Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 15 januari 2008 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Opzetten van Europese partnerschappen in het kader van het stabilisatie- en associatieproces *
 Wijziging van Richtlijn 95/50/EG op het gebied van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden ***I
 Opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden ***I
 Luchthavengelden ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
 In- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
  Bijlage
 Toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
 CARS 21: een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie
 Fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties
 Communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk

Opzetten van Europese partnerschappen in het kader van het stabilisatie- en associatieproces *
PDF 67k   DOC 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2008 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 533/2004 inzake het opzetten van Europese partnerschappen in het kader van het stabilisatie- en associatieproces (COM(2007)0662 – C6-0471/2007 – 2007/0239(CNS) )
P6_TA(2008)0001 A6-0517/2007

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2007)0662 ),

–   gelet op artikel 181a, lid 2, eerste zin, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0471/2007 ),

–   gelet op artikel 51 en artikel 43, lid 1 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A6-0517/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

4.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Wijziging van Richtlijn 95/50/EG op het gebied van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden ***I
PDF 66k   DOC 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 95/50/EG op het gebied van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (COM(2007)0509 – C6-0278/2007 – 2007/0184(COD) )
P6_TA(2008)0002 A6-0506/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0509 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 71 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0278/2007 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0506/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden ***I
PDF 101k   DOC 49k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening nr. 11 ter uitvoering van artikel 79, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden en Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenhygiëne - Vervoeraspecten (COM(2007)0090 – C6-0086/2007 – 2007/0037A(COD) )
P6_TA(2008)0003 A6-0513/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0090 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en de artikelen 75, lid 3, 95 en 152, lid 4, letter b) van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0086/2007 ),

–   gelet op het besluit van de Conferentie van Voorzitters van 5 juli 2007 waarbij aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie vervoer en toerisme toestemming wordt verleend om elk een wetgevingsverslag op te stellen op basis van het Commissievoorstel,

–   gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrondslag,

–   gelet op de artikelen 51 en 35 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A6-0513/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendementen van het Parlement
Amendement 1
TITEL
Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening nr. 11 ter uitvoering van artikel 79, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden en Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenhygiëne
Verordening van de Raad tot wijziging van Verordening nr. 11 ter uitvoering van artikel 79, lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap betreffende de opheffing van discriminaties inzake vrachtprijzen en vervoervoorwaarden
Amendement 2
VISUM 1
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 75, lid 3, artikel 95 en artikel 152, lid 4, onder b),
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 75, lid 3,
Amendement 3
VISUM 5
Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag,
Schrappen
Amendement 4
OVERWEGING 3
(3)    Artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 852/2004 verplicht alle exploitanten van levensmiddelenbedrijven zorg te dragen voor de invoering, de uitvoering en de handhaving van een of meer permanente procedures die gebaseerd zijn op de beginselen van risicoanalyse en kritische controlepunten (HACCP).
Schrappen
Amendement 5
OVERWEGING 4
De ervaring heeft uitgewezen dat in bepaalde levensmiddelenbedrijven de levensmiddelenhygiëne kan worden gewaarborgd door de desbetreffende voorschriften in Verordening (EG) nr. 852/2004 correct toe te passen zonder gebruik te maken van het HACCP-systeem. Dit geldt met name voor kleine bedrijven die hun producten in hoofdzaak rechtstreeks aan eindgebruikers verkopen, zoals bakkers, slagers, kruideniers, marktkramen, restaurants en cafés, en die micro-ondernemingen zijn in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen 1 .
______________
1 PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36.
Schrappen
Amendement 6
OVERWEGING 5
(5)    Het is daarom passend deze bedrijven vrij te stellen van het voorschrift in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 852/2004, met dien verstande dat zij wel aan alle overige voorschriften van die verordening moeten voldoen.
Schrappen
Amendement 7
OVERWEGING 6
(6)    Omdat de wijzigingen van de Verordeningen (EG) nr. 852/2004 en nr. 11 beide bedoeld zijn om de administratieve lasten voor bedrijven te verminderen zonder het onderliggende doel van de verordeningen te wijzigen, is het passend deze wijzigingen in één verordening te combineren.
Schrappen
Amendement 8
ARTIKEL 2
Artikel 5, lid 3 (Verordening (EG) nr. 852/2004)
Artikel 2
Schrappen
Aan artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 852/2004 wordt de volgende zin toegevoegd:
"Onverminderd de andere voorschriften van deze verordening, is lid 1 niet van toepassing op bedrijven die micro-ondernemingen zijn in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 en waarvan de activiteiten in hoofdzaak bestaan in het rechtstreeks aan eindgebruikers verkopen van levensmiddelen."

Luchthavengelden ***I
PDF 174k   DOC 104k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2008 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake luchthavengelden (COM(2006)0820 – C6-0056/2007 – 2007/0013(COD) )
P6_TA(2008)0004 A6-0497/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2006)0820 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 80, lid 2 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0056/2007 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0497/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 januari 2008 met het oog op de aanneming van Richtlijn 2008/…/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake luchthavengelden

P6_TC1-COD(2007)0013


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80, lid 2,

Gelet op het voorstel van de Commissie║,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1) ,

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2) ,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3) ,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)   De belangrijkste opdracht en commerciële activiteit van luchthavens is het afhandelen van luchtvaartuigen, van landen tot opstijgen, en van passagiers en goederen, teneinde luchtvervoerders in staat te stellen ║luchtvervoersdiensten aan te bieden. Met het oog op de afhandeling stellen luchthavens een aantal faciliteiten en diensten ter beschikking die verband houden met de exploitatie van luchtvaartuigen en de verwerking van passagiers en goederen; gewoonlijk dekken zij de kosten daarvan door het heffen van luchthavengelden. Faciliteiten en diensten waarvoor kosten in rekening worden gebracht, dienen op kostenefficiënte wijze te worden aangeboden.

(2)   Er moet een gemeenschappelijk kader worden vastgesteld voor het regelen van de essentiële kenmerken van luchthavengelden en de manier waarop ze worden vastgesteld, zoniet bestaat het risico dat de basisvereisten in de relatie tussen de beheersorganen van luchthavens en de luchthavengebruikers niet in acht worden genomen.

(3)   Deze richtlijn moet gelden voor binnen de Gemeenschap gevestigde luchthavens van een bepaalde minimumomvang ; er is geen behoefte aan een communautair kader voor het beheer en de financiering van kleine luchthavens.

(4)   Het innen van heffingen voor het verlenen van luchtnavigatiediensten en grondafhandelingsdiensten is reeds ter sprake gekomen in Verordening (EG) nr. 1794/2006(4) van de Commissie ║ en Richtlijn 96/67/EG(5) van de Raad║.

(5)   De luchthavengelden moeten niet-discriminerend zijn. Er moet een verplichte procedure voor regelmatig overleg tussen de beheersorganen van luchthavens en de luchthavengebruikers worden opgesteld, waarbij elke partij de mogelijkheid krijgt een beroep te doen op een onafhankelijke regelgevende instantie als een besluit over luchthavengelden of de wijziging van het systeem van luchthavengelden door de luchthavengebruikers in vraag wordt gesteld.

(6)   In elke lidstaat moet één onafhankelijke regelgevende instantie worden aangesteld of opgericht om de onpartijdigheid van de beslissingen en de juiste en doeltreffende toepassing van deze richtlijn te garanderen. De instantie moet over de nodige middelen (personeel, deskundigheid en financiële middelen) beschikken om zijn taken te kunnen uitvoeren en zo te kunnen garanderen dat luchthavens hun diensten en faciliteiten op kostenefficiënte wijze aanbieden .

(7)   Het is van essentieel belang dat de luchthavengebruikers regelmatig door het beheersorgaan van de luchthaven worden geïnformeerd over de wijze en de basis waarop ║ luchthavengelden worden berekend. Die transparantie verschaft de luchtvaartmaatschappijen inzicht in de kosten van de luchthaven en de productiviteit van de investeringen van de luchthaven. Om een beheersorgaan van een luchthaven in staat te stellen te beoordelen welke toekomstige investeringen noodzakelijk zijn, moeten ║ luchthavengebruikers al hun operationele prognoses, uitbreidingsprojecten en specifieke vragen en wensen tijdig aan het beheersorgaan van de luchthaven meedelen.

(8)   Aangezien belangrijke infrastructuurprojecten een aanzienlijke invloed hebben op het niveau van de luchthavengelden, moeten de luchthavens de luchthavengebruikers informatie verstrekken over dergelijke projecten. Deze informatie wordt verstrekt om toezicht op de infrastructuurkosten mogelijk te maken en om passende en kostenefficiënte faciliteiten ter beschikking te stellen op de betrokken luchthaven.

(9)   Gezien de opkomst van luchtvaartmaatschappijen die luchtdiensten tegen lage kosten verlenen, moeten de luchthavens die door deze maatschappijen worden bediend de mogelijkheid krijgen luchthavengelden te heffen die overeenstemmen met de infrastructuur en/of het niveau van de verleende diensten, aangezien luchtvaartmaatschappijen er een gerechtvaardigd belang bij hebben diensten van een luchthaven te vragen die overeenstemmen met de prijs-kwaliteitsverhouding. De toegang tot een een dergelijk verschillend niveau van infrastructuur of dienstverlening moet echter op niet-discriminerende basis open staan voor alle maatschappijen die er gebruik van willen maken. Als de vraag het aanbod overtreft, moet het beheersorgaan van de luchthaven objectieve en niet-discriminerende criteria opstellen om te bepalen wie toegang krijgt. Iedere differentiatie en/of verhoging van heffingen moet transparant en objectief zijn en op duidelijke criteria berusten. Differentiatie kan een stimulerend effect hebben op de opening van nieuwe routes en hierdoor de ontwikkeling bevorderen in regio's die te lijden hebben onder geografische en natuurlijke handicaps, met inbegrip van de ultraperifere gebieden.

(10)   Aangezien niet in de hele Gemeenschap dezelfde methoden worden gebruikt voor het vaststellen en innen van de bedragen die betaald moeten worden voor het dekken van de beveiligingskosten, is er behoefte aan een harmonisering van de basis voor het in rekening brengen van beveiligingskosten in de communautaire luchthavens die deze kosten verrekenen in de luchthavengelden. In deze luchthavens moeten de luchthavengelden in verhouding staan tot de werkelijke beveiligingskosten, waarin eventuele overheidsfinanciering en staatssteun ter dekking van de beveiligingskosten correct moeten worden verrekend, en moeten deze diensten tegen kostprijs worden verstrekt, zodat er geen winst wordt gemaakt. De inkomsten uit luchthavengelden die ter dekking van de beveiligingskosten worden ingevoerd, mogen uitsluitend voor de tenuitvoerlegging van veiligheidsmaatregelen worden gebruikt.

(11)   In ruil voor de kosten die luchthavengebruikers betalen, hebben ze recht op een bepaald dienstverleningsniveau. Het niveau van de dienstverlening moet daarom worden vastgelegd in overeenkomsten tussen het beheersorgaan van de luchthaven en de vereniging of verenigingen van luchthavengebruikers in de desbetreffende luchthaven; dergelijke overeenkomsten moeten met regelmatige tussenpozen worden gesloten.

(12)   Deze richtlijn laat de toepassing van de bepalingen van het Verdrag, met name de artikelen 81 tot en met 89, onverlet.

(13)   Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, aangezien systemen voor het heffen van luchthavengelden niet op uniforme wijze in de hele Gemeenschap op nationaal niveau kunnen worden vastgesteld, en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het EG-Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen treffen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

1.   In deze richtlijn worden gemeenschappelijke beginselen vastgesteld voor het heffen van luchthavengelden in communautaire luchthavens. Dit laat de keuzevrijheid van beheersorganen van luchthavens onverlet om voor het "single till-systeem", het "dual till-systeem" of een combinatie daarvan te kiezen.

2.   Deze richtlijn geldt voor alle luchthavens die gevestigd zijn op het grondgebied waarop het Verdrag van toepassing is, die open staan voor commercieel verkeer en die jaarlijks meer dan 5 miljoen passagiersbewegingen ▌laten optekenen of meer dan 15% van het jaarlijkse aantal passagiersbewegingen in de lidstaat waarin de luchthaven gevestigd is .

Na een uitvoerig onderzoek van de nationale mededingingsautoriteit mogen de lidstaten deze richtlijn ook op andere luchthavens toepassen, als dit nodig blijkt.

Deze richtlijn geldt ook voor luchthavennetwerken en alle in een netwerk georganiseerde luchthavens in een gebied waar de bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn.

De lidstaten publiceren een lijst met de luchthavens op hun grondgebied waarop deze richtlijn van toepassing is. Deze lijst berust op gegevens van EUROSTAT en wordt jaarlijks bijgewerkt.

Deze richtlijn is niet van toepassing op ║ heffingen die worden geïnd voor de vergoeding van en-route- en terminalluchtnavigatiediensten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1794/2006 ║ noch op ║ heffingen die worden geïnd voor de vergoeding van grondafhandelingsdiensten, zoals vermeld in de bijlage bij Richtlijn 96/67/EG ║, noch op heffingen die worden geïnd ter financiering van hulpverlening aan gehandicapte reizigers en reizigers met een beperkte mobiliteit, zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (6) .

Deze richtlijn laat het recht van de lidstaten onverlet om ten aanzien van een op hun grondgebied gevestigd beheersorgaan van een luchthaven aanvullende regelgevende maatregelen te nemen, mits deze verenigbaar zijn met deze richtlijn of met andere relevante bepalingen van de Gemeenschapswetgeving. Met dergelijke maatregelen wordt met name de goedkeuring van heffingsstelsels en/of het niveau van heffingen op basis van de mededingingswetgeving bedoeld.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder

   a) "luchthaven": elk terrein dat speciaal is ingericht om luchtvaartuigen de mogelijkheid te bieden te landen, op te stijgen of manoeuvres uit te voeren, met inbegrip van de eventueel bijbehorende installaties ten behoeve van het verkeer van en de dienstverlening aan luchtvaartuigen en de nodige installaties ten behoeve van de commerciële luchtdiensten;
   b) "beheersorgaan van de luchthaven": de instantie die, eventueel in combinatie met andere activiteiten, aan de nationale wet- of regelgeving de taak ontleent om de infrastructuur van een luchthaven of een luchthavennetwerk te beheren en de activiteiten van de verschillende op de luchthavens of het luchthavennetwerk aanwezige ondernemingen te coördineren en te controleren;
   c) "luchthavengebruiker": iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die naar of vanaf de desbetreffende luchthaven door de lucht passagiers, post en/of vracht vervoert;
   d) "luchthavengelden": een heffing die wordt geïnd ten gunste van het beheersorgaan van de luchthaven en die moet worden betaald door de luchthavengebruikers en/of luchtvaartpassagiers voor het gebruik van de faciliteiten en diensten die exclusief door het beheersorgaan van de luchthaven worden aangeboden en die verband houden met landen, opstijgen, verlichting en parkeren van luchtvaartuigen en verwerking van passagiers en goederen ▌;
   e) "beveiligingsheffing": een heffing die specifiek tot doel heeft geheel of gedeeltelijk de kosten te dekken van de minimumbeveiligingsmaatregelen om de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden te beschermen, zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 2320/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaar (7) ;
   f) "luchthavennetwerk": een aantal luchthavens in een lidstaat die worden geëxploiteerd door een luchthavenbeheerder die door de bevoegde nationale instantie is aangewezen.

Artikel 3

Discriminatieverbod

De lidstaten zien erop toe dat bij het heffen van de luchthavengelden geen onderscheid wordt gemaakt tussen luchthavengebruikers of luchtvaartpassagiers.

Deze bepaling staat de invoering van aanpassingen van de heffingen om objectieve, transparante redenen van algemeen belang niet in weg.

Artikel 4

Luchthavennetwerk

Teneinde te waarborgen dat toegang tot de luchthavens van een luchthavennetwerk wordt verleend tegen kosten die evenredig zijn met het aantal luchtvaartpassagiers, kunnen de lidstaten beheerders van luchthavennetwerken toestemming verlenen om een uniform en transparant systeem van luchthavengelden in te voeren voor alle luchthavens die deel uitmaken van het netwerk. De toestemming wordt alleen gegeven op voorwaarde dat de concurrentie tussen de luchthavens in verschillende lidstaten, bijvoorbeeld met betrekking tot toerisme, niet wordt verstoord. Bij geschillen kan de klager beroep instellen bij de Commissie op grond van de toepasselijke mededingingsregels van de EG.

Artikel 5

Overleg en verhaal

1.   De lidstaten zien erop toe dat in elke luchthaven waarvoor deze richtlijn geldt, een verplichte ▌procedure wordt vastgesteld voor overleg tussen het beheersorgaan van de luchthaven en de luchthavengebruikers of vertegenwoordigers van de luchthavengebruikers over de werking van het systeem van luchthavengelden en het niveau van die gelden, met inbegrip van het kwaliteitsniveau van de diensten die het beheersorgaan van de luchthaven voor de luchthavengelden dient te verlenen . De lidstaten zorgen ervoor dat dit overleg plaatsvindt voordat de beheersorganen van luchthavens of de luchthavengebruikers luchthavengelden invoeren of aanzienlijke wijzigingen aanbrengen in de structuur of de hoogte van de luchthavengelden . Wanneer er een meerjarige overeenkomst bestaat tussen het beheersorgaan van de luchthaven en de luchthavengebruikers of vertegenwoordigers van de luchthavengebruikers, vindt het overleg plaats in overeenstemming met de bepalingen van die overeenkomst.

2.   De lidstaten zien er, voor zover mogelijk, op toe dat wijzigingen van het systeem van luchthavengelden of van het niveau van die gelden plaatsvinden in overeenstemming tussen het beheersorgaan van de luchthaven en de luchthavengebruikers. Het beheersorgaan van de luchthaven dient daartoe uiterlijk zes maanden vóór de luchthavengelden van kracht worden een voorstel in tot wijziging van het systeem van luchthavengelden of het niveau van de luchthavengelden, samen met de redenen voor de voorgestelde wijzigingen. Op verzoek van een luchthavengebruiker pleegt het beheersorgaan van de luchthaven met de luchthavengebruikers overleg over de voorgestelde wijzigingen en houdt het rekening met hun meningen alvorens een definitieve beslissing te nemen. Het beheersorgaan van de luchthaven publiceert zijn definitieve beslissing binnen een redelijke termijn vóór de luchthavengelden van kracht worden. Het beheersorgaan van de luchthaven motiveert zijn beslissing met betrekking tot de standpunten van de luchthavengebruikers ingeval geen overeenstemming over de voorgestelde wijzigingen wordt bereikt tussen het beheersorgaan van de luchthaven en de luchthavengebruikers.

3.   De lidstaten zien erop toe dat, wanneer definitieve onenigheid bestaat over een beslissing over de luchthavengelden, het beheersorgaan van de luchthaven of de luchthavengebruikers, voorzover zij ten minste twee van elkaar onafhankelijke luchtvaartmaatschappijen vertegenwoordigen of ten minste 10% van de jaarlijkse vliegbewegingen respectievelijk van het jaarlijkse passagiersaanbod op de betrokken luchthaven voor hun rekening nemen, de tussenkomst kunnen vragen van een onafhankelijke regelgevende instantie die de motivering van de wijziging van het systeem van luchthavengelden of het niveau van de luchthavengelden onderzoekt.

De onafhankelijke regelgevende instantie die overeenkomstig artikel 12 is aangesteld of opgericht :

   a) stelt een procedure vast voor de oplossing van meningsverschillen tussen het beheersorgaan van de luchthaven en de luchthavengebruikers of hun vertegenwoordigers over wijzigingen van de hoogte of de structuur van de luchthavengelden, met inbegrip van wijzigingen in de kwaliteit van diensten;
   b) stelt de voorwaarden vast waaronder een meningsverschil aan haar kan worden voorgelegd voor oplossing;
   c) stelt de criteria vast waaraan meningsverschillen worden getoetst .

Deze voorwaarden en criteria zijn niet-discriminerend en transparant, en stroken met de principes van het mededingingsrecht van de EG en deze richtlijn.

Het onderzoek naar een wijziging van het systeem van luchthavengelden of de hoogte van de luchthavengelden heeft geen opschortende werking.

4 .   De luchthavengebruiker legt prima facie bewijs over dat de luchthaven in kwestie maatregelen heeft genomen die in strijd zijn met het mededingingsrecht van de EG .

5 .   Dit laat bestaande procedures voor oplossing van geschillen of statutaire beroepsprocedures onverlet .

Artikel 6

Transparantie

1.  De lidstaten zien erop toe dat het beheersorgaan van de luchthaven alle luchthavengebruikers of vertegenwoordigers of verenigingen van luchthavengebruikers eenmaal per jaar informatie verschaft over de elementen die gebruikt worden als basis voor het vaststellen van het niveau van alle heffingen die op de luchthaven worden geïnd. Deze informatie behelst ten minste:

   a) een lijst van de verschillende diensten en infrastructuren die in ruil voor de heffing ter beschikking worden gesteld;
   b) de methodologie die wordt toegepast voor de vaststelling van de heffingen, waarbij aangegeven wordt of een single till-systeem, een dual till-systeem of een combinatie daarvan is gebruikt ;
   c) de algemene kostenstructuur van de luchthaven in verband met de faciliteiten en diensten ter dekking waarvan de luchthavengelden bedoeld zijn, voorzover dit voor de berekening van de luchthavengelden relevant is en in de jaarverslagen moet worden uiteengezet ;
   d) de inkomsten en kosten van elke categorie heffingen die op de luchthaven worden geïnd;
   e) de inkomsten van de luchthaven uit overheidssteun, subsidies en andere geldelijke steun, in relatie tot de inkomsten uit heffingen;
   f) de aan de luchthaven verleende staatssteun en regionale steun en de middelen afkomstig uit overheidsfinanciering in verband met openbaredienstverplichtingen;
   g) het totale aantal werknemers dat werkzaam is bij de diensten die aanleiding geven tot het innen van de heffingen;
   h) de prognoses betreffende de situatie van de luchthaven ten aanzien van de ▌ toename van het verkeer en eventuele omvangrijke geplande investeringen;
   i) het werkelijke gebruik van de luchthaveninfrastructuur en –apparatuur tijdens een bepaalde periode;
   j) de voorspelde resultaten van eventuele omvangrijke geplande investeringen in termen van hun effect op de capaciteit van de luchthaven en de kwaliteit van de ▌diensten.

2.  De lidstaten zien erop toe dat de luchthavengebruikers vóór beoogde aanpassingen van de hoogte van de luchthavengelden of het systeem van luchthavengelden of vóór invoering van nieuwe heffingen aan het beheersorgaan van de luchthaven informatie verstrekken over met name:

   a) de prognoses betreffende de omvang van hun verkeer;
   b) de prognoses betreffende de samenstelling en het geplande gebruik van hun vloot;
   c) hun uitbreidingsprojecten op de betrokken luchthaven;
   d) hun behoeften op de betrokken luchthaven.

3.   De ingevolge de leden 1 en 2 verstrekte informatie wordt als vertrouwelijk beschouwd en ook als dusdanig behandeld. Informatieverstrekking is onderworpen aan de nationale wetgeving inzake de vertrouwelijkheid van gegevens. Bij beursgenoteerde luchthavens moeten met name de beursvoorschriften in acht worden genomen.

4 .   De onafhankelijke regelgevende instantie heeft, binnen het kader van de geëigende voorschriften inzake vertrouwelijkheid, toegang tot alle gegevens die zij nodig heeft voor de uitvoering van haar werkzaamheden.

Artikel 7

Nieuwe infrastructuur

De lidstaten zien erop toe dat het beheersorgaan van de luchthaven overleg pleegt met de luchthavengebruikers alvorens de definitieve plannen voor nieuwe infrastructuurprojecten op te stellen. Maximaal vijf jaar voordat de investering operationeel wordt, mag het beheersorgaan van de luchthaven bij de vaststelling van de luchthavengelden zijn belangen via voorfinanciering behartigen.

Het beheersorgaan van de luchthaven kan nieuwe infrastructuurprojecten voorfinancieren door middel van een passende verhoging van de luchthavengelden, op voorwaarde dat

   a) de luchthavengebruikers transparante informatie ontvangen over de omvang en de duur van de verhoging van de luchthavengelden;
   b) alle aanvullende inkomsten uitsluitend worden gebruikt voor de aanleg van de geplande infrastructuur;
   c) alle officiële vergunningen zijn afgegeven.

Artikel 8

Kwaliteitsnormen

1.   Om de vlotte en efficiënte werking van een luchthaven te garanderen en om het beheersorgaan van de luchthaven in staat te stellen zijn verplichtingen na te komen, zien de lidstaten erop toe dat het beheersorgaan van de luchthaven en de vereniging(en) van luchthavengebruikers onderhandelingen voeren met het oog op het maken van afspraken over de diverse dienstverleningsniveaus, overeenkomstig het in artikel 9 bepaalde over differentiatie van de luchthavengelden, met betrekking tot de kwaliteit van de diensten die in de luchthaventerminal(s) worden verleend en de nauwkeurigheid en tijdigheid van informatie die door de luchthavengebruikers wordt verstrekt over hun geplande activiteiten, zoals vermeld in artikel 6, lid 2 . Een dergelijke overeenkomst wordt minstens om de twee jaar gesloten en wordt aangemeld bij de onafhankelijke regelgevende instantie van elke lidstaat.

2.   Wanneer geen afspraak over dienstverlening niveau wordt gemaakt , zien de lidstaten erop toe dat elke partij de tussenkomst van de onafhankelijke regelgevende instantie kan vragen.

Artikel 9

Verschillen in luchthavengelden

1.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het beheersorgaan van de luchthaven in staat te stellen variatie aan te brengen in de kwaliteit en het toepassingsgebied van bepaalde luchthavendiensten, terminals of delen van terminals, teneinde op maat gemaakte diensten te verlenen of een specifieke terminal of een deel van een terminal ter beschikking te stellen. Op basis van de kwaliteit en het toepassingsgebied van dergelijke diensten kan variatie worden aangebracht in het niveau van de luchthavengelden, maar ook op basis van milieuprestatie, geluidsoverlast of andere openbare belangen op voorwaarde dat een en ander wordt vastgesteld aan de hand van relevante, objectieve en transparante criteria.

De lidstaten zorgen er tevens voor dat de luchthavens dezelfde heffing voor dezelfde dienst innen. Het beheersorgaan van de luchthaven kan luchthavengebruikers kortingen op heffingen verlenen gebaseerd op de kwaliteit van een gebruikte dienst, mits de betreffende korting op openbaar gemaakte, transparante en objectieve voorwaarden voor alle luchthavengebruikers beschikbaar is. Het beheersorgaan van de luchthaven kan een korting verlenen aan gebruikers die nieuwe routes openen, mits de korting in overeenstemming met de mededingingswetgeving van de EG evenzo op openbare en niet-discriminerende wijze wordt verleend en op dezelfde wijze voor alle luchthavengebruikers verkrijgbaar is .

2.   De lidstaten zien erop toe dat alle luchthavengebruikers die gebruik willen maken van de op maat gemaakte diensten of de specifieke (delen van) terminals toegang krijgen tot deze diensten en (delen van) terminals.

Als meer gebruikers toegang wensen tot de op maat gemaakte diensten of de specifieke (delen van) terminals dan ║ ingevolge capaciteitsbeperkingen mogelijk is , wordt de toegang ║ toegekend op basis van relevante, objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria.

Artikel 10

Beveiligingsheffingen

Beveiligingsheffingen worden uitsluitend gebruikt om beveiligingskosten te dekken en mogen deze kosten niet overschrijden. Met beveiligingsheffingen mag geen winst worden gemaakt. Deze kosten worden bepaald overeenkomstig de in elk van de lidstaten algemeen erkende beginselen inzake economische en operationele efficiency en inzake boekhouding en evaluatie. De lidstaten zorgen ervoor dat de kosten eerlijk over de verschillende gebruikersgroepen op elke luchthaven worden verdeeld. De lidstaten dienen er echter op toe te zien dat met name rekening wordt gehouden met:

   de kosten van de financiering van de specifieke faciliteiten en installaties voor beveiligingsactiviteiten, inclusief een billijke waardevermindering van deze faciliteiten en installaties;
   de uitgaven voor beveiligingspersoneel en beveiligingsactiviteiten, exclusief de kosten van korte-termijnmaatregelen inzake verhoogde veiligheid ; dergelijke maatregelen, die worden opgelegd in het kader van de nationale wetgeving met betrekking tot speciale risicobeoordeling en die tot extra uitgaven leiden, worden niet onderworpen aan de bepalingen van deze richtlijn;
   de toelagen en subsidies die door de overheid worden verstrekt voor beveiligingsdoeleinden.

De opbrengsten van veiligheidsheffingen op een bepaalde luchthaven mogen alleen worden gebruikt ter dekking van de uitgaven voor de veiligheid op diezelfde luchthaven. In geval van een luchthavennetwerk mogen de opbrengsten van veiligheidsheffingen alleen worden gebruikt ter dekking van veiligheidsuitgaven die ontstaan op luchthavens die tot het netwerk behoren.

Artikel 11

Strengere beveiligingskosten

De kosten in verband met de uitvoering van beveiligingsmaatregelen die strenger zijn dan de minimumbeveiligingsmaatregelen die zijn vastgelegd in Verordening (EG) nr. 2320/2002, worden gedragen door de lidstaten.

Artikel 12

Onafhankelijke regelgevende instantie

1.   Om te garanderen dat de maatregelen die worden genomen om aan deze richtlijn te voldoen correct worden toegepast en ▌de in de artikelen 5 en 8 vermelde taken worden uitgevoerd , stellen de lidstaten een onafhankelijk orgaan aan als nationale onafhankelijke regelgevende instantie of richten zij een dergelijk orgaan op. Dit orgaan kan hetzelfde zijn als de entiteit die door de lidstaten belast is met de in artikel 1, lid 2, vermelde aanvullende regelgevende maatregelen en dus ook met de goedkeuring van het heffingenstelsel en/of het niveau van de heffingen, voor zover het aan de voorwaarden van lid 3 van dit artikel voldoet.

2 .   De onafhankelijke nationale regelgevende instantie kan onder haar toezicht de uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn of delen daarvan delegeren aan onafhankelijke regionale regelgevende instanties, mits de uitvoering overeenkomstig dezelfde normen geschiedt. De onafhankelijke nationale regelgevende instantie blijft verantwoordelijk voor het waarborgen van de correcte toepassing van de bepalingen van deze richtlijn. Het bepaalde in lid 3 geldt ook voor onafhankelijke regionale regelgevende instanties.

3 .   De lidstaten garanderen de onafhankelijkheid van de onafhankelijke regelgevende instantie door erop toe te zien dat deze instantie juridisch gescheiden is en functioneel onafhankelijk is van de beheersorganen van de luchthavens en de luchtvaartmaatschappijen. Lidstaten die eigenaar blijven van of de controle behouden over luchthavens, beheersorganen van luchthavens of luchtvaartmaatschappijen moeten ervoor zorgen dat de regelgevende functies structureel gescheiden zijn van de activiteiten die verband houden met de eigendom of de controle. De lidstaten zorgen ervoor dat de onafhankelijke regelgevende instantie haar bevoegdheden onpartijdig en op transparante wijze uitoefent.

4 .   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de naam en het adres van de onafhankelijke regelgevende instantie, de taken en verantwoordelijkheden die aan deze instantie zijn toegewezen en de maatregelen die zijn genomen om overeenstemming met lid 3 te waarborgen.

5 .   Bij een onderzoek naar de rechtvaardiging voor het wijzigen van de structuur of de hoogte van de luchthavengelden, als bedoeld in artikel 5, kan de onafhankelijke regelgevende instantie de nodige informatie van de betrokken partijen vragen en moet deze instantie deze partijen en eventuele andere betrokken partijen raadplegen om tot een beslissing te komen. Zij neemt zo spoedig mogelijk en binnen drie maanden na ontvangst van een klacht een beslissing, en maakt de beslissing en de motivering ervan openbaar. De beslissing is bindend.

6 .   De onafhankelijke regelgevende instantie publiceert jaarlijks een verslag over haar activiteiten.

Artikel 13

Herziening en verslaglegging

1.   De Commissie legt uiterlijk ...(8) aan het Europees Parlement en aan de Raad een verslag voor over de toepassing van deze richtlijn, waarin geëvalueerd wordt in hoeverre de doelstellingen van deze richtlijn zijn bereikt, en, in voorkomend geval, ║ passende voorstellen.

2.   De lidstaten en de Commissie werken samen bij de toepassing van de onderhavige richtlijn, met name wat het verzamelen van gegevens betreft die voor de opstelling van het in lid 1 bedoelde verslag nodig zijn.

Artikel 14

Uitvoering

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ...(9) * aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze maatregelen vaststellen , wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 15

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

(1) PB C 10 van 15.1.2008 , blz. 35 .
(2) PB C 305 van 15.12.2007 , blz. 11 .
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 15 januari 2008.
(4) Verordening (EG) nr. 1794/2006 van de Commissie van 6 december 2006 tot vaststelling van een gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten (PB L 341 van 7.12.2006, blz. 3).
(5) Richtlijn 96/67/EG van de Raad van 15 oktober 1996 betreffende de toegang tot de grondafhandelingsmarkt op de luchthavens van de Gemeenschap (PB L 272 van 25.10.1996, blz. 36). Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).
(6) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 1.
(7) PB L 355 van 30.12.2002, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 849/2004 (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 1. Rectificatie in PB L 229 van 29.6.2004, blz. 3).
(8)* 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.
(9)** 18 maanden na de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.


In- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen ***I
PDF 80k   DOC 80k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (COM(2006)0745 – C6-0439/2006 – 2006/0246(COD) )
P6_TA(2008)0005 A6-0406/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2006)0745 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 175, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0439/2006 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0406/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   wijst op de hierbij gevoegde verklaring van de Commissie;

3.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 januari 2008 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen

P6_TC1-COD(2006)0246


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. 689/2008.)

BIJLAGE

Verklaring van de Commissie betreffende de status van kwiken arseen uit hoofde van de PIC-verordening

De Commissie wijst erop dat, overeenkomstig artikel 22, lid 3, van Verordening (EG) nr. 304/2003, in het geval van een verbod op of strenge beperkingen van het gebruik van metallisch arseen in de Gemeenschap, een voorstel wordt gedaan om de betreffende bijlage aan te passen. Verder merkt zij op dat in de Raad en het Parlement aan een voorstel voor een exportverbod voor kwik uit de Gemeenschap wordt gewerkt. Dit gaat dus verder dan de in het Verdrag van Rotterdam en de desbetreffende uitvoeringsverordening van de EG vastgestelde eisen inzake voorafgaande geïnformeerde toestemming.


Toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ***I
PDF 76k   DOC 64k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2008 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (COM(2007)0159 – C6-0104/2007 – 2007/0054(COD) )
P6_TA(2008)0006 A6-0515/2007

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0159 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en de artikelen 42 en 308 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0104/2007 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0515/2007 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 15 januari 2008 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2008 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen

P6_TC1-COD(2007)0054


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. 592/2008.)


CARS 21: een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie
PDF 145k   DOC 96k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2008 over CARS 21: een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie (2007/2120(INI) )
P6_TA(2008)0007 A6-0494/2007

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie voor de 21e eeuw - Standpunt van de Commissie over het eindverslag van de CARS 21-groep op hoog niveau - Een bijdrage tot de strategie van de EU voor groei en werkgelegenheid" (COM(2007)0022 ),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Raad Concurrentievermogen van 21 en 22 mei 2007,

–   gezien het eindrapport van de groep op hoog niveau met als titel "CARS 21: een concurrerend regelgevingsstelsel voor de automobielindustrie voor de 21e eeuw",

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie juridische zaken (A6-0494/2007 ),

A.   in overweging van de reactie van de Commissie op het rapport van de CARS 21-groep op hoog niveau, waarin alle belanghebbenden zijn bijeengebracht om de voornaamste beleidsgebieden die gevolgen hebben voor de communautaire automobielindustrie aan een onderzoek te onderwerpen en aanbevelingen te doen voor een toekomstig regelgevingskader,

B.   overwegende dat de automobielindustrie voor de EU een van de belangrijkste economische sectoren is, die jaarlijks 19 miljoen voertuigen produceert en 2,3 miljoen rechtstreekse banen oplevert en daarnaast nog eens 10 miljoen banen in aanverwante sectoren,

C.   overwegende dat een markt met vele merken voor reserveonderdelen, evenals de markten voor onderhoud en reparatie van voertuigen een cruciale rol vervullen bij het bieden van betaalbare mobiliteit, bij de verruiming van de keuzevrijheid als consument voor de 270 miljoen autobezitters in de EU voor het onderhoud van hun voertuigen, bij het veilig en schoon houden van de voertuigen die op de Europese wegen rijden en ten slotte door het verschaffen van werkgelegenheid aan 3,5 miljoen mensen in kleine en middelgrote bedrijven (KMO's) bij het behoud van een solide positie voor de KMO's in Europa,

D.   overwegende dat de Commissie een geïntegreerde strategie bevordert om te bewerkstelligen dat bedrijven in de EU concurrerend blijven in een steeds mondialer wordende omgeving, en overwegende dat deze strategie is uitgezet in zijn mededeling met als titel 'Europa als wereldspeler: wereldwijd concurreren - Een bijdrage aan de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid' (COM(2006)0567 ), in zijn werkdocument met als titel 'Europa als wereldspeler: een sterker partnerschap voor markttoegang ten behoeve van Europese exporteurs - Effectbeoordeling' (SEC(2007)0452 ) en in zijn mededeling met als titel 'Europa als wereldspeler: de handelsbeschermingsinstrumenten van Europa in een veranderende wereldeconomie - Groenboek voor een openbare raadpleging' (COM(2006)0763 ),

E.   overwegende dat de strategie die is uitgezet in die documenten momenteel wordt toegepast bij de onderhandelingen over diverse bilaterale en regionale vrijhandelsovereenkomsten,

F.   overwegende dat de automobielindustrie van lidstaat tot lidstaat aanzienlijke verschillen vertoont met betrekking tot strategie, structuur en mondiaal bereik, en overwegende dat bij de ontwikkeling van een nieuwe en meer mondiaal gerichte handelsstrategie dan ook volledig rekening moet worden gehouden met deze verschillen,

G.   overwegende dat de automobielindustrie van de EU in 2006 ongeveer 20% van haar productie heeft geëxporteerd en dat de export van motorvoertuigen en onderdelen en toebehoren voor motorvoertuigen in 2004 respectievelijk 8,7% en 2,8% bedroeg van de industriële export van de EU, waarmee wordt aangegeven hoe buitengewoon gevoelig de automobielindustrie is voor exportvoorwaarden, en overwegende dat het externe EU-handelsoverschot met betrekking tot transportmaterieel in 2004 op 60,2 miljard EUR werd geraamd; voorts overwegende dat de vooraanstaande positie van de EU in de wereld hoofdzakelijk te danken is aan het feit dat het de grootste autoproducent van de wereld is en de op een na grootste producent van vrachtwagens, alsook aan de omvang en stabiliteit van de interne markt, de toenemende internationalisering van de motorvoertuigensector, de reputatie van Europese merken en de kwaliteit van Europese diensten, de sterke exportpositie die Europese fabrikanten hebben weten op te bouwen en hun opmerkelijke aanwezigheid op markten met een hoog groeipotentieel;

1.   is ingenomen met het eindrapport van de CARS21-groep op hoog niveau en de mededeling van de Commissie, waarin de richting van het toekomstige beleid inzake de automobielindustrie wordt aangegeven;

2.   spreekt de hoop uit dat de parlementen van de lidstaten en hun regionale parlementen zich zullen willen aansluiten bij de uitkomst van het CARS 21-proces; stelt zich op het standpunt dat een door het Parlement gecoördineerd interparlementair netwerk voor de bestudering van kwesties betreffende de automobielindustrie reële voordelen zou opleveren in termen van verkeersveiligheid, milieubescherming, innovatie en concurrentievermogen;

Voltooiing van de interne markt voor auto's

3.   roept de overheden van de lidstaten ertoe op nauw met de Commissie samen te werken bij de tenuitvoerlegging van de CARS 21-aanbevelingen; vestigt met name de aandacht op de noodzaak ervoor te zorgen dat nieuwe regelgeving die de automobielsector aangaat op een gecoördineerde manier wordt ingevoerd en dat verstoringen van de interne markt daarbij worden vermeden;

4.   onderstreept de noodzaak het EU-typegoedkeuringssysteem voor alle motorvoertuigen verder te verbeteren;

5.   spreekt opnieuw zijn steun uit voor een doeltreffende typegoedkeuringsprocedure, zoals aangegeven in zijn standpunt vastgesteld in tweede lezing op 10 mei 2007 met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd(1) ;

6.   roept de Commissie ertoe op het Parlement jaarlijks verslag uit te brengen over het functioneren van typegoedkeuringsprocedures en over het daarop in het kader van de comitologie uitgevoerde toezicht;

7.   verzoekt de Commissie toe te zien op een adequate uitvoering van Verordening (EG) nr. 1400/2002 van 31 juli 2002(2) (de zgn. groepsvrijstellingsverordening) betreffende de distributie van motorvoertuigen in de EU; is voorts van mening dat wanneer die verordening wordt herzien, het directoraat-generaal Mededinging van de Commissie zichzelf dient te beschouwen als een onderdeel van de geïntegreerde wetgevingsstrategie voor deze sector;

8.   stelt voor de herziening van de groepsvrijstellingsverordening met het oog op de versterking van het concurrentievermogen van de automobielsector van de EU te koppelen aan de tussentijdse herziening van CARS 21, om aldus de samenwerking tussen exploitanten in de sector te vergemakkelijken, onrechtmatig gebruik van overheidssteun te voorkomen en het internationaal gevoerde concurrentiebeleid te ondersteunen;

9.   roept de Commissie op maatregelen voor te stellen voor een registratieprocedure die de grensoverschrijdende verkoop van met name tweedehandsauto's vergemakkelijkt; steunt de standpunten van de Commissie inzake de procedures voor de registratie van motorvoertuigen(3) en de problemen die bepaalde nationale regels opleveren voor de werking van de interne markt; wijst op de invloed van deze nationale regels op economische sectoren zoals leasing en verhuur van voertuigen; roept de lidstaten ertoe op in hun regelgeving zo snel mogelijk de nodige aanpassingen aan te brengen;

Een concurrentiebestendige after-salesmarkt

10.   vestigt in het bijzonder de aandacht op de onlangs aangenomen wetgevingsbepalingen inzake after-marketonderdelen, die van invloed zijn op veiligheid en milieuprestaties, en merkt op dat deze bepalingen één markt voor dergelijke onderdelen zal doen ontstaan;

11.   neemt er met voldoening kennis van dat in Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie(4) en in Verordening (EG) nr. 1400/2002 bepalingen zijn opgenomen die onbeperkte toegang voorschrijven tot adequate technische informatie betreffende voertuigreparaties, en dringt er bij de Commissie op aan haar inspanningen voort te zetten om de bepalingen van het mededingingsrecht dat voor de automobielsector van toepassing is in de gehele Gemeenschap te handhaven;

12.   roept de Commissie ertoe op effectieve concurrentie in de after-salesmarkt van de automobielsector te blijven bevorderen door in haar toekomstige beleid ten aanzien van de automobielsector en in alle wetgeving die voortbouwt op Verordening (EG) nr. 1400/2002 - die op 31 mei 2010 afloopt - de keuzevrijheid van de consument en effectieve toegang voor onafhankelijke marktdeelnemers tot technische informatie, opleiding, reserveonderdelen, voor meerdere merken bruikbare diagnostische instrumenten en testapparatuur als uitgangspunt te hanteren;

13.   wijst op het belang voor de consument van informatie inzake betrouwbaarheid in het gebruik en duurzaamheid, die verkregen wordt via brede consumentenenquêtes; merkt op dat de overheid het voeren van dergelijke enquêtes zou kunnen vergemakkelijken door de registratie-instanties toe te staan contactgegevens te verstrekken van voertuigeigenaren die bereid zijn daaraan mee te werken;

14.   dringt er bij de Commissie op aan het beginsel van de "vrije repareerbaarheid" van voertuigen in alle nieuwe wetgevingsinitiatieven als richtsnoer te hanteren en alle relevante directoraten-generaal daarbij te betrekken, zodat de keuzevrijheid voor de consument en de concurrentie op de after-salesmarkt kunnen worden gegarandeerd; is van mening dat dit ook van toepassing zou moeten zijn op toekomstige maatregelen ter bevordering van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën voor voertuigen en van intelligente vervoerssystemen;

15.   dringt er bij de Commissie op aan met voorstellen te komen voor het creëren van een interne markt voor klantspecifieke en voor tuningdoeleinden bestemde onderdelen, zoals speciale banden, velgen en andere tuner- en reserveonderdelen, aangezien de bestaande diversiteit aan nationale regels een belemmering vormt voor de verdere ontwikkeling van deze sector, die dan ook gebaat zou zijn bij wetgevingsharmonisatie op EU-niveau en adequate bescherming van intellectuele eigendom;

16.   roept de Commissie ertoe op de strijd tegen de import van nagemaakte auto-onderdelen op te voeren;

Betere wetgeving en internationalisering van de regelgeving

17.   wijst er met nadruk op dat overbodige bureaucratische rompslomp, die o.a. het gevolg is van elkaar overlappende regelingen welke voortvloeien uit internationale verdragen, moet worden teruggedrongen;

18.   onderstreept de cruciale rol die de beginselen inzake betere regelgeving (bijvoorbeeld een adequate effectbeoordeling, toepassing van het kosteneffectiviteitsbeginsel, goed op elkaar afgestemde leveringstermijnen, enz.) vervullen bij het scheppen van een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie, zoals dat wordt ondersteund door het CARS 21-proces; wijst erop dat de routekaart voor regelgeving een integraal bestanddeel vormt van het uiteindelijke CARS 21-rapport en derhalve dient te worden gerespecteerd;

19.   erkent dat beter geconcipieerde, transparante voorschriften die aansluiten bij de bestaande maatschappelijke en ecologische behoeften en zonder uitzondering worden toegepast en ingebed in het internationale regelgevingskader voor de automobielindustrie, kunnen bijdragen aan een beter concurrentievermogen en billijker mededingingsvoorwaarden in deze bedrijfstak;

20.   is van mening dat strategische normalisatie een essentiële aanjager is van concurrentie; verzoekt de Commissie derhalve aan te sturen op Europese normen die overal ter wereld worden erkend;

21.   is verheugd over het voornemen van de Commissie om 38 communautaire richtlijnen te vervangen door bestaande VN/ECE-reglementen en de mogelijkheid te introduceren om automatisch of virtueel testen mogelijk te maken, en verzoekt de Commissie het proces van vereenvoudiging in de wetgeving voort te zetten; wijst er met nadruk op dat het deze voorstellen alleen wil steunen op de nadrukkelijke voorwaarde dat het Parlement zich het recht voorbehoudt aan te sturen op regelgeving die losstaat van het VN/ECE-stelsel wanneer dat naar zijn oordeel noodzakelijk is om aan de EU-verplichtingen te voldoen;

22.   verwelkomt het voorstel van de Commissie om het Parlement jaarlijks verslag uit te brengen over de voortgang die op het niveau van de VN/ECE en in het kader van de comitologie is geboekt;

23.   staat positief tegenover de wens van de Commissie om een mechanisme voor herziening en evaluatie in het leven te roepen, gezien het technologie- en ontwikkelingsintensieve karakter van de automobielindustrie; is echter ook van mening dat er in de wetgeving meer gebruik zou moeten worden gemaakt van zgn. 'horizonbepalingen' om te voorkomen dat de wetgeving de technologische vorderingen die voortdurend plaatsvinden als gevolg van onderzoek en ontwikkeling (O & O) en van de marktwerking zou belemmeren of tegenwerken;

24.   roept de Commissie ertoe op zo spoedig een begin te maken met de vereenvoudiging van de Richtlijnen 74/297/EEG(5) , 76/115/EEG(6) en 78/932/EEG(7) , alsook van VN/ECE-reglement nr. 122;

Vaststelling van milieunormen voor de 21 e eeuw

25.   merkt op dat door de communautaire wetgeving een markt wordt gereguleerd waarin per jaar 17 à 18 miljoen voertuigen worden verkocht, hetgeen overeenkomt met de automobielmarkt in de Verenigde Staten; verwacht dat de toepassing van een ambitieus uitstootreductiebeleid over de hele wereld een positief effect zal hebben in termen van door de vervoerssector geproduceerde emissies;

26.   is van mening dat individuele mobiliteit en de automobielsector moeten worden beschouwd in een bredere context van duurzame mobiliteit; is voorts van mening dat mobiliteit en milieubescherming elkaar niet noodzakelijkerwijs uitsluiten en dat de autotechnologie van de toekomst deze met elkaar zal moeten helpen verzoenen; is namelijk van oordeel dat de problematiek van de klimaatverandering ook mogelijkheden biedt voor technologische vooruitgang en innovatie;

27.   geeft zich rekenschap van het belang van voertuigen voor de mobiliteit van ouderen, in het bijzonder op het platteland, alsook voor die van gehandicapten;

28.   roept de Commissie ertoe op de voorwaarden te scheppen die nodig zijn voor een uit milieuoogpunt duurzaam wegvervoer dat de flexibiliteit van de productiesystemen ten goede komt en waardoor het kwalificatieniveau van de beroepsbevolking in de EU wordt verhoogd;

29.   is van mening dat de invoering van normen inzake de uitstoot van verontreinigende stoffen zeer succesvol is gebleken en al heeft geresulteerd in de bouw van bijzonder schone personenauto's; onderstreept dat het van groot belang is dat dit succes bij zware bedrijfsvoertuigen wordt geëvenaard; is van mening dat de voordelen van een strenge milieuwetgeving op EU-niveau voor de automobielsector zich tot ver buiten de EU-markt zouden uitstrekken;

30.   is ingenomen met de snelle invoering van de Euro 5- en Euro 6-normen voor beperking van de uitstoot van verontreinigende stoffen door personenauto's;

31.   is van mening dat verbetering van de luchtkwaliteit, afgezien van de introductie van minder vervuilende voertuigen, alleen kan worden verkregen door het wagenpark sneller te vervangen; is voorts van mening dat er financiële maatregelen dienen te worden genomen om de consumenten ertoe aan te sporen hun oude auto's door minder vervuilende voertuigen te vervangen;

32.   verwelkomt in dit verband het voorstel om Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende brandstofkwaliteit en dieselbrandstoffen(8) (richtlijn brandstofkwaliteit) in dier voege te herzien dat ook rekening wordt gehouden met de uitstoot van tijdens de levenscyclus van brandstoffen voor het wegvervoer geproduceerde broeikasgassen;

33.   roept de Commissie er in het kader van de communautaire wetgeving toe op een begin te maken met de herevaluatie en herziening van emissietestprocedures, zodat deze een betere afspiegeling vormen van de reële gebruiksvoorwaarden, zonder dat een en ander afbreuk mag doen aan de thans gevoerde discussie omtrent de CO2-uitstoot van auto's;

34.   is zeer bezorgd over het feit dat Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken(9) niet op een uniforme manier wordt toegepast; beschouwt deze richtlijn als onvoldoende ambitieus;

De CO 2 -uitstoot fors verminderen

35.   is verheugd over de plannen van de Commissie om de uitstoot van CO2 van personenauto's te verminderen; is van mening dat een geïntegreerde aanpak, waarbij alle mogelijkheden om de CO2-uitstoot te verminderen in aanmerking worden genomen, waaronder infrastructuur, rijgedrag, de invoering van een systeem van stimuleringsmaatregelen voor het gebruik van schonere voertuigen, biobrandstoffen en voertuigtechnologie, hiervoor het meest geschikt is; spoort de Commissie ertoe aan zich te beraden over de ontwikkeling van een gemeenschappelijke kaderrichtlijn voor de gecoördineerde toepassing van technologisch neutrale en waar mogelijk geharmoniseerde en aan CO2 gerelateerde fiscale prikkels die reële mogelijkheden bieden om de CO2-uitstoot terug te dringen zonder dat dit tot concurrentieverstoringen leidt; dringt er bij de Raad op aan tot overeenstemming te komen inzake het voorstel van de Commissie om de belasting op personenauto's te koppelen aan de uitstoot van verontreinigende stoffen zoals CO2, om zo een verdere fragmentering van de interne markt als gevolg van de uiteenlopende toepassing van de regelgeving door de lidstaten te voorkomen;

36.   dringt er bij de Commissie op aan ambitieuze, maar realistische doelstellingen te formuleren, daarbij rekening houdend met de reële situatie op de EU-markt, waar het vernieuwingstempo van het wagenpark momenteel onder de 10% per jaar ligt; wijst derhalve met nadruk op het feit dat de betaalbaarheid van nieuwe auto's een essentiële rol vervult bij het verwezenlijken van de communautaire doelstelling; benadrukt tevens dat, hoe ambitieuzer de verplichte doelstellingen voor de uitstoot van CO2 zijn, des te meer tijd de automobielindustrie dient te krijgen om zich aan te passen;

37.   herinnert de Commissie eraan dat de ontwikkeling van nieuwe types personenauto's tussen de 5 en 7 jaar vergt; is daarom van mening dat het vastleggen van bindende doelstellingen de automobielindustrie in principe voldoende tijd zou moeten bieden om zich daarnaar in te richten; verzoekt de Commissie derhalve geen definitieve bindende doelstellingen voor CO2-emissies vast te stellen die vóór 2015 van kracht worden;

38.   is van mening dat een gemiddelde CO2-doelstelling van 125 g/km voor nieuwe personenauto's tegen 2015 haalbaar zou moeten zijn; benadrukt dat de Commissie ambitieuzere langetermijndoelstellingen voor beperking van de CO2-uitstoot in de automobielsector zou moeten nastreven; acht het daarbij van cruciaal belang dat de streefwaarden zouden moeten worden gedifferentieerd naargelang van het gewicht van de desbetreffende voertuigen;

39.   neemt kennis van het plan van de Commissie om voor agrobrandstoffen een bindende doelstelling vast te leggen en dringt er bij de Commissie op aan een bindend, allesomvattend certificatiesysteem te ontwikkelen voor de agrobrandstoffen die op de EU-markt worden aangeboden; is van mening dat de certificatiecriteria zodanig moeten worden opgesteld dat de uitstoot van broeikasgas gedurende de gehele levenscyclus ten opzichte van conventionele brandstoffen met minimaal 50% moet worden verminderd, naast de milieu- en sociale criteria;

40.   merkt op dat, om een intensiever gebruik van biobrandstoffen en waterstof ter optimalisering van de milieuprestaties te kunnen realiseren, het van essentieel belang is op plaatselijk niveau de nodige netwerken te creëren om de bevoorrading van de bevolking veilig te stellen;

41.   stelt zich op het standpunt dat de maatregelen ter beperking van de CO2-uitstoot meer moeten worden toegespitst op het bijbrengen van meer besef aan automobilisten omtrent zuinig rijgedrag en het optimaal gebruiken van nieuwe technologieën;

42.   is van mening dat het kweken van meer begrip bij de consument door het verschaffen van duidelijker etikettering omtrent brandstofrendement en betere gegevens omtrent de uitstoot van verontreinigende stoffen ertoe zal bijdragen CO2-reducties te realiseren; dringt er derhalve op aan dat Richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's(10) in dier voege wordt herzien dat rekening wordt gehouden met de beste praktijken die op dit moment verwezenlijkt zijn;

43.   wijst er nogmaals op dat een vermindering van de CO2-uitstoot door personenauto's het makkelijkst kan worden bereikt door herstructurering van de openbaarvervoerssystemen;

44.   erkent de voortrekkersrol die de Internationale Automobielfederatie (FIA) vervult bij de introductie van innovatieve veranderingen op het gebied van milieutechnologie die kunnen leiden tot vermindering van de CO2-uitstoot en daarmee gepaard gaande energie-efficientie voor alle nieuwe auto's;

45.   dringt er bij de FIA op aan zich nog meer in te zetten voor bevordering van innovatief onderzoek op het gebied van wegvervoer, dat onder andere gericht moet zijn op verbetering van het energie-efficiëntie van auto's;

46.   onderkent de rol die de autosport kan vervullen bij het veranderen van de houding en het gedrag van consumenten ten aanzien van milieuvriendelijke technologie; verzoekt de FIA en andere spelers die bij het Formule-1-racegebeuren zijn betrokken derhalve hun regels dienovereenkomstig aan te passen, opdat milieuvriendelijke technologieën zoals biobrandstoffen, viercilindermotoren of hybride motoren gemakkelijker kunnen worden toegepast;

47.   dringt aan op het opzetten van een studie om de aanvullende niet-technische maatregelen in kaart te brengen die zijn toegepast om de CO2-uitstoot in de EU te verminderen;

Het wegvervoer nog veiliger maken

48.   verheugt zich over de inspanningen van de Commissie om het aantal slachtoffers bij verkeersongevallen terug te dringen, onder andere door de invoering van essentiële nieuwe technologieën; dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat de in te voeren voorschriften met betrekking tot veiligheidsinrichtingen in voertuigen worden toegepast conform de beginselen van betere regelgeving waarover de groep op hoog niveau CARS 21 overeenstemming heeft bereikt; wijst met nadruk op de noodzaak van een geïntegreerde aanpak die verbeteringen in de voertuigtechnologie omvat, alsook maatregelen op het gebied van infrastructuur en opleiding, voorlichting en wetshandhaving, ten einde op een kosteneffectieve manier de veiligheidsdoelstellingen voor het wegverkeer te bereiken;

49.   erkent de katalyserende rol die wordt vervuld door de markt voor topmodellen, waar nieuwe technologieën over het algemeen voor het eerst worden geïntroduceerd; wijst er echter op dat bijkomende veiligheidssystemen het gewicht van personenauto's verder kunnen doen toenemen, hetgeen weer leidt tot hogere CO2-emissies;

50.   uit zijn bezorgdheid over het negatieve effect dat voertuigen bij hogere snelheden op de verkeersveiligheid kunnen hebben; pleit in dit verband voor toepassing van de aanbevelingen die worden gedaan in de in 2007 door het Internationaal Comité voor de keuring van motorvoertuigen (CITA) gepubliceerde studie naar de toekomstige opties voor het toezicht op de geschiktheid voor het wegverkeer van motorvoertuigen; pleit voor ondersteuning van een campagne voor "veilige tuning" en voor maatregelen om zo snel mogelijk over te gaan tot het geleidelijk als standaarduitrusting introduceren van elektronische stabiliteitscontrolesystemen (ESC);

51.   roept de Commissie ertoe op het verkeersveiligheidssysteem te verbeteren door de lidstaten te verplichten de opleidingseisen voor leerling-bestuurders aan te scherpen, op grotere schaal verplichte scholing in te voeren en regels te introduceren voor de periodieke bijscholing van beroepschauffeurs;

52.   roept de Commissie er voorts toe op uitvoering te geven aan de voor 2007-2009 aangekondigde evaluatie van de voorwaarden die moeten worden vervuld om te bewerkstelligen dat de maatregelen ter beperking van het aantal verkeersslachtoffers daadwerkelijk effect sorteren;

53.   verzoekt de Commissie een systeem te ontwikkelen waarbij het autofabrikanten wordt toegestaan om zonder zich aan sancties bloot te stellen auto's te produceren die meer CO2 uitstoten indien deze extra uitstoot het gevolg is van op EU-niveau getroffen wettelijk bindende veiligheidsmaatregelen;

54.   is niet van mening dat het voeren van licht overdag in de gehele EU verplicht dient te worden gesteld;

55.   dringt er bij de Commissie op aan prioriteit toe te kennen aan het verbeteren van de regeling voor grensoverschrijdende voertuiginspecties en voor de grensoverschrijdende inning van boetes die zijn opgelegd wegens verkeersovertredingen in een andere lidstaat;

Eerlijker handelsrelaties in automobielindustrie

56.   stelt zich op het standpunt dat de automobielsector in de EU een van de meest concurrerende industrieën ter wereld is; is echter van mening dat oneerlijke concurrentie en het niet respecteren van intellectuele-eigendomsrechten een bedreiging vormen voor deze positie;

57.   onderstreept het belang van de WTO voor de automobielindustrie in een steeds mondialer wordende handelsomgeving; acht het van zeer groot belang dat de thans in het kader van de Doha-ontwikkelingsronde gevoerde onderhandelingen ertoe leiden dat de markten in derde landen - en met name in potentieel omvangrijke markten in opkomende derde landen - zo toegankelijk mogelijk worden;

58.   onderstreept het belang van de geschillenbeslechtingprocedure van de WTO voor het oplossen van problemen die verband houden met de export naar derde landen; herinnert aan de positieve resultaten die zijn behaald bij de geschillen welke aan de WTO zijn voorgelegd met betrekking tot Canada, India en Indonesië;

59.   roept de Commissie op tot voorzichtigheid bij haar pogingen om te komen tot een principiële herziening van de gehanteerde handelsbeschermingsinstrumenten; wijst er in dat verband op dat de automobielindustrie het slachtoffer kan worden van concurrentieverstorende praktijken van derde landen en roept de Commissie er derhalve toe op bij de bescherming van de EU-industrie tegen oneerlijke praktijken vast te houden aan de filosofie die aan de handelsbeschermingsinstrumenten ten grondslag ligt;

60.   wijst er eens te meer op dat het succesvol afronden van multilaterale handelsbesprekingen voor de EU een prioriteit dient te blijven; steunt de Commissie niettemin in haar voornemen om vooral in Azië nieuwe bilaterale handelsovereenkomsten te sluiten teneinde betere voorwaarden voor markttoegang te verkrijgen; onderstreept dat vrijhandelsovereenkomsten er altijd op gericht moeten zijn zich te verzekeren van een hoog niveau van toegang tot de markt van het partnerland; dringt erop aan dat het EU-beleid de concurrentiepositie dient te handhaven van automobielfabrikanten uit de EU die zowel in de EU als in landen buiten de EU opereren; is ervan overtuigd dat het sluiten van bilaterale overeenkomsten tussen de EU en de ASEAN, India en de Mercosur voor de automobielindustrie van groot belang is;

61.   dringt er bij de Commissie op aan in het kader van de thans lopende onderhandelingen tussen de EU en Korea voor een vrijhandelsovereenkomst te bedingen dat Korea alle bestaande tarifaire en non-tarifaire belemmeringen moet opheffen en geen nieuwe in het leven mag roepen, en dat het zich meer aan de VN/ECE-reglementen moet houden; verlangt van de Commissie dat zij zich beraadt over een strategie die resulteert in de geleidelijke afschaffing - met waarborgen - van de invoertarieven van de EU, en pleit er derhalve voor deze geleidelijke afschaffing gepaard te laten gaan met de opheffing van non-tarifaire belemmeringen van Koreaanse zijde;

62.   wijst er eens te meer op dat Korea de VN/ECE-Overeenkomst van 1958 heeft getekend en geratificeerd, en dat het zich derhalve heeft verplicht tot naleving van VN/ECE-voorschriften; dringt er bij de Commissie op aan dit aspect bij toekomstige onderhandelingen te blijven benadrukken en op de snelle uitvoering daarvan te blijven aandringen; merkt op dat in iedere eventueel te sluiten vrijhandelsovereenkomst hoe dan ook duidelijk moet worden vastgelegd dat Korea de invoer op de Koreaanse markt van auto's uit de EU die aan de VN/ECE-normen voldoen moet toestaan;

63.   roept de Commissie ertoe op na te gaan in hoeverre de mogelijkheid bestaat tot het opzetten van een werkgroep voor auto's en tot het invoeren van een speciale versnelde geschillenbeslechtingsprocedure voor automobielgerelateerde maatregelen, zoals die welke werd opgenomen in de vrijhandelsovereenkomst tussen de VS en Korea;

64.   onderstreept het belang van een nauw partnerschap met China bij de ontwikkeling van een regelgevingskader voor eerlijke concurrentieverhoudingen; stelt zich op het standpunt dat effectieve bescherming van intellectuele-eigendomsrechten een conditio sine qua non is voor een dergelijk partnerschap;

65.   is ingenomen met het verzoek van de Commissie tot instelling van een WTO-panel voor het oplossen van nog uitstaande kwesties met betrekking tot de door China toegepaste regeling voor geïmporteerde onderdelen van motorvoertuigen, die volgens de Commissie in strijd is met diverse bepalingen van verschillende WTO-overeenkomsten;

66.   steunt de stappen die de Commissie heeft ondernomen in zaken die verband houden met de in China geldende regelgeving en die ten doel hebben Europese bedrijven welke op die markt opereren billijke regelgevingsvoorwaarden en rechtszekerheid te bieden;

67.   wijst erop dat de communautaire bandenindustrie een belangrijke bijdrage levert aan het succes van de Europese automobielsector; dringt er derhalve bij de Commissie op aan een grondig onderzoek in te stellen naar de onverantwoorde technische handelsbelemmeringen in de vorm van bijvoorbeeld lokale technische voorschriften waarmee de bandenindustrie in een aantal belangrijke opkomende Aziatische markten zou worden geconfronteerd;

O & O in de automobielsector

68.   beschouwt de resultaten die met behulp van O & O-financiering en -samenwerking in het kader van programma's zoals het zevende kaderprogramma voor activiteiten inzake onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie en i2010 zijn behaald als zeer bemoedigend; spoort de Commissie ertoe aan de werkprogramma's meer specifiek te richten op de behoeften van de automobielsector die zullen ontstaan als gevolg van nieuwe wetgeving of van bindende doelstellingen die nog in het verschiet liggen;

69.   roept de Commissie ertoe op vóór 2012 een strategie te ontwikkelen om de O&O-uitgaven voor de automobielindustrie fors te verhogen, en daarbij speciaal aandacht te besteden aan toeleveringsbedrijven;

70.   dringt er bij de lidstaten op aan iedere eventuele verhoging van de O&O-uitgaven voor de automobielsector afhankelijk te stellen van het bindende karakter van de CO2-emissiedoelstellingen;

71.   onderstreept daarnaast ook de noodzaak van een omslag in het autogebruik in steden; is van mening dat naast zuiniger auto's ook de invoering van elektrische stadsauto's van wezenlijk belang is; dringt daarom aan op steun voor onderzoek naar en ontwikkeling van de technologieën die daarvoor noodzakelijk zijn;

72.   roept alle lidstaten en EU-instellingen ertoe op de nodige steun te verlenen voor het onderzoek naar en de ontwikkeling van baanbrekende technologieën zoals waterstofmotoren, brandstofcellen of hybride voertuigen;

73.   wijst met nadruk op het potentieel van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) om schadelijke milieu- en gezondheidseffecten, ongevallen en energieverspilling te helpen voorkomen wanneer deze EU-breed worden ingezet in een netwerk van intelligente verkeersgeleidingssystemen die ten doel hebben een vlotte doorstroming van het verkeer te bewerkstelligen; is van mening dat voor de in te zetten communicatieapparatuur een EU-norm moet worden vastgesteld om in alle lidstaten effectieve communicatie tussen voertuigen en infrastructuur mogelijk te maken;

74.   is van mening dat initiatieven zoals "De intelligente auto"(11) , Galileo en andere instrumenten die bijdragen aan een intelligent vervoerssysteem uiterst belangrijk zijn; roept de Commissie er derhalve toe op deze ontwikkelingen energiek te ondersteunen;

75.   spreekt zijn krachtige steun uit voor voortzetting van het onderzoek naar en de ontwikkeling van op ICT gebaseerde innovaties; is van mening dat er in het kader van het initiatief "De intelligente auto" nieuwe technologische ontwikkelingen op gang kunnen worden gebracht om een bijdrage te leveren aan de rationalisering van de verkeersstromen, zodat het bestuurders gemakkelijker wordt gemaakt de juiste beslissing te nemen en de kortste weg naar hun bestemming te kiezen, waardoor ook het verkeer energievriendelijker wordt; roept alle belanghebbenden, en met name de lidstaten, ertoe op de nodige maatregelen te treffen voor de implementatie van eCall;

76.   76 beschouwt de werkzaamheden die worden verricht in het kader van intelligente vervoerssystemen als een belangrijke factor voor een succesvolle automobielindustrie en om de milieueffecten die door deze bedrijfstak worden teweeggebracht te beperken; is van mening dat Galileo hierbij als een voorbeeld moet worden aangehaald en dat het vinden van een oplossing voor de financiering van Galileo via een consortium waarbij belangstellende deelnemers zich verplichten tot de verdere ontwikkeling van het project, prioriteit moet krijgen;

77.   is van mening dat één van de eerste door het Europees Instituut voor Innovatie en Technologie op te zetten kennis- en innovatiegemeenschappen zich moet richten op het verlagen van de CO2-uitstoot in de voertuigtechnologie;

Herstructureringsmaatregelen en toekomstperspectieven

78.   acht het noodzakelijk de algemene voorwaarden te scheppen om de duurzaamheid van de automobielindustrie in de EU te waarborgen en haar in staat stellen om met steun van een hooggekwalificeerde beroepsbevolking bij vernieuwingen in de sfeer van technologie, milieu en samenleving haar leidende positie te behouden;

79.   beseft dat zowel producenten als toeleveringsbedrijven in de automobielindustrie van de EU beschikken over goed geschoolde werknemers, een factor die een belangrijke rol heeft gespeeld bij het bereiken van het hoge prestatieniveau dat de automobielindustrie in de EU bereikt;

80.   wijst op het belang van de automobielindustrie voor werkgelegenheid, groei, innovatie en concurrentievermogen; is van mening dat de automobielindustrie weliswaar substantiële veranderingen zal moeten ondergaan, maar dat er ook beleidsaanpassingen nodig zijn om te waarborgen dat de communautaire regelgeving niet leidt tot verlies van banen;

81.   stelt zich op het standpunt dat de communautaire wetgeving op het gebied van milieu, verkeersveiligheid en energie-efficiëntie tot gevolg heeft dat werknemers op een zodanige wijze moeten worden geschoold en opgeleid dat zij zich beter aan de veranderingen in de sfeer van techniek en regelgeving kunnen aanpassen en hun arbeidsvooruitzichten kunnen handhaven of verbeteren;

82.   dringt er bij de Commissie op aan ten behoeve van de automobielindustrie een coördinerende rol te vervullen met het oog op een efficiënt gebruik van de structuurfondsen en van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering;

83.   dringt erop aan dat er geen Gemeenschapssteun meer wordt verleend aan bedrijven die op lidstaatniveau steun hebben ontvangen en vervolgens hun productieactiviteiten naar een ander land verplaatsen zonder volledig te hebben voldaan aan de overeenkomsten die ze met de betrokken lidstaat zijn aangegaan;

84.   onderstreept dat de EU en de lidstaten hun aandacht met betrekking tot toekomstige herstructureringsprocessen ook moeten richten op manieren om het herstructureringsproces te ondersteunen en de effecten daarvan te dempen, en om de werknemers nieuwe mogelijkheden te bieden;

85.   is van oordeel dat de instrumenten en mechanismen voor voorlichting en raadpleging waarover de werknemers beschikken, door de noodzakelijke herziening van Richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers(12) moeten worden versterkt;

86.   is van mening dat op Europees niveau de werknemers meer moeten worden geraadpleegd en hun recht op informatie beter moet worden gewaarborgd, zodat zij in een eerder stadium bij de besluitvorming kunnen worden betrokken en zo de negatieve effecten van herstructurering ten dele kunnen opvangen; wijst derhalve op het belang van het voorstel betreffende het forum inzake herstructurering waarnaar in de bovengenoemde mededeling van de Commissie betreffende het verslag CARS 21 wordt verwezen;

87.   roept de sociale partners ertoe op adequate voorzieningen te treffen voor mensen die door de herstructurering van hun bedrijfstak worden bedreigd;

88.   verlangt dat werknemers beter worden geïnformeerd en geraadpleegd gedurende het proces van aanpassing van de industrie aan de nieuwe uitdagingen die het ontwerp en de productie van milieuvriendelijkere voertuigen met zich meebrengen;

89.   wijst op de noodzaak tot herziening van de thans bestaande relatie tussen fabrikanten en autodealers, die uit een oogpunt van concurrentievermogen in de communautaire automobielsector voor veel KMO's bijzonder negatieve consequenties heeft; is daarom van mening dat een stabielere samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling en bij de uitstippeling van bedrijfsstrategieën dient te worden bevorderd; dringt er derhalve bij de Commissie en de lidstaten op aan de nodige beleidsmaatregelen of voorzieningen te treffen om deze relatie te stabiliseren en de daaraan verbonden problemen te overwinnen;

90.   wijst op het belang van een systematischer gebruik van de middelen van de Europese Investeringsbank om KMO's in de automobielsector te steunen en ze te helpen toegang te verkrijgen tot risicokapitaal;

o
o   o

91.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0176 .
(2) PB L 203 van 1.8.2002, blz. 30.
(3) Interpretatieve mededeling van de Commissie over de procedures voor de registratie van uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuigen (PB C 68 van 24.3.2007, blz. 15).
(4) PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.
(5) Richtlijn 74/297/EEG van de Raad van 4 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (gedrag van de stuurinrichting bij botsingen) (PB L 165 van 20.6.1974, blz. 16).
(6) Richtlijn 76/115/EEG van de Raad van 18december 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende bevestigingspunten voor veiligheidsgordels van motorvoertuigen (PB L 24 van 30.1.1976, blz. 6).
(7) Richtlijn 78/932/EEG van de Raad van 16 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende hoofdsteunen van zitplaatsen van motorvoertuigen (PB L 325 van 20.11.1978, blz. 1).
(8) PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58.
(9) PB L 269 van 21.10.2000, blz. 34.
(10) PB L 12 van 18.1.2000, blz. 16.
(11) COM(2006)0059 .
(12) PB L 254 van 30.9.1994, blz. 64.


Fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties
PDF 95k   DOC 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2008 over de fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties (2007/2144(INI) )
P6_TA(2008)0008 A6-0481/2007

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie over de fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties (COM(2006)0824 ),

–   gezien de mededeling van de Commissie over de bijdrage van het belasting- en douanebeleid aan de Lissabon-strategie (COM(2005)0532 ),

–   gelet op de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Hof van Justitie), met name de zaken C-250/95 (Futura Participations SA en Singer tegen Administration des contributions)(1) , C-141/99 (AMID tegen Belgische Staat)(2) , gevoegde zaken C-397/98 en C-410/98 (Metallgesellschaft Ltd. en anderen tegen Commissioners of Inland Revenue en HM Attorney General)(3) , C-446/03 (Marks & Spencer plc/David Halsey (HM Inspector of Taxes))(4) en C-231/05 (Oy AA)(5) ,

–   gezien Richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers(6) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 december 2005 over het belastingstelsel voor ondernemingen in de Europese Unie: een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting(7) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het communautaire programma voor grotere groei en werkgelegenheid en voor een sterker concurrentievermogen van de Europese bedrijven - Vorderingen in 2006 en verdere stappen naar een voorstel voor een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) (COM(2007)0223 ),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2007 over de evaluatie van de interne markt: hinderpalen en inefficiëntie bestrijden met betere implementatie en handhaving(8) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A6-0481/2007 ),

A.   overwegende dat in de nationale belastingsstelsels van de lidstaten in toenemende mate rekening moet worden gehouden met de mondialisering van de economie en moet worden omgegaan met de regels en de werking van de interne markt, teneinde de doelstellingen van de Lissabon-strategie op het gebied van groei en concurrentievermogen te verwezenlijken,

B.   overwegende dat door de mondialisering van de economie de fiscale concurrentie zodanig is toegenomen dat de gemiddelde tarieven van de vennootschapsbelasting de afgelopen 30 jaar in de industrielanden drastisch zijn gedaald,

C.   overwegende dat die daling van de belastingtarieven sinds de laatste uitbreiding van de Europese Unie nog intensiever is geworden en dat er in de lidstaten een duidelijke tendens bestaat om specifieke belastingregelingen in te voeren waarmee bijzonder mobiele ondernemingen worden aangetrokken,

D.   overwegende dat het bestaan van 27 verschillende belastingstelsels in de Europese Unie een belemmering vormt voor de soepele werking van de interne markt, aanzienlijke extra kosten veroorzaakt voor de grensoverschrijdende handel en transacties in verband met administratie en naleving, bedrijfsherstructureringen in de weg staat en tot gevallen van dubbele belastingheffing leidt,

E.   overwegende dat een vermindering van de kosten voor naleving van regelgeving ten aanzien van de verschillen in de nationale wetgevingen op de vennootschapsbelasting, een transparante regelgeving, het afbreken van fiscale hindernissen die grensoverschrijdende activiteiten in de weg staan, en het creëren van een gelijk speelveld voor EU-ondernemingen die op de interne markt actief zijn, dankzij een dynamisch bedrijfsklimaat kunnen leiden tot economische voordelen voor de gehele EU,

F.   overwegende dat een passende belastingcoördinatie op EU-niveau, waarbij niet gestreefd wordt naar harmonisatie van de belastingtarieven, ertoe kan bijdragen dat concurrentievervalsingen worden voorkomen en voordelen kan opleveren, die op ruime schaal ten goede kunnen komen aan de ondernemingen, hun werknemers en de consumenten, de lidstaten en de burgers,

G.   overwegende dat het voor het halen van de doelstellingen van de strategie van Lissabon nodig is dat de lidstaten hun belastingbeleid in toenemende mate coördineren,

H.   overwegende dat de lidstaten traditioneel hun belastingsregimes hebben trachten te coördineren door middel van een uitgebreid netwerk van bilaterale belastingverdragen waarin vraagstukken als grensoverschrijdende verliesverrekening niet volledig worden geregeld; dat binnen de Europese Unie de bilaterale benadering minder efficiënt is en minder consistentie oplevert dan een multilaterale, gecoördineerde benadering; dat een gemeenschappelijke benadering door de EU van een geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting - zoals het CCCTB-voorstel - de meest geschikte oplossing voor de grensoverschrijdende compensatie van verliezen en winsten op de interne markt is en tot meer transparantie, investeringen en concurrentievermogen zal leiden,

I.   overwegende dat de lidstaten uiteenlopende regels hanteren inzake de toekenning van belastingfaciliteiten voor verliezen van filialen, dochterondernemingen en onderdelen van een ondernemingsgroep en zo ondernemingsbeslissingen en het investeringsbeleid op de interne markt verstoren, met alle gevolgen van dien op lange termijn voor hun adequate industriële strategie en belastinginkomsten,

J.   overwegende dat in vrijwel alle belastingstelsels in de Europese Unie winsten en verliezen asymmetrisch worden belast, d.w.z. de winsten worden belast voor het jaar waarin zij zijn verkregen, maar de fiscale waarde van een verlies wordt niet automatisch aan de onderneming vergoed op het moment waarop het verlies wordt geleden; overwegende dat in de recente jurisprudentie van het Hof van Justitie geen behoorlijke analyse wordt gemaakt van deze tijdfactor en het belang ervan bij toenemende grensoverschrijdende investeringen in de Europese Unie,

K.   overwegende dat de invoering van een grensoverschrijdende regeling inzake verliesverrekening erop zou neerkomen dat bepaalde lidstaten zonder juridische toezeggingen afzien van inkomsten uit de vennootschapsbelasting,

L.   overwegende dat de verliezen van binnenlandse filialen automatisch worden verrekend in het nettoresultaat van de moedermaatschappij, maar dat de situatie minder duidelijk ligt bij verliezen van buitenlandse filialen en van binnenlandse en buitenlandse onderdelen van een groep,

M.   overwegende dat het ontbreken van grensoverschrijdende verliesverrekening een beletsel vormt om op sommige markten actief te worden, hetgeen vestiging in grote lidstaten in de hand werkt waar de thuismarkt voldoende groot is om eventuele verliezen te helpen opvangen,

N.   overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) als gevolg van de beschreven situatie in het nadeel zijn, omdat zij door de onzekerheid over de verliesverrekening minder gemakkelijk grensoverschrijdende investeringen doen en vaak aanloopverliezen lijden,

1.   geeft uiting aan zijn diepe verontrusting over de negatieve gevolgen die de verschillen in behandeling van grensoverschrijdende verliezen door lidstaten hebben op de werking van de interne markt;

2.   merkt op dat elke maatregel die de vrijheid van vestiging belemmert, in strijd is met artikel 43 van het EG-Verdrag en dat er derhalve gericht moet worden optreden om deze belemmering weg te nemen; herinnert eraan dat uiteenlopende regimes voor de vennootschapsbelasting hindernissen opwerpen bij de toegang tot verschillende nationale markten en voor de goede werking van de interne markt, de concurrentie verstoren en de handhaving van een gelijk speelveld voor de ondernemingen op EU-vlak beletten en daarom in die zin aandacht verdienen;

3.   is van oordeel dat gerichte maatregelen op EU-niveau op het gebied van de fiscale aftrek van grensoverschrijdende verliezen grotere voordelen zouden kunnen hebben voor de werking van de interne markt;

4.   spreekt zijn steun uit voor de mededeling van de Commissie over fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties als belangrijke stap in de aanpak van de situatie, en dringt aan op een adequate coördinatie tussen de lidstaten ten aanzien van het tijdschema en de oplossingen;

5.   onderstreept dat de vaststelling en uitvoering van elke gerichte maatregel tot invoering van grensoverschrijdende verliesverrekening dient te berusten op een multilaterale, gemeenschappelijke benadering en gecoördineerd optreden van de lidstaten, teneinde een coherente ontwikkeling van de interne markt te waarborgen; herinnert eraan dat dergelijke gerichte maatregelen een tussenoplossing vormen in afwachting van de goedkeuring van de CCCTB; is van mening dat de CCCTB een omvattende langetermijnoplossing is voor fiscale hindernissen bij de grensoverschrijdende compensatie van verliezen en winsten, evenals voor interne verrekening ("transfer pricing") en grensoverschrijdende fusie-, overname- en herstructureringsoperaties en het sluitstuk zal vormen van een interne markt met eerlijke concurrentie;

6.   wijst erop dat sommige lidstaten diverse methoden hanteren ter voorkoming van dubbele belastingheffing, hetzij door in het buitenland afgedragen belastingen te crediteren (verrekeningsmethode), hetzij door buitenlandse inkomsten buiten de heffingsgrondslag te houden (vrijstellingsmethode); merkt op dat slechts enkele lidstaten die de vrijstellingsmethode toepassen, niet voorzien in de mogelijkheid van verrekening van de verliezen die door buitenlandse filialen zijn geleden;

7.   vestigt er de aandacht op dat, wanneer de door vaste inrichtingen geleden verliezen niet mogen worden verrekend met de winsten van het hoofdkantoor, de behandeling verschilt van die in een zuiver binnenlandse situatie , wat een aantasting vormt van de vrijheid van vestiging;

8.   beschouwt maatregelen ten gunste van ondernemingsgroepen die in meerdere lidstaten werkzaam zijn als prioritair, aangezien het juist deze groepen zijn die eronder te lijden hebben dat zij met betrekking tot grensoverschrijdende verliezen anders worden behandeld dan ondernemingsgroepen die in één lidstaat actief zijn;

9.   is van oordeel dat de verstoringen als gevolg van de verschillen tussen de nationale regimes vooral KMO's benadelen ten opzichte van potentiële concurrenten en verzoekt de Commissie derhalve om op dit gebied speciale maatregelen te treffen;

10.   herinnert eraan dat er maar weinig globale regelingen bestaan voor de grensoverschrijdende verliesverrekening tussen dochterondernemingen en moedermaatschappijen (groepen) en dat daarom binnen een ondernemingsgroep de verliezen niet automatisch op dezelfde wijze in aanmerking worden genomen als binnen een vennootschap;

11.   wijst erop dat de lidstaten in meerderheid voorzien in binnenlandse verliesverrekening voor groepen en deze daarmee in feite als één entiteit behandelen, maar dat slechts weinige dit in grensoverschrijdende situaties doen; herinnert eraan dat het ontbreken van grensoverschrijdende verliesverrekening voor groepen een verstorend effect kan hebben op investeringsbeslissingen zowel ten aanzien van de investeringslocatie als van de keuze van de rechtsvorm (filiaal of dochteronderneming);

12.   erkent dat het moeilijk is binnenlandse regimes eenvoudigweg uit te breiden tot grensoverschrijdende situaties, aangezien de heffingsgrondslagen verschillen;

13.   dringt aan op erkenning van het belang van grensoverschrijdende verliesverrekening, maar wijst erop dat er verdere gedetailleerde uitwerking nodig is met betrekking tot de regeling inzake grensoverschrijdende verliesverrekening; stelt voor dat er een besluit wordt genomen over de vraag of grensoverschrijdende verliesverrekening beperkt moet worden tot dochterondernemingen ten opzichte van het moederbedrijf of vice versa en dat er daarom een grondige beoordeling moet plaatsvinden van de budgettaire effecten van de regeling die de mogelijkheid biedt de verliezen van het moederbedrijf te compenseren met de winsten van de dochterondernemingen;

14.   is van mening dat het Hof van Justitie met zijn arrest in de zaak-Marks & Spencer het recht van de lidstaten eerbiedigt om hun belastingstelsels in stand te houden, met name uit bezorgdheid om belastingontwijking;

15.   merkt op dat uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak-Oy AA blijkt dat de diverse nationale belastingstelsels verschillen in de behandeling van verliezen en dat het dus onduidelijk is of de verliezen in alle grensoverschrijdende situaties binnen een groep kunnen worden geconsolideerd, zelfs als de verliezen definitief zijn en dus tot een scheve situatie leiden zoals aangegeven in de zaak-Marks & Spencer ;

16.   is van mening dat ondernemingsgroepen zoveel mogelijk op dezelfde wijze dienen te worden behandeld ongeacht of zij nu in verscheidene lidstaten dan wel in slechts één enkele lidstaat actief zijn; onderstreept dat in situaties waarin sprake is van grensoverschrijdende verliezen van buitenlandse dochterondernemingen, dubbele belasting van de moedermaatschappij moet worden vermeden, de heffingsbevoegdheid eerlijk tussen de lidstaten moet worden verdeeld, de verliezen niet tweemaal mogen worden verrekend en belastingontwijking moet worden voorkomen;

17.   is van mening dat het nuttig zou zijn een discussie te beginnen over de definitie en de kenmerken van ondernemingsgroepen in de Europese Unie, rekening houdend met het bestaan van gemeenschappelijke Europese instellingen als de "Europese vennootschap" en de "Europese coöperatieve vennootschap", zonder dat het evenwel de bedoeling is het toepassingsgebied van maatregelen op het gebied van grensoverschrijdende verliesverrekening alleen tot dergelijke instellingen te beperken;

18.   wijst opnieuw op het belang van het definiëren van het begrip "ondernemingsgroep", om te voorkomen dat ondernemingen winsten en verliezen opportunistisch tussen de lidstaten verdelen; is van mening dat het met het oog op het definiëren van een ondernemingsgroep nuttig zou kunnen zijn specifieke kenmerken binnen de onderneming aan te wijzen, zoals bepaald in Richtlijn 94/45/EG inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers;

19.   is verheugd over de drie opties die in de mededeling van de Commissie over de fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties worden voorgesteld; spreekt zijn steun uit voor gerichte maatregelen die een doeltreffende, onmiddellijke aftrek van de verliezen van buitenlandse dochterondernemingen mogelijk zouden maken (op jaarbasis en niet definitief, zoals in de zaak-Marks & Spencer ), die dan door een overeenkomstige extra belasting van de moedermaatschappij ongedaan wordt gemaakt wanneer de dochter weer winstgevend wordt;

20.   beveelt aan, teneinde deze voorstellen zodanig te kunnen uitvoeren dat belastingontduiking wordt voorkomen, om na te gaan of het opportuun is een systeem voor automatische informatie-uitwisseling op te zetten, te vergelijken met VIES voor de BTW, zodat de lidstaten de aangiften van dochterondernemingen in andere lidstaten inzake een negatieve heffingsgrondslag op hun waarheidsgehalte kunnen controleren;

21.   dringt er niettemin bij de Commissie op aan nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden om voor ondernemingen een geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting vast te stellen voor hun activiteiten in de gehele EU;

22.   merkt op dat het ook van groot belang is verder diepgaand te analyseren in hoeverre de voorgestelde regeling voor grensoverschrijdende verliesverrekening de grensoverschrijdende activiteiten van KMO's zou kunnen bevorderen;

23.   wijst erop dat een gerichte maatregel van een bepaalde lidstaat inzake de fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties op zichzelf geen oplossing zal bieden voor het probleem van concurrentieverstoring en hoge nalevingskosten voor op de interne markt opererende EU-ondernemingen, die een gevolg zijn van de handhaving van 27 verschillende belastingstelsels;

24.   onderstreept dat de lidstaten op een gecoördineerde manier te werk moeten gaan wanneer zij gerichte maatregelen nemen met het oog op grensoverschrijdende verliesverrekening binnen één onderneming of groep; herinnert eraan dat er behoefte is aan een sterkere coördinatie tussen de lidstaten op het gebíed van belastingaangelegenheden, en verzoekt de Commissie zich proactief op te stellen;

25.   steunt de inspanníngen van de Commissie met het oog op de invoering van een pan-Europese, uniforme CCCTB; merkt op dat de CCCTB zal leiden tot een grotere transparantie en efficiëntie, doordat ondernemingen in het buitenland en in eigen land volgens dezelfde voorschriften kunnen opereren, een gelijk speelveld wordt gecreëerd en het concurrentievermogen van EU-ondernemingen wordt versterkt, de grensoverschrijdende handel en investeringen worden uitgebreid, waarmee de voorwaarden worden geschapen om ten volle te profiteren van de interne markt op het punt van investeringen en groei, alsmede de administratieve lasten en nalevingskosten en de mogelijkheid van belastingontduiking en fraude aanzienlijk worden verminderd;

26.   herinnert eraan dat de CCCTB gemeenschappelijke regels voor de heffingsgrondslag inhoudt en op geen enkele wijze van invloed is op de vrijheid van de lidstaten om hun eigen belastingtarieven te blijven vaststellen;

27.   is verheugd over het voornemen van de Commissie om de CCCTB desnoods in het kader van de versterkte samenwerking in te voeren; wijst er evenwel op dat dit niet de optimale oplossing is, omdat bij ontstentenis van een alomvattend communautair stelsel de voordelen van transparantie en lagere administratieve lasten gedeeltelijk verloren kunnen gaan;

28.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Jurispr. 1997, blz. I-2471.
(2) Jurispr. 2000, blz. I-11619.
(3) Jurispr. 2001, blz. I-1727
(4) Jurispr. 2005, blz. I-10837.
(5) Arrest van 18 juli 2007.
(6) PB L 254 van 30.9.1994, blz. 64.
(7) PB C 286 E van 23.11.2006, blz. 229.
(8) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0367 .


Communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk
PDF 121k   DOC 88k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2008 over de communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk (2007/2146(INI) )
P6_TA(2008)0009 A6-0518/2007

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie "Verbetering van de arbeidskwaliteit en -productiviteit: communautaire strategie 2007 - 2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk" (COM(2007)0062 ) en de bijbehorende werkdocumenten van de Commissiediensten (SEC(2007)0214 , SEC(2007)0215 en SEC(2007)0216 ),

–   gelet op het EG-Verdrag, met name de artikelen 2, 136, 137, 138, 139, 140, 143 en 152,

–   gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(1) , met name de artikelen 27, 31 en 32,

–   gezien de aanbevelingen van de IAO op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk,

–   gezien Richtlijn 89/391/EEG van 12 juni 1989 van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk(2) (kaderrichtlijn) en de bijzondere richtlijnen hierover,

–   gezien Richtlijn 2000/54/EG van 18 september 2000 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk(3) ,

–   gezien Richtlijn 2007/30/EG van 20 juni 2007 van het Europees parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad, de daaruit voortvloeiende bijzondere richtlijnen, alsmede de Richtlijnen 83/477/EEG, 91/383/EEG, 92/29/EEG en 94/33/EG van de Raad, met het oog op de vereenvoudiging en rationalisatie van de verslagen over de praktische tenuitvoerlegging(4) ,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 8-9 maart 2007,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 oktober 2002 over een nieuwe communautaire gezondheids- en veiligheidsstrategie 2002-2006(5) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 februari 2005 over bevordering van de gezondheid en de veiligheid op het werk(6) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 juli 2006 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de bescherming van werknemers in de gezondheidszorg in Europa tegen door bloed overgedragen infecties als gevolg van prikaccidenten(7) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 mei 2007 over bevordering van waardig werk voor iedereen(8) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 november 2007 over communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk(9) ,

–   gezien zijn verklaring van 29 maart 2007 over hepatitis C(10) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0518/2007 ),

A.   overwegende dat er een positieve correlatie bestaat tussen de kwaliteit van de normen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk en financiële prestaties, met name algemene prestaties, absenteïsme, personeelsverloop, motivatie van medewerkers, beter bedrijfsimago en productiviteit,

B.   overwegende dat de meest concurrerende economieën het best presteren op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk en dat een hoog niveau van bescherming op het gebied van gezondheid en veiligheid een positief effect heeft op de overheidsfinanciën, door besparingen in de sociale zekerheid en een hogere productiviteit, en dat veiligheid en gezondheid op het werk niet alleen aan de productiviteit, het prestatievermogen en het welzijn van de werknemer bijdraagt, maar ook kostenbesparingen oplevert voor de maatschappij als geheel en voor de economie,

C.   overwegende dat er meer onderzoek naar de langetermijneffecten van sommige arbeidsactiviteiten op de gezondheid nodig is om werknemers beter te beschermen, omdat sommige ziekten pas verschijnen een aantal jaren nadat de activiteit die ze heeft veroorzaakt, uitgevoerd is,

D.   overwegende dat er bezorgdheid bestaat over het feit dat de vermindering van het aantal beroepsongevallen en gevallen van beroepsziekten niet gelijk gespreid is omdat bepaalde categorieën werknemers (bijvoorbeeld migranten, werknemers met onzekere contracten, vrouwen, jongere en oudere werknemers), bepaalde bedrijven (vooral kleine en middelgrote bedrijven (KMO's) en micro-ondernemingen), bepaalde sectoren (vooral de bouw, visserij, landbouw, vervoer) en bepaalde lidstaten een veel hoger aantal beroepsongevallen en -ziekten laten zien dan gemiddeld in de EU,

E.   overwegende dat maatregelen voor de gezondheid en veiligheid op het werk een consequent onderdeel moeten vormen van de bedrijfscultuur, en dat deze cultuur hand in hand moet gaan met levenslange scholing en bijscholing van werknemers en managers,

F.   overwegende dat een consequent toegepaste bedrijfscultuur van gezondheid en veiligheid op het werk kan bijdragen aan een onbureaucratische verandering van procedures inzake gezondheid en veiligheid op het werk en zo kan zorgen voor een effectieve gezondheidsbescherming,

G.   overwegende dat rustperiodes van het grootste belang voor een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers zijn,

H.   overwegende dat volgens ramingen van de IAO in de EU een arbeidsongeval of arbeidsgerelateerde ziekte in 2006 ongeveer 167 000 mensen het leven gekost heeft, en dat volgens een schatting in de mededeling van de Commissie over de verbetering van de arbeidskwaliteit en -productiviteit elk jaar ongeveer 300 000 werknemers in verschillende mate met permanente invaliditeit te maken krijgen,

I.   overwegende dat een echte strategie voor de gezondheid en veiligheid op het werk gebaseerd dient te zijn op de juiste combinatie van de volgende instrumenten: voldoende bewustzijn bij allen, gerichte opleiding en scholing, adequate preventiediensten en -campagnes, sociale dialoog en participatie van werknemers, adequate wetgeving en uitvoering, gerichte aandacht voor specifieke groepen, sectoren en soorten ondernemingen, efficiënte inspecties en effectieve, evenredige en ontmoedigende straffen,

J.   overwegende dat oudere werknemers zo lang mogelijk gezond, arbeidsgeschikt en inzetbaar dienen te blijven en dat dienovereenkomstig maatregelen dienen te worden genomen,

K.   overwegende dat inspecties een belangrijke rol spelen om te zorgen dat de bestaande wetgeving wordt nageleefd en daardoor uitbuiting op de werkplek te voorkomen, en op die manier het concept van fatsoenlijk werk helpen bevorderen en dat de inspecteurs ondersteuning moeten krijgen door nauwere samenwerking en uitwisseling van informatie tussen inspectiediensten van de lidstaten,

L.   overwegende dat risicobeoordeling op bedrijfsniveau niet als een eenmalige activiteit kan worden beschouwd, maar periodiek moet worden uitgevoerd en aangepast aan nieuwe omstandigheden en/of risico's, en dat het ontbreken of onjuist uitvoeren van risicobeoordelingen een overtreding van de wet is en een van de voornaamste oorzaken van beroepsongevallen en -ziekten vormt,

M.   overwegende dat er geen cijfers beschikbaar zijn over de negatieve gevolgen van brand voor de gezondheid en veiligheid op het werk,

N.   overwegende dat gezondheidswerkers meer dan 20 levensbedreigende virussen op kunnen lopen, waaronder hepatitis B, hepatitis C en HIV/aids,

O.   overwegende dat de Lissabon-strategie zich voor 2010 een algehele arbeidsparticipatie van 70% ten doel heeft gesteld, alsook een arbeidsparticipatie van vrouwen van 60% en van oudere werknemers van 50%, en overwegende dat werknemers met chronische of langdurige ziekten vaak niet meer terugkeren in het arbeidsproces, hoewel ze daartoe wel in staat worden geacht en dat degenen die wel weer aan het werk gaan vaak worden geconfronteerd met meervoudige discriminatie, zoals bijvoorbeeld kortingen op hun inkomen, en overwegende dat dit in het bijzonder geldt voor kankerpatiënten omdat de meeste recente studies aantonen dat een vijfde van degenen die borstkanker hebben gehad niet meer aan het werk gaan, hoewel ze dat wel zouden kunnen,

P.   overwegende dat meer vrouwen dan mannen onverzekerd werkzaam zijn in de "zwarte" arbeidsmarkt, een feit dat onvermijdelijke en belangrijke consequenties heeft voor de gezondheids- en veiligheidsomstandigheden waaronder zij werkzaam zijn,

Q.   overwegende dat vrouwen en mannen geen homogene groep vormen en dat strategieën en maatregelen ter verbetering van de veiligheid en gezondheid op het werk specifiek aangepast moeten worden aan bijzondere werkplekken, daarbij rekening houdend met het feit dat sommige factoren een verschillende impact kunnen hebben voor mannelijke en vrouwelijke werknemers,

1.   is tevreden met de ambitieuze doelstelling van de Commissie voor verlaging van het aantal ongevallen op het werk met gemiddeld 25% in de EU; erkent dat het cijfer van land tot land kan verschillen vanwege verschillende uitgangssituaties, maar acht duidelijke en doelgerichte maatregelen met een tijdschema en financiële toezeggingen die vervolgens kunnen worden gemeten en geëvalueerd toch van belang; verzoekt de Commissie bij gebrek hieraan om halverwege de looptijd van de strategie 2007-2012 bij het Parlement verslag over de vooruitgang met de strategie uit te brengen;

2.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om rekening te houden met de ongelijkheden tussen de lidstaten onderling en ook met de ongelijkheden die binnen de diverse lidstaten bestaan, en om zich in te spannen om ze te beperken;

3.   neemt akte van de voorstellen van de Commissie om niet-bindende instrumenten te gebruiken als bindende wetten niet haalbaar of aangewezen zijn, wat de lidstaten de flexibiliteit geeft om oplossingen te vinden die in hun specifieke omstandigheden het beste resultaat geven wat gezondheid en veiligheid betreft;

4.   is tevreden over de grotere nadruk die de Commissie legt op vereenvoudiging van de regelgeving en vermindering van administratieve lasten, en wijst erop dat vereenvoudiging grotere voordelen voor de burgers meebrengt, maar evenzeer werkgevers als werknemers helpt om zich te concentreren op praktisch gezondheids- en veiligheidsmanagement en zo te zorgen voor betere resultaten wat gezondheid en veiligheid betreft; acht het van het grootste belang dat vereenvoudiging op geen enkele manier afbreuk doet aan de omvang van de bescherming die de werknemers genieten;

5.   verzoekt de Commissie om in het kader van haar strategie speciale aandacht te schenken aan de bijzonder risicovolle activiteiten en sectoren (bijvoorbeeld de metaalindustrie, de bouw, elektriciteit, bosbouw, enz.);

6.   verzoekt de Commissie om het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (OHSA) sterker bij dit proces te betrekken, en het vooral te vragen met een evaluatie te komen in welke bedrijfstakken het gevaar op beroepsongevallen en -ziekten het hoogst is en hoe dit doeltreffend kan worden aangepakt;

7.   acht de krachtige focus van de Commissie op assistentie aan KMO's opdat zij aan hun verplichtingen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk kunnen voldoen, een uitstekende zaak en steunt de aanpak van de Commissie ten volle;

8.   betreurt dat in de mededeling van de Commissie niet wordt gerept over doelstellingen voor de vermindering van het aantal beroepsziekten maar begrijpt de moeilijkheid om beroepsziekten te meten; vraagt de Commissie bijgevolg om gebruik en uitvoering van de bestaande statistische procedures aan herziening te onderwerpen, om beroepsziekten nauwkeurig aan te wijzen en hun omvang te meten, vooral kankers die het gevolg van beroepsomstandigheden zijn, om doelstellingen voor hun vermindering te kunnen vastleggen ; stelt voor dat de Commissie de mogelijkheid overweegt om Aanbeveling 2003/670/EG van de Commissie betreffende de Europese lijst van beroepsziekten(11) in een richtlijn om te zetten;

9.   onderstreept dat bij kwesties met betrekking tot de gezondheid en veiligheid op het werk het genderaspect geïntegreerd moet worden in de aanpak van kwesties met betrekking tot de gezondheid en veiligheid op het werk en is ingenomen met het initiatief van de Commissie, die erop aandringt uniforme methoden te ontwikkelen voor beoordeling van genderspecifieke effecten op gezondheid en veiligheid op het werk; heeft evenwel kritiek op de Commissie omdat zij noch in haar mededeling noch in haar "doelstellingen van de communautaire strategie 2007-2012" of in haar "effectbeoordelingen" voldoende rekenschap geeft van gender mainstreaming;

10.   verzoekt de Commissie om na te gaan of er naar sekse uitgesplitste statistieken over arbeidsgerelateerde dodelijke en niet-dodelijke ziekten op Gemeenschapsniveau beschikbaar zijn;

11.   verzoekt de lidstaten om de bestaande richtlijnen betreffende veiligheid en gezondheid op het werk op een meer genderspecifieke wijze uit te voeren en de genderspecifieke effecten van deze richtlijnen te evalueren;

12.   benadrukt dat de rehabilitatie en re-integratie van werknemers na een ziekte of arbeidsongeval van vitaal belang is en juicht de bijzondere focus op rehabilitatie en re-integratie toe die in de nationale strategieën gevraagd wordt ; het is belangrijk dat regeringen in hun gezondheids- en veiligheidsstrategieën de verplichting opnemen dat mensen die gedurende hun loopbaan lichamelijk of geestelijk ziek zijn geweest hun baan behouden (door scholing, andere taken, enz.);

13.   verzoekt de Commissie meer cijfers en gegevens te verzamelen over werknemers met chronische ziekten, hun werkomstandigheden te analyseren en een handvest op te stellen voor de bescherming van de rechten van kankerpatiënten en mensen met andere chronische ziekten op de werkplek, teneinde bedrijven verplicht te stellen dat patiënten tijdens hun behandeling in dienst kunnen blijven en na behandeling weer kunnen terugkeren op de arbeidsmarkt;

14.   spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het extreem hoge aantal ongevallen bij tijdelijke en kortetermijnmedewerkers, en ook bij laagopgeleide werknemers, in sommige lidstaten meer dan twee keer zo hoog als bij andere werknemers, en erkent de correlatie tussen deze categorieën werknemers en het feit dat ze werkzaam zijn in bedrijfstakken met een verhoogd risico, zoals de bouw; wijst erop dat Richtlijn 91/383/EEG van de Raad van 25 juni 1991 ter aanvulling van de maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van de werknemers met arbeidsbetrekkingen voor bepaalde tijd of uitzendarbeidsbetrekkingen(12) als algemene regel bepaalt dat tijdelijke krachten dezelfde rechten op het gebied van gezondheid op het werk hebben als andere werknemers, maar dat de richtlijn niet voorziet in specifieke mechanismen om het principe praktisch toepasbaar te maken; verzoekt de Commissie om deze tekortkomingen dringend aan te pakken;

15.   neemt ook kennis van het stijgend aantal afwijkende arbeidsovereenkomsten, en wijst erop dat de voorwaarden geen risico's mogen opleveren voor de gezondheid en de veiligheid van werknemers en contractanten;

16.   vraagt maatregelen om ervoor te zorgen dat de rechten op het gebied van veiligheid en gezondheid van vrouwen op atypische werkplekken in acht worden genomen, zoals van vrouwen die zorgen voor zieken thuis;

17.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om zich volledig rekenschap te geven van de gevolgen van demografische veranderingen voor de gezondheid en veiligheid op de werkplek, roeptde Commissie en de lidstaten met name op om de preventieve maatregelen te versterken en maatregelen vast te stellen die bedoeld zijn om lichamelijke achteruitgang te compenseren, vooral door ergonomische maatregelen en het ontwerp van de werkplek, en door maatregelen en prikkels die bedoeld zijn om te zorgen dat oudere werknemers hun motivatie, vaardigheden en gezondheid behouden;

18.   wijst op de wetenschappelijk bewezen samenhang tussen toenemende stress op de werkplek en ziekten die er het gevolg van zijn, vooral waar het chronische ziekten, hart- en vaatziekten en ziekten van het bewegingsapparaat betreft;

19.   acht het van het grootste belang om te zorgen voor beter gebruik van de bestaande wettelijke instrumenten op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk en verzoekt de Commissie en de lidstaten bijgevolg alle beschikbare middelen aan te wenden om dit doel te bereiken; is van mening dat onder andere de volgende maatregelen moeten worden overwogen:

   a) minimumvereisten voor de kwaliteit van preventieve diensten en de arbeidsinspectie,
   b) strengere sancties,
   c) een betere evaluatie van de uitvoering van de wetgeving,
   d) uitwisseling van beste praktijken,
   e) versterking van de preventiecultuur en systemen voor vroegtijdige waarschuwing, waaronder bredere maatschappelijke toegang tot informatie aangaande werk- en veiligheidsomstandigheden op de werkplek,
   f) grotere betrokkenheid van de werknemers op het werk,
   g) stimulansen voor de werkgevers om te voldoen aan hun verplichtingen op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk,
   h) versterkt gebruik van overeenkomsten over sociale dialoog;

20.   is van oordeel dat het de Commissie in ernstige mate aan middelen ontbreekt om goed te kunnen beoordelen of de aangenomen richtlijnen over de veiligheid op het werk doeltreffend worden omgezet en uitgevoerd; is van oordeel dat de Commissie van alle middelen die haar ten dienste staan gebruik dient te maken, onder andere door op ruimere schaal gebruik te maken van overtredingsprocedures;

21.   wijst erop dat veiligheid en gezondheid op het werk voor alle werknemers in de Europese Unie in dezelfde mate moeten gelden, dat veiligheid en gezondheid op het werk uiteindelijk op het grondrecht van lichamelijke integriteit berusten en dat de mogelijkheden om van de wetgeving inzake veiligheid en gezondheid op het werk af te wijken, de gezondheid van de werknemers en hun gelijkheid van kansen in gevaar kunnen brengen en tot gelijkschakeling in neerwaartse richting kunnen voeren;

22.   vraagt de Commissie om de effectbeoordeling voor gezondheid en veiligheid op het werk evenveel aandacht te geven als die voor het milieueffect;

23.   beschouwt arbeidsinspectie als een essentieel onderdeel van de uitvoering van de wetgeving op het gebied van gezondheid en veiligheid;

  a) verzoekt de Commissie daarom:
   i) het Comité van hoge ambtenaren van de arbeidsinspectie (SLIC) de nodige middelen ter beschikking te stellen om effectief te kunnen functioneren, na onderzoek hoe het zo doeltreffend mogelijk kan werken en de beste waarde opleveren,
   ii) voort kennisdelingssystemen te ontwikkelen om te zorgen voor effectieve reacties op verzoeken om informatie en samenwerking,
   iii) evaluatieonderzoek naar de efficiëntie en impact van inspectieactiviteiten op te starten, overeenkomstig het verzoek van het SLIC, teneinde gemeenschappelijke kwantitatieve en kwalitatieve inspectiedoelstellingen te stellen, en daardoor het gebruik van inspecties aan te moedigen voor het bevorderen van een efficiënte en effectieve gezondheids- en veiligheidscultuur onder alle werknemers,
   iv) manieren en methoden in te voeren om de nationale inspectiesystemen te evalueren, met name door scoreborden in te stellen,
  b) en verzoekt de lidstaten:
   i) aangepaste middelen op het gebied van personeel en financiën ter beschikking van hun nationale inspectiediensten te stellen,
   ii) de dichtheid van arbeidsinspecteurs te vergroten, om op zijn minst een verhouding van 1 per 10 000 werknemers te garanderen, overeenkomstig de aanbevelingen van de IAO,
   iii) de kwaliteit van de arbeidsinspecteurs te vergroten door meer multidisciplinaire opleiding te verstrekken op terreinen als psychologie, ergonomie, hygiëne, milieurisico's en toxicologie,
   iv) met de inspecties te focussen op prioritaire gebieden, sectoren en ondernemingen met een hoog risico op ongevallen en grote hoeveelheden werknemers uit kwetsbare groepen als arbeidsmigranten, interim-werknemers, laaggekwalificeerde en laagopgeleide werknemers, jonge en oudere werknemers en werknemers met een handicap;

24.   erkent dat preventie van centraal belang is en verzoekt de Commissie in het kader van de strategie:

   a) ervoor te zorgen dat de werkgevers hun verantwoordelijkheid erkennen en ernaar handelen door op alle werkplekken degelijke preventieve diensten te verstrekken - hetgeen niet wegneemt dat een verantwoordelijke attitude van de werknemers tegenover hun eigen veiligheid en gezondheid ook van belang is,
   b) aan te moedigen dat preventieve diensten volledig multidisciplinair zijn en de hiërarchie van maatregelen van Richtlijn 89/391/EEG weerspiegelen,
   c) te benadrukken dat risicobeoordeling een continu proces moet zijn en geen eenmalige verplichting en dat de werknemer er volledig bij moet worden betrokken,
   d) ervoor te zorgen dat preventieve activiteiten in de mate van het mogelijke binnen de onderneming plaatshebben,
   e) ervoor te zorgen dat gezondheidscontrole gepaard gaat met preventie,
   f) haar wetgeving betreffende gezondheid en veiligheid op het werk regelmatig aan te passen in het licht van nieuwe technologische ontwikkelingen;

25.   benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten ervoor zorgen dat de toegang tot technische documenten en normen op het gebied van gezondheid en veiligheid op de werkplek op nationaal niveau gratis is;

26.   feliciteert de Commissie met de voorstellen van haar de mededeling op het gebied van onderwijs en opleiding en is van mening dat ze een sleutelfactor voor de ontwikkeling van een preventiecultuur zijn en voorts een continu proces moeten vormen, in overeenstemming met de nieuwe technische situatie op de arbeidsplaats, ook voor werknemers die terugkeren in het arbeidsproces na ziekte of loopbaanonderbrekingen vanwege zorgtaken in het gezin;

27.   is van oordeel dat beroepsopleidingen en herscholing op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk op maat moeten worden aangeboden aan werknemers en vertegenwoordigers op het gebied van gezondheid en veiligheid, met speciale aandacht voor onderaanneming, tijdelijk werk, parttime werk, vrouwen en arbeidsmigranten; is van oordeel dat nationale en EU-middelen daarvoor gebruikt moeten blijven worden;

28.   is van mening dat werkgevers verplicht zouden moeten worden om medisch onderzoek voor dagloners en deeltijdse werknemers aan te bieden;

29.   verzoekt de Commissie volledig gebruik te maken van de bestaande Gemeenschapsfondsen (met name het Europees Sociaal Fonds) waar het zaken betreft die met gezondheid en veiligheid samenhangen (preventie en de ontwikkeling van een preventiecultuur, bewustmaking, beroepsopleiding, levenslang leren, rehabilitatie en re-integratie van werknemers na een arbeidsongeval of -ziekte) en die in het bijzonder gericht zijn op KMO's; verzoekt de Commissie andere Gemeenschapsfondsen (bijvoorbeeld uit het zevende kaderprogramma voor onderzoek) en nationale fondsen aan te wenden aan onderzoek op het gebied van beroepsziekten;

30.   acht het gezien het verhoogde gevaar waaraan werknemers in de mijnbouw, metaalwinning, ijzer- en staalindustrie en scheepsbouw zijn blootgesteld noodzakelijk dat de lidstaten en de Commissie voldoende middelen ter beschikking stellen voor investeringen die nodig zijn om de gezondheid en veiligheid op het werk te waarborgen;

31.   verzoekt de lidstaten en de Commissie een systematische gendergevoelige benadering te volgen bij de ontwikkeling van nationale en Europese strategieën inzake preventie op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk en bij de samenstelling van statistieken, uitvoering van enquêtes en het doen van onderzoek op dit gebied; verzoekt de lidstaten en de Commissie gebruik te maken van de financieringsmogelijkheden die het Progress-programma hiertoe biedt, vooral op grond van het gedeelte met betrekking tot gendergelijkheid;

32.   verzoekt de lidstaten de goedkeuring te overwegen van financiële stimuli om gezondheid en veiligheid op het werk te bevorderen, met name belastingkortingen of een preferentie voor veilige bedrijven en op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk gecertificeerde ondernemingen bij aanbestedingen, de invoering in verzekeringspolissen en socialezekerheidsbijdragen van een kortingenstelsel voor het uitblijven van schadegevallen, en financiële stimuli om onveilige en verouderde uitrusting te vervangen;

33.   stelt verder voor dat de lidstaten de mogelijkheid overwegen bepaalde normen op het gebied van gezondheid en veiligheid op te nemen bij de plaatsing van overheidsopdrachten;

34.   verzoekt de Commissie om, met het oog op de huidige sociale en economische veranderingen, die ook de arbeidsmarkt beïnvloeden en veranderen, een goed werkgelegenheidsbeleid en behoorlijke werkomstandigheden te stimuleren, en om werkgevers aan te moedigen een gezonde levensstijl op het werk te bevorderen door middel van campagnes ter bevordering van gezondheid op het werk, het handhaven van rookverboden op het werk en programma's om rokende werknemers te helpen bij het stoppen met roken, en ervoor te zorgen dat het beleid samenhang vertoont met het beleid op andere terreinen, in het bijzonder de volksgezondheid;

35.   verzoekt de Commissie een herziening op te starten van Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk, van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie(13) ;

36.   is van oordeel dat de gezondheidsproblemen die verband houden met blootstelling aan asbest welbekend zijn en dat de Europese regelgeving betreffende asbest aanvaardbaar is; benadrukt dat door asbest veroorzaakte ziekten volgens de prognoses nog jarenlang veelvuldig zullen voorkomen; verzoekt daarom de Commissie een hoorzitting te organiseren over de aanpak van de enorme gezondheids- en veiligheidsproblemen op het werk die verband houden met de aanwezigheid van asbest in bestaande gebouwen en andere constructies, zoals schepen, treinen en machinerieën; verzoekt tevens de lidstaten nationale actieplannen op te stellen voor de geleidelijke eliminering van asbest, met daarin verplichtingen om de in gebouwen aanwezige asbest in kaart te brengen en te zorgen voor de veilige verwijdering van asbest;

37.   betreurt dat ondanks herhaalde en uitdrukkelijke verzoeken van het Parlement, de Commissie nog steeds met een voorstel tot wijziging van Richtlijn 2000/54/EG moet komen om de ernstige risico's voor werknemers in de gezondheidszorg aan te pakken, die verbonden zijn met het gebruik van naalden en scherpe medische instrumenten; vraagt haar om de voltooiing van de effectbeoordeling aan de hand van de aanbestedingsprocedure (2007/S 139-171103) te bespoedigen en verwacht dat er ruim voor het einde van de legislatuurperiode midden 2009 een degelijk amendement op de richtlijn aangenomen wordt, in overeenstemming met zijn reeds aangehaalde resolutie betreffende de bescherming van werknemers in de gezondheidszorg in Europa tegen door bloed overgedragen infecties als gevolg van prikaccidenten; verzoekt de Commissie passende preventie- en screeningsmaatregelen door te voeren om het risico op door bloed overgedragen ziekten zoals hepatitis C terug te dringen;

38.   verzoekt de Commissie het voortouw te nemen bij het ontwikkelen van en het tot overeenstemming komen over een EU-praktijkcode betreffende de preventie van aan de gezondheidszorg gerelateerde infecties;

39.   verzoekt de Commissie de gezondheid en veiligheid op het werk in de gezondheidszorg te verbeteren, waaronder in verzorgingshuizen, door maatregelen te nemen om de routinematige screening van zorgpersoneel te bevorderen, zodat beroepsmatig opgelopen besmettelijke infecties, zoals MRSA, in een vroeg stadium opgespoord en behandeld, en aldus teruggedrongen kunnen worden;

40.   is tevreden met de verplichting voor de lidstaten om nationale strategieën op te stellen; benadrukt dat deze strategieën betrekking moeten hebben op dezelfde periode en moeten beginnen in hetzelfde jaar, om de vergelijking zowel van de nationale strategieën als van de resultaten hiervan te vergemakkelijken, dat er duidelijke en meetbare doelstellingen in moeten worden bepaald en dat er in het bijzonder in moet worden gefocust op KMO's en op kwetsbare groepen als arbeidsmigranten, jonge en oudere werknemers, vrouwen, interim-werknemers en werknemers met een handicap;

41.   benadrukt dat het van essentieel belang is dat de werkplek toegankelijk en veilig wordt gemaakt voor werknemers met een handicap, door te voorzien in redelijke aanpassingen, in speciale uitrusting die aan de individuele behoefte is aangepast, en in de gezondheidsdiensten die mensen met een handicap juist vanwege hun handicap nodig hebben, waaronder diensten die bedoeld zijn om verdere handicaps te minimaliseren en te voorkomen;

42.   verzoekt zowel de Commissie als de lidstaten de kaderrichtlijn en de bestaande bepalingen op het gebied van gezondheid en veiligheid onverkort en onafhankelijk van hun juridische status toe te passen op alle werknemers en de bestaande wetgeving voor bepaalde risicoberoepen aan te passen als ze ondoeltreffend gebleken is, ook voor vaak veronachtzaamde groepen als landarbeiders, werknemers in de gezondheidszorg, beroepschauffeurs, huishoudelijk personeel, thuiswerkers en het leger, indien nodig, en de onverkorte toepassing en naleving te waarborgen van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(14) ; vraagt de Commissie en de lidstaten tevens om alle beschikbare opties te overwegen om de EU-bepalingen op het gebied van gezondheid en veiligheid uit te breiden tot zelfstandigen en beschermde werkvoorziening voor mensen met een handicap;

43.   verzoekt de lidstaten om serieus aandacht te schenken aan de verschillende risico's voor vrouwelijke en mannelijke werknemers met betrekking tot veiligheid en gezondheid op het werk en te zorgen voor verschillende sociale en fysieke infrastructuur om deze risico's tegen te gaan;

44.   wijst erop dat de noodzaak om de risico's voor mannen en vrouwen te analyseren en adequate maatregelen te nemen niet betekent dat er opnieuw een protectiebeleid dat leidt tot uitsluiting wordt geïntroduceerd, noch dat er verschillende banen voor mannen en vrouwen worden ontwikkeld;

45.   is van mening dat de veiligheidsverplichtingen van een werkgever in strikte zin weliswaar beperkt is tot diegenen waarmee hij een wettelijke relatie heeft door een arbeidsovereenkomst, maar dat werkgevers aangemoedigd gestimuleerd moeten worden om waar mogelijk het gezondheids- en veiligheidsbeleid van hun onderaannemers en de keten van onderaannemers na te gaan teneinde gezondheids- en veiligheidsbeleid te incorporeren in het MVO-beleid

46.   46 wacht de resultaten van de tweede fase van de raadpleging van de sociale partners over spier-pees-botaandoeningen af en vraagt de Commissie om de optie van het voorstellen van een richtlijn te overwegen, gezien het toenemend aantal gevallen van die aandoeningen en het feit dat de bestaande wetgeving klaarblijkelijk niet volstaat, omdat ze geen betrekking op alle arbeidssituaties heeft en niet alle risico's van werkgerelateerde spier-pees-botaandoeningen dekt; stelt dat wetenschappelijke beginselen volledig in aanmerking genomen moeten worden;

47.   wacht de resultaten af van de tweede fase van de raadpleging van de sociale partners over de herziening van de richtlijn over carcinogene agentia van 2004 en is van mening dat de verkieslijke optie kan zijn om de richtlijn te wijzigen, zodat voor de voortplanting vergiftige stoffen erin worden opgenomen, en een herziening voor te stellen van de bindende grenswaarden voor beroepsblootstelling voor carcinogene en mutagene agentia die in de richtlijn zijn opgenomen en nieuwe bindende grenswaarden voor beroepsblootstelling vast te stellen voor sommige carcinogene, mutagene en voor de voortplanting vergiftige stoffen die nog niet in de richtlijn zijn opgenomen;

48.   herinnert eraan dat bedreigingen voor de gezondheid en de veiligheid op het werk niet beperkt blijven tot handenarbeid; vraagt meer aandacht voor de onderliggende oorzaken van het ontstaan van geestesziekten en voor de geestelijke gezondheid, verslaving en psychologische gevaren op het werk, zoals stress, lastiggevallen en gepest worden, en ook geweld, en wil verder dat er meer nadruk wordt gelegd op het beleid van werkgevers voor de bevordering van een goede fysieke en mentale gezondheid;

49.   acht het van cruciaal belang dat er op grotere schaal wordt samengewerkt met het nieuwe Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in Helsinki en dat er opheldering gegeven wordt omtrent een aantal kwesties in verband met de verhouding tussen enerzijds Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH)(15) en anderzijds de andere richtlijnen inzake gezondheid op het werk;

50.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om afdoende rekening te houden met de gelijktijdige tenuitvoerlegging van de communautaire strategie en de REACH-verordening: de strategie dient een aanvulling te zijn op de REACH-verordening inzake de bescherming tegen chemische gevaren en dient gebruik te maken van de mogelijkheid tot versterking van de preventieve maatregelen tegen chemische gevaren op het werk in verband met de tenuitvoerlegging van de REACH-verordening;

51.   is tevreden met de recent gesloten kaderovereenkomst tussen de sociale partners over pesten en geweld op het werk; betreurt evenwel dat deze overeenkomst niet expliciet betrekking heeft op de kwestie van geweld door derden; verzoekt de sociale partners daarom om dit onderwerp nader uit te zoeken;

52.   vestigt de aandacht op de moeilijke werkomstandigheden van veel vrachtwagenchauffeurs die door Europa rijden en te weinig goede stopplaatsen tot hun beschikking hebben: artikel 12 van Verordening (EG) nr. 561/2006(16) over rij- en rusttijden erkent uitdrukkelijk het belang van voldoende veilige en bewaakte stopplaatsen voor beroepschauffeurs langs het EU-netwerk van snelwegen; dringt daarom bij de Commissie aan op een vervolg van het op initiatief van het Europees Parlement gehouden proefproject voor veilige en bewaakte stopplaatsen en daarbij rekening te houden met de maatregelen die worden aanbevolen in het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over veilige en bewaakte stopplaatsen(17) ;

53.   verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de haalbaarheid en de voordelen voor de gezondheid en veiligheid op het werk alsook voor de maatschappij als geheel, van de eis om in alle nieuwe gebouwen die als werkplek zijn bedoeld sprinklerinstallaties te installeren waar dat veilig is;

54.   benadrukt dat het belangrijk is dat een continue dialoog wordt gevoerd tussen alle belanghebbende partijen, inclusief de overheid, de werkgevers, de werknemers, hun vertegenwoordigers en de civiele maatschappij, als sleutelinstrument voor de effectieve ontwikkeling van strenge normen op het gebied van gezondheid en veiligheid; is van mening dat deze dialoog moet leiden tot een betere kennis van de reële risico's voor de gezondheid en veiligheid van werknemers alsmede van de specifieke behoeften en eisen van bepaalde groepen werknemers op het niveau van het bedrijf en de sector en tot een uitwisseling van goede praktijken;

55.   verzoekt de lidstaten te zorgen voor een adequate vertegenwoordiging van vrouwen op alle niveaus in de besluitvorming over gezondheid en veiligheid op het werk;

56.   acht maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) een van de doeltreffende instrumenten tot verbetering van het concurrentievermogen, van de gezondheid en veiligheid op het werk en van de werkomgeving, en moedigt in dit verband de uitwisseling van goede praktijken aan op lokaal, nationaal en Europees niveau tussen de lidstaten en mondiaal op multinationaal niveau alsmede de verdere toepassing van maatschappelijk verantwoord ondernemen op vrijwillige basis, maar als een integraal onderdeel van bedrijfsstrategieën voor ontwikkeling;

57.   is van mening dat de vertegenwoordiging van de werknemers van groot belang is voor om het even welk beleid op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk; is van mening dat de positieve correlatie tussen de aanwezigheid van vertegenwoordigers op het gebied van gezondheid en veiligheid op de werkplek en de prestaties niet kan worden onderschat en verzoekt de Commissie en de lidstaten de participerende aanpak te bevorderen en ervoor te zorgen dat zo mogelijk alle werkneemsters en werknemers toegang tot vertegenwoordigers op het gebied van gezondheid en veiligheid hebben;

58.   is van mening dat te lange of te veel werkuren of te weinig of te korte rustperioden een sleutelfactor zijn voor de toenemende ongevallen en ziekten op het werk en vraagt een goed evenwicht tussen werk en gezinsleven;

59.   feliciteert het OHSA en de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden met het werk dat zij tot nu toe hebben gedaan en is van mening dat de expertise en de bevoegdheden van deze organen volledig benut moeten worden; is van mening dat zij dienen te blijven functioneren als instrumenten voor bewustmaking, voor het verzamelen, analyseren en uitwisselen van informatie, voor de uitwisseling van goede praktijken en voor onderzoek om nieuwe risico's die zich aandienen te anticiperen, of deze nu veroorzaakt worden door sociale veranderingen of samenhangen met technische innovatie;

60.   is van mening dat het van vitaal belang is om nieuwe en opkomende risico's tijdig te identificeren en op te volgen – bijvoorbeeld psychosociale risico's; feliciteert het risicowaarnemingscentrum van het OHSA daarom met zijn werk en verwacht van de Commissie dat zij op basis van de vaststellingen van het centrum actie onderneemt en de nodige voorstellen indient zodra nieuwe risico's worden geïdentificeerd;

61.   beveelt lidstaten aan om maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat voor zwaar of gevaarlijk werk passende sociale zekerheid wordt geboden, waarop de betreffende werknemers zowel gedurende hun beroepsleven als na hun pensionering kunnen terugvallen;

62.   beveelt aan dat het OHSA specifiek onderzoek verricht naar de bijzondere problemen en risico's waarmee tijdelijke en interim-werknemers te maken krijgen, naast de werknemers van onderaannemers, om voor de Commissie en de lidstaten de strijd tegen de risico's waarmee deze personen te maken krijgen, te vergemakkelijken en de bestaande wetgeving betreffende deze groepen naar behoren uit te voeren, en daarbij te erkennen dat de aard van het werk dat deze groepen doen, bijvoorbeeld werken in de bouw, in sommige lidstaten een verhoogde kans op ongevallen met zich meebrengt;

63.   is van mening dat het in een mondiale omgeving nodig is samen te werken met internationale organisaties (Wereldhandelsorganisatie, Wereldgezondheidsorganisatie, IAO) en ervoor te zorgen dat er internationale conventies en overeenkomsten over gezondheid en veiligheid op het werk worden goedgekeurd en door alle partijen uitgevoerd; beschouwt dat als een belangrijke factor om het concurrentievermogen van de EU te behouden en te voorkomen dat ondernemingen uit de EU worden overgeplaatst naar landen buiten de EU, in het kader van een zoektocht naar een minder streng wettelijk kader op het gebied van gezondheid en veiligheid; is voorts van mening dat dat een kwestie van bescherming van de mensenrechten is en bijgevolg te berde moet komen bij onderhandelingen met derde landen;

64.   verzoekt de lidstaten daarom om de internationale bepalingen op het gebied van gezondheid en veiligheid na te leven en in het bijzonder om IAO-conventie C-187 te ratificeren en aanbeveling R-197 uit te voeren;

65.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 303 van 14.12.2007, blz. 1.
(2) PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.
(3) PB L 262 van 17.10.2000, blz. 21.
(4) PB L 165 van 27.6.2007, blz. 21.
(5) PB C 300 E van 11.12.2003, blz. 290.
(6) PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 400.
(7) PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 754.
(8) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0206 .
(9) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0501 .
(10) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0102 .
(11) PB L 238 van 25.9.2003, blz. 28.
(12) PB L 206 van 29.7.1991, blz. 19.
(13) PB L 348 van 28.11.1992, blz. 1.
(14) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(15) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(16) PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1.
(17) PB C 175 van 27.7.2007, blz. 88.

Laatst bijgewerkt op: 15 september 2008Juridische mededeling