Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 13 november 2007 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Deelname van Bulgarije en Roemenië aan de Europese Economische Ruimte ***
 Overeenkomst EG/Oekraïne inzake visa voor kort verblijf *
 Overnameovereenkomst EG/Oekraïne *
 Overeenkomst EG/Republiek Moldavië inzake visa voor kort verblijf *
 Overnameovereenkomst EG/Republiek Moldavië *
 Interoperabiliteit van interactieve digitale televisiediensten
 Gegevens in de visserijsector en wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid *
 Samenstelling van de Conferentie van voorzitters (wijziging artikel 23 van het Reglement)
 Statuut van de leden (wijziging van het Reglement)
 Communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
  Bijlage
  Bijlage
  Bijlage
  Bijlage
  Bijlage
 Statuten voor het Voorzieningsagentschap van Euratom *
 De rol van sport in het onderwijs
 Thematische strategie voor bodembescherming
 Wijziging Richtlijn 2003/87/EG ter integratie van de luchtvaartactiviteiten in de communautaire regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
  Bijlage
 "Dys'criminatie en maatschappelijke uitsluiting van dys-kinderen

Deelname van Bulgarije en Roemenië aan de Europese Economische Ruimte ***
DOC 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2007 betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de Overeenkomst betreffende de deelname van de Republiek Bulgarije en Roemenië aan de Europese Economische Ruimte en vier daarmee verband houdende overeenkomsten (12641/2007 – C6-0350/2007 – 2007/0115(AVC) )
P6_TA(2007)0492 A6-0413/2007

(Instemmingsprocedure)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (12641/2007),

–   gezien het verzoek van de Raad om instemming overeenkomstig artikel 300, lid 3 tweede subparagraaf juncto met de artikelen 310 en 300, lid 2 van het EG-Verdrag (C6-0350/2007 ),

–   gelet op artikel 75, artikel 83, lid 7 en artikel 43, lid 1 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A6-0413/2007 ),

1.   stemt in met de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en aan de lidstaten van de Europese Economische Ruimte.


Overeenkomst EG/Oekraïne inzake visa voor kort verblijf *
DOC 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf (COM(2007)0190 – C6-0187/2007 – 2007/0069(CNS) )
P6_TA(2007)0493 A6-0363/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0190 ),

–   gelet op artikel 62, punt 2, onder b), punten i) en ii) en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0187/2007 ),

–   gelet op artikel 51 en artikel 83, lid 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0363/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Oekraïne.


Overnameovereenkomst EG/Oekraïne *
DOC 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overnameovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en Oekraïne (COM(2007)0197 – C6-0188/2007 – 2007/0071(CNS) )
P6_TA(2007)0494 A6-0364/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0197 ),

–   gelet op artikel 63, punt 3, onder b) en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG-Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0188/2007 ),

–   gelet op artikel 51 en artikel 83, lid 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0364/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Oekraïne.


Overeenkomst EG/Republiek Moldavië inzake visa voor kort verblijf *
DOC 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Moldavië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf (COM(2007)0488 – C6-0339/2007 – 2007/0175(CNS) )
P6_TA(2007)0495 A6-0426/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0488 ),

–   gelet op artikel 62, lid 2, letter b, punten (i) en (ii) en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0339/2007 ),

–   gelet op de artikelen 51 en 83, lid 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0426/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Moldavië.


Overnameovereenkomst EG/Republiek Moldavië *
DOC 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Moldavië betreffende de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven (COM(2007)0504 – C6-0340/2007 – 2007/0182(CNS) )
P6_TA(2007)0496 A6-0427/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2007)0504 ),

–   gelet op artikel 63, lid 3, onder b) en artikel 300, lid 2, eerste alinea, eerste zin van het EG­Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0340/2007 ),

–   gelet op de artikelen 51 en 83, lid 7 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0427/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Republiek Moldavië.


Interoperabiliteit van interactieve digitale televisiediensten
DOC 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2007 over de interoperabiliteit van digitale interactieve televisiediensten (2007/2152(INI) )
P6_TA(2007)0497 A6-0390/2007

Het Europees Parlement ,

–   gelet op artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie over vrijheid van meningsuiting en van informatie,

–   gelet op Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn)(1) ,

–   gelet op Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn)(2) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's ter evaluatie van de interoperabiliteit van digitale interactieve televisiediensten op grond van mededeling COM(2004)0541 van 30 juli 2004 (COM(2006)0037 ),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over de interoperabiliteit van digitale interactieve televisiediensten (COM(2004)0541 ),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake de versnelling van de overgang van analoge naar digitale omroep (COM(2005)0204 ),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake de overgang van analoge naar digitale omroep (van "omschakeling" naar digitaal tot "uitschakeling" van analoog) (COM(2003)0541 ),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 27 april 2006 over de overgang van analoge naar digitale omroep: een kans voor het Europese audiovisuele beleid en de culturele diversiteit?(3) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 november 2005 over de versnelling van de overgang van analoge naar digitale omroep(4) ,

–   gezien de conclusies van de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie, gehouden te Brussel van 6 tot en met 8 juni 2007, over het initiatief i2010 - jaarverslag 2007 over de informatiemaatschappij,

–   gezien de conclusies van de vergadering van de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie, gehouden te Brussel op 9 en 10 december 2004,

–   gezien Aanbeveling CM/REC(2007)3 van het Comité van ministers aan de lidstaten van de Raad van Europa over de taak van de media voor publieke diensten in de informatiemaatschappij,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0390/2007 ),

A.   overwegende dat de overgang van analoog naar digitaal een grote vooruitgang betekent en kan bijdragen tot de verspreiding van cultuur en de verbetering van de sociale samenhang,

B.   overwegende dat digitale televisie van de nieuwe mediatechnologie gebruik kan maken om informatiediensten te verschaffen en derhalve de maatschappelijke samenhang ten goede kan komen en iedereen bij de informatiemaatschappij kan helpen betrekken,

C.   overwegende, in navolging van de Commissie, dat een succesvolle overgang naar digitale televisie een voorwaarde is voor de ontwikkeling van interactieve digitale diensten,

D.   overwegende dat de sector digitale televisiediensten economisch potentieel heeft en belangrijk is wegens het banenscheppend vermogen ervan,

E.   overwegende dat wetgevingsinitiatieven betreffende de digitale sector echter niet gereduceerd mogen worden tot een kwestie van infrastructuur en technische gegevens en dat deze vraagstukken aan de hand van politieke doelstellingen moeten worden behandeld, in een constant streven naar toegevoegde waarde voor de gebruiker,

F.   overwegende dat er op Europees en nationaal niveau maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat belangrijke keuzes uitsluitend bepaald worden door de concurrentie en de wet van de markt,

G.   onder herhaalde verwijzing naar zijn eerder ingenomen standpunt, volgens welk het opleggen van één enkele Europese norm echter niet de juiste oplossing vormt om de gestelde doelen te verwezenlijken, gezien de verscheidenheid aan situaties en het daarom verstandiger is zich voorlopig te baseren op niet-verplichtende normalisatie-initiatieven die van bedrijven uitgaan, zoals blijkt uit verschillende positieve nationale voorbeelden,

H.   overwegende dat de digitale televisiesector in de Europese Unie nu al de voordelen ondervindt van het brede scala aan strikte Europese normen dat op dit gebied bestaat,

I.   overwegende dat het van belang is dat de Europese burger ten volle profiteert van de potentiële voordelen van digitale televisie;

J.   overwegende dat de interactieve diensten vergeleken met de optimistische voorspellingen van deskundigen tot dusver slechts een zeer bescheiden vlucht hebben genomen,

K.   overwegende dat de scala van technische mogelijkheden die digitale media bieden, zoals interactiviteit, geen nieuwe bron van ongelijkheid mag gaan vormen door naast de maatschappelijke en culturele kloof een digitale kloof te creëren,

L.   overwegende dat dit risico groter is bij achterstandsgroepen, aangezien het nodige materiaal extra kosten meebrengt,

M.   overwegende dat er door de omschakeling van analoge op digitale televisie spectrumruimte vrijkomt en dat daardoor de mogelijkheid wordt gecreëerd om nieuwe technologieën en innovatieve oplossingen te ontwikkelen, waardoor de Europese concurrentiepositie in deze sector wordt versterkt,

N.   overwegende dat het omgaan met nieuwe technologieën al op jonge leeftijd moet worden aangeleerd en dat schoolsystemen zo snel en goed mogelijk moeten inspelen op de culturele en maatschappelijke veranderingen die teweeg worden gebracht door de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën, convergentie en digitalisering,

O.   overwegende dat er specifieke aandacht moet worden besteed aan de toegankelijkheid van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën voor mensen met een handicap,

P.   overwegende dat tot digitale interactieve televisiediensten meertalige ondertiteling behoort, zodat digitale televisie de interculturele dialoog kan helpen versterken en permanente educatie kan helpen bevorderen,

Q.   overwegende dat de toegang tot een groter aantal diensten altijd gepaard moet gaan met vrijheid van informatie en meningsuiting,

R.   overwegende dat er gedurende het gehele proces van de overschakeling op moet worden gelet dat de publieke audiovisuele diensten niet zwakker komen te staan, maar dat zij juist worden gesteund bij de vervulling van hun taak als openbare dienstverlener, zonder echter de vitaliteit van de particuliere audiovisuele diensten aan te tasten,

Profijt van de positieve effecten van technologie

1.   bekrachtigt dat de nieuwe audiovisuele technologieën de mogelijkheid moeten bieden om pluralistische informatie en kwaliteitsprogramma's te verspreiden die toegankelijk zijn voor een steeds grotere groep burgers;

2.   herinnert eraan dat eerbiediging van de pluraliteit van informatie en de diversiteit van inhoud niet automatisch gegarandeerd wordt door technologische innovaties, maar tot stand moet worden gebracht door middel van een actief, niet-aflatend en oplettend beleid van de kant van de nationale en Europese openbare overheden;

3.   is van mening, gezien de rol van televisie in de gemondialiseerde samenleving, dat de technische en wetgevingskeuzes met betrekking tot interactiviteit niet alleen economisch bepaald mogen zijn, maar ook door maatschappelijke en culturele factoren moeten worden ingegeven en onderstreept dat de aandacht met name moet uitgaan naar de belangen van de gebruiker;

4.   beklemtoont dat de totstandbrenging van digitale platforms van essentieel belang is om na het verdwijnen van analoge technologie een gemeenschappelijk openbaar medialandschap te kunnen handhaven en roept de lidstaten op het verstrekken van draadloze digitale interactieve televisiediensten met gewaarborgde ontvangst van alle daartoe geëigende platforms te bevorderen;

5.   is dus van oordeel dat het onontbeerlijk is dat de Commissie verslag uitbrengt over de resultaten van de uitwisseling van goede praktijken, forums en werkgroepen tussen belanghebbenden en niet in de laatste plaats verenigingen van consumenten, gebruikers en kijkers;

6.   onderstreept dat het gebruik van technologisch neutrale interoperabele technische oplossingen een manier is om investeringen en innovatie in deze sector aan te moedigen en tegelijk een stimulans vormt voor de concurrentie en de vrijwaring van het keuzerecht van de consument;

Een succesvolle overstap naar digitale media en bevordering van open standaarden

7.   is van mening dat een succesvolle en snelle overstap van analoog naar digitaal een eerste vereiste en een prioriteit vormt; is verontrust over mogelijke vertraging bij het bereiken van de streefdatum in 2012;

8.   stelt zich op het standpunt dat de gecoördineerde ontwikkeling van digitale televisie op communautair niveau essentieel is, willen de gebruikers kunnen profiteren van de voordelen van de interne markt en om de prijs van televisieontvangstapparatuur te kunnen verlagen en een grotere marktpenetratie voor digitale interactieve televisiediensten te kunnen bewerkstelligen; spoort de Commissie er dienovereenkomstig toe aan de lidstaten te steunen bij de opstelling van een gemeenschappelijk actieplan op communautair niveau;

9.   roept de lidstaten op de overschakeling op digitale televisie in versneld tempo voort te zetten en daarbij rekening te houden met de marktvraag en met topografische en regionale demografische factoren en verzoekt de lidstaten die nog niet beschikken over een nationaal plan voor de volledige overschakeling op digitale televisie, tegen het eind van 2008 een dergelijk plan op te stellen;

10.   dringt erop aan dat de door de lidstaten te nemen maatregelen die leiden tot een uitbreiding van digitale interactieve televisiediensten in overeenstemming zijn met de regels inzake staatssteun;

11.   onderstreept welke belangrijke rol het beginsel van interoperabiliteit speelt bij het sterken van het vertrouwen van de gebruiker in de nieuwe diensten en bij een positieve ontwikkeling van de markt op basis van open, interoperabele standaarden;

12.   onderstreept de noodzaak het technologisch neutraliteitsbeginsel te doen eerbiedigen en succesvolle bedrijfsmodellen te ontwikkelen;

13.   prijst de Commissie om het werk dat zij heeft verricht, alsmede om haar onvervangbare en noodzakelijke taak bij de coördinatie tussen alle belanghebbende partijen;

14.   schaart zich volledig achter de aanpak van de Commissie, die bereid is tot volledige samenwerking met de lidstaten om de overstap naar digitale televisie succesvol te laten verlopen en om interactieve digitale diensten te vergemakkelijken;

15.   herhaalt dat het opleggen van één enkele norm door middel van wetgeving niet de juiste oplossing vormt, maar slechts een laatste redmiddel is; is er evenmin voorstander van om het alleen aan de markt over te laten het vraagstuk van de interactiviteit op te lossen;

16.   is het dan ook met de Commissie eens dat bij de overstap naar digitale media en interoperabele diensten moet worden vastgehouden aan bevordering van door de Europese normalisatie-organisaties erkende open standaarden zoals MHP of MHEG-5 en stelt dat deze open standaarden het meest geschikt zijn om de technologische neutraliteit van de netwerken en de vrije omloop van informatie te waarborgen, rekening houdend met de speciale noden van landen met beperkte frequentiecapaciteiten;

17.   benadrukt dat, gelet op het voorbeeld van de "onderwateroctrooien" die ontstaan zijn vijf jaar nadat er begonnen is met de invoering van de MHP-standaard, het verstandig zou zijn dat de licentievergoedingen redelijk zijn en gepubliceerd worden aan het begin van de ontwikkeling van een open norm, opdat deze norm succesvol zal kunnen zijn;

18.   onderstreept de noodzaak tot sluiting van vrijwillige overeenkomsten tussen digitale televisiedienstverleners voor de totstandbrenging van een aantal gemeenschappelijke technische specificaties voor de implementatie van de daartoe door het Europees instituut voor telecommunicatienormen (ETSI) vastgestelde criteria;

19.   dringt er bij de Commissie op aan de invoering van open Europese digitale televisienormen in alle delen van de wereld actief te blijven promoten en internationale samenwerking op dit gebied te bevorderen en zich aldus te verzekeren van de breedst mogelijke toegang tot digitale inhoud;

20.   betreurt dat het commerciële succes van interactieve televisie in de EU uiteindelijk achter is gebleven bij de voorspellingen; verzoekt de Commissie na te gaan wat de oorzaak hiervan is en regelmatig verslag uit te brengen over de inspanningen van de Commissie en de lidstaten om de ontwikkeling van de markt voor digitale televisie en zijn talrijke vertakkingen te bevorderen;

21.   acht het absoluut noodzakelijk dat er meer informatie wordt verstrekt aan de consument over de mogelijkheden die digitale platforms te bieden hebben, alsmede over de noodzakelijke apparatuur, zodat de consument in staat is met kennis van zaken technische en culturele keuzes te maken;

22.   onderstreept dat eventueel ingrijpen door de overheid niet discriminatoir mag zijn, noch bepaalde marktdeelnemers mag bevoordelen;

23.   verzoekt de Commissie de lidstaten en de plaatselijke overheden door verspreiding van beste praktijken te helpen het potentieel van de nieuwe technologieën optimaal te benutten om beter met hun burgers te communiceren;

Noodzaak van reflectie over impact en beheersing van de nieuwe technologieën

24.   roept de Commissie en de lidstaten op het publiek te informeren omtrent toekomstige ontwikkelingen op het gebied van digitale interactieve televisiediensten en beveelt leveranciers van digitale televisiediensten aan actief stappen te ondernemen om gebruikers te informeren over de bestaande interactieve diensten;

25.   beschouwt het waarborgen van de veiligheid van gebruikers en de bescherming van hun persoonsgegevens en persoonlijke levenssfeer als essentieel en wijst er met klem op dat de consument vertrouwen moet kunnen hebben in digitale interactieve televisiediensten;

26.   onderstreept dat op Europees niveau moet worden nagedacht over de sociale en culturele consequenties van de digitale maatschappij en over aanpassing van de nationale schoolsystemen aan de maatschappelijke en culturele veranderingen die door de nieuwe technologieën worden bewerkstelligd;

27.   herinnert eraan hoe belangrijk het is dat alle leeftijdgroepen kennis maken met de digitale wereld en de media;

28.   roept de lidstaten ertoe op voorzieningen in het leven te roepen waardoor wordt gewaarborgd dat elektronische programmagidsen op een voor iedereen toegankelijke wijze worden opgezet ten einde de gebruikers door het digitale dienstenaanbod heen te loodsen;

29.   wijst erop dat het Europese audiovisuele model gegrondvest is op een succesvolle dualiteit van openbare en particuliere audiovisuele diensten en onderstreept dat de nieuwe technologieën dit evenwicht in geen geval mogen verstoren door het concurrentievermogen van de publieke sector te verzwakken; herinnert eraan dat de publieke sector moet blijven beschikken over gegarandeerde toegang tot digitale platformen;

o
o   o

30.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede het Comité van de Regio's, het Europees Economisch en Sociaal Comité, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de Raad van Europa.

(1) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.
(2) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7.
(3) PB C 296 E van 6.12.2006, blz. 120.
(4) PB C 280 E van 18.11.2006, blz. 115.


Gegevens in de visserijsector en wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid *
DOC 70k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2007 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende de instelling van een communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid (COM(2007)0196 – C6-0152/2007 – 2007/0070(CNS) )
P6_TA(2007)0498 A6-0407/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2007)0196 ),

–   gelet op artikel 37 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0152/2007 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij (A6-0407/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2 van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
Overweging 6
(6)   Verordening (EG) nr. 1543/2000 van de Raad van 29 juni 2000 tot instelling van een communautair kader voor het verzamelen en beheren van gegevens die essentieel zijn voor het gemeenschappelijk visserijbeleid moet worden herzien om terdege rekening te houden met een op de vloot gebaseerde aanpak van het visserijbeheer, de noodzaak om een op het ecosysteem gebaseerde aanpak te ontwikkelen, de noodzaak om de kwaliteit, de volledigheid en de toegankelijkheid van de visserijgegevens te verbeteren, het verlenen van wetenschappelijk advies efficiënter te ondersteunen en de samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen.
(6)   Verordening (EG) nr. 1543/2000 van de Raad van 29 juni 2000 tot instelling van een communautair kader voor het verzamelen en beheren van gegevens die essentieel zijn voor het gemeenschappelijk visserijbeleid moet worden herzien om terdege rekening te houden met een op de vloot gebaseerde aanpak van het visserijbeheer, de noodzaak om een op het ecosysteem gebaseerde aanpak te ontwikkelen, de noodzaak om de kwaliteit, de volledigheid en de toegankelijkheid van de visserijgegevens te verbeteren, het verlenen van wetenschappelijk advies efficiënter te ondersteunen en de samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen. De lidstaten en de Commissie zouden verplicht moeten zijn een afdoend niveau van vertrouwelijkheid te garanderen, afhankelijk van de behandelde gegevens, de kenmerken van de eindgebruiker en de verschillende desbetreffende nationale wetgevingen.
Amendement 2
Overweging 9
(9)   De verplichtingen inzake de toegang tot de gegevens die onder deze verordening vallen, gelden onverminderd de verplichtingen van de lidstaten die voortvloeien uit Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad1 ten aanzien van de milieu-informatie als bedoeld in artikel 2, lid 1 van die richtlijn.
(9)   De verplichtingen inzake de toegang tot de gegevens die onder deze verordening vallen, gelden onverminderd de verplichtingen, rechten en uitzonderingen die voorzien zijn in Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad1 ten aanzien van de milieu-informatie als bedoeld in artikel 2, lid 1 van die richtlijn.
Amendement 3
Overweging 14
(14)   De gegevens als bedoeld in de onderhavige verordening moeten worden opgenomen in geautomatiseerde gegevensbanken, zodat zij voor de gemachtigde eindgebruikers toegankelijk zijn en kunnen worden uitgewisseld. Het is in het belang van de wetenschappelijke gemeenschap dat geanonimiseerde gegevens beschikbaar zijn voor partijen die belang hebben bij de analyse van dergelijke gegevens.
(14)   De gegevens als bedoeld in de onderhavige verordening moeten worden opgenomen in geautomatiseerde gegevensbanken, zodat zij voor de gemachtigde eindgebruikers toegankelijk zijn en kunnen worden uitgewisseld.
Amendement 4
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)    Indien de eindgebruiker geen overheidsinstantie is, noch een erkende instelling voor wetenschappelijk onderzoek, een internationale organisatie voor visserijbeheer of een orgaan dat met het oog op beheer of onderzoek in de visserijsector met een van bovengenoemde entiteiten is geassocieerd, en indien het gaat om particuliere personen, organen of verenigingen, moeten de overheidsinstanties een financiële vergoeding kunnen vragen voor het verstrekken van de in deze verordening bedoelde gegevens, mits het bedrag van die vergoeding redelijk is .
Amendement 5
Artikel 2, letter g)
g) "eindgebruikers": natuurlijke of rechtspersonen of organisaties die belang hebben bij de wetenschappelijke analyse van gegevens betreffende de visserijsector ;
g) "eindgebruikers": nationale en internationale, al dan niet wetenschappelijke organen, die als partner actief betrokken zijn bij de kennis over en het beheer van de visserij; de mate waarin de eindgebruiker betrokken is bij beheer en onderzoek in de visserijsector is bepalend voor het niveau van toegang tot primaire, gedetailleerde of geaggregeerde gegevens ;
Amendement 6
Artikel 7, lid 4, letter c)
c) wanneer een officieel verzoek om gegevens is gedaan door een eindgebruiker en die gegevens niet op tijd aan de betrokken eindgebruiker zijn geleverd.
c) wanneer een officieel verzoek om gegevens is gedaan door een eindgebruiker en die gegevens niet op tijd aan de betrokken eindgebruiker zijn geleverd, altijd rekening houdend met de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2003/4/EG .
Amendement 7
Artikel 7, lid 4 bis (nieuw)
4 bis.    De Commissie legt duidelijk verschillende sanctieniveaus vast evenredig aan de mate waarin niet aan de voorwaarden is voldaan, alsmede een duidelijke definitie van de begrippen "officieel verzoek om gegevens" en "onvolledig nationaal programma".
Amendement 8
Artikel 7 bis (nieuw)
Artikel 7 bis
Financiële vergoeding
1.    Indien de eindgebruiker geen overheidsinstantie is, noch een erkende instelling voor wetenschappelijk onderzoek, een internationale organisatie voor visserijbeheer of een orgaan dat met het oog op beheer of onderzoek in de visserijsector met een van bovengenoemde entiteiten is geassocieerd, en indien het gaat om particuliere personen, organen of verenigingen, kunnen de overheidsinstanties een financiële vergoeding vragen voor het verstrekken van milieugegevens, mits het bedrag van die vergoeding redelijk is .
2.    Indien een financiële vergoeding wordt gevraagd, publiceren de overheidsinstanties een lijst van de vergoedingen en de gevallen waarin deze al dan niet moeten worden betaald, en stellen zij deze lijst ter beschikking van degenen die om gegevens verzoeken.
Amendement 9
Artikel 10, lid 4 bis (nieuw)
4 bis.    Bij de vastlegging van de in het nationale programma op te nemen subsidiabele uitgaven wordt ook rekening gehouden met de uitgaven voor zelfbemonsteringsprogramma's.
Amendement 10
Artikel 13, lid 2, letter b)
b) de gedetailleerde en geaggregeerde gegevens die van de in het kader van de nationale programma's verzamelde primaire gegevens zijn afgeleid, worden gevalideerd, voordat zij naar de eindgebruikers worden doorgestuurd;
b) de gedetailleerde en geaggregeerde gegevens die van de in het kader van de nationale programma's verzamelde primaire gegevens zijn afgeleid, worden gevalideerd, voordat zij naar de eindgebruikers als bedoeld in artikel 2, letter g) worden doorgestuurd;
Amendement 11
Artikel 15, lid 1
1.   De lidstaten zorgen ervoor dat de primaire gegevens die in de nationale geautomatiseerde gegevensbanken zitten, voor de Commissie rechtstreeks toegankelijk zijn langs elektronische weg, om het bestaan van de gegevens te kunnen controleren.
1.   Om het bestaan van de primaire gegevens die uit hoofde van deze verordening moeten worden verzameld te controleren, kan de Commissie verificaties ter plaatse van de nationale gegevensbanken verrichten .
Amendement 12
Artikel 15, lid 2
2.   Onverminderd de verplichtingen op grond van andere communautaire regelgeving, sluiten de lidstaten overeenkomsten met de Commissie over toegang tot computers om de rechtstreekse toegang tot hun gegevensbanken te garanderen .
2.   Onverminderd het bepaalde in lid 1 kan de Commissie in samenwerking met de lidstaten een platform voor elektronische gegevensuitwisseling instellen dat dergelijke controles mogelijk maakt .
Amendement 13
Artikel 15, lid 3
3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in het kader van de regelingen inzake inspecties op zee verzamelde primaire gegevens worden doorgezonden naar internationale wetenschappelijke organisaties en passende wetenschappelijke organen binnen regionale visserijorganisaties overeenkomstig de internationale verplichtingen van de Gemeenschap en de lidstaten.
3.   De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat de in het kader van de regelingen inzake inspecties op zee verzamelde primaire gegevens worden doorgezonden naar internationale wetenschappelijke organisaties en passende wetenschappelijke organen binnen regionale visserijorganisaties overeenkomstig de internationale verplichtingen van de Gemeenschap en de lidstaten.
Amendement 14
Artikel 15, lid 3 bis (nieuw)
3 bis.    De Commissie voorziet in de toegang tot deze gegevens, die ook individuele gegevens, bijvoorbeeld over een bepaald vaartuig, kunnen bevatten. De vertrouwelijkheid van de gegevens over een individuele marktdeelnemer wordt echter gewaarborgd. De Commissie wordt derhalve toegang verleend tot geaggregeerde (en niet tot individuele) gegevens. Het aggregatieniveau van de gegevens wordt vastgesteld in de uitvoeringsverordening.
Amendement 15
Artikel 17
De lidstaten maken gedetailleerde en geaggregeerde gegevens beschikbaar voor eindgebruikers om de wetenschappelijke analyse daarvan te ondersteunen:
De lidstaten maken gegevens beschikbaar voor eindgebruikers als bedoeld in artikel 2, letter g), met inachtneming van de vertrouwelijkheid ervan, om de wetenschappelijke analyse daarvan te ondersteunen, rekening houdend met onderstaande elementen :
a) als basis voor advies ten behoeve van het visserijbeheer;
a) gedetailleerde gegevens als basis voor advies ten behoeve van het visserijbeheer;
b) in het belang van het openbare debat en de deelneming van belanghebbenden aan de ontwikkeling van beleid;
b) geaggregeerde gegevens :
- in het belang van het openbare debat en de deelneming van belanghebbenden aan de ontwikkeling van beleid;
c) voor bekendmaking in wetenschappelijke tijdschriften of voor onderwijsdoeleinden .
- met het oog op bekendmaking ervan voor wetenschappelijke doeleinden .
Amendement 16
Artikel 18
De lidstaten zorgen ervoor dat de betrokken gedetailleerde en geaggregeerde gegevens onmiddellijk worden verstrekt aan de betrokken internationale wetenschappelijke organisaties en passende wetenschappelijke organen binnen regionale visserijorganisaties overeenkomstig de internationale verplichtingen van de Gemeenschap en de lidstaten.
De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat de betrokken gedetailleerde en geaggregeerde gegevens onmiddellijk worden verstrekt aan de betrokken internationale wetenschappelijke organisaties en passende wetenschappelijke organen binnen regionale visserijorganisaties overeenkomstig de internationale verplichtingen van de Gemeenschap en de lidstaten.
Amendement 17
Artikel 19, lid 2
2.   Wanneer gedetailleerde en geaggregeerde gegevens worden gevraagd voor publicatie in wetenschappelijke tijdschriften of voor onderwijsdoeleinden, mogen de lidstaten, om de professionele belangen van de gegevensverzamelaars te beschermen, de doorgifte van gegevens naar de eindgebruikers gedurende twee jaar ophouden. De lidstaten informeren de eindgebruikers en de Commissie over dergelijke besluiten. In naar behoren gemotiveerde gevallen mag de Commissie toestaan dat die periode wordt verlengd.
2.   Indien gedetailleerde en geaggregeerde gegevens worden gevraagd voor andere dan de bepalingen van artikel 17, en met name voor publicatie in wetenschappelijke tijdschriften of voor onderwijsdoeleinden, mogen de lidstaten, om de professionele belangen van de gegevensverzamelaars te beschermen, de doorgifte van gegevens naar de eindgebruikers gedurende twee jaar ophouden. De lidstaten informeren de eindgebruikers en de Commissie over dergelijke besluiten. In naar behoren gemotiveerde gevallen mag de Commissie toestaan dat die periode wordt verlengd.
Amendement 18
Artikel 19, lid 3, inleidende formule
3.   De lidstaten mogen alleen weigeren gedetailleerde en geaggregeerde gegevens door te zenden:
3.   De lidstaten kunnen, mutatis mutandis, de voorwaarden van artikel 4 van Richtlijn 2003/4/EG toepassen. Zij mogen met name weigeren gedetailleerde en geaggregeerde gegevens door te zenden:
Amendement 19
Artikel 19, lid 3, letter a)
a) als er een risico bestaat dat de identiteit van de natuurlijke en/of de rechtspersonen bekend wordt, in welk geval de lidstaat alternatieve methoden mag voorstellen om aan de behoeften van de eindgebruikers tegemoet te komen zonder de anonimiteit te schenden ;
a) als er een risico bestaat dat de identiteit van de natuurlijke en/of de rechtspersonen bekend wordt;
Amendement 20
Artikel 19, lid 3, letter b bis) (nieuw)
b bis) in geval van gedetailleerde gegevens, indien de aanvrager niet kan aantonen dat dit soort gegevens onontbeerlijk is voor de vermelde beheers- of onderzoekstaken .
Amendement 21
Artikel 25, alinea 1 bis (nieuw)
Op grond van de ontvangen informatie presenteert de Commissie elk jaar:
a) een verslag aan het Europees Parlement en de Raad waarin de door elke lidstaat ingezette middelen, de geschiktheid van de gebruikte methodes en de behaalde resultaten inzake verzameling en beheer van de gegevens als bedoeld in Verordening (EG) nr. 2371/2002 worden beoordeeld;
b) een verslag over het gebruik dat de Gemeenschap maakt van de in het kader van deze verordening verzamelde gegevens.

Samenstelling van de Conferentie van voorzitters (wijziging artikel 23 van het Reglement)
DOC 36k
Besluit van het Europees Parlement van 13 november 2007 tot wijziging van artikel 23 van het Reglement van het Europees Parlement betreffende de samenstelling van de Conferentie van voorzitters (2007/2066(REG) )
P6_TA(2007)0499 A6-0355/2007

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel tot wijziging van zijn Reglement (B6-0039/2007 ),

–   gelet op artikel 202 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken (A6-0355/2007 ),

1.   besluit onderstaande wijziging in zijn Reglement op te nemen;

2.   wijst erop dat deze wijziging op de eerste dag van de eerstvolgende vergaderperiode in werking treedt;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Bestaande tekst   Amendement
Amendement 1
Artikel 23, lid 2
2.   De niet-ingeschrevenen vaardigen twee van hen af naar de vergaderingen van de Conferentie van voorzitters, waaraan zij zonder stemrecht deelnemen .
2.   De niet-ingeschrevenen vaardigen één van hen af om zonder stemrecht aan de vergaderingen van de Conferentie van voorzitters deel te nemen .

Statuut van de leden (wijziging van het Reglement)
DOC 52k
Besluit van het Europees Parlement van 13 november 2007 tot wijziging van het Reglement van het Europees Parlement in verband met het Statuut van de leden (2006/2195(REG) )
P6_TA(2007)0500 A6-0368/2007

Het Europees Parlement ,

–   gezien het schrijven van zijn Voorzitter van 29 juni 2006 waarvan op 7 september 2006 kennis is gegeven ter plenaire vergadering,

–   gelet op de artikelen 201 en 202 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A6-0368/2007 ),

1.   besluit onderstaande wijzigingen in zijn Reglement op te nemen;

2.   besluit dat deze wijzigingen op de eerste dag van de in 2009 beginnende zittingsperiode in werking treden;

3.   verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Bestaande tekst   Amendementen
Amendement 1
Artikel 8
Kosten en vergoedingen
Tenuitvoerlegging van het Statuut van de leden
Het Bureau regelt de kosten en vergoedingen van de leden.
Tenzij anders bepaald, worden de regelingen betreffende de tenuitvoerlegging van het Statuut van de leden van het Europees Parlement door het Bureau vastgesteld.
Amendement 2
Artikel 39, lid 1
1.   Overeenkomstig artikel 192, tweede alinea van het EG-Verdrag kan het Parlement door het aannemen van een resolutie op basis van een initiatiefverslag van de bevoegde commissie de Commissie verzoeken het Parlement passende voorstellen ter vaststelling van nieuwe of tot wijziging van bestaande besluiten voor te leggen. De resolutie wordt aangenomen met de meerderheid van de leden van het Parlement. Tegelijkertijd kan het Parlement een termijn vaststellen voor de indiening van het voorstel.
1.   Overeenkomstig artikel 192 van het EG-Verdrag kan het Parlement door het aannemen van een resolutie op basis van een overeenkomstig artikel 45 opgesteld initiatiefverslag van de bevoegde commissie de Commissie verzoeken het Parlement passende voorstellen ter vaststelling van nieuwe of tot wijziging van bestaande besluiten voor te leggen. De resolutie wordt aangenomen met de meerderheid van de leden van het Parlement. Tegelijkertijd kan het Parlement een termijn vaststellen voor de indiening van het voorstel.
Amendement 3
Artikel 39, lid 1 bis (nieuw)
1 bis.    Elk lid kan een voorstel voor een communautair besluit uit hoofde van het initiatiefrecht van het Parlement krachtens artikel 192 van het EG-Verdrag indienen.
Amendement 4
Artikel 39, lid 1 ter (nieuw)
1 ter.    Het voorstel wordt ingediend bij de Voorzitter, die het ter behandeling naar de bevoegde commissie verwijst. Voorafgaand aan de verwijzing wordt het voorstel in die officiële talen vertaald die de voorzitter van de desbetreffende commissie voor een summiere behandeling noodzakelijk acht. De commissie besluit binnen drie maanden na de verwijzing en na de indiener van het voorstel te hebben gehoord, over het verdere verloop van de procedure.
Besluit de commissie het voorstel overeenkomstig de procedure van artikel 45 aan het Parlement voor te leggen, dan wordt de indiener van het voorstel in de titel van het verslag genoemd.
Amendement 5
Artikel 39, lid 2
2.    Alvorens de procedure van artikel 45 op gang te brengen, vergewist de bevoegde commissie zich ervan dat een dergelijk voorstel om één van de volgende redenen niet in voorbereiding is:
a) een dergelijk voorstel is niet opgenomen in het jaarlijks programma van de wetgevende werkzaamheden;
b) de voorbereidingen voor de opstelling van een dergelijk voorstel zijn niet begonnen of hebben te veel vertraging opgelopen;
c) de Commissie heeft niet positief gereageerd op eerdere verzoeken van de zijde van de bevoegde commissie of vervat in door het Parlement met de meerderheid van de uitgebrachte stemmen aangenomen resoluties.
Schrappen
Amendement 6
Artikel 45, lid 1
1.   Wanneer een commissie, zonder dat haar overeenkomstig artikel 179, lid 1 een raadpleging of een verzoek om advies ter behandeling is voorgelegd, voornemens is over een onder haar bevoegdheid vallend onderwerp verslag uit te brengen en hierover aan het Parlement een ontwerpresolutie voor te leggen, heeft zij daarvoor de toestemming van de Conferentie van voorzitters nodig. Een weigering van deze toestemming moet steeds met redenen worden omkleed.
1.   Wanneer een commissie, zonder dat haar overeenkomstig artikel 179, lid 1 een raadpleging of een verzoek om advies ter behandeling is voorgelegd, voornemens is over een onder haar bevoegdheid vallend onderwerp verslag uit te brengen en hierover aan het Parlement een ontwerpresolutie voor te leggen, heeft zij daarvoor de toestemming van de Conferentie van voorzitters nodig. Een weigering van deze toestemming moet steeds met redenen worden omkleed. Betreft het een verslag naar aanleiding van een voorstel dat door een lid overeenkomstig artikel 39, lid 1 bis is ingediend, dan kan toestemming alleen worden geweigerd als niet aan de voorwaarden in artikel 5 van het Statuut van de leden en artikel 192 van het EG-Verdrag is voldaan.
Amendement 7
Artikel 150, lid 6, alinea 1
6.   Tenzij het Parlement anders beslist, kunnen amendementen slechts in stemming worden gebracht wanneer zij in alle officiële talen zijn vermenigvuldigd en rondgedeeld. Indien ten minste veertig leden hiertegen bezwaar maken, kan het Parlement niet anders beslissen.
6.   Tenzij het Parlement anders beslist, kunnen amendementen slechts in stemming worden gebracht wanneer zij in alle officiële talen zijn vermenigvuldigd en rondgedeeld. Indien ten minste veertig leden hiertegen bezwaar maken, kan het Parlement niet anders beslissen. Het Parlement vermijdt beslissingen die ertoe zouden leiden dat leden die zich van een bepaalde taal bedienen, in onaanvaardbare mate worden benadeeld.
Amendement 8
Bijlage I, artikel 2, alinea 1, letter a bis) (nieuw)
a bis) elke bezoldiging die het lid voor de uitoefening van een mandaat in een ander parlement ontvangt,
Amendement 9
Bijlage I, artikel 4
In afwachting van een statuut voor de leden van het Europees Parlement dat de verschillende nationale regels vervangt, zijn de leden ter zake van vermogensopgaven onderworpen aan de verplichtingen uit hoofde van de wetgeving van de lidstaat waarin zij gekozen zijn.
De leden zijn ter zake van vermogensopgaven onderworpen aan de verplichtingen uit hoofde van de wetgeving van de lidstaat waarin zij gekozen zijn.
Amendement 10
Bijlage VII, deel C bis (nieuw)
C bis.    Persoonlijke belangenconflicten
Met instemming van het Bureau kan een lid krachtens een met redenen omkleed besluit inzage in een document van het Parlement worden geweigerd, indien het Bureau na het lid gehoord te hebben tot de conclusie komt dat inzage tot een onaanvaardbare aantasting van de institutionele belangen van het Parlement of van het openbaar belang zou leiden en door het lid verlangd wordt op grond van in de privé-sfeer gelegen en persoonlijke motieven. Het lid kan tegen een dergelijk besluit binnen een maand na kennisgeving ervan een bezwaarschrift indienen, dat met redenen dient te worden omkleed. Over dit bezwaar beslist het Parlement zonder debat in de vergaderperiode die volgt op de indiening ervan.

Communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk ***I
DOC 101k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2007 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk (COM(2007)0046 – C6-0062/2007 – 2007/0020(COD) )
P6_TA(2007)0501 A6-0365/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0046 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 285, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0062/2007 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0365/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het gewijzigde voorstel van de Commissie;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2007 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk

P6_TC1-COD(2007)0020


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 285, lid 1,

Gelet op het voorstel van de Commissie║,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1) ,

Gezien het advies van de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming(2) ,

Na raadpleging van het Comité statistisch programma ║ overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad(3) ,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(4) ,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)   Ingevolge Besluit nr. 1786/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008)(5) moeten de statistieken van het volksgezondheidsinformatiesysteem worden uitgewerkt in samenwerking met de lidstaten, zo nodig aan de hand van het communautair statistisch programma, teneinde synergie te bevorderen en doublures te voorkomen.

(2)   De communautaire informatie over volksgezondheid is systematisch ontwikkeld via de communautaire volksgezondheidsprogramma's. Op basis van deze werkzaamheden is er nu een lijst van gezondheidsindicatoren van de Europese Gemeenschap (ECHI – European Community Health Indicators) opgesteld die een overzicht biedt van de gezondheidstoestand, de gezondheidsdeterminanten en de gezondheidsstelsels. Om de minimumverzameling van statistische gegevens beschikbaar te kunnen stellen die nodig is om de ECHI-indicatoren te berekenen, moeten de communautaire gezondheidsstatistieken, voorzover dit relevant en mogelijk is, overeenstemmen met de ontwikkelingen en de resultaten van de communautaire maatregelen op het gebied van de volksgezondheid.

(3)   In de resolutie ║ van de Raad van 3 juni 2002 over een nieuwe communautaire strategie inzake de gezondheid en de veiligheid op het werk ( 2002-2006) (6) werd de Commissie en de lidstaten verzocht om de thans lopende besprekingen over de harmonisatie van de arbeidsongevallen- en beroepsziektestatistieken te intensiveren, teneinde te beschikken over vergelijkbare gegevens waarmee een objectieve evaluatie kan worden verricht van de invloed en de doeltreffendheid van de maatregelen die in het kader van de nieuwe communautaire strategie zijn genomen, en werd er in een aparte paragraaf met nadruk op gewezen dat rekening moet worden gehouden met de toename van het aandeel van vrouwen op de arbeidsmarkt en dat moet worden voorzien in hun specifieke behoeften met betrekking tot maatregelen inzake gezondheid en veiligheid op het werk . Bovendien werd in de aanbeveling ║ van de Commissie van 19 september 2003 over de Europese lijst van beroepsziekten(7) aanbevolen dat de lidstaten hun statistieken van beroepsziekten ║, naarmate de werkzaamheden inzake de harmonisatie van de Europese statistiek over beroepsziekten voortschrijden, geleidelijk met de Europese lijst verenigbaar maken.

(4)   In 2002 heeft de Europese Raad van Barcelona drie hoofdbeginselen voor de hervorming van de gezondheidszorgstelsels erkend: toegankelijkheid voor iedereen, een kwalitatief hoogwaardige gezondheidszorg en betaalbaarheid op de lange termijn. In haar mededeling ║ van 20 april 2004 aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Modernisering van de sociale bescherming voor de ontwikkeling van hoogwaardige, toegankelijke en duurzame gezondheidszorg en langdurige zorg: steun aan de nationale strategieën door middel van de "open coördinatiemethode" (COM(2004)0304 ) , stelde de Commissie voor te beginnen met het in kaart brengen van mogelijke indicatoren voor gemeenschappelijke doelstellingen om zorgstelsels te ontwikkelen op basis van activiteiten in de context van het communautaire actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid, gezondheidsstatistieken van Eurostat en samenwerking met internationale organisaties.

(5)   Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap(8) voegt een actie inzake milieu en gezondheid en levenskwaliteit als hoofdprioriteit toe, en dringt daarbij aan op definiëring en ontwikkeling van indicatoren van gezondheid en milieu. Bovendien sprak de Raad in zijn conclusies van 8 december 2003 de wens uit dat er in het gegevensbestand voor structurele indicatoren onder de titel "omgeving" indicatoren betreffende de biodiversiteit en gezondheid worden opgenomen; indicatoren voor gezondheid en veiligheid op het werk worden in dit gegevensbestand ook opgenomen onder de titel "werkgelegenheid". In de reeks indicatoren voor duurzame ontwikkeling die in 2005 door de Commissie zijn vastgesteld, zijn ook volksgezondheidsindicatoren opgenomen.

(6)   Het Europees actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010 (COM(2004)0416 ) ║ erkent dat de kwaliteit, de vergelijkbaarheid en de toegankelijkheid van gegevens over de gezondheidstoestand voor milieugerelateerde ziekten en aandoeningen moeten worden verbeterd met behulp van het communautair statistisch programma.

(7)   De resolutie ║ van de Raad van 15 juli 2003 inzake de bevordering van de tewerkstelling en de maatschappelijke integratie van mensen met een functiebeperking(9) roept de lidstaten en de Commissie op om statistisch materiaal te verzamelen over de situatie van mensen met een functiebeperking, met inbegrip van de ontwikkeling van voorzieningen en uitkeringen voor deze groep. Bovendien heeft de Commissie in haar Mededeling van 30 oktober 2003 aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Gelijke kansen voor personen met een handicap: een Europees actieplan (COM(2003)0650 ) besloten om contextindicatoren te ontwikkelen die in alle lidstaten vergelijkbaar zijn om de doelmatigheid van het gehandicaptenbeleid te beoordelen. Zij gaf aan dat er maximaal gebruik moet worden gemaakt van de bronnen en structuren van het Europees statistisch systeem, met name door geharmoniseerde enquêtemodules uit te werken, om de internationaal vergelijkbare statistische gegevens te verkrijgen die noodzakelijk zijn om de vooruitgang te kunnen monitoren.

(8)   Om de relevantie en de vergelijkbaarheid van de gegevens te verzekeren en doublures te voorkomen, moeten de statistische activiteiten van Eurostat op het gebied van de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk, wanneer dit relevant en mogelijk is, worden uitgevoerd in samenwerking met de Verenigde Naties en de gespecialiseerde organisaties ervan, zoals de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) en de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), alsmede de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Zo zijn er onlangs in samenwerking met de OESO en de WGO statistische gegevens verzameld over de stelsels van gezondheidsrekeningen.

(9)   De Commissie (Eurostat) verzamelt al regelmatig statistische gegevens over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk van de lidstaten, die deze gegevens op vrijwillige basis verschaffen. Bovendien verzamelt zij gegevens over die gebieden via andere bronnen. Deze activiteiten worden ontwikkeld in nauwe samenwerking met de lidstaten. Met name op het gebied van de volksgezondheid worden de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging aangestuurd en georganiseerd door middel van een partnerschapsstructuur tussen Eurostat en de lidstaten. Toch is er behoefte aan nog meer nauwkeurigheid en betrouwbaarheid, samenhang en vergelijkbaarheid, dekking, actualiteit en punctualiteit van de bestaande statistische gegevensverzamelingen en moet ook worden verzekerd dat verdere gegevensverzamelingen die met de lidstaten zijn overeengekomen, worden uitgevoerd teneinde te komen tot de minimale verzameling van statistische gegevens die op Gemeenschapsniveau noodzakelijk is op het gebied van de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk.

(10)   De productie van specifieke communautaire statistieken valt onder de regels van Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad van 17 februari 1997 betreffende de communautaire statistiek(10) .

(11)   De onderhavige verordening garandeert een volledige eerbiediging van het recht op de bescherming van persoonsgegevens, zoals bepaald in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(12)   Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(11) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(12) zijn in het kader van deze verordening van toepassing. De statistische vereisten die voortvloein uit de communautaire maatregelen op het gebied van de volksgezondheid, de nationale strategieën voor de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige, toegankelijke en duurzame gezondheidszorg en de communautaire strategie inzake de gezondheid en veiligheid op het werk, alsmede de vereisten in verband met structuurindicatoren, indicatoren voor duurzame ontwikkeling; EHCI en andere reeksen indicatoren die ontwikkeld moeten worden met het oog op het toezicht op communautaire maatregelen op het gebied van de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk, vormen een zwaarwegend algemeen belang.

(13)   De toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens valt onder de regels van Verordening (EG) nr. 322/97 en Verordening (Euratom, EEG) nr. 1588/90 van de Raad van 11 juni 1990║ betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen(13) . Wanneer maatregelen overeenkomstig deze verordeningen worden genomen, is bij de productie en verspreiding van communautaire statistieken de materiële en logische bescherming van vertrouwelijke gegevens gewaarborgd en wordt ervoor gezorgd dat er geen sprake is van onwettige vrijgave of niet-statistisch gebruik.

(14)   Bij de productie en de verspreiding van communautaire statistieken overeenkomstig deze verordening moeten de nationale en communautaire statistische instanties rekening houden met de principes van de Praktijkcode Europese statistieken, die op 24 februari 2005 door het comité statistisch programma is goedgekeurd, als bijlage aan de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de onafhankelijkheid, integriteit en verantwoordingsplicht van de nationale en communautaire statistische instanties (COM(2005)0217 ) gehecht en is bekendgemaakt bij de aanbeveling van de Commissie daarover van 25 mei 2005.

(15)   Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk het scheppen van een gemeenschappelijk kader voor de systematische productie van communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk, niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt op nationaal niveau en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel in dat artikel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(16)   De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(14) .

(17)   Met name moet de Commissie gemachtigd worden tot het vaststellen van de definities, de onderwerpen en indeling (met inbegrip van variabelen en classificaties, onder meer, indien mogelijk en noodzakelijk, classificaties per geslacht en per leeftijd ), de bronnen, voorzover relevant, en de levering van gegevens en metagegevens (met inbegrip van referentieperiodes, frequentie en termijnen) met betrekking tot de in artikel 2 van en in de bijlagen I tot en met V bij deze verordening genoemde gebieden. Het is van belang dat geslacht en leeftijd worden opgenomen in de indelingsvariabelen, teneinde rekening te kunnen houden met de gevolgen van verschillen qua geslacht en leeftijd voor de gezondheid en veiligheid op het werk. Aangezien het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze verordening, onder meer door sommige van deze onderdelen te schrappen of door deze verordening aan te vullen met nieuwe, niet-essentiële elementen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing .

(18)    In het kader van het communautaire programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit (Progress) ingesteld bij Besluit nr. 1672/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 (15) , zal worden voorzien in aanvullende financiering voor de verzameling van gegevens op het gebied van gezondheid en veiligheid. In dit kader worden financiële middelen aangewend om de lidstaten te helpen hun nationale capaciteiten voor de tenuitvoerlegging van verbeteringen en nieuwe instrumenten voor de verzameling van statistische gegevens op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk verder uit te bouwen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD :

Artikel 1

Onderwerp

1.   Deze verordening stelt een gemeenschappelijk kader vast voor de systematische productie van communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk. De statistieken worden geproduceerd in overeenstemming met de normen inzake onpartijdigheid, betrouwbaarheid, objectiviteit, kosteneffectiviteit en statistische vertrouwelijkheid.

2.   Deze statistieken omvatten, in de vorm van een minimale gegevensverzameling, de noodzakelijke informatie voor communautaire maatregelen op het gebied van de volksgezondheid, voor de ondersteuning van nationale strategieën voor de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige, universeel toegankelijke en betaalbare gezondheidszorg en voor communautaire maatregelen op het gebied van de gezondheid en veiligheid op het werk.

3.   De statistieken verschaffen gegevens voor structuurindicatoren, indicatoren voor duurzame ontwikkeling en EHCI , alsmede voor de andere reeksen indicatoren die ontwikkeld moeten worden met het oog op het toezicht op communautaire maatregelen op het gebied van de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk.

Artikel 2

Toepassingsgebied

De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) statistieken over de volgende gebieden:

   gezondheidstoestand en gezondheidsdeterminanten, zoals omschreven in bijlage I,
   gezondheidszorg, zoals omschreven in bijlage II,
   doodsoorzaken, zoals omschreven in bijlage III,
   arbeidsongevallen, zoals omschreven in bijlage IV,
   beroepsziekten en andere arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen en ziekten zoals omschreven in bijlage V.

Artikel 3

Definities

In het kader van deze verordening wordt verstaan onder :

   a) "communautaire statistieken": statistieken van de Gemeenschap in de zin van artikel 2, eerste streepje, van Verordening (EG) nr. 322/97;
   b) "productie van statistieken": productie van statistieken in de zin van artikel 2, tweede streepje, van Verordening (EG) nr. 322/97;
   c) "volksgezondheid": alle elementen in verband met de gezondheid van Europese burgers en ingezetenen, namelijk hun gezondheidstoestand, inclusief morbiditeit en handicaps, de determinanten die een effect op die gezondheidstoestand hebben, de behoeften aan gezondheidszorg, middelen ten behoeve van de gezondheidszorg, de verstrekking van en universele toegang tot gezondheidszorg, alsmede de uitgaven voor en de financiering van de gezondheidszorg, en de doodsoorzaken;
   d) "gezondheid en veiligheid op het werk": alle elementen die verband houden met de preventie en met de bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers in de Europese Unie op het werk in hun huidige activiteit en in vroegere activiteiten, met name arbeidsongevallen, beroepsziekten en andere arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen en ziekten.

Artikel 4

Bronnen

De lidstaten verzamelen gegevens over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk, afhankelijk van het gebied en het onderwerp en van de kenmerken van de nationale systemen, uit:

   a) reeds bestaande of geplande enquêtes onder huishoudens of soortgelijke enquêtes of enquêtemodules, of
   b) reeds bestaande of geplande nationale administratieve of andere informatiebronnen.

Artikel 5

Methoden, handleidingen en verkennende studies

1.   De Commissie (Eurostat) draagt zorg voor het opstellen, of eventueel het verbeteren of actualiseren, van handleidingen, richtsnoeren of aanbevelingen over kaders, begrippen en methoden betreffende de communautaire statistieken die naar aanleiding van deze verordening worden opgesteld.

2.   Voor de in lid 1 bedoelde ontwikkeling wordt gebruik gemaakt van nationale ervaring en deskundigheid. In de methoden die voor de uitvoering van de gegevensverzamelingen worden gebruikt, moet, ook bij de voorbereidende werkzaamheden, rekening worden gehouden met nationale bijzonderheden, capaciteiten en bestaande gegevensverzamelingen die in het kader van structuren voor de samenwerking met de lidstaten door de Commissie (Eurostat) zijn opgezet. Er moet ook rekening worden gehouden met de methoden voor de regelmatige verzameling van gegevens uit hoofde van projecten met een statistische dimensie, die gebaseerd zijn op andere Gemeenschapsprogramma's, zoals voor volksgezondheid of onderzoek.

3.   Bij de ontwikkeling van statistische methoden en gegevensverzamelingen ten behoeve van de compilatie van statistieken op Gemeenschapsniveau over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk moet er rekening mee worden gehouden dat deze in voorkomend geval verenigbaar moeten zijn met de activiteiten van internationale organisaties op dit gebied, zodat de statistieken op internationaal niveau vergelijkbaar zijn en de gegevensbestanden consistent zijn. Binnen de Europese Unie wordt rekening gehouden met de studies en onderzoeken van het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk en de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden. Buiten de Europese Unie wordt de samenwerking met de Verenigde Naties, en in het bijzonder met de IAO en de WGO, verder versterkt.

4.   Wanneer op de in artikel 2 genoemde terreinen wordt vastgesteld dat er nieuwe eisen aan de gegevens moeten worden gesteld of dat de gegevens onvoldoende kwaliteit hebben, leidt de Commissie (Eurostat) proefstudies in die op vrijwillige basis door de lidstaten kunnen worden uitgevoerd. Deze proefstudies hebben tot doel, de begrippen en methoden te testen en vast te stellen of de desbetreffende verzameling van gegevens, met inbegrip van statistische kwaliteit, vergelijkbaarheid en kosteneffectiviteit, realiseerbaar is overeenkomstig de beginselen van de Praktijkcode Europese statistieken. Over de aanpak in deze studies moet overeenstemming worden bereikt in het kader van structuren voor de samenwerking met lidstaten.

Artikel 6

Indiening, verwerking, verspreiding en publicatie van gegevens

1.   De lidstaten dienen de microgegevens of, afhankelijk van het betrokken gebied en onderwerp, de geaggregeerde gegevens, met inbegrip van vertrouwelijke gegevens in de zin van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 322/97 ║ en de door de onderhavige verordening en haar uitvoeringsbepalingen vereiste metagegevens, in bij de Commissie (Eurostat) in overeenstemming met de bestaande Gemeenschapsbepalingen betreffende de indiening van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens die zijn vastgesteld in de Verordeningen (EG) nr. 322/97 en (Euratom, EEG) nr. 1588/90. Deze Gemeenschapsbepalingen zijn van toepassing op de verwerking van de gegevens door Eurostat voorzover de gegevens als vertrouwelijk worden beschouwd in de zin van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 322/97.

2.   De lidstaten dienen de op grond van deze verordening en haar uitvoeringsbepalingen vereiste gegevens en metagegevens in elektronische vorm in, in overeenkomstig met een tussen de Commissie en de lidstaten overeengekomen uitwisselingsnorm. De gegevens worden verschaft binnen de termijnen, met de frequentie en met betrekking tot de referentieperiodes die in de bijlagen zijn vastgesteld.

3.   De Commissie (Eurostat) neemt de noodzakelijke maatregelen om de verspreiding, de toegankelijkheid en de documentatie van de statistische informatie te verbeteren overeenkomstig de beginselen van vergelijkbaarheid, betrouwbaarheid en statistische geheimhouding in Verordening (EG) nr. 322/97.

Artikel 7

Kwaliteitscriteria en rapporten

1.   De Commissie (Eurostat) beoordeelt de kwaliteit van de ingediende gegevens.

2.   De Commissie (Eurostat) ontwikkelt in nauwe samenwerking met de lidstaten gemeenschappelijke normen die worden aanbevolen om de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van de verstrekte gegevens te waarborgen overeenkomstig de beginselen van de Praktijkcode Europese statistieken. Deze normen worden gepubliceerd in de methodologische handleidingen of richtsnoeren.

3.   De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om de best mogelijke kwaliteit van de ingediende gegevens te waarborgen.

4.   Elke vijf jaar verstrekken de lidstaten de Commissie (Eurostat) twee volgens de in lid 2 bedoelde normen opgestelde verslagen over de kwaliteit van de ingediende gegevens en de bronnen van de gegevens. Het eerste verslag betreft de volksgezondheidsstatistiek en de tweede de statistiek van de gezondheid en veiligheid op het werk. Elke vijf jaar stelt de Commissie (Eurostat) een verslag op over de vergelijkbaarheid van de verspreide gegevens.

Artikel 8

Uitvoeringsmaatregelen

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing vastgesteld. De maatregelen hebben betrekking op de in artikel 2 genoemde gebieden:

   definities,
   onderwerpen en indeling, met inbegrip van variabelen en classificaties,
   bronnen voorzover relevant,
   levering van gegegevens en metagegevens, met inbegrip van referentieperiodes, frequentie en termijnen.

Artikel 9

Comité 

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 89/382/EEG, Euratom ║ ingestelde comité statistisch programma ║.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5a, leden 1 tot en met 4, en artikel  7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 10

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ║

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

BIJLAGE I

Gebied: Gezondheidstoestand en gezondheidsdeterminanten

a)   Doel

Doel van dit gebied is actuele statistieken over de gezondheidstoestand en de gezondheidsdeterminanten te verschaffen.

b)   Werkingssfeer

De gegevens over dit gebied worden voornamelijk verzameld bij bevolkingsonderzoeken of enquêtemodules over de gezondheid. Ook gegevens uit registers of andere administratieve bronnen kunnen worden gebruikt voor aanvullende informatie of voor bepaalde specifieke onderwerpen zoals de morbiditeit of ongevallen en verwondingen. Voor zover relevant worden personen in zorginstellingen en kinderen van 0-14 jaar inbegrepen, wanneer dit bij voorbereidende studies zinvol is gebleken.

c)   Referentieperiodes, frequentie en termijnen voor de gegevensverstrekking

De statistieken worden ten minste elke vijf jaar verstrekt; voor sommige specifieke gegevensverzamelingen, zoals die over morbiditeit of ongevallen en verwondingen, kan een hogere frequentie noodzakelijk zijn; het eerste referentiejaar, de frequentie en de termijnen voor de gegevensverstrekking worden per bron en onderwerp in het kader van de in artikel 8 bedoelde uitvoeringsmaatregelen vastgesteld.

d)   Onderwerpen

De minimumverzameling van te verstrekken gegevens bestrijkt de volgende onderwerpen:

   gezondheidstoestand, inclusief gezondheidsperceptie, fysiek en mentaal functioneren en handicaps, en morbiditeit,
   traceren van ziektes met toenemende of afnemende incidentie,
   ongevallen en verwondingen, inclusief die in verband met consumentenveiligheid en met alcohol en drugs gerelateerde schade ,
   levensstijl en milieu-, sociale en beroepsfactoren,
   bescherming tegen mogelijke pandemieën en overdraagbare ziektes,
   toegankelijkheid en gebruik van preventieve en curatieve gezondheidszorgvoorzieningen (bevolkingsonderzoek),
   demografische en sociaal-economische achtergrondinformatie over de individuen.

Het is niet noodzakelijk dat elke keer dat gegevens worden verstrekt, alle onderwerpen aan de orde komen. De vereiste variabelen, indelingen en microgegevens worden aan de hand van bovenstaande lijst vastgesteld.

Indien er enquêtes als bron worden gebruikt, moet bij de ontwikkeling van de instrumenten voor gezondheidsenquêtes, de uitwerking van de aanbevolen kenmerken en de kwaliteitsbeoordeling voor het ontwerp, de steekproeftrekking en de afweging van de enquête en de uitvoering de met de lidstaten ontwikkelde richtsnoeren in acht worden genomen. Deze specificaties voor te verzamelen gegevens en de enquêtes worden in het kader van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen met de lidstaten overeengekomen en uitvoerig in handboeken en richtsnoeren gespecificeerd.

e)   Metagegevens

Bij de indiening van de onder dit gebied vallende gegevens verstrekken de lidstaten de in het kader van de uitvoeringsmaatregelen overeen te komen metagegevens (inclusief die over de kenmerken van de enquête), informatie over alle nationale bijzonderheden die nodig zijn voor de uitlegging en de opstelling van vergelijkbare statistieken en indicatoren.

BIJLAGE II

Gebied: Gezondheidszorg

a)   Doel

Doel van dit gebied is actuele statistieken over de gezondheidszorg te verschaffen.

b)   Werkingssfeer

Dit gebied bestrijkt zowel alle activiteiten van instellingen of individuen die door het toepassen van medische, paramedische of verpleegkundige kennis en technologie aan gezondheid werken, als de daarmee samenhangende administatieve en leidinggevende activiteiten.

De gegevens worden voornamelijk aan administratieve bronnen ontleend.

c)   Referentieperiodes, frequentie en termijnen voor de gegevensverstrekking

De statistieken worden jaarlijks verstrekt; het eerste referentiejaar, de frequentie en de termijnen voor de gegevensverstrekking worden per bron en onderwerp in het kader van de in artikel 8 bedoelde uitvoeringsmaatregelen vastgesteld.

d)   Onderwerpen

De minimumverzameling van te verstrekken gegevens bestrijkt de volgende onderwerpen:

   instellingen en middelen voor gezondheidszorg,
   gebruik van gezondheidszorg, individuele en collectieve diensten,
   uitgaven voor en financiering van gezondheidszorg, en
   andere elementen voor de ondersteuning van nationale strategieën voor de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardige, toegankelijke en duurzame gezondheids- en langdurige zorg.

Het is niet noodzakelijk dat elke keer dat gegevens worden verstrekt, alle onderwerpen aan de orde komen. De vereiste variabelen en onderverdelingen worden aan de hand van bovenstaande lijst vastgesteld. De verzameling gegevens wordt vastgesteld aan de hand van de International Classification of Health Accounts van de OESO en de International Shortlist for Hospital Morbidity Tabulation van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO). Deze specificaties worden in de context van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen worden overeengekomen en uitvoerig in handboeken en richtsnoeren gespecificeerd.

e)   Metagegevens

Bij de indiening van de onder dit gebied vallende gegevens verstrekken de lidstaten de in het kader van de uitvoeringsmaatregelen overeen te komen metagegevens (inclusief bronnen, definities en compilaties) alsmede informatie over alle nationale bijzonderheden die nodig zijn voor de uitlegging en de opstelling van vergelijkbare statistieken en indicatoren.

BIJLAGE III

Gebied: Doodsoorzaken

a)   Doel

Doel van dit gebied is actuele en vergelijkbare statistieken over doodsoorzaken te verschaffen.

b)   Werkingssfeer

Dit gebied bestrijkt de statistieken over doodsoorzaken, die worden gebaseerd op medische overlijdensverklaringen, waarbij de aanbevelingen van de WGO in aanmerking worden genomen. De op te stellen statistieken betreffen de onderliggende doodsoorzaak die door de WGO wordt gedefineerd als "de ziekte of het letsel dat aanleiding heeft gegeven tot de reeks van gebeurtenissen die rechtstreeks tot de dood hebben geleid, of de omstandigheden van het ongeval of geweld waarin het fatale letsel werd veroorzaakt". De statistiek wordt opgesteld voor Europese ingezetenen en doodgeboorten.

c)   Referentieperiodes, frequentie en termijnen voor de gegevensverstrekking

De statistieken worden jaarlijks verstrekt. Het eerste referentiejaar wordt in het kader van de in artikel 8 bedoelde uitvoeringsmaatregelen vastgesteld. De gegevens worden uiterlijk in het tweede jaar na het referentiejaar ingediend. In afwachting hiervan mogen voorlopige gegevens of schattingen worden ingediend. Bij bijzondere voorvallen op het gebied van de volksgezondheid kunnen als aanvulling speciale gegevensverzamelingen worden vastgesteld, hetzij voor alle sterfgevallen, hetzij voor specifieke doodsoorzaken.

d)   Onderwerpen

De minimumverzameling van te verstrekken gegevens bestrijkt de volgende onderwerpen:

   kenmerken van de overledenen,
   regio,
   kenmerken van het overlijden, inclusief de onderliggende doodsoorzaak.

De vereiste variabelen en indelingen worden aan de hand van bovenstaande lijst vastgesteld. De verzameling gegevens over de doodsoorzaken wordt vastgesteld overeenkomstig de Internationale classificatie van ziekten van de WGO, met onachtneming van de voorschriften van Eurostat en de aanbevelingen voor bevolkingsstatistieken van de VN en de WGO. Deze specificaties worden in de context van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen worden overeengekomen en uitvoerig in handboeken en richtsnoeren gespecificeerd.

e)   Metagegevens

Bij de indiening van de onder dit gebied vallende gegevens verstrekken de lidstaten de in het kader van de uitvoeringsmaatregelen overeen te komen metagegevens, alsmede informatie over alle nationale bijzonderheden die nodig zijn voor de uitlegging en de opstelling van vergelijkbare statistieken en indicatoren.

BIJLAGE IV

Gebied: Arbeidsongevallen

a)   Doel

Doel van dit gebied is actuele statistieken over arbeidsongevallen te verschaffen.

b)   Werkingssfeer

Een arbeidsongeval wordt gedefinieerd als "een afzonderlijk voorval tijdens het werk dat leidt tot lichamelijke of geestelijke schade". De gegevens worden aan de hand van administratieve bronnen en relevante aanvullende bronnen verzameld voor alle werknemers, voor arbeidsongevallen met dodelijke afloop en voor arbeidsongevallen die meer dan drie dragen arbeidsverzuim veroorzaken. Voor zover beschikbaar mag er in het kader van de samenwerking met de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) een beperkte deelverzameling van basisgegevens over ongevallen met minder dan vier verzuimdagen worden opgesteld.

c)   Referentieperiodes, frequentie en termijnen voor de gegevensverstrekking

De statistieken worden jaarlijks verstrekt. Het eerste referentiejaar wordt in het kader van de in artikel 8 bedoelde uitvoeringsmaatregelen vastgesteld. De gegevens worden uiterlijk in de maand juni van het tweede jaar na het referentiejaar ingediend. In afwachting hiervan mogen voorlopige of geraamde gegevens worden ingediend.

d)   Onderwerpen

Het minimumbestand van te verstrekken gegevens bestrijkt de volgende onderwerpen:

   kenmerken van het slachtoffer en het letsel,
   kenmerken van de onderneming en de werkplek,
   kenmerken van de werkomgeving,
   kenmerken van het ongeval, inclusief de reeks gebeurtenissen die de oorzaken en omstandigheden van het ongeval kenmerken.

De vereiste variabelen en indelingen, alsmede de daarmee samenhangende opties en steekproefwegingen, worden aan de hand van bovenstaande lijst in het kader van de ESAO (Europese statistieken over arbeidsongevallen) -methode vastgesteld. Zij worden in de context van de desbetreffende uitvoeringsmaatregelen met de lidstaten overeengekomen en uitvoerig in handboeken en richtsnoeren gespecifieerd.

e)   Metagegevens

Bij de indiening van de onder dit gebied vallende gegevens verstrekken de lidstaten de vereiste metagegevens over de populatie die onder de statistieken valt, de aangiftepercentages voor arbeidsongevallen zoals gedefinieerd onder b) , en, voor zover relevant, kenmerken van de steekproeven en informatie over alle nationale bijzonderheden die nodig zijn voor de uitlegging en de opstelling van vergelijkbare statistieken en indicatoren.

BIJLAGE V

Gebied: Beroepsziekten en andere arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen en ziekten

a)   Doel

Doel van dit gebied is actuele statistieken over erkende gevallen van beroepsziekten en andere arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen en ziekten te verschaffen.

b)   Werkingssfeer

Een geval van beroepsziekte wordt gedefinieerd als een ziektegeval dat als zodanig is erkend door de nationale instanties die bevoegd zijn voor de erkenning van beroepsziekten. De gegevens worden verzameld voor gevallen van beroepsziekten en voor sterfgevallen als gevolg van beroepsziekten. Arbeidsgerelateerde gezondheidproblemen en ziekten hoeven niet noodzakelijkerwijze te zijn erkend door een autoriteit; de desbetreffende gegevens worden voornamelijk ontleend aan bevolkingsonderzoeken. Arbeidsgerelateerde gezondheidsproblemen en ziekten zijn de gezondheidsproblemen en ziekten die kunnen worden veroorzaakt, verergerd of medeveroorzaakt door arbeidsomstandigheden. Dit omvat tevens fysieke en psychosociale gezondheidsproblemen.

c)   Referentieperiodes, frequentie en termijnen voor de gegevensverstrekking

De statistieken over beroepsziekten worden jaarlijks verstrekt. Zij worden uiterlijk in het eerste kwartaal van het tweede jaar na het referentiejaar ingediend. De referentieperioden, de frequentie en de termijnen voor de verstrekking van de andere gegevensverzamelingen worden vastgesteld en overeengekomen met de lidstaten.

d)   Onderwerpen

De minimumverzameling van te verstrekken gegevens bestrijkt de volgende onderwerpen:

   kenmerken van de zieke persoon, met inbegrip van geslacht, leeftijd en arbeidspositie , en de ziekte of gezondheidsgerelateerde problemen,
   kenmerken van de onderneming en de werkplek, met inbegrip van de omvang van de onderneming en de sector waartoe ze behoort ,
   kenmerken van het ziekmakend agens of de ziekmakende factor.

Het is niet noodzakelijk dat elke keer dat gegevens worden verstrekt, alle onderwerpen aan de orde komen. De vereiste variabelen en indelingen worden aan de hand van bovenstaande lijst vastgesteld en overeengekomen met de lidstaten.

e)   Metagegevens

Bij de indiening van de onder dit gebied vallende statistische gegevens verstrekken de lidstaten de vereiste metagegevens over de populatie die onder de statistieken valt, alsmede informatie over alle nationale bijzonderheden die nodig zijn voor de uitlegging en de opstelling van vergelijkbare statistieken en indicatoren.

(1) Advies gegeven op 25 oktober 2007 (nog niet bekendgemaakt in het PB).
(2) PB C 295 van 7.12.2007, blz. 1.
(3) PB L 181 van 28.6.1989, blz. 47.
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 13 november 2007.
(5) PB L 271 van 9.10.2002, blz. 1.
(6) PB C 161 van 5.7.2002, blz. 1.
(7) PB L 238 van 25.9.2003, blz. 28.
(8) PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.
(9) PB C 175 van 24.7.2003, blz. 1.
(10) PB L 52 van 22.2.1997, blz. 1 . Verordening ║ gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).
(11) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 ║.
(12) PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.
(13) PB L 151 van 15.6.1990, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 .
(14) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).
(15) PB L 315 van 15.11.2006, blz. 1.


Statuten voor het Voorzieningsagentschap van Euratom *
DOC 100k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2007 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van statuten voor het Voorzieningsagentschap van Euratom (COM(2007)0119 – C6-0131/2007 – 2007/0043(CNS) )
P6_TA(2007)0502 A6-0376/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2007)0119 ),

–   gelet op artikel 54, lid 2 van het Euratom­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0131/2007 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en het advies van de Begrotingscommissie (A6-0376/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   is van mening dat de uitgaven voor het Voorzieningsagentschap die ten laste komen van de begroting van de Europese Unie verenigbaar moeten zijn met het toepasselijke plafond van het nieuwe meerjarig financieel kader, alsook met de bepalingen van punt 47 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer(1) (IIA);

3.   herinnert eraan dat het advies van de Begrotingscommissie geen afbreuk doet aan het resultaat van de procedure zoals vastgelegd in punt 47 van het IIA, die van toepassing is op de oprichting van het Voorzieningsagentschap van Euratom;

4.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 119, tweede alinea van het Euratom-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

5.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

6.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

7.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
Visum 1 bis (nieuw)
Gelet op het Interinstitutioneel Akkoord van17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer 1 , in het bijzonder punt 47 daarvan,
__________
1 PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.
Amendement 2
Bijlage, artikel 1, lid 1, letter a)
a) oefent de bevoegdheden uit die het krachtens het Verdrag zijn verleend;
a) oefent de bevoegdheden uit die het krachtens het Verdrag en de afgeleide wetgeving zijn verleend;
Amendement 3
Bijlage, artikel 1, lid 1, letter b)
b) voert de andere taken uit die het door de Commissie zijn toevertrouwd.
b) voert daartoe de taken uit die het overeenkomstig artikel 52 en de daaropvolgende artikelen van het Verdrag zijn toevertrouwd.
Amendement 4
Bijlage, artikel 1, lid 1 bis (nieuw)
1 bis.    Om zijn doelen te bereiken voert het Agentschap de volgende specifieke taken uit, waarbij het overeenkomstig de doelstellingen van het Verdrag functioneert als energie-observatorium op het gebied van de voorziening van nucleair materiaal en nucleaire diensten:
a) toezicht houden op en analyseren van vraag en aanbod alsmede van markttrends die van invloed zijn op continuïteit in de voorziening van nucleair materiaal;
b) de lidstaten en het bedrijfsleven voorzien van periodieke marktoverzichten van de voorraden van de Europese Unie aan nucleair materiaal en de contractdekking op de lange termijn van nutsbedrijven in de Europese Unie, alsmede van periodieke risico-analyses van de markt, met als doel:
– te waarschuwen voor tekorten aan of onderbrekingen van de voorziening van nucleair materiaal in alle stadia van de productiecyclus van nucleaire brandstof (van het delven tot conversie, verrijking en productie),
– de lange-termijnvisie te waarborgen die vereist is om een kader in het leven te roepen voor investeringen in productiebedrijven en mijnbouwexploratie,
– een eerlijke concurrentie op de markt te handhaven;
c) in nauwe samenwerking met het in artikel 11 bedoelde Raadgevend Comité een hoog expertiseniveau te ontwikkelen en informatie en toekomstanalyses te produceren, met name een verslag met verwachtingen omtrent de vraag en het aanbod, een verslag over de uitvoering van het voorzieningsbeleid en periodieke overzichten in verband met markttrends, gebaseerd op relevante, gezamenlijk met het Raadgevend Comité uit te voeren analyses teneinde dit in staat te stellen richtsnoeren aan het bedrijfsleven te geven, aanbevelingen aan producenten en nutsbedrijven te formuleren en voorstellen voor regelgeving op de desbetreffende gebieden aan de Commissie te doen.
Amendement 5
Bijlage, artikel 2, lid 1
1.   Overeenkomstig artikel 54 van het Verdrag bezit het Agentschap rechtspersoonlijkheid. Het Agentschap wordt erkend als een instelling van openbaar belang en heeft geen winstoogmerken.
1.   Overeenkomstig artikel 54 van het Verdrag bezit het Agentschap rechtspersoonlijkheid. Het geniet in elke lidstaat de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die aan rechtspersonen op grond van de wetgeving in de desbetreffende lidstaat wordt verleend. Het Agentschap kan in het bijzonder roerende en onroerende goederen verwerven of vervreemden en kan in rechte optreden. Het Agentschap wordt erkend als een instelling van openbaar belang en heeft geen winstoogmerken.
Amendement 6
Bijlage, artikel 2, lid 3
3.   De zetel van het Agentschap is gevestigd op een van de locaties van de Commissiediensten. De Commissie neemt in dat verband haar besluit.
3.   De zetel van het Agentschap is gevestigd op een van de locaties van de Commissiediensten. De Raad neemt op voorstel van de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, in dat verband een besluit.
Amendement 7
Bijlage, artikel 2, lid 4
4.   Het Agentschap kan op eigen initiatief alle andere maatregelen betreffende zijn interne organisatie treffen, welke ter vervulling van zijn taak zowel binnen als buiten de Gemeenschap nodig zijn.
4.   Het Agentschap kan op eigen initiatief alle andere maatregelen betreffende zijn interne organisatie treffen, welke ter vervulling van zijn taak zowel binnen als buiten de Gemeenschap nodig zijn, mits deze maatregelen geen aanzienlijke financiële gevolgen hebben. Het Agentschap stelt het Europees Parlement en de Raad (hierna "de begrotingsautoriteit") op de hoogte van elk project dat aanzienlijke financiële gevolgen kan hebben voor de financiering van zijn begroting en in het bijzonder van projecten in verband met onroerend goed, zoals het huren of aankopen van gebouwen, en het stelt de Commissie hiervan in kennis.
Amendement 8
Bijlage, artikel 3, lid 1
1.   De directeur-generaal wordt door de Commissie benoemd.
1.   De directeur-generaal wordt door de Commissie benoemd na raadpleging van het Raadgevend Comité. Hij werkt voltijds voor het Agentschap en treedt niet op als agent van de Commissie .
Amendement 9
Bijlage, artikel 3, lid 3, streepjes 2 tot en met 5
– het dagelijks beheer van het Agentschap;
– het beheer van het Agentschap, zijn administratie en zijn middelen, met inbegrip van personeelszaken ;
het beheer van alle middelen van het Agentschap;
– de opstelling van de ontwerpstaten van geraamde ontvangsten en uitgaven van het Agentschap en de uitvoering van de begroting;
– de opstelling van de ontwerpstaten van geraamde ontvangsten en uitgaven van het Agentschap en de uitvoering van de begroting;
alle personeelszaken .
het uitvoeren van elke studie en elk specifiek verslag die overeenkomstig artikel 1, lid 1 bis nodig worden geacht en het doorgeven daarvan aan de Commissie, het Europees Parlement en de Raad;
het in het algemeen belang van de Gemeenschap zorgen voor de uitvoering van de in artikel 1 vermelde taken.
Amendement 10
Bijlage, artikel 3, lid 4
4.   Jaarlijks dient de directeur-generaal bij de Commissie een verslag in over de activiteiten van het Agentschap in het afgelopen jaar, alsmede een werkprogramma voor het komende jaar.
4.   Vóór de 31ste maart van elk jaar dient de directeur-generaal, na raadpleging van het Raadgevend Comité, bij de Commissie een verslag in over de activiteiten van het Agentschap in het afgelopen jaar, alsmede een werkprogramma voor het komende jaar. De directeur-generaal doet dit jaarverslag alsmede het werkprogramma toekomen aan het Europees Parlement, de Raad, de Rekenkamer en de lidstaten, samen met het advies van het Raadgevend Comité.
Amendement 11
Bijlage, artikel 4, lid 1
1.   De directeur-generaal en het personeel van het Agentschap zijn ambtenaren van de Europese Gemeenschappen die onder het personeelsstatuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen vallen, alsook onder de regels die gezamenlijk zijn vastgesteld door de instellingen van de Europese Gemeenschappen met het oog op de toepassing van dit personeelsstatuut. De ambtenaren worden aangesteld en hun salaris wordt betaald door de Commissie.
1.   Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede de regels die gezamenlijk zijn vastgesteld door de instellingen van de Europese Gemeenschappen met het oog op de toepassing van dit personeelsstatuut en deze regeling zijn van toepassing op het personeel van het Agentschap .
Amendement 12
Bijlage, artikel 4, lid 1 bis (nieuw)
1 bis.    Het Agentschap oefent ten aanzien van zijn personeel de bevoegdheden uit van tot aanstelling bevoegd gezag.
Amendement 13
Bijlage, artikel 5, lid 5
5.   Iedere in artikel 53 van het Verdrag bedoelde handeling van het Agentschap kan door belanghebbenden aan de Commissie worden voorgelegd tot en met de tiende werkdag volgende op de datum van kennisgeving van die handeling of, indien geen kennisgeving heeft plaatsgevonden, van haar bekendmaking. Bij ontbreken van kennisgeving of bekendmaking gaat de termijn in op de dag waarop de belanghebbende kennis van de handeling heeft verkregen.
5.   Iedere in artikel 53 van het Verdrag bedoelde handeling van het Agentschap kan door belanghebbenden aan de Commissie worden voorgelegd tot en met de vijftiende werkdag volgende op de datum van kennisgeving van die handeling of, indien geen kennisgeving heeft plaatsgevonden, van haar bekendmaking. Bij ontbreken van kennisgeving of bekendmaking gaat de termijn in op de dag waarop de belanghebbende kennis van de handeling heeft verkregen.
Amendement 14
Bijlage, artikel 7, lid 3
3.   De ontvangsten van het Agentschap bestaan uit een bijdrage van de Gemeenschap, bankinteresten en de financiële opbrengst van zijn kapitaal en bankinvesteringen, en, indien nodig, uit een heffing op transacties, als bedoeld in artikel 54 van het Verdrag, en leningen.
3.   De ontvangsten van het Agentschap bestaan uit een op de algemene begroting van de Europese Unie (Afdeling Commissie) opgenomen bijdrage van de Gemeenschap, bankinteresten en de financiële opbrengst van zijn kapitaal en bankinvesteringen, en, indien nodig, uit een heffing op transacties, als bedoeld in artikel 54 van het Verdrag, en leningen. Voor de financiering van het Agentschap is de instemming vereist van de begrotingsautoriteit, zoals bedoeld in het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006.
Amendement 15
Bijlage, artikel 7, lid 4
4.   De uitgaven van het Agentschap bestaan uit de administratieve uitgaven voor het personeelsbestand en het Raadgevend Comité, alsmede uit de uitgaven ten gevolge van contracten met derde partijen.
4.   De uitgaven van het Agentschap bestaan uit het personeel, de administratieve, de huishoudelijke en de infrastructuuruitgaven, met inbegrip van de uitgaven ten gevolge van contracten met derde partijen.
Amendement 16
Bijlage, artikel 7, lid 5 bis (nieuw)
5 bis.    De raming wordt door de Commissie samen met het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie toegezonden aan de begrotingsautoriteit.
Amendement 17
Bijlage, artikel 7, lid 6
6.   Aan de hand van die raming neemt de Commissie in het voorontwerp van de algemene begroting van de Europese Unie de geraamde bedragen op die zij nodig acht voor de ten laste van de algemene begroting komende subsidie.
6.   Aan de hand van die raming neemt de Commissie in het voorontwerp van de algemene begroting van de Europese Unie de geraamde bedragen op die zij nodig acht voor de ten laste van de algemene begroting komende subsidie en legt deze voor aan de begrotingsautoriteit in overeenstemming met artikel 272 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap .
mendement 18
Bijlage, artikel 7, lid 7
7.   In het kader van de begrotingsprocedure, verleent de begrotingsautoriteit toestemming voor de kredieten voor de subsidie aan het Agentschap en stelt zij de personeelsformatie van het Agentschap vast, die afzonderlijk wordt opgenomen in de personeelsformatie van de Commissie .
7.   In het kader van de begrotingsprocedure, verleent de begrotingsautoriteit toestemming voor de kredieten voor de subsidie aan het Agentschap en stelt zij de personeelsformatie van het Agentschap vast, die afzonderlijk wordt gepubliceerd in de algemene begroting van de Europese Unie .
Amendement 19
Bijlage, artikel 7, lid 9
9.   Een wijziging van de personeelsformatie of van de begroting van het Agentschap is het voorwerp van een gewijzigde begroting die wordt vastgesteld overeenkomstig dezelfde procedure als voor de initiële begroting. Wijzigingen van de personeelsformatie worden voorgelegd aan de begrotingsautoriteit. De gewijzigde begrotingen worden ter informatie toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad .
9.   Een wijziging van de personeelsformatie of van de begroting van het Agentschap is het voorwerp van een gewijzigde begroting die wordt goedgekeurd overeenkomstig de procedure zoals vastgelegd in de leden 5 tot en met 8 .
mendement 20
Bijlage, artikel 8, lid 10
10.   Het voor het Agentschap geldende Financieel Reglement wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 183 van het Verdrag.
10.   Het voor het Agentschap geldende Financieel Reglement wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 183 van het Verdrag. Dit moet in overeenstemming zijn met het bepaalde in Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 19 november 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen 1 , tenzij specifiek noodzakelijk voor het functioneren van het Agentschap en met voorafgaande instemming van de Commissie.
_________
1 PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.
Amendement 21
Bijlage, artikel 10, lid 1, alinea 2
De bepalingen betreffende deze heffing worden nader omschreven in een tenuitvoerleggingsbesluit.
De Commissie bepaalt na raadpleging van de Raad het percentage van de heffing en de voorwaarden waarop deze wordt geheven. De Commissie handelt naar aanleiding van een voorstel van de directeur-generaal, die het advies inwint van het in artikel 11 bedoelde Raadgevend Comité. De bepalingen betreffende de in de praktijk voor deze heffing te volgen regelingen worden nader omschreven in een tenuitvoerleggingsbesluit.
Amendement 22
Bijlage, artikel 11, lid 1, alinea 1
1.   Het Raadgevend Comité (hierna "het comité") bestaat uit één lid per lidstaat zonder splijtstofcyclusactiviteiten en twee leden per lidstaat mét splijtstofcyclusactiviteiten. Een lidstaat kan echter verkiezen niet deel te nemen aan de werkzaamheden van het comité. Elke lidstaat kan een plaatsvervangend lid hebben dat naast het gewone lid kan deelnemen aan de vergaderingen van het comité, maar niet mag stemmen als ook het gewone lid aanwezig is. Als een lid aftreedt of niet meer in staat is zijn/haar taken te vervullen, wordt een opvolger aangesteld voor de resterende termijn van het mandaat.
1.   Het Raadgevend Comité (hierna "het comité") bestaat uit één lid per lidstaat waarin geen splijtstofcyclusactiviteiten plaatsvinden en twee leden per lidstaat waarin wel splijtstofcyclusactiviteiten plaatsvinden. Het heeft één extra lid voor elke lidstaat waarin splijtstofcyclusactiviteiten plaatsvinden en die voor meer dan 300 000 EUR op het kapitaal van het Agentschap heeft gestort. Een lidstaat kan echter verkiezen niet deel te nemen aan de werkzaamheden van het comité. Elke lidstaat kan een plaatsvervangend lid hebben dat kan deelnemen aan de vergaderingen van het comité als het gewone lid verhinderd is . Als een lid aftreedt of niet meer in staat is zijn/haar taken te vervullen, wordt een opvolger aangesteld voor de resterende termijn van het mandaat.
Amendement 23
Bijlage, artikel 11, lid 1, alinea 2
De comitéleden en hun plaatsvervangers worden benoemd door hun respectieve lidstaten op basis van hun relevante ervaring en deskundigheid op het gebied van de splijtstofcyclus of de opwekking van kernenergie. De ambtstermijn bedraagt drie jaar. Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.
De comitéleden en hun plaatsvervangers worden benoemd door hun respectieve lidstaten op basis van hun relevante ervaring en deskundigheid op het gebied van de splijtstofcyclus of de opwekking van kernenergie. De ambtstermijn bedraagt drie jaar. Deze ambtstermijn kan worden verlengd.
Amendement 24
Bijlage, artikel 12, lid 1 bis (nieuw)
1 bis.    Het comité kan twee leden als adviseurs van de personen met uitvoerende bevoegdheden benoemen. De personen met uitvoerende bevoegdheden en hun adviseurs vormen het Bureau van het comité en hebben tot taak alle noodzakelijke betrekkingen namens het comité te onderhouden. Het Bureau functioneert als schakel tussen de comitéleden en de directeur-generaal van het Agentschap en coördineert de activiteiten van het comité, met name in verband met de voorbereiding, vaststelling en evaluatie van zijn verslagen en de verspreiding van zijn expertise.
Amendement 25
Bijlage, artikel 12, lid 2
2.   De ambtstermijn van de voorzitter en vice-voorzitters bedraagt drie jaar. Bedoelde ambtstermijn is niet- hernieuwbaar en het voorzitterschap wordt afwisselend opgenomen door vertegenwoordigers van de verschillende geledingen van de sector. Het mandaat van de voorzitter en de vice-voorzitters wordt automatisch beëindigd als zijn/haar ambtstermijn afloopt zonder hernieuwing.
2.   De ambtstermijn van de voorzitter, vice-voorzitters en de twee adviseurs van de personen met uitvoerende bevoegdheden bedraagt drie jaar. Bedoelde ambtstermijn is eenmaal hernieuwbaar en het voorzitterschap wordt afwisselend opgenomen door vertegenwoordigers van de verschillende geledingen van de sector. Het mandaat van de voorzitter, de vice-voorzitters en de adviseurs van de personen met uitvoerende bevoegdheden wordt automatisch beëindigd als zijn/haar ambtstermijn afloopt zonder hernieuwing.
Amendement 26
Bijlage, artikel 13, lid 1
1.   Het comité vergemakkelijkt door adviezen en voorlichting de goede vervulling van de taak van het Agentschap. Het vormt een verbindingsorgaan tussen het Agentschap enerzijds en de producenten en gebruikers van de nucleaire industrie anderzijds.
1.   Het comité vergemakkelijkt door adviezen, analyses en voorlichting de goede vervulling van de taak van het Agentschap. Het zorgt met name voor de opstelling van de in artikel 1 (1 bis) bedoelde verslagen, overzichten en studies. Het vormt een verbindingsorgaan tussen het Agentschap enerzijds en de producenten en gebruikers van de nucleaire industrie anderzijds.
Amendement 27
Bijlage, artikel 13, lid 2
2.   Het comité kan worden geraadpleegd over alle vraagstukken welke tot de bevoegdheid van het Agentschap behoren, hetzij mondeling op de vergaderingen van het comité, hetzij schriftelijk tussen die vergaderingen in. Het comité kan tevens adviezen over deze vraagstukken uitbrengen op initiatief van ten minste een derde van zijn leden.
2.   Het comité kan worden geraadpleegd over alle vraagstukken welke tot de bevoegdheid van het Agentschap behoren, hetzij mondeling op de vergaderingen van het comité, hetzij schriftelijk tussen die vergaderingen in. Het comité wordt met name geraadpleegd wanneer dit besluit daarin uitdrukkelijk voorziet. Het comité kan tevens adviezen over deze vraagstukken uitbrengen op initiatief van ten minste een derde van zijn leden.
Amendement 28
Bijlage, artikel 13, lid 3, letter c)
c) de wijze van vaststelling van de heffing op transacties ter bestrijding van de bedrijfskosten van het Agentschap (artikel 54, alinea 5, van het Verdrag);
c) de wijze van vaststelling van de heffing op transacties ter bestrijding van de bedrijfskosten van het Agentschap (artikel 54, alinea 5, van het Verdrag) en het percentage daarvan ;
Amendement 29
Bijlage, artikel 13, lid 3, letter c bis) (nieuw)
c bis) de criteria voor het opnemen van leningen, zoals bedoeld in artikel 6, lid 3;
Amendement 30
Bijlage, artikel 13, lid 3, letter c ter) (nieuw)
c ter) de criteria ter omschrijving van de prijsmanipulaties die in artikel 68 van het Verdrag worden verboden;
Amendement 31
Bijlage, artikel 13, lid 3, letter d bis) (nieuw)
d bis) het bijhouden van de "Financiële administratie van de bijzondere splijtstoffen", zoals bedoeld in artikel 88 van het Verdrag;
Amendement 32
Bijlage, artikel 13, lid 3, letter e)
e) het Financieel Reglement voor de jaarbegroting van het Agentschap, de rekeningen, het marktverslag en het werkprogramma;
e) het Financieel Reglement voor de jaarbegroting van het Agentschap en de afzonderlijke staat van ontvangsten en uitgaven van het Agentschap, zoals bedoeld in artikel 171, lid 2 van het Verdrag;
Amendement 33
Bijlage, artikel 13, lid 3, letter e bis) (nieuw)
e bis) het jaarverslag en het werkprogramma.
Amendement 34
Bijlage, artikel 14, lid 1, inleidende formule
1.   Het comité vergadert op de zetel van het Agentschap:
1.   De voorzitter roept het comité voor een vergadering op de zetel van het Agentschap bijeen :
Amendement 35
Bijlage, artikel 14, lid 1, letter a)
a) normaliter twee keer per jaar;
a) normaliter twee keer per jaar en telkens de voorzitter dit noodzakelijk acht ;
Amendement 36
Bijlage, artikel 14, lid 6
6.   Het secretariaat van het comité wordt verzorgd door het Agentschap.
6.   Het secretariaat van het comité wordt verzorgd door het Agentschap. Het secretariaat stelt in samenwerking met de voorzitter de agenda ter goedkeuring van het Comité op, zendt alle relevante documenten ten minste 15 werkdagen vóór de vergaderdatum aan de leden van het Comité en stelt de notulen van de vergaderingen van het Comité en die van het Bureau .
Amendement 37
Bijlage, artikel 14, lid 7
7.   De reiskosten van een comitélid komen ten laste van het Agentschap.
7.   De reiskosten van een comitélid per lidstaat komen ten laste van het Agentschap.
Amendement 38
Bijlage, Slotbepalingen en artikel 15
Slotbepalingen
Schrappen
Artikel 15 - Handelingsbevoegdheid van het Agentschap
In elke lidstaat geniet het Agentschap de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die aan rechtspersonen op grond van de wetgeving in de desbetreffende lidstaat wordt verleend. Het Agentschap kan in het bijzonder roerende en onroerende goederen verwerven of vervreemden en kan in rechte optreden.

(1) PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.


De rol van sport in het onderwijs
DOC 68k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2007 over de rol van sport in het onderwijs (2007/2086(INI) )
P6_TA(2007)0503 A6-0415/2007

Het Europees Parlement ,

–   gelet op de artikelen 149, 150 en 152 van het EG-Verdrag,

–   gezien Verklaring nr. 29 inzake sport, gehecht aan het Verdrag van Amsterdam, het Verslag van de Commissie over sport aan de Europese Raad van Helsinki van 10 en 11 december 1999 (COM(1999)0644 ) en de Verklaring van Nice over de specifieke kenmerken van de sport en de maatschappelijke functie daarvan in Europa, neergelegd in bijlage IV bij de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van Nice (7-9 december 2000),

–   gezien het Witboek van de Commissie over sport (COM(2007)0391 ),

–   gezien het Witboek van de Commissie betreffende "Een EU-strategie voor aan voeding, overgewicht en obesitas gerelateerde gezondheidskwesties" (COM(2007)0279 ),

–   gezien de evaluatie door de Commissie van de resultaten van het Europees Jaar van opvoeding door sport (EJOS 2004) (COM(2005)0680 ),

–   gezien de aanbeveling van de Raad van Europa over de verbetering van de lichamelijke opvoeding en sport voor kinderen en jongeren in alle Europese landen, aangenomen door het Comité van ministers op 30 april 2003 (Rec(2003)6),

–   gezien het Groenboek van de Commissie "Bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging: een Europese dimensie voor de preventie van overgewicht, obesitas en chronische ziekten" (COM(2005)0637 ),

–   gezien de door het Europees Parlement gepubliceerde studie "Huidige situatie en perspectieven van de lichamelijke opvoeding in de Europese Unie",

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 juni 1997 over de rol van de Europese Unie op het gebied van sport(1) en van 5 juni 2003 over vrouwen en sport(2) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 29 maart 2007 over de toekomst van het beroepsvoetbal in Europa(3) ,

–   onder verwijzing naar de resolutie van 14 april 2005 over doping in de sport(4) ,

–   gelet op de artikelen 6 en 149 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, als neergelegd in het ontwerp-Verdrag van Lissabon,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en de adviezen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0415/2007 ),

A.   overwegende dat lichamelijke opvoeding het enige vak op school is dat de kinderen voorbereidt op een gezonde levenswijze, dat hierin de volledige toestand van het kind, zijn lichamelijke en geestelijke ontwikkeling centraal staat en dat dit vak belangrijke maatschappelijke waarden bijbrengt zoals eerlijkheid, zelfbeheersing, solidariteit, teamgeest, tolerantie en fair play,

B.   overwegende dat een steeds groter deel van de Europese bevolking lijdt aan zwaarlijvigheid als gevolg van een gebrek aan beweging en een onjuist dieet, wat in sommige gevallen leidt tot een slechte gezondheid en psychosociale problemen en kwalen die gepaard gaan met dure complicaties als hoge bloeddruk, suikerziekte en hart- en vaatziekten, en dat dit ondermeer geldt voor een op de vier kinderen,

C.   overwegende dat lichamelijke opvoeding en sport op school een van de belangrijkste instrumenten voor maatschappelijke integratie is, maar dat de volwaardige deelname van kinderen uit bepaalde minderheden en religieuze gemeenschappen en van kinderen met handicaps aan de lichamelijke opvoeding in veel gevallen niet gegarandeerd is en veel moeilijk op te lossen problemen opwerpt,

D.   overwegende dat het aantal lesuren voor lichamelijke opvoeding de laatste tien jaar is gedaald, zowel op lagere als op middelbare scholen, en dat op het gebied van voorzieningen en uitrusting zeer grote verschillen bestaan tussen de lidstaten,

E.   overwegende dat er tussen de lidstaten grote verschillen bestaan op het gebied van de programma's voor de opleiding van leraren lichamelijke opvoeding en dat de praktijk terrein wint dat het gymnastiekonderwijs op school wordt toevertrouwd aan docenten met een gebrekkige vakopleiding,

F.   overwegende dat er geen sprake is van goede coördinatie om binnen- en buitenschoolse sportactiviteiten met elkaar in overeenstemming te brengen en de bestaande voorzieningen beter te benutten, en dat het optreden verschilt per lidstaat,

G.   overwegende dat de rol van de ouders bepalend moet zijn in partnerschapsnetwerken op dit gebied, dat de ouderlijke steun voor de sportactiviteiten van hun kinderen van levensbelang is aangezien zij het voorbeeld geven aan hun kinderen en ervoor zorgen dat de kinderen deelnemen aan de activiteiten en programma's,

H.   overwegende dat de rechtskaders voor lichamelijke opvoeding en sport en die voor de EU-steun daarvoor zeer onduidelijk zijn,

I.   overwegende dat volksgezondheid en de bescherming van de jeugd prioriteiten zijn van de Europese Unie en de bestrijding van doping in de sport daarom bijzondere aandacht verdient,

J.   overwegende dat sport een van de efficiëntste manieren is om roken tegen te gaan, vooral bij jongeren,

1.   herbevestigt de legitieme interesse van de Europese Unie in sport, met name de sociale en culturele aspecten ervan, alsmede de opvoedkundige en sociale waarden die sport overdraagt, zoals zelfdiscipline, het verleggen van persoonlijke grenzen, solidariteit, gezonde wedijver, respect voor de tegenstander, sociale integratie, bestrijding van elke vorm van discriminatie, teamgeest, tolerantie en eerlijk spel;

2.   benadrukt het belang van de tenuitvoerlegging van de reeds aangehaalde verklaringen van Amsterdam en Nice, met name wat betreft de specifieke kenmerken van sport in Europa en de sociale functie ervan, met welk aspect rekening moet worden gehouden bij de tenuitvoerlegging van communautair beleid;

3.   benadrukt dat sport in onze multiculturele samenleving een integraal deel van het formele en informele onderwijs kan en moet vormen; wijst erop dat studies hebben aangetoond dat regelmatige lichaamsbeweging het geestelijk en lichamelijk welzijn vergroot en een positief effect heeft op het leervermogen;

4.   verzoekt de lidstaten en de bevoegde instanties om gezondheidsbevordering een prominente plaats te geven in de onderwijsprogramma's van de scholen en kleuterscholen door specifieke vormen van lichaamsbeweging die geschikt zijn voor kleuters, aan te moedigen en clubs en verenigingen bewust te maken van de noodzaak om er bijvoorbeeld voor te zorgen dat kinderen op een zo jong mogelijke leeftijd kunnen beginnen met lichamelijke oefening, om zo hun ontwikkeling en gezondheid te bevorderen, en lichamelijke opvoeding voortaan in het leerplan een status te geven die aangepast is aan het profiel van de onderwijsinstelling en het studieniveau;

5.   betoogt dat sport en fysieke activiteit een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de bestrijding van negatieve gezondheidstendensen zoals een zittend leven en obesitas; verwijst naar de Speciale Eurobarometer 246 over voeding en gezondheid van november 2006 waarin gekeken wordt naar de gezondheidskenmerken en fysieke kenmerken van Europeanen, hun eetgewoonten en de problemen die verband houden met obesitas en gebrek aan beweging;

6.   dringt er bij de lidstaten op aan om voorlichtingscampagnes voor zowel zeer jonge kinderen als hun ouders te organiseren betreffende de noodzaak zich een gezonde levenswijze eigen te maken en regelmatig aan lichaamsbeweging te doen alsmede betreffende de gezondheidsrisico's die verbonden zijn aan ongezonde voeding;

7.   is verheugd over de instelling van informele werkgroepen op het gebied van sport door de Commissie en de Raad en stelt voor dat deze werkgroepen meer aandacht besteden aan de versterking van het verband tussen gezondheid en lichamelijke opvoeding op school;

8.   stelt voor leerkrachten lichamelijke opvoeding en sportdeskundigen te laten bijdragen aan het werk van de groep deskundigen van het Europees actieplatform op het gebied van voeding, lichaamsbeweging en gezondheid, dat in maart 2005 is opgericht door de Commissie;

9.   roept de lidstaten op om onderzoek te doen naar de plaats van lichamelijke opvoeding als schoolvak en daarin zonodig wijzigingen aan te brengen, rekening houdende met de gezondheidsgerelateerde en sociale behoeften en verwachtingen van de kinderen;

10.   roept de lidstaten op om lichamelijke opvoeding tot een verplicht vak te maken op lagere en middelbare scholen en als uitgangspunt te nemen dat in het lesrooster ten minste drie uur per week wordt besteed aan lichamelijke opvoeding, met dien verstande dat scholen moeten worden aangemoedigd om in de mate van het mogelijke meer te geven dan dit voorgeschreven minimum;

11.   roept de lidstaten en de bevoegde overheden op om lichaamsbewustzijn en gezonde ontwikkeling te bevorderen door een hogere mate van integratie tussen sport en academische vakken;

12.   wacht op de conclusies van de werkgroep over sport en gezondheid van de Commissie ter bepaling van de minimaal aanbevolen dagelijkse lichamelijke oefening en de bevordering van lichaamsbeweging op school;

13.   spreekt zijn waardering uit voor het Witboek van de Commissie over sport, dat een belangrijke stap is in de richting van de toekomstige ontwikkeling van communautaire maatregelen op het gebied van sport, en hoopt dat het thema lichamelijke opvoeding op school deel zal uitmaken van het actieplan Pierre de Coubertin (SEC(2007)0934 );

14.   uit zijn waardering voor het bovengenoemde Witboek van de Commissie over een Europese -strategie voor de problemen in verband met voeding, overgewicht en zwaarlijvigheid, waarin staat dat preventie, hoofdzakelijk door middel van de bevordering van lichaamsoefening en vergroting van het aantal sportbeoefenaars, prioriteit moet krijgen;

15.   begroet de resultaten van het reeds aangehaalde programma EJOS 2004, waarin de rol van de sport in het onderwijs benadrukt wordt, en vestigt de aandacht op de vele taken die de sport in de samenleving heeft;

16.   benadrukt dat de resultaten van het programma EJOS 2004 ten volle dienen te worden benut door goede praktijken te benutten en verder te ontwikkelen door middel van nieuwe initiatieven die met publieke of particuliere middelen worden gesteund of in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen worden gesponsord;

17.   is verheugd over de beslissing van het Internationaal Olympisch Comité om vanaf 2010 Olympische Jeugdspelen te organiseren, een evenement dat jongeren meer bewust zal maken van de Olympische geest en de waarde van sport;

18.   is van mening dat opvoeding en training op sportgebied, met name indien hierbij de nadruk wordt gelegd op de Olympische idealen, probate middelen zijn voor de sociale integratie van benadeelde groepen en de bevordering van de multiculturele dialoog en vrijwilligerswerk, en dat zij een actieve rol spelen bij het tegengaan van discriminatie, intolerantie, racisme, vreemdelingenhaat en geweld;

19.   moedigt de lidstaten aan hun beleid inzake lichamelijke opvoeding te moderniseren en te verbeteren - vooral om te verzekeren dat een evenwicht wordt gevonden tussen lichamelijke en intellectuele activiteiten op school - te investeren in kwalitatief hoogstaande sportcentra en passende maatregelen te nemen om sportaccommodaties en sportvakken op scholen toegankelijk te maken voor alle leerlingen, daarbij terdege rekening houdend met de behoeften van gehandicapte leerlingen; stelt voor steun te verlenen aan een breed scala van sportactiviteiten, zodat elke leerling echt de gelegenheid heeft om verschillende sporten te beoefenen; verzoekt de lidstaten om de oproep om op school meer tijd te besteden aan lichamelijke opvoeding te steunen en de wettelijke erkenning van instellingen en organisaties die bijdragen aan een betere integratie van sportactiviteiten op school en in het kleuteronderwijs te bevorderen; is voorstander van financiële steunverlening aan sportclubs die samenwerken met scholen, onderwijsinstellingen, jeugdcentra en andere gemeenschaps- en vrijwilligersorganisaties die betrokken zijn bij projecten om levenslang leren te stimuleren;

20.   roept de lidstaten op de voorwaarden te creëren opdat een vast minimum aantal uren wordt besteed aan het gymnastiekonderwijs, in de wetenschap dat regelmatige lichaamsbeweging aanzienlijk bijdraagt tot verlaging van de kosten van de gezondheidszorg;

21.   verzoekt alle lidstaten om ervoor te zorgen dat lichamelijke opvoeding op alle niveaus, ook op de basisschool, wordt gegeven door leerkrachten die gespecialiseerd zijn in lichamelijke opvoeding;

22.   dringt er in de geest van het Bolognaproces bij de lidstaten op aan om de programma's van de opleiding van leraren lichamelijke opvoeding op elk schoolniveau meer op elkaar af te stemmen, te zorgen voor regelmatige bijscholing van deze leraren met opneming van genderspecifieke aspecten en een onafhankelijk controlesysteem voor kwaliteitsbewaking uit te werken;

23.   dringt er bij de lidstaten op aan om in samenwerking met sportacademies te zorgen voor veelzijdig onderwijs van hoge kwaliteit opdat sportstudenten alle nodige vaardigheden opdoen om de arbeidsmarkt te betreden en verder te studeren in het hoger onderwijs en aan andere onderwijsinstellingen;

24.   verzoekt de lidstaten en daartoe bevoegde autoriteiten te zorgen voor leerkrachten in lichamelijke opvoeding die de genderkwestie uit hun opleiding kennen door dit aspect in het leerplan op te nemen; verlangt dat er niet langer een lagere status wordt toegekend aan het vak lichamelijke opvoeding en aan de leerkrachten die dit vak doceren; benadrukt het belang van de mogelijkheid van co-educatie in sport bij kinderen in het basisonderwijs alsook de keuzemogelijkheid tussen ofwel co-educatie ofwel niet-gemengde klassen vanaf het secundair onderwijs om meisjes aan te moedigen ook traditionele mannensporten uit te proberen; benadrukt dat het nodig is "alternatieve vormen" van fysieke activiteit te verkennen, die op vrijwillige basis beoefend zouden kunnen worden, bij voorkeur buiten het verplichte staatsonderwijs;

25.   is van mening dat de vaardigheden die door sportactiviteiten worden opgedaan dienen te worden erkend op basis van het gemeenschappelijke referentiesysteem zoals vastgesteld in het toekomstige Europees kwalificatiekader; juicht het voorstel van de Commissie toe om sport op te nemen in het toepassingsgebied van het Europees puntenoverdrachtsysteem voor het beroepsonderwijs en de beroepsopleiding (European Credit Transfer System for Vocational Education and Training - ECVET); is van mening dat meer transparantie en wederzijdse erkenning van licenties en diploma's voor het verlenen van diensten in de sportsector in de Europese Unie zou bijdragen tot het vrije personenverkeer (studenten, sportbeoefenaren, werknemers en werkgevers) en tot de uiteindelijke assimilatie van sporters op de arbeidsmarkt, en ook ten goede zou komen aan de sociale samenhang in Europa en de verwezenlijking van de doelen van de Lissabon-strategie, aangezien het een sector betreft met veel mogelijkheden voor het creëren van arbeidsplaatsen;

26.   verzoekt de Commissie het initiatief te nemen tot en steun te verlenen aan multidisciplinair onderzoek naar sport en lichamelijke opvoeding, beproefde praktijken bekend te maken en grondbeginselen vast te stellen voor de verkenning van het beleid en de praktijken van de Europese landen op het gebied van de lichamelijke opvoeding, die volgens de Raad van Europa dringend geboden is;

27.   benadrukt dat het gebruik van prestatiebevorderende chemische middelen in strijd is met de waarden van sport als sociale, culturele en educatieve activiteit; verzoekt de lidstaten tevens ervoor te zorgen dat de leerkrachten lichamelijke opvoeding, zowel in de scholen als daarbuiten, leerlingen informeren over de lichamelijke en psychologische gevaren van het gebruik van doping;

28.   verzoekt de lidstaten een onderzoek uit te voeren naar de deelname, zowel op kwantitatief als kwalitatief niveau, van meisjes en jongens aan sport, zowel binnen als buiten schoolverband, en de benodigde middelen te verschaffen om het sportaanbod verder uit te breiden en daardoor de deelname van meisjes aan sport te verhogen; wijst nogmaals op de noodzaak de effectiviteit van dergelijke overheidsuitgaven te controleren en te evalueren door middel van gender budgeting en een gender impact assessment;

29.   dringt er bij de lidstaten op aan om bij het ontwikkelen van maatregelen op het gebied van sport en lichamelijke opvoeding gender mainstreaming te betrachten door bij wijze van regel bij deze maatregelen rekening te houden met de verschillen tussen de conditie, situatie en behoeften van vrouwen en mannen; verzoekt Eurostat verder te gaan met het ontwikkelen van indicatoren voor en het verkrijgen van betere statistische gegevens over de deelname van mannen en vrouwen in sport op alle niveaus;

30.   verzoekt de Commissie, de Raad en de lidstaten om met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel passende instrumenten vast te stellen die kunnen leiden tot een vergroting van de investeringen in en de materiele middelen voor de sportbeoefening door jongeren;

31.   is ingenomen met de opneming in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, als neergelegd in het ontwerp-Verdrag van Lissabon, van een rechtstreekse en ondubbelzinnige verwijzing naar de sociale, culturele en economische waarde van sport, die de basis vormt voor het wettelijke kader van toekomstige communautaire maatregelen;

32.   stelt voor dat er in het volksgezondheidsprogramma van de EU meer aandacht wordt besteed aan de bewustmaking voor de prominente rol die onderwijs, lichamelijke opvoeding en sport spelen op het gebied van de volksgezondheid;

33.   erkent dat gezondheidsargumenten niet volstaan om een regelmatige sportbeoefening te stimuleren; dringt er derhalve bij de lidstaten op aan om meer te doen voor de bevordering van sport in de context van recreatie en sociale activiteiten;

34.   verzoekt de Commissie om eenduidige richtsnoeren voor regels inzake overheidssteun op te stellen die bepalen welk type overheidssteun aanvaardbaar en noodzakelijk wordt geacht voor een succesvolle benutting van de sociale, culturele, gezondheidsbevorderende en educatieve functies van de sport, met inbegrip van de financiële en overige steun die overheden uittrekken voor de totstandbrenging of modernisering van sportvoorzieningen op scholen en voor het verbeteren en diversifiëren van de aanwezige uitrusting en voorzieningen, aangezien de sportuitrusting in veel scholen in alle opzichten ontoereikend of versleten is;

35.   verzoekt de Commissie gebieden aan te wijzen waarop acties van de EU een toegevoegde waarde kunnen hebben vergeleken bij reeds bestaande activiteiten van sportorganisaties en autoriteiten van de lidstaten; is van mening dat de open coördinatiemethode een passende manier is om een betere coördinatie op Europees niveau te bereiken op het specifieke gebied van het beleid inzake lichamelijke opvoeding en sport voor allen;

36.   verzoekt de Commissie aandacht te besteden en vorm te geven aan een beleid ten aanzien van belanghebbenden, besluitvormers en burgers om beraadslagingen over Europese acties inzake de rol van sport in het onderwijs te vergemakkelijken;

37.   pleit ervoor de middelen van de Europese structuurfondsen aan te wenden voor de aanleg en ontwikkeling van sportvoorzieningen in achterstandsregio's op school en daarbuiten;

38.   verzoekt de Commissie erop toe te zien dat de wetgeving op dezelfde wijze van toepassing is op de verlening van diensten in de sportsector als op andere activiteiten in communautair verband;

39.   roept de lidstaten op om gelijke kansen te garanderen door stappen te ondernemen om een eind te maken aan discriminatie van seksuele, godsdienstige of etnische aard, om een meer coöperatieve benadering te bevorderen die gebaseerd is op voorlichting, een beter begrip en een bredere publieke bekendheid, waarin plaats is voor verscheidenheid en een vermenging van methodes, en ook kinderen die met een handicap leven, de mogelijkheid te geven om de onontbeerlijke en gepaste lichamelijke opvoeding te volgen en om deze kinderen indien mogelijk ruimere mogelijkheden te bieden;

40.   verzoekt alle lidstaten de sportprogramma's en lichamelijke opvoeding voor jongeren van heropvoedingscentra voor minderjarigen te versterken, aangezien sport een middel is om de socialisatie, communicatie en sociale integratie te bevorderen en tegelijkertijd teamgeest, eerlijkheid en eerbiediging van regels aan te leren;

41.   dringt er bij de lidstaten op aan om de samenwerking en uitwisseling van informatie en beste praktijkvoorbeelden tussen scholen en sportverenigingen, plaatselijke overheden en organisaties van burgers en vrijwilligers die buiten de school sportactiviteiten bedrijven, te bevorderen;

42.   dringt er bij de lidstaten op aan om vormen van lichamelijke oefening die door gezinnen beoefend kunnen worden, actief te steunen en te komen tot een betere dialoog tussen de ouders, sportleraren en sportverenigingen buiten de school;

43.   benadrukt dat het noodzakelijk is de Europese samenleving meer bewust te maken van de moderne rol en het educatief belang van sport, door onderwijs- en sportorganisaties aan te moedigen nauwe partnerschappen en gemeenschappelijke doelstellingen te vormen en te ontwikkelen en de solidariteit tussen professionele en amateursport te stimuleren, en de onderwijswereld te sensibiliseren voor de noodzaak om de problemen van een zittend leven aan te pakken door de sportbeoefening op school te bevorderen;

44.   benadrukt het belang van de opvoedende rol en de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de sportbonden en sportclubs, die ook in het Verdrag van Nice wordt erkend;

45.   erkent de grote sociale en culturele rol die sportclubs en –verenigingen kunnen spelen in hun lokale en nationale gemeenschappen; is van mening dat scholen, trainingscentra, sportclubs en verenigingen meer betrokken moeten worden bij verschillende vormen van deelname en participatie van de lokale bevolking door middel van een betere sociale dialoog, bij voorkeur op initiatief van lokale autoriteiten (sociale, gezondheids- en onderwijsdiensten); dringt evenwel aan op waakzaamheid om ervoor te zorgen dat sportclubs zonder fanatisme optreden overeenkomstig sportieve en sociale idealen;

46.   wijst op de belangrijke rol van sportorganisaties en initiatieven zoals de Special Olympics, die een bijdrage leveren aan de integratie van mensen met een handicap in de sport, maar ook in de samenleving door sport; dringt er met klem bij de lidstaten en de EU op aan de steun voor het werk van deze organisaties en initiatieven te continueren en uit te breiden;

47.   prijst het werk van vrijwilligers in alle sportorganisaties en erkent dat de meeste van deze organisaties niet zouden kunnen bestaan zonder vrijwilligers; beveelt derhalve aan op Europees niveau onderscheidingen of andere blijken van erkentelijkheid voor vrijwilligerswerk in te voeren als erkenning voor dergelijke werkzaamheden en om ze te bevorderen;

48.   verzoekt de Commissie om gebruik te maken van de ervaringen van het op initiatief van het Luxemburgse Raadsvoorzitterschap opgezette programma voor "sportvriendelijke scholen" en in samenwerking met de lidstaten een gemeenschappelijke regeling voor een keurmerk hiervoor vast te stellen en de voorwaarden te scheppen voor een Europese sportprijs die wordt toegewezen als erkenning voor innovatieve initiatieven;

49.   verzoekt de Commissie om voortbouwend op de ervaringen van het programma EJOS 2004 en in het kader van de programma's voor levenslang leren, jongeren en Europa voor de burgers nieuwe initiatieven uit te werken om de educatieve en culturele rol van sport en lichamelijke opvoeding en hun bijdrage aan de sociale integratie en de bewaking van de volksgezondheid te belichten en het maatschappelijk bewustzijn hiervoor te vergroten, inzonderheid door de preventie van zwaarlijvigheid en stress op school; roept inzonderheid op tot de ontwikkeling van sportinitiatieven in het kader van het programma voor levenslang leren;

50.   verzoekt de Commissie om de mobiliteit van leerkrachten lichamelijke opvoeding en trainers binnen Europa te bevorderen in het kader van het programma voor levenslang leren, zodat ze kennis kunnen nemen van beste praktijken en ervaringen kunnen uitwisselen;

51.   verzoekt de lidstaten om ervoor te zorgen dat deze sportvoorzieningen gemakkelijk toegankelijk zijn voor toeschouwers en/of deelnemers met een handicap;

52.   verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de verscheidenheid van de aangeboden sporten kinderen aanmoedigt om open te staan voor de wereld en waarden te ontwikkelen als zelfrespect, respect voor anderen, solidariteit, zelfbewustzijn en verdraagzaamheid;

53.   erkent dat sport een belangrijke rol speelt op het gebied van levenslang leren en dat lerenden van alle leeftijden in staat moeten worden gesteld hieraan deel te nemen;

54.   verzoekt de lidstaten bijzondere aandacht te schenken aan situaties waarin het talent van kinderen wordt uitgebuit om succes in sportwedstrijden te behalen en benadrukt dat in geval van professionele sportactiviteiten waarbij kinderen betrokken zijn, hun grondrechten en belangen moeten worden geëerbiedigd;

55.   erkent het belang van volledige deelname van meisjes en vrouwen aan sportactiviteiten op alle niveaus; beschouwt gendergelijkheid en non-discriminatie als doelstellingen die een integraal onderdeel vormen van de educatieve en sociale functies van sport; benadrukt dat het nodig is te zorgen voor gelijke toegang en deelname van vrouwen en mannen en jongens en meisjes op alle niveaus en in alle functies en op alle gebieden van sport, ongeacht hun sociale achtergrond, vooral van mensen met een handicap, aangezien gehandicapte vrouwen met meervoudige discriminatie te maken kunnen krijgen; benadrukt voorts de belangrijke rol van sport op het gebied van de volksgezondheid, vooral in de strijd tegen obesitas, waaraan momenteel 21 miljoen kinderen in de EU lijden;

56.   dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan bijzondere aandacht te schenken aan de fysieke en mentale gezondheid van meisjes die aan topsport doen en uiterst zorgvuldig te beoordelen welke gevolgen bepaalde eisen die aan meisjes worden gesteld, kunnen hebben voor hun seksuele en reproductieve gezondheid en hun fysieke en mentale ontwikkeling, met als doel te voorkomen dat er effecten optreden die afbreuk doen aan de belangrijke educatieve rol van sport;

57.   dringt er bij de Commissie op aan de beste praktijken in de strijd tegen seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de sport te identificeren; dringt er bij de lidstaten op aan maatregelen te nemen ter voorkoming en uitbanning daarvan alsmede bewustmakingscampagnes te ontwikkelen over de beschikbare verhaalmogelijkheden met inachtneming van de talloze resoluties over dit onderwerp, met name de resolutie van de Raad van Europa van maart 2000 inzake preventie van seksuele intimidatie en seksueel misbruik van vrouwen, jongeren en kinderen in de sport (resolutie van Bratislava) en zijn reeds aangehaalde resolutie van 5 juni 2003;

58.   verzoekt de lidstaten gelijke kansen en een gelijke behandeling te garanderen voor mannen en vrouwen wat betreft de toegang tot opleidingen en het realiseren van een loopbaan op sportgebied;

59.   verzoekt de lidstaten en daartoe bevoegde autoriteiten stappen te ondernemen om iedereen die werkzaam is in de sportsector (verenigingen, bonden, enz.) meer bewust te maken van het belang van gender mainstreaming in al hun besluiten en alle acties die zij op touw zetten en van de noodzaak om bij de planning van activiteiten de gelijkheid van mannen en vrouwen als een van de doelstellingen te formuleren;

60.   benadrukt het belang van lichamelijke oefening voor de bestrijding van obesitas en het opgeven van ongezonde leefgewoonten, waarmee de gezondheid van het individu zeer gediend zou zijn; uit evenwel zijn bezorgdheid over het feit dat werknemers er door langere werktijden en de huidige werkomstandigheden in het algemeen van worden weerhouden regelmatig aan lichaamsbeweging te doen en meer sport te beoefenen;

61.   erkent dat de sportsector werkgelegenheid schept en dat andere gebieden, zoals onderwijs, geneeskunde, de media en de vervaardiging en marketing van gespecialiseerde uitrusting en producten, direct verband houden met deze sector;

62.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa en het Internationaal Olympisch Comité.

(1) PB C 200 van 30.6.1997, blz. 252.
(2) PB C 68 E van 18.3.2004, blz. 605.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0100 .
(4) PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 590.


Thematische strategie voor bodembescherming
DOC 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 november 2007 over de thematische strategie voor bodembescherming (2006/2293(INI) )
P6_TA(2007)0504 A6-0411/2007

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie "Thematische strategie voor bodembescherming" (COM(2006)0231 ) en de beoordeling van de effecten van de Thematische strategie voor bodembescherming (SEC(2006)0620 ),

–   gezien het Zesde Milieuactieprogramma (MAP) van de Europese Gemeenschap(1) ,

–   gezien het Verdrag inzake biologische diversiteit, het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming, het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) en het Protocol van Kyoto voor zover deze direct of indirect betrekking hebben op de bodemfuncties en de bodembescherming,

–   gezien zijn resolutie van 19 november 2003 over de mededeling van de Commissie "Naar een thematische strategie inzake bodembescherming"(2) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het rapport van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A6-0411/2007 ),

A.   overwegende dat de bodem een cruciaal bestanddeel is van het geografische milieu, het raakvlak is tussen aarde (lithosfeer), lucht (atmosfeer) en water (hydrosfeer), en aan de basis ligt van functies die essentieel zijn voor het leven op aarde; overwegende dat de Europese Gemeenschap verscheidene beleidsdocumenten heeft opgesteld ter bescherming van deze functies en dat de effectbeoordeling van de Commissie aantoont dat ondanks deze beleidsinstrumenten de bodemvernietiging, -erosie en -aantasting toenemen, terwijl inspanningen om de vruchtbaarheid en de productiefuncties van bodems te herstellen niet de gewenste effecten hebben, wat resulteert in een toenemende invloed op andere aspecten van het milieu en op de gezondheid van mens en dier,

B.   overwegende dat algehele bescherming van de bodem en zijn economische, maatschappelijke, ecologische, culturele en milieufuncties een voorafgaande voorwaarde is voor het aanpakken van belangrijke internationale milieu-uitdagingen, zoals de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, de veiligstelling van voldoende en schoon water, het tegengaan van dalingen van grondwaterniveaus, het voorkomen van natuurlijke en door mensen veroorzaakte rampen, de bescherming van de biodiversiteit en de bestrijding van woestijnvorming, steppevorming en ontbossing, alsook acties om vervuiling van de bodem te voorkomen en processen tot staan te brengen die leiden tot bodemaantasting of -vernietiging op grote schaal,

C.   overwegende dat de bodemstructuur en -eigenschappen het product zijn van bodemvorming, geomorfologische en geologische processen die over duizenden jaren plaatsvinden, waardoor de bodem een niet-hernieuwbare hulpbron is; overwegende dat het bijgevolg veel rendabeler is elke schade aan bodemlagen (erosie, vernietiging, aantasting, verzilting enz.) en bodemverontreiniging te voorkomen dan te proberen de bodemfuncties te herstellen,

D.   overwegende dat vrijwillige nationale initiatieven en bestaande nationale maatregelen belangrijk zijn om te komen tot een betere bescherming van de bodem,

1.   is verheugd over de Thematische strategie voor bodembescherming van de Commissie, die aansluit bij de desbetreffende mededeling uit 2002 (COM(2002)0179 , die duidelijk aantoont dat er in de EU-lidstaten nood is aan effectieve en productieve maatregelen op het gebied van bodembescherming en het voorstel ter aanname van een kaderrichtlijn bodembescherming;

2.   stelt vast dat bodemaantastingen lokale en regionale oorzaken en gevolgen hebben en dat incidentele grensoverschrijdende gevolgen worden veroorzaakt door regionale geomorfologische factoren en derhalve intergouvernementele maatregelen vereisen;

3.   wijst erop dat menselijke activiteit de functie en het gebruik van de bodem op verschillende manieren beïnvloedt; is daarom van mening dat een communautaire strategie moet bijdragen aan de bescherming van die landbouwgronden die het sterkst worden bedreigd door bijvoorbeeld een verandering van het bodemgebruik, vervuilde bedrijfslocaties, bodemafdekking en erosie;

4.   is bezorgd over de gevolgen van natuurlijke en door menselijke activiteit veroorzaakte bodemaantasting en onderstreept de noodzaak van een Europese strategie om de problemen rond bodemaantasting in kaart te brengen;

5.   is ervan overtuigd dat de belangrijke diversiteit van bodemsoorten (320 - met talloze ondersoorten) behalve nationale bottom-up-initiatieven een Europese strategie noodzakelijk maakt die gericht is op voorkoming, het sensibiliseren van de burgers, voorlichting en het in kaart brengen van risicogebieden, om dit probleem op Europees niveau aan te pakken; verzoekt de lidstaten zonder bodembeschermingswetgeving hun verantwoordelijkheid voor de bescherming van de bodem te nemen en daarbij ook de verantwoordelijkheid van de eigenaars te betrekken; stelt vast dat juist gedecentraliseerde overheidsinstellingen intensief betrokken moeten worden bij het stellen van doelen en het maken van plannen om de bodem te beschermen;

6.   is van mening dat de thematische strategie in alle lidstaten moet worden versterkt en dat de dynamiek van de verwezenlijking van deze strategie aanzienlijk zal toenemen wanneer ze wordt aangevuld met financiële steunmaatregelen die gefinancierd worden uit de beschikbare begrotingsmiddelen voor cohesieregio's;

7.   stelt vast dat "bodem" een gemeenschappelijk hulpbron is; wijst erop dat er voor bodem, die van essentieel belang is voor de duurzame productie op lange termijn van levensmiddelen, voedermiddelen, vezelstoffen en in toenemende mate van biomassa, in tegenstelling tot water, lucht en biodiversiteit, nog geen specifieke communautaire wetgeving bestaat;

8.   onderstreept dat een kaderrichtlijn van de EU volgens de beginselen van betere wetgeving volledig gerechtvaardigd is daar de beoordeling van de in eerste instantie aan te vullen vigerende wetgeving van de EU, en van de vrijwillige opties voor de overdracht van know-how, ook in de toekomst lacunes in de bodembescherming blijft aantonen;

9.   verlangt dat er, uitsluitend op grond van deze maatregelen indien noodzakelijk, nieuwe Europese regels worden overwogen die dan bindende voorschriften ter verbetering moeten behelzen;

10.   is het eens met de Commissie dat er nood is aan een kaderrichtlijn inzake bodembescherming, gezien de belangrijke rol van de bodem in internationale uitdagingen als afnemende bodemproductiviteit, ecosysteemdiensten en biodiversiteit als gevolg van ontbossing, verslechterende waterkwaliteit, steppevorming, voortgaande bodemerosie, terugkerende overstromingen en aardverschuivingen en in de veiligstelling van een toereikende en veilige voedselproductie;

11.   is ervan overtuigd dat een kaderrichtlijn een adequate maatregel is voor bodembescherming, met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel (artikel 5, tweede alinea, van het EG-Verdrag) en het evenredigheidsbeginsel (artikel 5, derde alinea, van het EG-Verdrag), en de lidstaten die dat nog niet gedaan hebben in staat zou kunnen stellen een bodembeleid te ontwikkelen zonder concurrentieverstoring teweeg te brengen; is ervan overtuigd dat de kaderrichtlijn de bestaande nationale en Gemeenschapswetgeving moet erkennen en geen onnodige administratieve last mag opleggen aan de lidstaten, de regionale en plaatselijke overheden en de grondbezitters;

12.   wijst erop dat rekening gehouden moet worden met de grote diversiteit aan bodems, de regionale verschillen tussen de probleemgebieden en de bestaande nationale bodembeschermingsplannen, door te waarborgen dat de lidstaten een grote flexibiliteit vergund blijft bij de uitwerking van het wettelijk kader; stelt met grote nadruk dat bodembeleid een beleidsterrein is dat in al zijn diversiteit oplossingen op maat vereist die op lokaal en regionaal niveau ontwikkeld moeten worden;

13.   concludeert dat er een duidelijk afbakening nodig is tussen deze richtlijn en andere Europese wettelijke normen met betrekking tot de bescherming van de bodem, teneinde duplicatie van regelgeving te voorkomen;

Synergie met andere beleidsdomeinen van de Gemeenschap

14.   stelt een grondige evaluatie en analyse van reeds bestaande richtlijnen in de Europese Unie voor, zoals de grondwater- en de nitratenrichtlijn, om na te gaan in hoeverre de lidstaten voldoen aan de voor landbouwers geldende voorschriften inzake de randvoorwaarden ("cross-compliance"); stelt vast dat op grond van deze analyse eventueel bindende maatregelen ter bevordering van de bodemkwaliteit kunnen worden geformuleerd en dat er met behulp van deze analyse in de EU ook een uitgebreide uitwisseling van informatie kan plaatsvinden met het oog op de bevordering van de bodemkwaliteit;

15.   verzoekt de Commissie om in de lidstaten de tenuitvoerlegging te controleren van de toepasselijke bepalingen met betrekking tot bodembescherming van andere Gemeenschapswetgeving inzake lucht, water, afval, klimaatverandering, biodiversiteit, woestijnvorming, landbouw, energie, producten, industrie, transport en regionale ontwikkeling en vóór eind 2008 verslag uit te brengen aan het Europees Parlement over de wijze waarop de bodembescherming door betere toepassing van dergelijke wetgeving kan worden opgevoerd;

16.   deelt de opvatting van de Commissie dat in tal van Europese regio's de toestand van de bodem moet worden verbeterd, is evenwel van mening dat de Commissie zich extra dient in te spannen om de samenhang met de geldende wettelijke regelingen te waarborgen;

17.   benadrukt dat overlappingen, tegenstrijdigheden en inconsistenties met bestaande EU-regelingen moeten worden voorkomen;

18.   steunt de Commissie in haar acties en haar tijdschema om de richtlijn zuiveringsslib en de richtlijn inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging te herzien en mogelijke synergie-effecten tussen bodembeschermingsmaatregelen en maatregelen op grond van onder andere de kaderrichtlijn water te beoordelen; verzoekt de Commissie om mogelijke synergie-effecten met de afvalrichtlijn te beoordelen;

19.   doet opnieuw een beroep op de Commissie om zo snel mogelijk een richtlijn inzake het gezond beheer van biologisch afval uit te werken met als doel de hoeveelheid biologisch afval die wordt gestort of verbrand, terug te dringen en in plaats daarvan de productie van compost en biogas te bevorderen; wijst erop dat compost en behandelde resten van de biogasproductie van geschikte kwaliteit in grote mate kunnen bijdragen tot de handhaving en stijging van het gehalte aan organische stoffen in de bodem;

Klimaatverandering

20.   erkent dat een verandering van het bodemgebruik kan resulteren in een stijging van de koolstofvastlegging of een stijging van broeikasgasuitstoot, bijvoorbeeld in het geval van ontbossing of als veenland wordt drooggelegd ten gevolge van onjuiste fyto-irrigatie of aquatische irrigatie, of blijvend grasland wordt omgeploegd of door verkeerd ploegen op hellingen; beseft dat niet alleen bodemgebruik een grote invloed heeft op de klimaatverandering, maar dat ook de klimaatverandering kan leiden tot ernstig bodemverval of ernstige bodemerosie;

21.   erkent dat de klimaatverandering, door veranderingen in temperatuur en neerslag, grote gevolgen kan hebben voor de biogeochemische cycli in bodems die van invloed zijn op de bodemvruchtbaarheid; erkent tevens dat bij een veranderend klimaat met name veranderingen in de balans van de bodemvoedingsstoffen en het bodemwater en de gevolgen daarvan voor de voedselproductie, het transport van voedingstoffen en vervuilende stoffen en de beschikbaarheid van bodemwater nadere aandacht behoeven;

22.   vraagt de Commissie maatregelen te overwegen, waaronder een gemeenschappelijke minimumheffing, bijvoorbeeld op koolstofverlies; zulke heffingen moeten op nationaal niveau worden geïnd en de opbrengsten moeten worden aangewend voor de oplossing van het vervuilingsprobleem dat aan de heffing ten grondslag ligt, bijvoorbeeld voor het ontwikkelen van systemen die meer koolstof vastleggen;

23.   dringt er bij de Raad en de Commissie op aan om tijdens de onderhandelingen over het post-2012-beleid in het kader van het UNFCCC rekening te houden met de belangrijke rol van het bodembeleid in de beperking van de klimaatverandering en de aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering;

24.   verzoekt de Commissie om verder onderzoek naar de rol van de bodem in het vergroten van het waterbehoud, de bestrijding van dalende grondwaterniveaus en de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering te bevorderen en te zoeken naar mogelijke beste werkwijzen wat betreft maatregelen die de koolstofvastlegging in de bodem verhogen, en verslag uit te brengen aan het Europees Parlement voor eind 2009, wanneer de lopende studie van de Commissie vruchten zal hebben afgeworpen;

Landbouw

25.   vestigt de aandacht erop dat productieve landbouwgrond een steeds schaarser wordende mondiale hulpbron is en dat dit vraagt om duurzame landbouwpraktijken die waardevolle bodemeigenschappen in stand houden;

26.   erkent dat niet-duurzame landbouwpraktijken een buitengewoon negatief effect kunnen hebben op de bodem en lager gelegen water doordat kwetsbare biogeochemische evenwichten en de biodiversiteit van de bodem niet worden beschermd;

27.   wijst erop dat de land- en bosbouw een essentiële rol spelen bij de instandhouding van de bodemkwaliteit en bij de revitalisering van de bodem en wijst erop dat degenen in de landbouwsector die in de akkerbouw en de bosbouw werkzaam zijn er zelf alle belang bij hebben om hun land als productiebasis in goede conditie te houden; wijst erop dat met name in rivierengebieden, op vruchtbaar akkerland of in kustgebieden een permanente afdekking van bodems met een hoge ecologische of productieve waarde moet worden vermeden die door oprukkende verstedelijking en infrastructuur kunstmatig dreigen te worden afgedicht; verlangt dat alle overheidsinstanties - van het lokale tot en met het communautaire niveau – vooral aandacht schenken aan kustgebieden die door menselijke activiteit sterk onder druk staan;

28.   vraagt de Commissie prioriteiten te stellen ten aanzien van het gebruik van het landoppervlak in Europa zodat de bodem zo goed mogelijk wordt beschermd en er een basis wordt geschapen voor een grote biodiversiteit en een hoge koolstofvastlegging; er dient voor gezorgd te worden dat naast de bodem ook bossen, windsingels en, niet in de laatste plaats, agrobosbouw voor vastlegging worden gebruikt;

29.   herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een catalogus op te stellen van de verschillende landbouwpraktijken en hun gevolgen voor de bodem, zodat de beste agrotechnische praktijken kunnen worden bevorderd overeenkomstig de kenmerken van de landbouw en de voordelen ervan voor de bodem en de ruimere omgeving;

30.   vraagt de Commissie modelprojecten van duurzame landbouwpraktijken die gericht zijn op bodembehoud te bevorderen;

Biodiversiteit

31.   is van oordeel dat het van cruciaal belang is het voorzorgsbeginsel toe te passen en ervoor te zorgen dan het Zesde MAP en de EU-wetgeving inzake milieu, zoals de habitat- en de vogelrichtlijn en de kaderrichtlijn water, ten volle worden nageleefd; is er verder van overtuigd dat de beleidsinstrumenten van de Gemeenschap herzien moeten worden waar nodig, om achteruitgang van de biodiversiteit beter te kunnen voorkomen;

Onderzoek

32.   verzoekt de Commissie om verder onderzoek naar de rol van de bodem in de bescherming van de biodiversiteit en de biodiversiteit in de bodem te bevorderen, en wel op het gebied van processen die aan bodemfuncties ten grondslag liggen, veranderingen in bodemprocessen qua tijd en omvang, ecologische, economische en maatschappelijke oorzaken achter bedreigingen voor de bodem, factoren die van invloed zijn op ecodiensten en operationele procedures en technologieën voor bescherming en herstel van de bodem. De eerste stappen in deze richting worden gezet in het Zevende Kaderprogramma voor onderzoek (2007-2013)(3) , dat voorziet in onderzoek naar bodemfuncties als onderdeel van zijn prioriteitsterreinen "Milieu" en "Voeding, landbouw en biotechnologie";

Woestijn- en steppevorming

33.   is van oordeel dat het verergerende woestijn- en steppevormingsproces, dat verschillende gebieden in de EU treft, het resultaat is van aanzienlijke menselijke druk, veroorzaakt door grootschalige ontbossingen en excessieve uitdroging van graslanden, en dat de sociaaleconomische gevolgen en effecten op de natuurlijke omgeving daarvan in sommige EU-organen nog niet voldoende zijn in aanmerking genomen of doorgedrongen tot het bewustzijn; erkent dat er in de hele Gemeenschap behoefte is aan meer onderzoek en bewustwording;

34.   wijst er in dit verband op dat er in 14 lidstaten sprake is van verwoestijning en er in de overige 13 lidstaten weliswaar geen feitelijke woestijnvorming optreedt, maar dat zich daar regionaal en lokaal wel ecologische verschijnselen als erosie en bodemverzilting voordoen;

35.   is van oordeel dat de kaderrichtlijn de tenuitvoerlegging van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van woestijnvorming sterk zal verbeteren en de inspanningen om woestijn- en steppevorming in de getroffen landen van de Europese Unie tegen te gaan en te beperken, zal versterken; is van mening dat de kennis en expertise die wordt vergaard in het kader van de Thematische strategie voor bodembescherming, moet worden overgedragen aan en gedeeld met derde wereldlanden die lijden onder woestijnvorming;

36.   spoort de Commissie ertoe aan om een mededeling in te dienen over woestijn- en steppevorming, om te beginnen in de EU en daarnaast wereldwijd, die een nauwgezette beschrijving bevat van de gebieden die getroffen zijn of waarschijnlijk getroffen zullen worden door het verwoestijnings- en steppevormingsproces, samen met een gedetailleerde analyse van de oorzaken en de sociaaleconomische gevolgen voor deze gebieden en gepaste EU-maatregelen om de nadelige gevolgen van deze processen te beperken;

Verontreiniging

37.   is van oordeel dat preventie van bodemverontreiniging zeer belangrijk is voor het behoud van de juiste fysische en chemische bodemeigenschappen en van de bodemkwaliteit en voor de bescherming van andere elementen van het natuurlijk milieu, en verzoekt de Commissie derhalve om ervoor te zorgen dat de huidige en toekomstige Gemeenschapswetgeving in overeenstemming is met deze doelstelling;

38.   is ervan overtuigd dat voor de identificatie van verontreinigde locaties een systemische benadering, gebaseerd op monitoring, objectieve parameters en een gemeenschappelijke lijst van activiteiten, noodzakelijk is om de nodige informatie te vergaren en databanken te creëren voor het beheer van de bodemverontreinigingen uit het verleden en zo een teken te geven aan de economische actoren, zodat ze doeltreffende preventieve maatregelen nemen om vervuiling in de toekomst te voorkomen;

39.   benadrukt dat de procedure voor het in kaart brengen van verontreinigde grond gekoppeld moet worden aan de vereiste van vermoed risico teneinde tot een geschikte, aangepaste oplossing voor het probleem te komen (aanpak op basis van risicobeoordeling);

40.   benadrukt dat er, naast de verschillende herstelmethodes zoals sanering en stabilisering, ook andere opties dienen te worden opgenomen, zoals passende beschermings- en inperkingsmaatregelen of gebruikmaking van natuurlijke processen die de vervuiling verminderen;

41.   steunt de Commissie in haar strategie om de algemene bekendheid van verontreinigde locaties of locaties die mogelijk bedreigd worden door verontreiniging en de transparantie van grondtransacties gebaseerd op lokale plannen voor ruimtelijke ordening te vergroten, inzonderheid door de invoering van het bodemrapport en met name voor locaties waar activiteiten die de bodem kunnen verontreinigen zijn of worden uitgevoerd;

42.   spreekt zijn waardering uit voor de oprichting van een Europees platform voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten omdat dit kennisoverdracht bevordert en de weg kan vrijmaken voor synergieën; dringt erop aan dat voor de vrijwillige oprichting van een dergelijk platform als onderdeel van een EU-strategie voor bodembescherming, alleen al op grond van de kosten naar een pragmatische benadering dient te worden gestreefd, met inachtneming van de systemen in de lidstaten;

43.   benadrukt dat de rapportage- en documentatievereisten in de kaderrichtlijn beperkt moeten blijven tot het strikt noodzakelijke, zodat steden, gemeenten en regio's niet buitensporig worden belast; met name moeten de lidstaten gebruik kunnen maken van hun eigen rapportagesystemen;

Monitoring, gevolgen van natuurrampen, opleiding en voorlichting

44.   verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat bodembescherming en de verbanden met klimaatverandering, biodiversiteit, ontbossing, ontwatering, woestijnvorming, steppevorming, dalende grondwaterniveaus, verzuring, erosie en grotere risico's als gevolg van natuurlijke en door mensen veroorzaakte rampen met prioriteit behandeld worden in het kader van de Wereldwijde monitoring van milieu en veiligheid (GMES) en INSPIRE;

45.   verzoekt de Commissie om verder onderzoek naar de toegenomen risico's van overstromingen en aardverschuivingen door bodemafdekking en -daling te bevorderen, evenals naar het grotere effect van overstromingen, aardverschuivingen en seismische activiteit door de toename van de bevolkingsdichtheid en activiteiten in kust- en stroomgebieden en rond vulkanen en gebieden met grootschalige uitstoot van CO2 en SO2, en de beste werkwijzen om deze verhoogde risico's aan te pakken in kaart te brengen;

46.   verzoekt de Commissie om de overdracht van know-how over beste praktijken van nationale bodembeschermingsregelingen op te zetten en daarvoor stimuleringssystemen te ontwikkelen;

47.   verzoekt de Commissie om meer structurele manieren te vinden om opleiding en voorlichting binnen de Europese Unie inzake bodemclassificatie, bemonstering, monitoring en mogelijke beste werkwijzen voor bodembescherming te verbeteren, alsook inzake de uitwisseling van informatie en beste werkwijzen, bewustmaking van het belang en de noodzaak van bodembescherming en bevordering van de beste agrotechnische werkwijzen in de landbouw die erop zijn gericht de productiefunctie van de bodem te herstellen;

o
o   o

48.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.
(2) PB C 87 E van 7.4.2004, blz. 395.
(3) Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013) (PB L 412 van 30.12.2006, blz. 1).


Wijziging Richtlijn 2003/87/EG ter integratie van de luchtvaartactiviteiten in de communautaire regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten ***I
DOC 155k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 november 2007 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (COM(2006)0818 – C6-0011/2007 – 2006/0304(COD) )
P6_TA(2007)0505 A6-0402/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2006)0818 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 175, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0011/2007 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie vervoer en toerisme (A6-0402/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 november 2007 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2008/…/EG van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde ook luchtvaartactiviteiten op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap

P6_TC1-COD(2006)0304


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie║,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1) ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2) ,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3) ,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)   Bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap ║(4) is een regeling vastgesteld voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, teneinde de uitstoot van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen.

(2)   De uiteindelijke doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, dat namens de Europese Gemeenschap werd goedgekeurd bij Besluit 94/69/EG van de Raad van 15 december 1993 betreffende de sluiting van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering(5) , is de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau te stabiliseren waarbij gevaarlijke, door de mens teweeggebrachte effecten op het klimaatsysteem worden voorkomen. De Gemeenschap heeft herhaaldelijk te kennen gegeven dat de gemiddelde stijging van de gemiddelde oppervlaktetemperaturen wereldwijd, vergeleken met pre-industriële niveaus, tot maximaal 2°C moet worden beperkt. Uit recent wetenschappelijk onderzoek en werk komt naar voren dat, wil deze temperatuurdoelstelling voor de lange termijn binnen bereik blijven, de wereldwijde emissies van broeikasgassen binnen twee decennia hun maximum moeten hebben bereikt, waarna een aanzienlijke verlaging in de orde van grootte van ten minste 15%, en misschien wel 50%, ten opzichte van de niveaus van 1990 moet plaatsvinden. De niveaus van de gekwantificeerde verlagingen die de staten vanaf 2013 moeten realiseren om de stabilisatiedoelstelling voor de concentraties van broeikasgassen te verwezenlijken, zijn nog niet in het internationale besluitvormingsproces voor klimaatverandering vastgesteld. Deze richtlijn dient weliswaar verenigbaar te zijn met de bijdrage van de EU tot de temperatuur-doelstelling op lange termijn, maar de methoden en de grondslag voor de toewijzing van rechten aan vliegtuigexploitanten uit hoofde van deze richtlijn na die datum moeten continu in het licht van de wetenschappelijke ontwikkelingen en de politieke ontwikkelingen op internationaal niveau worden geëvalueerd.

(3)   Het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering schrijft voor dat alle partijen nationale en, indien van toepassing, regionale programma's opstellen die maatregelen bevatten ter beperking van klimaatverandering, en deze uitvoeren.

(4)   Het Protocol van Kyoto, dat werd goedgekeurd bij Beschikking 2002/358/EG van de Raad van 25 april 2002 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen(6) , schrijft voor dat de geïndustrialiseerde landen streven naar beperking of reductie van emissies van niet krachtens het Protocol van Montreal beheerste broeikasgassen door de luchtvaart, waarbij zij werken via de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO).

(5)   De Gemeenschap is weliswaar geen verdragsluitende partij bij het Verdrag van Chicago van 1944, maar alle lidstaten zijn partij bij dat verdrag en lid van de ICAO en blijven in samenwerking met andere staten op mondiaal niveau steun geven aan de ontwikkeling van marktgebaseerde instrumenten. Tijdens de zesde vergadering van het Comité milieubescherming en luchtvaart van de ICAO in 2004 werd men het erover eens dat een luchtvaartspecifieke regeling voor de handel in emissierechten op basis van een nieuw juridisch instrument onder auspiciën van de ICAO dermate onaantrekkelijk leek dat die niet verder nagestreefd zou moeten worden. In haar Resolutie 35-5 heeft de Algemene Vergadering van de ICAO dan ook, in plaats van een nieuw juridisch instrument voor te stellen, "de uitwerking van een regeling voor een open handel in emissierechten voor de internationale luchtvaart" onderschreven, alsmede de mogelijkheid voor staten om de emissies door de internationale luchtvaart op te nemen in hun regelingen voor de handel in emissierechten.

(6)   In het zesde milieuactieprogramma van de Gemeenschap, dat werd vastgesteld bij Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad(7) werd bepaald dat de Gemeenschap specifieke maatregelen zou vaststellen en invoeren ter beperking van broeikasgasemissies van de luchtvaart, indien daarover in 2002 binnen de ICAO nog geen overeenstemming zou zijn bereikt. In haar conclusies van oktober 2002, december 2003 en oktober 2004 heeft de Raad de Commissie herhaaldelijk opgeroepen om maatregelen voor te stellen om het effect van het internationale luchtvervoer op de klimaatverandering terug te dringen.

(7)   Er moeten op lidstaat- en Gemeenschapsniveau, in alle sectoren van de economie van de Gemeenschap, en niet alleen binnen de industriële en energiesectoren, beleidsmaatregelen ten uitvoer worden gelegd om de aanmerkelijke verminderingen die nodig zijn, te bewerkstelligen. Als het effect van de luchtvaartsector op de klimaatverandering in het huidige tempo blijft toenemen, zal dit de verminderingen die andere sectoren hebben bereikt om de klimaatverandering tegen te gaan, in aanzienlijke mate ondermijnen.

(8)    Ter ondersteuning van de reductie van emissie van vliegtuigen dient de Commissie voor 2009 een haalbaarheidsstudie uit te voeren naar de mogelijkheid om emissienormen voor vliegtuigmotoren vast te stellen.

(9)    In haar mededeling van 27 september 2005(8) heeft de Commissie een strategie goedgekeurd om het effect van de luchtvaart op de klimaatverandering terug te dringen. Als onderdeel van een breed pakket maatregelen, werd in deze strategie voorgesteld de luchtvaart op te nemen in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, en werd de instelling voorzien van een werkgroep "Luchtvaart". Deze werkgroep, waarin veel belanghebbenden waren vertegenwoordigd, en die werd opgericht in het kader van de tweede fase van het Europese Klimaatveranderingsprogramma, had als opdracht te bestuderen hoe de luchtvaart kon worden opgenomen in de Gemeenschapsregeling. In zijn conclusies van december 2005 erkende de Raad dat het, uit economisch en ecologisch oogpunt, de beste aanpak lijkt te zijn de luchtvaartsector onder de Gemeenschapsregeling te brengen, en verzocht hij de Commissie nog in 2006 een wetgevingsvoorstel in te dienen. In zijn Resolutie van 4 juli 2006(9) erkende het Europees Parlement dat de emissiehandel een rol kan spelen als onderdeel van een alomvattend pakket maatregelen om de invloed van de luchtvaart op het klimaat aan te pakken, op voorwaarde dat het een goed doordacht systeem is.

(10)    Naast de economische instrumenten ligt er een aanzienlijk potentieel voor de vermindering van de emissies in technologische en operationele verbeteringen, die nu sterker dan in het verleden dienen te worden gestimuleerd.

(11)    Door een efficiënter luchtverkeersbeheer (ATM) kan het brandstofverbruik met wel 12% worden verlaagd en kan zo een bijdrage worden geleverd aan de vermindering van de CO 2 -emissies. Het gemeenschappelijk Europees luchtruim en het SESAR-project zouden daarom zo spoedig en doelmatig mogelijk concreet gestalte moeten krijgen. Vooral lidstaten en de Gemeenschap dienen - in nauwe samenwerking met de betrokken gebruikers van het luchtruim - een rol te vervullen bij de spoedige en definitieve instelling van functionele luchtruimblokken, alsook bij de totstandbrenging van flexibel geconcipieerde luchtruimblokken en een flexibel gebruik van het luchtruim. In dit opzicht moet steun worden verleend aan het AIRE-initiatief (Atlantic Interoperability Initiative to Reduce Emissions), waarover een akkoord is bereikt tussen de EU en de Amerikaanse Federale Luchtvaartautoriteit.

(12)    Onderzoek en techniek openen de mogelijkheid van innovatie en de verwezenlijking van verdere beperkingen van de uitstoot door de luchtvaart. De fabrikanten van vliegtuigen en motoren en de producenten van brandstoffen wordt verzocht in hun eigen sector te zoeken naar wijzigingen die de gevolgen van het luchtverkeer voor het klimaat aanzienlijk kunnen beperken, en deze toe te passen. De Gemeenschap moet het in het zevende kaderprogramma voor onderzoek (KP7) op gang gebrachte gezamenlijke technologie-initiatief (JTI) "Clean Sky" blijven steunen dat erop gericht is de gevolgen van de luchtvaart voor het milieu ingrijpend te beperken. De Gemeenschap moet krachtige steun blijven verlenen aan de activiteiten van de Adviesraad voor luchtvaartonderzoek in Europa (ACARE) en meer in het bijzonder aan de strategische onderzoeksagenda van de ACARE, die voor 2020 voorziet in doelen voor de beperking van de emissie van koolstofdioxide met 50% per passagierskilometer en in een vermindering van de stikstofoxide-uitstoot met 80%.

(13)    Van subsidies aan luchthavens gaan in sommige gevallen verkeerde prikkels uit voor wat betreft de uitstoot van broeikasgassen. Daarom moet de Commissie het bestaande mededingingsrecht volledig eerbiedigen.

(14)    Deze richtlijn beoogt de bijdrage van de luchtvaart aan de wereldwijde klimaatverandering aan te pakken door de emissies als gevolg van de luchtvaart op te nemen in de Gemeenschapsregeling.

(15)    Vliegtuigexploitanten hebben de hoogste mate van rechtstreekse controle over het type vliegtuigen dat gebruikt wordt en de manier waarop hiermee wordt gevlogen, en moeten daarom verantwoordelijk worden gehouden voor de naleving van de verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn. Een exploitant kan worden herkend aan de hand van een ICAO-aanwijzer of een andere erkende aanwijzer die voor de identificatie van de vlucht wordt gebruikt. Indien de identiteit van de exploitant onbekend is, moet de eigenaar van het vliegtuig worden beschouwd als de vliegtuigexploitant, tenzij hij/zij aantoont dat een andere persoon de exploitant was.

(16)    Er moet worden gezorgd voor eerlijke concurrentievoorwaarden voor luchthavens en luchtvaartmaatschappijen. Daarom moeten zowel internationale vluchten van en naar de EU als vluchten binnen de EU van meet af aan in de communautaire regeling worden opgenomen.

(17)    Met ingang van 2011 ▌moeten de emissies worden opgenomen van alle vluchten die aankomen op en vertrekken van de luchthavens in de Gemeenschap. ▌Indien een derde land ter vermindering van het klimaateffect van vluchten vanuit dat land naar een luchthaven van de Gemeenschap maatregelen treft die tenminste gelijkwaardig zijn aan de eisen van deze richtlijn, moet de werkingssfeer van de Gemeenschapsregeling zodanig worden gewijzigd dat de vluchten vanuit dat land ▌buiten de regeling vallen. Klimaatverandering is een mondiaal fenomeen dat om mondiale oplossingen vraagt. De Gemeenschap beschouwt deze richtlijn als een belangrijke eerste stap. Partijen van buiten de EU worden uitgenodigd om met hun ideeën aan het debat deel te nemen teneinde dit beleidsinstrument verder te ontwikkelen. Om deze derden gehoor te verschaffen, dient de Commissie zowel voor als tijdens de uitvoering van deze richtlijn permanent contact met hen te onderhouden. Indien de Europese Unie met een derde een gezamenlijke regeling overeenkomt die ten minste dezelfde positieve gevolgen voor het milieu heeft als de richtlijn, kan de Commissie wijziging van de richtlijn voorstellen. De Commissie kan in ieder geval voorstellen dat inkomende vluchten uit een derde land niet onder de regeling vallen, als dat land over een regeling beschikt die ten minste hetzelfde milieuvoordeel oplevert als deze richtlijn.

(18)    De luchtvaart heeft effect op het wereldklimaat via de uitstoot van kooldioxide, stikstofoxiden, waterdamp en sulfaat- en roetdeeltjes. Het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) heeft geschat dat het totale klimaateffect van de luchtvaart momenteel zo'n twee tot vier maal groter is dan het effect van haar kooldioxide-uitstoot alleen. Recent EU-onderzoek wijst uit dat het totale effect van de luchtvaart ongeveer tweemaal zo groot zou kunnen zijn als het effect van kooldioxide alleen. In geen van deze gevallen wordt rekening gehouden met de zeer onzekere effecten die cirruswolken kunnen hebben. In overeenstemming met artikel 174, lid 2, van het Verdrag moet het milieubeleid van de Gemeenschap berusten op het voorzorgsbeginsel. Daarom moeten alle effecten van de luchtvaart zoveel mogelijk in beschouwing worden genomen. De met het luchtverkeersbeheer belaste autoriteiten dienen doeltreffende maatregelen uit te voeren om de vorming van condensatiestrepen en cirruswolken te voorkomen door middel van wijzigingen in de vluchtpatronen, met name door te voorkomen dat vluchten door gebieden gaan waar als gevolg van de specifieke atmosferische omstandigheden de vorming van zulke wolken te verwachten is. Verder dienen zij onderzoek naar de vorming van condensatiestrepen en cirruswolken krachtig te bevorderen en doeltreffende maatregelen daartegen te nemen (bijv. brandstof, motoren, luchtverkeersbeheer) die andere milieudoeleinden niet doorkruisen. In afwachting van andere door de Commissie voor te stellen rechtsinstrumenten vooral om het probleem van de emissie van stikstofoxiden door het luchtverkeer aan te pakken, moet op elke uitgestoten ton CO 2 een vermenigvuldigingsfactor worden toepast.

(19)    Ter aanvulling van deze richtlijn zijn nadere maatregelen noodzakelijk. Er dienen derhalve denkgroepen te worden opgericht die nadenken over andere maatregelen.

(20)    Om concurrentieverstoringen te vermijden moet een geharmoniseerde toewijzingsmethode worden uitgewerkt. Om te zorgen dat nieuwe vliegtuigexploitanten tot de markt kunnen toetreden, zal een deel van de emissierechten worden geveild, in overeenstemming met de door de Commissie uit te werken regels. Aan vliegtuigexploitanten die hun vluchten staken, moeten emissierechten verleend blijven worden tot het einde van de periode waarvoor de kosteloze emissierechten al zijn toegewezen.

(21)    Hoewel het voor vliegtuigexploitanten moeilijk is over te schakelen op alternatieve (hernieuwbare) energiebronnen, moet de luchtvaartsector toch een aanzienlijk uitstootvermindering verwezenlijken die aansluit bij het globale reductiestreefcijfer van de EU van 20 tot 30% ten opzichte van het niveau van 1990. Voor elke verbintenisperiode van de Gemeenschapsregeling waarin de luchtvaart moet worden opgenomen, moet, al naar gelang de referentieperiode die voor de luchtvaart in deze verbintenisperiode wordt gebruikt, het streefcijfer voor de luchtvaart worden vastgesteld op basis van de inspanningen die gemiddeld van alle andere, sectoren met stationaire bronnen in alle lidstaten worden gevergd.

(22)    De luchtvaart draagt bij aan het totale effect van menselijke activiteiten op de klimaatverandering. De opbrengsten van de veiling van emissierechten moeten worden gebruikt voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen, de aanpassing aan de effecten van de klimaatverandering in de EU en derde landen, met name de ontwikkelingslanden, en de financiering van onderzoek en ontwikkeling op het vlak van vermindering en aanpassing. Om de lasten voor de burgers enigszins te verminderen, dienen de veilinginkomsten ook te worden gebruikt voor een verlaging van de belastingen en heffingen op milieuvriendelijk vervoer, bijvoorbeeld per spoor en bus. Zij dienen tevens te worden gebruikt ter dekking van de gerechtvaardigde administratiekosten van de lidstaten in verband met deze richtlijn. De lidstaten mogen de inkomsten ook gebruiken voor het verzachten of zelfs wegnemen van eventuele bereikbaarheids- en concurrentieproblemen voor perifere regio's en van problemen voor openbare-dienstverplichtingen in verband met de uitvoering van deze richtlijn. De lidstaten dienen de Commissie op de hoogte te stellen van de in dit verband genomen maatregelen.

(23)    Om de kosteneffectiviteit van de regeling te verhogen, moeten vliegtuigexploitanten de mogelijkheid krijgen om emissierechten die zijn uitgegeven voor installaties in andere emissiehandelsectoren, gecertificeerde emissiereducties (CER's) en emissiereductie-eenheden (ERU's) uit projectactiviteiten te gebruiken om te voldoen aan verplichtingen die het inleveren van emissierechten ▌inhouden.

(24)    Als gevolg van de huidige regeling inzake de handel in emissierechten staat de energie-intensieve industrie al onder druk door de forse CO 2 -prijzen. Het gevaar van een koolstoflek is reëel als er nog een belangrijke sector die emissierechten moet kopen, in de regeling wordt opgenomen. Ter voorkoming van een koolstoflek vanuit de energie-intensieve industrie, bijv. de cement-, kalk- en staalsector, zal de Commissie onderzoek doen naar verschillende mogelijkheden, zoals sectoriële doelstellingen of belastingaanpassing aan de grens, en zal zij vóór eind 2008 een rapport uitbrengen over de wijze van aanpak van dit vraagstuk.

(25)    Om de administratieve lasten voor vliegtuigexploitanten te beperken moet voor elke vliegtuigexploitant een enkele lidstaat verantwoordelijk zijn. Lidstaten moeten worden verplicht erop toe te zien dat vliegtuigexploitanten aan wie zijzelf een exploitatievergunning hebben verleend, of vliegtuigexploitanten zonder exploitatievergunning of uit derde landen waarvan de emissies in een referentiejaar grotendeels aan hen zijn toe te rekenen, zich houden aan de voorschriften van deze richtlijn.

(26)    Om het berekeningssysteem voor de Gemeenschapsregeling consistent te houden, aangezien de emissies door de internationale luchtvaart nog niet zijn opgenomen in de verplichtingen van de lidstaten uit hoofde van het Protocol van Kyoto, mogen aan de luchtvaartsector toegewezen emissierechten enkel worden gebruikt door vliegtuigexploitanten om te voldoen aan hun verplichtingen om emissierechten in te leveren in het kader van deze richtlijn. De vliegtuigexploitanten dienen echter een aan de luchtvaartsector verleend emissierecht via hun registerbeheerder te kunnen inruilen voor een emissierecht dat door alle exploitanten in de regeling kan worden gebruikt.

(27)    Om gelijke behandeling van vliegtuigexploitanten te verzekeren moeten de lidstaten geharmoniseerde regels volgen voor het beheer van de onder hun verantwoordelijkheid vallende vliegtuigexploitanten, en wel volgens door de Commissie te ontwikkelen specifieke richtsnoeren.

(28)    De Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart (Eurocontrol) zou over gegevens kunnen beschikken die lidstaten of de Commissie van pas kunnen komen bij het nakomen van hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn.

(29)    De bepalingen van de Gemeenschapsregeling met betrekking tot de bewaking van, de rapportage over en de verificatie van de emissies, en de voor exploitanten geldende sancties, mogen enkel van toepassing zijn op vliegtuigexploitanten.

(30)    Deze richtlijn mag lidstaten er niet van afhouden andere aanvullende vergelijkbare beleidsbesluiten of maatregelen te handhaven of vast te stellen waarmee de totale gevolgen van de luchtvaartsector voor de klimaatverandering worden aangepakt .

(31)    De maatregelen die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, moeten worden genomen overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(10) .

(32)    De Commissie dient met name de bevoegdheid worden gegeven om maatregelen vast te stellen voor de veiling van emissierechten die niet per se kosteloos behoeven te worden verleend, en om wijzigingen aan te brengen in de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten, in gevallen waar een derde land maatregelen invoert om het effect van de luchtvaart op de klimaatverandering terug te dringen. Aangezien het maatregelen van algemene strekking betreft, die bedoeld zijn om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen en deze richtlijn aan te vullen door toevoeging of wijziging van nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten deze worden vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing van artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG.

(33)    Aangezien het doel van het voorgestelde optreden niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de omvang en de gevolgen van het voorgestelde optreden, beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om dat doel te bereiken.

(34)    Richtlijn 2003/87/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Richtlijn 2003/87/EG

Richtlijn 2003/87/EG wordt als volgt gewijzigd:

(1)   Voor artikel 1 wordt de volgende titel van hoofdstuk I ingevoegd:

"

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

"

(2)  Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

   a) Onder punt b) wordt het volgende toegevoegd: "of de emissie door een vliegtuig dat een in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteit uitoefent, van de met betrekking tot die activiteit gespecificeerde gassen";
   b) Letter f) wordt vervangen door: "
   f) "exploitant": elke persoon die een vaste installatie exploiteert of controleert of, als de nationale wetgeving daarin voorziet, aan wie beslissende economische zeggenschap over de technische werking van de vaste installatie is gedelegeerd;
"
   c) De volgende punten worden toegevoegd:"
   o) "vliegtuigexploitant": persoon of entiteit die aan de hand van zijn/haar ICAO-code kan worden geïdentificeerd als de exploitant van een vliegtuig op het moment dat dit een in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteit uitoefent of, wanneer de ICAO-code niet bekend is, de houder van een bewijs luchtvaartexploitant (AOC), of de eigenaar van het vliegtuig; Dit betekent dat in de nationale vliegtuigregisters van de lidstaten een geharmoniseerde bepaling moet worden opgenomen om te verzekeren dat zo mogelijk altijd zowel de vliegtuigexploitant als de eigenaar worden vermeld, overeenkomstig het Verdrag van Kaapstad betreffende internationale zakelijke rechten op mobiel materieel;
   p) "nieuwkomers": personen of exploitanten die een luchtvaartactiviteit uitoefenen die voorkomt in bijlage I en geen aanvraag hebben ingediend voor toewijzing van emissierechten in overeenstemming met artikel 3 (d). Hun bedrijven mogen, geheel noch gedeeltelijk het eigendom zijn van een vliegtuigexploitant die een aanvraag heeft ingediend voor de toewijzing van emissierechten;

q)    "administrerende lidstaat": lidstaat die verantwoordelijk is voor de administratie van de regeling met betrekking tot een vliegtuigexploitant, overeenkomstig artikel 18 bis;
   r) "aan de luchtvaart toegewezen emissies": emissies door alle vluchten die onder de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten vallen, die vertrekken vanuit een lidstaat of in een lidstaat aankomen vanuit een derde land;
   s) "historische luchtvaartemissies": het rekenkundige gemiddelde van de jaarlijkse emissies in de kalenderjaren 2004, 2005 en 2006 door vliegtuigen die in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten uitoefenen;
   t) "luchtvaartemissierechten": emissierechten die aan het begin van elke onderhandelingsperiode worden toegewezen aan vliegtuigexploitanten;
"

(3)   Na artikel 3 worden het volgende hoofdstuk II en de volgende titel van hoofdstuk III en artikel 3 sexies ingevoegd:

"

HOOFDSTUK II

LUCHTVAART

Artikel 3 bis

Toepassingsgebied van Hoofdstuk II

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op het toewijzen en verlenen van emissierechten voor de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten.

Artikel 3 ter

Totale hoeveelheid emissierechten voor de luchtvaart

1.   ▌De totale hoeveelheid aan vliegtuigexploitanten toe te wijzen emissierechten is gelijk aan 90% van de som van de historische luchtvaartemissies voor elk jaar.

2.   Afhankelijk van de vraag of voor de periode na 2012 een koolstofdioxidebeperking van 30 of 20% wordt gekozen met 1990 als basisjaar, verlaagt de Commissie volgens de in 23, lid 2 bis bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing de totale hoeveelheid rechten die aan vliegtuigexploitanten moeten worden toegewezen in de verdere perioden overeenkomstig artikel 11, lid 2. Deze benedenwaartse bijstelling biedt een mechanisme om te waarborgen dat de milieueffectiviteit van het programma gehandhaafd blijft. Er wordt voorzien in volgende benedenwaartse bijstellingen van de totale hoeveelheid toegekende rechten.

3 .   Binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn stelt de Commissie op grond van de beste beschikbare gegevens de historische luchtvaartemissies vast.

Artikel 3 quater

Toewijzingsmethode voor emissierechten voor de luchtvaart

1.   Vanaf 2011 wordt 25 % van de rechten geveild. ▌

2.   ▌Het in lid 1 aangegeven te veilen percentage wordt voor toekomstige perioden verhoogd overeenkomstig het maximumpercentage dat voor andere sectoren van toepassing is.

3.   De Commissie stelt een verordening vast met gedetailleerde bepalingen over de veiling door lidstaten van emissierechten die niet kosteloos behoeven te worden verleend uit hoofde van de leden 1 en 2. Voor alle lidstaten geldt dat het aantal in elke periode te veilen emissierechten evenredig is met het aandeel van de betreffende lidstaat in de totale aan de luchtvaart toe te schrijven emissies voor de referentiejaren, als gerapporteerd ingevolge artikel 14, lid 3, en geverifieerd ingevolge artikel 15. Voor de in artikel 11, lid 2 , bedoelde periode is het referentiejaar 2010; voor iedere volgende in artikel 11, lid 2 bedoelde periode is het referentiejaar het kalenderjaar dat 24 maanden voor het begin van de periode waarop de veiling betrekking heeft, afloopt.

Deze verordening, die is bedoeld om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen door deze aan te vullen, wordt vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 23, lid 2 bis.

4 .   De Commissie neemt een regeling aan waarin een aantal gedetailleerde bepalingen voor het aanleggen van een Europese emissierechtenreserve wordt vastgelegd. Het percentage emissierechten dat per periode ten behoeve van potentiële nieuwe vliegtuigexploitanten als reserve moet worden aangehouden, wordt door de Commissie vastgesteld onder inachtneming van de marktprognoses die door de bevoegde instanties zijn opgemaakt.

5 .   De opbrengsten van de veiling van emissierechten moeten worden gebruikt voor de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en de aanpassing aan de effecten van de klimaatverandering in de EU en derde landen, met name de ontwikkelingslanden, en de financiering van onderzoek en ontwikkeling op het vlak van vermindering en aanpassing, met name in de luchtvaartsector . Om de lasten voor burgers enigszins te verlichten, worden de opbrengsten van de veiling van emissierechten ook gebruikt voor de verlaging van belastingen en heffingen op klimaatvriendelijke vormen van vervoer, zoals de trein en de bus. Ze mogen ook worden gebruikt ter dekking van de door de lidstaten gerechtvaardigde kosten in verband met de uitvoering van deze richtlijn. De lidstaten mogen de inkomsten ook gebruiken voor het verzachten of zelfs wegnemen van eventuele bereikbaarheids- en concurrentieproblemen voor perifere regio's en van problemen voor openbare-dienstverplichtingen in verband met de uitvoering van deze richtlijn. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van maatregelen die uit hoofde van dit lid worden genomen.

6 .   De verstrekking van informatie aan de Commissie op basis van deze richtlijn ontslaat de lidstaten echter niet van de verplichting tot kennisgeving uit hoofde van artikel 88, lid 3, van het Verdrag.

Artikel 3 quinquies

Toewijzing en verlening van emissierechten aan vliegtuigexploitanten

1.   Voor iedere in artikel 11, lid 2 ter bedoelde periode kan elke vliegtuigexploitant een aanvraag indienen voor een toewijzing van overeenkomstig artikel 3 quater kosteloos toe te wijzen emissierechten. Een aanvraag kan worden ingediend door aan de bevoegde autoriteit in de administrerende lidstaat geverifieerde tonkilometergegevens over te leggen over de in bijlage I vermelde luchtvaartactiviteiten die door die exploitant zijn uitgevoerd in het kalenderjaar dat 24 maanden voor het begin van de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, afloopt, overeenkomstig de bijlagen IV en V. Aanvragen moeten ten minste 21 maanden voor het begin van de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, worden ingediend.

2.   Ten minste 18 maanden voor het begin van de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, leggen de lidstaten de uit hoofde van lid 1 ontvangen aanvragen voor aan de Commissie.

3.  Ten minste 15 maanden voor het begin van iedere in artikel 11, lid 2 ter bedoelde periode, neemt de Commissie een besluit over:

   a) de totale hoeveelheid emissierechten die overeenkomstig artikel 3 ter voor die periode zal worden toegewezen;
   b) de benchmark die zal worden gebruikt voor de kosteloze toewijzing van emissierechten aan vliegtuigexploitanten wier aanvragen overeenkomstig lid 2 zijn ingediend bij de Commissie.

De onder b) bedoelde benchmark wordt berekend door het aantal kosteloos toegewezen emissierechten te delen door de som van de tonkilometergegevens die in de overeenkomstig lid 2 bij de Commissie ingediende aanvragen zijn opgenomen.

4.  Binnen 3 maanden na de datum waarop de Commissie een besluit krachtens lid 3 neemt, zal iedere administrerende lidstaat het volgende berekenen en publiceren:

   a) de totale toewijzing van emissierechten voor de periode aan iedere vliegtuigexploitant van wie de aanvraag overeenkomstig lid 2 is ingediend bij de Commissie, berekend door de in de aanvraag opgenomen tonkilometergegevens te vermenigvuldigen met de krachtens lid 3, onder b) , gepubliceerde benchmark; en
   b) de toewijzing van emissierechten aan iedere vliegtuigexploitant voor elk jaar, die zal worden bepaald door diens onder a) berekende totale toewijzing van emissierechten voor de betreffende periode te delen door het aantal jaren in de periode waarin die vliegtuigexploitant een in bijlage I vermelde luchtvaartactiviteit uitvoert.

5.   Voor 28 februari 2011 en voor 28 februari van ieder daaropvolgend jaar, verleent de bevoegde autoriteit van de administrerende lidstaat elke vliegtuigexploitant het aantal emissierechten dat die vliegtuigexploitant voor dat jaar is toegewezen.

6 .   De Commissie neemt maatregelen inzake de toewijzing van rechten om rekening te houden met nieuwe marktdeelnemers in de luchtvaartsector.

"Nieuwkomer in de luchtvaart" is een vliegtuigexploitant waaraan voor het eerst na de start van een periode bedoeld in artikel 11, lid 2 een vergunning als vliegtuigexploitant (Aircraft Operator Certificate) is verleend en die daadwerkelijk in die periode met de exploitatie is begonnen.

7 .   Bij een fusie of overname van verschillende luchtvaartmaatschappijen in een bepaalde periode, gaan de emissierechten die hun zijn toegewezen of die zij gekocht hebben over op de nieuwe onderneming. Als een luchtvaartmaatschappij haar activiteiten staakt, worden haar emissierechten door de lidstaat van vestiging op de secundaire markt voor emissierechten gebracht. Aan het begin van het daaropvolgende jaar wordt het nog beschikbare deel van de rechten volledig in veiling gebracht, met inachtneming van de algemene vermindering van de toegestane emissies.

8 .   De Commissie komt op basis van de ervaringen in de periode 2010-2012 met een voorstel met betrekking tot het quotum aan emissierechten dat de luchtvaartsector op de secundaire mag kopen markt voor ruimere emissierechtregelingen.

HOOFDSTUK III

VASTE INSTALLATIES

Artikel 3 sexies

Toepassingsgebied van Hoofdstuk III

De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op vergunningen voor broeikasgasemissies en het toewijzen en verlenen van emissierechten voor de in bijlage I genoemde niet-luchtvaartactiviteiten.

"

(4)    In artikel 5 wordt letter a) vervangen door:

"
   a) de installatie of het vliegtuig en de activiteiten ervan, met inbegrip van de gebruikte technologie;
"

(5)    In artikel 6, lid 2, sub e), worden na "emissierechten" de woorden "die niet zijn verleend krachtens hoofdstuk II, " ingevoegd.

(6)    De volgende titel van hoofdstuk IV wordt ingevoegd na artikel 11:

"

HOOFDSTUK IV

BEPALINGEN VOOR LUCHTVAART EN VASTE INSTALLATIES

"

(7)    In artikel 11 bis wordt het volgende lid 1 bis ingevoegd:

"

1 bis.   Krachtens lid 3 bieden de lidstaten, gedurende iedere in artikel 11, lid 2 bedoelde periode, elke vliegtuigexploitant de mogelijkheid om overeenkomstig hoofdstuk III toegekende emissierechten, CER's en ERU's uit projectactiviteiten te gebruiken tot een percentage van het aantal emissierechten dat ingevolge artikel 12, lid 2 bis, moet worden ingeleverd, waarbij dit percentage het gemiddelde is van de percentages die de lidstaten voor het gebruik van CER's en ERU's overeenkomstig lid 1 voor de periode hebben gespecificeerd.

De Commissie publiceert dit percentage ten minste zes maanden voor het begin van iedere in artikel 11, lid 2 bedoelde periode.

Als onderdeel van de evaluatie van de regeling voor de handel in emissierechten wordt het percentage CER's en ERU's dat bruikbaar is voor luchtvaartactiviteiten geëvalueerd, tezamen met het gebruik in andere sectoren.

"

(8)    In artikel 11 ter, lid 2, wordt het woord "installaties" vervangen door "activiteiten".

(9)   Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

   a) in lid 2 worden na "voor" de woorden "de nakoming van de verplichtingen van een vliegtuigexploitant ingevolge lid 2 bis" ingevoegd;
   b) de volgende leden 2 bis tot en met 2 octies worden ingevoegd:"
2 bis.   De administrerende lidstaten dragen er zorg voor dat elke vliegtuigexploitant uiterlijk 30 april van ieder jaar een hoeveelheid emissierechten inlevert die gelijk is aan de totale emissies, gedurende het voorgaande kalenderjaar, van in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten waarvoor deze de vliegtuigexploitant is, als geverifieerd overeenkomstig artikel 15. De lidstaten dragen er zorg voor dat de overeenkomstig dit lid ingeleverde rechten vervolgens worden geannuleerd.
2 ter.    Zolang er geen Gemeenschapsmaatregelen van kracht zijn die aanzetten tot een vermindering van de uitstoot van stikstofoxiden door vliegtuigen die een in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteit uitvoeren, en die eenzelfde hoog niveau van milieubescherming waarborgen als onderhavige richtlijn, wordt ten behoeve van artikel 2 bis en bij wijze van afwijking van artikel 3, punt a) de hoeveelheid kooldioxide die een vliegtuigexploitant op grond van een emissierecht, met uitzondering van een luchtvaartemissierecht, of een CER of ERU mag uitstoten, gedeeld door een impactfactor 2.
2 quater.    Jaarlijks worden door vliegtuigexploitanten die andere emissierechten dan luchtvaartemissierechten willen opgeven ten behoeve van de in paragraaf 2 bis genoemde doeleinden aan de administrerende lidstaat geverifieerde tonkilometergegevens overgelegd over de in bijlage I vermelde luchtvaartactiviteiten die door die exploitant zijn uitgevoerd in dat kalenderjaar.
2 quinquies.    Op basis van de gegevens die overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 worden verstrekt, stelt de Commissie een efficiency-indicator vast voor alle vliegtuigexploitanten, welke berekend wordt door het emissietotaal van vliegtuigexploitanten te delen door de som van de tonkilometergegevens. Op basis van deze efficiency-indicator voor het eerste jaar waarvoor gegevens beschikbaar zijn publiceert de Commissie een streefefficiency-indicator voor 2010, 2015 en 2020 op basis van een emissiereductie per tonkilometer vervoer (RTK) van 3,5% per jaar, waarbij rekening wordt gehouden met een vrijwillig streefcijfer van 3,5% verbetering qua brandstofefficiency van vliegtuigen per jaar tot 2020.
2 sexies.    De vliegtuigexploitanten die voor een bepaald jaar een efficiency-indicator hebben die boven de door de Commissie voor dat jaar berekende streefefficiency-indicator ligt, worden verzocht alleen luchtvaartemissierechten op te geven om te voldoen aan de bepalingen van paragraaf 2 bis. "

2 septies.    De Commissie brengt gezien de toezegging van de exploitanten om de efficiency van vliegtuigmotoren in 2020 met 50% te hebben verhoogd, in 2010 en 2015 aan het Europees Parlement verslag uit over de vooruitgang die hierbij is geboekt.

2 octies.   2 octies . Zodra er voldoende wetenschappelijk bewijs beschikbaar is zal er een adequate vermenigvuldigingsfactor worden voorgesteld om rekening te kunnen houden met de effecten van door luchtverkeer veroorzaakte cirruswolken.

   c) in lid 3 worden na "emissierechten" de woorden "die niet zijn verleend krachtens hoofdstuk II, " ingevoegd.

(10)    In artikel 13, lid 3, wordt "artikel 12, lid 3" vervangen door "artikel 12, lid 2 bis of lid 3".

(11)   Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

  a) in lid 1:
   i) worden, na "gespecificeerde broeikasgassen" de woorden "en tonkilometergegevens ten behoeve van een aanvraag uit hoofde van artikel 3 quinquies" ingevoegd;
   ii) worden de woorden "uiterlijk 30 september 2003" geschrapt; en
  b) in lid 3:
   i) worden de woorden "van een installatie" vervangen door "of vliegtuigexploitant";
   ii) worden de woorden "van de installatie in elk kalenderjaar" vervangen door "gedurende elk kalenderjaar van de installatie, of, vanaf 1 januari 2010, vliegtuig, die deze exploiteert,".

(12)   Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

  a) in de eerste alinea:
   i) wordt het woord "exploitanten" vervangen door "exploitanten en vliegtuigexploitanten";
   ii) worden na "vermelde criteria" de woorden "en door de Commissie krachtens dit artikel vastgestelde gedetailleerde bepalingen," ingevoegd;
  b) in de tweede alinea:
   i) wordt het woord "exploitant" vervangen door "exploitanten en vliegtuigexploitanten";
   ii) worden na "genoemde criteria" de woorden "en door de Commissie krachtens dit artikel vastgestelde gedetailleerde bepalingen" ingevoegd; en
   c) wordt, na de tweede alinea, de volgende alinea toegevoegd:"
De Commissie kan volgens de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure gedetailleerde bepalingen vaststellen voor de verificatie van de verslagen die vliegtuigexploitanten ingevolge artikel 14, lid 3, hebben ingediend, en de aanvragen uit hoofde van artikel 3 quinquies. "

(13)   Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

   a) in lid 1, worden de woorden "uiterlijk 31 december 2003" geschrapt;
  b) in lid 2:
   i) wordt het woord "exploitanten" vervangen door "exploitanten en vliegtuigexploitanten";
   ii) worden de woorden "artikel 12, lid 3," vervangen door de woorden "deze richtlijn"; en
  c) in lid 3:
   i) wordt het woord "exploitant" vervangen door "exploitant of vliegtuigexploitant";
   ii) worden in de tweede zin de woorden "door de installatie" geschrapt.

(14)    De volgende artikelen 18 bis en 18 ter worden ingevoegd:

"

Artikel 18 bis

De administrerende lidstaat

1.  De administrerende lidstaat voor een vliegtuigexploitant is:

   a) in het geval van een vliegtuigexploitant met een geldige, door een lidstaat overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaat-schappijen* verleende exploitatievergunning, de lidstaat die de exploitatievergunning met betrekking tot die vliegtuigexploitant heeft verleend; en
   b) in alle andere gevallen, de lidstaat waar het grootste deel van de geschatte luchtvaartemissies van door die vliegtuigexploitant in het referentiejaar uitgevoerde vluchten aan kan worden toegeschreven.

2.  Op basis van de best beschikbare informatie, publiceert de Commissie:

   a) voor 1 februari 2009, een lijst van vliegtuigexploitanten die op of na 1 januari 2006 een in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteit hebben uitgeoefend, met vermelding van de administrerende lidstaat voor elke vliegtuigexploitant overeenkomstig lid 1; en
   b) voor 1 februari van ieder daaropvolgend jaar, een bijgewerkte lijst waaraan de vliegtuigexploitanten die later een in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteit hebben uitgeoefend, zijn toegevoegd.

3.   Voor de toepassing van lid 1 wordt onder "referentiejaar" verstaan: met betrekking tot een exploitant die na 1 januari 2006 zijn exploitatie is begonnen, het eerste kalenderjaar van die exploitatie; in alle andere gevallen, het kalenderjaar dat is ingegaan op 1 januari 2006.

4 .   Om gelijke behandeling van vliegtuigexploitanten te waarborgen stelt de Commissie specifieke richtsnoeren vast ter harmonisatie van de administratie van vliegtuigexploitanten door beherende lidstaten.

Artikel 18 ter

Bijstand van Eurocontrol

Voor de uitvoering van haar verplichtingen krachtens artikel 3 ter, lid 3, en artikel 18 bis, kan de Commissie verzoeken om bijstand van Eurocontrol en wijst zij een neutrale organisatie aan waaraan luchtvaartmaatschappijen hun gegevens rechtstreeks kunnen overleggen .

_______________

* PB L 240 van 24.8.1992, blz. 1.

"

(15)   In artikel 23 wordt het volgende lid 2 bis ingevoegd:

"

2 bis.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, de leden 1 tot 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

"

(16)   Het volgende artikel 25 bis wordt ingevoegd:

"

Artikel 25 bis

Maatregelen van derde landen om het effect van de luchtvaart op de klimaatverandering terug te dringen

Wanneer een derde land maatregelen vaststelt om het klimaatveranderingseffect van vluchten ▌terug te dringen, en die maatregelen ten minste gelijkwaardig zijn aan de eisen van deze richtlijn, wijzigt de Commissie deze richtlijn om dubbeltelling te voorkomen en gelijke behandeling te waarborgen .

Die wijziging, die is bedoeld om niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn te wijzigen, wordt vastgesteld volgens de regelgevingsprocedure met toetsing als bedoeld in artikel 23, lid 2 bis.

"

(17)  Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

   a) in lid 3, onder b), worden na "emissierechten" de woorden "die niet zijn verleend krachtens hoofdstuk II," ingevoegd; en
   b) in lid 4 worden na "emissierechten" de woorden "die niet zijn verleend krachtens hoofdstuk II," ingevoegd.

(18)   Na artikel 30 wordt de volgende titel ingevoegd:

"

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

"

(19)   De bijlagen I, IV en V worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ...(11) aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. De Commissie zal de lidstaten hiervan op de hoogte brengen.

3.    Indien niet derde landen of groepen van zulke landen met de Europese Unie overeenstemming bereiken over een gezamenlijke regeling voor de handel in emissierechten die ten minste evenveel milieuvoordeel oplevert als de in deze richtlijn omschreven regeling, kan de Commissie een wijziging van deze richtlijn voorstellen om deze aan te passen aan de voorschriften van de gezamenlijke regeling.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ║

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

De bijlagen I, IV en V bij Richtlijn 2003/87/EG worden als volgt gewijzigd:

(1)  Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

   a) de titel komt als volgt te luiden:"
CATEGORIEËN ACTIVITEITEN WAAROP DEZE RICHTLIJN VAN TOEPASSING IS "
   b) na punt 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:"
▌Met ingang van 1 januari 2011 vallen alle vluchten die aankomen in of vertrekken van een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, daaronder, met inachtneming van de bijzondere situatie van de vluchten tussen een ultraperifeer gebied en continentaal Europa . "
   c) de volgende categorie activiteiten wordt toegevoegd:

"Luchtvaart
Vluchten die aankomen op en vertrekken vanaf een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is.
Buiten deze activiteit vallen:

a) militaire vluchten die worden uitgevoerd door militaire luchtvaartuigen, vliegtuigen die worden gebruikt voor douane- en politiële diensten, voor opsporings- en reddingsdiensten en voor medische hulp en rampen-bestrijding met inbegrip van brandbestrijding, waarvoor toe-stemming is verleend door de ter zake bevoegde autoriteit;
b) vluchten voor humanitaire doeleinden in opdracht van de Verenigde Naties en hun dochterorganisaties alsmede ambulancevluchten (Emergency Medical Service), mits de vliegtuigexploitant hiertoe opdracht (b.v. van de VN) dan wel de noodzakelijke toestemming van de bevoegde overheid heeft gekregen (toestemming voor dergelijke EMS-vluchten in het kader van zijn vergunning als vliegtuigexploitant (Air Operator Certificate));

c) vluchten die eindigen op de luchthaven van waar het luchtvaartuig is opgestegen en tijdens welke geen tussenlanding is gemaakt;
d) lesvluchten die uitsluitend worden uitgevoerd met als doel het behalen van een vliegbrevet, of van een bevoegdverklaring in het geval van cockpitpersoneel, wanneer dit wordt bevestigd door een overeenkomstige opmerking in het vluchtplan, met uitzondering van vluchten die dienen voor het vervoer van passagiers en/of lading ▌;
e) vluchten die uitsluitend worden uitgevoerd met als doel wetenschappelijk onderzoek en het controleren, testen, kwalificeren en certificeren van luchtvaartuigen, apparatuur of luchtver-keers-regelingsprocedures, hetzij in de lucht of op de grond; het overvliegen van nieuwe vliegtuigen en "overbrengings-vluchten" ("ferry flights") uitgevoerd door of namens een vliegtuigeigenaar als gevolg van een plotselinge vroegtijdige beëindigingsgebeur-tenis, in gebreke blijven, terugneming of een soortgelijke gebeurtenis met betrekking tot een lease-, charter- of soortgelijke overeenkomst;
f) vluchten die worden uitgevoerd door luchtvaartuigen met een maximumstartgewicht van minder dan 20 000 kg, op voorwaarde dat de exploitanten van deze vliegtuigen deelnemen aan een compensatieregeling die strikte criteria hanteert en onder extern toezicht staat (vergelijkbaar met de 'Gold Standard').

Kooldioxide"

(2)   Bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

a)   de volgende titel wordt ingevoegd na de titel van de bijlage:

"

DEEL A – BEWAKING VAN EN RAPPORTAGE OVER EMISSIES DOOR VASTE INSTALLATIES

"

b)   het volgende deel B wordt ingevoegd:

"

DEEL B – BEWAKING VAN EN RAPPORTAGE OVER EMISSIES DOOR LUCHTVAARTACTIVITEITEN

Bewaking van kooldioxide-emissies

De emissies moeten door middel van berekeningen worden bewaakt. De emissies worden met behulp van de volgende formule berekend:

brandstofverbruik x emissiefactor

Het brandstofverbruik omvat tevens de brandstof die wordt verbruikt door het hulpaggregaat. Waar mogelijk wordt het daadwerkelijke brandstofverbruik voor elke vlucht gebruikt, dat met behulp van de volgende formule wordt berekend:

hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks van het luchtvaartuig na het tanken voor de vlucht – hoeveelheid brandstof in de brandstoftanks van het luchtvaartuig na het tanken voor de volgende vlucht + hoeveelheid getankte brandstof voor die volgende vlucht

Als er geen gegevens beschikbaar zijn over het daadwerkelijke brandstofverbruik, wordt een standaard gedifferentieerde methode gebruikt om op basis van de beste beschikbare informatie de gegevens over het brandstofverbruik te schatten.

Tenzij activiteitspecifieke emissiefactoren die door onafhankelijke, erkende laboratoria met behulp van aanvaarde analysemethoden zijn afgeleid, nauwkeuriger zijn, worden de standaard-emissiefactoren van het IPCC gebruikt, die worden ontleend aan de 2006 IPCC-richtsnoeren voor nationale inventarissen van broeikasgassen of latere herzieningen van deze richtsnoeren. De emissiefactor voor biomassa is nul.

Voor iedere vlucht en voor iedere brandstof wordt een aparte berekening gemaakt.

De rapportage over emissies

Elke vliegtuigexploitant dient de volgende informatie op te nemen in zijn verslag uit hoofde van artikel 14, lid 3:

A.  Gegevens voor het identificeren van de exploitant, waaronder:

   naam van de exploitant;

–   zijn administrerende lidstaat;

   zijn adres, inclusief postcode en land, en, indien afwijkend, diens contactadres in de administrerende lidstaat;
   de registratienummers van de luchtvaartuigen en de typen luchtvaartuigen die in de periode waarop het verslag betrekking heeft, zijn gebruikt voor de uitoefening van de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten waarvoor hij de exploitant is;
   het nummer en de afgevende instantie van het bewijs luchtvaartexploitant en de exploitatievergunning waaronder de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten waarvoor hij de exploitant is, zijn uitgeoefend;
   adres, telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres van een contactpersoon; en
   naam van de eigenaar van het luchtvaartuig.

B.  Voor ieder type brandstof waarvoor de emissies worden berekend:

   brandstofverbruik;
   emissiefactor;
   het totaal van de cumulatieve emissies van alle vluchten die zijn uitgevoerd gedurende de periode waarop het verslag betrekking heeft, en die vallen onder de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten waarvoor hij de exploitant is;
   de cumulatieve emissies van:
   alle vluchten die zijn uitgevoerd gedurende de periode waarop het verslag betrekking heeft, en die vallen onder de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten waarvoor hij de exploitant is, en die zijn vertrokken van een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat en zijn aangekomen op een luchthaven op het grondgebied van dezelfde lidstaat,
   alle andere vluchten die zijn uitgevoerd gedurende de periode waarop het verslag betrekking heeft, en die vallen onder de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten waarvoor hij de exploitant is;
   de cumulatieve emissies van alle vluchten die zijn uitgevoerd gedurende de periode waarop het verslag betrekking heeft, en die vallen onder de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten waarvoor hij de exploitant is, en die:
   zijn vertrokken vanuit elke lidstaat, en
   zijn aangekomen in elke lidstaat vanuit een derde land;
   onzekerheid.

Bewaking van de tonkilometergegevens voor de toepassing van artikel 3 quinquies

Voor het aanvragen van een toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 3 quinquies, lid 1, wordt de omvang van de luchtvaartactiviteit in tonkilometers berekend met behulp van de volgende formule:

tonkilometers = afstand x vracht

waarbij:

"afstand": de orthodromische afstand tussen de luchthaven van vertrek en de luchthaven van aankomst; en

"vracht": de totale massa aan vracht, post en passagiers die wordt vervoerd.

Voor het berekenen van de vracht:

   is het aantal passagiers het aantal personen aan boord exclusief bemanningsleden;
   mag een vliegtuigexploitant in zijn documentatie over massa en zwaartepunt voor de betreffende vluchten naar keuze de werkelijke of de standaardmassa's voor passagiers en geregistreerde bagage gebruiken, of een standaardwaarde voor iedere passagier en diens geregistreerde bagage van 100 kg.

Rapportage over de tonkilometergegevens voor de toepassing van artikel 3 quinquies

Elke vliegtuigexploitant neemt de volgende informatie op in zijn aanvraag uit hoofde van artikel 3 quinquies, lid 1:

A.  Gegevens voor het identificeren van de exploitant, waaronder:

   naam van de exploitant;

–   zijn administrerende lidstaat;

   zijn adres, inclusief postcode en land, en, indien afwijkend, diens contactadres in de administrerende lidstaat;
   de registratienummers van de luchtvaartuigen en de typen luchtvaartuigen die in de periode waarop het verslag betrekking heeft, zijn gebruikt voor de uitoefening van de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten waarvoor hij de exploitant is;
   het nummer en de afgevende instantie van het bewijs luchtvaartexploitant en de exploitatievergunning waaronder de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten waarvoor hij de exploitant is, zijn uitgeoefend;
   adres, telefoonnummer, faxnummer en e-mailadres van een contactpersoon; en
   naam van de eigenaar van het luchtvaartuig.

B.  Tonkilometergegevens:

   aantal vluchten per luchthavencombinatie;
   aantal passagierskilometers per luchthavencombinatie;
   aantal tonkilometers per luchthavencombinatie;
   Totaal aantal tonkilometers voor alle vluchten die zijn uitgevoerd gedurende de periode waarop het verslag betrekking heeft, en die vallen onder de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten waarvoor hij de exploitant is.

"

(3)   Bijlage V wordt als volgt gewijzigd:

a)   de volgende titel wordt ingevoegd na de titel van de bijlage:

"

DEEL A – Verificatie van emissies door vaste installaties

"

b)   het volgende deel B wordt ingevoegd:

"

DEEL B – Verificatie van emissies door luchtvaartactiviteiten

(13)   De algemene beginselen en de methode die in deze bijlage worden beschreven, zijn van toepassing op de verificatie van emissieverslagen over vluchten die vallen onder een in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteit.

Te dien einde:

a)   dient in lid 3, de verwijzing naar "exploitant" te worden gelezen alsof het een verwijzing betrof naar een vliegtuigexploitant en dient in punt c), de verwijzing naar "installatie" te worden gelezen alsof het een verwijzing betrof naar het voor de uitoefening van de luchtvaartactiviteiten waarop het verslag betrekking heeft, gebruikte luchtvaartuig;

   b) dient in lid 5 de verwijzing naar "installatie" te worden gelezen alsof het een verwijzing betrof naar de vliegtuigexploitant;
   c) dient in lid 6 de verwijzing naar "in de installatie verrichte activiteiten" te worden gelezen alsof het een verwijzing betrof naar door de vliegtuigexploitant verrichte luchtvaartactiviteiten waarop het verslag betrekking heeft;
   d) dient in lid 7 de verwijzing naar "het terrein van de installatie" te worden gelezen alsof het een verwijzing betrof naar de locaties die de vliegtuigexploitant heeft gebruikt voor de uitoefening van de luchtvaartactiviteiten waarop het verslag betrekking heeft;
   e) dient in de leden 8 en 9 de verwijzing naar "bronnen van emissies in de installatie" te worden gelezen alsof het een verwijzing betrof naar het luchtvaartuig waarvoor de vliegtuigexploitant verantwoordelijk is; en
   f) dient in de leden 10 en 12 de verwijzing naar "exploitant" te worden gelezen alsof het een verwijzing betrof naar een vliegtuigexploitant.

Aanvullende bepalingen voor de verificatie van luchtvaartemissieverslagen

(14)  De verificateur moet zich er in het bijzonder van vergewissen dat:

   a) alle onder de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten vallende vluchten in aanmerking zijn genomen. De verificateur zal in deze taak worden ondersteund door middel van gegevens over dienstregelingen en andere gegevens over het verkeer van de exploitant, waaronder door de exploitant opgevraagde gegevens van Eurocontrol;
   b) de cumulatieve gegevens over het brandstofverbruik en de gegevens over de voor het luchtvaartuig dat de luchtvaartactiviteit verricht, aangekochte of anderszins verschafte brandstof, consistent zijn.

De Gemeenschap en de lidstaten dragen er zorg voor dat de door de verificateur toe te passen arbeidsmethoden worden geharmoniseerd alvorens de richtlijn ten uitvoer wordt gelegd, en dat het daarin bepaalde op uniforme wijze wordt toegepast.

Aanvullende bepalingen voor de verificatie van voor de toepassing van artikel 3 quinquies, lid 1, overgelegde tonkilometergegevens

(15)   De in deze bijlage beschreven algemene beginselen en methode voor de verificatie van verslagen uit hoofde van artikel 14, lid 3, vinden, indien van toepassing, overeenkomstige toepassing voor de verificatie van luchtvaart-tonkilometergegevens.

(16)   De verificateur dient zich er in het bijzonder van te vergewissen dat alleen daadwerkelijk uitgevoerde en onder een in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteit vallende vluchten waarvoor de vliegtuigexploitant verantwoordelijk is, in aanmerking zijn genomen in de aanvraag van die exploitant uit hoofde van artikel 3 quinquies, lid 1. De verificateur zal in deze taak worden ondersteund door middel van gegevens over het verkeer van de exploitant, waaronder door de exploitant opgevraagde gegevens van Eurocontrol. Bovendien dient de verificateur na te gaan of de door de exploitant gerapporteerde vracht overeenkomt met de door de exploitant voor veiligheidsdoeleinden bijgehouden documenten over de vracht.

De Gemeenschap en de lidstaten dragen er zorg voor dat de door de verificateur toe te passen arbeidsmethoden worden geharmoniseerd alvorens de richtlijn ten uitvoer wordt gelegd, en dat het daarin bepaalde op uniforme wijze wordt toegepast.

"

(1) PB C 175 van 27.7.2007, blz. 47.
(2) PB C 305 van 15.12.2007, blz. 15.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 13 november 2007 .
(4) PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32. Richtlijn ║gewijzigd bij Richtlijn 2004/101/EG (PB L 338 van 13.11.2004, blz. 18).
(5) PB L 33 van 7.2.1994, blz. 11. Gewijzigd in PB L 146 van 11.6.1994, blz. 27.
(6) PB L 130 van 15.5.2002, blz. 1.
(7) PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.
(8) COM(2005)0459 .
(9) PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 119.
(10) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit als gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).
(11)* 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.


"Dys'criminatie en maatschappelijke uitsluiting van dys-kinderen
DOC 48k
Verklaring van het Europees Parlement over "dys'criminatie en maatschappelijke uitsluiting van dys-kinderen
P6_TA(2007)0506 P6_DCL(2007)0064

Het Europees Parlement ,

–   gelet op artikel 116 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat naar schatting jaarlijks meer dan 10% van de kinderen te lijden heeft onder "dys'stoornissen (dysfasie, dyspraxie, dyslexie, dyscalculie en moeilijkheden om zich te concentreren enz.) en dat de dysstatistieken nog verder moeten worden uitgesplitst,

B.   overwegende dat de dyshandicap die al heel vroeg communicatie bemoeilijkt, in veel lidstaten nog steeds niet herkend wordt,

C.   overwegende dat het onderzoek, o.a. in het zevende kaderprogramma voor onderzoek, naar "dys'stoornissen moet worden geïntensiveerd,

D.   overwegende dat alleen een voortijdige, intensieve en pluridisciplinaire behandeling in aangepaste structuren (het gewone schoolonderwijs met aangepaste begeleiding of op een speciale school) het mogelijk maakt "dys'criminatie van deze kinderen te voorkomen,

1.   verzoekt de Commissie en de Raad:

   een handvest voor dyskinderen op te stellen;
   zich ervoor in te zetten dat dysstoornissen als handicap worden erkend;
   de beste praktijken te bevorderen inzake:
   toegang tot informatie;
   vroegtijdige opsporing, systematische diagnose en verpleging;
   kwalitatief hoogstaande pedagogische structuren op school of op een speciale school voor kinderen, adolescenten en jeugdige volwassenen;
   aangepaste structuren voor opname in het beroepsleven;
   de oprichting van een Europees pluridisciplinair netwerk voor specifieke leermoeilijkheden (learning specific difficulties) te bevorderen en aan te moedigen, informatie te verzamelen en te bestuderen en de coördinatie van grensoverschrijdende acties en een institutionele dialoog te bevorderen;

2.   verzoekt zijn Voorzitter deze verklaring, met de namen van de ondertekenaars, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen van de lidstaten:

Lijst van ondertekenaars

Adamou, Allister, Anastase, Andersson, Andrejevs, Andria, Andrikienė, Angelilli, Arnaoutakis, Athanasiu, Attwooll, Aubert, Audy, Aylward, Baco, Baeva, Barón Crespo, Barsi-Pataky, Battilocchio, Bauer, Beaupuy, Beazley, Becsey, Belder, Belet, Belohorská, Beňová, Berend, Berlinguer, Bielan, Bösch, Bonde, Bonsignore, Borghezio, Borrell Fontelles, Bourlanges, Bourzai, Bowis, Braghetto, Brejc, Brepoels, Breyer, Březina, Brie, Brok, Buitenweg, Bulfon, Bullmann, van den Burg, Burke, Buruiană-Aprodu, Bushill-Matthews, Busquin, Busuttil, Cabrnoch, Callanan, Camre, Cappato, Carlotti, Carlshamre, Casa, Casaca, Cashman, Casini, Castiglione, Cavada, Chatzimarkakis, Chmielewski, Christensen, Ciornei, Claeys, Cocilovo, Cohn-Bendit, Corbett, Corda, Cornillet, Correia, Costa, Cottigny, Cramer, Creţu Gabriela, Crowley, Czarnecki Marek Aleksander, Czarnecki Ryszard, Daul, Dehaene, De Keyser, Demetriou, Deprez, De Sarnez, Descamps, Désir, Deva, De Veyrac, Dičkutė, Dillen, Dimitrakopoulos, Dîncu, Dombrovskis, Doorn, Douay, Dover, Doyle, Drčar Murko, Duchoň, Dührkop Dührkop, Duka-Zólyomi, Dumitrescu, Ebner, Estrela, Ettl, Evans Jill, Ferrari, Ferreira Elisa, Figueiredo, Flasarová, Flautre, Foglietta, Foltyn-Kubicka, Fontaine, Ford, Fourtou, Fraga Estévez, Gahler, Gaľa, Ganţ, Gaubert, Gauzès, Gawronski, Gentvilas, Geremek, Geringer de Oedenberg, Gibault, Gierek, Gklavakis, Gollnisch, Gomes, Gottardi, Grabowska, Grabowski, Graça Moura, de Grandes Pascual, Grech, Griesbeck, Gröner, de Groen-Kouwenhoven, Grosch, Grossetête, Guellec, Guerreiro, Guidoni, Gurmai, Gutiérrez-Cortines, Hammerstein, Handzlik, Harbour, Harkin, Hassi, Hazan, Heaton-Harris, Hellvig, Henin, Hennicot-Schoepges, Herczog, Herranz García, Higgins, Holm, Honeyball, Horáček, Howitt, Hudacký, Hughes, Hutchinson, Hyusmenova, in 't Veld, Isler Béguin, Itälä, Jäätteenmäki, Jałowiecki, Janowski, Járóka, Jarzembowski, Juknevičienė, Kaczmarek, Kallenbach, Kamiński, Karas, Karatzaferis, Kaufmann, Kauppi, Kazak, Klamt, Klich, Koch, Kónya-Hamar, Korhola, Kósáné Kovács, Koterec, Kozlík, Krasts, Kratsa-Tsagaropoulou, Kristovskis, Krupa, Kuc, Kudrycka, Kuhne, Kułakowski, Kuźmiuk, Laignel, Lamassoure, Landsbergis, Lang, De Lange, Laperrouze, Lavarra, Le Foll, Lehideux, Leichtfried, Le Pen Jean-Marie, Le Pen Marine, Lévai, Lewandowski, Liberadzki, Libicki, Lienemann, Liotard, Lipietz, Locatelli, López-Istúriz White, Losco, Louis, Lucas, Lulling, Lynne, Lyubcheva, McCarthy, McDonald, McGuinness, McMillan-Scott, Madeira, Maldeikis, Maňka, Mantovani, Marinescu, Markov, Marques, Martin David, Martinez, Masiel, Maštálka, Mathieu, Matsakis, Matsis, Matsouka, Mavrommatis, Medina Ortega, Meijer, Méndez de Vigo, Menéndez del Valle, Meyer Pleite, Miguélez Ramos, Mihalache, Mikko, Mikolášik, Mitchell, Morgantini, Morillon, Morin, Musacchio, Muscardini, Muscat, Musotto, Myller, Napoletano, Navarro, Neris, Nicholson, Niebler, van Nistelrooij, Novak, Occhetto, Özdemir, Olajos, Olbrycht, Ó Neachtain, Onesta, Oomen-Ruijten, Ortuondo Larrea, Őry, Oviir, Paasilinna, Paleckis, Panayotopoulos-Cassiotou, Pannella, Panzeri, Paparizov, Papastamkos, Patriciello, Peterle, Petre, Piecyk, Pīks, Pinior, Piotrowski, Pirker, Pleštinská, Podgorean, Podkański, Poignant, Popeangă, Portas, Posselt, Prets, Pribetich, Protasiewicz, Rack, Raeva, Ransdorf, Remek, Resetarits, Ribeiro e Castro, Riera Madurell, Ries, Rivera, Rocard, Rogalski, Roithová, Romagnoli, Romeva i Rueda, Rosati, Roszkowski, Rouček, Rudi Ubeda, Rühle, Rutowicz, Ryan, Saïfi, Sakalas, Saks, Salafranca Sánchez-Neyra, Sârbu, Sartori, Saryusz-Wolski, Savi, Sbarbati, Schaldemose, Schapira, Scheele, Schenardi, Schlyter, Schmidt Frithjof, Schmidt Olle, Schöpflin, Schröder, Seeber, Seppänen, Siekierski, Silva Peneda, Simpson, Sinnott, Skinner, Smith, Sommer, Sonik, Sornosa Martínez, Staes, Staniszewska, Starkevičiūtė, Šťastný, Stauner, Stavreva, Sterckx, Stevenson, Stihler, Stubb, Sturdy, Sudre, Surján, Svensson, Szabó, Szájer, Szejna, Szymański, Tajani, Takkula, Tannock, Tarabella, Thyssen, Ţicău, Ţîrle, Titley, Toia, Toma, Tomaszewska, Tomczak, Toubon, Trakatellis, Trautmann, Triantaphyllides, Turmes, Tzampazi, Vanhecke, Van Lancker, Vatanen, Vaugrenard, Veneto, Vergnaud, Vidal-Quadras, de Villiers, Vlasto, Voggenhuber, Wallis, Watson, Weber Henri, Weisgerber, Wijkman, Willmott, Wojciechowski Bernard, Wojciechowski Janusz, Wortmann-Kool, Wurtz, Záborská, Zaleski, Zani, Zapałowski, Ždanoka, Zdravkova, Železný, Zimmer, Zingaretti, Zvěřina, Zwiefka

Laatst bijgewerkt op: 28 augustus 2008Juridische mededeling