Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 2 april 2009 - BrusselDefinitieve uitgave
Informatie op veterinair en zoötechnisch gebied *
 Communautaire statistieken over de informatiemaatschappij ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
 Overeenkomst EG/Zwitserland inzake de handel in landbouwproducten *
 Wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis *
 Uitbreiding van de soorten kosten die voor een bijdrage uit het ESF in aanmerking komen ***I
 EFRO, ESF en Cohesiefonds: bepalingen inzake financieel beheer ***
 Onderwijs aan migrantenkinderen
 Recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden
 Problemen en perspectieven van het Europese burgerschap
 Communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen ***II
 Communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong ***II
 Subsidiabiliteit uit hoofde van het EFRO van investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
 Gemeenschappelijke visumcode ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
 Communautair systeem van milieukeuren ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
  Bijlage
 Vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
 Gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid *
 De halfjaarlijkse evaluatie van de dialoog EU-Wit-Rusland
 Het Europese geweten en het totalitarisme
 Rol van de cultuur bij de ontwikkeling van de Europese regio's
 Nieuwe overeenkomst EU − Rusland
 Gezondheidsrisico's in verband met elektromagnetische velden
 Betere scholen: een agenda voor Europese samenwerking

Informatie op veterinair en zoötechnisch gebied *
PDF 65k   DOC 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot rectificatie van Richtlijn 2008/73/EG van de Raad tot vereenvoudiging van de procedures voor het opstellen en publiceren van lijsten met informatie op veterinair en zoötechnisch gebied en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG, 77/504/EEG, 88/407/EEG, 88/661/EEG, 89/361/EEG, 89/556/EEG, 90/426/EEG, 90/427/EEG, 90/428/EEG, 90/429/EEG, 90/539/EEG, 91/68/EEG, 91/496/EEG, 92/35/EEG, 92/65/EEG, 92/66/EEG, 92/119/EEG, 94/28/EG en 2000/75/EG, Beschikking 2000/258/EG en de Richtlijnen 2001/89/EG, 2002/60/EG en 2005/94/EG (COM(2009)0045 – C6-0079/2009 – 2009/0016(CNS) )
P6_TA(2009)0196 A6-0141/2009

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2009)0045 ),

–   gelet op artikel 37 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0079/2009 ),

–   gelet op artikel 51 en artikel 43, lid 1, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A6-0141/2009 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

4.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Communautaire statistieken over de informatiemaatschappij ***I
PDF 80k   DOC 53k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 808/2004 betreffende communautaire statistieken over de informatiemaatschappij (COM(2008)0677 – C6-0381/2008 – 2008/0201(COD) )
P6_TA(2009)0197 A6-0128/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0677 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 285, lid 1, van het EG-Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0381/2008 ),

–   gezien het advies van het Comité statistisch programma, dat is opgericht bij Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad(1) ,

–   gelet op artikel 51 en artikel 43, lid 2, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0128/2009 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 april 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 808/2004 betreffende communautaire statistieken over de informatiemaatschappij

P6_TC1-COD(2008)0201


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. 1006/2009.)

(1) PB L 181 van 28.6.1989, blz. 47.


Overeenkomst EG/Zwitserland inzake de handel in landbouwproducten *
PDF 65k   DOC 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van bijlage 11 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten (15523/2008 – COM(2008)0685 – C6-0028/2009 – 2008/0202(CNS) )
P6_TA(2009)0198 A6-0122/2009

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel voor een besluit van de Raad (COM(2008)0685 ),

–   gezien de Ontwerpovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat tot wijziging van bijlage 11 bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten (15523/2008),

–   gelet op artikel 37, artikel 133 en artikel 152, lid 4, onder b), van het EG­Verdrag,

–   gelet op artikel 300, lid 3, eerste alinea, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0028/2009 ),

–   gelet op artikel 51 en artikel 83, lid 7, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A6-0122/2009 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Zwitserse Bondsstaat.


Wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis *
PDF 140k   DOC 104k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het ontwerp van kaderbesluit van de Raad inzake de toepassing, tussen de lidstaten van de Europese Unie, van het beginsel van wederzijdse erkenning op beslissingen inzake toezichtmaatregelen als alternatief voor voorlopige hechtenis (17002/2008 – C6-0009/2009 – 2006/0158(CNS) )
P6_TA(2009)0199 A6-0147/2009

(Raadplegingsprocedure – hernieuwde raadpleging)

Het Europees Parlement ,

–   gezien de ontwerptekst van de Raad (17002/2008),

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2006)0468 ),

–   onder verwijzing naar zijn standpunt van 29 november 2007(1) ,

–   gelet op artikel 34, lid 2, onder b), van het EU­Verdrag,

–   gelet op artikel 39, lid 1, van het EU­Verdrag, op grond waarvan het Parlement opnieuw door de Raad is geraadpleegd (C6-0009/2009 ),

–   gelet op de artikelen 93 en 51 en artikel 55, lid 3, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0147/2009 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de ontwerptekst van de Raad, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Raad de tekst dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de tekst of deze door een andere tekst te vervangen;

5.   is vastbesloten om, mocht het ontwerp niet voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon worden aangenomen , elk toekomstig voorstel via de urgentieprocedure te behandelen, in nauwe samenwerking met de nationale parlementen;

6.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Ontwerp van de Raad   Amendement
Amendement 1
Ontwerp van een kaderbesluit
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)    In geval van schending van een Europese toezichtmaatregel kan de uitvaardigende autoriteit beslissen een Europees aanhoudingsbevel te doen uitgaan om de betrokkene te laten overbrengen naar de uitvaardigende staat. In dergelijke omstandigheden, die strikt beperkt moeten blijven tot gevallen waarin dit kaderbesluit van toepassing is, geldt Kaderbesluit 2002/584/JBZ voor alle delicten waarvoor een Europese toezichtmaatregel kan worden uitgevaardigd.
Amendement 2
Ontwerp van een kaderbesluit
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)    Een uniforme gemeenschappelijke reeks procedurele waarborgen is onontbeerlijk om ervoor te zorgen dat maatregelen inzake justitiële samenwerking in strafzaken op eerlijke en effectieve wijze worden toegepast. De Raad dient dan ook, naar behoren rekening houdend met het advies van het Europees Parlement, onverwijld een rechtsinstrument inzake procedurele waarborgen in strafzaken goed te keuren dat gebaseerd is op het beginsel van het vermoeden van onschuld en waarbij tenminste wordt voorzien in het volgende: toestemming van een justitiële autoriteit voor een vrijheidsbeperking of vrijheidsberoving, het recht op een Verklaring van rechten ("Letter of Rights"), het recht op rechtshulp, het recht om bewijs aan te voeren, het recht om te worden geïnformeerd over de aard en redenen van de tenlastelegging en over de redenen van de verdenking, het recht op toegang tot alle relevante informatie in een taal die de betrokkene begrijpt en het recht op een tolk .
Amendement 3
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 2 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.    Voor de doeleinden van dit Kaderbesluit wordt een persoon als niet-ingezetene beschouwd indien zijn/haar wettelijke en gewoonlijke verblijfplaats zich bevindt in een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de procedure plaatsvindt .
Amendement 4
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 4 − letter a
a) "beslissing inzake toezichtmaatregelen", uitvoerbare beslissing, door een bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat tijdens de strafprocedure genomen overeenkomstig de wetgeving en procedures van die staat, waarbij jegens een natuurlijke persoon, als alternatief voor voorlopige hechtenis, een of meer toezichtmaatregelen worden getroffen;
a) "beslissing inzake toezichtmaatregelen", uitvoerbare beslissing, door een bevoegde gerechtelijke autoriteit van de beslissingsstaat tijdens de strafprocedure genomen overeenkomstig de wetgeving en procedures van die staat, waarbij jegens een natuurlijke persoon, als alternatief voor voorlopige hechtenis, een of meer toezichtmaatregelen worden getroffen;
Amendement 5
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 4 − letter d bis (nieuw)
d bis) "bevoegde autoriteit in de beslissingsstaat": een gerecht, een rechter, een onderzoeksmagistraat of een openbare aanklager dat/die krachtens het nationale recht bevoegd is een beslissing inzake toezichtmaatregelen uit te vaardigen;
Amendement 6
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 4 − letter d ter (nieuw)
d ter) "bevoegde autoriteit in de tenuitvoerleggingsstaat": een gerecht, een rechter, een onderzoeksmagistraat of een openbare aanklager dat/die krachtens het nationale recht bevoegd is een beslissing inzake toezichtmaatregelen ten uitvoer te leggen en te bewaken;
Amendement 7
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 5 bis (nieuw)
Artikel 5 bis
Persoonsgegevens
De verwerking van persoonsgegevens voor de doeleinden van dit kaderbesluit moet ten minste voldoen aan de grondbeginselen inzake gegevensbescherming als vastgelegd in Kaderbesluit 2008/977/JBZ van 27 november 2008 over de bescherming van persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken 1 en in het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens en de bijbehorende opeenvolgende protocollen .
____________
1 PB L 350 van 30.12.2008, blz. 60 .
Amendement 8
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 6 – lid 2
2.    In afwijking van lid 1 en onverminderd lid 3, kunnen de lidstaten andere dan rechterlijke autoriteiten aanwijzen als bevoegd om beslissingen krachtens dit kaderbesluit te nemen, mits deze autoriteiten volgens de nationale wetgeving en procedures bevoegd zijn om soortgelijke beslissingen te nemen.
Schrappen
Amendement 9
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 8 – lid 1 – letter f bis (nieuw)
f bis) de verplichting om in een bepaald aantal termijnen of in één keer, een som geld te storten of een andere vorm van zekerheid te stellen;
Amendement 10
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 8 – lid 2 – letter c
c) de verplichting om in een bepaald aantal termijnen of in één keer, een som geld te storten of een andere waarborg te verstrekken;
Schrappen
Amendement 11
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 9 – lid 1
1.   De beslissing inzake toezichtmaatregelen kan worden toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de betrokkene zijn gewone wettelijke verblijfplaats heeft, indien deze, na van de betreffende maatregelen op de hoogte te zijn gebracht, bereid is naar die staat terug te keren.
1.   De beslissing inzake toezichtmaatregelen kan worden toegezonden aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de betrokkene zijn gewone wettelijke verblijfplaats heeft, indien deze, na naar behoren van de betreffende maatregelen op de hoogte te zijn gebracht in een taal die hij/zij begrijpt , bereid is naar die staat terug te keren.
Amendement 12
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 13 – lid 2
2.   De aangepaste toezichtmaatregel mag niet strenger zijn dan de oorspronkelijk opgelegde maatregel.
2.   De aangepaste toezichtmaatregel is slechts van technische aard en leidt als zodanig niet tot aanvullende verplichtingen voor de betrokkene . De aangepaste toezichtsmaatregel mag niet strenger zijn dan de oorspronkelijk opgelegde maatregel.
Amendement 13
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 14 – lid 1
1.    Tot erkenning van de beslissing inzake toezichtmaatregelen leiden, overeenkomstig dit kaderbesluit en zonder toetsing op dubbele strafbaarheid, de navolgende strafbare feiten, indien deze in de beslissingsstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste drie jaar, zoals omschreven in de wet van die staat:
− deelneming aan een criminele organisatie,
− terrorisme,
− mensenhandel;
−- seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie;
− illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,
− illegale handel in wapens, munitie en explosieven,
− corruptie;
− fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen,
− witwassen van opbrengsten van strafbare feiten,
− valsemunterij, met inbegrip van namaak van de euro;
− cybercriminaliteit,
− milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en de illegale handel in bedreigde planten- en boomsoorten,
− hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf,
− moord en doodslag, zware lichamelijke mishandeling,
− illegale handel in menselijke organen en weefsels,
− ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling,
− racisme en vreemdelingenhaat,
− georganiseerde of gewapende diefstal,
− illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen,
− oplichting,
− racketeering en afpersing,
− namaak van producten en productpiraterij,
− vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten,
− vervalsing van betaalmiddelen,
− illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars,
−- illegale handel in nucleaire of radioactieve stoffen,
− handel in gestolen voertuigen,
− verkrachting,
− opzettelijke brandstichting,
− misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen,
− kaping van vliegtuigen en schepen,
− sabotage.
Schrappen
Amendement 14
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 14 – lid 2
2.    De Raad kan te allen tijde, met eenparigheid van stemmen en na raadpleging van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, besluiten andere categorieën van strafbare feiten aan de lijst van lid 1 toe te voegen. De Raad overweegt in het licht van het hem overeenkomstig artikel 27 van dit kaderbesluit voorgelegde verslag of de lijst moet worden uitgebreid of gewijzigd.
Schrappen
Amendement 15
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 14 – lid 3
3.    Ten aanzien van andere dan de in lid 1 genoemde strafbare feiten kan de tenuitvoerleggingsstaat de erkenning van de beslissing inzake toezichtmaatregelen afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de daaraan ten grondslag liggende feiten ook naar het recht van de tenuitvoerleggingsstaat een strafbaar feit vormen, ongeacht de bestanddelen of de omschrijving ervan.
Schrappen
Amendement 16
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 14 – lid 4
4.    Om grondwettelijke redenen kunnen de lidstaten bij de aanneming van dit kaderbesluit in een ter kennis van het secretariaat-generaal van de Raad te brengen verklaring meedelen dat zij lid 1 niet zullen toepassen op sommige of alle in dat lid vermelde strafbare feiten. Deze verklaring kan te allen tijde worden ingetrokken. De verklaring, evenals de intrekking ervan, worden in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.
Schrappen
Amendement 17
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 15 - lid 1 – letter d
d) de beslissing inzake toezichtmaatregelen, in de gevallen bedoeld in artikel 14, lid 3, en, indien de tenuitvoerleggingsstaat een verklaring op grond van artikel 14, lid 4, heeft afgelegd, in de gevallen bedoeld in artikel 14, lid 1, betrekking heeft op een feit dat volgens het recht van de tenuitvoerleggingsstaat niet strafbaar is; ter zake van belastingen, douanerechten en deviezen evenwel mag de tenuitvoerlegging van de beslissing niet worden geweigerd op grond van het feit dat de tenuitvoerleggingsstaat niet dezelfde soort belastingen heeft, of niet dezelfde soort regelgeving voor belastingen, douanerechten en deviezen, als de beslissingsstaat;
Schrappen
Amendement 18
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 21 – lid 1
1.   Indien de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing heeft uitgevaardigd, wordt de betrokkene aan de bevoegde autoriteit overgeleverd volgens de procedure van het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel.
1.   Indien de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat een aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd in geval van schending van de toezichtmaatregel , wordt de betrokkene aan de bevoegde autoriteit overgeleverd volgens de procedure van het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel.
Amendement 19
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 21 – lid 3
3.    Elke lidstaat kan, bij de omzetting van dit kaderbesluit of op een later tijdstip, aan het secretariaat-generaal van de Raad meedelen dat hij, wanneer over de overlevering van de betrokkene aan de beslissingsstaat wordt beslist, artikel 2, lid 1, van het kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel zal toepassen.
Schrappen
Amendement 20
Ontwerp van een kaderbesluit
Artikel 21 – lid 4
4.    Het secretariaat-generaal van de Raad stelt de ontvangen informatie ter beschikking van alle andere lidstaten en van de Commissie.
Schrappen
Amendement 21
Ontwerp van een kaderbesluit
Bijlage I − certificaat − letter f – punt 2
2.    Als de in punt 1 genoemde vermeende strafbare feiten een of meer van de volgende vermeende strafbare feiten − zoals omschreven in het recht van de beslissingsstaat − vormen die in de beslissingsstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel met een maximum van ten minste drie jaar, gelieve dit dan te bevestigen door de overeenkomstige vakken aan te kruisen:
− deelneming aan een criminele organisatie,
− terrorisme,
− mensenhandel;
− seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie;
− illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,
− illegale handel in wapens, munitie en explosieven,
− corruptie;
− fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen,
− witwassen van opbrengsten van strafbare feiten,
− valsemunterij, met inbegrip van namaak van de euro;
− cybercriminaliteit,
− milieumisdrijven, met inbegrip van de illegale handel in bedreigde diersoorten en de illegale handel in bedreigde planten- en boomsoorten,
− hulp bij illegale binnenkomst en illegaal verblijf,
− moord en doodslag, zware lichamelijke mishandeling,
−- illegale handel in menselijke organen en weefsels,
− ontvoering, wederrechtelijke vrijheidsberoving en gijzeling,
− racisme en vreemdelingenhaat,
− georganiseerde of gewapende diefstal,
− illegale handel in cultuurgoederen, waaronder antiquiteiten en kunstvoorwerpen,
− oplichting,
− racketeering en afpersing,
− namaak van producten en productpiraterij,
− vervalsing van administratieve documenten en handel in valse documenten,
− vervalsing van betaalmiddelen,
− illegale handel in hormonale stoffen en andere groeibevorderaars,
− illegale handel in nucleaire of radioactieve stoffen,
− handel in gestolen voertuigen,
− verkrachting,
− opzettelijke brandstichting,
− misdrijven die onder de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof vallen,
− kaping van vliegtuigen en schepen,
− sabotage.
Schrappen
Amendement 22
Ontwerp van een kaderbesluit
Bijlage I − certificaat − letter f – punt 3
3.    Voor zover de in punt 1 genoemde vermeende strafbare feiten niet onder punt 2 vallen, of de beslissing samen met het certificaat wordt toegezonden aan een lidstaat die heeft verklaard een dubbelestrafbaarheidstoets te zullen verrichten (artikel 14, lid 4, van het kaderbesluit), gelieve een volledige beschrijving van de vermeende strafbare feiten te geven:
Schrappen
Amendement 23
Ontwerp van een kaderbesluit
Bijlage I – certificaat − letter g – lid 3 – alinea 1 – streepje 3 bis (nieuw)
− de verplichting om in een bepaald aantal termijnen of in één keer, een som geld te storten of een andere vorm van zekerheid te stellen;
Amendement 24
Ontwerp van een kaderbesluit
Bijlage I – certificaat − letter g – lid 3 – alinea 2 – streepje 3
− de verplichting om in een bepaald aantal termijnen of in één keer, een som geld te storten of een andere waarborg te verstrekken;
Schrappen

(1) PB C 297 E van 20.11.2008, blz. 116.


Uitbreiding van de soorten kosten die voor een bijdrage uit het ESF in aanmerking komen ***I
PDF 66k   DOC 29k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1081/2006 betreffende het Europees Sociaal Fonds met het oog op de uitbreiding van de soorten kosten die voor een bijdrage uit het ESF in aanmerking komen (COM(2008)0813 – C6-0454/2008 – 2008/0232(COD) )
P6_TA(2009)0200 A6-0116/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0813 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 148 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0454/2008 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0116/2009 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het voorstel van de Commissie;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


EFRO, ESF en Cohesiefonds: bepalingen inzake financieel beheer ***
PDF 64k   DOC 30k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1083/2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds, wat een aantal bepalingen met betrekking tot het financiële beheer betreft (17575/2008 – C6-0027/2009 – 2008/0233(AVC) )
P6_TA(2009)0201 A6-0127/2009

(Instemmingsprocedure)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel voor een verordening van de Raad (COM(2008)0803 / 17575/2008),

–   gezien het verzoek van de Raad om instemming overeenkomstig artikel 161, lid 3, van het EG-Verdrag (C6-0027/2009 ),

–   gelet op artikel 75, lid 1, van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling van de Commissie regionale ontwikkeling en de adviezen van de Begrotingscommissie en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0127/2009 ),

1.   stemt in met het voorstel voor een verordening van de Raad;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Onderwijs aan migrantenkinderen
PDF 96k   DOC 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over onderwijs aan migrantenkinderen (2008/2328(INI) )
P6_TA(2009)0202 A6-0125/2009

Het Europees Parlement ,

–   gezien de artikelen 149 en 150 van het EG-Verdrag,

–   gezien artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien het Groenboek van de Commissie van 3 juli 2008 getiteld "Migratie en mobiliteit: uitdagingen en kansen voor Europese onderwijssystemen" (COM(2008)0423 ),

–   gezien Richtlijn 77/486/EEG van de Raad van 25 juli 1977 inzake het onderwijs aan de kinderen van migrerende werknemers(1) ,

–   gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(2) ,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 13 en 14 maart 2008,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 oktober 2005 over de integratie van immigranten in Europa dankzij meertalige scholen en onderwijs(3) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 27 september 2007 over doelmatigheid en rechtvaardigheid in de Europese onderwijs- en opleidingsstelsels(4) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 16 januari 2008 over volwasseneneducatie: een mens is nooit te oud om te leren(5) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 september 2008 over de verbetering van de kwaliteit van de lerarenopleiding(6) ,

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 februari 2009 over het Groenboek van de Commissie "Migratie en mobiliteit: uitdagingen en kansen voor Europese onderwijssystemen",

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0125/2009 ),

A.   overwegende dat de Europese Raad van 13 en 14 maart 2008 de lidstaten heeft opgeroepen ervoor te zorgen dat leerlingen met een migrantenachtergrond beter gaan presteren,

B.   overwegende dat het Europees Jaar van de interculturele dialoog 2008 het juiste moment vormde om het debat over de uitdagingen en kansen voor Europese onderwijssystemen op gang te brengen,

C.   overwegende dat migratie binnen de Unie en immigratie naar de Unie de laatste decennia zijn toegenomen, waardoor op veel plaatsen de samenstelling van scholen is veranderd,

D.   overwegende dat de verstandhouding en dialoog tussen leerlingen en tussen leerlingen en leraren vaak wordt bemoeilijkt door culturele verschillen,

E.   overwegende dat duidelijk is bewezen dat het opleidingsniveau van migrantenkinderen aanmerkelijk lager ligt dan dat van andere kinderen; en overwegende dat op scholen veel kinderen met een migrantenachtergrond zich in een moeilijke sociaaleconomische situatie bevinden,

F.   overwegende dat de samenleving als geheel in sociaal, cultureel en economisch opzicht wordt benadeeld doordat de talenten van migrantenkinderen vaak onopgemerkt en ongebruikt blijven,

G.   overwegende dat schoolonderwijs tot een bepaalde leeftijd een basisrecht en een verplichting voor kinderen is, ongeacht hun achtergrond, zoals vastgelegd in artikel 14 van het Handvest van de grondrechten en dat de nationale schoolwetten moeten worden nagekomen,

H.   overwegende dat de inhoud en organisatie van onderwijs en opleiding tot de nationale bevoegdheden behoren en dat strategieën moeten worden vastgesteld en uitgevoerd op nationaal of regionaal niveau,

I.   overwegende dat migratie in culturele en onderwijskundige zin een verrijking voor scholen kan betekenen, maar dat het tot ernstige verdeeldheid kan leiden wanneer het niet op de juiste wijze wordt aangepakt,

J.   overwegende dat de lidstaten hun nationale onderwijs- en opleidingsstelsels moeten hervormen en dat zij in onderlinge samenwerking de beleidsinstrumenten moeten ontwikkelen die nodig zijn om de gevolgen van migratie te beheersen,

K.   overwegende dat de groeiende diversiteit van de schoolpopulatie, die het gevolg is van de toegenomen migratie, een uitdaging voor de leraren vormt, die echter niet wordt geleerd hoe ze op de juiste wijze moeten omgaan met deze nieuwe vorm van diversiteit in de klaslokalen,

1.   is blij met het reeds aangehaalde Groenboek van de Commissie van 3 juli 2008;

2.   is van mening dat de Commissie terecht niet alleen de gevolgen onderzoekt die migratie binnen de Unie voor de onderwijssystemen van de lidstaten heeft, maar ook de gevolgen van de immigratie naar de Unie;

3.   benadrukt dat werknemers in de Unie wellicht minder bereid zijn in het buitenland te werken als het risico bestaat dat hun kinderen minder goed onderwijs krijgen en dat bevredigend onderwijs voor migrantenkinderen gerelateerd is aan het vrije verkeer van werknemers;

4.   is van oordeel dat meer inspanningen in EU-verband nodig zijn omdat alle lidstaten wat dit betreft voor soortgelijke uitdagingen staan; herinnert eraan dat het percentage migrantenkinderen op scholen in de toekomst vermoedelijk zal stijgen;

5.   herinnert eraan dat de oprichting van geïntegreerde centra voor de ondersteuning van legale immigranten van groot belang is, omdat immigranten op die manier met hulp van een deskundige alle obstakels voor integratie kunnen slechten (d.w.z. arbeidsgerelateerde onderwerpen, onderwijs, gezondheid, enz.);

6.   moedigt de ontwikkeling aan in de lidstaten van het partnerschapmodel school – gemeenschap, waarin kinderen van in het buitenland werkende ouders, kunnen profiteren van een programma voor hulp, ondersteuning en raad van de kant van de gemeenschap;

7.   stelt met nadruk dat migrantenkinderen en volwassen migranten de mogelijkheid moeten hebben de taal van het gastland te leren met het oog op volledige integratie en van deze mogelijkheid gebruik moeten maken;

8.   verzoekt de regeringen van de lidstaten onderwijs voor kinderen van legale migranten te waarborgen, met inbegrip van het leren van de officiële taal van het gastland, maar ook van het bevorderen van de moedertaal en de cultuur van het land van herkomst;

9.   is de mening toegedaan dat het zeer belangrijk is dat de ouders van migrantenkinderen, met name hun moeders, worden betrokken bij de leerprogramma's van de officiële taal van het gastland, om niet los te raken van de maatschappij en om hun kinderen te kunnen helpen op school te integreren;

10.   is van mening dat het behoud en de bevordering van meertaligheid een onderdeel moet vormen van elk onderwijsprogramma; dringt erop aan dat taalverwerving reeds vóór de schoolgaande leeftijd wordt gestimuleerd om de inclusie van migranten te versterken; is echter van oordeel dat de plaats in het curriculum en de inrichting van het moedertaalonderwijs nadrukkelijk aan de lidstaten moeten worden overgelaten;

11.   wenst dat ten aanzien van kinderen die meegaan met hun ouders die met het oog op werk naar een andere lidstaat verhuizen de moeilijkheden worden aangepakt die zij ondervinden bij het inschrijven op school, op het niveau dat overeenkomt met dat wat zij hebben gevolgd in hun land van herkomst;

12.   beklemtoont hoe belangrijk de directe betrokkenheid van gezinnen en andere leden van de lokale gemeenschap is, omdat sociale integratie de verantwoordelijkheid van de hele gemeenschap is, en niet alleen van scholen; onderstreept dat instanties die immigranten op sociaal gebied adviseren, moeten worden aangemoedigd samen te werken zodat zij beter voorlichting kunnen geven over onderwijs en beroepsopleiding, met het oog op de vereisten van de arbeidsmarkt in het gastland;

13.   erkent dat het maatschappelijk middenveld een belangrijke rol speelt bij het ondersteunen van migranten, en dat het, naast het officiële onderwijssysteem, in belangrijke mate kan bijdragen aan vraagstukken als bijvoorbeeld het onderwijs in de taal van het gastland;

14.   onderstreept de noodzaak om migranten en maatschappelijke groepen als Roma, in de samenleving te integreren; benadrukt dat integratie gebaseerd moet zijn op het beginsel van gelijke kansen in het onderwijs, waarbij gelijke toegang tot kwaliteitsonderwijs wordt verschaft; wijst alle – tijdelijke of permanente – oplossingen af die berusten op of leiden tot segregatie en gebrekkig onderwijs;

15.   onderstreept het belang van het ontwikkelen van vaardigheden in interculturele communicatie bij zowel migrantenkinderen als kinderen uit het gastland, en gelooft dat het vermogen om de eigen cultuur door te geven en de cultuur en waarden van anderen te begrijpen een kernelement zal vormen van de sleutelcompetentie: "cultureel bewustzijn en culturele expressie";

16.   stelt voor dat legale migranten aanvullende financiële en administratieve ondersteuning voor taalcursussen krijgen van geschoold personeel dat de moedertaal van de migranten begrijpt;

17.   beklemtoont hoe belangrijk het is dat migrantenkinderen reeds vóór de schoolgaande leeftijd hun moedertaal leren en de taal van het land waar zij verblijven, en leren lezen en schrijven;

18.   erkent hoe belangrijk het is lesuren in het schoolprogramma in te voeren die in de moedertaal van de migranten worden gegeven, met het oog op het behoud van hun culturele erfgoed;

19.   benadrukt het belang van sport in onderwijs en opleiding en de grote rol die sport speelt in de integratie en sociale inclusie van mensen met een minder bevoorrechte achtergrond; raadt de lidstaten aan in hun sociaal beleid volledig rekening te houden met de belangrijke rol die sport heeft voor de integratie van migranten;

20.   onderstreept het belang van het betrekken van migrantenjongeren bij diverse buitenschoolse activiteiten, die een krachtig middel voor sociale integratie vormen;

21.   onderstreept dat hoe eerder en hoe succesvoller migrantenkinderen en -jongeren op school integreren, hoe beter zij presteren op school, in het vervolgonderwijs en op de arbeidsmarkt; is sterk van mening dat het volgen van kleuteronderwijs de kans daarop aanzienlijk verbetert en roept de lidstaten daarom op de participatiegraad van migrantenkinderen in het kleuteronderwijs te vergroten;

22.   raadt de lidstaten aan om de vorming van gettoscholen en speciale klassen voor migrantenkinderen te vermijden, en een inclusief onderwijsbeleid te bevorderen dat kinderen indeelt naar hun scholingsniveau, maar ook naar hun individuele behoeften;

23.   acht het noodzakelijk dat het schoolprogramma in scholen waarin migrantenkinderen onderwijs volgen met meer aandacht voor de behoeften van deze kinderen wordt opgesteld, en dat ook de onderwijzers zijn toegerust met interculturele vaardigheden, die hen in staat moeten stellen om de diversiteit op scholen zo goed mogelijk op te pakken;

24.   stelt met nadruk dat volwasseneneducatie voor migranten de integratie van volwassen migranten en hun kinderen kan bevorderen en benadrukt daarom de noodzaak van het krachtig stimuleren van "levenslang leren" voor migrantenouders;

25.   is bezorgd over het hoge percentage vroegtijdige schoolverlaters onder migrantenkinderen en is van mening dat de nodige inspanningen moeten worden verricht om ervoor te zorgen dat migrantenkinderen hun opleiding afmaken;

26.   benadrukt dat een kwalitatief hoogstaand onderwijssysteem toegankelijk moet zijn voor iedereen;

27.   is ervan overtuigd dat maatregelen om het onderwijs aan migrantenkinderen te verbeteren, gunstig uitwerken voor de samenleving als geheel;

28.   is van mening dat leraren tijdens hun opleiding moeten worden toegerust voor diversiteit en multicultureel en meertalig onderwijs en dat lerarenopleidingen een interdisciplinair karakter moeten hebben;

29.   moedigt mobiliteitsprogramma's aan voor leraren uit het land van herkomst, om het contact van migrantenjongeren met de cultuur en beschaving van hun land van herkomst te faciliteren;

30.   benadrukt dat de kwaliteit van lerarenopleidingen moet worden vergroot door te werken met gerichte lerarenopdrachten;

31.   onderstreept in dit verband het belang van lerarenmobiliteit als een integraal onderdeel van lerarenopleidingen; is van mening dat leraren de mogelijkheid moeten hebben om een of twee semesters op een buitenlandse gastuniversiteit door te brengen;

32.   is van mening dat scholen uit het buitenland afkomstige leraren nodig hebben, omdat zij voor hun collega's een belangrijke bron van ervaring en voor probleemkinderen een rolmodel kunnen zijn en als voorbeeld van succesvolle sociale integratie kunnen dienen;

33.   onderstreept hoe belangrijk het is dat leraren speciale scholing ontvangen met aandacht voor de speciale situatie van migrantenkinderen, de noodzaak om hen met succes in de gangbare onderwijssystemen te integreren en hun opleidingsniveau te verbeteren;

34.   benadrukt hoe noodzakelijk het is om te zorgen voor psychologische counselors, om migrantenkinderen en -jongeren te helpen de cultuurschok te boven te komen en zich aan te passen aan de gastsamenleving;

35.   stelt de ontwikkeling door iedere lidstaat voor van een aantal onderwijsprogramma's voor de verdieping van de kennis over de rechten van de mens, met de nadruk op gelijkheid, inclusie en vrijheid van personen, om de xenofobie en segregatie te voorkomen, die zich in het geval van migranten en hun kinderen onvermijdelijk schijnen voor te doen en zeer snel om zich heen kunnen grijpen;

36.   beklemtoont dat alle migranten en personen zonder migratieachtergrond gelijk moeten worden behandeld; is van mening dat schoolinstellingen en afzonderlijke leraren diversiteit als een normaal verschijnsel moeten beschouwen, elk individu met respect moeten behandelen en migranten de steun moeten geven die zij nodig hebben;

37.   erkent de waarde van informeel onderwijs als een manier om jonge immigranten waardevolle vaardigheden te verschaffen die een aanvulling vormen op de vaardigheden die op school zijn verworven, en doet een oproep aan scholen om intensiever samen te werken met aanbieders van informeel onderwijs, zoals jongerenorganisaties;

38.   herhaalt dat ingevolge Richtlijn 2000/43/EG discriminatie op grond van ras en etnische afkomst in het onderwijs is verboden, en roept ertoe op om discriminatie op wat voor grond dan ook, inclusief nationaliteit en verblijfsstatus, in het onderwijs onwettig te verklaren;

39.   erkent dat de huidige bepalingen van Richtlijn 77/486/EEG niet stroken met de nieuwe sociale realiteit van de Unie; verleent krachtige steun aan het raadplegingsproces dat de Commissie in gang heeft gezet;

40.   benadrukt dat diversiteit op scholen moet worden bevorderd en speciale aandacht en steun moet worden gegeven aan de meest kwetsbare migrantengroepen, in het bijzonder aan migrantenmeisjes;

41.   is van mening dat Richtlijn 77/486/EEG dient te worden gewijzigd en ook moet gaan over het onderwijs aan kinderen die onderdanen zijn van niet-lidstaten of kinderen waarvan de ouders geen onderdaan van een lidstaat zijn;

42.   erkent het belang van de EU-wetgeving waarmee ook de onderwijsrechten van studenten die geen onderdaan van een lidstaat zijn gewaarborgd worden, zoals bijvoorbeeld Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden(7) en Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen(8) ; nodigt de Commissie uit een waakzaam oog te houden op elke maatregel of actie van lidstaten waarmee verworven rechten worden beknot of opgeheven;

43.   wenst dat scholen met een hoog percentage immigrantenkinderen het benodigde personeel en de voorzieningen krijgen die hen in staat stellen de diverse samenstelling van de klassen te hanteren en goed onderwijs te bieden; verzoekt de Commissie en de Raad tussen de lidstaten een dialoog op gang te brengen in het kader van de open coördinatiemethode om op die manier beste praktijken uit te wisselen en een gemeenschappelijke agenda op te stellen om de tekortkomingen in het onderwijs aan migranten weg te nemen;

44.   roept de Commissie op geregeld verslag te doen van de voortgang wat betreft de integratie van migrantenkinderen in het schoolsysteem van de lidstaten;

45.   is van mening dat grote steden de vrijheid moeten krijgen en benutten om het beleid ter bevordering van integratie van migrantenkinderen te coördineren in samenhang met beleid en organisatie op de terreinen huisvesting, (kinder)opvang, arbeidsmarkt, gezondheid en welzijn, welke terreinen alle hun bewezen invloed hebben op de onderwijsresultaten en het maatschappelijke integratie van migrantenkinderen;

46.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 199 van 6.8.1977, blz. 32.
(2) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(3) PB C 233 E van 28.9.2006, blz. 121.
(4) PB C 219 E van 28.8.2008, blz. 300.
(5) PB C 41 E van 19.2.2009, blz. 46.
(6) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0422 .
(7) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(8) PB L 16 van 23.1.2004, blz. 44.


Recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden
PDF 150k   DOC 81k
Resolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (2008/2184(INI) )
P6_TA(2009)0203 A6-0186/2009

Het Europees Parlement ,

–   gezien artikel 18 van het EG-Verdrag en artikel 45 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (het Handvest van de Grondrechten),

–   gezien Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden(1) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 november 2007 over de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG(2) , waarin de Commissie werd gevraagd om zonder uitstel een volledige evaluatie van de uitvoering en omzetting van de richtlijn door de lidstaten voor te leggen, samen met eventuele noodzakelijke voorstellen, en waarin de bevoegde commissie opdracht werd gegeven een evaluatie op te stellen van de problemen bij de omzetting van de richtlijn om de best mogelijke werkwijzen te belichten en op maatregelen te wijzen die discriminatie tussen burgers van de Unie tot gevolg kunnen hebben, en in te gaan op de kwestie van vrijheid van verkeer,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 december 2003 over het nemen van maatregelen met betrekking tot de repatriëring van het lichaam van overledenen(3) ,

–   gezien het werkdocument van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van 13 juni 2008(4) , de vragenlijst die is verzonden naar de nationale parlementen van de lidstaten en de daarop ontvangen feedback,

–   gezien het verslag over het bezoek aan gesloten detentiecentra voor asielzoekers en immigranten in België door een delegatie van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken(5) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 februari 2009 over de uitvoering in de EU van Richtlijn 2003/9/EG over de opvang van asielzoekers en vluchtelingen: bezoeken van de LIBE-commissie van 2005-2008(6) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 juli 2008 over de telling van Roma op grond van etniciteit in Italië(7) , het advies van zijn Juridische Dienst inzake de verenigbaarheid van verzwarende omstandigheden voor EU-burgers die illegaal in een andere lidstaat verblijven en het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken over een delegatiebezoek aan Italië,

–   gezien het verslag van de Commissie van 15 februari 2008 getiteld "Vijfde verslag over het burgerschap van de Unie (1 mei 2004 – 30 juni 2007)" (COM(2008)0085 ),

–   gezien het 25e Jaarverslag van de Commissie van 18 november 2008 over de controle op de toepassing van het gemeenschapsrecht (2007) (COM(2008)0777 ),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 2 april 2009 over de problemen en perspectieven van het Europees burgerschap(8) ,

–   gezien het verslag van het Europees Bureau voor de grondrechten getiteld "Homophobia and Discrimination on Grounds of Sexual Orientation in the Member States" (Homofobie en discriminatie op basis van seksuele geaardheid in de lidstaten),

–   gezien het verslag van de Commissie van 10 december 2008 over de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (COM(2008)0840 ) (het verslag van de Commissie),

–   gezien de conclusies van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken van 27 november 2008 over "Misbruik en oneigenlijk gebruik van het recht van vrij verkeer van personen",

–   gezien de arresten van het Europees Hof van Justitie (EHvJ) met betrekking tot burgerschap van de Unie en vrij verkeer van personen, zoals de zaken C-127/08 (zaak Metock), C-33/07 (zaak Jipa) en C-524/06 (zaak Huber),

–   gezien het ontwerp van het tussentijdse verslag over het vergelijkend onderzoek inzake de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, dat op verzoek van de Commissie juridische zaken is uitgevoerd door de Actie Service Europese Staatsburgers (ECAS),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A6-0186/2009 ),

A.   overwegende dat volgens bovengenoemd vijfde verslag over het burgerschap van de Unie op 1 januari 2006 zo'n 8,2 miljoen burgers van de Unie gebruikmaakten van hun recht om in een andere lidstaat te verblijven en overwegende dat miljoenen burgers van de Unie elk jaar binnen de Unie reizen,

B.   overwegende dat vrijheid van verkeer onlosmakelijk verbonden is met het concept van mensenrechten en burgerschap van de Unie en een van de grondrechten en vrijheden van de burgers van de Unie vormt die worden erkend door de Verdragen,

C.   overwegende dat Richtlijn 2004/38/EG de in de Verdragen vastgelegde beginselen uitvoert door te garanderen dat de burgers van de Unie zich vrij mogen verplaatsen door de gehele Unie, samen met hun familieleden, ongeacht waar zij vandaan komen,

D.   overwegende dat de lidstaten verplicht waren Richtlijn 2004/38/EG uiterlijk 30 april 2006 om te zetten, en overwegende dat de Commissie haar verslag over de toepassing van de richtlijn uiterlijk 30 april 2008 zou presenteren,

E.   overwegende dat bijna vijf jaar na de aanneming van Richtlijn 2004/38/EG eindelijk informatie over de omzetting en praktische toepassing ervan beschikbaar komt, zij het met enige vertraging ten opzichte van de in de richtlijn gestelde uiterste termijnen,

F.   overwegende dat het Parlement herhaaldelijk zijn bezorgdheid heeft geuit over de manier waarop bepaalde lidstaten de vrijheid van verkeer ten uitvoer leggen,

G.   overwegende dat er onlangs een constructieve dialoog tot stand is gebracht tussen de Commissie, het Parlement en bepaalde lidstaten,

H.   overwegende dat deze dialoog ervoor heeft gezorgd dat de nationale wetgeving in enige mate is gewijzigd, om deze in overeenstemming te brengen met de EG-wetgeving,

I.   overwegende dat de algehele omzetting van Richtlijn 2004/38/EG volgens het verslag van de Commissie teleurstellend is, aangezien geen enkele lidstaat de richtlijn daadwerkelijk en correct in zijn geheel heeft omgezet en bovendien geen enkel artikel van de richtlijn door alle lidstaten daadwerkelijk en correct is omgezet,

J.   overwegende dat in het verslag van de Commissie onder meer wordt gewezen op twee belangrijke voortdurende schendingen van de basisrechten van de burgers van de Unie, in het bijzonder het recht op binnenkomst en verblijf van familieleden uit derde landen en de verplichting voor burgers van de Unie om bij hun aanvraag voor een verblijfsvergunning aanvullende documenten, zoals een werkvergunning of een huisvestingsverklaring, te verstrekken die niet worden genoemd in Richtlijn 2004/38/EG;

K.   overwegende dat de Commissie tot nu toe meer dan 1 800 individuele klachten, 40 vragen van het Parlement en 33 verzoekschriften heeft ontvangen en dat zij op basis daarvan 115 klachten heeft geregistreerd en vijf inbreukprocedures heeft ingeleid wegens onjuiste toepassing van Richtlijn 2004/38/EG,

L.   overwegende dat de Commissie in haar verslag van oordeel is dat het in dit stadium niet nodig is Richtlijn 2004/38/EG te wijzigen, maar dat er extra inspanningen moeten worden verricht om de correcte tenuitvoerlegging ervan te bewerkstelligen, door middel van de oprichting van een groep van deskundigen, het verzamelen van informatie, gegevens en beste praktijken via een vragenlijst en het opstellen van richtsnoeren met betrekking tot problematische kwesties in 2009 om te zorgen voor correcte en volledige toepassing,

M.   overwegende dat een aantal nationale parlementen de vragenlijst van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken heeft beantwoord (9) , terwijl in bepaalde lidstaten beide parlementaire kamers de vragenlijst hebben ingevuld(10) ,

N.   overwegende dat vertegenwoordigers van nationale parlementen de gelegenheid hebben gehad hun standpunten verder toe te lichten tijdens de vergadering van het Gemengd Comité over vooruitgang in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid die plaatsvond op 19 en 20 januari 2009,

O.   overwegende dat zijn Juridische Dienst, die over dit onderwerp is geraadpleegd door de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, heeft geconcludeerd dat "de desbetreffende bepalingen van het communautair recht zich verzetten tegen een nationale wetgeving waarin het enkele feit dat de persoon in kwestie onderdaan is van een lidstaat en illegaal aanwezig is op het grondgebied van een andere lidstaat, wordt beschouwd als een algemene verzwarende omstandigheid ten aanzien van een begane misdaad of delict",

P.   overwegende dat de uitspraken van het EHvJ inzake het vrij verkeer, en in het bijzonder de zaken Metock, Jipa en Huber, de volgende beginselen hebben bevestigd:

   op een staatsburger van een land buiten de Gemeenschap die is getrouwd met een EU-burger en deze burger begeleidt of zich bij deze burger voegt, zijn de bepalingen van de richtlijn onverminderd van toepassing, ongeacht waar en wanneer hun huwelijk is voltrokken en onafhankelijk van eerder legaal verblijf van deze echtgeno(o)t(e) binnen de Unie(11) ;
   hoewel artikel 18 van het EG-Verdrag en artikel 27 van Richtlijn 2004/38/EG niet in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die het mogelijk maakt, het recht van een burger van een lidstaat om naar een andere lidstaat te reizen, te beperken, met name op grond dat hij daaruit eerder is uitgezet wegens "illegaal verblijf", is dit alleen toegestaan op voorwaarde dat het persoonlijk gedrag van die burger een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast en dat de voorgenomen beperkende maatregel geschikt is om het ermee beoogde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van dat doel, waarbij het aan de nationale rechter is om vast te stellen of dit in de bij hem aanhangige zaak het geval is(12) ;
   artikel 12, lid 1 van het EG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan de invoering door een lidstaat van een systeem van verwerking van persoonsgegevens speciaal voor burgers van de Unie die niet de nationaliteit van die lidstaat bezitten, met als doel de bestrijding van de criminaliteit(13) ,

Q.   overwegende dat volgens bovengenoemd verslag over een bezoek aan gesloten detentiecentra voor asielzoekers en immigranten in België "het vasthouden van EU-burgers in detentiecentra voor onderdanen van derde landen die illegaal in het land verblijven, [...] aanstootgevend en buiten proporties [is], met name als het gaat om eenvoudige overtredingen van administratieve aard. De cijfers die hierover zijn verstrekt door de Belgische autoriteiten, zijn zorgwekkend",

R.   overwegende dat de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken in zijn eerder genoemde conclusies van 27 november 2008 de Commissie heeft verzocht om begin 2009 richtsnoeren voor de interpretatie van Richtlijn 2004/38/EG bekend te maken en zich te beraden op andere passende en noodzakelijke maatregelen,

S.   overwegende dat, op basis van de verzamelde informatie, in het bijzonder de antwoorden van de nationale parlementen op de vragenlijst van het Parlement, die helaas niet uitputtend is en niet alle lidstaten omvat, en in aanvulling op het verslag van de Commissie, de volgende belangrijke probleemgebieden zijn aangewezen:

   beperkende interpretatie door de lidstaten van de begrippen "familielid" (artikel 2), "andere familieleden" en "partner" (artikel 3), in het bijzonder met betrekking tot partners van hetzelfde geslacht, en hun recht op vrij verkeer op grond van Richtlijn 2004/38/EG(14) ;
   ongerechtvaardigde administratieve lasten die worden opgelegd met betrekking tot de toelating en het verblijf van familieleden uit derde landen(15) ;
   de interpretatie door de lidstaten van "voldoende bestaansmiddelen" zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, onder b van Richtlijn 2004/38/EG is vaak onduidelijk, aangezien de meeste lidstaten eisen dat er bewijs wordt geleverd van de beschikking over voldoende bestaansmiddelen; de betekenis van "onredelijke belasting voor het socialebijstandsstelsel van het gastland" en of, en in welke gevallen, moet worden besloten een EU-burger die een onredelijke belasting is gaan vormen moet worden uitgezet (artikel 14, overweging 10), is in veel lidstaten eveneens onzeker(16) ;
   de interpretaties door de lidstaten van de formulering "ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid" en in welke gevallen en op welke gronden deze een uitzettingsbevel kunnen rechtvaardigen (art. 27 en 28) verschillen per lidstaat, zijn onduidelijk en kunnen leiden tot misbruik (gericht op burgers van een bepaalde lidstaat), waarbij het soms twijfelachtig is of ze in overeenstemming zijn met Richtlijn 2004/38/EG (b.v. als het gaat om automatische uitzettingsmechanismen)(17) ;
   burgers van de Unie worden vaak verplicht aan de autoriteiten van de ontvangende lidstaat ongerechtvaardigde aanvullende documenten te verstrekken die niet zijn vastgelegd in Richtlijn 2004/38/EG(18) ;
   het recht en de praktijk met betrekking tot misbruik van rechten en schijnhuwelijken,

T.   overwegende dat er in sommige lidstaten belangrijke verschillen bestaan tussen de identiteitspapieren van de inwoners van dat land en die van EU-burgers afkomstig uit een andere lidstaat, waardoor deze personen problemen ondervinden om hun hoedanigheid als verblijvende inwoners van de Unie aan te tonen, wat hen aanzienlijk hindert bij de praktische uitoefening van hun rechten en bij hun integratie in het sociale en commerciële leven,

U.   overwegende dat de gebrekkige omzetting van Richtlijn 2004/38/EG tot uitvoering van artikel 18 van het EG-Verdrag door de lidstaten veroordeeld zou moeten worden en overwegende dat een dergelijke situatie, zo zij al niet de effectiviteit en de noodzakelijkheid van de richtlijn zelf ondermijnt, leidt tot een verzuim in de toepassing van een van de belangrijkste rechten waarop de EU is gebaseerd en die aan de burgers van de Unie worden verleend door de Verdragen,

V.   overwegende dat mobiele werknemers uit de landen die in 2004 en 2007 tot de EU zijn toegetreden volgens de mededeling van de Commissie van 18 november 2008 over het effect van het vrij verkeer van werknemers in de context van de uitbreiding van de EU (COM(2008)0765 ) tijdens de eerste fase (1 januari 2007 – 31 december 2008) van de overgangsmaatregelen een positief effect hebben gehad op de economieën van de lidstaten,

W.   overwegende dat vier lidstaten van de EU-15 hun arbeidsmarkt niet hebben opengesteld voor werknemers uit de EU-8-lidstaten,

X.   overwegende dat elf lidstaten de Commissie in kennis hebben gesteld van hun besluit om na 1 januari 2009 beperkingen te zullen blijven toepassen ten aanzien van onderdanen van Roemenië en Bulgarije,

Toepassing van Richtlijn 2004/38/EG

1.   verzoekt de lidstaten de geest en letter van artikel 18 van het EG-Verdrag en artikel 45 van het Handvest van de Grondrechten, die de burgers van de Unie het grondrecht van vrij verkeer verlenen, te respecteren door Richtlijn 2004/38/EG met spoed en onverkort uit te voeren en onverwijld de wetgeving en administratieve praktijken die in strijd zijn met de EG-wetgeving te herzien, in het bijzonder op basis van het verslag van de Commissie en de jurisprudentie van het EHvJ; merkt op dat verschillende wettelijke bepalingen van de meeste lidstaten in tegenspraak zijn met de letter en de geest van de richtlijn, waardoor de rechten inzake vrij verkeer en het EU-burgerschap worden ondermijnd, en dat nationale administratieve praktijken maar al te vaak grote obstakels zijn voor de uitoefening door de burgers van hun rechten;

2.   verzoekt de lidstaten onverkort uitvoering te geven aan de rechten die worden verleend op grond van artikel 2 en 3 van Richtlijn 2004/38/EG, niet alleen voor echtgenoten van verschillend geslacht, maar ook voor geregistreerde partners, leden van het huishouden en partners, inclusief koppels van hetzelfde geslacht en ongeacht hun nationaliteit, op basis van de beginselen van wederzijdse erkenning, gelijkheid, non-discriminatie, waardigheid en privé- en gezinsleven; verzoekt de lidstaten te bedenken dat de richtlijn de verplichting inhoudt om het vrij verkeer van alle burgers van de Unie (met inbegrip van partners van hetzelfde geslacht) te erkennen, zonder dat zij de erkenning van huwelijken tussen personen van hetzelfde geslacht voorschrijft; verzoekt de Commissie in dit verband strikte richtsnoeren op te stellen, voortbouwend op de analyse en conclusies in het verslag van het Bureau voor de grondrechten;

3.   verzoekt de Commissie om in het kader van het programma van Stockholm passende voorstellen in te dienen teneinde het vrij verkeer te garanderen zonder discriminatie op de in artikel 13 van het EG-Verdrag genoemde gronden, en zich hierbij te baseren op de analyse en de conclusies van het verslag van het Bureau voor de grondrechten;

4.   verzoekt de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van het recht op vrij verkeer de burgers van de Unie en hun familieleden geen ongerechtvaardigde administratieve lasten op te leggen die niet uitdrukkelijk zijn vermeld in Richtlijn 2004/38/EG, aangezien deze in strijd zijn met het Gemeenschapsrecht en een ongerechtvaardigde belemmering vormen voor de uitoefening van een vrijheid die rechtstreeks wordt verleend door het EG-Verdrag en die niet afhankelijk is van de afronding van administratieve procedures; herinnert de lidstaten aan hun plicht de administratieve praktijken die gekoppeld zijn aan de uitoefening van het recht op vrij verkeer te vergemakkelijken en verzoekt de lidstaten alle administratieve en gerechtelijke besluiten die op artikel 3, lid 2 van de richtlijn zijn gebaseerd, te volgen en te rapporteren; herinnert de lidstaten aan hun verplichting om de inreis van uit derde landen afkomstige familieleden van EU-burgers te vergemakkelijken, opdat zij een normaal familieleven kunnen leiden in de gastlidstaat;

5.   verzoekt de lidstaten de vorm van de persoonlijke identiteitspapieren, indien die bestaan, van de inwoners van de lidstaat en de EU-burgers uit andere lidstaten te harmoniseren, zonder daarbij de inhoudelijke verschillen uit het oog te verliezen(19) ;

6.   nodigt de Commissie uit zorgvuldig te controleren of de wetten en praktijken van de lidstaten de door het EG-Verdrag en de richtlijn aan de burgers van de Unie verleende rechten niet schenden, in het bijzonder met betrekking tot de begrippen "voldoende bestaansmiddelen, "onredelijke belasting voor het socialebijstandsstelsel van het gastland" en "ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid", en of materiële en procedurele waarborgen, bescherming en rechtsmiddelen tegen uitzetting in voldoende mate bestaan en functioneren; herinnert eraan dat elke beperking van het grondrecht op vrij verkeer strikt moet worden geïnterpreteerd;

7.   merkt op dat onderdanen van bepaalde lidstaten en etnische gemeenschappen in sommige andere lidstaten het mikpunt schijnen te zijn en benadrukt dat zij Richtlijn 2004/38/EG moeten uitvoeren zonder tussen burgers van de Unie en hun familieleden te discrimineren op een van de gronden die in artikel 21 van het Handvest van de grondrechten worden genoemd; verzoekt de Commissie, de Raad en alle lidstaten er met name voor te zorgen en te controleren dat feitelijk noch rechtens op grond van nationaliteit, ras, etnische afkomst wordt gediscrimineerd;

8.   merkt op dat de om redenen van openbare orde of openbare veiligheid genomen maatregelen in overeenstemming moeten zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd mogen zijn op het gedrag van betrokkene, en dat dit gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving moet vormen; verzoekt de lidstaten in dit verband om een herziening van alle signaleringen die tegen burgers van de Unie en hun familieleden zijn uitgevaardigd met het oog op weigering van toegang(20) ; herinnert eraan dat uitzonderingen om redenen van de openbare orde niet mogen worden gebruikt om economische doeleinden te dienen of algemene preventieve doelstellingen na te streven;

9.   merkt op dat niet alle lidstaten artikel 35 van Richtlijn 2004/38/EG ten uitvoer hebben gelegd, dat hen in staat stelt de noodzakelijke maatregelen te nemen om rechten op vrij verkeer te weigeren, te beëindigen of in te trekken in het geval van misbruik van rechten of fraude, zoals schijnhuwelijken, op voorwaarde dat dergelijke maatregelen proportioneel en niet-discriminerend zijn en de procedurele waarborgen worden gerespecteerd, en vraagt aandacht voor de mogelijkheden die dit artikel biedt;

10.   verzoekt de Commissie toe te zien op naleving in de praktijk van artikel 24 van Richtlijn 2004/38/EG inzake gelijke behandeling en het verbod op discriminatie op basis van nationaliteit, in verband met de overwegingen 20 en 31 van die richtlijn en artikel 21 van het Handvest van de Grondrechten, die burgers van de Unie en hun familieleden die naar een andere lidstaat verhuizen recht geven op dezelfde behandeling als staatsburgers van die lidstaat op alle gebieden die binnen de werkingssfeer van het EG-Verdrag vallen, en roept de lidstaten op de noodzakelijke maatregelen te nemen om de tekortkomingen op zo kort mogelijke termijn op te lossen en zo snel mogelijk een einde te maken aan de schendingen van het Gemeenschapsrecht;

11.   roept op tot herziening van de overgangsregelingen die op dit moment nog steeds beperkingen van het vrije verkeer van werknemers, staatsburgers van de lidstaten die op 1 mei 2004 en op 1 januari 2007 tot de EU zijn toegetreden, mogelijk maken, en die een aanzienlijke discriminatie tussen burgers van de Unie inhouden; roept op om de begunstigingsclausule voor alle EU-burgers te doen gelden en de interne markt te voltooien;

12.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/38/EG rekening te houden met potentiële discriminerende effecten van socialezekerheidsregels en de toegang tot diensten van algemeen belang, die een belemmering zouden kunnen vormen voor het vrij verkeer;

13.   verzoekt de Raad een strategie uit te stippelen om te zorgen voor vrij verkeer van EU-burgers en arbeidskrachten en hun toegang tot de arbeidsmarkt in de gastlidstaten, de positieve resultaten en gevolgen te publiceren van het vrije verkeer van burgers en werknemers voor de gastlidstaten en de EU, en verzoekt de Commissie een onderzoek in te stellen om de huidige en toekomstige tekorten aan arbeidskrachten in de EU in kaart te brengen en te laten zien in hoeverre het feit dat arbeidskrachten uit alle Lidstaten onverkort toegang tot de EU-arbeidsmarkt toegang hebben, een positieve bijdrage aan een duurzame economische groei kan leveren;

14.   roept de Commissie en de lidstaten op de beperkingen, restricties en huidige termijnen die in Richtlijn 2004/38/EG zijn neergelegd voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer zoals bedoeld in artikel 39 daarvan, te herzien en het effect te analyseren van het afschaffen van de huidige discriminatie tussen burgers van de Unie als het gaat om hun volledige uitoefening van hun rechten op vrij verkeer en de burgerrechten van de Unie zoals die zijn vastgelegd in het Verdrag;

Methodologie om tenuitvoerlegging te garanderen

15.   merkt op dat uit de onbevredigende omzetting van Richtlijn 2004/38/EG blijkt dat de Commissie niet in staat is geweest een coherente, tijdige naleving van de richtlijn door de lidstaten te verzekeren en het grote aantal klachten van burgers over de toepassing van de richtlijn te behandelen;

16.   steunt de door de Commissie voorgestelde aanpak op basis van voortdurend en uitgebreid toezicht op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/38/EG, hulp aan de lidstaten bij het garanderen van volledige en correcte toepassing van de richtlijn door het opstellen van richtsnoeren in de eerste helft van 2009 en het inleiden van procedures tegen lidstaten waar het nationaal recht en/of de praktijk in strijd is met de richtlijn; verzoekt de Commissie een consistent, effectief en transparant handhavingsbeleid, dat de toepassing van de rechten inzake vrij verkeer waarborgt, uit te stippelen en aan het Parlement voor te leggen; is van mening dat het gebrek aan personele en financiële middelen binnen de Commissie om de omzetting en uitvoering van de richtlijn te begeleiden een ernstige belemmering is voor haar capaciteit om een geloofwaardig toezicht uit te oefenen op de uitvoering van de richtlijn in alle lidstaten, en daarmee voor de uniformiteit van de wetgeving in deze, die van cruciaal belang is voor de burgers van de Unie;

17.   roept de lidstaten op procedures te starten om de richtsnoeren voor het einde van 2009 ten uitvoer te leggen om zo hun nationale wetgeving en praktijken aan te passen, en verzoekt hen deze richtsnoeren te doen toekomen aan de eventuele bevoegde autoriteiten en toezicht te houden op de toepassing ervan;

18.   verzoekt de Commissie om in haar richtsnoeren gedetailleerde criteria op te stellen voor de vaststelling van het minimumbedrag van bestaansmiddelen dat geacht wordt toereikend te zijn, en te verduidelijken op welke basis de lidstaten rekening behoren te houden met "de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene" krachtens artikel 8, lid 4 van Richtlijn 2004/38/EG;

19.   verzoekt de Commissie om in haar richtsnoeren een uniform instrument te ontwikkelen voor de interpretatie van de normatieve categorieën "openbare orde", "openbare veiligheid" en "volksgezondheid" en te verduidelijken op welke wijze de lidstaten bij het nemen van een besluit over verwijdering van het grondgebied in overeenstemming met artikel 28, lid 1 van Richtlijn 2004/38/EG rekening dienen te houden met overwegingen als de duur van het verblijf van de betrokkene op zijn grondgebied, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het gastland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong;

20.   erkent het bestaan van beperkingen bij de repatriëring van de stoffelijke resten van burgers van de Unie en verzoekt de Commissie om met een voorstel te komen voor een gedragscode die door de lidstaten kan worden nageleefd, teneinde voor een regeling te zorgen die een uitvloeisel vormt van het vrij verkeer van burgers;

21.   verzoekt de Commissie meer middelen ter beschikking te stellen en een specifieke begrotingslijn op te zetten voor de ondersteuning van nationale en lokale projecten ter bevordering van de integratie van EU-burgers en hun familieleden, zoals gedefinieerd in de artikelen 2 en 3 van Richtlijn 2004/38/EG, die in een gastlidstaat verblijven;

22.   verzoekt de Commissie een uiterste termijn vast te stellen voor de tenuitvoerlegging van de richtsnoeren, waarna gerechtelijke procedures zullen worden ingeleid, en wil graag volledig betrokken worden bij dit proces en regelmatig worden geïnformeerd over de ontwikkelingen hieromtrent;

23.   verzoekt de Commissie met betrekking tot het vrij verkeer van mensen een wederzijds evaluatiestelsel op te zetten dat zal worden uitgevoerd door teams van deskundigen die zijn aangewezen door de lidstaten en het Parlement, bijgestaan door de Commissie en het secretariaat-generaal van de Raad, op basis van bezoeken ter plaatse en onverminderd de bevoegdheden die de Commissie krachtens de Verdragen heeft;

24.   verzoekt de Commissie de lidstaten om periodieke verslagen met statistische gegevens te vragen met betrekking tot de vrijheid van verkeer, bijvoorbeeld over het aantal gevallen waarin inreis- of verblijfsrechten werden geweigerd en het aantal uitzettingen dat is uitgevoerd en de redenen daarvoor;

25.   roept de lidstaten op hun onderdanen die in andere lidstaten verblijven te steunen door hun op hun consulaten en diplomatieke vertegenwoordigingen alle noodzakelijke informatie aan te bieden over het vrij verkeer van personen;

26.   verzoekt de Commissie na te gaan of de lidstaten over systemen beschikken voor de verwerking van persoonsgegevens van EU-burgers die geen onderdaan van die lidstaat zijn, en of in deze systemen slechts die gegevens zijn opgeslagen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van Richtlijn 2004/38/EG en de nationale omzettingsmaatregelen; verzoekt de Commissie om tevens na te gaan of soortgelijke systemen bestaan voor de bestrijding van criminaliteit en verzoekt de lidstaten die over dergelijke systemen beschikken, deze te herzien in overeenstemming met het arrest in de zaak Huber;

27.   verzoekt de lidstaten die over wetgeving beschikken die niet in overeenstemming is met het arrest in de zaak Metock, de desbetreffende bepalingen te herzien, en moedigt de Commissie aan procedures tegen de lidstaten in te leiden die daaraan niet voldoen;

28.   verwelkomt het voornemen van de Commissie om de burgers van de Unie meer bewust te maken van hun rechten op grond van Richtlijn 2004/38/EG en een vereenvoudigde gids voor burgers van de Unie te verspreiden, waarbij optimaal gebruik zal worden gemaakt van internet, en herinnert de lidstaten aan hun plichten op grond van artikel 34 van de richtlijn om burgers te informeren over hun rechten met betrekking tot vrij verkeer; roept in dit verband de lidstaten op informatie- en hulpkantoren in te stellen met betrekking tot het recht op vrij verkeer;

o
o   o

29.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(2) PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 428.
(3) PB C 89 E van 14.4.2004, blz. 162.
(4) PE407.933v01-00.
(5) PE404.465v02-00.
(6) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0047 .
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0361 .
(8) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0204 .
(9) Oostenrijk, België, Cyprus, Tsjechië, Griekenland, Spanje, Italië, Litouwen, Polen, Roemenië, Slovenië, Slowakije.
(10) België, Tsjechië en Roemenië.
(11) Zaak Metock.
(12) Zaak Jipa.
(13) Zaak Huber.
(14) CY, IT, PL en SK erkennen huwelijken tussen partners van hetzelfde geslacht niet als een grond voor het recht op vrij verkeer, PL en SK erkennen geregistreerde partnerschappen niet, zelfs niet als ze in andere lidstaten zijn gecertificeerd; informatie hierover die is verstrekt door de Commissie, het Bureau voor de grondrechten en ngo's vormt meer bewijs voor de rechtsonzekerheid op dit gebied.
(15) Diverse schriftelijke klachten en verzoekschriften gericht aan de instellingen van de EU onderstrepen het feit dat sommige lidstaten de rechten van familieleden uit derde landen niet volledig willen erkennen; de wetgevingen van het Verenigd Koninkrijk, Litouwen en Polen verbieden familieleden van buiten de EU bijvoorbeeld het land binnen te komen zonder visum. De wettelijke en administratieve belemmeringen voor familieleden uit derde landen zijn uiterst problematisch. De Britse wetgeving verhindert een familielid uit een derde land met een verblijfsvergunning van een ander land zonder een visum het land in te komen, en de administratieve praktijken in het Verenigd Koninkrijk belemmeren de uitoefening van het recht op vrij verkeer ernstig door de langdurige wachttijden en de uitgebreide bewijsstukken die gelden voor de verwerking van aanvragen voor verblijfsvergunningen voor familieleden uit derde landen. Ingezetenen van derde landen in Estland worden met problemen geconfronteerd als zij proberen het land in te komen met een verblijfsvergunning die is afgegeven door een andere lidstaat, en familieleden uit derde landen die een visum aanvragen moeten visumkosten betalen. In Italië moet een burger uit een derde land die gezinshereniging aanvraagt de rechtmatige herkomst van zijn/haar economische middelen aantonen en deze mogen niet lager mogen zijn dat de jaarlijkse sociale uitkering.
(16) Zo moeten EU-burgers ingevolge de Italiaanse wetgeving kunnen aantonen dat zij over voldoende middelen van bestaan beschikken.
(17) Artikel 235 van het Italiaanse wetboek van strafrecht bepaalt bijvoorbeeld dat niet-staatsburgers die worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar of meer, worden uitgezet.
(18) In sommige gevallen (Griekenland) is het de bevoegde autoriteiten op grond van het nationaal recht toegestaan EU-burgers die een verzoek tot registratie indienen, naar hun strafblad te vragen, terwijl in andere lidstaten (bijvoorbeeld Spanje en België) speciale identiteitskaarten en verblijfskaarten worden afgegeven voor staatsburgers van andere lidstaten; in sommige lidstaten (ES) krijgen EU-burgers naast het registratiebewijs een vreemdelingenidentiteitsnummer, dat nodig is om te kunnen werken of zich aan te kunnen melden bij het socialezekerheidsstelsel; in Italië zijn EU-burgers verplicht de "wettigheid" van hun bestaansmiddelen aan te tonen.
(19) Administratieve praktijken die niet overeenstemmen met het EG-recht hebben belangrijke negatieve effecten op de rechten van de burgers. Bijvoorbeeld: de wildgroei aan verschillende ID-kaarten en verblijfsvergunningen in de lidstaten, heeft de uitoefening door de EU-burgers van hun recht op vrij verkeer verwarrend en lastig gemaakt. In Spanje krijgen EU-burgers behalve een registratiecertificaat ook een identiteitsnummer voor vreemdelingen, dat zij nodig hebben om te kunnen werken of zich te laten registreren voor het Spaanse socialezekerheidsstelsel. Frankrijk heeft ook een onduidelijke vrijwillige verblijfsvergunning gehandhaafd naast het registratiecertificaat dat wordt afgegeven aan burgers van de Unie, en in lidstaten zoals de Tsjechische Republiek, Zweden en België, vragen de overheidsinstanties aanvullende documenten voor de afgifte van verblijfsvergunningen of leggen voorwaarden op die niet genoemd worden in de richtlijn.
(20) De Estse en Hongaarse wetgeving voorzien niet expliciet in het uitsluiten van economische doeleinden als zij een uitzettingsbevel uitvaardigen. In de Hongaarse en Roemeense wetgeving is ook niet vastgelegd dat een vroegere strafrechtelijke veroordeling en het nastreven van algemene preventieve doelstellingen niet van invloed zijn.


Problemen en perspectieven van het Europese burgerschap
PDF 139k   DOC 76k
Resolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over problemen en perspectieven van het Europese burgerschap (2008/2234(INI) )
P6_TA(2009)0204 A6-0182/2009

Het Europees Parlement ,

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met name Titel V daarvan, getiteld "Burgerschap",

–   gezien het verslag van de Commissie van 15 februari 2008 getiteld "Vijfde verslag over het Unieburgerschap (1 mei 2004 – 30 juni 2007)" (COM(2008)0085 ),

–   gezien Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden(1) (de richtlijn inzake vrij verkeer),

–   gezien het initiatief-advies van het Comité van de Regio's van 9 oktober 2008 getiteld "Burgerrechten: de grondrechten en de aan het Unieburgerschap ontleende rechten weer op de voorgrond plaatsen"(2) ,

–   gelet op artikel 45 en artikel 112, lid 2, van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie juridische zaken, de Commissie constitutionele zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0182/2009 ),

A.   overwegende dat de gemeenschappelijke markt en de economisch integratie hun voltooiing naderen, hoewel de juridische grondslag voor het Unieburgerschap nog steeds in een ontwikkelingsstadium verkeert,

B.   overwegende dat artikel 17 van het EG-Verdrag dat bij het Verdrag van Maastricht is ingevoerd bepaalt: "Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit", en dat dit beginsel verder is uitgewerkt in het Verdrag van Amsterdam, dat bepaalt: "Het Unieburgerschap vult het nationale burgerschap aan doch komt niet in de plaats daarvan",

C.   overwegende dat het Unieburgerschap derhalve een aanvulling vormt op het burgerschap van de lidstaten en dat de toekenning daarvan als zodanig door elke lidstaat gereguleerd wordt op grond van zijn eigen wetgeving, die van lidstaat tot lidstaat verschilt,

D.   overwegende dat de hoedanigheid van burger van de Unie alleen gebaseerd kan zijn op de nationale identiteit, en dat de Commissie erop moet worden geattendeerd dat mensen die in diepe armoede leven en laaggeschoolden – onder wie de Roma – geen toegang hebben tot informatie die het bewustzijn van hun Unieburgerschap zou kunnen mobiliseren; overwegende dat hun voortschrijdende maatschappelijke uitsluiting in Europa de waarde van hun nationale en Europese burgerschap aantast;

E.   overwegende evenwel dat, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de afzonderlijke lidstaten om de wijzen van toekenning en ontneming van het burgerschap te bepalen, de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999 "de doelstelling" heeft onderschreven "dat derdelanders die reeds gedurende lange tijd legaal in de Unie verblijven de nationaliteit moeten kunnen verkrijgen van de lidstaat van verblijf",

F.   overwegende dat alle Unieburgers het recht hebben te stemmen en zich verkiesbaar te stellen in plaatselijke en Europese verkiezingen in de lidstaat waar zij verblijven op dezelfde voorwaarden als de burgers van die lidstaat,

G.   overwegende dat verlening van het actief en passief kiesrecht bij plaatselijke verkiezingen in de lidstaat van verblijf van wezenlijk belang voor Unieburgers is voor de ontwikkeling van een gevoel werkelijk te horen tot de betreffende lidstaat,

H.   overwegende dat in sommige lidstaten het recht van Unieburgers om te stemmen en zich verkiesbaar te stellen in plaatselijke en Europese verkiezingen, zoals bepaald in artikel 19 van het EG-Verdrag, momenteel wordt ondermijnd door het feit dat Unieburgers die onderdaan zijn van een andere lidstaat niet het recht hebben om lid te worden van een politieke partij in de lidstaat waar ze verondersteld worden dat recht uit te oefenen,

I.   overwegende dat het indienen van een verzoek bij de Commissie verzoekschriften van het Parlement of een klacht bij de Europese Ombudsman een belangrijk middel buiten rechte is dat Unieburgers ter beschikking staat,

J.   overwegende dat de uitbreiding van de Europese Unie een aanzienlijke verhoging van het aantal Unieburgers dat buiten hun oorspronkelijke lidstaat verblijft, tot gevolg heeft gehad,

K.   overwegende dat artikel 20 van het EG-Verdrag, hoewel de toepassing ervan jammer genoeg beperkt is tot situaties waarin een burger van een lidstaat zich op het grondgebied bevindt van een derde land waar die lidstaat niet is vertegenwoordigd, alle Unieburgers het recht geeft op diplomatieke of consulaire bescherming van om het even welke lidstaat die naar behoren vertegenwoordigd is in dat derde land; overwegende dat dit recht niet naar behoren kan worden uitgeoefend als er geen duidelijke en bindende praktische regels en protocollen zijn waaraan de consulaire instanties zich moeten houden,

L.   overwegende dat ofschoon datzelfde artikel 20 van het EG-Verdrag de lidstaten verplicht om "onderling de nodige regels vast te stellen en de internationale onderhandelingen te beginnen die met het oog op deze bescherming vereist zijn", er tot dusver slechts één bindende handeling is aangenomen, namelijk het in 2002 van kracht geworden Besluit 95/553/EG(3) , welk slechts één pagina omvattende document volstrekt ontoereikend is gebleken om een volwaardig systeem op te zetten voor hulp en bijstand aan Unieburgers in een crisissituatie in het buitenland,

M.   overwegende dat een door de lidstaten zonder onderscheid aan alle Unieburgers buiten het grondgebied van de Europese Unie te verlenen doeltreffende consulaire en diplomatieke bijstand, met name in situaties van crisis en ontreddering, ertoe zou leiden dat die burgers de voordelen van het EU-lidmaatschap veel beter zouden beseffen,

1.   verwelkomt het feit dat het Verdrag van Lissabon het mogelijk maakt dat één miljoen Unieburgers uit verschillende lidstaten gezamenlijk de Commissie vraagt een wetsvoorstel in te dienen, en is van mening dat een dergelijke wettelijk recht het bewustzijn van het Unieburgerschap bij Europeanen aanzienlijk zal verhogen; herinnert eraan dat transparantie en democratische participatie bewerkstelligd moeten worden door verschillende vormen van partnerschappen tussen de EU en de lidstaten, regionale en plaatselijke instellingen, sociale partners en het maatschappelijk middenveld; verzoekt de Commissie transparante en gemakkelijk te begrijpen procedures op te stellen voor de invulling van dit zogenoemde burgerinitiatief, zodat Unieburgers, zodra het Verdrag van Lissabon in werking zal zijn getreden, in staat zijn daadwerkelijk wetgeving te initiëren; benadrukt dat de Commissie, ongeacht het uiteindelijke lot van het Verdrag van Lissabon, dit initiatiefrecht in haar beleid moet integreren, zij het in de hoop dat dit niet aan de orde zal zijn;

2.   stelt vast dat het recht van Unieburgers op vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten niet los kan worden gezien van de andere rechten en grondbeginselen van de Europese Unie, zoals het vrij verkeer van werknemers en de vrijheid van dienstverlening; roept de lidstaten daarom op om de bestaande belemmeringen krachtens de toetredingsverdragen op te heffen, zodat alle burgers al hun rechten kunnen uitoefenen;

3.   beveelt, in het licht van de fundamentele beginselen van het EG-Verdrag van vrij verkeer, non-discriminatie en de rechten van de burger, aan dat de Commissie alle middelen waarover zij beschikt blijft gebruiken om de voor de "nieuwe" lidstaten geldende overgangsregelingen zo spoedig mogelijk op te heffen;

4.   is bezorgd over de slechte uitvoering van de huidige richtlijnen, met name de richtlijn inzake vrij verkeer, hetgeen veel problemen veroorzaakt met betrekking tot het recht op vrij verkeer en andere rechten van Unieburgers, en verzoekt alle partijen het acquis communautaire correct en volledig om te zetten en uit te voeren;

5.   roept de Commissie op te inventariseren welke belemmeringen bestaan voor Unieburgers om volledig en ongehinderd gebruik te maken van het vrij verkeer van personen en andere verworvenheden voor Unieburgers, en verzoekt de Commissie de uitkomst te verwerken in een scoreboard teneinde te waarborgen dat deze belemmeringen grondig en effectief worden aangepakt;

6.   is van mening dat, aangezien uit Flash Eurobarometer 213 (het door Eurobarometer gehouden opinieonderzoek van 2007) is gebleken dat slechts 31% van de ondervraagden meent voldoende ingelicht te zijn over hun rechten als Unieburger, dringend een doelmatige benadering moet worden gekozen op het gebied van informatie en communicatie om de burgers van de Unie bewust te maken van hun rechten en plichten en hen te helpen een actieve rol te vervullen in het besluitvormingsproces van de Europese Unie, aldus de daadwerkelijke uitoefening mogelijk makend van de participerende democratie;

7.   stelt met spijt vast dat het vijfde verslag over het Unieburgerschap geen concrete voorstellen bevat over hoe burgers hun rechten kunnen uitoefenen en hoe de lidstaten hun plicht kunnen vervullen om deze rechten in de praktijk te waarborgen; vraagt dat het zesde verslag in dat opzicht proactiever zal zijn;

8.   ervaart het als teleurstellend dat de Commissie bij de voorbereiding van het vijfde verslag geen overleg heeft gepleegd met het maatschappelijk middenveld, en verwacht dat de Commissie zich aan haar belofte houdt om dat wel te doen bij de voorbereiding van het zesde verslag;

9.   verzoekt de Commissie haar programma "Europa voor de burger" te herzien teneinde de communicatie met de gemiddelde Unieburger te verbeteren en voor een brede verspreiding te zorgen; merkt op dat, terwijl structurele steun voor de in Brussel gevestigde denktanks en onderzoeksinstituten belangrijk is, dergelijke organisaties weinig doen aan voorlichting ten behoeve van anderen dan degenen die al goed zijn geïnformeerd; verzoekt de Commissie om haar financiering meer te richten op niet in Brussel gevestigde regionale en plaatselijke organisaties van het maatschappelijk middenveld en organisaties van de sociale partners en om in de toekomst soortgelijke programma's als het zeer succesvolle programma "Jeugd in Actie" (2007-2013) te introduceren, teneinde plaatselijke en regionale overheden te helpen hun inwoners over hun rechten als Unieburger te informeren; aangezien voorstellen voor meertaligheid niet beperkt zouden mogen zijn tot de voornaamste officiële talen van de lidstaten, roept zij de lidstaten op om de informatie over Unieburgerschap ook in de regionale en minderheidstalen te verspreiden;

10.   is van mening dat, gezien onder meer de weinige Unieburgers die in een andere dan hun eigen lidstaat verblijven en daar gebruik maken van hun actief of passief kiesrecht in plaatselijke of Europese verkiezingen, en de praktische obstakels die deze potentiële kiezers hierbij maar al te vaak ondervinden, de Europese verkiezingen van 2009 moeten worden aangegrepen voor de uitwerking en toepassing van een pan-Europees actieplan dat de Unieburger besef geeft van zijn EU-identiteit en hem bewuster maakt van zijn rechten;

11.   verzoekt om grotere deelname van vrouwen aan het politieke leven en aan het besluitvormingsproces ten behoeve van de Europese integratie; acht met dit doel meer intensieve bewustwordingscampagnes speciaal gericht op vrouwen noodzakelijk, zodat vrouwen volledig hun rechten kunnen uitoefenen als burgers van de Unie en actiever kunnen zijn binnen politieke groepen, in het politieke leven en in het kader van de activiteiten van plaatselijke autoriteiten in de lidstaat van verblijf;

12.   wijst erop dat er betere en efficiëntere informatiecampagnes moeten worden gevoerd om de rechten van Unieburgers bij jongeren te promoten, zoals een "burgerschapsprogramma" in scholen en universiteiten teneinde de jongere generatie voor te bereiden op actief burgerschap;

13.   is van mening dat de lidstaten de Europese dimensie moeten integreren in de lesprogramma's van de basisscholen en de middelbare scholen;

14.   verzoekt Europese universiteiten alle financiële maatregelen te treffen die binnen hun mogelijkheden vallen, om het percentage studenten dat aan uitwisseling in het kader van het Erasmus-programma deelneemt, te verhogen;

15.   verzoekt de Commissie geconsolideerde en duidelijker richtlijnen voor te stellen die het recht op vrij verkeer en andere rechten voor Unieburgers op andere gebieden verbeteren, waaronder op het gebied van beroepsmobiliteit, de overdraagbaarheid van pensioenen en sociale rechten, en de wederzijdse erkenning van academische graden en beroepskwalificaties;

16.   memoreert dat de volledige uitoefening van het recht vrij op het grondgebied van de Europese Unie te reizen en te verblijven slechts mogelijk zal zijn als, naast de andere maatregelen die worden genomen, ook een doelmatig systeem wordt opgezet voor de erkenning van diploma's; verzoekt daarom de Commissie en de lidstaten, in het kader van hun respectieve bevoegdheden, er voor te zorgen dat meer burgers van de Unie, in bezit van diploma's behaald in een lidstaat, toegang krijgen tot hetzelfde beroep in een andere lidstaat en dit beroep kunnen uitoefenen onder dezelfde voorwaarden als de burgers van het betreffende lidstaat;

17.   roept de lidstaten ertoe op hun wetten op het gebied van burgerschap te herzien en de mogelijkheden te verkennen om het voor niet-onderdanen gemakkelijker te maken burger te worden en volledige rechten te genieten teneinde een einde te maken aan de discriminatie tussen onderdanen en niet-onderdanen, meer bepaald ten aanzien van Unieburgers;

18.   acht het gewenst om de uitwisseling te stimuleren van ervaringen betreffende de naturalisatieregelingen die in de diverse lidstaten worden gehanteerd, zonder daarbij afbreuk te doen aan de bevoegdheid van de afzonderlijke lidstaten om de wijzen van toekenning en ontneming van het burgerschap te bepalen, ter verbetering van de coördinatie van de criteria en procedures voor de toegang tot het burgerschap van de Unie, zodanig dat de discriminatie die de uiteenlopende rechtsregels met zich meebrengen wordt beperkt;

19.   is van mening dat staatloze personen die permanent in lidstaten verblijven een unieke positie binnen de Europese Unie innemen; is bezorgd dat sommige lidstaten hen, om het burgerschap te verkrijgen, ongerechtvaardigde vereisten opleggen of vereisten die niet strikt noodzakelijk zijn; verzoekt wat dit betreft die lidstaten om systematisch, op basis van de aanbevelingen van internationale organisaties, voor rechtvaardige oplossingen te zorgen; is van mening dat staatloze personen die permanent in een lidstaat verblijven het recht zouden moeten hebben om te stemmen in plaatselijke verkiezingen;

20.   herinnert de lidstaten, plaatselijke overheden en immigranten eraan dat alle punten van de gemeenschappelijke basisbeginselen van de Raad voor het beleid inzake de integratie van immigranten in de Europese Unie (14615/04) gelijkelijk moeten worden toegepast;

21.   beschouwt de integratie van immigranten als een basisvoorwaarde voor de uitoefening van hun rechten in de lidstaat van verblijf; verzoekt daarom de lidstaten om de aanbevelingen, door de Commissie geformuleerd in haar mededeling van 1 september 2005 getiteld'Een gemeenschappelijke agenda voor integratie – Kader voor de integratie van onderdanen van derde landen in de Europese Unie" (COM(2005)0389 ), snel en volledig uit te voeren;

22.   is van mening dat de EU en de lidstaten een gedeelde verantwoordelijkheid hebben om de integratie te bevorderen van de Roma als Unieburgers, zodat zij volledig gebruik kunnen maken van de stimulansen die de EU biedt voor alle initiatieven die hun rechten promoten en de integratie van hun gemeenschappen beogen, zowel op het gebied van onderwijs en werkgelegenheid als burgerparticipatie;

23.   wijst erop dat het Unieburgerschap niet alleen rechten maar ook plichten inhoudt; vestigt met name de aandacht op de plicht zich te houden aan de wetgeving van de staat waarin de desbetreffende Unieburger verblijft, en de cultuur van andere volkeren te eerbiedigen;

24.   benadrukt dat problemen met taal- of communicatievaardigheden niet als reden mogen worden gebruikt om een persoon sociale rechten te onthouden waar deze als ingezetene van een lidstaat aanspraak op kan maken, waaronder het recht op sociale voorzieningen die door nationale of plaatselijke overheden worden geboden;

25.   verzoekt de Commissie de rol en houding van nationale organisaties voor kinderwelzijnszorg te onderzoeken teneinde ervoor te zorgen dat de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie tussen Unieburgers worden geëerbiedigd; benadrukt dat ouders het recht moeten hebben in hun moedertaal met hun kinderen te spreken en dat nationaliteit of taal niet als reden mag worden gebruikt om ouders het recht van omgang met hun kind te ontzeggen;

   26. wijst nogmaals op zijn verzoek aan de lidstaten het recht van Unieburgers op vrij verkeer binnen de EU met een geldige nationale identiteitskaart of geldig nationaal paspoort te eerbiedigen en dergelijk verkeer niet in te perken om veiligheids- of andere redenen, met name bij vlieg- en bootreizen;
   27. verzoekt de lidstaten en plaatselijke overheden om verdere maatregelen te nemen teneinde het verkeer van Unieburgers tussen lidstaten te vergemakkelijken, met name voor wat betreft praktische zaken, zoals het uitgeven van verblijfspapieren en arbeidsvergunningen en het overzetten van kentekenbewijzen, het erkennen van persoonlijke en motorrijtuigenverzekeringspolissen die in een andere lidstaat zijn afgegeven, het overdragen van medische dossiers, duidelijke regels over de vergoeding van medische kosten en tal van andere zaken, die ondanks pogingen ze op EU-niveau te harmoniseren vaak niet goed functioneren, en roept de Commissie ertoe op de nodige informatie te verzamelen en beschikbaar te stellen voor Unieburgers;
   28. beveelt aan dat de Europese ruimte van rechtvaardigheid wordt voltooid, teneinde te waarborgen dat de grensoverschrijdende aspecten van het burgerschap op het gebied van privé- en gezinsleven daadwerkelijk worden beschermd door gemeenschappelijke regels van internationaal privaatrecht; dringt er derhalve bij de Commissie op aan een coherente benadering te ontwikkelen en de nodige wetsvoorstellen in te dienen;
   29. verzoekt de Commissie financiële middelen ter beschikking te stellen om plaatselijke en regionale ambtenaren in de lidstaten die zich bezighouden met intra-EU-migranten, op te leiden in de basiskennis van de EG-wetgeving die voor hun desbetreffende werkgebied van toepassing is, en overheidsinstellingen te helpen bij het beantwoorden van vragen met betrekking tot mogelijke verschillen en conflicten tussen de nationale en EG-wetgeving; verwelkomt wat dit betreft het door de Commissie opgezette online netwerk voor het oplossen van problemen, SOLVIT, en verzoekt dit verder te versterken en te bevorderen; spreekt de hoop uit dat de lidstaten, door middel van een uitbreiding van menselijke en financiële middelen, bijdragen tot de versterking van de nationale SOLVIT-centra; spoort de lokale en regionale overheden in de lidstaten bovendien aan om samen te werken, met het oog op de uitwisseling van efficiënte werkwijzen en het vinden van efficiënte oplossingen voor de situatie van intra-EU-migranten;
   30. is van mening dat Europe Direct beter bij alle burgers onder de aandacht moet worden gebracht, en beveelt aan dat de Commissie daartoe een pan-Europese mediacampagne opzet; roept de Commissie op om toe te zien op de verspreiding van websites met betrekking tot Europe Direct en SOLVIT en belangrijke informatie en contactpersonen op specifieke, daartoe bestemde websites te zetten;
   31. vraagt de Commissie een Europees Handvest voor consumentenrechten te ontwikkelen, om de burgers gemakkelijk toegankelijke informatie te geven over de meest voorkomende problemen;
   32. is verheugd over het "Action plan on an integrated approach for providing single market assistance services to citizens and businessess" (SEC(2008)1882 ), dat, zoals wordt benadrukt in de dienstenrichtlijn(4) , de oprichting van een contactpunt voor goederen en diensten per lidstaat stimuleert, teneinde versnippering wordt voorkomen;
   33. herinnert de lidstaten en plaatselijke overheden eraan dat het begrip Unieburgerschap ook het beginsel van non-discriminatie van alle Unieburgers en niet alleen van burgers van een bepaalde lidstaat inhoudt; dringt er bij de Commissie op aan de situatie van intra-EU-migranten verder te analyseren en passende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat zij als Unieburger ook werkelijk dezelfde rechten hebben;
   34. memoreert dat het recht van vrij verkeer een pijler is van het Unieburgerschap en is daarom zeer bezorgd om het feit dat nog geen enkele lidstaat de richtlijn inzake vrij verkeer volledig en correct heeft toegepast;
   35. verwelkomt het voorlichtingsinitiatief van de Commissie omtrent de nieuwe regels in de richtlijn inzake vrij verkeer, waaronder de publicatie van de "Leidraad voor een optimaal gebruik van Richtlijn 2004/38/EG", maar constateert met spijt dat het totale aantal van 16 000 exemplaren van deze Leidraad, verkrijgbaar in 19 talen, te klein is om alle mensen die in de EU leven te bereiken; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat deze informatie op brede schaal beschikbaar wordt gesteld aan plaatselijke en regionale overheden, die voor veel burgers de eerste bron van informatie vormen en zich feitelijk op een plaatselijk niveau bevinden, waar de meeste problemen en gevallen van inbreuk op de rechten van Unieburgers plaatsvinden;
   36. benadrukt dat het recht van vrij verkeer en verblijf, dat in alle opzichten deel uitmaakt van het Europese burgerschap, een enorme impact heeft op het gezinsleven en de opleidings- en beroepskeuze van vrouwen; verzoekt de Commissie daarom rekening te houden met de specifieke noden van vrouwen op dit gebied;
   37. herinnert aan de bepalingen van de richtlijn inzake vrij verkeer die Unieburgers het recht geven in een andere lidstaat te verblijven, mits zij geen belasting vormen voor het socialebijstandsstelsel; merkt echter op dat de lidstaten zich dienen te houden aan de uitspraken van het Europese Hof van Justitie(5) , dat uitlegging heeft gegeven aan de term "voldoende bestaansmiddelen" in de zin van de richtlijn;
   38. verzoekt de Commissie zorgvuldig te controleren of de wetten en praktijken die gelden in de afzonderlijke lidstaten geen schending vormen van de rechten die aan de burgers van de Unie zijn toegekend bij het EG-Verdrag en de richtlijn inzake vrij verkeer, vooral als het gaat om de begrippen "voldoende bestaansmiddelen", "onredelijke belasting voor het sociale zekerheidsstelsel van het gastland", "ernstige redenen van openbare orde of openbare veiligheid" en "dwingende redenen van openbare veiligheid"; verzoekt de Commissie bovendien om zich te vergewissen van het bestaan van concrete procedurele garanties, alsmede van rechtsbeschermingsregelingen en van de mogelijkheid van rechterlijke toetsing van uitzettingsbevelen; brengt in herinnering dat elke beperking van het fundamentele recht op vrij verkeer restrictief moet worden uitgelegd;
   39. verzoekt de lidstaten, bij de toepassing van het recht op vrij verkeer, om burgers van de Unie en hun familieleden geen ongerechtvaardigde lasten op te leggen, voorzover deze niet expliciet zijn voorzien in de richtlijn inzake vrij verkeer, ingaan tegen het communautaire recht en een belemmering vormen voor het uitoefenen van een recht waarin, afgezien van het doorlopen van administratieve procedures, als zodanig is voorzien in het EG-Verdrag; herinnert de lidstaten eraan dat het hun plicht is de afwikkeling te vergemakkelijken van de administratieve procedures die verband houden met de uitoefening van het recht op vrij verkeer;
   40. verzoekt de lidstaten geen wetgeving aan te nemen die buitenproportionele of discriminerende sancties oplegt aan burgers van de Unie zoals, bijvoorbeeld, detentie bij verwijdering van het grondgebied van het gastland, het feit dat een burger van de Unie die een misdrijf heeft begaan eerder illegaal verbleef in een andere lidstaat beschouwen als verzwarende omstandigheid, of de automatische uitzetting van een burger van de Unie in geval van een strafrechtelijke veroordeling;
   41. valt het plan van de Commissie bij om in het Stockholm-Programma maatregelen op te nemen om de problemen aan te pakken waarmee Unieburgers tijdens hun leven in de EU te maken krijgen; vraagt de Commissie om in het kader daarvan passende voorstellen te doen, onder meer op het gebied van civiel recht, teneinde eindelijk het beginsel van gelijke behandeling toe te passen, niet alleen ten aanzien van goederen, kapitaal en diensten, maar ook van personen, zonder de in artikel 13 van het EG-Verdrag genoemde vormen van discriminatie, aangezien de huidige situatie een belemmering vormt voor het vrij verkeer en indruist tegen de gemeenschappelijke Europese waarden van gelijkheid en non-discriminatie;
   42. benadrukt dat toekenning van het actief en passief kiesrecht bij plaatselijke verkiezingen in de lidstaat van verblijf een noodzakelijke voorwaarde is voor een doelmatig integratiebeleid;
   43. roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat alle Unieburgers die in een andere lidstaat verblijven dan hun eigen lidstaat de nodige informatie krijgen over hun recht om te stemmen bij plaatselijke en Europese verkiezingen;
   44. betreurt het kleine aantal in een andere dan hun eigen lidstaat verblijvende Unieburgers dat van het recht gebruikmaakt te stemmen of zich verkiesbaar te stellen in Europese of plaatselijke verkiezingen in hun woonplaats; merkt de praktische belemmeringen op waarmee potentiële stemmers in de uitoefening van hun rechten maar al te vaak worden geconfronteerd; dringt er bij de Commissie, de lidstaten en plaatselijke overheden op aan om, met het oog op de nakende Europese verkiezingen van 2009, pan-Europese, effectieve informatiecampagnes over het kiesrecht van Unieburgers te lanceren en praktische adviezen te geven over de wijze waarop men dit op plaatselijk niveau kan uitoefenen;
   45. roept de lidstaten op om in de nationale en lokale media, met inbegrip van televisie, radio en internet, informatiecampagnes te lanceren in de officiële talen van de EU om de Unieburgers te informeren over hun recht om te stemmen en zich verkiesbaar te stellen, en over de registratieprocedures, die zo gemakkelijk mogelijk zouden moeten zijn;
   46. verwelkomt het initiatief van de Commissie tot wijziging van Richtlijn 93/109/EG van de Raad van 6 december 1993 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement ten behoeve van de burgers van de Unie die verblijven in een lidstaat waarvan zij geen onderdaan zijn(6) , waarbij zij maatregelen introduceert die de kosten voor kandidaten en lidstaten reduceren;
   47. roept alle lidstaten op om de nodige hervormingen door te voeren op het gebied van de procedures voor de Europese verkiezingen, zodat deze onderling beter overeenstemmen, om manieren te vinden om actief Unieburgerschap te promoten en om na deze hervormingen passende informatiecampagnes te voeren;
   48. merkt op dat er aanzienlijke verschillen bestaan voor Unieburgers die in een andere dan hun eigen lidstaat wonen voor wat betreft het stemrecht in nationale parlementaire verkiezingen in hun lidstaat van herkomst; betreurt het feit dat dit recht hierdoor aan veel Unieburgers zowel in hun lidstaat van herkomst als in hun nieuwe lidstaat wordt ontnomen; dringt er bij de lidstaten op aan samen te werken teneinde ervoor te zorgen dat stemgerechtigden die buiten hun eigen lidstaat verblijven hun volledige kiesrecht in hun lidstaat van verblijf kunnen uitoefenen, door voldoende stembureaus te bieden die het hele grondgebied bedienen, en een eenvoudiger registratie van stemgerechtigden te vergemakkelijken; verzoekt de lidstaten bovendien het stemrecht te garanderen van alle Unieburgers die op het moment van de nationale parlementsverkiezingen door een lidstaat anders dan hun lidstaat van herkomst reizen door de noodzakelijke wettelijke bepalingen vast te stellen;
   49. is van mening dat de opkomst en de verspreiding van politieke partijen op Europees niveau het meest doelmatige middel vormen ter ondersteuning van het passief kiesrecht van een burger van de Unie die in een andere lidstaat woont dan de staat waarvan hij onderdaan is; hoopt dus op een versterking van de Europese partijen, ook via meer financiële steun;
   50. vraagt de Commissie, de Raad en de lidstaten om ervoor te zorgen dat artikel 19 van het EG-Verdrag meer effect sorteert en wel door alle Unieburgers het recht te geven om lid te worden van een politieke partij in de lidstaat waar ze verblijven;
   51. is van mening dat het Unieburgerschap alle Unieburgers van de Europese Unie dezelfde rechten garandeert, ongeacht of zij nu in de Europese Unie zelf verblijven of in een derde land; dringt er bij de Commissie op aan om de situatie te analyseren van Unieburgers die niet op het grondgebied van de EU verblijven en om passende maatregelen te treffen teneinde te garanderen dat zij hun burgerschapsrechten kunnen uitoefenen;
   52. herinnert eraan dat een Unieburger op grond van artikel 20 van het EG-Verdrag op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan hij onderdaan is, niet vertegenwoordigd is, de bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van om het even welke lidstaat geniet, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat, en benadrukt het belang van een dergelijke bepaling als een principieel punt, aangezien zij bedoeld is als een erkenning van de externe dimensie van het Unieburgerschap;
   53. verwelkomt de presentatie van de Commissie in haar mededeling van 5 december 2007 van een actieplan voor de periode 2007-2009, getiteld "Effectieve consulaire bescherming in derde landen: bijdrage van de Europese Unie" (COM(2007)0767 ); verzoekt de lidstaten en de Commissie de aanbevelingen van het Groenboek van de Commissie van 28 november 2006 over diplomatieke en consulaire bescherming van Unieburgers in derde landen (COM(2006)0712 ), en die van de resolutie van het Parlement van 11 december 2007 over hetzelfde onderwerp(7) verder uit te voeren;
   54. verzoekt de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, artikel 20 van het EG-Verdrag naast nationale informatie in hun nationale paspoorten af te drukken, zoals verzocht in het verslag-Barnier en de conclusies van de Raad van 15 juni 2006; verzoekt de Commissie de kantoren in elke lidstaat die paspoorten afgeven een brochure te verschaffen waarin deze rechten en een algemeen overzicht van de maatregelen die artikel 20 van het EG-Verdrag ondersteunen uiteengezet worden; verzoekt dat deze brochure wordt meegegeven aan personen die hun nieuwe paspoort komen ophalen; roept de Commissie op om een webpagina toe te voegen aan de "Europa"-website waarop praktische informatie zou kunnen worden gepubliceerd over consulaire bescherming en informatie over de reisadviezen van de lidstaten gemakkelijker toegankelijk zou zijn, zoals gevraagd in het actieplan van de Commissie van 2007;
   55. dringt er bij de Commissie op aan om een gratis Europees telefoonnummer in te voeren dat samen met artikel 20 van het EG-Verdrag op het paspoort komt te staan en dat de burgers van de Unie in geval van nood kunnen bellen om informatie te krijgen in hun eigen taal over de consulaten van de lidstaten waar ze terecht kunnen voor de nodige hulp;
   56. verzoekt de Commissie en de Raad nadere richtlijnen en andere maatregelen aan te nemen om het acquis communautaire op het gebied van diplomatieke en consulaire bescherming te versterken en wettelijk bindende regels vast te stellen voor de uitvoering van artikel 20 van het EG-Verdrag;
   57. verzoekt de Unie nadere maatregelen te nemen om haar burgers in derde landen te beschermen, waaronder het ondernemen van actie om te voorkomen dat een Unieburger de doodstraf opgelegd krijgt;
   58. roept de lidstaten op om naar behoren de verplichting na te komen die is vastgelegd in artikel 20 van het EG-Verdrag en derhalve onderling de nodige regels vast te stellen, de internationale onderhandelingen te beginnen die met het oog op de bescherming van Unieburgers buiten de Europese Unie vereist zijn en, in het bijzonder, om bindende actieprotocollen goed te keuren die de consulaire diensten in derde landen moeten volgen in geval van nood of in geval van een humanitaire of veiligheidscrisis;
   59. is verheugd over de recente goedkeuring door de Raad van de richtsnoeren voor de toepassing van het concept leidende staat(8) met het oog op de aanwijzing van een leidende staat in geval van crisis, en dringt aan op een ruimere uitlegging van artikel 20 van het EG-Verdrag ten aanzien van de diplomatieke en consulaire bescherming die Unieburgers thans wordt geboden;
   60. verzoekt de Commissie om namens alle lidstaten en Unieburgers door te gaan met de onderhandelingen over het zonder visumplicht naar derde landen reizen; merkt op dat het onrechtvaardig is dat sommige Unieburgers een visumplicht hebben, terwijl anderen op basis van nationale visumontheffingsprogramma's kunnen reizen;
   61. is van mening dat de status van het petitierecht als een grondrecht van Unieburgers in ieder geval van de Commissie zou vereisen dat zij voldoende redenen opgeeft voor het niet opvolgen van een aanbeveling van het Parlement;
   62. verzoekt de Raad en de Commissie een nauwere samenwerking te ontwikkelen met de Commissie verzoekschriften van het Parlement en de Europese Ombudsman, zodat elke Unieburger zijn rechten effectiever kan uitoefenen;
   63. is verheugd over de oprichting van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en over de aanneming van Besluit 2007/252/CE van de Raad van 19 april 2007 tot vaststelling van het specifieke programma "Grondrechten en burgerschap" voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het algemene programma "Grondrechten en justitie"(9) , gericht op bevordering van de totstandbrenging van een Europese samenleving die is gegrondvest op eerbiediging van de grondrechten, met inbegrip van de rechten die uit het Unieburgerschap voortvloeien;
   64. roept de nationale parlementen op om zich meer bezig te houden met de ontwikkeling van de ruimte van vrijheid, veiligheid, en rechtvaardigheid; samenwerking tussen de nationale parlementen en de EU-instellingen zou het gemakkelijker moeten maken om bij de uitvoering van EU-wetten de nationale wetgeving en praktijken aan te passen, en zou de communicatie met de burgers moeten verbeteren, zodat zij zich bewust worden van hun rechten als burgers van de Europese Unie;
   65. verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(2) PB C 325 van 19.12.2008, blz. 76.
(3) Besluit van de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten, in de Raad bijeen, van 19 december 1995 betreffende bescherming van burgers van de Europese Unie door diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen (PB L 314 van 28.12.1995, blz. 73).
(4) Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36).
(5) Onder andere: zaak C-424/98, Commissie tegen Italiaanse Republiek , en zaak C-184/99, Grzelczyk.
(6) PB L 329 van 30.12.1993, blz. 34.
(7) PB C 323 E van 18.12.2008, blz. 120.
(8) PB C 317 van 12.12.2008, blz. 6.
(9) PB L 110 van 27.4.2007, blz. 33.


Communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen ***II
PDF 66k   DOC 31k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van de verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad (15248/2/2008 – C6-0065/2009 – 2007/0233(COD) )
P6_TA(2009)0205 A6-0126/2009

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad (15248/2/2008 – C6-0065/2009 ),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(1) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0653 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie internationale handel (A6-0126/2009 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt;

2.   constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1 van het EG-Verdrag te ondertekenen;

4.   verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten van 23.9.2008, P6_TA(2008)0414 .


Communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong ***II
PDF 68k   DOC 32k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het gemeenschappelijk standpunt, door de Raad vastgesteld met het oog op de aanneming van een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (15079/2/2008 – C6-0005/2009 – 2007/0064(COD) )
P6_TA(2009)0206 A6-0048/2009

(Medebeslissingsprocedure: tweede lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het gemeenschappelijk standpunt van de Raad(1) (15079/2/2008 – C6-0005/2009 ),

–   gezien zijn in eerste lezing geformuleerde standpunt(2) inzake het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2007)0194 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2, van het EG-Verdrag,

–   gelet op artikel 67 van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling voor de tweede lezing van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0048/2009 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het gemeenschappelijk standpunt;

2.   constateert dat het besluit is vastgesteld overeenkomstig het gemeenschappelijk standpunt;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het besluit samen met de voorzitter van de Raad overeenkomstig artikel 254, lid 1, van het EG-Verdrag te ondertekenen;

4.   verzoekt zijn secretaris-generaal het besluit te ondertekenen nadat is nagegaan of alle procedures naar behoren zijn uitgevoerd, en samen met de secretaris-generaal van de Raad zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 33 E van 10.2.2009, blz. 30.
(2) Aangenomen teksten van 17.6.2008, P6_TA(2008)0285 .


Subsidiabiliteit uit hoofde van het EFRO van investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting ***I
PDF 80k   DOC 53k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling met betrekking tot de subsidiabiliteit van investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting (COM(2008)0838 – C6-0473/2008 – 2008/0245(COD) )
P6_TA(2009)0207 A6-0134/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0838 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 162 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0473/2008 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A6-0134/2009 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 april 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1080/2006 betreffende het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling met betrekking tot de subsidialibiliteit van investeringen in energie-efficiëntie en hernieuwbare energie op het vlak van huisvesting

P6_TC1-COD(2008)0245


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. 397/2009.)


Gemeenschappelijke visumcode ***I
PDF 77k   DOC 57k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (COM(2006)0403 – C6-0254/2006 – 2006/0142(COD) )
P6_TA(2009)0208 A6-0161/2008

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2006)0403 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 62, lid 2, (a) en (b) (ii) van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0254/2006 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A6-0161/2008 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 april 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode)

P6_TC1-COD(2006)0142


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. 810/2009.)


Communautair systeem van milieukeuren ***I
PDF 82k   DOC 54k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een communautair systeem van milieukeuren (COM(2008)0401 – C6-0279/2008 – 2008/0152(COD) )
P6_TA(2009)0209 A6-0105/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0401 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2, en artikel 175, lid 1, van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0279/2008 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A6-0105/2009 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   neemt kennis van de verklaring van de Commissie in bijlage bij deze resolutie;

3.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

4.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 april 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de EU-milieukeur

P6_TC1-COD(2008)0152


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. .../.....)

BIJLAGE

VERKLARING VAN DE COMMISSIE

Onafhankelijk van de aanneming van de milieukeurverordening bevestigt de Commissie dat zij voornemens is voor het eind van dit jaar met een verordening inzake milieukeuren voor visserijproducten te komen die voornamelijk op criteria voor duurzame visserij gebaseerd is.

Het in artikel 6, lid 6, van de milieukeurverordening bedoelde onderzoek betreffende aanvullende aspecten zoals verwerking, voorverpakking, verpakking en transport, waarbij zal worden nagegaan of het haalbaar is de werkingssfeer van de milieukeurverordening uit te breiden tot levensmiddelen, waaronder visserij- en aquacultuurproducten, zal geen invloed hebben noch vooruitlopen op de aanneming van deze verordening.


Vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) ***I
PDF 79k   DOC 56k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) (COM(2008)0402 – C6-0278/2008 – 2008/0154(COD) )
P6_TA(2009)0210 A6-0084/2009

(Medebeslissingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2008)0402 ),

–   gelet op artikel 251, lid 2 en artikel 175, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C6-0278/2008 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0084/2009 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in dit voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 2 april 2009 met het oog op de aanneming van Verordening (EG) nr. .../2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie

P6_TC1-COD(2008)0154


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement in eerste lezing overeen met het definitieve wetsbesluit: Verordening (EG) nr. .../.....)


Gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid *
PDF 257k   DOC 258k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426 – C6-0291/2008 – 2008/0140(CNS) )
P6_TA(2009)0211 A6-0149/2009

(Raadplegingsprocedure)

Het Europees Parlement ,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2008)0426 ),

–   gelet op artikel 13, lid 1 van het EG­Verdrag, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C6-0291/2008 ),

–   gelet op artikel 51 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie juridische zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0149/2009 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.   verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 250, lid 2, van het EG-Verdrag dienovereenkomstig te wijzigen;

3.   verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.   wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)   Gelijkheid voor de wet en bescherming tegen discriminatie is een universeel recht dat wordt erkend door de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, de Verdragen van de Verenigde Naties inzake burgerrechten en politieke rechten, respectievelijk inzake economische, sociale en culturele rechten, het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Europees Sociaal Handvest, die door [alle] lidstaten zijn ondertekend. Met name in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is het ontzeggen van redelijke aanpassingen opgenomen in de definitie van discriminatie.
(2)   Gelijkheid voor de wet en bescherming tegen discriminatie is een universeel recht dat wordt erkend door de Universele Verklaring van de rechten van de mens, het VN-Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie, de Verdragen van de Verenigde Naties inzake burgerrechten en politieke rechten, respectievelijk inzake economische, sociale en culturele rechten, het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind, het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, artikel 14 van en het twaalfde facultatieve protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Europees Sociaal Handvest, die door [alle] lidstaten zijn ondertekend. Met name in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap is het ontzeggen van redelijke aanpassingen opgenomen in de definitie van discriminatie.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)    Het beginsel van gelijkheid en het verbod op discriminatie zijn algemene beginselen van het internationale, Europese en nationale recht, die voor de EU en haar lidstaten bindend zijn op alle gebieden waarvoor zij bevoegd zijn. Deze richtlijn draagt bij tot de verwezenlijking van dit doel en tot het uitbannen van discriminatie, die daarmee niet verenigbaar is.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 ter (nieuw)
(2 ter)    Deze richtlijn is een van de middelen waarmee de Gemeenschap voldoet aan haar verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, en moet in dat licht worden gezien.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 quater (nieuw)
(2 quater)    In overeenstemming met artikel 5 van de politieke verklaring die is overeengekomen ter afsluiting van de Wereldconferentie van de Verenigde Naties over vergrijzing in Madrid in 2002, is besloten opnieuw zich ertoe te verbinden alles in het werk te stellen om alle vormen van discriminatie, met inbegrip van leeftijdsdiscriminatie, uit te bannen; te erkennen dat mensen naarmate zij ouder worden, een leven moeten kunnen leiden dat gekenmerkt wordt door zelfontplooiing, gezondheid, veiligheid en actieve deelname aan het economisch, sociaal, cultureel en politiek leven van hun samenleving; de erkenning van de waardigheid van ouderen te verbeteren; en alle vormen van verwaarlozing, mishandeling en geweld uit te bannen.
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 quinquies (nieuw)
(2 quinquies)    Lichamelijke en geestelijke gezondheid en welzijn zijn essentieel voor de levenskwaliteit van mens en maatschappij en voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Lissabon-strategie van de Europese Unie.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)   Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de grondbeginselen in acht die met name zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Overeenkomstig artikel 10 van het Handvest heeft eenieder recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; bij artikel 21 is elke discriminatie, met name op grond van godsdienst of overtuigingen, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid verboden; en in artikel 26 wordt het recht van personen met een handicap op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid te bewerkstelligen, erkend.
(3)   Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de grondbeginselen in acht die met name zijn neergelegd in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van de Raad van Europa, met name artikel 9 inzake de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst en artikel 10 inzake de vrijheid van meningsuiting, alsmede in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Overeenkomstig artikel 10 van het Handvest heeft eenieder recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; in artikel 20 wordt bepaald dat eenieder gelijk is voor de wet; bij artikel 21 is elke discriminatie, met name op grond van godsdienst of overtuigingen, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid verboden; artikel 24 verleent specifieke rechten aan kinderen, en in artikel 26 wordt het recht van personen met een handicap op maatregelen die beogen hun zelfstandigheid te bewerkstelligen, erkend.
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)   Naar aanleiding van het Europees Jaar van personen met een handicap in 2003, van gelijke kansen voor iedereen in 2007, en van de interculturele dialoog in 2008, is erop gewezen dat discriminatie nog steeds voorkomt en zijn de voordelen van verscheidenheid onder de aandacht gebracht.
(4)   Naar aanleiding van het Europees Jaar van personen met een handicap in 2003, van gelijke kansen voor iedereen in 2007, en van de interculturele dialoog in 2008, is erop gewezen dat directe en indirecte discriminatie, meervoudige discriminatie en associatieve discriminatie nog steeds voorkomen, maar is ook de noodzaak van het bevorderen van de voordelen van verscheidenheid onder de aandacht gebracht.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)    De verscheidenheid van de Europese samenleving staat centraal bij de culturele, politieke en sociale integratie van de Unie en hoort geëerbiedigd te worden.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)    Discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid kan de verwezenlijking van de doelstellingen van het EG-Verdrag ondermijnen, in het bijzonder de verwezenlijking van een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, de verbetering van de levensstandaard en de kwaliteit van het bestaan, alsmede de vergroting van de economische en sociale cohesie en van de solidariteit. Discriminatie kan ook de doelstelling ondermijnen de Europese Unie als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te ontwikkelen.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)   De Gemeenschap heeft op grond van artikel 13, lid 1, van het EG-Verdrag drie rechtsinstrumenten aangenomen ter preventie en bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of geloof, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Deze instrumenten hebben het nut aangetoond van wetgeving in de strijd tegen discriminatie. Met name Richtlijn 2000/78/EG stelt een algemeen kader in voor gelijke behandeling in arbeid en beroep, ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid . Op andere gebieden dan arbeid blijven er tussen de lidstaten evenwel verschillen bestaan wat het niveau en de vorm van bescherming tegen discriminatie op die gronden betreft.
(8)   De Gemeenschap heeft op grond van artikel 13, lid 1, van het EG-Verdrag een aantal richtlijnen aangenomen ter preventie en bestrijding van discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of geloof, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Deze richtlijnen hebben het nut aangetoond van wetgeving in de strijd tegen discriminatie. Richtlijn 2000/43/EG stelt een kader in voor de bestrijding van discriminatie op grond van ras of etnische afstamming binnen en buiten de arbeidsmarkt. Richtlijn 2004/113/EG stelt een kader in voor gelijke behandeling van mannen en vrouwen bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten. Richtlijn 2000/78/EG stelt, voor gronden van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, een algemeen kader in voor gelijke behandeling in arbeid en beroep . Zij dekt geen gebieden die buiten dit bereik vallen.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)   Discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid moet daarom bij wet verboden zijn op tal van gebieden buiten de arbeidsmarkt, zoals sociale bescherming, onderwijs en toegang tot en aanbod van goederen en diensten, met inbegrip van huisvesting. De wetgeving moet in maatregelen voorzien om personen met een handicap op de betrokken gebieden gelijke toegang te garanderen.
(9)   Directe en indirecte discriminatie, meervoudige discriminatie en associatieve discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid en gender moeten daarom bij wet verboden zijn op tal van gebieden buiten de arbeidsmarkt, zoals sociale bescherming, onderwijs en toegang tot en aanbod van goederen en diensten, zoals huisvesting, vervoer, verenigingen en gezondheidszorg . De wetgeving moet in maatregelen voorzien om personen met een bijzondere godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid dan wel een combinatie van deze kenmerken, alsmede de met hen verbonden personen op de betrokken gebieden gelijke toegang te garanderen.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)    Voor de doeleinden van deze richtlijn moet onder goederen worden verstaan, goederen in de zin van de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen van het EG-Verdrag. Onder diensten moet worden verstaan diensten in de zin van artikel 50 van het EG-Verdrag.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 ter (nieuw)
(9 ter)    Personen met een handicap krijgen dikwijls met discriminatie in de vorm van ontoegankelijkheid van openbaar vervoer of de bebouwde omgeving te maken, en onbereikbare informatie en communicatie. De lidstaten moeten maatregelen treffen om toegankelijkheid en bereikbaarheid in dergelijke opzichten te waarborgen en daarmee het principe van gelijke behandeling in praktijk brengen.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
(11)   Deze richtlijn laat de bevoegdheden van de lidstaten op de gebieden onderwijs, sociale zekerheid en gezondheidszorg onverlet. Zij doet evenmin afbreuk aan de essentiële rol en de ruime discretionaire bevoegdheid van de lidstaten om diensten van algemeen economisch belang te verrichten, te doen verrichten en te organiseren.
(11)   Deze richtlijn laat de uitoefening van de bevoegdheden van de lidstaten op de gebieden onderwijs en sociale bescherming, met inbegrip van sociale zekerheid en gezondheidszorg, onverlet. Zij doet evenmin afbreuk aan de essentiële rol en de ruime discretionaire bevoegdheid van de lidstaten om diensten van algemeen economisch belang te verrichten, te doen verrichten en te organiseren.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)   Discriminatie omvat directe en indirecte discriminatie, intimidatie, opdrachten tot discrimineren en het ontzeggen van redelijke aanpassingen.
(12)   Discriminatie omvat directe en indirecte discriminatie, meervoudige discriminatie, intimidatie, opdrachten tot discrimineren en het ontzeggen van redelijke aanpassingen.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)    Personen met een handicap zijn onder meer personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die hen, in wisselwerking met hinderlijke gedrags- of omgevingsfactoren, kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving.
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 ter (nieuw)
(12 ter)    Gezien de buitensporige belastingen van micro-ondernemingen, moeten deze naar het voorbeeld van de Civil Rights Act in de VS speciaal worden beschermd.
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 quater (nieuw)
(12 quater)    Onder discriminatie valt ook het weigeren van medische behandeling enkel en alleen op grond van het leeftijdscriterium.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 quinquies (nieuw)
(12 quinquies)    Discriminatie op grond van handicap omvat discriminatie wegens het feit dat iemand begeleid of bijgestaan wordt door een erkende hulp- of geleidehond die volgens de normen van de internationale federatie voor geleidehonden of de internationale normen voor hulphonden afgericht is.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 sexies (nieuw)
(12 sexies)    Effectieve niet-discriminerende toegang kan op een aantal wijzen worden gerealiseerd, zoals door toepassing van het "design for all"- principe en door vergemakkelijking van het gebruik van hulpmiddelen door personen met een handicap, met inbegrip van hulpmiddelen voor mobiliteit en toegankelijkheid, zoals erkende hulp- of geleidehonden.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 septies (nieuw)
(12 septies)    Een wijziging wordt als fundamenteel beschouwd in de zin van artikel 4 als de goederen, diensten of de aard van het vak, beroep of bedrijf zodanig worden veranderd dat de leverancier of dienstverlener in feite een volledig ander soort goederen of diensten aanbiedt.
Amendementen 10 en 23
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)   Bij de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling, ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, moet de Gemeenschap er overeenkomstig artikel 3, lid 2, van het EG-Verdrag, naar streven ongelijkheden op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, met name omdat vrouwen vaak het slachtoffer zijn van meervoudige discriminatie.
(13)   In deze richtlijn wordt tevens rekening gehouden met meervoudige discriminatie. Aangezien discriminatie op meerdere, in de artikelen 12 en 13 van het EG-Verdrag opgesomde gronden kan plaatsvinden, moet de Gemeenschap , bij de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling er overeenkomstig artikel 3, lid 2 en artikel 13, van het EG-Verdrag, naar streven ongelijkheden in verband met geslacht, ras of etnische afstamming, handicap, seksuele geaardheid, godsdienst of overtuiging of leeftijd, of een combinatie hiervan op te heffen en de gelijkheid te bevorderen, ongeacht de combinatie van de kenmerken in verband met de hierboven genoemde factoren die een persoon kan hebben. Er moeten doeltreffende juridische procedures komen voor situaties van meervoudige discriminatie. Met name moeten nationale juridische procedures waarborgen dat een klager alle aspecten van een vordering inzake meervoudige discriminatie in één enkele procedure aan de orde kan stellen.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)    Verschillen in behandeling op grond van leeftijd en handicap kunnen worden toegestaan indien zij objectief en redelijkerwijs worden gerechtvaardigd door een legitiem doel en indien de middelen voor het verwezenlijken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Deze verschillen in behandeling kunnen bijvoorbeeld bestaan in bijzondere leeftijdsvoorwaarden met betrekking tot de toegang tot bepaalde goederen of diensten, zoals alcoholhoudende dranken, wapens of rijbewijzen. De bevordering van de economische, culturele of maatschappelijke integratie van jongeren of ouderen of van personen met een handicap kan ook worden beschouwd als een legitiem doel. Derhalve worden maatregelen in verband met leeftijd en handicap die gunstigere voorwaarden scheppen dan voor anderen, zoals gratis toegang of toegang tegen verlaagde tarieven tot openbaar vervoer, musea of sportfaciliteiten, verenigbaar geacht met het beginsel van non-discriminatie.
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)   Bij de verstrekking van verzekerings-, bank- en andere financiële diensten wordt gebruikt gemaakt van actuariële en risicofactoren in verband met handicap en leeftijd. Wanneer is aangetoond dat dit essentiële factoren voor de risicobeoordeling zijn, houden zij geen discriminatie in.
(15)   Bij de verstrekking van verzekerings-, bank- en andere financiële diensten wordt gebruikt gemaakt van actuariële en risicofactoren in verband met handicap en leeftijd. Wanneer is aangetoond dat dit doorslaggevende factoren voor de risicobeoordeling zijn, en indien de dienstverlener aan de hand van actuariële beginselen of statistische of medische gegevens aanmerkelijk hogere risico's kan aantonen , houden zij geen discriminatie in. Deze gegevens moeten nauwkeurig, recent en relevant zijn en op verzoek ter beschikking worden gesteld. De actuariële en risicofactoren moeten een afspiegeling vormen van de positieve veranderingen in levensverwachting en de actieve levensstijl van ouderen, alsook de toegenomen mobiliteit en toegankelijkheid voor mensen met een handicap. Medische gegevens omvatten uitsluitend objectieve en gecontroleerde medische feiten, alsmede algemeen aanvaarde medische inzichten die voldoen aan de normen voor het verzamelen van medische gegevens.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)    Bij het plaatsen van overheidsopdrachten die worden afgesloten in de lidstaten voor rekening van de staat, territoriale lichamen en andere publiekrechtelijke instellingen moeten de beginselen van het Verdrag worden nageleefd, met name het vrije verkeer van goederen, de vrijheid van vestiging en het vrij verlenen van diensten, alsmede de daarvan afgeleide beginselen, zoals gelijke behandeling, het discriminatieverbod, wederzijdse erkenning, evenredigheid en transparantie. Wetsvoorschriften inzake de coördinatie van procedures voor de plaatsing van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten zijn neergelegd in Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten 1 , op grond waarvan het plaatsen van overheidsopdrachten die worden afgesloten in de lidstaten voor rekening van de staat, territoriale lichamen en andere publiekrechtelijke instellingen afhankelijk is van de naleving van de beginselen van het Verdrag, met name gelijke behandeling ongeacht geslacht, ras of etnische afstamming, handicap, seksuele geaardheid, godsdienst of overtuiging of leeftijd, en het beginsel van non-discriminatie. Voor overheidsopdrachten boven een bepaalde waarde zijn echter bepalingen inzake communautaire coördinatie van nationale procedures voor het plaatsen van dergelijke opdrachten opgesteld, om te garanderen dat de overheidsopdrachten openstaan voor mededinging. De lidstaten moeten deze coördinatievoorschriften uitleggen overeenkomstig de beginselen van gelijke behandeling ongeacht geslacht, ras of etnische afstamming, handicap, seksuele geaardheid, godsdienst of overtuiging of leeftijd en andere bepalingen van het Verdrag.
____________
1 PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)   Eenieder beschikt over contractvrijheid, met inbegrip van de vrije keuze van een contractant voor een transactie. Deze richtlijn is niet van toepassing op economische transacties door privépersonen wanneer deze niet hun professionele of commerciële activiteit vormen.
(16)   Eenieder beschikt over volledige contractvrijheid, met inbegrip van de vrije keuze van een contractant voor een transactie. Het is belangrijk, in het kader van de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten, de bescherming van privé- en gezinsleven en de in dat kader verrichte transacties te eerbiedigen. Transacties tussen privépersonen die in die hoedanigheid handelen, vallen bijgevolg niet onder deze richtlijn, wanneer zij geen professionele of commerciële activiteit van de contractanten vormen.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)   Belangrijk is dat bij het verbod op discriminatie andere fundamentele rechten en vrijheden worden geëerbiedigd, waaronder de bescherming van het privé- en gezinsleven en transacties in die context, de godsdienstvrijheid en de vrijheid van vereniging. Deze richtlijn laat de nationale wetgeving inzake de burgerlijke staat, de gezinssituatie of de reproductieve rechten onverlet. Zij laat eveneens de seculiere aard van de Staat, overheidsinstellingen en –organen en het onderwijs onverlet.
(17)   Belangrijk is dat bij het verbod op discriminatie andere fundamentele rechten en vrijheden worden geëerbiedigd waaronder de godsdienstvrijheid, de vrijheid van vereniging, de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid. Deze richtlijn laat de seculiere aard van de Staat, overheidsinstellingen en –organen en het onderwijs onverlet. Deze richtlijn raakt niet aan de scheiding der bevoegdheden tussen de Europese Unie en haar lidstaten, ook op het gebied van het huwelijks- en familierecht en de wetgeving inzake gezondheid.
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)   De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de organisatie en de inhoud van het onderwijs. In haar mededeling "Verbetering van competenties voor de 21ste eeuw: een agenda voor Europese samenwerking op schoolgebied" wijst de Commissie erop dat kansarme kinderen en kinderen met bijzondere onderwijsbehoeften extra aandacht moeten krijgen. In de nationale wetgeving kan met name worden voorzien in verschillen in behandeling op grond van godsdienst of overtuiging wat de toegang tot onderwijsinstellingen betreft. Het staat de lidstaten ook vrij het dragen of tonen van religieuze symbolen op school toe te staan of te verbieden.
(18)   De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de organisatie en de inhoud van het onderwijs. Zij moeten zorgen voor de effectieve bescherming tegen discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. In haar mededeling "Verbetering van competenties voor de 21ste eeuw: een agenda voor Europese samenwerking op schoolgebied" wijst de Commissie erop dat kansarme kinderen en kinderen met bijzondere onderwijsbehoeften extra aandacht moeten krijgen. De lidstaten mogen, slechts op basis van objectieve gronden, verschillen in behandeling op grond van godsdienst of overtuiging wat de toegang tot onderwijsinstellingen betreft toestaan, wanneer het erom gaat om, uitsluitend om objectieve redenen, van personen een houding van goede trouw en loyaliteit aan de ethos van de organisatie te verlangen, mits dit geen discriminatie op enige andere grond rechtvaardigt en andere onderwijsinstellingen geografisch gezien bereikbaar zijn en een redelijk alternatief bieden, ten einde indirecte discriminatie te voorkomen. De lidstaten zorgen ervoor dat dit niet leidt tot het ontzeggen van het recht op onderwijs.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19
(19)   De Europese Unie heeft in de aan de slotakte van het Verdrag van Amsterdam gehechte Verklaring nr. 11 betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties uitdrukkelijk verklaard de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het nationale recht in de lidstaten hebben, te eerbiedigen en daaraan geen afbreuk te doen en evenzeer de status van levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties te eerbiedigen. Maatregelen om personen met een handicap effectieve niet-discriminerende toegang te bieden tot de gebieden die door deze richtlijn worden geregeld, zijn van groot belang om in de praktijk een volledig gelijke behandeling te garanderen. Voorts kunnen in bepaalde gevallen individuele maatregelen voor redelijke aanpassingen nodig zijn om een dergelijke toegang te garanderen. Er moeten in geen geval maatregelen worden genomen die een onevenredige belasting vormen. Bij de beoordeling of de belasting onevenredig is, moet rekening worden gehouden met een aantal factoren zoals de omvang, de middelen en de aard van de organisatie. De beginselen van redelijke aanpassingen en onevenredige belasting zijn vastgesteld in Richtlijn 2000/78/EG en in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Op bepaalde gebieden zijn op Europees niveau wettelijke voorschriften en normen inzake toegankelijkheid vastgesteld.
(19)   De Europese Unie heeft in de aan de slotakte van het Verdrag van Amsterdam gehechte Verklaring nr. 11 betreffende de status van kerken en niet-confessionele organisaties uitdrukkelijk verklaard de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het nationale recht in de lidstaten hebben, te eerbiedigen en daaraan geen afbreuk te doen en evenzeer de status van levensbeschouwelijke en niet-confessionele organisaties te eerbiedigen.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)    Maatregelen om personen met een handicap effectieve niet-discriminerende toegang te bieden tot de gebieden die door deze richtlijn worden geregeld, zijn van groot belang om in de praktijk een volledig gelijke behandeling te garanderen . Voorts kunnen in bepaalde gevallen individuele maatregelen voor redelijke aanpassingen nodig zijn om een dergelijke toegang te garanderen. In geen enkel geval hoeven maatregelen te worden genomen die een onevenredige belasting vormen. Bij de beoordeling of de belasting onevenredig is, moet rekening worden gehouden met de vraag of de maatregel in kwestie al dan niet uitvoerbaar en veilig is, en al dan niet door een redelijke aanpassing van regels, beleidsvoering of handelwijzen of wegneming van architecturale, communicatie- of vervoertechnische belemmeringen of met aanvullende hulp- of dienstverlening uitvoerbaar of veilig te maken is. Redelijke aanpassingen moeten niet noodzakelijkerwijze omvangrijke structurele veranderingen aan gebouwen betekenen waarvan structuur door de nationale wet beschermd is omwille van hun historische, culturele of architectonische waarde. De beginselen van redelijke aanpassingen en onevenredige belasting zijn vastgesteld in Richtlijn 2000/78/EG en in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21
(21)   Het discriminatieverbod mag geen afbreuk doen aan de handhaving of vaststelling door de lidstaten van maatregelen die zijn bedoeld om de nadelen die een groep personen met een bepaald geloof of een bepaalde overtuiging , dan wel een bepaalde handicap, leeftijd of seksuele geaardheid ondervindt, te voorkomen of te compenseren. Dergelijke maatregelen kunnen organisaties van personen met een bepaald geloof of een bepaalde overtuiging, dan wel een bepaalde handicap, leeftijd of seksuele geaardheid toestaan wanneer die als hoofddoel hebben voor de bijzondere behoeften van deze personen op te komen.
(21)   Het discriminatieverbod mag geen afbreuk doen aan de handhaving of vaststelling door de lidstaten van maatregelen die zijn bedoeld om de nadelen die personen met een bepaalde godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of een bepaalde seksuele geaardheid dan wel een combinatie van kenmerken in verband met deze factoren, alsmede de met hen verbonden personen ondervinden , te voorkomen of te compenseren. Dit verbod kan gepaard gaan met maatregelen ter bevordering van gelijke behandeling en gelijke kansen vanuit genderoogpunt en positieve actie om te voorzien in de specifieke behoeften van personen of categorieën personen die wegens hun kenmerken behoefte hebben aan voorzieningen, diensten en bijstand die voor anderen niet noodzakelijk zijn. Ook kunnen onafhankelijke organisaties van personen met een bepaald geloof of een bepaalde overtuiging, dan wel een bepaalde handicap, leeftijd of seksuele geaardheid worden opgericht wanneer die als hoofddoel hebben voor de bijzondere behoeften van deze personen op te komen.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)   Daadwerkelijke toepassing van het beginsel van gelijke behandeling vereist een passende rechtsbescherming tegen represailles.
(25)   Daadwerkelijke toepassing van het beginsel van gelijke behandeling vereist een passende rechtsbescherming tegen represailles. Een doeltreffende rechtsbescherming van de rechten van het individu dient gepaard te gaan met actieve bevordering van non-discriminatie en gelijke kansen.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 26
(26)   In zijn resolutie over de follow-up van het Europees Jaar van gelijke kansen voor iedereen (2007) heeft de Raad ertoe opgeroepen de civiele maatschappij, met inbegrip van organisaties die potentiële discriminatieslachtoffers vertegenwoordigen, de sociale partners en verdere betrokkenen zowel op Europees als op nationaal niveau volledig te betrekken bij het opstellen van het beleid en de programma's ter voorkoming van discriminatie en ter bevordering van gelijkheid en gelijke kansen.
(26)   In zijn resolutie over de follow-up van het Europees Jaar van gelijke kansen voor iedereen (2007) heeft de Raad ertoe opgeroepen de civiele maatschappij, met inbegrip van organisaties die potentiële discriminatieslachtoffers vertegenwoordigen, de sociale partners en verdere betrokkenen zowel op Europees als op nationaal niveau volledig te betrekken bij het opstellen van het beleid en de programma's ter voorkoming van discriminatie en ter bevordering van gelijkheid en gelijke kansen. Daartoe zorgen de Commissie en de lidstaten ervoor dat de in deze richtlijn vervatte maatregelen alsmede de reeds van kracht zijnde bepalingen algemeen bekend worden bij het publiek en de doelgroepen, en wel met behulp van voorlichtings- en perscampagnes, mede met het oog op het wegnemen van stereotypen, met gebruikmaking van op de doelgroepen toegesneden communicatiemiddelen (zoals gebarentaal en speciale websites voor slechtzienden).
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 31 bis (nieuw)
(31 bis)    Bij hun interpretatie van de betekenis van discriminatiegronden moet de rechter rekening houden met de internationale en Europese instrumenten op het gebied van mensenrechten, met inbegrip van de aanbevelingen en de jurisprudentie van toezichtorganen, zoals het Europese Hof voor de rechten van de mens.
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1
In deze richtlijn wordt een kader vastgesteld voor de bestrijding van discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid met betrekking tot gebieden buiten arbeid en beroep, zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.
1.    In deze richtlijn wordt een kader vastgesteld voor de bestrijding van discriminatie, met inbegrip van meervoudige discriminatie, op grond van godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid met betrekking tot gebieden buiten arbeid en beroep, zodat in de lidstaten het beginsel van gelijke behandeling toegepast kan worden.
2.    Van meervoudige discriminatie is sprake in geval van :
(a) een combinatie van de discriminatiegronden godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid; of
(b) een of meer van de in lid 1 bedoelde gronden plus een of meer van de volgende gronden:
(i) geslacht (voor zover het voorwerp van de klacht onder de materiële werkingssfeer van Richtlijn 2004/113/EG, alsmede van deze richtlijn valt),
(ii) ras of etnische afstamming (voor zover het voorwerp van de klacht onder de materiële werkingssfeer van Richtlijn 2000/43/EG, alsmede deze richtlijn valt), of
(iii) nationaliteit (voor zover het voorwerp van de klacht onder de werkingssfeer van artikel 12 van het EG-Verdrag valt).
3.    In deze richtlijn worden meervoudige discriminatie en meervoudige gronden dienovereenkomstig geïnterpreteerd.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 2
2.   Voor de toepassing van lid 1 is er:
2.   Voor de toepassing van lid 1 is er:
(a) "directe discriminatie", wanneer iemand ongunstiger wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op een van de in artikel 1 genoemde gronden;
(a) "directe discriminatie", wanneer een persoon of mensen die met een dergelijke persoon in verband worden gebracht, ongunstiger worden behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie wordt, is of zou worden behandeld op een of meer van de in artikel 1 genoemde gronden;
(b) "indirecte discriminatie", wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaald geloof of een bepaalde overtuiging, dan wel een bepaalde handicap, leeftijd of seksuele geaardheid in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt, tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
(b) "indirecte discriminatie", wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, maatstaf of handelwijze personen met een bepaald geloof of een bepaalde overtuiging, dan wel een bepaalde handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, of mensen die met dergelijke personen in verband gebracht worden, in vergelijking met andere personen bijzonder benadeelt, tenzij die bepaling, maatstaf of handelwijze objectief wordt gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 3
3.   Intimidatie wordt als een vorm van discriminatie in de zin van lid 1 beschouwd als er sprake is van ongewenst gedrag dat met een van de in artikel 1 genoemde gronden verband houdt, en tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd.
3.   Onverminderd de vrijheid van meningsuiting, wordt intimidatie als een vorm van discriminatie in de zin van lid 1 beschouwd als er sprake is van ongewenst gedrag dat met een van de in artikel 1 genoemde gronden verband houdt, en tot doel of gevolg heeft dat de waardigheid van de persoon wordt aangetast en een bedreigende, vijandige, beledigende, vernederende of kwetsende omgeving wordt gecreëerd. Het begrip intimidatie kan in dit verband worden gedefinieerd in overeenstemming met de nationale wetten en praktijken van de lidstaten.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4
4.   Een opdracht tot het discrimineren van personen op een van de in artikel 1 genoemde gronden, wordt beschouwd als discriminatie in de zin van lid 1.
4.   Een op een hiërarchische verhouding gebaseerde opdracht of verzoek tot het discrimineren van personen op een van de in artikel 1 genoemde gronden, wordt beschouwd als discriminatie in de zin van lid 1.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.    Discriminatie op grond van vooronderstellingen omtrent iemands godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid of vanwege associatie met personen met een bepaalde godsdienst, overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, wordt aangemerkt als discriminatie in de zin van artikel 1.
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 5
5.   Het ontzeggen van redelijke aanpassingen in een specifiek geval als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b), van deze richtlijn wat personen met een handicap betreft, wordt beschouwd als discriminatie in de zin van lid 1.
5.   Het ontzeggen van redelijke aanpassingen in een specifiek geval als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b), van deze richtlijn wat personen met een handicap betreft of personen die met een gehandicapte omgaan, als de aanpassingen nodig zijn om deze personen de mogelijkheid te geven om een gehandicapte persoonlijk bij te staan, wordt beschouwd als discriminatie in de zin van lid 1.
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 6
6.   Onverminderd lid 2, kunnen de lidstaten bepalen dat verschillen in behandeling op grond van leeftijd geen discriminatie vormen indien zij in het kader van de nationale wetgeving worden gerechtvaardigd door een legitiem doel, en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Deze richtlijn vormt met name geen beletsel voor het vaststellen van een bepaalde leeftijd voor de toegang tot uitkeringen, onderwijs en bepaalde goederen en diensten.
6.   Deze richtlijn vormt geen beletsel voor verschillen in behandeling op grond van leeftijd, voor zover deze objectief en redelijkerwijs worden gerechtvaardigd door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend, evenredig, noodzakelijk en doelmatig zijn.
Amendementen 87 en 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 7
7.   Onverminderd lid 2 kunnen lidstaten voor de verstrekking van financiële diensten proportionele verschillen in behandeling toestaan wanneer het gebruik van leeftijd of handicap voor het betrokken product een essentiële factor is in de risicobeoordeling op basis van relevante en accurate actuariële of statistische gegevens.
7.   Onverminderd lid 2 worden, bij de verstrekking van financiële diensten, proportionele verschillen in behandeling, wanneer het gebruik van leeftijd of handicap voor het betrokken product een bepalende factor is in de risicobeoordeling op basis van relevante actuariële beginselen, accurate statistische gegevens of medische inzichten, voor de toepassing van deze richtlijn niet als discriminatie beschouwd . Deze gegevens moeten accuraat, recent en relevant zijn en op verzoek op toegankelijke wijze ter beschikking worden gesteld. De actuariële en risicofactoren moeten een afspiegeling vormen van de positieve veranderingen in levensverwachting en de actieve levensstijl van ouderen, alsook de toegenomen mobiliteit en toegankelijkheid voor mensen met een handicap. De dienstverlener moet objectief significant hogere risico's kunnen aantonen en garanderen dat de verschillen in behandeling objectief en redelijk verantwoord zijn door een legitiem doel en dat de middelen om dat doel te bereiken evenredig, noodzakelijk en doelmatig zijn.
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 8
8.   Deze richtlijn laat de algemene nationale wettelijke bepalingen onverlet die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn voor de openbare veiligheid, de handhaving van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de volksgezondheid en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
8.   Deze richtlijn laat de algemene nationale wettelijke bepalingen onverlet die in een democratische samenleving noodzakelijk en evenredig zijn voor de openbare veiligheid, de handhaving van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de volksgezondheid en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 8 bis (nieuw)
8 bis.    Deze richtlijn erkent het recht op persoonlijke levenssfeer als middel in de strijd tegen de in dit artikel bedoelde vormen van discriminatie.
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 – alinea 1 − letter d
(d) de toegang tot en het aanbod van goederen en andere diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, met inbegrip van huisvesting.
(d) de toegang tot en het aanbod van goederen en andere diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, met inbegrip van huisvesting en vervoer .
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 – alinea 1 − letter d bis (nieuw)
(d bis) lidmaatschap van en activiteiten in verenigingen, alsmede dienstverlening door deze organisaties.
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 – alinea 2
Voor privépersonen geldt letter d) uitsluitend voor zover zij een professionele of commerciële activiteit uitoefenen .
Letter d) geldt niet voor transacties tussen particulieren voor wie de transacties geen commerciële of professionele activiteit vormen.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 2
2.   Deze richtlijn laat de nationale wetgeving inzake de burgerlijke staat, de gezinssituatie of de reproductieve rechten onverlet.
2.   Deze richtlijn raakt niet aan de scheiding der bevoegdheden tussen de Europese Unie en haar lidstaten.
Amendementen 89 en 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 3
3.   Deze richtlijn laat de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de inhoud van het onderwijs, de activiteiten en de opzet van hun onderwijsstelsels, met inbegrip van de opzet van buitengewoon onderwijs, onverlet . De lidstaten kunnen voorzien in verschillen in behandeling op grond van godsdienst of overtuiging wat de toegang tot onderwijsinstellingen betreft.
3.   Deze richtlijn is niet van toepassing op de inhoud van het onderwijs, de activiteiten en de opzet van de nationale onderwijsstelsels, waarbij de lidstaten de rechten van personen met een handicap op onderwijs zonder discriminatie en op basis van gelijke kansen in acht nemen . De lidstaten zorgen er eveneens voor dat bij het bepalen van het juiste soort onderwijs of opleiding, de mening van de persoon met een handicap wordt gerespecteerd. De lidstaten kunnen verschillen bij de toegang tot onderwijsinstellingen toestaan op grond van godsdienst of overtuiging, ten einde het bijzondere karakter en ethos van dergelijke instellingen en de pluriformiteit van onderwijsstelsels in stand te houden, mits dit geen inbreuk vormt op het recht op onderwijs en geen rechtvaardiging vormt voor discriminatie op enige andere grond. De lidstaten zorgen ervoor dat dit niet leidt tot het ontzeggen van het recht op onderwijs.
Amendement 95 en 52
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 4
4.   Deze richtlijn laat de nationale wetgeving onverlet die de seculiere aard van de Staat, van overheidsinstellingen of -organen, of van het onderwijs garandeert, dan wel betrekking heeft op de status en de activiteiten van kerken en andere op godsdienst of overtuiging gebaseerde organisaties. Zij laat ook de nationale wetgeving onverlet die de gelijke behandeling van mannen en vrouwen bevordert .
4.   Deze richtlijn is niet van toepassing op het nationale recht onverlet die de seculiere aard van de Staat, van overheidsinstellingen of -organen, of van het onderwijs garandeert, dan wel betrekking heeft op de status, de activiteiten en het rechtskader van kerken en andere op godsdienst of overtuiging gebaseerde organisaties, indien die buiten de bevoegdheidssfeer van de EU vallen. Indien de activiteiten van kerken en andere op godsdienst of overtuiging gebaseerde organisaties binnen de bevoegdheidssfeer van de EU vallen, zijn zij onderworpen aan de non-discriminatievoorschriften van de Unie. Zij laat ook de nationale wetgeving onverlet die zorgt voor de gelijke behandeling van personen van het vrouwelijke en het mannelijke geslacht .
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 5
5.   Deze richtlijn is niet van toepassing op verschillen in behandeling gebaseerd op nationaliteit en doet geen afbreuk aan voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen en staatlozen tot c.q. op het grondgebied van de lidstaten, noch aan enige behandeling die het gevolg is van de juridische status van de betrokken onderdanen van derde landen en staatlozen.
5.   Deze richtlijn is niet van toepassing op verschillen in behandeling gebaseerd op nationaliteit en doet geen afbreuk aan voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen en staatlozen tot c.q. op het grondgebied van de lidstaten, noch aan enige behandeling die het gevolg is van de juridische status van de betrokken onderdanen van derde landen en staatlozen. Discriminatie op grond van religie of overtuiging, leeftijd, handicap of seksuele geaardheid, die wordt gepresenteerd als een verschil in behandeling op grond van nationaliteit wordt aangemerkt als discriminatie in de zin van artikel 1.
Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.    De reclame- en mediasector vallen niet onder de werkingssfeer van deze richtlijn.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 − inleidende formule
1.   Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap wordt nageleefd:
1.   Teneinde te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot personen met een handicap wordt nageleefd, waarbij handicap te verstaan is in de zin van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waartoe ook mensen met chronische aandoeningen behoren:
Amendement 97
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 – letter a
a) moeten de nodige maatregelen om personen met een handicap effectieve niet-discriminerende toegang te geven tot sociale bescherming, sociale voordelen, gezondheidszorg, onderwijs en toegang tot en aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, met inbegrip van huisvesting en vervoer, van tevoren worden genomen, onder meer via passende wijzigingen of aanpassingen. Dergelijke maatregelen mogen geen onevenredige belasting vormen, geen fundamentele wijziging van de sociale bescherming, de sociale voordelen, de gezondheidszorg, het onderwijs, of de betrokken goederen en diensten vereisen, noch vereisen dat daarvoor alternatieve oplossingen worden aangeboden;
a) moeten de nodige maatregelen om personen met een handicap effectieve niet-discriminerende toegang te geven tot sociale bescherming, sociale voordelen, gezondheidszorg, onderwijs en toegang tot en aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn, met inbegrip van huisvesting, telecommunicatie, elektronische communicatiemiddelen, informatie, ook in toegankelijke vormen, financiële dienstverlening, cultuur en vrijetijdsbesteding, openbare gebouwen, de verschillende middelen van vervoer en andere openbare ruimten en voorzieningen van tevoren worden genomen, onder meer via passende wijzigingen of aanpassingen. Wanneer het niet verstrekken van effectieve niet-discriminerende toegang voortkomt uit bepaalde praktijken, beleid of procedures, worden er maatregelen genomen om die uitwerking op te heffen.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 – letter b
(b) wordt voorzien in de verplichting om effectieve niet-discriminerende toegang - alsook de nodige redelijke aanpassingen in specifieke gevallen - te waarborgen, tenzij dit een onevenredige belasting vormt.
(b) impliceert effectieve niet-discriminerende toegang, voor de doeleinden van dit lid, dat belemmeringen en barrières worden vastgesteld en opgeheven, en dat nieuwe belemmeringen en barrières die de toegang voor personen met een handicap tot openbaar beschikbare goederen, diensten en voorzieningen hinderen, worden voorkomen, ongeacht de aard van de belemmering, barrière of handicap. Krachtens de bepalingen van deze richtlijn, en ongeacht welke maatregelen worden gekozen om de belemmeringen en barrières op te heffen, wordt ervoor gezorgd dat mensen met een handicap effectieve niet-discriminerende toegang hebben, onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden als mensen zonder handicap waar dan ook, en wordt het gebruik van hulpmiddelen door mensen met een handicap gefaciliteerd, met inbegrip van hulpmiddelen voor mobiliteit en toegang, zoals erkende hulp- of geleidehonden, waar het noodzakelijk is. Als het ondanks alle inspanningen niet mogelijk is om onder dezelfde voorwaarden en omstandigheden, en overeenkomstig de bepalingen van deze richtlijn in redelijke aanpassingen te voorzien om voor effectieve niet-discriminerende toegang te zorgen, wordt er gezorgd voor een zinvol alternatief om toegang te verzekeren. Voor de toepassing van deze richtlijn houdt "redelijke aanpassingen" in dat in specifieke gevallen alternatieve maatregelen nodig zijn om een persoon met een handicap op gelijke basis met anderen toegang te verschaffen tot en/of in het genot te stellen van rechten die vallen binnen het in artikel 3, lid 1 vastgelegde toepassingsgebied van deze richtlijn .
Amendement 98
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2
2.   Bij de beoordeling of de nodige maatregelen om aan lid 1 te voldoen een onevenredige belasting vormen , moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de omvang en de middelen van de organisatie, haar aard, de geraamde kosten, de levensduur van de goederen en diensten, en de mogelijke voordelen van een betere toegang voor personen met een handicap . Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door bestaande maatregelen in het kader van het door de lidstaten gevoerde beleid inzake gelijke behandeling, mag zij niet als onevenredig worden beschouwd .
2.   Maatregelen met het oog op effectieve niet-discriminerende toegang mogen geen onevenredige belasting vormen noch een fundamentele wijziging vergen. Bij de beoordeling van de vraag of de maatregel in kwestie een onevenredige belasting met zich zou brengen , moet rekening worden gehouden met de vraag of de maatregel in kwestie al dan niet uitvoerbaar of veilig is en al dan niet door een redelijke aanpassing van regels, beleidsvoering of handelwijzen of wegneming van architecturale, communicatie- of vervoertechnische belemmeringen of met aanvullende hulp- of dienstverlening uitvoerbaar of veilig te maken is. Een wijziging is als fundamenteel te beschouwen als zij de goederen en diensten of de aard van het vak , beroep of bedrijf zodanig verandert dat de leverancier van de goederen of dienstverlener een volledig ander soort goederen of dienst moet aanbieden . Redelijke aanpassingen houden niet noodzakelijkerwijze omvangrijke structurele veranderingen aan gebouwen in waarvan de structuur door de nationale wet beschermd is omwille van hun historische, culturele of architectonische waarde. Wanneer die belasting in voldoende mate wordt gecompenseerd door in de betrokken lidstaat bestaande maatregelen, wordt zij niet onevenredig geacht. De beginselen van redelijke aanpassingen en onevenredige belasting worden geïnterpreteerd in het licht van Richtlijn 2000/78/EG en in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap .
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 3
3.   Deze richtlijn laat de bepalingen van het Gemeenschapsrecht en nationale regels die van toepassing zijn op de toegankelijkheid van specifieke goederen of diensten onverlet.
3.   Deze richtlijn laat de bepalingen van het Gemeenschapsrecht en nationale regels die van toepassing zijn op de toegankelijkheid van specifieke goederen of diensten onverlet. De instellingen van de EU en de lidstaten nemen echter waar mogelijk maatregelen om dienstverleners en leveranciers van goederen, in het bijzonder gefabriceerde goederen, te stimuleren toegankelijke oplossingen te ontwerpen, bijvoorbeeld door specificaties in openbare aanbestedingen. Toegankelijke producten en diensten zijn zo ontworpen dat zij gebruikt kunnen worden door alle gebruikers.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5
Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid in de praktijk te waarborgen, specifieke maatregelen handhaaft of aanneemt om de nadelen verband houdende met godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te voorkomen of te compenseren.
Het beginsel van gelijke behandeling belet niet dat een lidstaat, om volledige gelijkheid in de praktijk te waarborgen, specifieke maatregelen handhaaft of aanneemt, dan wel de openbare, particuliere of vrijwillige sector toestaat dergelijke maatregelen te nemen, om de nadelen verband houdende met godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te voorkomen of te compenseren.
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 1
1.   De lidstaten zorgen ervoor dat eenieder die zich door niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, toegang krijgt tot gerechtelijke en/of administratieve procedures, en wanneer zij zulks passend achten, ook tot bemiddelingsprocedures, voor de naleving van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen, zelfs na beëindiging van de verhouding waarin deze persoon zou zijn gediscrimineerd.
1.   De lidstaten zorgen ervoor dat eenieder die zich door niet-toepassing van het beginsel van gelijke behandeling benadeeld acht, daadwerkelijk toegang krijgt tot gerechtelijke en/of administratieve procedures, en wanneer zij zulks passend achten, ook tot bemiddelingsprocedures, voor de naleving van de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen, zelfs na beëindiging van de verhouding waarin deze persoon zou zijn gediscrimineerd.
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.    De lidstaten zorgen in het kader van hun nationale rechtsstelsels voor de nodige maatregelen om te waarborgen dat een door een persoon als gevolg van discriminatie in de zin van deze richtlijn geleden verlies of nadeel daadwerkelijk wordt gecompenseerd of vergoed – al naar de lidstaten passend achten – op een wijze die ontradend en evenredig aan het geleden nadeel is.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 2
2.   Lid 1 weerhoudt de lidstaten er niet van voor de eiser gunstiger regels in te voeren.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 bis (nieuw)
Artikel 9 bis
Bevordering van gelijkheid
De lidstaten houden daadwerkelijk rekening met de doelstelling van gelijkheid van mannen en vrouwen, ongeacht hun godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, bij de opstelling en uitvoering van wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, beleidsmaatregelen en activiteiten op de gebieden die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen.
Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10
De lidstaten zorgen ervoor dat op hun grondgebied alle betrokkenen via passende middelen adequate informatie krijgen over de uit hoofde van deze richtlijn vastgestelde bepalingen tezamen met de reeds van kracht zijnde relevante bepalingen.
De lidstaten zorgen ervoor dat op hun grondgebied alle betrokkenen via passende middelen, waaronder internet, adequate informatie krijgen over de uit hoofde van deze richtlijn vastgestelde bepalingen tezamen met de reeds van kracht zijnde relevante bepalingen.
Om het beginsel van gelijke behandeling te bevorderen, zetten de lidstaten specifieke bewustmakings- en voorlichtingscampagnes op, alsook scholing.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11
Met het oog op het bevorderen van het beginsel van gelijke behandeling bevorderen de lidstaten de dialoog met belanghebbenden, in het bijzonder met niet-gouvernementele organisaties die overeenkomstig de nationale wetgeving en praktijk een rechtmatig belang hebben bij te dragen tot de bestrijding van discriminatie op de gronden en de gebieden waarop deze richtlijn van toepassing is .
Met het oog op het bevorderen van het beginsel van gelijke behandeling bevorderen de lidstaten de dialoog met belanghebbenden, in het bijzonder met niet-gouvernementele organisaties. Het overleg omvat tevens de controle op de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 1
1.   De lidstaten wijzen een orgaan of organen aan voor de bevordering van gelijke behandeling van alle personen, ongeacht hun godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Deze organen kunnen deel uitmaken van instanties die op nationaal vlak verantwoordelijk zijn voor de verdediging van de mensenrechten of de bescherming van de rechten van het individu, met inbegrip van rechten krachtens Gemeenschapswetgeving zoals Richtlijn 2000/43/EG en Richtlijn 2004/113/EG.
1.   De lidstaten wijzen een of meerdere onafhankelijk opererende en over passende financiële middelen beschikkende organen aan voor de bevordering van gelijke behandeling van alle personen, ongeacht hun godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. De lidstaten zorgen ervoor dat dit orgaan of deze organen bevoegd zijn op de gebieden die onder deze richtlijn vallen, alsook op de gebieden van arbeid en beroep krachtens Richtlijn 2000/78/EG. Deze organen kunnen deel uitmaken van instanties die op nationaal vlak verantwoordelijk zijn voor de verdediging van de rechten krachtens Gemeenschapswetgeving zoals de Richtlijnen 2000/43/EG, 2000/78/EG en 2004/113/EG.
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 2 – streepje -1 (nieuw)
− administratieve of gerechtelijke procedures betreffende discriminatie te vergemakkelijken, indien het slachtoffer ingezetene is van een andere lidstaat dan die van de verweerder, door contact op te nemen met de gelijkwaardige organisatie of organisaties in de lidstaat van de verweerder;
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 2 – streepje -1 bis (nieuw)
− ervoor te zorgen dat de verweerder zonodig toegang heeft tot rechtsbijstand overeenkomstig Richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen 1 ;
__________
1 PB L 26 van 31.1.2003, blz. 41.
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 2 – streepje 2
− onafhankelijke onderzoeken over discriminatie te verrichten;
− onafhankelijke onderzoeken over discriminatie te bewaken en te verrichten, ook met betrekking tot de toepassing van de anti-discriminatiewetgeving;
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 2 – streepje 3 bis (nieuw)
− samen te werken en informatie uit te wisselen met het EU-Bureau voor de grondrechten en andere soortgelijke instanties van de EU;
Amendement 74
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.    De lidstaten zorgen ervoor dat deze organen over voldoende middelen beschikken om hun taken op effectieve en laagdrempelige wijze uit te kunnen voeren.
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – letter a
(a) alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met het beginsel van gelijke behandeling in strijd zijn, worden afgeschaft;
(a) alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die met het beginsel van gelijke behandeling in strijd zijn, worden met onmiddellijke ingang afgeschaft;
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14
De lidstaten stellen vast welke sancties gelden voor overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties kunnen het betalen van schadevergoeding omvatten, die niet mag worden beperkt door vooraf een maximumbedrag vast te stellen, en moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
De lidstaten stellen vast welke sancties gelden voor overtredingen van de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden toegepast. De sancties kunnen het betalen van schadevergoeding omvatten, die niet mag worden beperkt door vooraf een maximumbedrag vast te stellen, en moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn en het discriminerend gedrag doen ophouden en de gevolgen ervan ongedaan maken.
Amendementen 59 en 77
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 2
2.   Teneinde rekening te houden met specifieke omstandigheden, kunnen lidstaten indien nodig vaststellen dat de verplichting om effectieve toegang te garanderen als bedoeld in artikel 4 [uiterlijk] op ..., dit is vier [jaar na vaststelling van de richtlijn], moet worden nageleefd .
2.   Om te voldoen aan de verplichting om effectieve niet-discriminerende toegang te geven tot de bestaande infrastructuur, beleidsmaatregelen of procedures in de zin van artikel 4, lid 1, onder a), kunnen de lidstaten indien nodig beschikken over een extra periode van 10 jaar, te rekenen vanaf [de uiterste omzettingstermijn], om aan deze verplichting te voldoen.
Lidstaten die van deze extra periode gebruik wensen te maken, stellen de Commissie daarvan onder opgave van de redenen uiterlijk op de in lid 1 vastgestelde datum in kennis .
De lidstaten die gebruik wensen te maken van de extra periode dienen bij de Commissie een plan in voor geleidelijke naleving van de vereisten van artikel 4, lid 1, onder a), met inbegrip van doelstellingen, middelen en een tijdschema. Lidstaten die gebruik wensen te maken van deze extra periode, brengen om halfjaarlijks verslag uit aan de Commissie over de maatregelen die zij hebben genomen om effectieve niet-discriminerende toegang te geven en over de vorderingen die zij hebben gemaakt ten aanzien van de tenuitvoerlegging van artikel 4, lid 1, onder a). De Commissie brengt halfjaarlijks verslag uit aan de Raad.
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 1
1.   De lidstaten en de nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling verstrekken de Commissie uiterlijk op …, en vervolgens om de vijf jaar, alle dienstige gegevens om haar in staat te stellen een verslag aan het Europees Parlement en aan de Raad over de toepassing van deze richtlijn op te stellen.
1.   De lidstaten verstrekken de Commissie uiterlijk op …, en vervolgens om de vijf jaar, alle dienstige gegevens om haar in staat te stellen een verslag aan het Europees Parlement en aan de Raad over de toepassing van deze richtlijn op te stellen.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.    Uiterlijk ... jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn moet een alomvattend communautair rechtskader inzake non-discriminatie van kracht worden in de vorm van één richtlijn, waarin alle bestaande richtlijnen, die artikel 13 van het EG-Verdrag als rechtsgrondslag hebben, inclusief deze richtlijn, zijn gebundeld en aldus worden vervangen. Deze nieuwe richtlijn dient te voorzien in een gelijk beschermingsniveau voor elk van de discriminatiegronden.
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 16 – lid 2
2.   In het verslag van de Commissie wordt op passende wijze rekening gehouden met de standpunten van de sociale partners, betrokken niet-gouvernementele organisaties en het EU-Bureau voor de grondrechten. Overeenkomstig het beginsel van integratie van het gelijkekansenbeleid (gender mainstreaming) worden in dit verslag onder meer de gevolgen van de maatregelen ten aanzien van mannen en vrouwen geëvalueerd. In het licht van de vergaarde informatie bevat het verslag, indien nodig, voorstellen voor de herziening en actualisering van de richtlijn.
2.   In het verslag van de Commissie wordt op passende wijze rekening gehouden met de standpunten van de sociale partners, betrokken niet-gouvernementele organisaties en het EU-Bureau voor de grondrechten. Het verslag omvat een evaluatie van de praktijken in de lidstaten met betrekking tot artikel 2, lid 7, inzake het gebruik van leeftijd of handicap als factor bij de berekening van premies en uitkeringen. Overeenkomstig het beginsel van integratie van het gelijkekansenbeleid (gender mainstreaming) worden in dit verslag onder meer de gevolgen van de maatregelen ten aanzien van mannen en vrouwen geëvalueerd. Dit verslag bevat ook informatie over meervoudige discriminatie, waarbij niet alleen discriminatie op grond van godsdienst of overtuiging, seksuele geaardheid, leeftijd en handicap, maar ook discriminatie op grond van geslacht, ras en etnische afstamming in aanmerking wordt genomen. In het licht van de vergaarde informatie bevat het verslag, indien nodig, voorstellen voor de herziening en actualisering van de richtlijn.

De halfjaarlijkse evaluatie van de dialoog EU-Wit-Rusland
PDF 89k   DOC 51k
Resolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over de halfjaarlijkse evaluatie van de dialoog EU-Wit-Rusland
P6_TA(2009)0212 B6-0177/2009

Het Europees Parlement ,

–   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de situatie in Wit-Rusland, met name zijn resolutie van 15 januari 2009 over de strategie van de EU ten aanzien van Wit-Rusland(1) ,

–   gezien de conclusies over Wit-Rusland van de Raad Algemene Zaken en Externe Betrekkingen van 16 maart 2009, waarin werd besloten tot het verder opschorten van sancties met betrekking tot het visumverbod voor Wit-Russische functionarissen, met inbegrip van President Alexander Lukashenko, en de beperkende maatregelen uit te breiden,

–   gezien de mededeling van de Commissie over het Oostelijk partnerschap (COM(2008)0823 ), van 3 december 2008,

–   gezien de verklaring van de Commissie van 21 november 2006 over de bereidheid van de Europese Unie om een nieuwe impuls te geven aan haar betrekkingen met Wit-Rusland en de Wit-Russische bevolking in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid,

–   gelet op artikel 103, lid 2, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de Raad, in zijn bovengenoemde conclusies van 16 maart 2009, zijn bereidheid heeft bevestigd om de betrekkingen met Wit-Rusland te verstevigen, afhankelijk van de voortgang die Wit-Rusland boekt op de weg naar democratie, mensenrechten en de rechtsstaat, en om Wit-Rusland te helpen deze doelen te bereiken,

B.   overwegende dat de Raad, na het evalueren van de ontwikkelingen in Wit-Rusland na het besluit van oktober 2008 inzake de tijdelijke opschorting van de reisbeperkingen voor bepaalde Wit-Russische functionarissen, overeenkomstig de voorwaarden in Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad 2008/844/GBVB(2) , heeft besloten de opschorting van de toepassing van deze reisbeperkingen te handhaven gedurende een periode van negen maanden,

C.   overwegende dat de Raad heeft besloten de beperkende maatregelen tegen bepaalde Wit-Russische functionarissen, vastgelegd in gemeenschappelijk standpunt 2006/276/GBVB, met een jaar te verlengen,

D.   overwegende dat de EU bezorgd blijft over de mensenrechtensituatie in Wit-Rusland en de recente gevallen van mensenrechtenschendingen,

E.   overwegende dat de Commissie als reactie op de positieve maatregelen die door Wit-Rusland zijn genomen reeds een intensievere dialoog met dit land heeft aangeknoopt op gebieden als energie, milieu, douane, vervoer en voedselveiligheid en heeft bevestigd bereid te zijn deze technische gesprekken die voor beide zijden voordelen bieden, verder uit te breiden, zonder eventuele plannen om aan de grens met de EU een nieuwe kernenergiecentrale van niet-westers model te bouwen, in deze gesprekken aan bod te laten komen,

F.   overwegende dat de Raad Wit-Rusland heeft opgenomen in zijn "Oostelijk partnerschap", dat door de Commissie is gestart in zijn bovengenoemde communicatie van 3 december 2008 om tot nauwere samenwerking met een aantal Oost-Europese landen te komen,

G.   overwegende dat de Wit-Russische minister van Buitenlandse Zaken, Siarhei Martynau, heeft verklaard dat "Wit-Rusland positief staat tegenover deelname in het Oostelijk partnerschap", alsmede dat het land van plan is in dit initiatief te participeren,

H.   overwegende dat de Committee to Protect Journalists de Wit-Russische autoriteiten heeft verzocht de accreditatie van Andrzej Poczobut, correspondent voor de grootste Poolse krant, Gazeta Wyborcza, te vernieuwen, en onderzoek te doen naar recente gevallen van intimidatie van hem en zijn gezin in de westelijke stad Hrodna, vanwege zijn kritiek op het regeringsbeleid; overwegende dat Andrzej Poczobut op 17 maart 2009 een boete van 148 EUR is opgelegd voor zijn verslag van de vergadering van de Bond van Polen in Wit-Rusland,

1.   steunt het besluit van de Raad om de beperkende maatregelen tegen bepaalde Wit-Russische functionarissen te verlengen en tegelijkertijd de opschorting van de toepassing van reisbeperkingen voor bepaalde Wit-Russische functionarissen gedurende negen maanden te handhaven;

2.   blijft bezorgd over de mensenrechtensituatie in Wit-Rusland en de recente gevallen van mensenrechtenschendingen; kijkt uit naar de start op korte termijn van een dialoog op het gebied van de mensenrechten met Wit-Rusland;

3.   verwelkomt de voortgezette dialoog op hoog niveau tussen de EU en Wit-Rusland, die ook bilaterale contacten omvat, en de geïntensiveerde technische samenwerking die de Commissie heeft gestart, als manier om wederzijds begrip te kweken en om aandacht te besteden aan de punten van zorg van beide partijen en aan kwesties van gemeenschappelijk belang;

4.   is van mening dat de intensivering van de politieke dialoog tussen de EU en Wit-Rusland als voorwaarde moet hebben dat de beperkingen van de vrijheid worden opgeheven en een eind wordt gemaakt aan het geweld tegen deelnemers aan protesten van de oppositie en mensenrechtenactivisten; roept in dit verband op tot de ogenblikkelijke vrijlating van de ondernemers Mikalai Autukhovich, Yury Liavonau en Uladzimir Asipenka, alsmede van de jongerenactivist voor de oppositie Artsiom Dubski, en tot herziening van de vrijheidsbeperkende maatregelen ten aanzien van 11 personen die hebben deelgenomen aan een demonstratie die plaatsvond in januari 2008;

5.   verwelkomt en moedigt de voortzetting aan van de samenwerking van Wit-Rusland met het Bureau voor de democratische instellingen en de mensenrechten van de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa (OVSE/ODIHR) op het gebied van de kieswetgeving;

6.   dringt erop aan dat de Wit-Russische democratische oppositie en het maatschappelijk middenveld moeten worden betrokken bij de dialoog tussen de EU en Wit-Rusland;

7.   roept de regering van Wit-Rusland op om de komende negen maanden te laten zien vooruitgang te hebben geboekt op de volgende terreinen:

   hervorming van de Wit-Russische kieswetgeving om te zorgen voor een gegarandeerde vertegenwoordiging van leden van de oppositie in kiescommissies op alle niveaus en de transparantie en controleerbaarheid van de stemmentelling te waarborgen,
   het bieden van gelijke rechten aan alle mediakanalen door opheffing van het verbod op de verspreiding van onafhankelijke gedrukte media via de "Sayusdruk"-distributienetwerken (systeem van kiosken) , die in overheidshanden zijn, en de Wit-Russische staatspostdienst "Belposhta"; afschaffing van de artikelen 367, 368, 369 and 369-1 van het Wit-RussischeWetboek van strafrecht, die vaak worden misbruikt om journalisten te vervolgen voor het uitoefenen van hun beroep; vereenvoudiging van de procedure voor het verkrijgen van accreditatie voor alle journalisten, met inbegrip van officiële vertegenwoordigers van buitenlandse media,
   waarborging van de vrijheid van vereniging en vergadering door het afschaffen van artikel 193-1 van het Wit-RussischeWetboek van strafrecht, dat de strafrechtelijke verantwoordelijkheid vaststelt voor activiteiten namens niet-geregistreerde openbare verenigingen, politieke partijen en stichtingen; waarborging van de vrijheid van godsdienst,
   waarborging van politieke rechten en vrijheden door het afschaffen van de praktijk van politieke ontslagen van universiteitsmedewerkers; stoppen van de vervolging voor het ontduiken van dienstplicht door studenten die van universiteiten zijn gestuurd vanwege hun politieke opvattingen; onderzoek naar de recente gevallen van gedwongen ronseling voor het leger van verschillende jonge activisten, zoals Franak Viačorka, Ivan Šyla en Zmiter Fedaruk, die neerkomen op gijzeling door de overheid;

8.   roept de Wit-Russische regering op om met onmiddellijke ingang een moratorium in te stellen op alle terdoodveroordelingen en terechtstellingen met het oog op de afschaffing van de doodstraf (zoals vastgelegd in Resolutie 62/149 van de Algemene Vergadering van de VN van 18 december 2007 betreffende een moratorium op het gebruik van de doodstraf), de terdoodveroordelingen van alle gedetineerden die momenteel op hun terechtstelling wachten onverwijld om te zetten in gevangenisstraf, de binnenlandse wetgeving in overeenstemming te brengen met de verplichtingen van het land uit hoofde van internationale mensenrechtenverdragen en te waarborgen dat internationaal erkende standaarden inzake een eerlijke rechtsgang strikt worden toegepast;

9.   roept de Wit-Russische autoriteiten op tot erkenning van de Bond van Polen in Wit-Rusland onder leiding van Angelika Borys, die op 15 maart 2009 als president werd herkozen op het Congres van de Bond van Polen;

10.   verzoekt de Raad en de Commissie om, indien Wit-voorzitter gedurende de periode van negen maanden voldoet aan bovengenoemde criteria, te overwegen het reisverbod permanent af te schaffen, alsmede maatregelen te treffen om de economische en sociale vooruitgang te vergemakkelijken en het proces van herintegratie van Wit-Rusland in de Europese familie van democratische landen te versnellen;

11.   verzoekt de Raad en de Commissie verdere stappen te nemen om de visumprocedures voor burgers van Wit-Rusland te liberaliseren, aangezien dergelijke maatregelen van wezenlijk belang zijn om de belangrijkste doelstelling van het beleid van de EU jegens Wit-Rusland te verwezenlijken, namelijk het opnemen van Wit-Rusland in de Europese en regionale processen en er voor te zorgen dat het proces van democratisering in het land onomkeerbaar wordt; verzoekt de Raad en de Commissie in dit verband de mogelijkheden te bezien om de visakosten voor Wit-Russische burgers die de Schengenzone binnenkomen te verlagen en de procedure voor het verkrijgen van een visum te vereenvoudigen;

12.   verzoekt de Commissie om ten volle en op doeltreffende wijze gebruik te maken van de mogelijkheden tot ondersteuning van de ontwikkelingen op het gebied van het maatschappelijk middenveld en de democratie in Wit-Rusland door middel van het Europese Instrument voor democratie en mensenrechten(3) (EIDHR); dringt er bij de Commissie op aan het Parlement geregeld en volledig op de hoogte te stellen van de besteding van EIDHR-middelen;

13.   verzoekt de Commissie financiële steun te verlenen aan de onafhankelijke Wit-Russische televisiezender Belsat en de Wit-Russische regering op te roepen Belsat officieel in Wit-Rusland te registreren; verzoekt de Wit-Russische regering om als teken van goede wil en verandering in positieve richting toe te staan dat de Wit-Russische "Europese universiteit voor menswetenschappen" (EHU) in ballingschap in Vilnius (Litouwen), mits effectieve garanties dat zij in vrijheid zal kunnen werken, legaal naar Wit-Rusland kan terugkeren en onder passende omstandigheden kan gaan werken aan de eigen toekomst in Minsk, met name door de EHU de mogelijkheid te bieden haar bibliotheek nog in de loop van 2009 opnieuw in Minsk te vestigen door hiervoor een gebouw beschikbaar te stellen en de voorwaarden te scheppen die het mogelijk maken de uitgebreide collecties in het Wit-Russisch, Russisch, Engels, Duits en Frans open te stellen en voor iedereen toegankelijk te maken;

14.   verzoekt de Raad en de Commissie na te denken over maatregelen gericht op verbetering van het ondernemingsklimaat, handel, investeringen, energie- en vervoersinfrastructuur en grensoverschrijdende samenwerking tussen de EU en Wit-Rusland, teneinde bij te dragen aan het welzijn en de welvaart van de burgers van Wit-Rusland, alsook aan hun mogelijkheden te communiceren met en vrijelijk te reizen naar de EU;

15.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de Parlementaire Vergaderingen van de OVSE en de Raad van Europa, het secretariaat van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten, alsook het parlement en de regering van Wit-Rusland.

(1) P6_TA(2009)0027 .
(2) Gemeenschappelijk Standpunt van de Raad 2008/844/GBVB van 10 november 2008 houdende wijziging van Gemeenschappelijk Standpunt 2006/276/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde functionarissen van Belarus (PB L 300 van 11.11.2008, blz. 56).
(3) Verordening (EG) nr. 1889/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot instelling van een financieringsinstrument voor de bevordering van democratie en mensenrechten in de wereld (PB L 386 van 29.12.2006, blz. 1).


Het Europese geweten en het totalitarisme
PDF 88k   DOC 44k
Resolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over het Europese geweten en het totalitarisme
P6_TA(2009)0213 B6-0165 , 0169 , 0170 en 0171/2009

Het Europees Parlement ,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van de Verenigde Naties,

–   gezien resolutie 260 (III) A over genocide van 9 december 1948 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties,

–   gezien de artikelen 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(1) ,

–   onder verwijzing naar Resolutie 1481 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 25 januari 2006 over de noodzaak van internationale veroordeling van de misdaden van totalitaire communistische regimes,

–   gezien zijn verklaring van 23 september 2008 over het aanwijzen van 23 augustus als de dag van herdenking van de slachtoffers van zowel het stalinisme, als het nazisme(2) ,

–   onder verwijzing naar zijn talrijke resoluties over democratie en de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden, met inbegrip van zijn resolutie van 12 mei 2005 over de zestigste verjaardag van het einde van de Tweede Wereldoorlog in Europa op 8 mei 1945(3) , zijn resolutie van 23 oktober 2008 over de herdenking van de Holodomor(4) en zijn resolutie van 15 januari 2009 over Srebrenica(5) ,

–   gezien de in diverse delen van de wereld opgerichte waarheids- en rechtvaardigheidscommissies, die diegenen die onder de vele voormalige autoritaire en totalitaire regimes hebben geleefd, hebben geholpen hun geschillen achter zich te laten en zich met elkaar te verzoenen,

–   gezien de verklaringen van zijn Voorzitter en de fracties op 4 juli 2006 70 jaar na de staatsgreep van Franco in Spanje,

–   gelet op artikel 103, lid 4, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat geschiedkundigen het erover eens zijn dat volledig objectieve interpretaties van historische feiten onmogelijk zijn en dat objectieve historische beschrijvingen niet bestaan; verder overwegende dat professionele geschiedkundigen desalniettemin wetenschappelijke instrumenten gebruiken om het verleden te bestuderen en daarbij zo onpartijdig mogelijk proberen te zijn,

B.   overwegende dat geen enkel politiek orgaan of politieke partij het monopolie heeft op het interpreteren van de geschiedenis, en dat partijen niet kunnen claimen objectief te zijn,

C.   overwegende dat officiële politieke interpretaties van historische feiten niet door middel van meerderheidsbesluiten van parlementen moeten worden opgelegd; verder overwegende dat een parlement geen wetten kan maken voor het verleden,

D.   overwegende dat één van de hoofddoelstellingen van het Europese integratieproces het waarborgen van respect voor fundamentele rechten en de rechtstaat in de toekomst is; verder overwegende dat de artikelen 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie passende mechanismen voor het verwezenlijken van deze doelstellingen bevatten,

E.   overwegende dat verkeerde interpretaties van de geschiedenis tot een beleid van uitsluiting kunnen leiden, en zo haat en racisme kunnen aanwakkeren,

F.   overwegende dat de herinnering aan Europa's trieste verleden levend moet worden gehouden om de slachtoffers in ere te houden, de daders te veroordelen en de basis te leggen voor een verzoening die op de waarheid en herdenking stoelt,

G.   overwegende dat miljoenen slachtoffers in de 20e eeuw in Europa door totalitaire en autoritaire regimes zijn gedeporteerd, gevangen gezet, gefolterd en vermoord; overwegende dat desalniettemin moet worden erkend dat de holocaust uniek was,

H.   overwegende dat de dominante historische ervaring in West-Europa het nazisme was en dat de landen in Midden- en Oost-Europa zowel het nazisme als het communisme hebben meegemaakt; verder overwegende dat het begrip van de dubbele erfenis van dictatuur van deze landen moet worden bevorderd,

I.   overwegende dat de Europese integratie van begin af aan een reactie vormde op niet alleen het leed dat door de twee wereldoorlogen werd aangericht en de nazi-tirannie die tot de holocaust leidde, maar ook op de expansie van het totalitarisme en de ondemocratische communistische regimes in Midden- en Oost-Europa, en tevens een middel was om de grote verdeeldheid en vijandschap in Europa door samenwerking en integratie te overbruggen en om de oorlog te beëindigen en de democratie in Europa veilig te stellen,

J.   overwegende dat het Europese integratieproces een succes kan worden genoemd en tot de opbouw van een Europese Unie heeft geleid waarvan de landen van Midden- en Oost-Europa die vanaf het einde van WO II tot in de vroege jaren negentig onder communistische regimes hadden geleefd, thans deel uitmaken, en overwegende dat de eerdere toetreding van Griekenland, Spanje en Portugal, die geleden hebben onder langdurige fascistische regimes, ertoe bijgedragen heeft de democratie in Zuid-Europa veilig te stellen,

K.   overwegende dat Europa niet kan worden verenigd tenzij het erin slaagt een gemeenschappelijk begrip van zijn geschiedenis te vormen, het nazisme, het stalinisme en de fascistische en communistische regimes als een gezamenlijk erfgoed te erkennen, en een eerlijk, diepgaand debat op gang te brengen over hun misdaden van alle totalitaire regimes in de afgelopen eeuw,

L.   overwegende dat het herenigde Europa in 2009 de twintigste verjaardag viert van de val van de communistische dictaturen in Midden- en Oost-Europa en van de Berlijnse Muur, hetgeen aanleiding zou moeten zijn voor zowel een sterker bewustzijn van het verleden als een erkenning van de rol van democratische burgerinitiatieven, en tevens de aanzet zou moeten geven tot een versterking van het saamhorigheidsgevoel en de cohesie,

M.   overwegende dat het belangrijk is diegenen te herdenken die zich actief tegen het totalitarisme hebben verzet en het verdienen om vanwege hun toegewijdheid en hun trouw aan idealen, hun eer en hun moed als helden van het totalitaire tijdperk in het bewustzijn van de Europeanen te worden gegrift,

N.   overwegende dat het vanuit het perspectief van de slachtoffers niets uitmaakt welk regime hen om het even welke reden van hun vrijheid heeft beroofd, gemarteld of vermoord heeft,

1.   betuigt zijn respect voor alle slachtoffers van de totalitaire en ondemocratische regimes van Europa en betuigt zijn dank aan al degenen die tegen de tirannie en onderdrukking gestreden hebben;

2.   getuigt er andermaal van dat een vreedzaam en welvarend Europa dat gegrondvest is op waarden zoals de eerbiediging van de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten, hem na aan het hart ligt;

3.   beklemtoont dat het belangrijk is de gedachtenis aan het verleden levend te houden omdat verzoening zonder waarheid en herdenking niet mogelijk is en bevestigt andermaal dat het eendrachtig stelling neemt tegen elke vorm van totalitarisme van welke ideologische achtergrond dan ook;

4.   wijst erop dat de laatste misdaden tegen de menselijkheid en de laatste genocide in Europa nog in juli 1995 plaatsvonden, en dat we voortdurend op onze hoede moeten blijven om ondemocratische, xenofobe, autoritaire of totalitaire ideeën en tendensen te bestrijden;

5.   benadrukt dat de herinnering aan de misdrijven van totalitaire en ondemocratische regimes in Europa alleen levend kan worden gehouden door de documentatie en getuigenissen van Europa's woelige verleden te steunen, aangezien geen verzoening zonder herdenking mogelijk is;

6.   betreurt het dat de toegang tot documenten van persoonlijk en wetenschappelijk belang twintig jaar na de ineenstorting van de communistische dictaturen in Midden- en Oost-Europa in sommige lidstaten nog steeds ten onrechte wordt beperkt; roept alle lidstaten op echt alles in het werk te stellen om de betrokken archieven open te stellen, met inbegrip van de archieven van de voormalige veiligheidsdiensten, geheime politie en inlichtingendiensten, hoewel erop moet worden toegezien dat dit proces niet voor politieke doeleinden wordt misbruikt;

7.   veroordeelt alle misdrijven tegen de menselijkheid en de grootschalige schendingen van de mensenrechten door alle totalitaire en autoritaire communistische regimes met kracht en op ondubbelzinnige wijze; betuigt de slachtoffers van deze misdrijven en hun familieleden zijn medeleven met, begrip voor en erkenning van hun leed;

8.   wijst erop dat de volkeren van Europa er door vrijwillig te kiezen voor de Europese integratie als een model van vrede en verzoening blijk van hebben gegeven zich te willen inzetten voor een gedeelde toekomst en dat de Europese Unie een bijzondere verantwoordelijkheid draagt om niet alleen in maar ook buiten de Europese Unie de democratie en de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat te bevorderen en te waarborgen;

9.   verzoekt de Commissie en de lidstaten zich verder in te spannen om de geschiedenis van Europa beter te onderrichten en het historisch succes van de Europese integratie en het scherpe contrast tussen het tragische verleden en de vreedzame en democratische maatschappelijke orde van de Europese Unie van vandaag te benadrukken;

10.   is van mening dat het op passende wijze in stand houden van historische herinneringen, een algemene herevaluatie van de geschiedenis van Europa en een pan-Europese erkenning van alle historische aspecten van het moderne Europa de Europese integratie zal versterken;

11.   verzoekt de Raad en de Commissie in het licht hiervan de activiteiten te steunen en te behartigen van niet-gouvernementele organisaties - zoals Memorial in de Russische Federatie - die zich actief bezighouden met het onderzoek naar en het verzamelen van documenten die verband houden met de misdrijven die onder Stalin zijn begaan;

12.   herhaalt zijn permanente steun voor versterking van de internationale justitie;

13.   verzoekt om oprichting van een Platform Europese nagedachtenis en Europees geweten, dat steun moet bieden voor de vorming van netwerken en de samenwerking tussen nationale onderzoeksinstituten die zich specialiseren in de geschiedenis van het totalitarisme, en voor het opzetten van een Europees documentatiecentrum/herdenkingsmonument voor de slachtoffers van alle totalitaire regimes;

14.   dringt aan op versterking van de bestaande relevante financiële instrumenten voor steun voor professioneel historisch onderzoek naar de hierboven vermelde gebeurtenissen;

15.   dringt erop aan 23 augustus uit te roepen tot een pan-Europese dag voor het herdenken van de slachtoffers van alle totalitaire en autoritaire regimes die moet worden gekenmerkt door waardigheid en onpartijdigheid;

16.   is ervan overtuigd dat met de openbaarmaking en beoordeling van de misdaden van de totalitaire communistische regimes uiteindelijk wordt gestreefd naar verzoening, die bereikt kan worden door het aanvaarden van verantwoordelijkheid, het vragen om vergeving en het bevorderen van een proces van morele vernieuwing;

17.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen van de lidstaten, de regeringen en parlementen van de kandidaat-lidstaten, de regeringen en parlementen van de met de Europese Unie geassocieerde landen en de regeringen en parlementen van de leden van de Raad van Europa.

(1) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0439 .
(3) PB C 92 E van 20.4.2006, blz. 392.
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0523 .
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0028 .


Rol van de cultuur bij de ontwikkeling van de Europese regio's
PDF 67k   DOC 34k
Resolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over de rol van de cultuur bij de ontwikkeling van de Europese regio's
P6_TA(2009)0214 B6-0166 , 0167 en 0168/2009

Het Europees Parlement ,

–   gezien het UNESCO-Verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen,

–   gezien de conclusies van de Raad van 24 mei 2007 over de bijdrage van de culturele en de creatieve sector aan de verwezenlijking van de doelstellingen van Lissabon(1) ,

–   gezien Besluit nr. 1855/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van het programma Cultuur 2007 (2007-2013)(2) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 april 2008 over de culturele industrieën in Europa(3) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 10 april 2008 over een Europese agenda voor cultuur in het licht van de mondialisering(4) ,

–   gelet op artikel 108, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de culturele ziel van Europa een steeds belangrijker middel is om Europese burgers nader tot elkaar te brengen, met eerbiediging van hun culturele en taalkundige identiteit,

B.   overwegende dat de culturen van Europa op plaatselijk, regionaal en nationaal niveau alsook op het niveau van hun centrale Europese instellingen strategische factoren voor de Europese ontwikkeling zijn,

C.   overwegende dat steden en regio's door hun deelgenootschap aan het Europese ideaal en hun bijdrage tot de ontwikkeling van de Europese Unie meer en meer een rol spelen op het Europese toneel,

D.   overwegende dat op initiatieven van het maatschappelijk middenveld gebaseerde culturele projecten een doeltreffend middel ter versterking en ontwikkeling van de regio's blijken te zijn,

E.   overwegende dat regionale conferenties een uitstekend middel voor het maatschappelijk middenveld zijn om projecten en voorstellen te lanceren, de beste werkwijzen uit te wisselen en een dialoog tussen de betrokkenen te voeren,

1.   onderstreept dat regionale en lokale ontwikkelingsstrategieën waarin cultuur, creativiteit en kunst geïntegreerd zijn, dankzij aandacht voor culturele diversiteit, democratie, participatie en interculturele dialoog, een wezenlijke bijdrage tot de verhoging van de levenskwaliteit in de Europese regio's en steden leveren;

2.   verzoekt de Commissie om in een Groenboek een waaier van mogelijke maatregelen op het terrein van hedendaagse culturele activiteiten voor te leggen die op versterking van de culturele ontwikkeling in de Europese regio's gericht zijn;

3.   verzoekt de Commissie om samen met regionale overheden en vertegenwoordigers van de lokale maatschappelijke organisaties regionale conferenties te ondersteunen;

4.   pleit voor acties en campagnes die het publiek bewust moeten maken van de rol die culturele projecten ten behoeve van de regionale ontwikkeling kunnen spelen;

5.   dringt er bij de betrokkenen op aan om naar een snelle en doeltreffende uitvoering van dergelijke projecten te streven;

6.   verwacht van de Commissie dat zij het resultaat van het onderzoek naar de invloed van cultuur op regionaal en lokaal niveau zo spoedig mogelijk aan het Parlement voorlegt, vergezeld van de conclusies en acties die zij hieraan denkt te verbinden;

7.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en het Comité van de Regio's.

(1) PB C 311 van 21.12.2007, blz. 7.
(2) PB L 372 van 27.12.2006, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0123 .
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0124 .


Nieuwe overeenkomst EU − Rusland
PDF 148k   DOC 96k
Aanbeveling van het Europees Parlement aan de Raad van 2 april 2009 over de nieuwe overeenkomst tussen de EU en Rusland (2008/2104(INI) )
P6_TA(2009)0215 A6-0140/2009

Het Europees Parlement ,

−   gezien de ontwerpaanbeveling aan de Raad, ingediend door Janusz Onyszkiewicz namens de ALDE-Fractie, inzake de betrekkingen tussen de EU en Rusland (B6-0373/2007 ),

−   gezien de overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Russische Federatie, anderzijds(1) , die op 1 december 1997 in werking is getreden en in 2007 zou afgelopen zijn, als ze niet automatisch verlengd werd,

−   gezien het besluit van de Raad van 26 mei 2008 om met de Russische Federatie in onderhandeling te treden over een nieuwe overeenkomst en de hervatting van deze onderhandelingen in december 2008,

−   onder verwijzing naar de doelstelling van de EU en Rusland, zoals omschreven in de gemeenschappelijke verklaring afgegeven na de Top van Sint Petersburg van 31 mei 2003, betreffende de invoering van een gemeenschappelijke economische ruimte, een gemeenschappelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid, een ruimte van samenwerking op het gebied van externe veiligheid, en een ruimte van onderzoek en onderwijs, met inbegrip van culturele aspecten, en gezien de daartoe inmiddels vastgestelde draaiboeken,

−   gezien de op 25 mei 2006 gesloten overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Russische Federatie inzake de versoepeling van de afgifte van visa aan burgers van de Europese Unie en de Russische Federatie(2) ,

−   gezien het op 17 december 1991 ondertekende Europese Energiehandvest en het daaropvolgende Verdrag inzake het Energiehandvest (EHV), dat op 17 december 1994 werd aangeboden ter verdragsluitende ondertekening en in april 1998 in werking is getreden, en dat juridisch bindend is voor alle partijen die het EHV hebben geratificeerd en die partijen die niet hebben afgezien van de voorlopige toepassing van het EHV in afwachting van de inwerkingtreding, in overeenstemming met artikel 45, lid 2, en gezien de energiedialoog tussen de EU en Rusland, die is ingevoerd op de zesde Top EU-Rusland, gehouden op 30 oktober 2000 te Parijs,

−   gezien het Protocol betreffende strategische milieueffectrapportage bij het VN/ECE-Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband van 1991 (Verdrag van Espoo),

−   onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 juli 2008 over de gevolgen voor het milieu van de geplande gasleiding in de Oostzee tussen Rusland en Duitsland(3) ,

−   gezien de ongekende verstoring van de levering van Russisch gas aan de Europese Unie in januari 2009,

−   gezien het mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland, dat tot dusver geen concrete resultaten heeft opgeleverd,

−   gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de protocollen daarbij,

−   gezien de lopende onderhandelingen over de toetreding van de Russische Federatie tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO),

−   gezien de vele geloofwaardige berichten van Russische en internationale non-gouvernementele organisaties (NGO's) over voortdurende ernstige schendingen van de mensenrechten in Rusland, de arresten van het Europees Hof voor de rechten van de mens inzake Tsjetsjenië en het grote aantal zaken dat in dit verband aanhangig is gemaakt bij het Hof,

−   onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over de Russische Federatie, met name zijn resolutie van 18 december 2008 inzake aanvallen op verdedigers van de mensenrechten in Rusland en het proces over de moord op Anna Politkovskaya(4) , zijn resolutie van 13 maart 2008 over Rusland(5) , zijn resolutie van 10 mei 2007 over de Top EU-Rusland in Samara op 18 mei 2007(6) , zijn resolutie van 19 juni 2008 over de topconferentie EU-Rusland op 26-27 juni 2008 in Khanty-Mansiisk(7) , zijn resolutie van 25 oktober 2006 over de betrekkingen EU-Rusland na de moord op de Russische journaliste Anna Politkovskaya(8) , zijn resolutie van 14 november 2007 over de Top EU-Rusland(9) alsmede zijn resolutie van 13 december 2006 over de top EU-Rusland in Helsinki van 24 november 2006(10) ,

−   onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 mei 2005 over de betrekkingen tussen de EU en Rusland(11) ,

−   onder verwijzing naar zijn resolutie van 19 juni 2007 over de economische en commerciële betrekkingen van de EU met Rusland(12) , waarin staat "dat de mensenrechtensituatie in Rusland een integraal onderdeel van de politieke agenda EU-Rusland moet zijn" en dat "uitgebreide economische samenwerking tussen Rusland en de EU moet stoelen op hoge democratische standaards en beginselen van de vrije markt",

−   onder verwijzing naar zijn resolutie van 3 september 2008 over de situatie in Georgië(13) ,

−   onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 september 2007 getiteld "Naar een gemeenschappelijk Europees extern energiebeleid"(14) ,

−   onder verwijzing naar zijn resoluties van 17 januari 2008 over een regionale beleidsaanpak voor het Zwarte-Zeegebied(15) en over een effectiever EU-beleid voor de zuidelijke Kaukasus: van beloften naar maatregelen(16) ,

−   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Permanente Partnerschapsraad EU-Rusland over vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid van 22 november 2007,

−   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en de Parlementaire Vergadering van de OVSE over de op 2 december 2007 gehouden verkiezingen voor de Russische Doema,

−   gelet op artikel 114, lid 3, en artikel 83, lid 5, van zijn Reglement,

−   gelet op het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie industrie, onderzoek en energie (A6-0140/2009 ),

A.   overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Rusland zeer belangrijk zijn in het streven naar pragmatische samenwerking; overwegende dat Rusland een permanent lid is van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, lid van de G8, de op twee na grootste handelspartner van de EU en de op drie na grootste handelspartner van de Eurozone, en dat Rusland een essentiële rol speelt bij de energievoorziening van de EU; overwegende dat de EU niet alleen economische en handelsbelangen met Rusland gemeen heeft, maar ook de doelstelling actief te zijn op het internationale toneel en de verantwoordelijkheid voor wereldaangelegenheden en kwesties betreffende de gemeenschappelijke Europese nabuurschap; overwegende dat betere samenwerking en goede nabuurschapbetrekkingen tussen de EU en Rusland gebaseerd moeten zijn op wederzijds vertrouwen en gemeenschappelijke waarden op het gebied van democratie, respect voor de mensenrechten en de rechtsstaat, en op samenwerking in internationale kwesties, en daarom van doorslaggevende betekenis zijn voor stabiliteit, veiligheid en welvaart in heel Europa; overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Rusland gebaseerd dienen te zijn op wederzijds respect, maar ook op de eerbiediging door elke der partijen van de soevereiniteit van naburige landen;

B.   overwegende dat de EU is gebaseerd op gemeenschappelijke waarden, zoals democratie en respect voor de mensenrechten en de rechtsstaat; overwegende dat volledig respect voor deze waarden de eerste prioriteit moet zijn bij het streven naar betere samenwerking met een derde land,

C.   overwegende dat samenwerking tussen de EU en Rusland de internationale stabiliteit ten goede komt, terwijl Rusland bovendien de verantwoordelijkheid heeft bij te dragen tot de financiële en politieke stabiliteit en een gevoel van veiligheid in Europa en de wereld, met name door voor een verantwoordelijke en vreedzame benadering tot de gemeenschappelijke buurlanden van de EU en Rusland te opteren en deze te handhaven; overwegende dat de EU al overleg voert met Rusland over Afghanistan, het Midden-Oosten en de Balkan en in de VN en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), waarbij gemeenschappelijke standpunten en benaderingen worden ontwikkeld met betrekking tot andere belangrijke veiligheidskwesties als de verspreiding van kernwapens, wapenbeheersing en ontwapening, de strijd tegen terrorisme, drugshandel, georganiseerde misdaad, klimaatverandering en de wereldwijde economische en financiële crisis,

D.   overwegende dat uit de verklaringen van de nieuwe Amerikaanse regering, bij monde van vicepresident Joe Biden en minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton, met betrekking tot het beleid inzake Rusland de bereidheid blijkt in het kader van een nieuw en open VS-beleid samen te werken aan een stabielere en veiliger wereld,

E.   gelet op de disproportionele tegenaanval van Rusland, die werd uitgelokt door het binnendringen van Georgische troepen in Zuid-Ossetië en zich vervolgens ook uitbreidde tot andere delen van het Georgische grondgebied, met inzet van tanks en de luchtmacht, en gelet ook op de onuitgelokte militaire actie in Abchazië met aanvallen op en de bezetting van Georgische zeehavens, gevolgd door de erkenning door Rusland van de twee separatistische enclaves, Zuid-Ossetië en Abchazië; overwegende dat deze handelingen ernstige twijfel doen rijzen aan de bereidheid van Rusland om tezamen met de EU te bouwen aan een gemeenschappelijke ruimte voor veiligheid in Europa; overwegende dat de verdere ontwikkeling van het partnerschap tussen EU en Rusland een inhoudelijke dialoog over veiligheid moet omvatten, gebaseerd op de onderschrijving door beide partijen van gemeenschappelijke waarden, respect voor het internationaal recht en voor de territoriale integriteit, en een toezegging om de in het kader van het Handvest van Helsinki aangegane verplichtingen na te komen,

F.   overwegende dat de onderhandelingen over een nieuwe overeenkomst die erop is gericht de samenwerking tussen de EU en de Russische Federatie te versterken, op geen enkele wijze de huidige status quo in Georgië legitimeren, terwijl de verplichting van Rusland om de op 12 augustus en 8 september 2008 gesloten overeenkomsten met betrekking tot het conflict in Zuid-Ossetië en Abchazië ten volle na te komen, van kracht blijft, omdat de naleving van deze overeenkomsten een essentiële voorwaarde moet zijn voor de succesvolle afronding van de besprekingen, waarbij alle partijen tevens afstand dienen te doen van het gebruik van geweld tegen buurlanden,

G.   overwegende dat de standpunten van partijen over Kosovo en de gemeenschappelijke nabuurschap, vooral na de gebeurtenissen in Georgië, verder dan ooit uit elkaar liggen,

H.   overwegende dat de sluiting van een overeenkomst over toekomstige samenwerking van het grootste belang blijft voor de verdere ontwikkeling en intensivering van de samenwerking tussen de beide partners; overwegende dat het beleid van de EU ten aanzien van Rusland gebaseerd moet zijn op eendracht en solidariteit en dat de EU een gemeenschappelijke benadering moet hanteren en met één stem dient te spreken; overwegende dat de lidstaten van de EU tijdig informatie moeten verstrekken aan en overleg moeten voeren met andere lidstaten die mogelijk betrokken kunnen zijn bij bilaterale overeenkomsten of geschillen met Rusland,

I.   overwegende dat de nieuwe veelomvattende overeenkomst, die ter vervanging van de huidige partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) dient, een kwalitatieve verbetering met zich brengt en alle terreinen van de samenwerking, de nieuwe realiteiten van de 21e eeuw alsmede de eerbiediging van de beginselen van de internationale betrekkingen en de naleving van de democratische normen en mensenrechten, tot uiting dient te brengen;

J.   overwegende dat het in 1990 door zestien NAVO-lidstaten en zes Warschaupactlanden ondertekende en in 1999 herziene Verdrag inzake conventionele strijdkrachten in Europa (CFE) het belangrijkste ontwapeningsakkoord op het gebied van conventionele wapens in de geschiedenis is; overwegende dat dit verdrag door Rusland, Wit-Rusland en Oekraïne is geratificeerd, maar door de NAVO in de ijskast is gezet; overwegende dat Rusland de naleving van het Verdrag inmiddels heeft opgeschort;

K.   overwegende dat de meest recente parlements- en presidentsverkiezingen in Rusland hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die niet beantwoorden aan de Europese normen als het gaat om toegang voor internationale verkiezingswaarnemers, het vermogen van oppositiepartijen om kandidaten te organiseren en in te zetten, de eerlijkheid en onafhankelijkheid van de media en de neutraliteit van overheidsinstanties, waardoor Rusland als lid van de Raad van Europa en de OVSE ernstig is afgeweken van zijn verplichtingen,

L.   overwegende dat de Russische Federatie lid is van de Raad van Europa en zich dus verplicht heeft tot nakoming van de doelstellingen van deze organisatie, in het bijzonder de bevordering van democratie en naleving van de mensenrechten, en consolidering van de democratie en de stabiliteit in Europa; overwegende dat de EU krachtig het beginsel moet verdedigen dat eerbiediging van de rechtsstaat en van de bestaande verbintenissen in deze organisatie essentieel is voor het slagen van het partnerschap tussen de EU en Rusland,

M.   overwegende dat uit tal van verslagen van NGO's en onafhankelijke deskundigen is gebleken dat de wet van 2006 inzake NGO's en andere maatregelen van de Russische regering, met inbegrip van de anti-extremismewetgeving en de uitbreiding van de staatscontrole over significante onderdelen van de media, de vrijheid van meningsuiting in Rusland sterk ondermijnen en de mensenrechten en activiteiten van het maatschappelijk middenveld aldaar ernstig in het gedrang doen komen,

N.   overwegende dat het nog steeds opsluiten van politieke gevangenen en de behandeling van verdedigers van de mensenrechten in strijd is met de belofte van de Russische Federatie om de rechtsorde in Rusland te versterken en een einde te maken aan "juridisch nihilisme",

O.   overwegende dat de parlementaire vergadering van de Raad van Europa en een aantal onafhankelijke mensenrechtenorganisaties ernstige vragen hebben gesteld over het niveau van de rechtspleging in Rusland, waaronder het ontbreken van rechterlijke onafhankelijkheid, het onthouden van eerlijke processen aan beklaagden in politiek controversiële zaken, de intimidatie en vervolging van de advocaten die hen verdedigen en de terugkeer van processen tegen en de gevangenneming van politieke gevangenen in het Russische strafrechtsstelsel,

P.   overwegende dat de Russische Federatie heeft nagelaten doeltreffende maatregelen te nemen om een eind te maken aan voortdurende mensenrechtenschendingen en straffeloosheid, ondanks het feit dat in een toenemend aantal arresten Rusland door het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) verantwoordelijk is gesteld voor ernstige en systematische schendingen van de mensenrechten, met inbegrip van buitengerechtelijke executies, foltering en gedwongen verdwijningen,

Q.   overwegende dat de grondbeginselen voor de economische en commerciële betrekkingen tussen de EU en de Russische Federatie moeten zijn: wederkerigheid, duurzaamheid, transparantie, voorspelbaarheid, betrouwbaarheid, non-discriminatie en goed bestuur; overwegende dat de nieuwe overeenkomst juridisch bindend moet zijn en in duidelijke regelingen voor het oplossen van geschillen moet voorzien,

R.   overwegende dat de recente crisis in de gaslevering aan de Europese Unie, waardoor miljoenen burgers in Bulgarije, Slowakije en elders in de EU in de winterse kou zonder verwarming en warm water zaten, ernstige bezorgdheid wekt over de betrouwbaarheid van de Russische energielevering,

S.   overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Rusland op het gebied van energiezekerheid een groot potentieel bieden voor een positieve en constructieve wederzijdse onafhankelijkheid, mits het partnerschap is gebaseerd op het beginsel van non-discriminatie en eerlijke behandeling alsmede op gelijke marktvoorwaarden, zoals bepaald in het EHV; overwegende dat de recente gascrisis de noodzaak heeft aangetoond van de vaststelling en de naleving van een reeks regels die minimaal gebaseerd moet zijn op het huidige EHV; overwegende dat de betrekkingen tussen de EU en Rusland op het gebied van energiezekerheid evenzeer steunen op transparantie van de energiehandel in de doorvoerlanden; overwegende dat in het energiebeleid van Rusland in de praktijk voorbeelden van monopolisme en ongeoorloofde dwang zijn geconstateerd, in het bijzonder het ontzeggen van doorvoerrechten aan derde landen, onderbrekingen van de leveringen en de schending van eigendomsrechten,

T.   overwegende dat de Europese Raad van Brussel van 15 en 16 juni 2006 heeft aanbevolen de onderhandelingen over het Transitprotocol bij het Verdrag inzake het Energiehandvest af te ronden, de ratificatie van het EHV door alle ondertekenende partijen te verzekeren en de Commissie te verzoeken, vooral met het oog op de recente gascrisis, elementen aan te reiken voor een energie-overeenkomst met Rusland ter aanvulling op de bestaande en bindende PSO of in het kader van de opvolger van de PSO; overwegende dat het EHV al juridisch bindend is voor alle EU-lidstaten en voor Rusland, als ondertekenaar in overeenstemming met artikel 45,

U.   overwegende dat nauwe samenwerking op het gebied van energiebeleid en de vaststelling van een energiestrategie voor de lange termijn voorwaarden zijn voor een evenwichtige ontwikkeling van de economie van de EU en die van Rusland,

V.   overwegende dat de EU er vaak niet in is geslaagd met één stem te spreken in haar betrekkingen met Rusland; overwegende dat er een functionerend mechanisme zou moeten bestaan binnen de Raad, onder verantwoordelijkheid van de Hoge Vertegenwoordiger, dat de lidstaten in staat zou stellen elkaar tijdig te raadplegen over elke bilaterale kwestie met Rusland die gevolgen kan hebben voor andere lidstaten en voor de EU als geheel,

W.   overwegende dat de huidige economische crisis die zowel Rusland als de EU diep raakt, een kans biedt voor een nieuw begin van de bilaterale betrekkingen op basis van een betere en eerlijkere wederzijdse verstandhouding, zonder de verdenkingen en tekortkomingen uit het verleden, en de basis vormt voor de vaststelling en verbetering van echte gedeelde gemeenschappelijke waarden,

1.   doet de Raad en de Commissie de volgende aanbevelingen en verzoekt hen daarmee bij de te voeren onderhandelingen rekening te houden:

   a) er moet blijvend aangedrongen worden op een brede, veelomvattende en juridisch bindende overeenkomst gebaseerd op een gedeelde toewijding aan de mensenrechten, die betrekking heeft op alle terreinen van samenwerking tussen partijen en die een stap voorwaarts betekent ten opzichte van de huidige PSO met betrekking tot zowel de intensiteit van de verbintenissen als de onderwerpen waarvoor deze gelden; er moet tevens op worden aangedrongen dat de overeenkomst handhavingsmechanismen voor de relevante onderdelen moet omvatten;
   b) er moet worden benadrukt dat de schending van de soevereiniteit en territoriale integriteit van Georgië door Rusland en de rol van Rusland in het gasgeschil van begin 2009 de betrekkingen tussen de EU en Rusland en de onderhandelingen over de nieuwe overeenkomst ernstig in gevaar hebben gebracht;
   c) er moet worden onderstreept dat de betrekkingen van de EU met Rusland gebaseerd moeten zijn op respect voor de internationale rechtsorde en alle bindende overeenkomsten en verdragen waarbij Rusland en de EU-lidstaten partij zijn, waaronder het VN-Handvest, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en het EHV, alsmede de regels en verbintenissen die gelden voor leden van de OVSE en de Raad van Europa;
   d) er moet worden benadrukt dat een hecht partnerschap, intensievere samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen tussen de Europese Unie en Rusland, alsmede het nieuwe beleid van de Amerikaanse regering met betrekking tot Rusland, een stabiele basis en een voorwaarde voor stabiliteit, veiligheid en welvaart in Europa en de wereld kunnen vormen; in dit kader de verklaringen van de Amerikaanse regering inzake de ruime samenwerkingsmogelijkheden met Rusland dienen te worden toegejuicht;
   e) er moet onder de verantwoordelijkheid van de Hoge Vertegenwoordiger een raadplegingsmechanisme worden ingesteld dat de lidstaten in staat stelt elkaar tijdig vooraf te raadplegen over elke bilaterale kwestie met Rusland – zij het overeenstemming of geschilpunt – die gevolgen kan hebben voor andere lidstaten en voor de EU als geheel, waardoor de EU een zo consistent mogelijk standpunt kan innemen, door ervoor te zorgen dat volledig rekening wordt gehouden met de belangen van alle lidstaten en te voorkomen dat een afzonderlijke lidstaat de onderhandelingen op een later tijdstip blokkeert;
   f) er moet worden aangedrongen op versterking van de rol van de parlementaire samenwerkingscommissie in de nieuwe overeenkomst om de parlementaire dimensie van de samenwerking tussen de EU en Rusland te versterken;
   g) de EU moet nogmaals wijzen op de verbintenissen die de EU en Rusland op internationaal niveau zijn aangegaan, in het bijzonder als leden van de Raad van Europa en de OVSE, en haar bezorgdheid kenbaar maken aan de Russische regering over de mensenrechtensituatie en de afnemende bewegingsvrijheid van het maatschappelijk middenveld in Rusland, waarbij zij er bij dit land op aan moet dringen om de vrijheid van meningsuiting en vereniging te handhaven door de wetgeving inzake maatschappelijke organisaties in overeenstemming te brengen met de Europese en internationale verplichtingen van Rusland, om onverwijld doeltreffende maatregelen te nemen ter bevordering van een gunstig werkklimaat voor mensenrechtenorganisaties en onafhankelijke liefdadigheidsorganisaties die zich inzetten voor het bevorderen van de culturele banden tussen Rusland en de EU-lidstaten, en om verdedigers van de mensenrechten niet langer te intimideren en dwarsbomen en om zich te onthouden van scherpe administratieve maatregelen tegen genoemde organisaties;
   h) de Russische regering moet worden opgeroepen de mediavrijheid volledig te respecteren en de onafhankelijke media politieke en economische omstandigheden te garanderen waaronder ze normaal kunnen functioneren; de Russische regering moet dringend worden verzocht een einde te maken aan het voortdurende geweld tegen en de vervolging van journalisten;
   i) er moet in herinnering worden gebracht dat president Medvedev zich er publiekelijk toe verbonden heeft de rechtsstaat in Rusland te versterken, en er moet bezorgdheid worden geuit over de onafhankelijkheid van het gerecht en het rechtsstelsel in Rusland;
   j) als standpunt dient te worden geformuleerd dat het regelmatige, zesmaandelijkse mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland sinds de invoering in 2005 geen tastbare resultaten heeft opgeleverd en moet worden hervormd om een substantiële en resultaatgerichte dialoog over kwesties in verband met de mensenrechten en de rechten van minderheden in zowel Rusland als de EU en over samenwerking tussen de EU en Rusland op het gebied van mensenrechtenkwesties in internationale fora mogelijk te maken;
   k) er moet daarom worden aangedrongen op een grondige herziening van het mensenrechtenoverleg tussen de EU en Rusland, waarbij ook moet worden gedacht aan het scheppen van een formele rol voor onafhankelijke NGO's uit Rusland en de EU, de betrokkenheid van ambtenaren van alle relevante ministeries van de Russische regering en het beëindigen van de afgifte van afzonderlijke communiqués door de Russische regering;
   l) er moet een beroep worden gedaan op de autoriteiten van de Russische Federatie om het voortbestaan en de duurzame ontwikkeling van de traditionele levensstijl, cultuur en taal van de inheemse bevolkingsgroepen die op het grondgebied van het land wonen te waarborgen;
   m) er moet bij de Russische regering op worden aangedrongen dat de arresten van het EHRM volledig ten uitvoer worden gelegd, om zodoende te bevorderen dat de verantwoordelijken ter verantwoording worden geroepen over vroegere schendingen en ervoor te zorgen dat een eind wordt gemaakt aan thans nog voortdurende inbreuken;
   n) er moet ernstige bezorgdheid worden geuit over de situatie in Tsjetsjenië, waar het regime van Kadirov er niet in geslaagd is vrede en verzoening tot stand te brengen, maar integendeel angst en verdrukking heeft teweeggebracht, die de civiele samenleving hebben uitgehold en alle vrije en democratische stemmen het zwijgen hebben opgelegd, en er moet worden opgeroepen tot een echt politiek vergelijk;
   o) het moet worden benadrukt dat het programma ter ondersteuning van Russische landgenoten dat door de autoriteiten van de Russische Federatie wordt ondersteund, niet mag worden misbruikt als een instrument voor de versterking van de politieke invloed in sommige lidstaten van de EU;
   p) de steun voor de toetreding van Rusland tot de WTO en de steun voor de verdere openstelling van de Russische economie moeten worden gehandhaafd; volledige naleving van de regels van de WTO door Rusland moet worden gezien als een noodzakelijke voorwaarde en een minimumnorm voor de totstandbrenging van een vrijhandelszone tussen de EU en Rusland, wat een doelstelling voor de lange termijn blijft;
   q) ofschoon de recente veranderingen worden verwelkomd, dient te worden aangedrongen op verdere verbetering van de wetgeving en de handhaving daarvan op gebieden als intellectuele, industriële en commerciële eigendomsrechten teneinde de competitiviteit te verbeteren en het investeringsklimaat aantrekkelijker te maken door de regelgevende systemen aan te passen aan de hoogste internationale standaarden en normen; de Russische autoriteiten moeten worden aangespoord om, voorafgaande aan het komende WTO-lidmaatschap van Rusland, deel IV van het Russische Burgerlijk Wetboek dat de intellectuele eigendomsrechten betreft alsook de procedurele regelingen om de naleving af te dwingen, aan te passen aan de WTO-regels en internationale overeenkomsten, en vooral aan de Overeenkomst inzake de commerciële aspecten van de intellectuele eigendomsrechten (TRIPS), en om de volledige uitvoering daarvan te verzekeren zodat er effectief een halt kan worden toegeroepen aan vervalsing en productpiraterij;
   r) er moet op worden aangedrongen dat het EHV, als een bestaand verdrag dat juridisch bindend is voor Rusland en alle EU-lidstaten, de basis moet vormen voor betrekkingen op het gebied van energie en dat de beginselen van het EHV en het daaraan gehechte Transitprotocol worden opgenomen in de nieuwe overeenkomst, terwijl Rusland er nogmaals toe moet worden opgeroepen zijn toewijding aan een op regels gebaseerde aanpak te versterken door het EHV te ratificeren en te ondertekenen en het Transitprotocol te ratificeren, rekening houdend met het standpunt van het Parlement dat de partners vrij moeten kunnen onderhandelen over een tekst die, wat betreft de intensiteit van de samenwerking en het toepassingsgebied van de overeenkomst, verder gaat dan die van het EHV, maar dat de overeenkomst in geen geval minder omvattend mag zijn dan het akkoord dat de partners reeds in het kader van de PSO hebben gesloten;
   s) binnen het kader van de onderhandelingen over de nieuwe overeenkomst moeten de onderhandelingen over het Transitprotocol worden afgerond en moet Rusland worden opgeroepen het te ondertekenen teneinde een rechtskader te scheppen dat de doorvoer van energieleveringen tussen partijen regelt en volgt op het kader dat al bestaat op grond van het EHV;
   t) de noodzaak van deugdelijke milieueffectbeoordelingen voor alle infrastructuurprojecten op het gebied van energie moet worden onderstreept om te garanderen dat aan de internationale normen van milieubescherming wordt voldaan; de Russische Federatie moet in dit verband met klem worden verzocht het Verdrag van Espoo inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband en het bijbehorende Protocol inzake strategische milieueffectrapportage te ratificeren;
   u) er moet worden opgeroepen tot versterking van de efficiëntie en het reactievermogen in crisissituaties van de energiedialoog tussen de EU en Rusland, tot vergroting van de transparantie, wederkerigheid en investeringsveiligheid en dus tot verbetering van de zekerheid van energielevering; de noodzaak van de instelling van mechanismen voor een transparant, op regels gebaseerd stelsel en van een mechanisme voor geschillenoplossing op het gebied van energie moet worden onderstreept;
   v) de aandacht moet worden gevestigd op het mechanisme voor het beslechten van geschillen dat vervat is in het EHV, dat door Rusland en Oekraïne reeds is ondertekend;
   w) er moet een duidelijke gedragscode worden ingesteld die de betrekkingen tussen de EU, Rusland en de landen van de gemeenschappelijke nabuurschap regelt, onder meer als het gaat om respect voor de soevereine onafhankelijkheid van alle Europese staten, het streven naar een vreedzame oplossing van geschillen en een vastbeslotenheid bevroren conflicten op te lossen;
   x) de bestaande politieke dialoog moet worden opgewaardeerd, waarbij de bespreking van "harde veiligheidskwesties", die vaak de kern van de onenigheid tussen de EU en Rusland vormen, maar ongetwijfeld van invloed zijn op de Europese en wereldwijde veiligheid, moet worden aangemoedigd en de noodzaak van multilaterale wapenbeheersing en ontwapening en non-proliferatieregelingen moet worden benadrukt;
   y) er dient een beroep te worden gedaan op de Russische regering om – samen met de EU en de andere leden van de contactgroep voor Kosovo – een positieve bijdrage te leveren tot het vinden van een duurzame politieke oplossing voor de toekomst van Kosovo en tot de verdere versterking van de stabiliteit op de westelijke Balkan;
   z) er dient een beroep te worden gedaan op de Russische regering om haar engagement te tonen om samen met Georgië en de EU op constructieve en vreedzame wijze tot een oplossing te komen inzake de "modaliteiten van veiligheid en stabiliteit in Abchazië en Zuid-Ossetië", zoals overeengekomen in de overeenkomst van 12 augustus 2008; de Russische regering moet worden opgeroepen tastbare garanties te geven dat Rusland geen geweld zal gebruiken tegen zijn buurlanden;
   aa) de EU moet haar bezorgdheid kenbaar maken aan de Russische regering over haar besluit om Abchazië en Zuid-Ossetië als soevereine staten te erkennen en overeenkomsten inzake militaire bijstand en samenwerking te ondertekenen met de de-facto-autoriteiten van deze twee provincies van Georgië en aldaar militaire bases te vestigen, aangezien daardoor de territoriale integriteit van Georgië wordt ondermijnd, zoals ook in de desbetreffende resoluties van de VN wordt beklemtoond; er moet nogmaals een beroep op Rusland worden gedaan om op dit besluit terug te komen en erop worden gewezen dat Rusland niet als neutrale bemiddelaar in het vredesproces kan worden beschouwd; bij de Russische autoriteiten moet erop worden aangedrongen dat EU-waarnemers ongehinderde toegang krijgen tot alle bij het conflict betrokken gebieden, zulks in overeenstemming met het mandaat van de waarnemingsmissie van de EU;
   ab) er dient te worden benadrukt dat naar visumvrij verkeer tussen Rusland en de EU wordt gestreefd op basis van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad(17) , waarin wordt bepaald dat de vrijstelling van de visumplicht geschiedt aan de hand van een beoordeling van een aantal criteria die in het bijzonder verband houden met illegale immigratie, openbare orde en veiligheid en de externe betrekkingen van de Unie met derde landen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met de implicaties van regionale samenhang en wederkerigheid, en waarbij in gedachten moet worden gehouden dat de betrekkingen tussen de Unie en de derde landen op de witte lijst gekenmerkt worden door een speciale politieke dimensie, inhoudend dat deze derde landen een passend niveau moeten behalen als het gaat om democratische waarden en grondrechten;
   ac) er moet op worden aangedrongen dat visumfacilitering voor studenten, onderzoekers en zakenmensen een prioriteit zou moeten zijn om de contacten tussen mensen te bevorderen; er moet echter ook duidelijk worden gesteld dat een verdere liberalisering van de visumregeling met Rusland alleen mogelijk is in combinatie met een soortgelijke liberalisering van de visumafspraken met de landen van het Europees Nabuurschapbeleid (ENB), zulks om discrepanties te voorkomen;
   ad) in overeenstemming met de overeenkomst tussen de EU en Rusland inzake versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf moeten de Russische autoriteiten worden verzocht zich er duidelijk toe te verbinden bureaucratische obstakels weg te nemen die op niet-wederzijdse basis op alle reizigers worden toegepast, zoals de voorwaarde dat zij over een uitnodiging beschikken en zich bij de inreis laten registreren; hierbij moet rekening worden gehouden met het feit dat Rusland recentelijk zijn visumregels heeft gewijzigd en niet langer meervoudige zakenvisa afgeeft, hetgeen negatieve gevolgen kan hebben voor de zakelijke en commerciële betrekkingen tussen de EU en Rusland; tevens dient rekening te worden gehouden met het standpunt van het Parlement dat de vergemakkelijking van het reizen voor houders van Russische paspoorten beperkt dient te blijven tot ingezeten van de Russische Federatie;
   ae) de visa- en doorreisproblemen in verband met Kaliningrad moeten onverwijld worden aangepakt, mogelijkerwijs door in een regeling te voorzien volgens welke de gehele oblast Kaliningrad onder de regeling inzake klein grensverkeer valt;
   af) er dient te worden benadrukt dat de betrekkingen tussen de EU en Rusland gebaseerd moeten zijn op de beginselen van geliberaliseerde en open markten en van wederkerigheid tussen de partners op het gebied van investeringsrechten, op grond waarvan moet worden geëist dat de Russische regering, in ruil voor nauwe en wederzijds voordelige economische banden, garanties biedt voor de eigendomsrechten van buitenlandse investeerders en haar wetgeving van 2008 inzake "Strategische Sectoren" herziet, die de Russische staat ruime mogelijkheden biedt om te discrimineren ten koste van buitenlandse investeerders, terwijl de interne markt van de EU vrijelijk openstaat voor Russische investeerders; en dient te worden verlangd dat de wet inzake investeringen in strategische sectoren in overeenstemming wordt gebracht met de bestaande en toekomstige verplichtingen van Rusland in het kader van zowel de WTO als de huidige PSO;
   ag) in het kader van de lopende onderhandelingen over de toetreding tot de WTO dienen de Russische autoriteiten ertoe te worden opgeroepen een aantal verplichtingen waarover na onderhandelingen al overeenstemming is bereikt niet op te schorten en de in 2004 tussen de EU en Rusland gesloten overeenkomst over de WTO-toetreding volledig na te leven door alle discriminerende heffingen, met name op per spoor vervoerde goederen, af te schaffen en ook de uitvoerrechten op onbewerkt hout op te heffen;
   ah) Rusland moet ertoe worden opgeroepen zijn belofte gestand te doen om de vergoedingen voor het overvliegen van Siberië geleidelijk af te schaffen en de desbetreffende overeenkomst te ondertekenen waartoe op de top van Samara is besloten;
   ai) met de Russische regering moet worden gesproken over haar plannen om naar vrijhandelsakkoorden met bepaalde landen toe te werken, wat afbreuk kan doen aan de vorming van een gemeenschappelijke economische ruimte met Rusland;
   aj) bij de Russische regering moet een aantal scheepvaartkwesties worden aangekaart, met name de vrije doorvaart door de Pilava-zeestraat, de toegang voor EU-schepen tot de scheepvaartroute naar Azië langs het noordelijke Russische grondgebied, alsmede de milieurisico's die onder andere voortvloeien uit de toename van het olietankerverkeer in de Oostzee;
   ak) er moet met de Russische regering worden gesproken over de kwestie van de stremmingen aan de gemeenschappelijke grens met de EU, hetgeen een ernstige belemmering blijft vormen voor de handels- en economische betrekkingen tussen de EU en Rusland;
   al) de Russische Federatie moet worden verzocht constructief samen te werken met de EU teneinde een oplossing te vinden voor de status van gebieden die zich hebben afgescheiden, waaronder Transnistrië, en een bijdrage te leveren aan de versterking van de soevereiniteit van de Moldavische regering, als een noodzakelijke vereiste voor de stabiliteit van een belangrijke grensregio van de Europese Unie; benadrukt moet worden dat vooruitgang in deze kwestie afhankelijk is van de terugtrekking van de Russische troepen die in Moldavië zijn gestationeerd, hetgeen Rusland onder meer tijdens de OVSE-top van 1999 in Istanbul heeft beloofd;
   am) hoewel de positieve aspecten van de intensivering van de wetenschappelijke samenwerking tussen de EU en Rusland moeten worden erkend, moet worden opgeroepen tot verdere uitgebreide analyses van de effecten (bijv. met betrekking tot de veiligheid) van het mogelijke partnerschap van Rusland in het kader van het zevende kaderprogramma;
   an) er moeten informele richtsnoeren worden ontwikkeld voor de manier waarop de betrekkingen tussen de EU en Rusland zouden kunnen worden ondersteund door de beginselen van solidariteit en wederzijdse verantwoording, met het oog op de ontwikkeling van een meer eenvormig en samenhangend beleid ten aanzien van Rusland;

2.   verzoekt de Raad en de Commissie het Europees Parlement en zijn Commissie buitenlandse zaken regelmatig en volledig op de hoogte te houden van het verloop van de onderhandelingen en herinnert hen eraan dat de PSO door het EP moet worden goedgekeurd;

3.   hecht groot belang aan de versterking van de wederzijdse juridische verplichtingen door middel van een spoedige sluiting van de PSO en de toetreding van Rusland tot de WTO;

4.   verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Commissie, de Doema en de regering en de president van de Russische Federatie.

(1) PB L 327 van 28.11.1997, blz. 1.
(2) PB L 129 van 17.5.2007, blz. 27.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0336 .
(4) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0642 .
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0105 .
(6) PB C 76 E van 27.3.2008, blz. 95.
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0309 .
(8) PB C 313 E van 20.12.2006, blz. 271.
(9) PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 329.
(10) PB C 317 E van 23.12.2006, blz. 474.
(11) PB C 117 E van 18.5.2006, blz. 235.
(12) PB C 146 E van 12.6.2008, blz. 95.
(13) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0396 .
(14) PB C 219 E van 28.8.2008, blz. 206.
(15) PB C 41 E van 19.2.2009, blz. 64.
(16) PB C 41 E van 19.2.2009, blz. 53.
(17) Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1).


Gezondheidsrisico's in verband met elektromagnetische velden
PDF 102k   DOC 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over gezondheidsrisico's in verband met elektromagnetische velden (2008/2211(INI) )
P6_TA(2009)0216 A6-0089/2009

Het Europees Parlement ,

–   de artikelen 137, 152 en 174 van het EG-Verdrag, die gericht zijn op een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu, alsmede van de gezondheid en de veiligheid van werknemers,

–   gezien Aanbeveling 1999/519/EG van de Raad van 12 juli 1999 betreffende de beperking van de blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz – 300 GHz(1) en het verslag van de Commissie van 1 september 2008 over de uitvoering van deze aanbeveling (COM(2008)0532 ),

–   gezien Richtlijn 2004/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (elektromagnetische velden)(2) ,

–   gezien Richtlijn 1999/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 1999 betreffende radioapparatuur en telecommunicatie-eindapparatuur en de wederzijdse erkenning van hun conformiteit(3) en gelet op de desbetreffende geharmoniseerde veiligheidsnormen voor mobiele telefoons en basisstations,

–   gezien Richtlijn 2006/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen(4) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2008 over de tussentijdse evaluatie van het Europese actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010(5) ,

–   onder verwijzing naar zijn standpunt van 10 maart 1999 over het voorstel voor een aanbeveling van de Raad betreffende de beperking van de blootstelling van de bevolking aan elektromagnetische velden van 0 Hz – 300 GHz(6) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gelet op het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A6-0089/2009 ),

A.   overwegende dat elektromagnetische velden (EMV's) van nature in het milieu voorkomen en derhalve altijd aanwezig zijn geweest op aarde, zij het dat de milieublootstelling aan door de mens vervaardigde EMV-bronnen in de afgelopen decennia gestaag is toegenomen door de vraag naar elektriciteit, steeds geavanceerdere draadloze technologieën en maatschappelijke veranderingen, waardoor elke burger momenteel blootgesteld is aan een complexe combinatie van elektrische en magnetische velden met uiteenlopende frequenties, zowel thuis als op de werkvloer,

B.   overwegende dat de technologie van draadloze apparaten (mobiele telefoon, Wifi-Wimax-Bluetooth, DECT-telefoon met een vast basisstation) EMV's uitzendt die negatieve gevolgen kunnen hebben voor de menselijke gezondheid,

C.   overwegende dat de meeste Europese burgers, met name jongeren van 10 tot 20 jaar, hun mobiele telefoon gebruiken als een functioneel gebruiksvoorwerp en als modeaccessoire, maar dat er onzekerheid blijft heersen over de mogelijke gezondheidsrisico's, met name voor jongeren, bij wie de hersenen nog in ontwikkeling zijn,

D.   overwegende dat de controverse in wetenschappelijke kringen over de mogelijke gezondheidsrisico's van EMV's is toegenomen sinds in Aanbeveling 1999/519/EG van 12 juli 1999 limieten zijn vastgelegd voor de blootstelling van de bevolking aan EMV's (0 Hz tot 300 GHz),

E.   overwegende dat het gebrek aan formele conclusies van de wetenschappelijke wereld een aantal nationale of regionale overheden, in ten minste negen lidstaten van de Europese Unie alsook in China, Zwitserland en Rusland, er niet van weerhouden heeft zogenaamde preventieve en dus lagere blootstellingslimieten vast te leggen dan de limieten die voorgestaan worden door de Commissie en diens onafhankelijke wetenschappelijke comité, het Wetenschappelijk Comité voor nieuwe gezondheidsrisico's(7) ,

F.   overwegende dat maatregelen om de blootstelling van de bevolking aan EMV's te beperken, moeten worden afgewogen tegen verbeteringen van de levenskwaliteit op het vlak van veiligheid en beveiliging geboden door toestellen die elektromagnetische straling teweegbrengen,

G.   overwegende dat de conclusies van het epidemiologische onderzoek Interphone, een even belangwekkend als omstreden wetenschappelijk project dat door de Unie gefinancierd wordt ter hoogte van 3 800 000 EUR, in eerste instantie in het kader van het vijfde OTO-kaderprogramma(8) , sinds 2006 op zich laten wachten,

H.   overwegende nochtans dat over sommige inzichten unanimiteit lijkt te heersen, met name als het gaat om het variabele karakter, al naar gelang de persoon, van de reacties op een blootstelling aan microgolven, de noodzaak om eerst blootstellingstests op ware grootte uit te voeren om na te gaan wat de niet-thermische effecten van radiofrequentievelden (RFV's) zijn en de bijzondere kwetsbaarheid van kinderen bij blootstelling aan EMV's(9) ,

I.   overwegende dat de Unie blootstellingslimieten heeft vastgesteld om werknemers te beschermen tegen de effecten van EMV's; overwegende dat dergelijke maatregelen op grond van het voorzorgbeginsel ook moeten worden genomen ten behoeve van de betrokken bevolkingsgroepen, zoals bewoners en consumenten,

J.   overwegende dat de speciale Eurobarometer-enquête over EMV's (nr. 272a van juni 2007) uitwijst dat een meerderheid van de burgers vindt dat de overheid hen onvoldoende informeert over de maatregelen die worden genomen om hen tegen EMV's te beschermen,

K.   overwegende dat onderzoek naar intermediaire en extreem lage frequenties moet worden voortgezet om conclusies te kunnen trekken over de effecten die zij hebben op de gezondheid,

L.   overwegende dat het gebruik van beeldvorming door magnetische resonantie (MRI) niet in het gedrang mag komen door Richtlijn 2004/40/EG, aangezien MRI-technologie een van de belangrijkste instrumenten is bij het onderzoek naar en het diagnosticeren en behandelen van mogelijk levensbedreigende ziektes voor patiënten in Europa,

M.   overwegende dat de veiligheidsnorm IEC/EN 60601-2-33 grenswaarden bevat voor EMV's, die zijn vastgesteld om elke vorm van schade aan patiënten en werknemers uit te sluiten,

1.   dringt er bij de Commissie op aan de wetenschappelijke basis en de toereikendheid van de limieten voor blootstelling aan EMV's die zijn vastgelegd in Aanbeveling 1999/519/EG, te herzien en hierover verslag uit te brengen aan het Parlement; vraagt dat de herziening door het Wetenschappelijk Comité voor nieuwe gezondheidsrisico's wordt uitgevoerd;

2.   vraagt dat bij het beoordelen van mogelijke gevolgen van elektromagnetische straling voor de gezondheid in het bijzonder rekening wordt gehouden met biologische effecten, te meer omdat diverse studies hebben aangetoond dat de laagste niveaus de schadelijkste gevolgen veroorzaken; roept op tot actief onderzoek om mogelijke gezondheidsproblemen tegen te gaan, met name door oplossingen te ontwikkelen die de puls- en amplitudemodulatie van de voor transmissie gebruikte frequenties opheffen of beperken;

3.   benadrukt dat het parallel aan of als alternatief voor een wijziging van de Europese EMV-normen een goede zaak zou zijn wanneer de Commissie samen met deskundigen uit de lidstaten en de betreffende bedrijfstakken (elektriciteitsmaatschappijen, telefoonoperators en fabrikanten van elektrische apparaten, waaronder mobiele telefoons), een handboek zou opstellen over de beschikbare, efficiënte technologische mogelijkheden om de blootstelling aan EMV's te beperken;

4.   stelt dat de betrokken bedrijven en infrastructuurbeheerders alsook de bevoegde autoriteiten nu reeds invloed kunnen uitoefenen op bepaalde factoren zoals het vaststellen van voorschriften betreffende de afstand tussen de betreffende locatie en de stralingsbronnen, de hoogte van de locatie vergeleken met de hoogte van de zendmast en de richting van straling uitzendende antennes ten opzichte van woonwijken, en dat zij dit uiteraard zouden moeten doen om de bevolkingsgroepen die in de nabijheid van dergelijke apparatuur wonen gerust te stellen en beter te beschermen; verzoekt om een optimale plaatsing van zendmasten en -toestellen en verzoekt eveneens om een gedeeld gebruik van deze zendmasten en -toestellen door verschillende aanbieders, met als doel de verbreiding van slecht geplaatste zendmasten en -toestellen te beperken; verzoekt de Commissie en de lidstaten passende richtsnoeren op te stellen;

5.   verzoekt de lidstaten en de plaatselijke en regionale overheden een enkelvoudig vergunningensysteem op te zetten voor de plaatsing van antennes en transponders, en in de stedelijke ontwikkelingsplannen een streekplan op te nemen voor de spreiding van de antennes;

6.   spoort de overheidsdiensten die verantwoordelijk zijn voor de plaatsing van masten voor mobiele telefonie, ertoe aan om samen met aanbieders van mobiele telefoniediensten tot overeenkomsten te komen inzake het delen van de infrastructuren, met als doel het aantal zendmasten en de blootstelling van de bevolking aan EMV's te beperken;

7.   erkent dat aanbieders van mobiele communicatie- en andere draadloze technologieën die EMV's uitzenden, inspanningen leveren om milieuschade te voorkomen, en met name om klimaatverandering tegen te gaan;

8.   is van mening dat, gezien het toenemende aantal gerechtelijke procedures en het groeiende aantal verbodsmaatregelen van overheidswege betreffende de installatie van nieuwe EMV-uitzendapparatuur, het in ieders belang is oplossingen te vinden die berusten op een dialoog tussen bedrijfsleven, overheid, militaire autoriteiten en belangenverenigingen van omwonenden over de criteria die worden gehanteerd bij het aanbrengen van nieuwe gsm-antennes of hoogspanningsleidingen, en er op zijn minst op toe te zien dat scholen, crèches, rusthuizen en zorginstellingen zich op een specifieke, op basis van wetenschappelijke criteria vastgestelde afstand van dit soort apparatuur bevinden;

9.   verzoekt de lidstaten om in samenwerking met dienstverleners uit de sector blootstellingsoverzichten op te stellen voor het publiek met gegevens over hoogspanningskabels, radiofrequenties en microgolven, met name golven van telecommunicatiemasten, radiosystemen en telefoonantennes; vraagt dat deze gegevens op het internet worden geplaatst, zodat het publiek ze gemakkelijk kan raadplegen, en via de media worden verspreid;

10.   stelt voor dat de Commissie onderzoekt of fondsen van de trans-Europese energienetwerken kunnen worden gebruikt voor het bestuderen van de effecten van EMV's op extreem lage frequenties en met name op distributielijnen van elektriciteit;

11.   roept de Commissie ertoe op om tijdens de zittingsperiode 2009-2014 een ambitieus programma op te zetten voor het meten van de elektromagnetische biocompatibiliteit tussen kunstmatig opgewekte straling en straling die op natuurlijke wijze wordt uitgezonden door het menselijke lichaam, aan de hand waarvan op termijn kan worden vastgesteld of microgolven ongewenste gevolgen hebben voor de menselijke gezondheid;

12.   verzoekt de Commissie een jaarlijks rapport op te stellen over het niveau van elektromagnetische straling in de EU, de bronnen van deze straling en de maatregelen die door de EU worden genomen om de volksgezondheid en het milieu beter te beschermen;

13.   verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat Richtlijn 2004/40/EG versneld ten uitvoer wordt gelegd, zodat werknemers daadwerkelijk worden beschermd tegen EMV's, naar analogie met twee andere communautaire teksten die werknemers reeds beschermen tegen lawaai(10) en trillingen(11) , en krachtens artikel 1 van die richtlijn een uitzondering te maken voor MRI;

14.   betreurt dat de publicatie van de conclusies van het internationale epidemiologische onderzoek Interphone, dat tot doel heeft na te gaan of er een verband bestaat tussen het gebruik van mobiele telefoons en bepaalde vormen van kanker, met name tumoren aan de hersenen, aan de gehoorzenuw en de oorspeekselklier, sinds 2006 op zich laat wachten;

15.   benadrukt in dit verband de oproep tot voorzichtigheid door de coördinatrice van het Interphone-project, Elisabeth Cardis, die op basis van de huidige kennis adviseert om voor wat kinderen betreft de mobiele telefoon binnen verantwoorde grenzen te gebruiken en de voorkeur te geven aan de vaste telefoon;

16.   is hoe dan ook van mening dat de Commissie, die in aanzienlijke mate heeft bijgedragen tot de financiering van deze wereldwijde studie, tot taak heeft de verantwoordelijken voor het project te vragen waarom de publicatie van uiteindelijke resultaten uitblijft, en het Parlement en de lidstaten onmiddellijk op de hoogte te brengen indien ze hierop antwoord krijgt;

17.   adviseert de Commissie tevens, ten behoeve van een doeltreffend algemeen beleid en begrotingsbeleid, om een deel van de financiële bijdrage van de Gemeenschap voor studies betreffende EMV's aan te wenden voor een grootschalige campagne om Europese jongeren bewust te maken van de goede praktijken bij het gebruik van de mobiele telefoon, zoals handsfreetoestellen gebruiken, oproepen kort houden, telefoons uitschakelen wanneer ze niet worden gebruikt (zoals in de klas), en telefoons gebruiken in gebieden met goede ontvangst;

18.   is van mening dat dergelijke campagnes jonge Europeanen ook bewust moeten maken van de gezondheidsrisico's van huishoudelijke apparaten en van het feit dat het beter is dergelijke toestellen uit te schakelen dan ze in de stand-by-stand te laten staan;

19.   verzoekt de Commissie en de lidstaten meer geld beschikbaar te stellen voor onderzoek en ontwikkeling (O&O), met als doel de mogelijke schadelijke gevolgen op lange termijn van radiofrequenties van mobiele telefonie te beoordelen; vraagt eveneens om een verhoging van het aantal openbare oproepen voor onderzoeksvoorstellen met betrekking tot de negatieve gevolgen van blootstelling aan verschillende bronnen van EMV's, met name wat kinderen betreft;

20.   stelt voor de Europese Adviesgroep inzake de ethiek van wetenschappen en nieuwe technologieën een bijkomende taak te geven, namelijk de evaluatie van de wetenschappelijke integriteit, teneinde de Commissie te helpen eventuele risicosituaties, belangenconflicten of zelfs gevallen van fraude te voorkómen die zich zouden kunnen voordoen in een klimaat van toenemende concurrentie tussen wetenschappers;

21.   roept de Commissie op, met het oog op de ongerustheid onder de bevolking in talloze lidstaten, samen te werken met alle belanghebbenden, zoals nationale deskundigen, niet-gouvernementele organisaties en bedrijfstakken, om de beschikbaarheid van en de toegang tot actuele en voor leken begrijpelijke informatie over draadloze technologie en beschermingsnormen te verbeteren;

22.   verzoekt de Internationale Commissie voor bescherming tegen niet-ioniserende straling en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) om meer transparantie en een grotere bereidwilligheid tot dialogeren met alle belanghebbenden bij het vaststellen van normen;

23.   bekritiseert bepaalde uiterst agressieve marketingcampagnes van telefoonaanbieders rond de feestdagen en andere bijzondere gelegenheden, zoals de verkoop van mobiele telefoons die uitsluitend voor kinderen bestemd zijn of "gratis belminuten" voor tieners;

24.   stelt voor dat de Unie bij haar beleid ten aanzien van de binnenluchtkwaliteit ook rekening houdt met het onderzoek naar "draadloze" huishoudelijke apparaten, zoals Wifi voor Internettoegang en de digitale draadloze telefoon (DECT-telefoon), die de afgelopen jaren op grote schaal worden gebruikt in openbare gelegenheden en woningen, waardoor burgers voortdurend blootgesteld worden aan microgolven;

25.   eist, met het oog op een voortdurende verbetering van de consumentenvoorlichting, dat de technische normen van het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (CENELEC) worden aangepast met als doel een verplichting inzake de etikettering van de stralingssterkte in te voeren en ervoor te zorgen dat op elk "draadloos" apparaat wordt vermeld dat het microgolven uitzendt;

26.   roept de Raad en de Commissie op om samen met de lidstaten en het Comité van de Regio's te ijveren voor de totstandbrenging van één enkele norm om de blootstelling van omwonenden bij uitbreiding van het netwerk van elektrische hoogspanningsleidingen tot een minimum te beperken;

27.   is buitengewoon bezorgd over het feit dat verzekeringsmaatschappijen de dekking van risico's die verband houden met EMV's steeds vaker buiten de WA-polissen houden, waaruit op te maken valt dat de Europese verzekeraars hun interpretatie van het voorzorgsbeginsel reeds in de praktijk brengen;

28.   verzoekt de lidstaten het voorbeeld van Zweden te volgen en mensen die lijden aan elektromagnetische overgevoeligheid, te erkennen als personen met een handicap, zodat zij passende bescherming en gelijke kansen krijgen;

29.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, het Comité van de Regio's en de WHO.

(1) PB L 199 van 30.7.1999, blz. 59.
(2) PB L 159 van 30.4.2004, blz. 1.
(3) PB L 91 van 7.4.1999, blz. 10.
(4) PB L 374 van 27.12.2006, blz. 10.
(5) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0410 .
(6) PB C 175 van 21.6.1999, blz. 129.
(7) Advies van 21 maart 2007 aangenomen tijdens de 16e plenaire vergadering van het comité.
(8) Programma Kwaliteit van Leven onder contractnummer QLK4-1999-01563.
(9) STOA-studie van maart 2001 over de fysiologische en milieu-effecten van niet-ioniserende elektromagnetische straling, PE-nr. 297.574.
(10) Richtlijn 2003/10/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 februari 2003 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (lawaai) (PB L 42 van 15.2.2003, blz. 38).
(11) Richtlijn 2002/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 betreffende de minimumvoorschriften inzake gezondheid en veiligheid met betrekking tot de blootstelling van werknemers aan de risico's van fysische agentia (trillingen) (PB L 177 van 6.7.2002, blz. 13).


Betere scholen: een agenda voor Europese samenwerking
PDF 121k   DOC 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 2 april 2009 over "Betere scholen: een agenda voor Europese samenwerking" (2008/2329(INI) )
P6_TA(2009)0217 A6-0124/2009

Het Europees Parlement ,

–   gezien de artikelen 149 en 150 van het EG-Verdrag over onderwijs, beroepsopleiding en jeugd,

–   gezien artikel 14 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie over het recht op onderwijs,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 3 juli 2008 over betere competenties voor de 21ste eeuw: een agenda voor Europese samenwerking op schoolgebied (COM(2008)0425 ),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 16 december 2008 over een geactualiseerd strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (COM(2008)0865 ),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 12 november 2007 over kennis, creativiteit en innovatie dankzij een leven lang leren: ontwerp voor het gezamenlijke voortgangsverslag 2008 van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het werkprogramma "Onderwijs en opleiding 2010" (COM(2007)0703 ),

–   gezien het tienjarige werkprogramma "Onderwijs en opleiding 2010"(1) en de daaruit voortvloeiende gezamenlijke voorlopige verslagen over de vooruitgang met betrekking tot de toepassing ervan,

–   gezien Besluit nr. 1720/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 tot vaststelling van een actieprogramma op het gebied van een leven lang leren(2) ,

–   gezien Aanbeveling 2006/962/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren(3) ,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 13-14 maart 2008, met name het deel over het investeren in mensen en het moderniseren van arbeidsmarkten,

–   gezien de resolutie van de Raad van 15 november 2007 over onderwijs en opleiding als belangrijke motor voor de strategie van Lissabon(4) ,

–   gezien het verslag aan de UNESCO van de internationale Commissie onderwijs in de 21ste eeuw,

–   gezien de conclusies van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen op 21 november 2008, betreffende het voorbereiden van jongeren op de 21ste eeuw: een agenda voor Europese samenwerking op schoolgebied(5) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 februari 2004 over de rol van de school en het schoolonderricht bij de toegang tot de cultuur voor een zo groot mogelijk aantal burgers(6) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 september 2005 over opties voor de ontwikkeling van het systeem van de Europese scholen(7) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 27 september 2007 over doelmatigheid en rechtvaardigheid in de Europese onderwijs- en opleidingsstelsels(8) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 november 2007 over de rol van sport in het onderwijs(9) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 september 2008 over de verbetering van de kwaliteit van de lerarenopleiding(10) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 18 december 2008 over kennis, creativiteit en innovatie dankzij een leven lang leren - uitvoering van het werkprogramma "Onderwijs en opleiding 2010"(11) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0124/2009 ),

A.   overwegende dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor de organisatie, inhoud en hervorming van het schoolonderwijs; overwegende dat de uitwisseling van informatie en goede praktijken, en de samenwerking bij de aanpak van gemeenschappelijke uitdagingen, uitstekende middelen zijn om aan hervormingen bij te dragen; overwegende dat de Commissie een belangrijke rol speelt bij de bevordering van deze samenwerking,

B.   overwegende dat de economische en sociale veranderingen in de Europese Unie, de voorwaarden voor de interne markt en de nieuwe kansen en eisen van een economie met een steeds mondialer karakter leiden tot een reeks gemeenschappelijke uitdagingen voor alle nationale onderwijssystemen, die samenwerking op Europees niveau op het gebied van onderwijs en opleiding nog noodzakelijker maken,

C.   overwegende dat de aanzienlijke verschillen in rendement van de onderwijsstelsels in de EU zouden kunnen leiden tot steeds grotere verschillen in de economische en sociale ontwikkeling van de lidstaten en de verwezenlijking van de doelstellingen van de Lissabon-strategie zouden kunnen schaden,

D.   overwegende dat systematische maatregelen nodig zijn om de rol van het onderwijs in de "kennisdriehoek" (onderzoek, innovatie en onderwijs) te consolideren, waarop de Unie haar langetermijnstrategie voor toekomstige ontwikkeling, concurrentievermogen en sociale cohesie baseert, en voor toevoeging van onderwijs aan de prioriteiten van de aanstaande onderhandelingsronde in het kader van het proces van Lissabon,

E.   overwegende dat benchmarks belangrijke instrumenten zijn ter bevordering van verdere hervormingen, omdat daarmee verbeteringen aan de hand van duidelijke gemeenschappelijke doelstellingen kunnen worden gemeten,

F.   overwegende dat de Raad voor 2010 drie benchmarks heeft vastgelegd die verband houden met het schoolonderwijs: vroegtijdig schoolverlaten, leesvaardigheid en de afronding van de bovenbouw van het middelbaar onderwijs; overwegende dat de vooruitgang met betrekking tot deze benchmarks nog steeds onvoldoende is,

G.   overwegende dat de verwerving van basisvaardigheden en sleutelcompetenties bij alle jonge mensen en de verbetering van het opleidingsniveau van cruciaal belang zijn om de Lissabon-doelstellingen te bereiken,

H.   overwegende dat het opleidingsniveau van jonge mensen rechtstreeks invloed uitoefent op hun latere arbeidsmogelijkheden, sociale participatie, vervolgonderwijs of -opleiding en loon,

I.   overwegende dat onderwijs aan vrouwen buitengewoon veel invloed heeft op het onderwijsniveau van gemeenschappen; overwegende dat een onvolledige of onbevredigende scholing van meisjes niet alleen op henzelf invloed heeft, maar deze nadelen ook aan de volgende generatie kan doorgeven,

J.   overwegende dat ongelijke kansen en vroegtijdig schoolverlaten hoge maatschappelijke en economische kosten met zich brengen en nadelige gevolgen voor de sociale cohesie hebben, en dat elke vorm van schoolsegregatie het niveau van de nationale onderwijsstelsels als geheel omlaag haalt,

K.   overwegende dat thans sprake is van een alarmerende toename van geweld op school en van blijken van racisme en xenofobie in de schoolomgeving, als gevolg van twee basistrends in onderwijsinstellingen − multiculturalisme en grotere klasseverschillen − die nog versterkt worden door een volslagen gebrek aan passende begeleiding of ondersteuning en integratie van leerlingen binnen het onderwijsstelsel,

L.   overwegende dat inclusieve onderwijssystemen de integratie van kansarme leerlingen of leerlingen met bijzondere behoeften bevorderen en de solidariteit tussen leerlingen van verschillende achtergronden vergroten,

M.   overwegende dat degelijk voorschools onderwijs aanzienlijk bijdraagt tot de integratie van kansarme groepen (zoals kinderen uit lage inkomens- en minderheidsgroepen), kan zorgen voor een verhoging van het algemene vaardigheidsniveau, de onderwijsverschillen kleiner maakt en noodzakelijk is om meer gelijkheid te bekomen en het voortijdig schoolverlaten tegen te gaan,

N.   overwegende dat scholen van cruciaal belang zijn voor het sociale leven van kinderen, hun leerprestaties en hun persoonlijke ontwikkeling, alsmede om hen bekend te maken met de kennis, de vaardigheden en de waarden die nodig zijn om te kunnen deelnemen aan een democratische samenleving en een mondige burger te worden,

O.   overwegende dat onderwijs en opleiding in de huidige financiële en economische crisis een sleutelrol moeten spelen bij de ontwikkeling van innovatieve vaardigheden en kennis, en om een vrij verkeer van kennis te waarborgen als het ideale instrument voor economisch herstel en consolidatie van de arbeidsmarkt; evenwel vaststellend dat niet de eisen van de markt en werkgelegenheidscriteria de belangrijkste beleidsdoelstelling op het gebied van onderwijs en opleiding moeten vormen, maar de garantie dat leerlingen een algemene kennisnorm bereiken die voldoet aan uniforme onderwijscriteria en leidt tot volledig ontwikkelde persoonlijkheden,

P.   overwegende dat leerplannen en leer- en evaluatiemethoden het elke leerling mogelijk moeten maken sleutelcompetenties te verwerven en zijn/haar potentieel ten volle te ontwikkelen; overwegende dat het lichamelijke en geestelijke welzijn van kinderen, evenals een aangename leeromgeving, noodzakelijk zijn voor gunstige leerresultaten,

Q.   overwegende dat een brede scholing met vakken als kunst en muziek kan bijdragen aan een bevordering van de persoonlijke ontplooiing, zelfvertrouwen en de ontwikkeling van creativiteit en vernieuwend denken,

R.   overwegende dat uitgaven voor onderwijs vooral gericht moeten zijn op de gebieden waarin de meeste vooruitgang is geboekt inzake prestaties en ontwikkeling van leerlingen,

S.   overwegende dat de kwaliteit van de leerkrachten de belangrijkste binnenschoolse factor is die de prestaties van leerlingen beïnvloedt,

T.   overwegende dat mobiliteit en uitwisselingsprojecten de competenties op het gebied van interculturaliteit, taal, maatschappij en vakkundigheid bevorderen, zowel bij leerkrachten als leerlingen de motivatie versterken en de pedagogische vaardigheden van leerkrachten helpen te verbeteren,

U.   overwegende dat scholen slechts een deel vormen van de groep die een collectieve verantwoordelijkheid draagt voor de opvoeding van jongeren,

V.   overwegende dat er in de onderwijs- en opleidingsstelsels een beoordelingscultuur moet worden ingevoerd om een doeltreffend langetermijntoezicht op de ontwikkeling ervan te waarborgen,

W.   overwegende dat het Parlement in zijn reeds aangehaalde resolutie van 8 september 2005 heeft gewezen op de noodzaak om het bestuurssysteem van de Europese scholen te hervormen teneinde een antwoord te bieden op de uitdagingen van vandaag met name in verband met de uitbreiding en de gevolgen ervan;

1.   is ingenomen met de bovenvermelde mededeling van de Commissie van 3 juli 2008, alsmede met de gebieden waarvoor samenwerking in het vooruitzicht wordt gesteld;

2.   is ingenomen met de bovenvermelde mededeling van de Commissie van 16 december 2008 alsmede met de maatregelen die erin worden voorgesteld;

3.   bekrachtigt het standpunt dat schoolonderwijs een topprioriteit behoort te zijn voor de volgende cyclus van de strategie van Lissabon;

4.   juicht de overeenkomst van de lidstaten toe om samen te werken op het gebied van schoolonderwijs in sleutelsectoren; dringt er bij de lidstaten op aan deze gelegenheid om van elkaar te leren ten volle te benutten;

Betere competenties voor alle leerlingen

5.   dringt er bij de lidstaten op aan om hun uiterste best te doen om elke jongere uit te rusten met basisvaardigheden die noodzakelijk zijn voor verdere opleiding, om inspanningen te blijven leveren om Aanbeveling 2006/962/EG toe te passen, alsmede inspanningen te blijven leveren om de overeengekomen benchmarks te bereiken;

6.   is bezorgd over de huidige trend van dalende schrijf-, lees- en rekenvaardigheden van leerlingen en dringt er bij de lidstaten op aan er alles aan te doen om deze trend te keren;

7.   beveelt de lidstaten aan verder te zoeken naar strategieën ter vermindering van de ongelijkheid op basis van geslacht op het gebied van basisvaardigheden;

8.   dringt er bij de lidstaten op aan dat ze hun inspanningen voortzetten om het aantal vroegtijdige schoolverlaters te beperken; benadrukt dat het noodzakelijk is risicoleerlingen zo snel mogelijk te signaleren en hen extra steun en naschoolse onderwijsactiviteiten aan te bieden, en hen te steunen bij de overgang van het ene schoolniveau naar het andere en de leerlingen, die dat nodig hebben, leerbenaderingen op maat te bieden;

9.   stelt vast dat er in de Unie sprake is van een zorgwekkend gebrek aan concentratievermogen bij jongeren; verzoekt de Commissie derhalve door middel van een studie onderzoek te doen naar de belangrijkste oorzaken voor dit gebrek aan concentratie onder leerlingen;

10.   is van mening dat scholen onderwijs van hoge kwaliteit moeten leveren voor alle kinderen en dat ze ambitieuze doelstellingen moeten hebben voor alle leerlingen, waarbij ze hen een uitgebreid aanbod aan onderwijsmogelijkheden en extra steun bieden om in de individuele behoeften van leerlingen te voorzien;

11.   verzoekt derhalve de lidstaten ervoor te zorgen dat in hun onderwijsbeleid een evenwicht wordt aangebracht tussen gerechtigheid en kwaliteit, waarbij de nadruk ligt op sociale aanpassingsmaatregelen voor leerlingen en studenten uit achterstandsmilieus en aanpassing van het leerproces aan hun individuele behoeften, zodat er gelijke kansen worden geboden bij de toegang tot onderwijs;

12.   dringt er voorts bij de lidstaten op aan de toegang van achterstandsgroepen tot beroepsopleidingen en universitaire studies conform de hoogste normen te verbeteren, o.m. door de invoering en bekendmaking van passende studiebeursregelingen;

13.   pleit voor inclusieve onderwijssystemen waarbij de schoolgemeenschappen een weergave van de samenleving zijn wat diversiteit betreft, en waarbij elke vorm van segregatie wordt vermeden;

14.   dringt derhalve bij de lidstaten aan op de volledige desegregatie van Roma-klassen/-instellingen in het basisonderwijs, toezicht op en afschaffing van de illegale praktijk van het plaatsen van Roma-kinderen in klassen voor geestelijk gehandicapten;

15.   is van mening dat het belangrijk is dat jonge mensen reeds tijdens hun schooltijd, hun opleiding en hun studie worden voorbereid op flexibiliteit op de arbeidsmarkt, omdat de eisen die aan een arbeidsrelatie worden gesteld als gevolg van het volatiele karakter snel veranderen;

16.   dringt aan op modernisering en verbetering van de leerplannen, zodat deze een afspiegeling vormen van de huidige sociale, economische, culturele en technische realiteit en nauw samenhangen met de industrie, het bedrijfsleven en de arbeidsmarkt;

17.   is evenwel van mening dat de hervorming van het onderwijsbestel vooral gebaseerd moet zijn op een volledige en veelzijdige ontwikkeling van het individu, eerbiediging van mensenrechten en sociale gerechtigheid, levenslang leren van de burger ten behoeve van hun persoonlijke en beroepsontwikkeling, bescherming van het milieu en persoonlijk en collectief welzijn; onderstreept dat op deze wijze vergaarde kennis die aansluit op de behoeften van de markt ongetwijfeld een prioriteit is voor onderwijsstelsels maar niet het enige en belangrijkste doel is;

18.   is van mening dat scholen niet enkel moeten streven naar de verbetering van inzetbaarheid, maar dat ze alle jongeren ook de mogelijkheid moeten bieden hun potentieel ten volle te ontwikkelen op basis van hun persoonlijke vaardigheden; onderstreept hoe belangrijk het is om een leeromgeving te creëren, waar jongeren de elementaire democratische vaardigheden kunnen verwerven waarmee zij een actief lid van de samenleving kunnen worden;

19.   is van mening dat alle kinderen vanaf een zo jong mogelijke leeftijd de kans moeten krijgen om muzikale, artistieke, manuele, lichamelijke, sociale en burgerschapscompetenties te ontwikkelen; is er daarom stellig van overtuigd dat muzikaal, artistiek en lichamelijk onderwijs een verplicht onderdeel van het leerplan moet worden;

20.   is ervan overtuigd dat kinderen, overeenkomstig de conclusies van de Europese Raad van Barcelona in 2002, op vroege leeftijd een vreemde taal moeten beginnen leren; juicht het voorstel voor een nieuwe benchmark toe volgens dewelke minstens 80% van de leerlingen in het lager middelbaar onderwijs ten minste twee vreemde talen aangeleerd krijgen; onderstreept het belang om ook in hoogste klassen van het middelbaar onderwijs vreemde talen te blijven onderwijzen om ervoor te zorgen dat de jongeren een hoge mate van taalvaardigheid verwerven; verzoekt de lidstaten de mogelijkheid in overweging te nemen om meer moedertaalsprekers in dienst te nemen om talen te onderwijzen;

21.   benadrukt het belang van onderwijs in informatietechnologie en mediageletterdheid; is van oordeel dat het belangrijk is dat leerlingen worden onderwezen in het gebruik en de toepassing van nieuwe communicatiemiddelen en digitale technologie;

22.   waardeert de bijdrage van buitenschoolse vorming met betrekking tot het bijbrengen van waardevolle competenties aan jongeren als aanvulling op de op scholen verworven vaardigheden, en verzoekt de scholen intensiever met instellingen voor buitenschoolse vorming, zoals jeugdorganisaties, samen te werken;

Scholen en leerkrachten van hoge kwaliteit

23.   is van mening dat kwaliteitsonderwijs een recht is voor ieder kind, en dat een Europees handvest voor de rechten van leerlingen een eerste en belangrijke stap zou zijn om dit onderwijs te waarborgen;

24.   verzoekt de lidstaten en de bevoegde regionale overheden te investeren in voorschools onderwijs, te zorgen voor kleuter- en kinderopvang van hoge kwaliteit, met leerkrachten en verzorgers die de gepaste opleiding hebben gekregen en eveneens te garanderen dat dit betaalbaar blijft; steunt het voorstel voor een nieuwe benchmark voor het aantal leerlingen in voorschools onderwijs;

25.   is van mening dat openbaar onderwijs primair een door de staat gefinancierd terrein moet blijven dat bijdraagt aan sociale gelijkheid en integratie; verwelkomt echter de initiatieven die gericht zijn op de ontwikkeling van een vruchtbare samenwerking met de particuliere sector en mogelijke nieuwe manieren van aanvullende financiering;

26.   is van mening dat openbare onderwijsinstellingen in een nadeliger financiële situatie, met name die welke gevestigd zijn in armere regio's van de EU, aanvullende steun zouden moeten krijgen;

27.   is van mening dat een kwalitatief goede leeromgeving met moderne infrastructuur, materialen en technologie een voorwaarde is voor kwalitatief hoogstaand onderwijs in scholen;

28.   is van mening dat het voor de kwaliteit en het niveau van het onderwijs voorts noodzakelijk is dat er veeleisende en strikte leerplannen worden gebruikt, dat de leerlingen regelmatig worden beoordeeld en dat de leerlingen in dit verband ook zelf verantwoordelijkheid moeten dragen voor de vooruitgang die zij boeken;

29.   verzoekt de lidstaten, in de wetenschap dat het noodzakelijk is kwalificatiesystemen in heel Europa op elkaar af te stemmen, om scholen de noodzakelijke autonomie te geven bij het zoeken naar oplossingen voor de specifieke uitdagingen waarmee ze in hun lokale context worden geconfronteerd, alsmede de gepaste flexibiliteit inzake hun leerplannen, leermethoden en evaluatiesystemen;

30.   is van mening dat evaluatie een nuttig instrument is ter verbetering van de kwaliteit van onderwijsstelsels; onderstreept evenwel dat elk systeem van evaluatie en beoordeling niet alleen moet streven naar de kwantitatieve resultaten en verworvenheden van de leerlingen, waardoor een sociale hiërarchie van onderwijsinstellingen zou ontstaan, gepaard met onderwijsstelsels met "verschillende snelheden", maar dat het systeem zelf en de methoden die daarin worden gebruikt, beoordeeld moeten worden, waarbij duidelijk rekening moet worden gehouden met het specifieke sociaal-economische milieu van elke school;

31.   is van mening dat de kwaliteit en het niveau van het onderwijs ook in belangrijke mate afhankelijk zijn van het respect voor de autoriteit van de leraar in de klas;

32.   is van mening dat de samenstelling van het lerarenkorps zo goed mogelijk de toenemende diversiteit van de Europese samenleving moet weerspiegelen, om zo als voorbeeld voor alle leerlingen te dienen; wenst dan ook dan wordt nagedacht over de noodzaak om meer mannen voor het beroep van leraar aan te trekken, vooral op het niveau van de basisschool;

33.   is ervan overtuigd dat het noodzakelijk is zowel te zorgen voor een initiële lerarenopleiding van hoog niveau, gebaseerd op theorie en praktijk, als voor een coherent proces van voortgezette beroepsontplooiing en ondersteuning, zodat de leraren tijdens hun gehele carrière altijd beschikken over de meest actuele competenties die in de op kennis gebaseerde maatschappij worden verlangd; is van mening dat de lerarenopleiding en het aanwervingsbeleid erop moeten zijn gericht de meest geschikte personen aan te trekken en dat leerkrachten een aanbod moeten krijgen waarbij hun maatschappelijke erkenning, status en loon in overeenstemming zijn met het belang van hun taken;

34.   is er ten zeerste voorstander van dat zo veel mogelijk leerlingen en leerkrachten de kans krijgen deel te nemen aan mobiliteits- of partnerschapsprojecten; benadrukt hierbij het belang van het Comenius-programma; onderstreept de noodzaak om de administratieve belasting voor scholen die wensen deel te nemen verder terug te dringen; is verheugd over de ontwikkeling van Comenius Regio; steunt het voorstel om een nieuwe benchmark voor mobiliteit te ontwikkelen;

35.   beveelt aan dat leraren, ook leraren in artistieke vakken, worden aangemoedigd zoveel mogelijk gebruik te maken van Europese en nationale mobiliteitsprogramma's, en dat mobiliteit een vast onderdeel wordt van hun opleiding en carrière;

36.   is van mening dat ouders bij het schoolleven moeten worden betrokken en dat mensen bewust gemaakt moeten worden van de potentiële impact van levensomstandigheden en buitenschoolse activiteiten op de verwerving van vaardigheden en competenties op school en erkent dat het wegnemen van ongelijkheden op onderwijsgebied met onderwijspolitieke maatregelen alleen, geen succes is geweest;

37.   beveelt ten zeerste aan partnerschappen van school en gemeenschap in het leven te roepen ter bestrijding van geweld op scholen, om te voorkomen dat dit verschijnsel overslaat op de hele maatschappij;

38.   is van mening dat alle scholen de verwerving van democratische vaardigheden moeten bevorderen door steun te geven aan leerlingenraden en de leerlingen in staat te stellen medeverantwoordelijkheid voor hun school te dragen samen met hun ouders, leraren en schoolraden;

39.   verzoekt de lidstaten en de Commissie nauw samen te werken om de invoering van het systeem van de Europese scholen in de respectieve onderwijsstelsels van de lidstaten te bevorderen; verzoekt de Commissie derhalve de Europese scholen te integreren in de werkzaamheden van het Eurydice-netwerk;

40.   verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen over de vooruitgang die naar aanleiding van de beide, reeds aangehaalde mededelingen is geboekt, om de prestaties van de onderwijs- en opleidingsstelsels in de Europese Unie te kunnen beoordelen, waarbij met name aandacht wordt geschonken aan de verwerving van kernvaardigheden door de leerlingen;

o
o   o

41.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 142 van 14.6.2002, blz. 1.
(2) PB L 327 van 24.11.2006, blz. 45.
(3) PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.
(4) PB C 300 van 12.12.2007, blz. 1.
(5) PB C 319 van 13.12.2008, blz. 20.
(6) PB C 98 E van 23.4.2004, blz. 179.
(7) PB C 193 E van 17.8.2006, blz. 333.
(8) PB C 219 E van 28.8.2008, blz. 300.
(9) PB C 282 E van 6.11.2008, blz. 131.
(10) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0422 .
(11) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0625 .

Laatst bijgewerkt op: 8 december 2009Juridische mededeling