voor dat, ingeval het kosteneffectief en technisch uitvoerbaar is, de gebouwen van de centrale overheid met de slechtste energieprestaties voorrang krijgen bij de uitvoering van energie-efficiëntiemaatregelen.

De lidstaten schrijven voor dat, ingeval het kosteneffectief en technisch uitvoerbaar is, de gebouwen van overheidsinstanties met de slechtste energieprestaties voorrang krijgen bij de uitvoering van energie-efficiëntiemaatregelen.

2.  De lidstaten kunnen beslissen ten aanzien van de volgende categorieën gebouwen geen eisen in de zin van lid 1 vast te stellen of toe te passen:

2.  De lidstaten kunnen beslissen ten aanzien van de volgende categorieën gebouwen geen eisen in de zin van lid 1 vast te stellen of toe te passen:

a)   gebouwen die officieel beschermd zijn als onderdeel van een daartoe aangewezen omgeving, dan wel vanwege hun bijzondere architectonische of historische waarde, voor zover de toepassing van bepaalde minimumeisen inzake energieprestaties hun karakter of aanzicht op onaanvaardbare wijze zou veranderen;

a)   gebouwen die officieel beschermd zijn als onderdeel van een daartoe aangewezen omgeving, dan wel vanwege hun bijzondere architectonische of historische waarde, voor zover de toepassing van bepaalde minimumeisen inzake energieprestaties hun karakter of aanzicht op onaanvaardbare wijze zou veranderen;

b)   gebouwen die eigendom zijn van de strijdkrachten of de centrale overheid en nationale defensiedoeleinden dienen, uitgezonderd individuele woonruimten en kantoorgebouwen voor de strijdkrachten en ander personeel in dienst van de nationale defensieautoriteiten;

b)   gebouwen die eigendom zijn van de strijdkrachten of de centrale overheid en nationale defensiedoeleinden dienen, uitgezonderd individuele woonruimten en kantoorgebouwen voor de strijdkrachten en ander personeel in dienst van de nationale defensieautoriteiten;

c)   gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten.

c)   gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten.

3.  Indien een lidstaat in een bepaald jaar meer dan 3 % van de totale vloeroppervlakte van gebouwen van de centrale overheid renoveert, mag hij het teveel ten opzichte van het jaarlijkse renovatiepercentage meetellen in een van de drie voorgaande of volgende jaren.

3.  Indien een lidstaat in een bepaald jaar meer dan 3 % van de totale vloeroppervlakte van gebouwen van de centrale overheid renoveert, mag hij het teveel ten opzichte van het jaarlijkse renovatiepercentage meetellen in een van de drie voorgaande of volgende jaren.

4.  De lidstaten mogen nieuwe gebouwen die gebruikt worden door en eigendom zijn van de centrale overheid ter vervanging van specifieke gebouwen van de centrale overheid die in de voorgaande twee jaren zijn gesloopt of gebouwen die in die twee jaren verkocht, gesloopt of buiten gebruik gesteld zijn ten gevolge van een intensiever gebruik van andere gebouwen, meetellen bij het jaarlijkse renovatiepercentage van de gebouwen van de centrale overheid.

4.  De lidstaten mogen nieuwe gebouwen die gebruikt worden door en eigendom zijn van overheidsinstanties ter vervanging van specifieke gebouwen van overheidsinstanties die in de voorgaande twee jaren zijn gesloopt of gebouwen die in die twee jaren verkocht, gesloopt of buiten gebruik gesteld zijn ten gevolge van een intensiever gebruik van andere gebouwen, meetellen bij het jaarlijkse renovatiepercentage van de gebouwen van de centrale overheid.

5.  Voor de toepassing van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2013 een inventaris is opgesteld en publiek beschikbaar gesteld van de verwarmde en/of gekoelde gebouwen van de centrale overheid met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2, en dat per 9 juli 2015 een inventaris is opgesteld en bekendgemaakt van de gebouwen van de centrale overheid met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2, met uitzondering van de gebouwen die op basis van lid 2 zijn vrijgesteld. De inventaris dient de volgende gegevens te bevatten:

5.  Voor de toepassing van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat uiterlijk op 31 december 2013 een inventaris is opgesteld en publiek beschikbaar gesteld van de verwarmde en/of gekoelde gebouwen van overheidsinstanties met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 500 m2, en dat per 9 juli 2015 een inventaris is opgesteld en bekendgemaakt van de gebouwen van de centrale overheid met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 250 m2, met uitzondering van de gebouwen die op basis van lid 2 zijn vrijgesteld. De inventaris dient de volgende gegevens te bevatten:

a)   de vloeroppervlakte in m2, en

a)   de vloeroppervlakte in m2, en

b)   de energieprestaties van elk gebouw of andere nuttige energiegegevens.

b)   de energieprestaties van elk gebouw;

 

c)   het werkelijke gemeten energieverbruik;

6.  Onverminderd artikel 7 van Richtlijn 2010/31/EU, kunnen de lidstaten kiezen voor een alternatieve benadering van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel, waarbij zij andere kostenefficiënte maatregelen treffen, met inbegrip van grondige renovaties en maatregelen om een gedragsverandering bij de gebruikers van het gebouw teweeg te brengen, teneinde in 2020 in de in aanmerking komende gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door de centrale overheid een energiebesparing te bereiken die ten minste gelijkwaardig is aan de in lid 1 vereiste, op jaarbasis gerapporteerde, besparing.

6.  Onverminderd artikel 7 van Richtlijn 2010/31/EU, kunnen de lidstaten kiezen voor een alternatieve benadering van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel, waarbij zij andere kostenefficiënte maatregelen treffen, met inbegrip van grondige renovaties en maatregelen om een gedragsverandering bij de gebruikers van het gebouw teweeg te brengen, teneinde in 2020 in de in aanmerking komende gebouwen die eigendom zijn van en gebruikt worden door overheidsinstanties een energiebesparing te bereiken die ten minste gelijkwaardig is aan de in lid 1 vereiste, op jaarbasis gerapporteerde, besparing.

Voor de alternatieve benadering kunnen de lidstaten de energiebesparingen waartoe de leden 1 tot en met 4 zouden leiden, ramen aan de hand van de geschikte standaardwaarden voor het energieverbruik van referentiegebouwen van de centrale overheid vóór en na renovatie, en op basis van de geschatte oppervlakte van hun gebouwenbestand. De categorieën waaruit de referentiegebouwen van de centrale overheid bestaan zijn representatief voor dit gebouwenbestand.

Voor de alternatieve benadering kunnen de lidstaten de energiebesparingen waartoe de leden 1 tot en met 4 zouden leiden, ramen aan de hand van de geschikte standaardwaarden voor het energieverbruik van referentiegebouwen van de centrale overheid vóór en na renovatie, en op basis van de geschatte oppervlakte van hun gebouwenbestand. De categorieën waaruit de referentiegebouwen van overheidsinstanties bestaan zijn representatief voor dit gebouwenbestand.

De lidstaten die voor de alternatieve benadering kiezen, brengen de Commissie uiterlijk op 31 december 2013 op de hoogte van de alternatieve maatregelen die zij wensen te nemen, en maken inzichtelijk hoe zij een gelijkwaardige verbetering van de energieprestatie van de gebouwen die deel uitmaken van het gebouwenbestand van de centrale overheid, denken te gaan verwezenlijken.

De lidstaten die voor de alternatieve benadering kiezen, brengen de Commissie uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn op de hoogte van de alternatieve maatregelen die zij wensen te nemen, en maken inzichtelijk hoe zij een gelijkwaardige verbetering van de energieprestatie van de gebouwen die deel uitmaken van het gebouwenbestand van overheidsinstanties, denken te gaan verwezenlijken.

7.  De lidstaten moedigen overheidsinstanties, ook op regionaal en lokaal niveau, en publiekrechtelijke socialehuisvestingmaatschappijen aan om, met inachtneming van hun respectieve bevoegdheden en administratieve organisatie,

7.  De lidstaten moedigen overheidsinstanties, ook op regionaal en lokaal niveau, en publiekrechtelijke socialehuisvestingmaatschappijen aan om, met inachtneming van hun respectieve bevoegdheden en administratieve organisatie,

a)   een energie-efficiëntieplan vast te stellen, dat op zichzelf staat of deel uitmaakt van een breder klimaat- of milieuplan, met specifieke doelstellingen en acties inzake energiebesparing en -efficiëntie, teneinde de in de leden 1, 5 en 6 omschreven voorbeeldfunctie van de gebouwen van de centrale overheid te volgen;

a)   een energie-efficiëntieplan en een renovatiestrategie op lange termijn voor elk gebouw vast te stellen, dat/die op zichzelf staat of deel uitmaakt van een breder klimaat- of milieuplan, met specifieke doelstellingen inzake energiebesparing en -efficiëntie alsook acties en beoordelingen inzake levenscycluskosten, teneinde de in de leden 1, 5 en 6 omschreven voorbeeldfunctie van de gebouwen van overheidsinstanties te volgen;

b)   een energiebeheersysteem in te voeren, inclusief energie-audits, als onderdeel van de uitvoering van hun plan;

b)   een energiebeheersysteem in te voeren, inclusief energie-audits, als onderdeel van de uitvoering van hun plan;

c)   waar passend, energiedienstenbedrijven en energieprestatiecontracten te gebruiken om renovaties te financieren en plannen uit te voeren voor het handhaven of verbeteren van energie-efficiëntie op de lange termijn.

c)   waar passend, energiedienstenbedrijven en energieprestatiecontracten te gebruiken om renovaties te financieren en plannen uit te voeren voor het handhaven of verbeteren van energie-efficiëntie op de lange termijn.

 

7 bis.  De lidstaten rapporteren over de jaarlijkse energiebesparingen als gevolg van de renovaties, inclusief het aandeel van de ingrijpende renovaties, en over de totale gerenoveerde vloeroppervlakte, overeenkomstig artikel 19 van de governanceverordening [ ].

Amendement    25

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 – titel en lid 1 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Verplichting tot energiebesparing

Ondersteuningsregelingen inzake energiebesparing

1. De lidstaten moeten een cumulatieve besparing op het eindenergieverbruik bereiken die minstens gelijk is aan:

1. Met het oog op de verwezenlijking van de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2050 en van de langetermijndoelstellingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs moeten de lidstaten een cumulatieve besparing op het eindenergieverbruik bereiken die minstens gelijk is aan:

a)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2014 en 31 december 2020 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2013;

a)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2014 en 31 december 2020 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2013;

b)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2021 en 31 december 2030 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2019;

b)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2021 en 31 december 2030 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2019;

 

b bis)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2031 en 31 december 2040 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2029;

 

b ter)  nieuwe besparingen die elk jaar tussen 1 januari 2041 en 31 december 2050 1,5 % bedragen van het gemiddelde van de jaarlijkse energieverkoop aan eindafnemers per volume gedurende de meest recente periode van drie jaar voorafgaand aan 1 januari 2039.

 

Indien dit uit de evaluaties van de Commissie nodig blijkt, passen de lidstaten hun jaarlijkse besparingsverplichtingen aan voor de volgende perioden: 2014-2020, 2021-2030, 2031-2040 en 2041-2050.

Amendement    26

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 – lid 1 – alinea 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten moeten gedurende tien jaar na 2030 nieuwe jaarlijkse besparingen van 1,5 % per jaar blijven behalen, tenzij de Commissie in haar evaluatie van 2027 en om de tien jaar daarna tot de conclusie komt dat dit niet nodig is om de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2050 te halen.

De lidstaten moeten voor de perioden 2031-2040 en 2041-2050 nieuwe jaarlijkse besparingen van 1,5 % per jaar blijven behalen, tenzij in evaluaties op basis van door de Commissie vastgestelde objectieve en niet-discriminerende criteria van 2027 en om de tien jaar daarna wordt geconcludeerd dat de jaarlijkse energiebesparingsverplichting moet worden aangepast om de energie- en decarbonisatieoelstellingen van de Unie voor 2050 te halen.

Amendement    27

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 – lid 1 – alinea 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor de toepassing van het bepaalde onder b), en onverminderd leden 2 en 3, mogen de lidstaten alleen die energiebesparingen meetellen die voortvloeien uit nieuwe beleidsmaatregelen die na 31 december 2020 zijn ingevoerd of beleidsmaatregelen die tijdens de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 zijn ingevoerd, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat die maatregelen resulteren in individuele acties die worden ondernomen na 31 december 2020 en een besparing opleveren.

Voor de toepassing van het bepaalde onder b), en onverminderd leden 2 en 3, mogen de lidstaten alleen die energiebesparingen meetellen die voortvloeien uit nieuwe beleidsmaatregelen die na 31 december 2020 zijn ingevoerd of daarvóór, op voorwaarde dat kan worden aangetoond dat die maatregelen resulteren in nieuwe individuele acties die worden ondernomen na 31 december 2020 en een nieuwe besparing opleveren.

Amendement    28

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 – lid 1 – alinea 4

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De verkoop van energie, per volume, die gebruikt wordt voor vervoer, mag geheel of gedeeltelijk buiten de berekening blijven.

De verkoop van energie, per volume, die gebruikt wordt voor vervoer, mag tussen 2014 en 2020 geheel of gedeeltelijk buiten de berekening blijven. De verkoop van energie, per volume, die gebruikt wordt voor vervoer, mag vanaf 2021 niet buiten deze berekeningen blijven.

Amendement    29

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 – lid 1 – alinea 5

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten mogen beslissen hoe de berekende hoeveelheid nieuwe besparingen wordt gespreid over elke onder a) en b) vermelde periode, op voorwaarde dat de vereiste totale cumulatieve besparingen aan het einde van elke periode worden bereikt.

De lidstaten mogen beslissen hoe de berekende hoeveelheid nieuwe besparingen wordt gespreid over elke onder a), b), b bis) en b ter) vermelde periode, op voorwaarde dat de vereiste totale cumulatieve besparingen aan het einde van elke periode worden bereikt.

Motivering

Deze bepalingen moeten ook voor de perioden 2030-2050 gelden teneinde een stabiel kader voor investeringen te waarborgen.

Amendement    30

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 – lid 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

2.  Onverminderd lid 3, kan elke lidstaat:

2.  Onverminderd lid 3, kan elke lidstaat:

a)  de bij lid 1, onder a), voorgeschreven berekening uitvoeren met waarden van 1 % in 2014 en 2015; 1,25 % in 2016 en 2017; en 1,5 % in 2018, 2019 en 2020;

a)  de bij lid 1, onder a), voorgeschreven berekening uitvoeren met waarden van 1 % in 2014 en 2015; 1,25 % in 2016 en 2017; en 1,5 % in 2018, 2019 en 2020;

b)  de verkoop, per volume, van de energie die gebruikt wordt in de industriële activiteiten die in bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG zijn vermeld, geheel of gedeeltelijk buiten de berekening houden;

 

c)  toestaan dat energiebesparingen die gerealiseerd zijn in de sectoren omzetting, distributie en transmissie van energie, met inbegrip van infrastructuur voor efficiënte stadsverwarming en -koeling, en die voortvloeien uit de naleving van de voorschriften van artikel 14, lid 4, artikel 14, lid 5, onder b), en artikel 15, leden 1 tot en met 6 en lid 9, worden meegenomen bij de berekening van de energiebesparingen die vereist zijn uit hoofde van lid 1;

c)  toestaan dat energiebesparingen die gerealiseerd zijn in de sectoren omzetting, distributie en transmissie van energie, met inbegrip van infrastructuur voor efficiënte stadsverwarming en -koeling, en die voortvloeien uit de naleving van de voorschriften van artikel 14, lid 4, artikel 14, lid 5, onder b), en artikel 15, leden 1 tot en met 6 en lid 9, worden meegenomen bij de berekening van de energiebesparingen die vereist zijn uit hoofde van lid 1;

d)  besparingen die voortvloeien uit afzonderlijke maatregelen die voor het eerst zijn uitgevoerd na 31 december 2008 en die in 2020 en daarna nog steeds een effect hebben, en die meetbaar en verifieerbaar zijn, meenemen bij de berekening van de in lid 1 vermelde energiebesparingen; en

 

e)  de verifieerbare hoeveelheid energie die op of in gebouwen wordt opgewekt voor eigen gebruik als gevolg van beleidsmaatregelen ter bevordering van nieuwe installaties van hernieuwbare energietechnologieën, uitsluiten van de berekening van de in lid 1 vermelde energiebesparingseis.

 

Amendement    31

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 – lid 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

3.  Alle overeenkomstig lid 2 gekozen opties mogen samen niet meer bedragen dan 25 % van de in lid 1 vermelde energiebesparingen. De lidstaten berekenen het effect van de gekozen opties voor de in lid 1, onder a) en b), vermelde perioden afzonderlijk en passen dit toe:

3.  Alle overeenkomstig lid 2 gekozen opties mogen samen niet meer bedragen dan 25 % van de in lid 1 vermelde energiebesparingen. De lidstaten berekenen het effect van de gekozen opties voor de in lid 1, onder a) en b), vermelde perioden afzonderlijk en passen dit toe:

a)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder a), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder a), b), c) en d);

a)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder a), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder a) en c);

b)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder b), vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder b), c), d) en e),mits individuele acties in de zin van punt d) een verifieerbaar en meetbaar effect blijven hebben na 31 december 2020.

b)  voor de berekening van de vereiste hoeveelheid energiebesparingen voor de in lid 1, onder b), b bis) en b ter) vermelde periode kunnen de lidstaten gebruikmaken van lid 2, onder c);

Amendement    32

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 3

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 – lid 7

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

7.  De lidstaten zien erop toe dat energiebesparingen niet dubbel worden geteld wanneer beleidsmaatregelen of afzonderlijke acties een overlappende werking hebben.

7.  De lidstaten erkennen dat efficiëntiewinsten van primaire en eindenergie complementair zijn en zien erop toe dat energiebesparingen niet dubbel worden geteld wanneer beleidsmaatregelen of afzonderlijke acties een overlappende werking hebben.

Amendement    33

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 bis

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 7 bis

Artikel 7 bis

Verplichtingsregelingen voor energie-efficiëntie

Ondersteuningsregelingen inzake energie-efficiëntie

1.  Wanneer lidstaten beslissen hun verplichting om de bij artikel 7, lid 1, vereiste besparing te verwezenlijken, na te komen aan de hand van een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie, zien zij erop toe dat de in lid 2 bedoelde, aan verplichtingen gebonden partijen die actief zijn op het grondgebied van elke lidstaat, de in artikel 7, lid 1, uiteengezette cumulatieve eindenergiebesparing bereiken, onverminderd artikel 7, lid 2.

1.  Wanneer lidstaten beslissen hun verplichting om de bij artikel 7, lid 1, vereiste besparing te verwezenlijken, na te komen aan de hand van een ondersteuningsregeling inzake energie-efficiëntie, zien zij erop toe dat de in lid 2 bedoelde, aan verplichtingen gebonden partijen die actief zijn op het grondgebied van elke lidstaat, de in artikel 7, lid 1, uiteengezette cumulatieve eindenergiebesparing bereiken, onverminderd artikel 7, lid 2.

2.  Op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria wijzen de lidstaten aan verplichtingen gebonden partijen aan onder de energiedistributeurs en/of detailhandelaars in energie die op hun grondgebied actief zijn; daaronder kunnen begrepen zijn distributeurs en detailhandelaars van vervoersbrandstof die op hun grondgebied actief zijn. De energiebesparing die nodig is om aan de verplichting te voldoen, wordt door de aan verplichtingen gebonden partijen gerealiseerd onder de eindafnemers, die door de lidstaat, onafhankelijk van de in artikel 7, lid 1, bedoelde berekening, zijn aangewezen, of, indien de lidstaten hiertoe besluiten, door middel van gecertificeerde besparingen afkomstig van andere partijen, als omschreven in lid 5, onder b).

2.  Op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria wijzen de lidstaten aan verplichtingen gebonden partijen aan onder de energiedistributeurs en/of detailhandelaars in energie die op hun grondgebied actief zijn; daaronder vallen distributeurs en detailhandelaars van vervoersbrandstof die op hun grondgebied actief zijn. De energiebesparing die nodig is om aan de verplichting te voldoen, wordt door de aan verplichtingen gebonden partijen gerealiseerd onder de eindafnemers, die door de lidstaat, onafhankelijk van de in artikel 7, lid 1, bedoelde berekening, zijn aangewezen, of, indien de lidstaten hiertoe besluiten, door middel van gecertificeerde besparingen afkomstig van andere partijen, als omschreven in lid 5, onder b).

3.  De lidstaten drukken de van elke aan verplichtingen gebonden partij vereiste energiebesparing uit in termen van ofwel eindverbruik, ofwel primair verbruik van energie. De gekozen methode om de vereiste energiebesparing uit te drukken, wordt ook gebruikt om de door de aan verplichtingen gebonden partijen geclaimde besparing te berekenen. De conversiefactoren in bijlage IV zijn van toepassing.

3.  De lidstaten drukken de van elke aan verplichtingen gebonden partij vereiste energiebesparing uit in termen van ofwel eindverbruik, ofwel primair verbruik van energie. De gekozen methode om de vereiste energiebesparing uit te drukken, wordt ook gebruikt om de door de aan verplichtingen gebonden partijen geclaimde besparing te berekenen. De conversiefactoren in bijlage IV zijn van toepassing.

4.  De lidstaten zorgen voor meet-, controle- en verificatiesystemen voor de uitvoering van gedocumenteerde audits op een statistisch relevant aandeel en een representatieve selectie van de maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie die zijn genomen door de aan verplichtingen gebonden partijen. Deze meting, controle en verificatie geschieden door een orgaan dat onafhankelijk is van de aan verplichtingen gebonden partijen.

4.  De lidstaten zorgen voor meet-, controle- en verificatiesystemen voor de uitvoering van gedocumenteerde audits op een statistisch relevant aandeel en een representatieve selectie van de maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie die zijn genomen door de aan verplichtingen gebonden partijen. Deze meting, controle en verificatie geschieden door een orgaan dat onafhankelijk is van de aan verplichtingen gebonden partijen.

5.  In het kader van de verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie:

5.  In het kader van de ondersteuningsregeling inzake energie-efficiëntie:

a)  nemen de lidstaten eisen met een sociale doelstelling op in de besparingsverplichtingen die zij opleggen, waaronder de eis om een gedeelte van de energie-efficiëntiemaatregelen bij voorrang uit te voeren in huishoudens die met energiearmoede kampen, en in sociale woningen;

a)  nemen de lidstaten eisen met een sociale doelstelling op in de besparingsverplichtingen die zij opleggen, en maken deze openbaar, waaronder de eis om een aanzienlijk gedeelte van de energie-efficiëntiemaatregelen bij voorrang uit te voeren in huishoudens met een laag inkomen die het risico lopen met energiearmoede te kampen te krijgen, en in sociale woningen, en vergemakkelijken de toegang tot de noodzakelijke financiële ondersteuning middels passende financiële instrumenten;

b)  mogen de lidstaten de aan verplichtingen gebonden partijen toestaan de gecertificeerde energiebesparingen die zijn behaald door leveranciers van energiediensten of andere derde partijen, mee te laten tellen voor hun verplichting, onder meer ingeval de aan verplichtingen gebonden partijen via andere officieel goedgekeurde instanties of overheidsinstanties maatregelen propageren die al dan niet formele partnerschappen kunnen inhouden en gecombineerd kunnen worden met andere financieringsbronnen. Wanneer lidstaten zulks toestaan, zien zij erop toe dat er een goedkeuringsprocedure van kracht is die helder en transparant is, openstaat voor alle marktdeelnemers en de certificatiekosten zo laag mogelijk probeert te houden;

b)  staan de lidstaten de aan verplichtingen gebonden partijen toe de gecertificeerde energiebesparingen die zijn behaald door leveranciers van energiediensten of andere derde partijen, mee te laten tellen voor hun verplichting, onder meer ingeval de aan verplichtingen gebonden partijen via andere officieel goedgekeurde instanties, zoals verstrekkers van sociale huisvesting, of overheidsinstanties maatregelen propageren die al dan niet formele partnerschappen kunnen inhouden en gecombineerd kunnen worden met andere financieringsbronnen. Wanneer lidstaten zulks toestaan, zien zij erop toe dat er een goedkeuringsprocedure van kracht is die helder en transparant is, openstaat voor alle marktdeelnemers en de certificatiekosten zo laag mogelijk probeert te houden;

c)  mogen de lidstaten aan verplichtingen gebonden partijen toestaan de besparing die in een bepaald jaar werd behaald, te behandelen alsof deze werd behaald in een van de vier voorgaande of de drie volgende jaren, zolang de in artikel 7, lid 1, vastgestelde perioden niet worden overschreden.

c)  mogen de lidstaten aan verplichtingen gebonden partijen toestaan de besparing die in een bepaald jaar werd behaald, te behandelen alsof deze werd behaald in een van de vier voorgaande of de drie volgende jaren, zolang de in artikel 7, lid 1, vastgestelde perioden niet worden overschreden.

6.  De lidstaten maken de totale energiebesparing die op grond van deze regeling is behaald door elke aan verplichtingen gebonden partij, of elke subcategorie van een aan verplichtingen gebonden partij, eens per jaar openbaar.

6.  De lidstaten maken de totale energiebesparing die op grond van deze regeling is behaald door elke aan verplichtingen gebonden partij, of elke subcategorie van een aan verplichtingen gebonden partij, eens per jaar openbaar.

Amendement    34

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 7 ter

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 7 ter

Artikel 7 ter

Alternatieve beleidsmaatregelen

Alternatieve beleidsmaatregelen

1.  Wanneer de lidstaten besluiten hun verplichtingen om de bij artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing door middel van alternatieve beleidsmaatregelen te verwezenlijken, zorgen zij ervoor dat de krachtens artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing wordt gerealiseerd onder de eindafnemers.

1.  Wanneer de lidstaten besluiten hun verplichtingen om de bij artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing door middel van alternatieve beleidsmaatregelen te verwezenlijken, zorgen zij ervoor dat de krachtens artikel 7, lid 1, vereiste energiebesparing wordt gerealiseerd onder de eindafnemers.

2.  Bij het plannen van alternatieve beleidsmaatregelen om energie te besparen, houden de lidstaten rekening met de gevolgen voor huishoudens die met energiearmoede kampen.

2.  Bij het plannen van alternatieve beleidsmaatregelen om energie te besparen en te zorgen dat er ambitieuze renovaties van bestaande gebouwen worden gerealiseerd, nemen de lidstaten maatregelen voor huishoudens met een laag inkomen die het risico lopen met energiearmoede te kampen te krijgen, en in sociale woningen. Deze maatregelen worden openbaar gemaakt.

3.  Voor alle andere dan belastingsmaatregelen zorgen de lidstaten voor meet-, controle- en verificatiesystemen voor de uitvoering van gedocumenteerde audits op een statistisch relevant aandeel en een representatieve selectie van de maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie die zijn genomen door de deelnemende of de met de uitvoering belaste partijen. Die meting, controle en verificatie worden onafhankelijk van de deelnemende of de met de uitvoering belaste partijen uitgevoerd.";

3.  Voor alle andere dan belastingsmaatregelen zorgen de lidstaten voor meet-, controle- en verificatiesystemen voor de uitvoering van gedocumenteerde audits op een statistisch relevant aandeel en een representatieve selectie van de maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie die zijn genomen door de deelnemende of de met de uitvoering belaste partijen. Die meting, controle en verificatie worden onafhankelijk van de deelnemende of de met de uitvoering belaste partijen uitgevoerd.

Amendement    35

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 8 – lid 4

 

Bestaande tekst

Amendement

 

(4 bis)  Artikel 8, lid 4, wordt vervangen door:

"4.  De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die geen kmo's zijn, een energie-audit ondergaan die op een onafhankelijke en kostenefficiënte manier, door gekwalificeerde en/of geaccrediteerde deskundigen of onder supervisie van onafhankelijke instanties op grond van de nationale wetgeving, uiterlijk op 5 december 2015 en ten minste om de vier jaar na de voorgaande energie-audit wordt uitgevoerd.

"4.  De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemingen die geen kmo's zijn, een energie-audit ondergaan die op een onafhankelijke en kostenefficiënte manier, door gekwalificeerde en/of geaccrediteerde deskundigen of onder supervisie van onafhankelijke instanties op grond van de nationale wetgeving, uiterlijk op 5 december 2015 en ten minste om de vier jaar na de voorgaande energie-audit wordt uitgevoerd.

 

De lidstaten sporen kmo's met een hoger energieverbruik per omzet dan het EU-gemiddelde aan zich te houden aan het bepaalde in dit lid."

Amendement    36

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 ter (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 8 – lid 6

 

Bestaande tekst

Amendement

 

(4 ter)  Artikel 8, lid 6, wordt vervangen door:

6.   Ondernemingen die geen kmo's zijn en die een energie- of een milieubeheersysteem toepassen dat door een onafhankelijk orgaan volgens de Europese of internationale normen is gecertificeerd, zijn vrijgesteld van de voorschriften van lid 4, mits de lidstaten ervoor zorgen dat het beheersysteem een energie-audit omvat die berust op de minimumcriteria welke voldoen aan bijlage VI.

"6.   Ondernemingen die geen kmo's zijn en ondernemingen die kmo's zijn met een hoog energieverbruik per werknemer of omzet en die een energie- of een milieubeheersysteem toepassen dat door een onafhankelijk orgaan volgens de Europese of internationale normen is gecertificeerd, zijn vrijgesteld van de voorschriften van lid 4, mits de lidstaten ervoor zorgen dat het beheersysteem een energie-audit omvat die berust op de minimumcriteria welke voldoen aan bijlage VI.

Amendement37

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 9 – lid 1 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

"De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van aardgas, voor zover dit technisch mogelijk en financieel redelijk is en voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over het werkelijke tijdstip van het verbruik.";

"De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van aardgas, voor zover dit technisch mogelijk en kostenefficiënt is en voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over individuele meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven en informatie geven over het werkelijke tijdstip van het verbruik.";

Motivering

Consumenten hebben het recht op heldere, begrijpelijke en tijdig verstrekte informatie over hun energieverbruik. Warmtemeters en warmtekostenverdelers in appartementengebouwen of multifunctionele gebouwen zijn echter alleen gerechtvaardigd indien technisch haalbaar, kostenefficiënt en evenredig met de potentiële energiebesparingen, omdat ze anders ongewenste gevolgen kunnen hebben, zoals nieuwe risico's van energiearmoede en belemmeringen voor andere maatregelen die grotere energie-efficiëntiewinst voor consumenten zouden opleveren.

Amendement    38

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 6

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 9 bis

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Artikel 9 bis

Artikel 9 bis

Meting, individuele bemetering en warmtekostenverdeling voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden

Meting, individuele bemetering en warmtekostenverdeling voor verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden

1. De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven.

1. De lidstaten zorgen ervoor dat eindafnemers van stadsverwarming, stadskoeling en warm water voor huishoudelijke doeleinden tegen concurrerende prijzen de beschikking krijgen over meters die het daadwerkelijke energieverbruik van de eindafnemer nauwkeurig weergeven.

Ingeval de verwarming en koeling of warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient of door een netwerk voor stadsverwarming of -koeling, wordt altijd een warmtemeter of een warmwatermeter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt.

Ingeval de verwarming, koeling of warmwatervoorziening van een gebouw geleverd wordt door een centrale bron die verschillende gebouwen bedient of door een netwerk voor stadsverwarming en -koeling, wordt altijd een meter geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt.

2.  In appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die over een centrale verwarmings- of koelingsbron beschikken of die zijn aangesloten op een systeem voor stadsverwarming of -koeling, worden individuele meters geïnstalleerd om het warmte- of koelingsverbruik of warmwaterverbruik voor iedere eenheid van het gebouw te meten.

2.  In appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die over een centrale verwarmings- of koelingsbron beschikken of die zijn aangesloten op een systeem voor stadsverwarming of -koeling, worden individuele meters geïnstalleerd om het warmte- of koelingsverbruik of warmwaterverbruik voor iedere eenheid van het gebouw te meten, indien dit technisch mogelijk en kostenefficiënt is en voor zover dit in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen.

Als het gebruik van individuele meters technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is om het warmte- of koelingsverbruik in elke eenheid van het gebouw te meten, worden individuele warmtekostenverdelers gebruikt om het warmteverbruik van elke radiator te meten, tenzij de desbetreffende lidstaat aantoont dat de installatie van dergelijke warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is. In die gevallen kunnen alternatieve kostenefficiënte methoden voor de meting van het warmteverbruik worden overwogen. De voorwaarden van technische onhaalbaarheid en niet-kosteneffectiviteit worden door elke lidstaat duidelijk vastgesteld en gepubliceerd.

Als het gebruik van individuele meters technisch niet haalbaar of niet kostenefficiënt is of niet in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen om het warmte- of koelingsverbruik in elke eenheid van het gebouw te meten, worden individuele warmtekostenverdelers gebruikt om het warmteverbruik van elke radiator te meten, tenzij de desbetreffende lidstaat aantoont dat de installatie van dergelijke warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is. In die gevallen kunnen alternatieve kostenefficiënte methoden voor de meting van het warmteverbruik worden overwogen. De voorwaarden van technische onhaalbaarheid en niet-kosteneffectiviteit worden door elke lidstaat duidelijk vastgesteld en gepubliceerd.

In nieuwe gebouwen als bedoeld in de eerste alinea, of wanneer een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd, zoals bepaald in Richtlijn 2010/31/EU, worden altijd individuele meters geïnstalleerd.

In nieuwe gebouwen als bedoeld in de eerste alinea, of wanneer een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd, zoals bepaald in Richtlijn 2010/31/EU, worden warmwatermeters geïnstalleerd, indien dit technisch haalbaar en kostenefficiënt is en in verhouding staat tot de potentiële energiebesparingen, en wordt ervoor gezorgd dat dit het risico op energiearmoede niet vergroot.

3.  In het geval van appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die zijn aangesloten op stadsverwarming of -koeling of waar een eigen gemeenschappelijk verwarmings- of koelingssysteem voor dergelijke gebouwen gangbaar is, voeren de lidstaten, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, transparante regels in voor de verdeling van de kosten van verwarming, koeling en warmwaterverbruik in dergelijke gebouwen, zoals:

3.  In het geval van appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen die zijn aangesloten op stadsverwarming of -koeling of waar een eigen gemeenschappelijk verwarmings- of koelingssysteem voor dergelijke gebouwen gangbaar is, voeren de lidstaten, met het oog op een transparante en accurate berekening van het individuele verbruik, transparante nationale regels in, en maken deze ook openbaar, voor de verdeling van de kosten van verwarming, koeling en warmwaterverbruik in dergelijke gebouwen, zoals:

4. Met het oog op de toepassing van dit artikel moeten meters en kostenverdelers die met ingang van 1 januari 2020 worden geïnstalleerd, op afstand leesbaar zijn.

4. Met het oog op de toepassing van dit artikel moeten meters en warmtekostenverdelers die met ingang van 1 januari 2020 worden geïnstalleerd, op afstand leesbaar zijn. De voorwaarden betreffende technische haalbaarheid en kosteneffectiviteit zoals bedoeld in de eerste en tweede alinea van lid 2 blijven van toepassing.

Meters en kostenverdelers die al zijn geïnstalleerd maar nog niet op afstand kunnen worden gelezen, worden uiterlijk op 1 januari 2027 met deze mogelijkheid uitgerust of vervangen, tenzij de lidstaat in kwestie aantoont dat dit niet kostenefficiënt is.";

Meters en warmtekostenverdelers die al zijn geïnstalleerd maar nog niet op afstand kunnen worden gelezen, worden uiterlijk op 1 januari 2027 met deze mogelijkheid uitgerust of vervangen, tenzij de lidstaat in kwestie aantoont dat dit niet kostenefficiënt is.";

Amendement    39

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter c

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 10 – lid 2 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Meters die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met Richtlijn 2009/73/EG maken nauwkeurige factureringsinformatie op basis van het feitelijke verbruik mogelijk. De lidstaten zorgen ervoor dat de eindafnemer gemakkelijk toegang krijgt tot aanvullende informatie over het verbruiksverleden, aan de hand waarvan hij zelf tot controle kan overgaan.;

Meters die zijn geïnstalleerd in overeenstemming met Richtlijn 2009/73/EG maken nauwkeurige factureringsinformatie op basis van het feitelijke verbruik mogelijk. De lidstaten zorgen ervoor dat de eindafnemer gemakkelijk toegang krijgt tot aanvullende informatie over het verbruiksverleden, aan de hand waarvan hij zelf tot controle kan overgaan. Met het oog op de persoonlijke levenssfeer van eindafnemers waarborgen de lidstaten dat de meters aan de eisen inzake de persoonlijke levenssfeer voldoen en worden gebruikt in overeenstemming met de vereisten van Verordening (EU) 2016/679 (Algemene verordening gegevensbescherming (AVG)). De lidstaten houden ook rekening met het belang van bestendigheid tegen cybercriminaliteit in meetsystemen. In dit opzicht onderzoekt de Commissie vóór 1 januari 2019 of Richtlijn 2013/40/EU (over aanvallen op informatiesystemen) moet worden bijgewerkt en uitgebreid naar meetsystemen.

Amendement    40

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 8

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 10 bis – lid 1 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zorgen ervoor dat de facturering en verbruiksinformatie nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik van alle eindgebruikers waar meters of kostenverdelers zijn geïnstalleerd, in overeenstemming met de punten 1 en 2 van bijlage VII bis.

De lidstaten zorgen ervoor dat de facturering en verbruiksinformatie nauwkeurig is en gebaseerd is op het werkelijke verbruik of op meetgegevens van warmtekostenverdelers van alle eindgebruikers waar meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, in overeenstemming met de punten 1 en 2 van bijlage VII bis.

Amendement    41

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 8

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 10 bis – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

De lidstaten kunnen beslissen wie ervoor verantwoordelijk is om facturen en verbruiksinformatie op basis van het werkelijke verbruik of van meetgegevens van warmtekostenverdelers aan eindgebruikers te verstrekken, met andere woorden, aan natuurlijke of rechtspersonen die een individueel gebouw of een wooneenheid in een appartementengebouw of multifunctioneel gebouw gebruiken dat van verwarming, koeling of warm water wordt voorzien door een centrale bron die geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met de energieleverancier heeft.

Motivering

The obligation of delivering billing and consumption information to final users is not always possible to fulfil with heat cost allocators because they do not measure actual heat consumption and it will be very expensive and technically complicated replace them with energy meters. Billing information on heat consumption based on heat meter readings should be provided as a rule only to the final customer. The scope of information delivered to final users (in case they are not final customers), should be decided individually by Member States, taking into account the specificity of the building infrastructure in each area and the current legal status.

Amendement    42

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 8

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 10 bis – lid 2 – letter a

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  schrijven voor dat, indien er informatie beschikbaar is over de energiefacturering en het verbruiksverleden van de eindgebruiker, deze op zijn verzoek ter beschikking worden gesteld van een aanbieder van energiediensten die door de eindgebruiker is aangewezen;

a)  schrijven voor dat, indien er informatie beschikbaar is over de energiefacturering en het verbruiksverleden of de meetgegevens van warmtekostenverdelers van de eindgebruiker, deze op verzoek van de eindgebruiker ter beschikking worden gesteld van een aanbieder van energiediensten die door de eindgebruiker is aangewezen;

Amendement    43

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 8

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 10 bis – lid 2 – letter c

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

c)  zien erop toe dat passende informatie wordt verstrekt bij de factuur die gebaseerd is op het werkelijke verbruik van alle eindgebruikers, in overeenstemming met punt 3 van bijlage VII;

c)  zien erop toe dat passende informatie wordt verstrekt bij de factuur die gebaseerd is op het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers van alle eindgebruikers, in overeenstemming met punt 3 van bijlage VII bis;

Amendement    44

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 bis (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 19 bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

(11 bis)  Het volgende artikel 19 bis wordt ingevoegd:

 

Artikel 19 bis

 

Financiering van energie-efficiëntie door Europese banken

 

De Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBWO) passen hun beleidsdoelstellingen aan teneinde energie-efficiëntie als een op zichzelf staande energiebron en investeringen in energie-efficiëntie als onderdeel van hun portefeuille voor infrastructuurinvesteringen te erkennen.

 

Samen met andere banken ontwerpen, genereren en financieren de EIB en de EBWO programma's en projecten die zijn afgestemd op de efficiëntiesector, waaronder energiearme huishoudens.

 

De lidstaten maken ten volle gebruik van de mogelijkheden en instrumenten die door het initiatief "Slimme financiering voor slimme gebouwen" worden voorgesteld."

Motivering

Er is een sprongsgewijze verandering nodig zodat de financiële instellingen financiële instrumenten ter beschikking stellen die geschikt zijn voor grootschalige investeringen in energie-efficiëntie.

Amendement    45

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 bis (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 24 – lid 4

 

Bestaande tekst

Amendement

 

(12 bis)  In artikel 24 wordt lid 4 vervangen door:

4.   De Commissie volgt het effect van de uitvoering van deze richtlijn op de Richtlijnen 2003/87/EG, 2009/28/EG en 2010/31/EU en Beschikking nr. 406/2009/EG en in de bedrijfstakken, in het bijzonder die waar het CO2-weglekrisico aanzienlijk is, in de zin van Besluit 2010/2/EU.

De Commissie volgt het effect van de uitvoering van deze richtlijn op Richtlijnen 2003/87/EG, 2009/28/EG en 2010/31/EU en Verordening nr. ... (Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 voor een veerkrachtige energie-unie en om aan de verbintenissen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie met betrekking tot klimaatverandering) en dient elk jaar een verslag hierover in bij het Europees Parlement en de Raad. Indien op basis van deze periodieke verslagen de Commissie aanwijzingen heeft dat de interactie van de beleidsmaatregelen leidt tot een onjuist functioneren van de koolstofmarkt, dient de Commissie een wetsvoorstel in met maatregelen ter verbetering van dat functioneren."

 

(De oorspronkelijke/huidige punten 13 en 14 van het voorstel krijgen een nieuw nummer en worden respectievelijk de punten 14 en 15.)

Motivering

Aangezien er na 2020 een broos evenwicht tussen vraag en aanbod wordt verwacht, kan door de bijkomende daling van de vraag als gevolg de overlappingen van het EU ETS met andere maatregelen van het klimaatbeleid een situatie ontstaan waarin het aanbod aan emissierechten chronisch gelijk of hoger dan de desbetreffende vraag zal zijn. Daarom moet het negatieve effect van de overlappende maatregelen van het klimaatbeleid worden weggewerkt door in de MSR het volume aan emissierechten te plaatsen dat equivalent is aan de emissiebesparingen die buiten de EU ETS-markt zijn behaald.

Amendement    46

Voorstel voor een richtlijn

Artikel 1 – alinea 1 – punt 13

Richtlijn 2012/27/EU

Artikel 24 – lid 12

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

12.  De Commissie evalueert deze richtlijn uiterlijk op 28 februari 2024 en daarna om de vijf jaar, en brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen.

12.  De Commissie gaat ten laatste zes maanden na de balans van het UNFCCC in 2023, en na vervolgherzieningen daarna, over tot een algemene herziening van deze richtlijn, en legt aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de algemene doeltreffendheid van deze richtlijn en de noodzaak om het energie-efficiëntiebeleid van de Unie aan te passen aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs. Dat verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor verdere maatregelen.

Motivering

De herziening van deze richtlijn moet worden gezien in de nieuwe algemene context na de goedkeuring van de akkoorden van Parijs. Ambitieuze maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie zullen belangrijk zijn voor het invullen van de Europese beloften en moeten elke vijf jaar worden geactualiseerd.

Amendement    47

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 1 – letter a

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage IV – voetnoot 3

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  in bijlage IV wordt voetnoot 3 vervangen door: "(3) Van toepassing wanneer de energiebesparing wordt berekend in termen van primaire energie aan de hand van een benadering van onderaf gebaseerd op eindenergieverbruik. Voor besparingen in kWh elektriciteit kunnen de lidstaten een standaardcoëfficiënt van 2,0 gebruiken. De lidstaten kunnen een afwijkende coëfficiënt gebruiken indien zij dat kunnen rechtvaardigen.".

a)  in bijlage IV wordt voetnoot 3 vervangen door: "(3) Van toepassing wanneer de energiebesparing wordt berekend in termen van primaire energie aan de hand van een benadering van onderaf gebaseerd op eindenergieverbruik. Voor besparingen in kWh elektriciteit kunnen de lidstaten een standaardcoëfficiënt van 2,0 gebruiken. De lidstaten kunnen een afwijkende coëfficiënt gebruiken indien zij dat kunnen rechtvaardigen op grond van nationale omstandigheden die het primaire energieverbruik beïnvloeden. Deze omstandigheden dienen naar behoren te worden gestaafd, meetbaar en verifieerbaar te zijn, en op objectieve en niet-discriminerende criteria te zijn gebaseerd.".

Amendement    48

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 1 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage V – punt 2 – letter a

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  het moet worden aangetoond dat de besparing een aanvulling vormt op de besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden. Voor de berekening van de nettobesparingen moeten de lidstaten een basisscenario opstellen dat weergeeft hoe de situatie zou evolueren zonder het beleid in kwestie. In dit basisscenario moet rekening worden gehouden met minstens de volgende factoren: tendensen in het energieverbruik, veranderingen in het gedrag van de consumenten, technologische vooruitgang en veranderingen die zijn veroorzaakt door andere maatregelen die op nationaal en EU-niveau ten uitvoer worden gelegd;

a)  het moet worden aangetoond dat de besparing een aanvulling vormt op de besparingen die ook zonder de activiteit van de aan verplichtingen gebonden, deelnemende of met de uitvoering belaste partijen en/of uitvoerende autoriteiten zouden hebben plaatsgevonden. Om te bepalen welke besparingen als aanvullend kunnen worden geclaimd, stellen de lidstaten een basisscenario op waarin wordt beschreven hoe het energieverbruik zou evolueren zonder de beleidsmaatregel en de daaruit voortvloeiende nieuwe individuele acties in kwestie. In dit basisscenario moet rekening worden gehouden met minstens de volgende factoren: tendensen in het energieverbruik, veranderingen in het gedrag van de consumenten, technologische vooruitgang en veranderingen die zijn veroorzaakt door andere maatregelen die op nationaal en EU-niveau ten uitvoer worden gelegd;

Amendement    49

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 1 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage V – punt 2 – letter h

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

h)  bij de berekening van energiebesparingen wordt rekening gehouden met de levensduur van de maatregelen; dit kan geschieden door berekening van de besparingen die elke afzonderlijke actie tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030 zal opleveren. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten een andere methode kiezen die wordt geacht ten minste dezelfde totale hoeveelheid aan besparingen op te leveren. Bij gebruikmaking van andere methoden zorgen de lidstaten ervoor dat de totale energiebesparingen die met deze andere methoden zijn berekend niet hoger zijn dan de energiebesparingen die het resultaat zouden zijn geweest van hun berekening als zij de besparingen meerekenen die elke individuele actie zou opleveren tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030. De lidstaten geven in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen in het kader van de governance van de energie-unie aan welke andere methoden zij hebben gebruikt en welke bepalingen zijn vastgesteld om te garanderen dat zij deze bindende berekeningsvereiste nakomen.

h)  bij de berekening van energiebesparingen wordt rekening gehouden met de levensduur van de maatregelen door berekening van de besparingen die elke afzonderlijke actie tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030 zal opleveren. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten een andere methode kiezen die wordt geacht ten minste dezelfde totale hoeveelheid aan besparingen op te leveren. Bij gebruikmaking van andere methoden zorgen de lidstaten ervoor dat de totale energiebesparingen die met deze andere methoden zijn berekend niet hoger zijn dan de energiebesparingen die het resultaat zouden zijn geweest van hun berekening als zij de besparingen meerekenen die elke individuele actie zou opleveren tussen de datum van uitvoering en 31 december 2020 of, indien van toepassing, 31 december 2030. De lidstaten geven in hun geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen in het kader van de governance van de energie-unie aan welke andere methoden zij hebben gebruikt en welke bepalingen zijn vastgesteld om te garanderen dat zij deze bindende berekeningsvereiste nakomen.

Amendement    50

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 1 – letter b

Richtlijn 2012/12/EU

Bijlage V – punt 3 – alinea 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Voor beleidsmaatregelen die worden genomen overeenkomstig artikel 7, lid 2, onder e), mogen de lidstaten gebruik maken van de berekeningsmethode die is vastgesteld in Richtlijn 2010/31/EU, voor zover dit in overeenstemming is met de eisen van artikel 7 van deze richtlijn en deze bijlage.

Schrappen

Amendement    51

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 1 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage V – punt 5 – letter a bis (nieuw)

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

 

a bis)  bronnen die worden gebruikt voor de berekening van de verkoopcijfers met een motivering voor het gebruik van andere statistische bronnen en eventuele verschillen van de daaruit voortvloeiende hoeveelheden (indien andere bronnen dan Eurostat worden gebruikt);

Amendement    52

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 1 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage V – punt 5 – letter h

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

h)  de levensduur van maatregelen, hoe deze is berekend en waarop deze is gebaseerd;

h)  de levensduur van maatregelen, hoe deze is berekend en waarop deze is gebaseerd, alsook andere vastgestelde methoden waarvan wordt verwacht dat zij ten minste dezelfde hoeveelheid besparingen zullen opleveren;

Amendement    53

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 2 – letter b

Richtlijn 2010/31/EU

Bijlage VII bis– titel

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Minimumeisen voor informatie over facturen en verbruik, op basis van werkelijk verbruik van verwarming, koeling en warm water

Minimumeisen voor informatie over facturen en verbruik voor verwarming, koeling en warm water

Amendement    54

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 2 – letter b

Richtlijn 2010/31/EU

Bijlage VIII bis – punt 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Facturering op basis van werkelijk verbruik

Facturatie op basis van werkelijk verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers

Om eindafnemers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen, moet er ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik worden gefactureerd.

Om eindgebruikers in staat te stellen hun eigen energieverbruik te regelen, moet er ten minste eenmaal per jaar op basis van het werkelijke verbruik of van meetgegevens van warmtekostenverdelers worden gefactureerd.

Amendement    55

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 2 – letter b

Richtlijn 2010/31/EU

Bijlage VII bis – punt 2 – alinea 1

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer op afstand leesbare meters of kostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf [Please insert here ….the entry into force] minstens elk kwartaal, wanneer de eindafnemer daarom vraagt of wanneer hij gekozen heeft voor elektronische facturering, of anders tweemaal per jaar informatie over facturen of verbruik worden verstrekt op basis van het werkelijke verbruik.

Wanneer op afstand leesbare meters of kostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf [Please insert here ….date of transposition] minstens elk kwartaal, wanneer de eindafnemer daarom vraagt of wanneer hij gekozen heeft voor elektronische facturering, of anders tweemaal per jaar informatie over facturen of verbruik worden verstrekt op basis van het werkelijke verbruik of van meetgegevens van warmtekostenverdelers.

Amendement    56

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 2 – letter b

Richtlijn 2010/31/EU

Bijlage VII bis – punt 2 – alinea 2

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Wanneer op afstand leesbare meters of kostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf 1 januari 2022 minstens maandelijks informatie over facturen of verbruik worden verstrekt. Verwarming en koeling kunnen hiervan worden uitgesloten buiten het verwarmings-/koelingsseizoen.

Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd, moet vanaf 1 januari 2022 minstens maandelijks informatie over facturen of verbruik op basis van het werkelijke verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers worden verstrekt. Verwarming en koeling kunnen hiervan worden uitgesloten buiten het verwarmings-/koelingsseizoen.

Amendement    57

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 2 – letter b

Richtlijn 2010/31/EU

Bijlage VII bis – punt 3 – titel

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Minimuminformatie op de factuur op basis van werkelijk verbruik

Minimuminformatie op de factuur op basis van werkelijk verbruik of meetgegevens van warmtekostenverdelers

Amendement    58

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 2 – letter b

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage VII bis – punt 3 – alinea 1 – inleidende formule

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

De lidstaten zorgen ervoor dat de eindgebruikers in of bij hun factuur, in duidelijke en begrijpelijke taal de volgende informatie krijgen:

De lidstaten zorgen ervoor dat de eindgebruikers in of bij hun factuur, in duidelijke en begrijpelijke taal de volgende nauwkeurige informatie krijgen:

Amendement    59

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 2 – letter b

Richtlijn 2010/31/EU

Bijlage VII bis – punt 3 – alinea 1 – letter a

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

a)  de huidige actuele prijzen en het daadwerkelijke verbruik van energie;

a)  de huidige actuele prijzen en het daadwerkelijke verbruik of de totale warmtekosten en meetgegevens van warmtekostenverdelers;

Motivering

Bijlage VII bis moet worden gewijzigd om in overeenstemming te zijn met artikel 10 bis.

Amendement    60

Voorstel voor een richtlijn

Bijlage I – punt 2 bis (nieuw)

Richtlijn 2012/27/EU

Bijlage IX – deel 2 – letter g

 

Bestaande tekst

Amendement

 

2 bis.   Bijlage IX, deel I, letter g, wordt vervangen door:

g) Economische analyse: Inventaris van effecten

g) Economische analyse: Inventaris van effecten

Bij de economische analyse wordt rekening gehouden met alle relevante economische effecten.

Bij de economische analyse wordt rekening gehouden met alle relevante economische effecten.

De lidstaten kunnen de kosten en de energiebesparingen ten gevolge van de toegenomen flexibiliteit van de energievoorziening en van een optimaler beheer van de elektriciteitsnetten, met inbegrip van de vermeden kosten en de besparingen vanwege minder investeringen in infrastructuur, in de geanalyseerde scenario's beoordelen en er rekening mee houden in de besluitvorming.

De lidstaten beoordelen de kosten en de energiebesparingen ten gevolge van de toegenomen flexibiliteit van de energievoorziening en van een optimaler beheer van de elektriciteitsnetten, met inbegrip van de vermeden kosten en de besparingen vanwege minder investeringen in infrastructuur, in de geanalyseerde scenario's en houden er rekening mee in de besluitvorming.

Ten minste de volgende kosten en baten worden in aanmerking genomen:

Ten minste de volgende kosten en baten worden in aanmerking genomen:

i) Baten

i) Baten

–   Outputwaarde voor de consument (verwarming en elektriciteit)

–   Outputwaarde voor de consument (verwarming en elektriciteit)

–  Externe baten zoals milieu- en gezondheidsvoordelen, voor zover mogelijk.

 

–  Externe baten zoals voordelen op het gebied van milieu, broeikasgasemissies en gezondheid

 

  Arbeidsmarkteffecten, energievoorzieningszekerheid, concurrentievermogen

ii) Kosten

ii) Kosten

–  Kapitaalkosten van installaties en apparatuur

 

–  Kapitaalkosten van installaties en apparatuur

–  Kapitaalkosten van de betrokken energienetten

 

–  Kapitaalkosten van de betrokken energienetten

–  Variabele en vaste beheerskosten

–  Variabele en vaste beheerskosten

–  Energiekosten

–  Energiekosten

–  Milieu- en gezondheidskosten, voor zover mogelijk

–  Milieu- en gezondheidskosten

 

  Arbeidsmarktkosten, energievoorzieningszekerheid, concurrentievermogen

TOELICHTING

Het verwezenlijken van onze doelstellingen uit hoofde van de akkoorden van Parijs

De Europese Unie moet het voortouw nemen bij de mondiale aanpak van de klimaatverandering. De historische akkoorden van Parijs vormen een duidelijk kader voor het aanpakken van de opwarming van de aarde en de ernstige gevolgen daarvan voor deze en vele toekomstige generaties. Energie-efficiëntie is onze belangrijkste instrument voor het koolstofvrij maken van Europa's energievoorziening, gebouwen, vervoer en industrie. De voorstellen in dit verslag zouden resulteren in een verwachte daling van de broeikasgasemissies met 47% in 2030 in de EU in vergelijking met de niveaus van 1990, waarmee we het in de akkoorden van Parijs overeengekomen doel van een reductie van 40% ruimschoots halen. Dit zorgt er ook voor dat Europa's klimaatbeschermings- en energie-efficiëntiedoelstellingen onderling versterkend werken. We moeten overigens doorgaan met de inspanningen gericht op het bereiken van koolstofneutraliteit in 2050, en dit houdt in dat we de op energie-efficiëntie gerichte inspanningen ook na 2030 zullen moeten voortzetten.

Energievoorzieningszekerheid

Energieafhankelijkheid is een ernstig economisch en geopolitiek probleem voor Europa. De EU voert 53% van alle energie die zij verbruikt in, tegen kosten van meer dan 1 miljard EUR per dag. Door het totale energieverbruik in Europa te reduceren, kunnen we onze energieafhankelijkheid van derde landen terugdringen en onze energievoorzieningszekerheid vergroten. De voorstellen in dit verslag beogen de invoer van energie tegen 2050 aanzienlijk terug te dringen: in de periode 2021-2030 leveren de reducties van de invoer van fossiele brandstoffen een besparing van 288 miljard EUR op, en na 2050 zullen deze besparingen nog verder oplopen.

Energiearmoede

Tussen de 50 en 125 miljoen mensen in de EU lopen het risico met energiearmoede te kampen te krijgen, d.w.z. dat ze niet in staat zijn hun huizen te verwarmen en/of hun energierekeningen te betalen. De gevolgen van het Europese energiebeleid voor energiearmoede moeten niet worden genegeerd en de bestrijding van de energiearmoede mag ook niet uitsluitend aan nationaal beleid van de lidstaten worden overgelaten. Er is in Europa enorm veel potentieel om de energie-efficiëntie van gebouwen te verbeteren, maar we hebben behoefte aan op maat gesneden oplossingen om ongewenste effecten te vermijden die het risico van energiearmoede zouden vergroten. De bepalingen over individuele meters zijn een onderwerp waarbij deze overwegingen terdege mede in acht moeten worden genomen.

Naarmate we in de toekomst opschuiven naar energieneutrale gebouwen zal het in het geval van gebouwen die het eigendom zijn van of gehuurd worden door inkomens met een laag inkomen moeilijker zijn de investeringen te doen die nodig zijn om hier de vruchten van te plukken. Vandaar dat het cruciaal is nu reeds gerichte acties te plannen om die groepen te helpen. De maatregelen van de lidstaten moeten in het bijzonder gericht zijn op huishoudens die mogelijkerwijs met energiearmoede te kampen gaan krijgen en op sociale woningen, en dit is de reden dat rapporteur voorstelt de lidstaten te verplichten een aanzienlijk deel van de maatregelen speciaal op die categorieën te focussen.

Economische groei

Ten onrechte wordt vaak gedacht dat economische groei automatisch betekent dat ook het energieverbruik stijgt. Het succes van de genomen energie-efficiëntiemaatregelen toont aan dat niet alleen het energieverbruik kan dalen in tijden van economische groei, maar zelfs dat energie-efficiëntiemaatregelen tot economische groei kunnen bijdragen. Het eindverbruik van energie daalt sinds 2010, terwijl het bbp van de EU is gegroeid. Het reduceren van het energieverbruik is de goedkoopste manier om tot kostenefficiënte energie-efficiëntie te komen. Hoewel de economische modellen onderling verschillen zouden de voorstellen in dit verslag resulteren in een groei van het bbp van nul tot 4,1%, op voorwaarde dat er voldoende financiële middelen voor investeringen voorhanden zijn. Hierbij laten we andere economische voordelen van energie-efficiëntiemaatregelen, zoals verbetering van de luchtkwaliteit en aanzienlijke gezondheidsvoordelen, dan nog buiten beschouwing.

De maatregelen in dit verslag zijn zo vorm gegeven dat ze ook de werkgelegenheid flink ten goede zullen komen. Met voldoende financiële middelen voor investeringen laten modellen een zeer aanzienlijke toename van de werkgelegenheid zien: tussen de 405 000 en 4,8 miljoen banen.

Het sluiten van de achterdeurtjes

De actualisering van deze richtlijn geeft ons de kans problemen met de bestaande tekst op te lossen. Een van de belangrijke maatregelen in de richtlijn is het doel van 1,5% energiebesparing per jaar. Hierbij werd evenwel voorzien in een bepaalde mate van flexibiliteit, die de lidstaten toestaat hun ambitieniveau naar beneden bij te stellen door acties uit het verleden mee te rekenen of door bepaalde sectoren van de berekeningen uit te sluiten. Dit resulteert in een situatie waarin slechts de helft van de jaarlijkse energiebesparingsdoelstellingen worden gehaald. Dit kan zo niet doorgaan en rapporteur doet dan ook voorstellen om deze achterdeurtjes te sluiten. Rapporteur stelt daarnaast voor maatregelen die succesvol zijn gebleken uit te breiden, zoals de renovatie van gebouwen en energie-audits van ondernemingen.

Opkomen voor burgers

Het Europees Parlement zet zich van oudsher in voor progressievere energie-efficiëntiemaatregelen. Als de vertegenwoordigers van burgers hebben de leden van het Europees Parlement de voordelen onderkend die dergelijke maatregelen niet alleen voor het milieu kunnen hebben, maar ook voor de gezondheid, burgers en ondernemingen. Het meest in het oog schietende voorbeeld is dat de voorstellen in dit verslag het aantal levensjaren met 17 miljoen zouden doen toenemen als gevolg van de sterk verbeterde luchtkwaliteit. Het Parlement moet voor de belangen van burgers blijven opkomen, met inbegrip van consumenten, die lagere energierekeningen en warmere huizen willen, en ondernemingen, die goedkopere, schonere energie en rechtszekerheid willen, en ondernemers, die een billijke beloning willen voor de technologische innovaties die de energie-efficiëntie voortdurend verbeteren.

PROCEDURE VAN DE ADVISERENDE COMMISSIE

Titel

Energie-efficiëntie

Document- en procedurenummers

COM(2016)0761 – C8-0498/2016 – 2016/0376(COD)

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ITRE

12.12.2016

 

 

 

Advies uitgebracht door

       Datum bekendmaking

ENVI

12.12.2016

Rapporteur voor advies

       Datum benoeming

Jytte Guteland

14.2.2017

Behandeling in de commissie

8.6.2017

 

 

 

Datum goedkeuring

7.9.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

32

12

12

Bij de eindstemming aanwezige leden

Marco Affronte, Ivo Belet, Biljana Borzan, Lynn Boylan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nessa Childers, Birgit Collin-Langen, Mireille D’Ornano, Miriam Dalli, Seb Dance, Stefan Eck, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Arne Gericke, Julie Girling, Sylvie Goddyn, Jytte Guteland, Anneli Jäätteenmäki, Jean-François Jalkh, Benedek Jávor, Karin Kadenbach, Urszula Krupa, Peter Liese, Norbert Lins, Valentinas Mazuronis, Susanne Melior, Massimo Paolucci, Gilles Pargneaux, Piernicola Pedicini, Bolesław G. Piecha, Pavel Poc, Frédérique Ries, Annie Schreijer-Pierik, Davor Škrlec, Renate Sommer, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Ivica Tolić, Nils Torvalds, Adina-Ioana Vălean, Jadwiga Wiśniewska, Damiano Zoffoli

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Nicola Caputo, Jørn Dohrmann, Elena Gentile, Jan Huitema, Merja Kyllönen, Stefano Maullu, Mairead McGuinness, Keith Taylor, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Bendt Bendtsen, Norbert Erdős, Jill Evans, Barbara Lochbihler, Olle Ludvigsson

HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE ADVISERENDE COMMISSIE

32

+

ALDE

Anneli Jäätteenmäki, Frédérique Ries, Nils Torvalds

EFDD

Piernicola Pedicini

GUE/NGL

Lynn Boylan, Stefan Eck, Merja Kyllönen

PPE

Stefano Maullu

S&D

Biljana Borzan, Paul Brannen, Soledad Cabezón Ruiz, Nicola Caputo, Nessa Childers, Miriam Dalli, Seb Dance, Elena Gentile, Jytte Guteland, Karin Kadenbach, Olle Ludvigsson, Susanne Melior, Massimo Paolucci, Gilles Pargneaux, Pavel Poc, Claudiu Ciprian Tănăsescu, Damiano Zoffoli, Carlos Zorrinho

Verts/ALE

Marco Affronte, Jill Evans, Benedek Jávor, Barbara Lochbihler, Davor Škrlec, Keith Taylor

12

-

ALDE

Valentinas Mazuronis

ECR

Jørn Dohrmann, Arne Gericke, Julie Girling, Urszula Krupa, Bolesław G. Piecha, Jadwiga Wiśniewska

ENF

Mireille D'Ornano, Sylvie Goddyn, Jean-François Jalkh

PPE

Annie Schreijer-Pierik, Renate Sommer

12

0

ALDE

Jan Huitema

PPE

Ivo Belet, Bendt Bendtsen, Birgit Collin-Langen, Norbert Erdős, José Inácio Faria, Karl-Heinz Florenz, Peter Liese, Norbert Lins, Mairead McGuinness, Ivica Tolić, Adina-Ioana Vălean

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding


PROCEDURE VAN DE BEVOEGDE COMMISSIE

Titel

Energie-efficiëntie

Document- en procedurenummers

COM(2016)0761 – C8-0498/2016 – 2016/0376(COD)

Datum indiening bij EP

30.11.2016

 

 

 

Commissie ten principale

       Datum bekendmaking

ITRE

12.12.2016

 

 

 

Medeadviserende commissies

       Datum bekendmaking

ENVI

12.12.2016

 

 

 

Rapporteurs

       Datum benoeming

Miroslav Poche

5.12.2017

 

 

 

Vervangen rapporteurs

Adam Gierek

Miroslav Poche

 

 

Behandeling in de commissie

23.3.2017

22.6.2017

4.9.2017

 

Datum goedkeuring

28.11.2017

 

 

 

Uitslag eindstemming

+:

–:

0:

33

30

2

Bij de eindstemming aanwezige leden

Zigmantas Balčytis, Xabier Benito Ziluaga, José Blanco López, David Borrelli, Jonathan Bullock, Cristian-Silviu Buşoi, Jerzy Buzek, Angelo Ciocca, Edward Czesak, Jakop Dalunde, Pilar del Castillo Vera, Christian Ehler, Fredrick Federley, Adam Gierek, Theresa Griffin, András Gyürk, Rebecca Harms, Hans-Olaf Henkel, Eva Kaili, Barbara Kappel, Krišjānis Kariņš, Seán Kelly, Jaromír Kohlíček, Peter Kouroumbashev, Zdzisław Krasnodębski, Miapetra Kumpula-Natri, Christelle Lechevalier, Paloma López Bermejo, Edouard Martin, Angelika Mlinar, Dan Nica, Angelika Niebler, Morten Helveg Petersen, Miroslav Poche, Michel Reimon, Paul Rübig, Massimiliano Salini, Algirdas Saudargas, Neoklis Sylikiotis, Dario Tamburrano, Patrizia Toia, Evžen Tošenovský, Claude Turmes, Vladimir Urutchev, Kathleen Van Brempt, Henna Virkkunen, Martina Werner, Lieve Wierinck, Hermann Winkler, Carlos Zorrinho

Bij de eindstemming aanwezige vaste plaatsvervangers

Michèle Alliot-Marie, Pilar Ayuso, Gerben-Jan Gerbrandy, Benedek Jávor, Jude Kirton-Darling, Rupert Matthews, Clare Moody, Markus Pieper, Dennis Radtke, Dominique Riquet, Anneleen Van Bossuyt, Marco Zullo

Bij de eindstemming aanwezige plaatsvervangers (art. 200, lid 2)

Albert Deß, Arndt Kohn, Sabine Verheyen

Datum indiening

20.12.2017


HOOFDELIJKE EINDSTEMMINGIN DE BEVOEGDE COMMISSIE

33

+

ALDE

Angelika Mlinar, Dominique Riquet, Fredrick Federley, Gerben-Jan Gerbrandy, Lieve Wierinck, Morten Helveg Petersen

EFDD

Dario Tamburrano, David Borrelli, Marco Zullo

GUE/NGL

Neoklis Sylikiotis, Paloma López Bermejo, Xabier Benito Ziluaga

S&D

Arndt Kohn, Carlos Zorrinho, Clare Moody, Dan Nica, Edouard Martin, Eva Kaili, José Blanco López, Jude Kirton-Darling, Kathleen Van Brempt, Martina Werner, Miapetra Kumpula-Natri, Miroslav Poche, Patrizia Toia, Peter Kouroumbashev, Theresa Griffin, Zigmantas Balčytis

VERTS/ALE

Benedek Jávor, Claude Turmes, Jakop Dalunde, Michel Reimon, Rebecca Harms

30

-

ECR

Anneleen Van Bossuyt, Edward Czesak, Evžen Tošenovský, Hans-Olaf Henkel, Rupert Matthews, Zdzisław Krasnodębski

EFDD

Jonathan Bullock

ENF

Angelo Ciocca, Barbara Kappel, Christelle Lechevalier

PPE

Albert Deß, Algirdas Saudargas, András Gyürk, Angelika Niebler, Christian Ehler, Cristian-Silviu Buşoi, Dennis Radtke, Henna Virkkunen, Hermann Winkler, Jerzy Buzek, Krišjānis Kariņš, Markus Pieper, Massimiliano Salini, Michèle Alliot-Marie, Paul Rübig, Pilar Ayuso, Pilar del Castillo Vera, Sabine Verheyen, Seán Kelly, Vladimir Urutchev

2

0

GUE/NGL

Jaromír Kohlíček

S&D

Adam Gierek

Verklaring van de gebruikte tekens:

+  :  voor

-  :  tegen

0  :  onthouding

Laatst bijgewerkt op: 21 december 2017Juridische mededeling