Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 15 september 2011 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Onderhandelingen over de associatieovereenkomst EU-Moldavië
 De situatie in Libië
 De situatie in Syrië
 De kloof dichten tussen anticorruptiewetgeving en de werkelijkheid
 Hongersnood in Oost-Afrika
 Het standpunt en het engagement van de EU in het vooruitzicht van de VN-vergadering op hoog niveau inzake de voorkoming en beheersing van niet-overdraagbare ziekten
 Beleid van de EU ten aanzien van de ITU-Wereldradiocommunicatieconferentie 2012 (WRC-12)
 Wit-Rusland: arrestatie van de mensenrechtenactivist Ales Bialatski
 Soedan: de situatie in Zuid-Kordofan en Blauwe Nijl
 Eritrea: de zaak-Isaak Dawit
 Epilepsie

Onderhandelingen over de associatieovereenkomst EU-Moldavië
PDF 121k   DOC 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2011 met aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Raad, de Commissie en de EDEO betreffende de onderhandelingen tussen de EU en de Republiek Moldavië over de associatieovereenkomst (2011/2079(INI) )
P7_TA(2011)0385 A7-0289/2011

Het Europees Parlement ,

–   gezien de lopende onderhandelingen tussen de EU en de Republiek Moldavië over de associatieovereenkomst,

–   gezien de conclusies van de Raad van 15 juni 2009 over de Republiek Moldavië waarin de onderhandelingsrichtsnoeren worden goedgekeurd,

–   gezien de onderhandelingsrichtsnoeren van de Raad van 20 juni 2011 voor de diepe en brede vrijhandelszone tussen de EU en de Republiek Moldavië,

–   gezien de op 28 november 1994 ondertekende partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) tussen de Republiek Moldavië en de Europese Unie, die op 1 juli 1998 in werking is getreden,

–   gezien het protocol bij de PSO tussen de EU en de Republiek Moldavië over de deelname van de Republiek Moldavië aan communautaire programma's en agentschappen,

–   gezien het gemeenschappelijk actieplan van de EU en de Republiek Moldavië in het kader van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB), waarin de strategische doelstellingen zijn opgenomen die zijn gebaseerd op afspraken over gedeelde waarden en de daadwerkelijke verwezenlijking van politieke, economische en institutionele hervormingen,

–   gezien de visumdialoog tussen de EU en de Republiek Moldavië, die is aangegaan op 15 juni 2010, en het actieplan over visumliberalisatie van 16 december 2010 van de Commissie,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring over een mobiliteitspartnerschap tussen de Europese Unie en de Republiek Moldavië,

–   gezien het voortgangsverslag van de Commissie over de Republiek Moldavië, dat is aangenomen op 25 mei 2011,

–   gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 juni 2011 over het Europees nabuurschapsbeleid,

–   gezien de gezamenlijke mededeling getiteld „Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden” van 25 mei 2011,

–   gezien de gezamenlijke verklaring van de topontmoeting van het Oostelijk Partnerschap op 7 mei 2009 in Praag,

–   gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over het Oostelijk Partnerschap van 25 oktober 2010,

–   gezien de EU-strategie voor de Donau-regio,

–   gezien het eerste verslag van de stuurgroep van het Forum van het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk Partnerschap,

–   gezien de aanbevelingen van het Forum van het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk Partnerschap,

–   gezien zijn eerdere resoluties over de Republiek Moldavië, met name de resolutie van 7 mei 2009 over de situatie in de Republiek Moldavië(1) en van 21 oktober 2010 over doorgevoerde hervormingen en ontwikkelingen in de Republiek Moldavië(2) , alsmede de aanbevelingen van de parlementaire samenwerkingscommissie EU-Republiek Moldavië,

–   gezien zijn resolutie van 20 januari 2011 over een EU-strategie voor het Zwarte Zeegebied(3) ,

–   gezien artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gezien artikel 90, lid 4, en artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie internationale handel (A7-0289/2011 ),

A.   overwegende dat de nieuwe filosofie van het ENB, dat volgens het „meer voor meer”-beginsel voorrang geeft aan landen die de eisen ervan het doeltreffendst uitvoeren, een kans biedt aan de Republiek Moldavië om het succesverhaal van het EU-nabuurschapsbeleid te worden,

B.   overwegende dat de Europese Unie mensenrechten en democratie tot een centraal aspect van haar Europees nabuurschapsbeleid heeft gemaakt,

C.   overwegende dat door het Oostelijk Partnerschap binnen het ENB een politiek kader van betekenis is ontstaan voor de verdieping van de betrekkingen, de bespoediging van de politieke samenwerking en de bevordering van de economische integratie tussen de EU en de Republiek Moldavië, die verbonden zijn door sterke geografische, historische en culturele banden, doordat het de politieke en sociale en economische hervormingen ondersteunt en de toenadering tot de EU vergemakkelijkt,

D.   overwegende dat het Oostelijk Partnerschap de multilaterale betrekkingen tussen de deelnemende landen versterkt, helpt bij de uitwisseling van informatie en ervaringen over transformatie, hervormingen en modernisering, en de Europese Unie extra instrumenten biedt ter ondersteuning van deze processen,

E.   overwegende dat het Oostelijk Partnerschap voorziet in de versterking van de bilaterale betrekkingen door middel van nieuwe associatieovereenkomsten, waarin rekening wordt gehouden met de specifieke situatie en aspiraties van de partnerlanden en hun vermogen de hieruit voortvloeiende verplichtingen na te leven,

F.   overwegende dat intermenselijke contacten de basis vormen voor het bereiken van de doelen van het Oostelijk Partnerschap, in de wetenschap dat dit zonder visumliberalisering niet volledig mogelijk is,

G.   overwegende dat de Republiek Moldavië en andere landen van het Oostelijk Partnerschap zullen profiteren van een voorkeursbehandeling van de EU op het gebied van visumliberalisatie voor wat betreft termijnen en inhoud, vóór enig ander aangrenzend derde land,

H.   overwegende dat de actieve betrokkenheid van de Republiek Moldavië en haar verbondenheid met gedeelde waarden en beginselen, waaronder democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en de eerbiediging van de mensenrechten, ook die van minderheden, van wezenlijk belang zijn voor de voortgang van het proces en voor het welslagen van de onderhandelingen en de tenuitvoerlegging van de associatieovereenkomst, die moet zijn afgestemd op de behoeften en mogelijkheden van het land en die duurzame gevolgen zal hebben voor zijn ontwikkeling,

I.   overwegende dat de EU bij het verdiepen van de betrekkingen met de Republiek Moldavië stabiliteit en vertrouwensopbouw moet bevorderen, onder andere door een proactieve bijdrage te leveren aan het vinden van een tijdige en levensvatbare oplossing voor het conflict in Transnistrië, dat een bron van regionale instabiliteit vormt,

J.   overwegende dat de onderhandelingen met de Republiek Moldavië over de associatieovereenkomst en de visumdialoog gestaag vorderen en dat tot dusverre aanzienlijke vooruitgang is geboekt; overwegende echter dat de onderhandelingen over de diepe en brede vrijhandelszone nog niet zijn begonnen,

1.  beveelt in het kader van de lopende onderhandelingen over de associatieovereenkomst de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) aan:

   a) de EU-inzet en de lopende onderhandelingen met de Republiek Moldavië te baseren op de verzekering dat het EU-perspectief, met inbegrip van artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, dat hand in hand moet gaan met de tenuitvoerlegging van structurele hervormingen, zowel een waardevol instrument is bij de tenuitvoerlegging van hervormingen als een noodzakelijke katalysator voor de steun van de bevolking voor deze hervormingen,
   b) in de betrekkingen met de Republiek Moldavië de beginselen van „meer voor meer” toe te passen naast een differentiatie op basis van de individuele merites en prestaties van de Republiek Moldavië in de afgelopen twee jaar,
   c) de stabiele en voortschrijdende medewerking van de Republiek Moldavië bij de lopende onderhandelingen over de associatieovereenkomst en over de verschillende onderdelen van de samenwerking, waaronder het buitenlands en veiligheidsbeleid en de samenwerking op het gebied van energie, mensenrechten en handel, welke heeft geleid tot de succesvolle en tijdige afronding van het merendeel van de onderhandelingshoofdstukken, toe te juichen,
   d) de noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de onderhandelingen met de Republiek Moldavië in het huidige gestage tempo doorgaan en daarvoor de ononderbroken dialoog met alle politieke partijen te intensiveren, en de dialoog tussen de partijen in de Republiek Moldavië te bevorderen, aangezien interne politieke stabiliteit essentieel is voor de voortgang van het hervormingsproces,
   e) ervoor te zorgen dat de associatieovereenkomst een volledig en op de toekomst gericht kader vormt voor de verdere ontwikkeling van de betrekkingen met de Republiek Moldavië in de komende jaren,
   f) de krachtige impact van de gezamenlijke en gecoördineerde steun van de lidstaten te realiseren, die tot uitdrukking komt in de werkzaamheden van de vriendengroep van de Republiek Moldavië,
   g) de inspanningen te verdubbelen om een duurzame oplossing te vinden voor het conflict over Transnistrië en hiervoor een stevigere en directere betrokkenheid voor te staan wat betreft de politieke schikking van het conflict over Transnistrië, in overeenstemming met het beginsel van de territoriale integriteit van de Republiek Moldavië, en daarnaast maatregelen voor vertrouwensopbouw te nemen, met inbegrip van het gezamenlijk afbakenen van rehabilitatieprogramma's en het bevorderen van intermenselijke contacten, ten einde het maatschappelijk middenveld en de culturele uitwisselingen te versterken, rekening houdend met het feit dat er geen echt conflict in de regio Transnistrië zelf wordt uitgevochten,
   h) ervoor te zorgen dat de proactieve rol van de EU in de 5+2-besprekingen van voldoende middelen vergezeld gaat, in het bijzonder sinds het einde van het mandaat van de speciale vertegenwoordiger van de EU (SVEU),
   i) de Russische Federatie aan te sporen om een meer constructieve en resultaatgerichte houding aan te nemen om de besprekingen vlot te trekken en de voorwaarden te scheppen voor een blijvende, volledige oplossing,
   j) ervoor te zorgen dat Transnistrië, als een integraal deel van de Republiek Moldavië, onder de reikwijdte van de associatieovereenkomst en in het bijzonder van de diepe en brede vrijhandelszone valt en van de gevolgen ervan profiteert,
   k) de noodzakelijke maatregelen te nemen ter ondersteuning van de Republiek Moldavië bij de naleving van alle noodzakelijke normen van visumliberalisering, hetgeen bij voorkeur plaatsvindt vóór de sluiting van de overeenkomst,
   l) de burgers van de Republiek Moldavië voor te lichten over de associatieovereenkomst en het actieplan voor visumliberalisatie om het maatschappelijk draagvlak voor de hervormingen te verbreden,
   m) ervoor te zorgen dat de diepe en brede vrijhandelszone eind 2011 haar beslag krijgt en tegelijkertijd de weerslag van deze vrijhandelszone op de Moldavische economie te evalueren, alsmede de sociale en ecologische gevolgen ervan,
   n) de aanneming van het actieplan voor de tenuitvoerlegging van belangrijke, door de EU voorbereide aanbevelingen inzake handel toe te juichen en zonder verdere vertraging onderhandelingen met de Republiek Moldavië te openen over het als integraal onderdeel opnemen van de diepe en brede vrijhandelszone in de associatieovereenkomst, teneinde de volledige politieke en economische integratie van de Republiek Moldavië in de EU te bevorderen en de Republiek Moldavië in staat te stellen buitenlandse investeringen aan te trekken en productiever te worden, zodat „s lands afhankelijkheid van overmakingen door in het buitenland werkzame Moldaviërs wordt beëindigd en de overgang wordt gemaakt naar een op export en concurrentievermogen gebaseerde markteconomie; niettemin te erkennen dat de Republiek Moldavië eerst moet laten zien dat zij over voldoende capaciteit beschikt om haar juridische en economische structuren aan te passen aan de voorwaarden voor handelsintegratie met de EU,
   o) een ambitieuze en eerlijke onderhandelingsagenda met betrekking tot de diepe en brede vrijhandelszone op te stellen, gericht op het wegnemen van belemmeringen voor bilaterale handel en investeringen, met name de juridische en bestuursrechtelijke verschillen in technische, sanitaire en fytosanitaire normen, alsmede op de resterende taken betreffende het financiële systeem en het mededingingsrecht van de Republiek Moldavië; in dit opzicht de reeds door de Republiek Moldavië geboekte vooruitgang toe te juichen met betrekking tot vennootschapsrecht, consumentenbescherming, douane, de economische dialoog, financiële diensten, beheer van de overheidsfinanciën en samenwerking op het gebied van energie, terreinen die bij de onderhandelingen over de associatieovereenkomst met de EU aan bod komen,
   p) de Republiek Moldavië sterker te ondersteunen bij het verbeteren van haar concurrentievermogen om de eventuele voordelen van de diepe en brede vrijhandelszone te kunnen benutten,
   q) te onderstrepen dat de Republiek Moldavië dient te streven naar verdere binnenlandse hervormingen, onder andere om het ondernemings- en investeringsklimaat te verbeteren, en dient te zoeken naar een oplossing voor interne kwesties die de economische en handelsbetrekkingen met de EU belemmeren, zoals het feit dat het land geen president heeft en het conflict over Transnistrië,
   r) sterke druk te blijven uitoefenen op en steun te geven aan de Moldavische autoriteiten met het oog op de consolidering van de hervormingen en op concrete vooruitgang in de strijd tegen corruptie en bij de hervorming van de rechtspraak, de rechtsvervolging en de politie, ten behoeve van de bevolking,
   s) de Moldavische autoriteiten te ondersteunen zodat concrete vooruitgang kan worden geboekt in het uitbannen van mishandeling en foltering door rechtshandhavingsinstanties;
   t) in de overeenkomst het belang van de rechtsstaat, goed bestuur en de bestrijding van corruptie te benadrukken en de hervorming van de rechtspraak als een van de prioriteiten te blijven ondersteunen; de Moldavische regering te wijzen op de grote wenselijkheid van de voortzetting van het lopende volledige, transparante en onpartijdige onderzoek naar de gebeurtenissen van april 2009,
   u) in de overeenkomst standaardvoorwaarden op te nemen over de bescherming en bevordering van de mensenrechten, overeenkomstig de hoogste internationale en Europese normen, voortbouwend op de mensenrechtendialoog tussen de EU en de Republiek Moldavië en volledig gebruikmakend van het kader van de Raad van Europa en de OVSE, en de Moldavische autoriteiten aan te moedigen de rechten van personen die tot nationale minderheden behoren te eerbiedigen, overeenkomstig het Kaderverdrag inzake de bescherming van nationale minderheden van de Raad van Europa en het Handvest van de grondrechten van de EU,
   v) de Moldavische autoriteiten aan te moedigen om volledige en doeltreffende wetgeving ter bestrijding van discriminatie aan te nemen die strookt met de inhoud en de geest van de EU-wetgeving en het Handvest van de grondrechten van de EU; dergelijke wetgeving zou onder andere bepalingen tegen de discriminatie vanwege seksuele geaardheid moeten omvatten; om onderwijsprogramma's tegen intolerantie en discriminatie tot een vast onderdeel te maken, en steun te geven aan het werk van het maatschappelijk middenveld bij de bevordering van wederzijds respect en begrip en bij het tegengaan van intolerantie in het gezin, gemeenschappen, op scholen en in sociale kringen,
   w) ervoor te zorgen dat het bevorderen van de persvrijheid een prioriteit blijft in de lopende onderhandelingen met de Republiek Moldavië en de Moldavische autoriteiten aan te moedigen onafhankelijke media te versterken en te ondersteunen, alsmede de neutraliteit van de openbare media te waarborgen en een pluralistisch medialandschap te bevorderen, hetgeen de transparantie van het besluitvormingsproces zal verhogen; de Moldavische autoriteiten aan te moedigen dat zij ervoor zorgen dat alle verantwoordelijke media-organisaties zich houden aan de EU-normen voor een vrije en pluriforme pers,
   x) de Commissie aan te moedigen te helpen bij de ontwikkeling van nieuwe media en technische ondersteuning voor te bereiden voor de ontwikkeling van breedbandinternet in de Republiek Moldavië,
   y) de Moldavische autoriteiten aan te moedigen om een grotere verbondenheid te tonen met het transparante beheer van de overheidsfinanciën en de verbetering van de wetgeving inzake overheidsopdrachten ten einde te zorgen voor goed bestuur, een grotere verantwoordingsplicht, gelijke toegang en eerlijke concurrentie,
   z) nota te nemen van de positieve uitwerking van de in 2008 aan de Republiek Moldavië toegekende autonome handelspreferenties op de export van het land, maar tegelijkertijd het feit te betreuren dat het gebruik ervan is bemoeilijkt als gevolg van de uiteenlopende normen die door beide partijen worden gehanteerd; rekening te houden met het feit dat de Republiek Moldavië de snellere economische ontwikkeling en de Europese integratie van het land moet blijven bevorderen,
   aa) de noodzaak te onderstrepen van een transparant bedrijfsklimaat en een passende hervorming van de regelgeving, zodat directe buitenlandse investeringen worden aangemoedigd,
   ab) in de overeenkomst het grote belang te benadrukken van de uitvoering en handhaving van wetgeving op het gebied van intellectuele eigendom, gezien het grote aantal gevallen van piraterij en vervalsingen,
   ac) voort te bouwen op concrete maatregelen op basis van het protocol bij de PSO EU- Republiek Moldavië over de deelname van de Republiek Moldavië aan programma's en agentschappen van de Gemeenschap, die tot uitdrukking moeten komen in de associatieovereenkomst,
   ad) in de associatieovereenkomst de hoogste milieunormen op te nemen, onder andere in het licht van de deelname van de Republiek Moldavië aan de strategie voor het Donau-gebied, en aan te dringen op de modernisering van de belangrijkste industriële installaties, onder andere diegene die aan de rechteroever van de rivier Dnjestr liggen; het belang van regionale samenwerking in het Zwarte Zeegebied verder te overwegen naast dat van de actieve deelname van de Republiek Moldavië aan het EU-beleid voor deze ruimte, waaronder een eventuele EU-strategie voor de Zwarte Zee,
   ae) gezien het belang van de heropening van de spoorweglijn tussen Chisinau en Tiraspol voor de economische ontwikkeling te onderzoeken welke verdere maatregelen nodig zijn om voor een beter openbaar vervoer en voor een soepel verkeer van goederen door het hele land te zorgen, en of de missie van de Europese Unie voor bijstandverlening inzake grensbeheer aan Moldavië en Oekraïne (EUBAM) ondersteuning kan bieden,
   af) de demarcatie van de gehele Moldavisch-Oekraïense grens te steunen en te onderzoeken of het aflopende EUBAM-mandaat kan worden verlengd,
   ag) te zorgen dat de Moldavische autoriteiten concrete maatregelen nemen om illegale handel binnen de staat te ontmoedigen,
   ah) een sterkere hervorming van de energiesector te stimuleren, gericht op versterking van de energiezekerheid van de Republiek Moldavië, in het bijzonder door de bevordering van energieconservering, van energie-efficiëntie en van hernieuwbare energiebronnen, diversificatie van de infrastructuur en deelneming van de Republiek Moldavië aan regionale EU-projecten, alsmede de verlaging van de energiekosten, die een hoge inflatie in stand houden,
   ai) de Moldavische autoriteiten bij te staan bij hun inspanningen om het Moldavische elektriciteitsnet aan te sluiten op het onderling verbonden elektriciteitsnet van continentaal Europa,
   aj) de Moldavische autoriteiten aan te moedigen en te helpen om in de behoeften te voorzien van de 34,5% van de bevolking die in absolute of extreme armoede leeft; in de steun van de EU aan de Republiek Moldavië moet deze situatie beter tot uiting komen en haar programma's moeten hieraan worden aangepast,
   ak) te zorgen dat het economische herstel tot banengroei leidt en dat de Republiek Moldavië de convergentie voortzet naar EU-normen op het gebied van werkgelegenheid, met inbegrip van non-discriminatie, en gezondheid en veiligheid op de werkplek,
   al) er bij de Moldavische autoriteiten op aan te dringen dat de luchtverkeersdiensten moeten worden geliberaliseerd, hetgeen aanzienlijke gevolgen zou hebben voor de mobiliteit van de Moldavische burgers,
   am) de positieve meerlandeninitiatieven te onderstrepen die in het kader van het Oostelijk Partnerschap zijn opgezet, in het bijzonder het uitgebreide programma voor institutionele opbouw en de maatregelen inzake douanesamenwerking,
   an) de Republiek Moldavië financieel en technisch voldoende te ondersteunen om ervoor te zorgen dat zij de verplichtingen kan nakomen die voortvloeien uit de onderhandelingen over de associatieovereenkomst en de volledige tenuitvoerlegging ervan, door uitgebreide programma's voor institutionele opbouw te blijven uitvoeren en ervoor te zorgen dat de financieringprogramma's van de EU deze doelstelling weerspiegelen,
   ao) de EU-steun en overdracht van expertise aan de maatschappelijke organisaties in de Republiek Moldavië uit te breiden, om haar in staat te stellen intern toezicht te houden op de hervormingen en de verplichtingen waartoe de regering zich heeft verbonden en ervoor te zorgen dat de regering hierover meer rekenschap aflegt,
   ap) te voorzien in duidelijke criteria voor de uitvoering van de associatieovereenkomst, evenals in controlemechanismen, waaronder regelmatige verslagen aan het Europees Parlement,
   aq) de EU-adviesgroep op hoog niveau voor de Republiek Moldavië te verzoeken regelmatig aan het Europees Parlement verslag uit te brengen over haar activiteiten,
   ar) diepgaande samenwerking verder aan te moedigen met en binnen het Oostelijk Partnerschap, en het Europees Parlement regelmatig te informeren over de voortgang daarvan,
   as) het Europees Parlement te raadplegen over de regelingen inzake parlementaire samenwerking,
   at) het onderhandelingteam van de EU aan te moedigen zijn goede samenwerking met het Europees Parlement voort te zetten en het Parlement voortdurend op de hoogte te houden van de vooruitgang overeenkomstig artikel 218, lid 10, VWEU, waarin staat dat het Parlement in iedere fase van de procedure onverwijld en ten volle wordt geïnformeerd;

2.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie met aanbevelingen van het Europees Parlement te doen toekomen aan de Raad, de EDEO, de Commissie en, ter informatie, aan de Republiek Moldavië.

(1) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 54.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0385 .
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0025 .


De situatie in Libië
PDF 92k   DOC 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2011 over de situatie in Libië
P7_TA(2011)0386 B7-0513 , 0515 , 0516 , 0517 en 0518/2011

Het Europees Parlement ,

–   gezien resoluties 1970/2011 van 26 februari 2011 en 1973/2011 van 17 maart 2011 van de VN-Veiligheidsraad,

–   gezien de opschorting van de onderhandelingen over de kaderovereenkomst EU-Libië op 22 februari 2011,

–   gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 18 juli 2011 over Libië,

–   gezien de conferentie van de Internationale Contactgroep die op 1 september 2011 in Parijs plaatsvond,

–   gezien zijn eerdere resoluties over Libië, met name de resolutie van 10 maart 2011(1) , en zijn aanbeveling van 20 januari 2011(2) ,

–   gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 13 september 2011 over Libië,

–   gezien artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het regime van Kadhafi na zes maanden van gevechten die duizenden slachtoffers hebben gemaakt en tot schrijnend lijden en alarmerende tekorten op humanitair vlak hebben geleid, ten val is gebracht en dat een interim-regering onder leiding van de Nationale Overgangsraad (NO) begonnen is met de opbouw van een nieuw Libië,

B.   overwegende dat de Veiligheidsraad resoluties 1970 en 1973 heeft aangenomen naar aanleiding van de gewelddadige onderdrukking van vreedzame demonstranten die onder meer bestond uit grove en systematische schendingen van de mensenrechten en het niet naleven door het Libische bewind van de uit het internationaal recht voortvloeiende verplichting om de Libische bevolking te beschermen,

C.   overwegende dat de landen die resolutie 1973 van de VN-veiligheidsraad wilden uitvoeren een coalitie hebben gevormd; overwegende dat in een latere fase het mandaat werd overgenomen door de NAVO; overwegende dat luchtmachtoperatie Odyssey Dawn, onder leiding van de NAVO, voortduurt zolang de burgerbevolking in Libië bescherming nodig heeft,

D.   overwegende dat de Nationale Overgangsraad tegelijkertijd moet voorzien in de dringendste humanitaire behoeften van de Libische bevolking, een eind moet maken aan het geweld, de rechtsstaat moet invoeren en de reusachtige en zware taak heeft om vorm te geven aan een goed functionerend en democratisch land; overwegende dat de NO heeft toegezegd spoedig te zullen zorgen voor democratische legitimiteit door een grondwet op te stellen en vrije en eerlijke verkiezingen te houden,

E.   overwegende dat het Internationaal Strafhof (ICC) op 27 juni 2011 een arrestatiebevel heeft uitgevaardigd tegen Moammar Kadhafi, zijn zoon Saif Al-Islam en Abdullah Al-Senussi, zijn voormalige hoofd van de inlichtingendienst, wegens verdenking van misdaden tegen de menselijkheid sinds het begin van de volksopstand,

F.   overwegende dat zo'n 1.500 Libische vluchtelingen volgens de UNHCR sinds het begin van het overheidsoptreden tegen de opstand in Libië zijn omgekomen bij pogingen de Middellandse Zee over te steken,

G.   overwegende dat er op 1 september 2011 in Parijs een topconferentie heeft plaatsgevonden met als naam „Vrienden van Libië”, waaraan een zestigtal landen en internationale organisaties hebben deelgenomen, met als doel de inspanningen van de internationale gemeenschap om de wederopbouw van Libië te ondersteunen, te coördineren,

H.   overwegende dat de EU meer dan 152 miljoen euro aan humanitaire hulp heeft verstrekt en dat de HV/VV op 22 mei 2011 een EU-kantoor in Benghazi heeft geopend, met het doel contacten met de NO aan te knopen en Libië te helpen bij de voorbereiding op de volgende fase van de overgang naar democratie; overwegende dat er op 31 augustus 2011 een EU-kantoor is geopend in Tripoli,

I.   overwegende dat een democratisch, stabiel, welvarend en vreedzaam Noord-Afrika van cruciaal belang is voor de EU,

1.   kijkt uit naar het eind van het zes maanden durende conflict in Libië, en is verheugd over de val van het autocratische bewind van Moammar Kadhafi dat 42 jaar geduurd heeft en dat verantwoordelijk was voor de lange en zware lijdensweg van het Libische volk; prijst de moed en vastberadenheid van de Libische bevolking; beklemtoont voorts dat het verlangen van de Libische burgers naar vrijheid en autonomie de motor van de overgang moet vormen en dat deze overgang alleen succesvol kan zijn als de leiding ervan stevig in plaatselijke handen is;

2.   verzoekt de VV/HV een echte, doelmatige en geloofwaardige gemeenschappelijke strategie voor Libië te ontwikkelen en verzoekt de lidstaten deze strategie ten uitvoer te leggen zonder eenzijdige maatregelen te treffen of initiatieven te ontplooien die afbreuk kunnen doen aan deze strategie; roept de EU en haar lidstaten er daarom toe op hun volledige steun te verlenen aan het overgangsproces dat nu moet plaatsvinden om van Libië een vrij, democratisch en welvarend land te maken, zonder overlappingen en terwijl er een multilaterale aanpak wordt nagestreefd;

3.   steunt de Nationale Overgangsraad (NTC) voor honderd procent bij de uitvoering van de moeilijke taak om vorm te geven aan een nieuwe staat die alle Libiërs vertegenwoordigt; verheugt zich over de recente officiële erkenningen van de NTC en roept alle lidstaten van de EU alsook de internationale gemeenschap ertoe op de NTC op hun beurt te erkennen; spreekt zijn waardering uit voor het feit dat alle permanente leden van de VN-veiligheidsraad met inbegrip van China onlangs, de NTC hebben erkend als het wettelijke gezag in Libië; verzoekt alle landen van de Afrikaanse Unie de NTC te erkennen; vraagt dat de NTC de volledige verantwoordelijkheid voor de veiligheid en het welzijn van de Libische bevolking op zich neemt en op transparante wijze en conform de democratische beginselen en het internationale humanitaire recht te werk gaat; verzoekt de VV/HV, de Raad en de Commissie te streven naar verdere uitbreiding van de betrekkingen met de Nationale Overgangsraad en de nieuwe Libische autoriteiten te helpen bij het opbouwen van een verenigd, democratisch en pluralistisch Libië, waar mensenrechten, fundamentele vrijheden en rechtvaardigheid gewaarborgd worden voor zowel de Libische burgers als voor migrerende werknemers en vluchtelingen;

4.   onderstreept dat misdaden tegen de menselijkheid niet ongestraft mogen blijven en dat Moammar Kadhafi en de leden van zijn regime conform de rechtsstaat aansprakelijk moeten worden gesteld voor hun misdaden en hiervoor moeten terechtstaan; verzoekt de NTC-strijders af te zien van wraakacties en standrechtelijke terechtstellingen; verwacht dat de Libische rechtbanken en processen, indien zij in Libië worden vervolgd wegens alle misdrijven die tijdens de dictatuur zijn begaan, en niet alleen de misdrijven waarvan het ICC hen beschuldigt, volledige naleving van de internationale normen voor een eerlijk proces zullen waarborgen, met inbegrip van transparantie voor internationale waarnemers en met uitsluiting van de doodstraf;

5.   dringt er bij alle landen en met name bij de buurlanden van Libië op aan met de nieuwe Libische autoriteiten en de internationale justitie, met name het Internationaal Strafhof, samen te werken ten einde te waarborgen dat Kadhafi en zijn nauwste bondgenoten worden vervolgd; herinnert er bijvoorbeeld aan dat Niger en Burkino Faso partij zijn bij het Internationaal Strafhof en daarom verplicht zijn met het hof samen te werken en Kadhafi en zijn aangeklaagde familieleden aan het Internationaal Strafhof uit te leveren, als zij hun grondgebied betreden; betreurt het dat Guinee Bissau Kadhafi asiel heeft aangeboden, en waarschuwt dat zulks onverenigbaar zou zijn met de verplichtingen van Guinee Bissau overeenkomstig de Overeenkomst van Cotonou;

6.   is voorts opgetogen over de belofte van de landen en internationale organisaties die aanwezig waren op de topconferentie „Vrienden van Libië” van 1 september 2011 in Parijs, om ogenblikkelijk 15 miljard dollar aan bevroren Libische tegoeden vrij te maken, en over het besluit van de EU tot opheffing van de sancties voor 28 Libische bedrijven en instellingen, waaronder havens, aardoliemaatschappijen en banken; verzoekt de EU-lidstaten de VN-Veiligheidsraad om toestemming te vragen voor het vrijgeven van nog steeds bevroren Libische tegoeden, ten einde de NTC te helpen het bestuur in te stellen dat voor deze overgangsperiode nodig is en roept de lidstaten op zich met name te houden aan de op de Conferentie van Parijs gedane toezeggingen; dringt aan op een internationaal onderzoek naar de locatie van de gestolen middelen en het geld van de familie Kadhafi en het terugsturen ervan naar Libië;

7.   spreekt zijn waardering uit voor het feit dat de EU haar aanwezigheid in Tripoli snel kenbaar heeft gemaakt zodra de stad bevrijd was en in de hoofdstad een EU-kantoor heeft geopend; gaat ervan uit dat het kantoor zo spoedig mogelijk over een volledige personeelsbezetting kan beschikken om voort te bouwen op het belangrijke werk dat reeds door het EU-kantoor in Benghazi is verricht, ten einde de betrekkingen met de NTC verder te ontwikkelen en de nieuwe Libische autoriteiten te helpen in de meest dringende behoeften van het Libische volk te voorzien;

8.   beveelt aan om meteen een delegatie van het Europees Parlement naar Libië te sturen met als doel de situatie ter plaatse te beoordelen, een boodschap van steun en solidariteit uit te zenden en een dialoog op gang te brengen met de NTC, de maatschappelijke organisaties en andere belangrijke partijen ter plaatse;

9.   benadrukt dat de geloofwaardigheid van de interim-regering van de NTC zal afhangen van zijn vermogen om de dringendste kwesties aan te pakken en tegelijk de nodige voorwaarden te creëren voor sterke, democratische instellingen; roept de NTC ertoe op zo transparant en inclusief mogelijk te werk te gaan en alle belanghebbenden uit het hele land bij het overgangsproces te betrekken om een zo groot mogelijke legitimiteit en een nationale consensus te bereiken, met als doel verbrokkeling tussen regio's, bevolkingsgroepen of stammen, die opnieuw tot geweld zou kunnen leiden, te vermijden; verzoekt de NTC ervoor te zorgen dat de hele Libische maatschappij inspraak krijgt, dat vrouwen en minderheden zeggenschap krijgen in het overgangsproces naar democratie, met name door hen aan te moedigen deel te nemen aan maatschappelijke organisaties, media, politieke partijen en allerhande politieke en economische besluitvormende organen;

10.   neemt kennis van het verslag dat Amnesty International onlangs heeft opgesteld en verzoekt de NTC de gewapende groeperingen in toom te houden en te ontwapenen, een eind te maken aan schendingen van de mensenrechten en de gemelde gevallen van oorlogsmisdaden te onderzoeken om te voorkomen dat er een vicieuze cirkel ontstaat van schendingen en vergelding; verzoekt de nieuwe autoriteiten alle gevangenissen onmiddellijk onder toezicht te stellen van het ministerie van Justitie en mensenrechten en erop toe te zien dat arrestaties uitsluitend worden uitgevoerd door officiële instanties en dat iedere gerechtelijke vervolging uitmondt in een eerlijk proces dat voldoet aan internationale normen;

11.   neemt kennis van de toespraak die NTC-voorzitter Jalil in Tripoli heeft gehouden waarin wordt aangekondigd dat Libië een gematigd moslimland zal worden met een grondwet waarin dit verankerd is, en dat het prijs zal stellen op de deelname van vrouwen aan het openbare leven; verklaart te verwachten dat de Nationale Overgangsraad zijn verantwoordelijkheden zal nakomen, evenals zijn toezeggingen om een tolerante, vereende en democratische staat in Libië tot stand te brengen, waar de universele mensenrechten voor alle burgers van Libië, alsmede migrerende werknemers en buitenlanders beschermd worden; verzoekt de NTC vrouwen en jongeren actief te stimuleren en op te nemen in het politieke proces dat gericht is op het opzetten van politieke partijen en democratische instellingen;

12.   dringt er bij de NTC op aan onverwijld een proces van gerechtigheid en nationale verzoening op gang te brengen; verzoekt de VV/HV deskundigen en trainers op het gebied van bemiddeling en communicatie naar Libië te sturen om de Nationale Overgangsraad en andere Libische actoren bij te staan;

13.   wijst erop dat alle schendingen van de mensrechten onderzocht moeten worden, wie ze ook begaan heeft; stelt dat dit een belangrijk onderdeel moet vormen van de wederopbouw van het land onder leiding van de Libiërs zelf;

14.   dringt er bij alle troepen van de NTC op aan bij de behandeling van krijgsgevangenen, en met name de resterende pro-Kadhafi-troepen en -huurlingen, het internationaal humanitair recht te eerbiedigen; dringt er bij de Nationale Overgangsraad op aan de Afrikaanse arbeidsmigranten en zwarte Libiërs die werden aangezien voor pro-Kadhafi-huurlingen en willekeurig gevangen werden gezet onmiddellijk vrij te laten en diegenen onder hen die misdrijven hebben gepleegd voor een onafhankelijke rechter te brengen;

15.   dringt er bij de NTC op aan de rechten van minderheden en kwetsbare roepen, o.m. van de duizenden migranten uit Afrika ten zuiden van de Sahara, die uitsluitend vanwege hun huidskleur moeten vrezen voor intimidatie, en te voorzien in bescherming en evacuatie van de migranten die nog steeds vastzitten in de IOM-centra of in geïmproviseerde kampen; verzoekt in dit verband de VV/HV om de Nationale Overgangsraad Europese steun te verlenen op het gebied van bemiddeling, om overeenkomstig de mensenrechten en volgens humanitaire normen aan deze nijpende situatie een einde te maken; verzoekt de EU-lidstaten en de Commissie te zorgen voor herplaatsing van vluchtelingen die, nadat zij het conflict zijn ontvlucht, nog steeds in kampen aan de Tunesische en andere grenzen verblijven en wier leven in gevaar is als zij terugkeren naar Libië;

16.   onderstreept dat het Libische volk de revolutie teweeg heeft gebracht en de weg heeft gebaand; is van mening dat de toekomst van Libië stevig in handen van het Libische volk dient te liggen waardoor volledige zelfbeschikking van Libië gewaarborgd wordt;

17.   wijst erop dat de Verenigde Naties, in aansluiting op de door Libië met name tijdens de conferentie van Parijs geuite verwachtingen, een coördinerende rol zullen spelen ter waarborging van internationale steun voor de politieke overgang in Libië en de wederopbouw van het land;

18.   dringt er bij de VV/HR, de Europese Commissie en de EU-lidstaten op aan om steun te verlenen voor de hervorming van de Libische veiligheidssector, met inbegrip van de politie en strijdkrachten, voor ontwapening, demobilisatie en re-integratie van voormalige strijders, en intensivering van het toezicht op grenzen en de wapenhandel in samenwerking met de omliggende landen; is bijzonder bezorgd over de grote aantallen wapens die in handen zijn van strijders en burgers en die een gevaar vormen voor de burgerbevolking, met name voor kwetsbare groepen zoals vrouwen en kinderen;

19.   onderstreept in de context van de „Arabische lente” het belang van een goede afloop van het conflict in Libië voor de regio; spoort andere leiders in de regio ertoe aan lessen te trekken uit de gebeurtenissen in Libië en de nodige aandacht te besteden aan volksbewegingen die eisen dat hun rechten en vrijheden geëerbiedigd worden;

20.   verzoekt de Nationale Overgangsraad zich vast te leggen op strenge doorzichtigheidsnormen in strategische binnenlandse economische sectoren, zodat de Libische natuurlijke hulpbronnen ten goede komen aan de hele bevolking;

21.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de hoge vertegenwoordiger, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, de Afrikaanse Unie, de Arabische Liga en de Nationale Overgangsraad van Libië.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0095 .
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0020 .


De situatie in Syrië
PDF 82k   DOC 41k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2011 over de situatie in Syrië
P7_TA(2011)0387 B7-0482 , 0483 , 0485 , 0486 en 0487/2011

Het Europees Parlement ,

–   gezien zijn eerdere resoluties over Syrië, met name die van 7 juli 2011 over de situatie in Syrië, Jemen en Bahrein in de context van de situatie in de Arabische wereld en Noord-Afrika(1) ,

–   gezien de verklaring van 19 augustus 2011 van de Voorzitter van het Europees Parlement over de situatie in Syrië en de reacties van de internationale gemeenschap,

–   gezien Besluit 2011/522/GBVB van de Raad houdende wijziging van Besluit 2011/273/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, Besluit 2011/523/EU van de Raad betreffende gedeeltelijke schorsing van de toepassing van de samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Arabische Republiek Syrië en Verordening (EU) nr. 878/2011 van de Raad van 2 september 2011 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 442/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië,

–   gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid (VV/HV) over Syrië van 8 en 31 juli, 1, 4, 18, 19, 23 en 30 augustus en 2 september 2011,

–   gezien de conclusies van de Raad over Syrië van 18 juli 2011,

–   gezien de gezamenlijke mededeling van 25 mei 2011 met als titel „Inspelen op de veranderingen in onze buurlanden” van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's,

–   gezien de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad van 3 augustus 2011,

–   gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad over de mensenrechtensituatie in de Arabische Republiek Syrië van 23 augustus 2011,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–   gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) van 1966, waarbij Syrië partij is,

–   gezien artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat sinds het begin van het gewelddadige optreden tegen vreedzame betogers in Syrië in maart 2011 en ondanks de op 21 april 2011 door de regering aangekondigde opheffing van de noodtoestand, het stelselmatig doden van mensen, het geweld en de martelingen een dramatische escalatie te zien geven en dat het Syrische leger en de veiligheidstroepen blijven reageren met het gericht doden van personen, martelingen en massale arrestaties; overwegende dat volgens ramingen van de VN meer dan 2.600 mensen om het leven zijn gekomen, veel meer zijn gewond en duizenden zijn opgesloten,

B.   overwegende dat de Hoge Commissaris voor de mensenrechten tijdens zijn onderzoeksmissie van 19 augustus 2011 bewijzen heeft gevonden van honderden standrechtelijke executies, het gebruik van scherpe munitie tegen demonstranten, de ruime inzet van sluipschutters tijdens protesten, de opsluiting en foltering van mensen van alle leeftijden, de blokkade van steden en gemeenten door de veiligheidstroepen en de vernieling van de watertoevoer,

C.   overwegende dat de regering van de Arabische Republiek Syrië zich heeft verplicht tot het doorvoeren van democratische en sociale hervormingen, maar dat zij niet de nodige stappen heeft ondernomen om haar toezeggingen na te komen,

D.   overwegende dat veel Syriërs als gevolg van geweld en ontheemding geconfronteerd worden met een verslechtering van hun humanitaire situatie; overwegende dat buurlanden van Syrië en de internationale gemeenschap aanzienlijke pogingen in het werk stellen om een verergering en escalatie van deze humanitaire crisis te voorkomen,

E.   overwegende dat de crisis in Syrië een bedreiging vormt voor de stabiliteit en de veiligheid in het gehele Midden-Oosten,

F.   overwegende dat de EU, wegens de escalatie van de brute campagne die het regime tegen het Syrische volk voert, restrictieve maatregelen ten aanzien van het Syrische regime heeft vastgesteld en dat zij overweegt de sancties in kwestie uit te breiden,

G.   overwegende dat de associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Arabische Republiek Syrië, anderzijds, nooit ondertekend is; overwegende dat de ondertekening van deze overeenkomst op verzoek van Syrië sinds oktober 2009 is uitgesteld; overwegende dat de Raad heeft besloten geen verdere stappen ter zake te ondernemen en de toepassing van de bestaande samenwerkingsovereenkomst gedeeltelijk te schorsen,

H.   overwegende dat de nieuwe benadering die de Commissie en de hoge vertegenwoordiger voorstellen om in te spelen op de veranderingen in onze buurlanden, gebaseerd is op een wederzijdse verantwoordingsplicht en het zich gezamenlijk inzetten voor de universele waarden op het gebied van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat,

I.   overwegende dat de VN-Mensenrechtenraad op 23 augustus 2011 een resolutie heeft aangenomen waarin wordt opgeroepen tot het sturen van een onafhankelijke internationale onderzoekscommissie inzake schendingen van de mensenrechten in Syrië, waarbij sprake kan zijn van misdaden tegen de mensheid,

1.   veroordeelt ten stelligste het toenemende geweld tegen vreedzame betogers en de gewelddadige en stelselmatige vervolging van activisten die ijveren voor democratie en opkomen voor de mensenrechten, alsmede journalisten; is ten zeerste bezorgd over de ernstige schendingen van de mensenrechten door de Syrische autoriteiten, waaronder massale arrestaties, standrechtelijke executies, willekeurige opsluiting, verdwijningen en foltering;

2.   spreekt zijn oprechte medeleven uit met de families van de slachtoffers en zijn solidariteit met het Syrische volk dat strijdt voor zijn rechten, prijst de moed en vastberadenheid van dit volk en steunt krachtig zijn aspiraties met betrekking tot volledige eerbiediging van de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en met betrekking tot de garantie van betere economische en sociale omstandigheden;

3.   steunt de conclusies van de Raad van 18 juli 2011, waarin wordt gesteld dat het Syrische regime, door te kiezen voor onderdrukking in plaats van zijn eigen beloften voor brede hervormingen na te komen, zijn eigen legitimiteit ondergraaft; verzoekt president Bashar al-Assad en zijn regime ogenblikkelijk afstand te doen van de macht, en keurt straffeloosheid af;

4.   dringt er opnieuw op aan het gewelddadige repressieve optreden tegen vreedzame demonstranten en het chicaneren van hun gezinnen te beëindigen, alle opgesloten demonstranten, politieke gevangenen, mensenrechtenactivisten en journalisten vrij te laten en internationale mensenrechtenorganisaties en humanitaire organisaties, alsmede internationale media onbeperkt toegang te verlenen; verzoekt de Syrische autoriteiten de overheidscensuur op plaatselijke en buitenlandse publicaties stop te zetten, de repressieve overheidscontrole op kranten en andere publicaties te beëindigen en de beperkingen met betrekking tot internet en mobiele communicatienetwerken op te heffen;

5.   herhaalt zijn verzoek om een onafhankelijk, transparant en doeltreffend onderzoek naar de moorden, arrestaties, willekeurige vastzetting, vermeende gedwongen verdwijningen en gevallen van foltering door Syrische veiligheidstroepen, om te waarborgen dat de daders ter verantwoording worden geroepen; is in dit verband verheugd over de recente resolutie van de VN-Mensenrechtenraad waarin wordt aangedrongen op een onafhankelijke internationale onderzoekscommissie die in Syrië onderzoek moet doen naar alle aantijgingen van schending van het internationale recht inzake mensenrechten door het regime sinds maart 2011, teneinde de feiten en omstandigheden rond deze misdrijven en schendingen op te helderen, de verantwoordelijken te identificeren en ervoor te zorgen dat de daders ter verantwoording worden geroepen;

6.   dringt er tegelijk op aan dat er onmiddellijk een waarachtig, voor iedereen openstaand politiek proces op gang wordt gebracht waaraan alle democratische politieke krachten en maatschappelijke organisaties deelnemen en dat de basis zou kunnen vormen voor een vreedzame en onomkeerbare overgang naar democratie in Syrië; is in dit verband verheugd over de verklaring van de voorzitter van de Veiligheidsraad van de VN van 3 augustus 2011, waarin wordt beklemtoond dat de enige oplossing voor de huidige crisis in Syrië is gelegen in een inclusief, door Syriërs geleid politiek proces; verzoekt de leden van de VN-Veiligheidsraad, en met name Rusland en China, over te gaan tot de goedkeuring van een resolutie om het gebruik van dodelijk geweld door het Syrische regime te veroordelen en ertoe op te roepen dit gebruik van geweld te beëindigen, en sancties vast te stellen als hieraan geen gevolg wordt gegeven; neemt kennis van de vergadering van de secretaris-generaal van de Arabische Liga met de Syrische autoriteiten en hoopt dat deze zal leiden tot concrete resultaten;

7.   is tevreden met de goedkeuring door de Raad op 2 september 2011 van nieuwe restrictieve maatregelen tegen het Syrische regime, inclusief een verbod op de import van aardolie in de EU en de toevoeging van vier Syriërs en drie Syrische entiteiten aan de lijst voor de bevriezing van activa en de instelling van een reisverbod; dringt evenwel aan op verdere sancties die gericht zijn tegen het regime, maar de negatieve gevolgen voor de levensomstandigheden van de bevolking tot een minimum beperken; roept de EU op eendracht uit te stralen in haar omgang met de Syrische autoriteiten;

8.   juicht het toe dat buurlanden van Syrië, met name Turkije, humanitaire hulp verlenen aan Syrische vluchtelingen; moedigt de EU en haar lidstaten aan te blijven samenwerken met de leden van de VN-Veiligheidsraad, de buurlanden van Syrië, de Arabische Liga, andere internationale actoren en ngo's om te voorkomen dat de huidige crisis in Syrië, met inbegrip van de humanitaire crisis, eventueel overslaat naar andere gebieden in de regio en dat de humanitaire crisis in het land zelf nog ernstiger wordt;

9.   is verheugd over de veroordeling van het Syrische regime door Turkije en Saoedi-Arabië; betreurt het dat Iran steun blijft geven aan het regime van president Assad;

10.   verzoekt de VV/HV, de Raad en de Commissie de totstandkoming van een georganiseerde Syrische democratische oppositie zowel in Syrië zelf als daarbuiten verder aan te moedigen en te ondersteunen;

11.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en het parlement van de Russische Federatie, de regering en het parlement van de Volksrepubliek China, de regering en het parlement van de Verenigde Staten, de secretaris-generaal van de Arabische Liga en de regering en het parlement van de Arabische Republiek Syrië.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0333 .


De kloof dichten tussen anticorruptiewetgeving en de werkelijkheid
PDF 91k   DOC 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2011 over de inspanningen van de EU ter bestrijding van corruptie
P7_TA(2011)0388 B7-0481/2011

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 6 juni 2011 over corruptiebestrijding in de EU (COM(2011)0308 ) en Besluit (C(2011)3673) van de Commissie tot instelling van een EU-corruptiebestrijdingsmechanisme voor periodieke beoordeling van de lidstaten („EU-corruptiebestrijdingsverslag”),

–   gezien artikel 67, lid 3, en artikel 83, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het programma van Stockholm - Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger,

–   gezien zijn verklaring van 18 mei 2010 over de inspanningen van de Unie ter bestrijding van corruptie(1) ,

–   gezien Kaderbesluit 2003/568/JBZ van de Raad van 22 juli 2003 over bestrijding van corruptie in de privé-sector(2) ,

–   gezien de EU-Overeenkomst, opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen(3) en het Protocol opgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, bij de Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen, waarmee fraude en corruptie ten koste van de financiële belangen van de EU strafbaar zijn gesteld(4) ,

–   gezien de EU-Overeenkomst, opgesteld op basis van artikel K.3, lid 2, onder c), van het Verdrag betreffende de Europese Unie ter bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Europese Gemeenschappen of van de lidstaten van de Europese Unie betrokken zijn(5) , waarmee fraude en corruptie die los staan van de financiële belangen van de EU strafbaar zijn gesteld,

–   gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat corruptie een bijzonder ernstig strafbaar feit is met een grensoverschrijdende dimensie, en vaak implicaties heeft die de EU-grenzen overschrijden en zich niet hiertoe beperken, en overwegende dat de Europese Unie een algemeen recht heeft om op te treden op het beleidsgebied van de corruptiebestrijding,

B.   overwegende dat artikel 67 VWEU bepaalt dat de Unie verplicht is een hoog niveau van veiligheid te waarborgen, onder meer door middel van maatregelen ter voorkoming en bestrijding van criminaliteit en door de onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen; en dat artikel 83 VWEU corruptie noemt als een van de vormen van bijzonder zware criminaliteit met een grensoverschrijdende dimensie,

C.   overwegende dat het Stockholm-programma (4.1) corruptie noemt als een van de transnationale bedreigingen die een probleem voor de interne veiligheid van de Unie blijven vormen, en waarvoor derhalve een duidelijke en omvattende aanpak vereist is,

D.   overwegende dat 80% van de Europese burgers corruptie als een ernstig probleem in hun lidstaat beschouwt (Eurobarometer 2009 over de houding van de Europeanen ten aanzien van corruptie) en 88% van de respondenten bij de openbare raadpleging 2008 over het Stockholm Programma van mening was dat de EU meer zou moeten doen om corruptie aan te pakken,

E.   overwegende dat corruptie tot een verlies leidt van naar schatting 120 miljard EUR per jaar, ofwel 1% van het bbp van de EU (COM(2011)0308 ),

F.   overwegende dat corruptie ondermijnend is voor de rechtstaat, leidt tot misbruik van overheidsgeld in het algemeen en van EU-gelden die afkomstig zijn van de belastingbetaler, de markt verstoort, en een rol in de huidige economische crisis heeft gespeeld,

G.   overwegende dat het economisch herstel van de lidstaten die door de economische en financiële crisis zijn getroffen wordt belemmerd door corruptie, belastingontduiking, belastingfraude en andere economische delicten; overwegende dat het risico van corruptiepraktijken in het geval van grootschalige deregulering en privatisering bijzonder groot is en met alle middelen moet worden bestreden,

H.   overwegende dat corruptie ook schade op sociaal gebied veroorzaakt, aangezien de georganiseerde misdaad zich via corruptie ook schuldig maakt aan andere ernstige delicten, zoals drugshandel en mensenhandel (COM(2011)0308 ),

I.   overwegende dat er sprake is van een gebrek aan politieke inzet van de kant van de leiders en besluitvormers om corruptie in al haar vormen te bestrijden en de tenuitvoerlegging van wetgeving voor corruptiebestrijding tussen de lidstaten uiteenloopt en over het algemeen onbevredigend is (COM(2011)0308 ),

J.   overwegende dat drie EU-lidstaten het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie van de Raad van Europa niet hebben geratificeerd, twaalf landen het aanvullend protocol niet hebben geratificeerd, en zeven landen het Verdrag inzake de civielrechtelijke bestrijding van corruptie niet hebben geratificeerd; overwegende dat drie lidstaten nog niet het UNCAC en vijf lidstaten nog niet het OESO-Verdrag inzake de bestrijding van omkoping hebben geratificeerd,

K.   overwegende dat waarneming van corruptie het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten ernstig ondermijnd, en daarmee een negatief effect heeft op de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken,

L.   overwegende dat justitiële samenwerking in corruptiezaken met een grensoverschrijdende dimensie complex en moeizaam blijft,

M.   overwegende dat corruptie bij het uitblijven van een urgente en adequate aanpak het vertrouwen in de democratische instellingen kan ondermijnen en de verantwoordingsplicht van politieke leiders verzwakken (COM(2011)0308 ),

N.   overwegende dat dankzij corruptie vele dictatoriale regimes aan de macht hebben kunnen blijven en grote bedragen naar buitenlandse en ook Europese banken hebben kunnen sluizen; overwegende dat de lidstaten hun inspanningen moeten opvoeren om buitenlandse gestolen activa op te sporen en te bevriezen, zodat deze gerestitueerd kunnen worden aan de rechtmatige eigenaars,

1.   is ingenomen met de goedkeuring door de Commissie op 6 juni 2011 van een maatregelenpakket voor corruptiebestrijding(6) , dat een mededeling over corruptiebestrijding in de EU en een besluit tot vaststelling van het „EU-corruptiebestrijdingsverslag” omvat;

2.   verzoekt de Commissie om de corruptiebestrijding prioriteit te geven in de context van haar veiligheidsagenda voor de komende jaren, ook wat betreft de personele middelen die hiervoor worden toegekend;

3.   verzoekt de Commissie via haar verslaggevingmechanisme het belangrijkste punt van zorg betreffende de daadwerkelijke uitvoering van corruptiebestrijdingswetten aan te pakken, evenals via afschrikwekkende sancties, rechtshandhaving en het justitieel apparaat;

4.   verzoekt de Commissie om de omzetting en handhaving van EU-wetgeving voor corruptiebestrijding, met inbegrip van afschrikwekkende sancties, aan te pakken en stappen te ondernemen om de omzetting en handhaving door de EU-lidstaten van de betreffende internationale en regionale instrumenten voor corruptiebestrijding te stimuleren;

5.   verzoekt de Commissie, bij de uitvoering van het EU-verslaggevingmechanisme voor corruptiebestrijding, ervoor te zorgen dat onafhankelijke deskundigen deel uitmaken van de groep van deskundigen en het netwerk van onderzoekscorrespondenten, dat alle deskundigen over een bewezen uitmuntende integriteit, reputatie en expertise beschikken, en dat een verscheidenheid van maatschappelijke organisaties zijn vertegenwoordigd;

6.   verzoekt de Commissie te overwegen voor 2013 tussentijdse corruptiebestrijdingsrapporten uit te brengen, gezien het dringende karakter van maatregelen op dit gebied in het licht van de huidige economische crisis in vele EU-landen;

7.   verzoekt de Commissie om op basis van artikel 83, lid 1, van het VWEU, minimale regels betreffende de definitie en sancties voor corruptie vast te stellen, gezien de grensoverschrijdende dimensie en de gevolgen voor de interne markt;

8.   wijst bezorgd op het gebrek aan vorderingen in de tenuitvoerlegging door de lidstaten van Kaderbesluit 2003/568/JHA van de Raad over bestrijding van corruptie in de privé-sector; dringt er bij de lidstaten op aan de bepalingen van dit kaderbesluit om te zetten en uit te voeren;

9.   verzoekt de Raad en de lidstaten de EU-overeenkomsten van 1995 en 1997 uit hoofde waarvan fraude en corruptie strafbaar zijn gesteld onverkort uit te voeren;

10.   stelt voor dat de Commissie verdere actie op EU-niveau onderneemt inzake harmonisering van de wetgeving betreffende bescherming van klokkenluiders (met inbegrip van bescherming tegen rechtszaken en strafrechtelijke vervolging wegens laster en smaad) en het strafbaar stellen van illegale verrijking;

11.   verzoekt alle EU-instellingen, alsmede EU-agentschappen en de lidstaten, om voor meer transparantie te zorgen door opstelling van gedragscodes of verbetering van reeds bestaande codes, met in elk geval duidelijke regels voor belangenverstrengeling, maar ook om maatregelen te nemen ter voorkoming en bestrijding van corruptie die in de politiek en de media doordringt, onder meer door vergroting van de transparantie en het toezicht op de financiering en financiering;

12.   dringt er bij de lidstaten op aan financiële en personele middelen te investeren in de bestrijding van corruptie; benadrukt dat de lidstaten met Europol, Eurojust en OLAF moeten samenwerken bij onderzoek naar en vervolging van strafbare feiten in verband met corruptie;

13.   spoort de Commissie en Eurojust aan te zorgen voor een efficiëntere en snellere uitwisseling van documenten en informatie tussen de nationale rechtbanken over corruptiezaken met een grensoverschrijdend karakter;

14.   verzoekt de Raad om te zorgen voor de nodige politieke inzet, die momenteel in sommige lidstaten ontbreekt, voor de bestrijding van corruptie en de tenuitvoerlegging van de maatregelen die de Commissie via haar corruptiebestrijdingspakket en het bredere maatregelenpakket voor de bescherming van de legale economie heeft genomen;

15.   verzoekt de Raad en de Commissie het huidige netwerk van nationale contactpunten tegen de corruptie efficiënter te maken, en verzoekt de Commissie het Europees Parlement op de hoogte te houden van de activiteiten van dit netwerk;

16.   verzoekt de Raad en de lidstaten het Verdrag van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) inzake bestrijding van omkoping van buitenlandse ambtenaren in internationale zakelijke transacties te ratificeren en volledig uit te voeren; wijst op de negatieve effecten die omkoping van buitenlandse ambtenaren heeft op de grondrechten van de Unie, en het milieu- en ontwikkelingsbeleid;

17.   dringt er bij de Commissie op aan haar werkzaamheden te bespoedigen ten einde haar rapportageverplichtingen overeenkomstig het VN-verdrag tegen corruptie na te komen;

18.   is van mening dat de corruptiebestrijding een grotere transparantie in financiële transacties impliceert, met name in de zogenaamde offshore-jurisdicties binnen de EU en elders in de wereld;

19.   verzoekt de Raad gezamenlijk met de Commissie te zorgen voor overeenkomsten met derde landen (met name de zogenaamde offshore-jurisdicties) over de toekenning van uitwisseling van informatie over bankrekeningen en financiële transacties in verband met de EU-burgers en bedrijven aan die landen;

20.   verzoekt de Commissie om de bestrijding van anonieme postbusondernemingen in rechtsgebieden met een geheimhoudingsregeling, waardoor criminele geldstromen mogelijk worden, tot een belangrijk element van de komende hervorming van de richtlijn tegen het witwassen te maken;

21.   dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor een strakke beleidscoördinatie van het verslaggevingmechanisme voor corruptiebestrijding met de nieuwe fraudebestrijdingsstrategie en het wetgevingsinitiatief inzake terugvordering van uit misdrijven verkregen vermogensbestanddelen, opgenomen in het bredere pakket voor de bescherming van de legale economie;

22.   verzoekt de Commissie het Europees Parlement jaarlijks verslag uit te brengen over de uitvoering van het EU-corruptiebestrijdingsbeleid, en waar relevant en haalbaar, tussentijdse rapporten over specifieke problemen in verband met corruptiebestrijding in de EU voor te leggen;

23.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.

(1) PB C 161 E van 31.5.2011, blz. 62.
(2) PB L 192 van 31.7.2003, blz. 54.
(3) PB C 316 van 27.11.1995, blz. 49.
(4) PB C 313 van 23.10.1996, blz. 2.
(5) PB C 195 van 25.6.1997, blz. 2.
(6) Het corruptiebestrijdingspakket omvat een Mededeling betreffende bestrijding van corruptie binnen de EU, een besluit tot instelling van een mechanisme voor rapportage over corruptiebestrijding binnen de EU, een verslag over de tenuitvoerlegging van het kaderbesluit van de Raad 2003/568/JHA inzake bestrijding van corruptie in de particuliere sector, alsmede een verslag over de modaliteiten van de EU-deelname in de landengroep van de Raad van Europa die zich inzet voor corruptiebestrijding (GRECO).


Hongersnood in Oost-Afrika
PDF 101k   DOC 48k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2011 over de hongersnood in Oost-Afrika
P7_TA(2011)0389 B7-0490 , 0491 , 0492 , 0493 , 0494 en 0495/2011

Het Europees Parlement ,

–   gezien zijn eerdere resoluties over de Hoorn van Afrika,

–   gezien de verklaring van 24 augustus 2011 van hoge vertegenwoordiger van de Unie Catherine Ashton over de reactie van de EU op de hongersnood in de Hoorn van Afrika,

–   gezien de uitkomst van de donorconferentie van Addis Abeba (25 augustus 2011),

–   gezien de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling van de VN,

–   gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–   gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–   gezien zijn resolutie van 17 februari 2011 over de stijgende voedselprijzen(1) ,

–   gezien het verslag van Jacques Lang, speciaal adviseur van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor juridische kwesties in verband met piraterij voor de kust van Somalië,

–   gezien de „roadmap” voor de beëindiging van de overgangssituatie die de Somalische overgangsregering, de regionale besturen van Puntland en Galmudug en de Ahlu Sunna Wal Jama'a-beweging op 6 september 2011 hebben aangenomen,

–   gezien artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat tienduizenden mensen zijn gestorven, dat voor 750 000 mensen op korte termijn de hongerdood dreigt en dat 13,3 miljoen mensen in Somalië, Ethiopië, Kenia en Djibouti dringend voedselhulp nodig hebben bij deze ernstigste hongersnood in 60 jaar,

B.   overwegende dat de ondervoedingsgraad in sommige plaatsen meer dan drie maal zo hoog is als de urgentiedrempel en dat voorspeld wordt dat de situatie in de Hoorn nog verder zal verslechteren voordat er enige verbetering zal intreden; dat de situatie in oktober 2011 een dieptepunt zal bereiken en er geen herstel in zicht is vóór het begin van 2012,

C.   overwegende dat de hongersnood in de regio nog wordt verergerd door een samenloop van factoren als conflicten, schaarste van hulpmiddelen, klimaatverandering, snelle bevolkingsgroei, ontbrekende infrastructuur, scheefgetrokken handelspatronen en hoge grondstofprijzen,

D.   overwegende dat Somalië het zwaarst getroffen is: meer dan de helft van de bevolking is afhankelijk van voedselhulp, het land telt 1,4 miljoen intern ontheemden en UNICEF meldt dat 780 000 kinderen in Zuid-Somalië aan acute ondervoeding lijden,

E.   overwegende dat de humanitaire situatie in Somalië nog wordt verergerd door het al 20 jaar durende conflict tussen oorlogvoerende groeperingen in het gebied; dat de militante groepering al-Shabab tal van gebieden beheerst waar de hongersnood is uitgeroepen en westerse hulpagentschappen dwingt het gebied te verlaten, waardoor de hulpverlening ernstig wordt bemoeilijkt,

F.   overwegende dat de regering van Eritrea duidelijk heeft verboden dat voedsel en andere humanitaire-hulpgoederen voor de bevolking het land binnenkomen,

G.   overwegende dat meer dan 860 000 vluchtelingen uit Somalië op zoek naar veiligheid, voedsel en water naar buurlanden, met name Kenia en Ethiopië, zijn gevlucht, met als gevolg dat het vluchtelingenkamp Dadaab in Kenia wordt overspoeld door meer dan 420 000 mensen,

H.   overwegende dat Dadaab momenteel het grootste vluchtelingenkamp ter wereld is en dat 400 000 mensen in dit kamp verblijven dat aanvankelijk voor 90 000 was bedoeld; dat de humanitaire situatie met de dag slechter wordt in het kamp, waar epidemieën zoals cholera en mazelen de kop opsteken en al diverse gevallen van verkrachting gemeld zijn,

I.   overwegende dat 80% van de vluchtelingen vrouwen en kinderen zijn van wie velen op weg naar of in de vluchtelingenkampen te maken hebben gekregen met seksueel geweld en intimidatie,

J.   overwegende dat het ontbreken van recht en orde op het land tot toename van de piraterij in de Indische Oceaan heeft geleid, waardoor de aanvoer van goederen naar en vanuit de regio ernstig ontwricht raakt, en dat de EU NAVFOR-missie de piraterij alleen heeft kunnen ontmoedigen en indammen, maar de onderliggende oorzaken niet kan aanpakken,

K.   overwegende dat de EU in 2011 158 miljoen EUR aan humanitaire hulp heeft toegezegd, naast de 440 miljoen EUR van lidstaten en de meer dan 680 miljoen EUR die de regio voor de periode tot 2013 aan langetermijnhulp op het gebied van landbouw, plattelandsontwikkeling en voedselveiligheid ontvangt,

L.   overwegende dat de leiders van de Afrikaanse Unie (AU) voor de humanitaire operatie toezeggingen hebben gedaan voor meer dan 350 miljoen dollar,

M.   overwegende dat snelle uitbreiding van de noodhulp van het grootste belang is om in de bestaande humanitaire behoeften te voorzien en verdere verslechtering te voorkomen; dat het totale operationele tekort over de komende zes maanden voor droogtegerelateerde programma's van het Wereldvoedselprogramma ten behoeve van Djibouti, Ethiopië, Kenia en Somalië 190 miljoen dollar bedraagt,

N.   overwegende dat de toenemende grondaankopen in de Hoorn van Afrika (voornamelijk ten behoeve van buitenlandse investeerders) het wankele landbouw- en voedselsysteem aldaar nog kwetsbaarder hebben gemaakt, en geen van de voordelen op het punt van werkgelegenheid, voedsel en economische ontwikkeling hebben opgeleverd die in het vooruitzicht waren gesteld,

O.   overwegende dat de opbrengst van de oogsten in de regio ernstig te lijden heeft onder de gevolgen van de klimaatverandering, wat in combinatie met de mondiale economische recessie en de stijgende voedsel- en brandstofprijzen een tegenslag vormt voor de bestrijding van de armoede en de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling,

P.   overwegende dat het verslag van de Wereldbank van augustus 2011 over de voedselprijzen (Food Price Watch report) vermeldt dat de hoge en instabiele voedselprijzen over de gehele wereld de armste mensen in de derde wereld in gevaar brengen en de noodsituatie in de Hoorn van Afrika in de hand werken,

Q.   overwegende dat de toegenomen liquiditeit en beschikbaarheid van dergelijke indekkingsinstrumenten rechtstreeks verband houdt met de hoge prijzen en de grote instabiliteit op de onderliggende spotmarkten, en dat deze markten voor de toezichthouders moeilijk zijn te overzien omdat het merendeel van deze transacties onderhands plaatsvindt,

1.   geeft uiting aan zijn diepe medeleven met het verlies van mensenlevens en het lijden in de regio; dringt erop aan meer EU-hulp in te zetten in de gebieden waar de hongersnood het ernstigst is om de meest kwetsbaren te voorzien van voedselhulp, gezondheidszorg, schoon water en zuiveringsproducten;

2.   verzoekt alle instanties en groeperingen in de regio om humanitaire hulporganisaties ongehinderde toegang te verschaffen tot mensen die in nood verkeren en in alle omstandigheden de burgerbevolking, met name vrouwen en kinderen, te beschermen, overeenkomstig de internationale humanitaire en mensenrechtenwetgeving; verzoekt om opening van humanitaire corridors om voedsel en hulpgoederen dieper in de getroffen gebieden te kunnen brengen;

3.   eist dat alle partijen onmiddellijk een einde maken aan wandaden tegen burgers, met name vrouwen en kinderen, de verantwoordelijken ter verantwoording roepen en ervoor zorgen dat alle mensen die op de vlucht zijn voor droogte en conflicten, toegang hebben tot hulp en zich vrij kunnen bewegen; veroordeelt met klem de rol van de militante islamitische groepering al-Shabab, die de hulpagentschappen en het Wereldvoedselprogramma verhindert om voedselhulp te verstrekken; herinnert alle landen in de regio eraan dat vluchtelingen overeenkomstig het internationale recht moeten worden bijgestaan en beschermd;

4.   verzoekt om meer mobilisatie van de internationale gemeenschap, die haar inspanningen om deze noodsituatie het hoofd te bieden zou moeten verdubbelen om in de toenemende humanitaire behoeften te voorzien en verdere verslechtering van de situatie te voorkomen, daarbij rekening houdend met het feit dat de momenteel beschikbare financiële middelen ontoereikend zijn;

5.   benadrukt dat het noodzakelijk is de steunverlening te controleren door de selectie van betrouwbare lokale partners, zoals gevestigde steunagentschappen en leiders van plaatselijke gemeenschappen, en door betere coördinatie en organisatie van de distributie, om te voorkomen dat hulpgoederen op een andere plaats dan die van bestemming terechtkomen of worden geroofd;

6.   verzoekt de Commissie de overgang van humanitaire hulp naar ontwikkelingshulp van de EU onverwijld te verbeteren, omdat door de droogtecrisis in de Hoorn van Afrika duidelijk wordt aangetoond dat jaren van noodhulp aan mensen die het slachtoffer zijn van de droogte geen doelmatig vervolg hebben gekregen met een ontwikkelingsbeleid voor de lange termijn, met name op landbouwgebied; vraagt de Commissie en de EU-lidstaten om steun voor de projecten in Oost-Afrikaanse landen op het gebied van preventiecapaciteit, hongersnood en vroegewaarschuwingssystemen;

7.   spreekt zijn waardering uit voor de toezeggingen van de Afrikaanse Unie ten behoeve van de humanitaire operatie, o.m. de AMISOM-vredesmacht; betreurt echter dat er van de beloofde 20 000 vredessoldaten tot dusverre niet meer dan 9 000 in Somalië zijn ingezet;

8.   wijst erop dat een oplossing voor de hongersnoodramp in de Hoorn van Afrika, en in het bijzonder in Somalië, alleen mogelijk is indien de onderliggende economische, milieu- en veiligheidsproblemen worden aangepakt door zowel de lokale actoren als de internationale gemeenschap; verzoekt om een EU-strategie voor de regio, waarin de politieke doelstellingen en de afzonderlijke humanitaire, ontwikkelings-, veiligheids- en militaire maatregelen met elkaar samenhangen en verbonden zijn;

9.   verzoekt de HV/VV het vredesproces van Djibouti kritisch te evalueren; wijst erop dat het noodzakelijk is alle mensen die getroffen zijn door het conflict in Somalië, met inbegrip van maatschappelijke en vrouwengroeperingen, hier op alle niveaus bij te betrekken; roept op tot de invoering van een stelsel voor nationale verzoening zodat met de wederopbouw van het land kan worden begonnen;

10.   is verheugd over de toezeggingen van de EU en haar lidstaten; wijst er echter op dat er nog 1 miljard dollar ontbreekt aan het door de VN voor noodhulp gevraagde bedrag; vraagt de internationale gemeenschap met klem haar toezeggingen gestand te doen, voedsel te leveren en de gezondheidsomstandigheden ter plaatse te verbeteren;

11.   dringt erop aan dat een groter percentage van de officiële ontwikkelingshulp van de EU bestemd wordt voor de landbouwproductie en voor steun aan herdersvolkeren in ontwikkelingslanden om de voedselveiligheid te vergroten; verzoekt in dit verband de internationale gemeenschap met klem langetermijninvesteringen te doen in de landbouw, die de belangrijkste bron van voedsel en inkomen in de regio vormt, en in het opbouwen van een duurzame infrastructuur, en kleine boeren toegang te geven tot landbouwgrond, en daarmee de lokale markt te versterken en de bevolking in de Hoorn van Afrika te voorzien van aanvaardbaar dagelijks voedsel;

12.   vraagt om transparantere, betere en meer actuele informatie over de voedselreserves en -voorraden en over de prijsvorming op internationaal niveau;

13.   verlangt dat de lidstaten ervoor zorgen dat financiële instellingen die op de termijnmarkten voor voedings- en landbouwproducten speculeren, hun abusieve speculatieve activiteiten die de voedselprijzen opdrijven en destabiliseren, staken en de aanpak van armoede en menselijk lijden in the Hoorn van Afrika en overal in de ontwikkelingsgebieden laten voorgaan op winsten en baten uit speculatie met voedselprijzen;

14.   vraagt die instellingen met klem hun verplichtingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen serieus te nemen en interne regels in te voeren die ervoor kunnen zorgen dat zij hun activiteiten op de termijnmarkten van voedings- en landbouwproducten beperken tot wat dienstig is voor zakendoen in de werkelijke economie waar behoefte kan bestaan aan risicoafdekking;

15.   maant de G20 tot grotere inspanningen om tot overeenstemming te komen over wereldwijde regulatie ter voorkoming van abusieve speculatie en de coördinatie op zich te nemen van de uitwerking van preventiemechanismen tegen buitensporige schommelingen in de wereldwijde voedselprijzen; benadrukt dat de G20 ook landen die niet tot de G20 behoren daarbij moet betrekken om wereldwijde convergentie te waarborgen;

16.   verzoekt de Commissie om voorstellen tot wijziging van de richtlijn inzake de markten voor financiële instrumenten (2004/39/EG) en de richtlijn inzake marktmisbruik (2003/6/EG), teneinde abusieve speculatie tegen te gaan;

17.   wijst erop dat de Europese Autoriteit voor effecten en markten (European Securities and Markets Authority, ESMA) een doorslaggevende rol moet spelen in het toezicht op de termijnmarkten voor grondstoffen; stelt dat de ESMA haar reguleringsinstrumenten met de nodige waakzaamheid moet hanteren, om manipulatie en misbruik op de termijnmarkten voor voedings- en landbouwproducten te voorkomen;

18.   verzoekt de Commissie haar richtsnoeren in de sector bodembeleid op het punt van grondtoe-eigening bij te werken, en deze in overeenstemming te brengen met de door de CFS geïnstigeerde Vrijwillige richtsnoeren voor verantwoord beheer van bodemgebruik, visserij en bosbouw, en deze meer gewicht te geven via de samenwerkingsprogramma's, handelspolitieke maatregelen en de betrokkenheid van de CFS bij multilaterale financiële instellingen als de Wereldbank en het IMF;

19.   verzoekt de Commissie en de regeringen in de regio te analyseren welke gevolgen de verkoop van landbouwgrond heeft voor de door armoede en honger getroffen plattelandsgebieden; verzoekt de Commissie het thema grondtoe-eigening aan te snijden in haar beleidsdialoog met ontwikkelingslanden, het rapporteren en monitoren van grootschalige grondaankopen te verbeteren en ontwikkelingslanden bij te staan in hun besluitvorming over investeringen;

20.   dringt aan op aanzienlijke inspanningen om aanpassing aan de klimaatverandering beter te integreren in het ontwikkelingsbeleid van de EU; vraagt de EU de financiering daarvoor fors te verhogen en ervoor te zorgen dat deze een aanvulling vormt op de officiële ontwikkelingshulp, een krachtig leiderschap aan de dag te leggen in de komende COP 17 waar het gaat om een betere invulling van beleidsmaatregelen op het gebied van aanpassing aan de klimaatverandering en de internationale aansturing van duurzaam ontwikkelingsbeleid te versterken;

21.   verzoekt de VN, de Commissie en de HV/VV actie te ondernemen tegen het illegaal dumpen van giftig afval in Somalische wateren en een beleid uit te stippelen om de mogelijke gezondheidsrisico's voor de bevolking weg te nemen;

22.   is verontrust over recente berichten dat officiële ontwikkelingshulp in Ethiopië zou worden misbruikt voor politieke onderdrukking; verzoekt de EU en haar lidstaten erop toe te zien dat de steun uitsluitend wordt gebruikt, op verantwoorde en doorzichtige wijze, voor verlichting van de armoede en daarbij volledig gebruik te maken van de mensenrechtenclausules van de Overeenkomst van Cotonou;

23.   verzoekt de Commissie herdersvolkeren beter op te nemen in het ontwikkelingsbeleid van de EU, aangezien zij voor een belangrijk deel van de economische activiteit en de eiwitproductie in de regio zorgen; is ervan overtuigd dat dringend met plaatselijke instanties moet worden overlegd om hun levenswijze veilig te stellen, in het besef dat hun nomadenbestaan goed past in droge gebieden waar de omstandigheden niet geschikt zijn voor het leven in vaste nederzettingen;

24.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Veiligheidsraad en de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de instellingen van de Afrikaanse Unie, de regeringen en parlementen van de IGAD-landen, het Pan-Afrikaanse Parlement, de Parlementaire Vergadering ACS-EU, het voorzitterschap van de G20 en de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0071 .


Het standpunt en het engagement van de EU in het vooruitzicht van de VN-vergadering op hoog niveau inzake de voorkoming en beheersing van niet-overdraagbare ziekten
PDF 121k   DOC 74k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2011 over het standpunt en het engagement van de Europese Unie in het vooruitzicht van de VN-vergadering op hoog niveau inzake de voorkoming en beheersing van niet overdraagbare ziekten
P7_TA(2011)0390 B7-0488 , en 0489/2011

Het Europees Parlement ,

–   gezien het actieplan voor een mondiale strategie voor de preventie en bestrijding van niet-overdraagbare ziekten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor de periode 2008-2013(1) ,

–   gezien de resolutie van de WHO van 11 september 2006 over de preventie en controle van niet-overdraagbare ziekten in de Europese regio van de WHO(2) ,

–   gezien VN-resolutie 64/265 over de preventie en controle van niet-overdraagbare ziekten van oktober 2010(3) ,

–   gezien de verklaring van Moskou over gezonde levensstijlen en de controle van niet-overdraagbare ziekten van april 2011(4) ,

–   gezien de resolutie van de algemene vergadering van de WHO over niet-overdraagbare ziekten van mei 2011(5) ,

–   gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN over de preventie en controle van niet-overdraagbare ziekten(6) ,

–   gezien het WHO-verslag over mondiale surveillance, preventie en controle van chronische aandoeningen van de luchtwegen uit 2008(7) ,

–   gezien de verklaring van Parma en de in maart 2011 door de lidstaten van de Europese regio van de WHO aangenomen „verbintenis te handelen”(8) ,

–   gezien de verklaring van Asturië van de WHO uit 2011(9) ,

–   gezien het in november 2006 aangenomen Europees Handvest inzake de bestrijding van obesitas(10) ,

–   gezien artikel 168 en 179 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–   gezien artikel 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien zijn resolutie van 1 februari 2007 over het bevorderen van gezonde voeding en lichaamsbeweging: een Europese dimensie voor de preventie van overgewicht, obesitas en chronische ziekten, een Europese dimensie voor de preventie van overgewicht, obesitas en chronische ziekten(11) en zijn resolutie van 25 september 2008 over het Witboek over aan voeding, overgewicht en obesitas gerelateerde gezondheidskwesties(12) ,

–   gezien zijn resolutie van 12 juli 2007 over acties ter bestrijding van hart- en vaatziekten(13) , zijn resolutie van 10 april 2008 over kankerbestrijding in de uitgebreide Europese Unie(14) , en zijn verklaring van 27 april 2006 over diabetes(15) ,

–   gezien zijn resolutie van 4 september 2008 over de tussentijdse evaluatie van het Europese actieplan voor milieu en gezondheid 2004-2010(16) ,

–   gezien Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het Zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap(17) ,

–   gezien zijn resolutie van 11 november 2010 over demografische vraagstukken en solidariteit tussen de generaties(18) en van 8 maart 2011 over verkleining van de ongelijkheid op gezondheidsgebied in de EU(19) ,

–   gezien zijn resoluties van 6 mei 2010 over de mededeling van de Commissie over kankerbestrijding: een Europees partnerschap(20) , en over het Witboek van de Commissie „Aanpassing aan de klimaatverandering: naar een Europees actiekader”(21) ,

–   gezien Besluit nr. 2004/513/EG van de Raad van 2 juni 2004 betreffende de sluiting van de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik(22) ,

–   gezien de conclusies van de Raad over hartgezondheid uit 2004(23) ,

–   gezien Besluit nr. 1350/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 tot vaststelling van een tweede communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2008-2013)(24) ,

–   gezien Besluit nr. 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013)(25) ,

–   gezien de conclusies van de Raad van 7 december 2010 over innovatieve benaderingen van chronische ziekten in de volksgezondheid en de zorgstelsels(26) ,

–   gezien de conclusies van de Raad over „Gemeenschappelijke waarden en beginselen in de zorgstelsels van de Europese Unie” van 22 juni 2006 en de conclusies van de Raad „Naar moderne, reactieve en duurzame zorgstelsels” van 6 juni 2011(27) ,

–   gezien de conclusies van de Raad over „de rol van de EU ten aanzien van de volksgezondheid in de wereld” van 10 mei 2010(28) ,

–   gezien artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat volgens de WHO 86% van de sterfgevallen in Europa wordt veroorzaakt door niet-overdraagbare ziekten,

B.   overwegende dat hart- en vaatziekten, aandoeningen van de luchtwegen, kanker en diabetes de vier meest voorkomende niet-overdraagbare ziekten zijn; overwegende dat andere belangrijke niet-overdraagbare ziekten niet mogen worden verwaarloosd,

C.   overwegende dat hart- en vaatziekten de belangrijkste doodsoorzaak zijn, met meer dan 2 miljoen sterfgevallen per jaar; overwegende dat coronaire hartziekten en beroerten de meest voorkomende hart- en vaatziekten zijn, die respectievelijk verantwoordelijk zijn voor meer dan een derde (te weten 741 000) en iets meer dan een vierde (te weten 508 000) van alle door hart- en vaatziekten veroorzaakte sterfgevallen,

D.   overwegende dat kanker de op één na meest voorkomende doodsoorzaak is, met een prevalentie in de bevolking van 3-4%, oplopend tot 10-15% op oudere leeftijd; en overwegende dat elk jaar naar schatting bij 2,45 miljoen personen in de EU kanker wordt vastgesteld en er 1,23 miljoen sterfgevallen worden geregistreerd; overwegende dat de prevalentie van kanker bij kinderen toeneemt met meer dan 1% per jaar in Europa,

E.   overwegende dat miljoenen mensen in Europa last hebben van te voorkomen chronische aandoeningen van de luchtwegen, zoals astma en bronchitis en chronic obstructive pulmonary disease (COPD),

F.   overwegende dat er op EU-niveau geen strategie of initiatief bestaat dat gericht is op diabetes (type 1 en type 2), waaraan naar schatting meer dan 32 miljoen EU-burgers lijden, met een even hoog aantal mensen dat lijdt aan verminderde glucosetolerantie die zeer waarschijnlijk zal leiden tot klinisch manifeste diabetes; overwegende dat deze cijfers tegen 2030 naar verwachting zullen stijgen met 16% ten gevolge van de obesitasepidemie, de vergrijzing van de Europee bevolking en andere factoren die nog in kaart moeten worden gebracht en waarvoor meer onderzoek nodig is,

G.   overwegende dat vier risicofactoren gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de meerderheid van de niet-overdraagbare ziekten: tabaksgebruik, slechte eetgewoonten, alcoholgebruik en gebrek aan lichaamsbeweging, terwijl blootstelling aan milieuvervuilende stoffen als een vijfde belangrijke factor moet worden beschouwd,

H.   overwegende dat tabaksgebruik de belangrijkste te voorkomen doodsoorzaak is en dodelijk is voor één op de twee langdurige tabaksgebruikers,

I.   overwegende dat alcoholgebruik, onevenwichtige eetgewoonten, milieuvervuiling en een gebrek aan lichaamsbeweging aanzienlijk kunnen bijdragen tot een verhoogd risico op de ontwikkeling van hart- en vaatziekten, kanker en diabetes,

J.   overwegende dat steeds meer erkend wordt dat lichaamsbeweging een belangrijke rol speelt in de preventie van niet-overdraagbare ziekten,

K.   overwegende dat zeven risicofactoren voor vroegtijdig overlijden (hoge bloeddruk, hoog cholesterolpeil, hoge body mass index, onvoldoende consumptie van fruit en groente, gebrek aan lichaamsbeweging, overdadig alcoholgebruik, roken) verband houden met gewoonten op het gebied van voeding en lichamelijke activiteit,

L.   overwegende dat de meerderheid van de chronische niet-overdraagbare ziekten kan worden voorkomen, met name door vermindering of vermijding van de belangrijkste risicofactoren, zoals roken, slechte eetgewoonten, te weinig lichaamsbeweging, alcoholgebruik en blootstelling aan bepaalde chemische stoffen; overwegende dat een effectief milieubeleid, met inbegrip van de handhaving van bestaande wetgeving en handhaving van bestaande normen, aanzienlijke preventieve mogelijkheden schept,

M.   overwegende dat bij de ontwikkeling van strategieën voor preventie en vroege opsporing ook rekening moet worden gehouden met bijkomende factoren als leeftijd, gender, genetische achtergrond en fysiologische omstandigheden, inclusief obesitas,

N.   overwegende dat de meerderheid van de niet-overdraagbare ziekten gemeenschappelijke symptomen hebben, zoals chronische pijn en geestelijke gezondheidsproblemen, die directe gevolgen hebben voor de patiënten en hun levenskwaliteit, en die met een gemeenschappelijke, horizontale benadering aangepakt zouden moeten worden, zodat zorgstelsels deze ziekten kostenefficiënter kunnen bestrijden,

O.   overwegende dat er te weinig gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheden om ziekten te voorkomen, hoewel is aangetoond dat op de gehele bevolking gerichte strategieën ter voorkoming van niet-overdraagbare ziekten de kosten op consistente wijze verlagen,

P.   overwegende dat 97% van de uitgaven voor de gezondheidszorg wordt uitgegeven aan behandelingen, maar dat slechts 3% wordt geïnvesteerd in preventie, en overwegende dat de kosten voor de behandeling van niet-overdraagbare ziekten sterk stijgen in verband met de beschikbaarheid van diagnoseapparatuur en behandelingen,

Q.   overwegende dat de WHO de toename van de niet–overdraagbare ziekten als epidemisch bestempelt en er vanuit gaat dat deze ziekten tegen 2030 52 miljoen mensen het leven zullen kosten,

R.   overwegende dat het World Economic Forum en the Harvard School of Public Health gegevens hebben gepubliceerd waarin geschat wordt dat niet-overdraagbare ziekten een verlies van economische output zullen veroorzaken ter hoogte van €25 triljoen over de periode van 2005 tot 2030,

S.   overwegende dat niet-overdraagbare ziekten de Europa 2020-strategie kunnen dwarsbomen en mensen het recht kunnen ontzeggen op een gezond leven, alsmede het recht op een productief leven,

T.   overwegende dat een centrale rol is weggelegd voor de EU bij het bespoedigen van vooruitgang betreffende wereldwijde gezondheidsproblemen, inclusief de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling voor gezondheid en niet-overdraagbare ziekten, als aangegeven in de conclusies van de Raad over de rol van de EU ten aanzien van de volksgezondheid in de wereld,

U.   overwegende dat sommige factoren voor niet-overdraagbare ziekten zonder twijfel samenhangen met mondiale problemen zoals milieuvervuiling en bijgevolg moeten worden aangepakt op mondiaal niveau; overwegende dat andere aspecten kunnen worden aangepakt op nationaal of regionaal niveau, overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel,

V.   overwegende dat prenatale omstandigheden, inclusief blootstelling aan milieuverontreiniging, levenslange gevolgen hebben voor vele aspecten van volksgezondheid en welzijn, met name de mate van waarschijnlijkheid van het ontwikkelen van aandoeningen aan de luchtwegen, en het waarschijnlijker kunnen maken dat mensen kanker en diabetes krijgen,

W.   overwegende dat de EU, hoewel mensen nu gemiddeld langer en gezonder leven dan vorige generaties, in de context van de vergrijzende bevolking en het nieuwe fenomeen van de „oldest old”, kampt met een epidemie van chronische ziekten en multimorbiditeit, alsmede met een bedreiging van en verhoogde druk op de duurzaamheid van de nationale zorgstelsels,

X.   overwegende dat sociaaleconomische factoren ook belangrijke determinanten zijn voor de gezondheid en dat er grote verschillen bestaan in gezondheid tussen en binnen de lidstaten,

Y.   overwegende dat het tekort aan zorgmedewerkers in Europa - artsen, verpleegsters, tandartsen, apothekers en fysiotherapeuten -, tegen 2020 naar schatting één miljoen zal bedragen,

Z.   overwegende dat sociale en milieufactoren duidelijk moeten worden geïdentificeerd als bepalende factoren voor de gezondheidstoestand, aangezien elk jaar bijvoorbeeld 1,6 miljoen mensen sterven als gevolg van luchtvervuiling binnenshuis, en dit dus een belangrijke milieufactor is die de gezondheid bedreigt in Europa en leidt tot een aanzienlijke vermindering van de levensverwachting en de productiviteit,

AA.   overwegende dat EU-burgers bezorgd zijn over de mogelijke gevolgen van het milieu op hun gezondheid, waarbij ze zich de meeste zorgen maken over de mogelijke gevolgen van gevaarlijke stoffen; overwegende dat fijnstof jaarlijks verantwoordelijk wordt geacht voor de dood van 455.000 mensen die lijden aan cardiorespiratoire aandoeningen in de 27 EU-lidstaten,

1.   dringt aan op een sterk politiek engagement van de Commissie en EU-lidstaten dat getuigt van het belang en de ernst van de mondiale epidemie van niet-overdraagbare aandoeningen;

2.   dringt er bij de EU op aan te pleiten voor een ambitieuze doelstelling om de te voorkomen mortaliteit te verlagen, zoals bijvoorbeeld de WHO-doelstelling om de nationale mortaliteit tegen 2025 ten opzichte van de cijfers van 2010 te verlagen met 25%;

3.  roept de EU en de EU-lidstaten op de volgende vijf essentiële verplichtingen vast te stellen en op te nemen in de politieke verklaring van de VN-vergadering op hoog niveau inzake niet-overdraagbare ziekten in september 2011:

   de vermindering van te voorkomen mortaliteit als gevolg van niet-overdraagbare aandoeningen met 25% tegen 2025, zoals voorgesteld door de WHO,
   de uitvoering van kostenefficiënte en kostenbesparende interventies, inclusief een snellere tenuitvoerlegging van de WHO-kaderovereenkomst voor de bestrijding van tabaksgebruik, een betere toegang tot en bevordering van gezonde voeding, de effectieve bestrijding van overmatig alcoholgebruik en toegang tot en bevordering van lichaamsbeweging, alsmede de terugdringing van de blootstelling aan milieuverontreiniging, inclusief hormoonontregelende stoffen en andere blootstelling aan milieuvervuilende stoffen, voor de gehele bevolking,
   monitoring van de mortaliteit tengevolge van niet-overdraagbare ziekten en de meest voorkomende risicofactoren voor niet-overdraagbare ziekten,
   de ontwikkeling van mondiale en nationale verantwoordingsmechanismen voor alle belangrijke betrokkenen,
   aangaan van een partnerschap op hoog niveau in 2012 voor de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen en de organisatie in 2014 van een bijeenkomst op hoog niveau om te evalueren in hoeverre de afspraken zijn nagekomen;

4.   dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de politieke verklaring ten uitvoer te leggen die zal worden opgesteld na de vergadering op hoog niveau, waaraan zal worden deelgenomen door alle relevante EU-agentschappen en -instellingen om de uitdagingen op het gebied van niet-overdraagbare ziekten aan te gaan;

5.   dringt er bij de EU en de lidstaten op aan de primaire preventie van, onderzoek naar en vroegtijdige diagnose en de behandeling van de vier meest voorkomende niet-overdraagbare ziekten (hart- en vaatziekten, aandoeningen van de luchtwegen, kanker en diabetes) op te schalen, zonder andere belangrijke niet-overdraagbare ziekten te verwaarlozen, bijvoorbeeld geestelijke en neurologische aandoeningen, met inbegrip van de ziekte van Alzheimer; benadrukt het feit dat het belangrijk is mensen die een hoog risico lopen deze ziekten te ontwikkelen of eraan te sterven, die lijden aan vooraf bestaande aandoeningen of chronische en ernstige ziekten of die onderhevig zijn aan risicofactoren die de niet-overdraagbare ziekten verergeren, vroeg op te sporen;

6.   benadrukt dat er een geïntegreerde en holistische patiëntgerichte benadering nodig is van de gezondheidstoestand op lange termijn, met inbegrip van ziektepreventie en gezondheidsbevordering, vroegtijdige diagnose, monitoring en voorlichting, alsmede bewustmakingscampagnes voor de bevolking met betrekking tot risicofactoren, vooraf bestaande aandoeningen en ongezonde gewoonten (tabaksgebruik, slechte voeding, gebrek aan fysieke activiteit en consumptie van alcohol) en coördinatie van ziekenhuisbehandeling en mantelzorg;

7.   dringt erop aan dat er al in een vroeg stadium preventieve strategieën ten uitvoer worden gelegd voor niet-overdraagbare ziekten; benadrukt het feit dat in scholen meer onderwijs op het gebied van gezonde gewoonten inzake voeding en lichamelijke activiteit moet worden verstrekt; merkt op dat mondiaal toereikende middelen voor dit opvoedkundig werk ter beschikking moeten worden gesteld;

8.   merkt op dat beleid dat gericht is op het beïnvloeden van gedrags-, sociale, economische en milieufactoren die verband houden met niet-overdraagbare ziekten snel en volledig moet worden uitgevoerd om de doeltreffendste respons op deze ziekten te garanderen, waarbij tegelijkertijd de levenskwaliteit wordt verhoogd en de gezondheidsverschillen worden verkleind;

9.   erkent dat de nadruk van chronische zorgmodellen op de geavanceerde chronische toestand moet worden verlegd naar het begeleiden van mensen in een vroeg stadium van hun niet-overdraagbare aandoening, met als uiteindelijke doel niet alleen het behandelen van ziekten maar ook het verbeteren van de prognose voor patiënten die lijden aan chronische aandoeningen; benadrukt tegelijk het feit dat palliatieve zorg belangrijk is;

10.   is verheugd over de nadruk die eerdere EU-voorzitterschappen hebben gelegd op preventie en controle van chronische niet-overdraagbare ziekten, o.a. het Spaanse voorzitterschap over hart- en vaatziekten en het Poolse voorzitterschap over „Chronische aandoeningen van de luchtwegen bij kinderen” en „Gezondheidssolidariteit – het dichten van de kloof tussen de EU-lidstaten”

11.   dringt erop aan dat er duidelijke protocollen en op wetenschappelijk bewijs gebaseerde richtsnoeren moeten worden opgesteld voor de meest voorkomende niet-overdraagbare ziekten om ervoor te zorgen dat patiënten op gepaste wijze worden behandeld in alle medische zorgberoepen, inclusief specialisten, eerstelijnsgezondheidszorg en gespecialiseerde verpleegkundigen;

12.   benadrukt dat er op alle niveaus onderzoek en voorlichting nodig is op het gebied van chronische ziekten, met name wat betreft de vier meest voorkomende niet-overdraagbare ziekten, zonder de andere belangrijk niet-overdraagbare ziekten te verwaarlozen, en de beperking van de risicofactoren, interventies van de gezondheidzorg in het algemeen en interacties tussen bronnen van verontreiniging en gevolgen voor de gezondheid, met multidisciplinaire samenwerking op het gebied van niet-overdraagbare ziekten als onderzoeksprioriteit in die gebieden en landen die over voldoende middelen beschikken;

13.   dringt er sterk bij de lidstaten op aan zich te houden aan de luchtkwaliteitsnormen en de WHO-richtsnoeren voor luchtkwaliteit binnens- en buitenshuis na te leven, alsmede de verklaring van Parma van 2010 en de „verbintenis te handelen”, waarin bepaald wordt dat de gevolgen voor de gezondheid van de klimaatverandering moeten worden bestreden;

14.   benadrukt dat de richtlijn betreffende tabaksproducten onmiddellijk en daadwerkelijk moet worden herzien;

15.   onderstreept dat het belangrijk is dat de EU en de lidstaten preventie en vermindering van risicofactoren verder opnemen in alle relevante wetgevings- en beleidsterreinen, en met name in hun milieu-, levensmiddelen- en consumentenbeleid, om zo de doelstellingen met betrekking tot niet-overdraagbare ziekten te verwezenlijken en de uitdagingen op het vlak van volksgezondheid en op sociaal en economisch vlak aan te gaan;

16.   erkent dat, in overeenstemming met artikel 168 van het VWEU, maatregelen met betrekking tot de gezondheidszorg voornamelijk tot de verantwoordelijkheid van de lidstaten behoren, maar benadrukt dat het belangrijk is om een EU-strategie vast te stellen inzake chronische niet-overdraagbare ziekten, gevolgd door een aanbeveling van de Raad, met afzonderlijke afdelingen over de vier meest voorkomende niet-overdraagbare ziekten, en tevens rekening houdend met genderspecifieke aspecten, in samenwerking met de relevante belanghebbenden, met inbegrip van patiënten en medisch personeel;

17.   verzoekt de lidstaten tegen 2013 nationale plannen voor niet-overdraagbare ziekten op te stellen, met name voor de vier meest voorkomende niet-overdraagbare ziekten, met middelen die in verhouding staan tot de gevolgen van deze ziekten, alsmede een mondiaal coördinatiemechanisme op te zetten voor acties op het gebied van niet-overdraagbare ziekten;

18.   merkt op dat de tenuitvoerlegging van nationale plannen op het gebied van niet-overdraagbare ziekten, in combinatie met effectievere preventie, diagnose en behandeling van niet-overdraagbare ziekten en risicofactoren zoals vooraf bestaande aandoeningen of chronische en ernstige ziekten, de gevolgen van deze ziekten aanzienlijk zou kunnen beperken en zo zou kunnen bijdragen tot handhaving van de duurzaamheid van nationale zorgstelsels;

19.   roept de Commissie op blijvend toezicht te houden op en verslag uit te brengen over de vooruitgang in de EU op het vlak van de tenuitvoerlegging door de lidstaten van hun nationale plannen met betrekking tot niet-overdraagbare ziekten, en met name betreffende de vier meest voorkomende niet-overdraagbare ziekten, en hierbij de nadruk te leggen op de vooruitgang die wordt geboekt op het vlak van preventie, vroegtijdige opsporing, behandeling en onderzoek;

20.   roept de lidstaten op maatregelen te nemen om de hoeveelheid gezondheidswerkers die opgeleid zijn en daadwerkelijk tewerkgesteld zijn in de gezondheidszorg te verhogen om de door niet-overdraagbare ziekten veroorzaakte werklast op een effectievere manier aan te kunnen;

21.   benadrukt dat er behoefte is aan consistentie en een gezamenlijke aanpak in de politieke verklaring van de VN en de lopende maatregelen van de EU-Raad en de Commissie, o.a. het denkproces over chronische ziekten;

22.   verzoekt de Commissie de mogelijkheid te overwegen en onderzoeken om de bevoegdheden van het Europees Centrum voor ziektepreventie en –bestrijding (ECDC) zodanig uit te breiden dat ook de niet-overdraagbare ziekten eronder vallen en het centrum te gebruiken als centrum voor de verzameling van gegevens en het ontwikkelen van aanbevelingen over niet-overdraagbare ziekten, en op die manier beleidsmakers, wetenschappers en artsen te voorzien van gegevens over beste praktijken en meer kennis over niet-overdraagbare ziekten;

23.   benadrukt dat er prioriteiten moeten worden gesteld om gegevens centraal te verzamelen om ervoor te zorgen dat er vergelijkbare gegevens beschikbaar zijn die een betere planning en betere aanbevelingen in de gehele EU mogelijk maken;

24.   dringt erop aan tegen 2014 de uitvoering van de politieke verklaring van de VN volledig te herzien;

25.   roept de lidstaten en de Commissie op ervoor te zorgen dat een delegatie op hoog niveau de VN-vergadering op 19 en 20 september 2011 bijwoont en er een ambitieus en gecoördineerd EU-standpunt presenteert;

26.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de HV/VV, de regeringen en de parlementen van de lidstaten, de EU-ambassadeur bij de VN, de secretaris-generaal van de VN en de directeur-generaal van de WHO.

(1) http://whqlibdoc.who.int/publications/2009/9789241597418_eng.pdf
(2) http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0004/77575/RC56_eres02.pdf
(3) http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/RES/64/265&Lang=E
(4) http://www.un.org/en/ga/president/65/issues/moscow_declaration_en.pdf
(5) http://apps.who.int/gb/ebwha/pdf_files/WHA64/A64_R11-en.pdf
(6) http://www.un.org/ga/search/view_doc.asp?symbol=A/66/83&Lang=E
(7) http://www.who.int/gard/publications/GARD%20Book%202007.pdf
(8) http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0011/78608/E93618.pdf
(9) http://www.iarc.fr/en/media-centre/iarcnews/2011/asturiasdeclaration.php
(10) http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0009/87462/E89567.pdf
(11) PB C 250 E van 25.10.2007, blz. 93.
(12) PB C 8 E van 14.1.2010, blz. 97.
(13) PB C 175 E van 10.7.2008, blz. 561.
(14) PB C 247 E van 15.10.2009, blz. 11.
(15) PB C 296 E van 6.12.2006, blz. 273.
(16) PB C 295 E, van 4.12.2009, blz. 83.
(17) PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.
(18) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0400 .
(19) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0081 .
(20) PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 95.
(21) PB C 81 E van 15.3.2011, blz. 115.
(22) http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2004:213:0008:0024:EN:PDF
(23) www.consilium.europa.eu/uedocs/NewsWord/en/lsa/80729.doc
(24) http://eur-lex.europa.eu/LexUriServ/LexUriServ.do?uri=OJ:L:2007:301:0003:0013:en:PDF
(25) http://cordis.europa.eu/documents/documentlibrary/90798681EN6.pdf
(26) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/lsa/118282.pdf
(27) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/lsa/122395.pdf
(28) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_Data/docs/pressdata/EN/foraff/114352.pdf


Beleid van de EU ten aanzien van de ITU-Wereldradiocommunicatieconferentie 2012 (WRC-12)
PDF 79k   DOC 38k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2011 over het beleid van de Europese Unie ten aanzien van de Wereldradiocommunicatieconferentie 2012 van de ITU (WRC-12)
P7_TA(2011)0391 B7-0480/2011

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie COM (2011)0180 van 6 april 2011 over het beleid van de Europese Unie ten aanzien van de ITU-Wereldradioconferentie 2012 (WRC-12),

–   gezien de agenda van de WRC-12 van de ITU,

–   gezien de in de EU 2020-strategie opgenomen digitale agenda,

–   gezien het advies van de Beleidsgroep Radiospectrum over gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen voor de WRC-12,

–   gezien zijn standpunt over het programma voor het radiospectrumbeleid dat op 11 mei 2011 werd aangenomen(1) ,

–   gezien de conclusies van de Raad Vervoer, Telecommunicatie en Energie van 27 mei 2011 over de WRC-12,

–   gezien artikel 8 bis, lid 4, en artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2009/140/EG van 25 november 2009 tot wijziging van Richtlijn 2002/21/EG van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische communicatienetwerken en -diensten,

–   gezien artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de conferentie van 2012 zal worden afgerond met de goedkeuring van de wijzigingen op de voorschriften van de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU),

B.   overwegende dat de EU-lidstaten ervoor moeten zorgen dat de internationale overeenkomsten waarbij zij in het kader van de ITU partij zijn in overeenstemming zijn met bestaande EU-wetgeving, met name met de desbetreffende regels en beginselen van het regelgevingskader van de EU voor elektronische communicatie,

C.   overwegende dat het spectrum een schaars openbaar goed vormt dat voor een groeiend aantal sectoren van cruciaal belang is,

D.   overwegende dat met name draadloze breedband- en communicatiediensten belangrijke stimulansen vormen voor groei en Europese concurrentiekracht op mondiaal niveau, zoals ook wordt benadrukt in de digitale agenda voor Europa,

E.   overwegende dat Europa alleen in staat zal zijn om het potentieel van een digitale economie volledig te benutten door een goed functionerende interne digitale markt te creëren met gelijke voorwaarden in de gehele Unie,

F.   overwegende dat het op geharmoniseerde wijze vrijmaken van extra spectrumruimte op mondiaal en Europees niveau een belangrijke manier is om capaciteitsproblemen van mobiele netwerken te verhelpen en om nieuwe diensten en economische groei te bevorderen,

G.   overwegende dat een belangrijk onderwerp van deze conferentie de beschikbaarheid van radiospectrum betreft en met name het digitale dividend in de 800 MHz-band,

H.   overwegende dat diverse andere onderwerpen van belang zijn voor EU-beleid (informatiemaatschappij, vervoer, ruimtevaartbeleid, Galileo, internationale markt, milieu, audiovisueel beleid, onderzoek),

I.   overwegende dat op elke Wereldradiocommunictieconferentie de agenda voor de volgende conferentie wordt vastgesteld,

1.   verwelkomt de mededeling van de Commissie en schaart zich achter de analyse inzake de grote effecten van de WRC-12 op het beleid van de EU;

2.   is van mening dat de EU in multilaterale onderhandelingen met één stem moet spreken, teneinde haar belangen te verdedigen en mondiale synergieën en schaalvoordelen te creëren ten aanzien van spectrumgebruik; dringt er in dit verband met klem bij de lidstaten op aan deze beleidsoriëntaties volledig te ondersteunen en op de WRC-12 actief te bevorderen en verdedigen; is voorts van mening dat de lidstaten, zolang de Commissie niet gerechtigd is binnen de ITU uit naam van de EU te spreken, nauw moeten samenwerken om, samen met de Commissie, tot een gemeenschappelijk Uniestandpunt te komen op basis van het programma voor het radiospectrumbeleid;

3.   wijst op de 25 afzonderlijke agendaonderwerpen van de WRC-12 en het mogelijke effect hiervan op het beleid en de doelstellingen van de EU;

4.   dringt er bij de lidstaten op aan deze doelstellingen veilig te stellen en zich te verzetten tegen eventuele wijzigingen van de radiovoorschriften van de ITU die het toepassingsgebied en de essentie ervan zouden beïnvloeden; verzoekt de Commissie in dit verband te waarborgen dat de in het EU-verdrag en het acquis communautaire vastgelegde beginselen worden geëerbiedigd;

5.   is van mening dat de Commissie de lidstaten met technische en politieke steun moet bijstaan in hun bilaterale en multilaterale besprekingen met derde landen en met de lidstaten moet samenwerken wanneer over internationale overeenkomsten wordt onderhandeld, met name wanneer het overeenkomsten met aangrenzende derde landen betreft, aangezien zich hierbij problemen kunnen voordoen als gevolg van verschillende toewijzingsplannen;

6.   wijst nogmaals op zijn standpunt over het programma voor het radiospectrumbeleid en - in het bijzonder gelet op de studie van de ITU zelf naar behoeften op het gebied van geavanceerde internationale mobiele telecommunicatie (IMT) - op de noodzaak om voldoende en adequate spectrumruimte vrij te maken voor mobiel dataverkeer, oplopend tot ten minste 1200 MHz in het totaal in 2015, teneinde de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken en zo goed mogelijk te voorzien in de groeiende vraag naar mobiel dataverkeer; benadrukt dat eventuele nieuwe maatregelen transparant dienen te zijn, de concurrentie niet mogen verstoren noch nadelen mogen opleveren voor nieuwkomers op de telecommunicatiemarkt;

7.   dringt er bij de lidstaten op aan de inspanningen van de Commissie om dit belangrijke onderwerp op de agenda voor de volgende Wereldradiocommunicatieconferentie in 2016 te plaatsen, te ondersteunen; benadrukt in dit verband nogmaals dat de EU een inventaris moet opstellen van haar bestaande spectrumgebruik en de efficiëntie hiervan, zoals wordt voorgesteld in het programma voor het radiospectrumbeleid;

8.   dringt er nogmaals bij de lidstaten en de Commissie op aan te streven naar een ambitieuze harmonisatieagenda, overeenkomstig de conclusies van de ITU, en verzoekt de Commissie de noodzaak om extra spectrumband vrij te maken te evalueren en te herzien, daarbij rekening houdend met de ontwikkeling van spectrumtechnologieën, marktervaringen met nieuwe diensten, de mogelijke toekomstige behoeften op het gebied van terrestrische radio- en televisie-uitzendingen, en het tekort aan spectrum in andere bandbreedten die geschikt zijn voor draadloze breedbanddekking teneinde dit mogelijk te maken, afhankelijk van de noodzakelijke beslissingen die in 2012 en 2016 worden genomen;

9.   benadrukt dat draadloze breedbanddiensten aanzienlijk bijdragen aan economisch herstel en economische groei; wijst erop dat voldoende en op efficiënte wijze beheerd spectrum noodzakelijk is om in de groeiende vraag van consumenten te voorzien, zowel wat capaciteit als dekking betreft;

10.   is van mening dat een krachtigere Europese rol op het gebied van spectrumbeleid een sterkere formele positie van de EU binnen de ITU vergt en is er derhalve een warm voorstander van de status van de EU te heroverwegen tijdens de volgende plenipotentiaire conferentie van de ITU in 2014;

11.   onderstreept de noodzaak van samenwerking en coördinatie tussen de lidstaten om ervoor te zorgen dat de EU het potentieel van innovatiemogelijkheden op het gebied van radiospectrumtechnologieën ten volle kan benutten;

12.   acht het van groot belang dat de EU een leidende rol op zich neemt op het gebied van radiospectrumtechnologie en daarmee voor de rest van de wereld een voorbeeld van optimale werkwijze en cohesie vormt;

13.   onderstreept dat apparatuur die gebruik maakt van radiosprectrum kwetsbaar is voor cyberaanvallen en benadrukt de noodzaak van een gecoördineerde mondiale benadering om de cyberbeveiliging te versterken;

14.   verzoekt de Commissie om verslag uit te brengen over de resultaten van de WRC-12;

15.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, alsmede de regeringen en de parlementen van de lidstaten.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0220 .


Wit-Rusland: arrestatie van de mensenrechtenactivist Ales Bialatski
PDF 86k   DOC 42k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2011 over Belarus: de arrestatie van mensenrechtenactivist Ales Bialatski
P7_TA(2011)0392 B7-0496 , 0497 , 0498 , 0499 en 0500/2011

Het Europees Parlement ,

–   gezien zijn eerdere resoluties over Belarus, met name de resoluties van 12 mei 2011(1) , 10 maart 2011(2) , 20 januari 2011(3) en 17 december 2009(4) ,

–   gezien de conclusies over Belarus van de 3101ste bijeenkomst van de Raad Buitenlandse Zaken op 20 juni 2011,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948 en de verklaring van de Verenigde Naties over de verdedigers van de mensenrechten van december 1988,

–   gezien de resolutie van de Conferentie van internationale niet-gouvernementele organisaties van de Raad van Europa van 22 juni 2011 over de vrijheid van vergadering in de Republiek Belarus,

–   gezien de resolutie van de VN-Mensenrechtenraad van 17 juni 2011 waarin de schendingen van de mensenrechten vóór, tijdens en na de presidentsverkiezingen in Belarus worden veroordeeld en de Belarussische regering ertoe wordt opgeroepen de vervolging van oppositieleiders stop te zetten,

–   gezien de verklaring van Catherine Ashton, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, van 5 augustus 2011 over de arrestatie van de heer Ales Bialiatski in Belarus,

–   gezien artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat Belarus zich internationaal heeft verbonden tot naleving van de beginselen van het internationale recht en fundamentele waarden zoals democratie, de rechtsstaat en de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden,

B.   overwegende dat de heer Ales Bialiatski, mensenrechtenactivist, voorzitter van het mensenrechtencentrum Viasna en ondervoorzitter van de Internationale federatie voor de mensenrechten (FIDH), na een periode van opsluiting in het detentiecentrum van het Belarussische Ministerie van Binnenlandse Zaken op 4 augustus 2011 in Minsk werd gearresteerd op beschuldiging van grootschalige belastingontduiking („verduistering van aanzienlijke inkomsten”) en op 12 augustus 2011 uit hoofde van artikel 243, deel II, van het Belarussische strafwetboek werd aangeklaagd; overwegende dat hem een straf te wachten staat van ofwel maximum vijf jaar „vrijheidsbeperking”, ofwel drie tot zeven jaar opsluiting, en dat zijn bezittingen, met inbegrip van de gebouwen van waaruit Viasna geleid wordt, in beslag zullen worden genomen,

C.   overwegende dat ambtenaren van de dienst voor staatsveiligheid (KGB) en van het departement voor financieel onderzoek van het Landelijk Controlecomité het privé-eigendom van Ales Bialiatski in Minsk, zijn woning in Rakov en de kantoren van Viasna in Minsk zijn binnengevallen en er computers en andere voorwerpen in beslag hebben genomen,

D.   overwegende dat de rechter van een arrondissementsrechtbank in Minsk de aanvraag van Ales Bialiatski's advocaat om de mensenrechtenactivist onder persoonlijke borgtocht vrij te laten, op 16 augustus 2011 heeft afgewezen, en dat de duur van Ales Bialiatski's voorlopige hechtenis eerder die week met twee maanden is verlengd,

E.   overwegende dat de arrestatie volgde op de openbaarmaking door een aantal EU-lidstaten van details over Ales Bialiatski's bankrekeningen aan de Belarussische overheid; overwegende dat de Belarussische overheid voor het verkrijgen van deze informatie gebruik heeft gemaakt van de internationale samenwerking in het kader van een bilaterale overeenkomst over rechtsbijstand, en het systeem van internationale procedures en overeenkomsten inzake financiële transfers – bedoeld om terroristen en criminelen op te sporen – heeft misbruikt met als doel volledige controle te verwerven over de niet-gouvernementele organisaties van het maatschappelijk middenveld en de democratische oppositie in Belarus en met als doel de steun van de EU aan het maatschappelijk middenveld in Belarus in diskrediet te brengen,

F.   overwegende dat de Belarussische belastingsautoriteiten de bedragen op de rekening van de heer Bialiatski als zijn persoonlijke inkomsten hebben geïnterpreteerd en hem ervan hebben beschuldigd deze te verzwijgen,

G.   overwegende dat de Belarussische overheid voor nagenoeg alle mensenrechtenorganisaties in het land weigert om ze op nationaal niveau te registreren (het verzoek om registratie van Viasna werd de afgelopen jaren tot drie keer toe afgewezen); overwegende dat buitenlandse hulp aan niet-gouvernementele organisaties in Belarus (in het geval van Viasna gaat het om middelen ter ondersteuning van de slachtoffers van de grootschalige repressie door het Belarussische regime na de presidentsverkiezingen in december 2010) moet worden goedgekeurd door de Belarussische overheid, met als gevolg dat mensenrechtenactivisten gedwongen zijn rekeningen te openen in naburige landen om daadwerkelijk steun te kunnen bieden aan de vertegenwoordigers van het onafhankelijke maatschappelijk middenveld,

H.   overwegende dat mensenrechtenactivisten op wijdverbreide schaal systematisch gepest worden; overwegende dat er recentelijk berichten zijn opgedoken over de vervolging van verdedigers van de mensenrechten, journalisten en activisten die zich inzetten voor de vrijlating van Ales Bialiatski, in de vorm van arrestaties, opsluitingen, ondervragingen, oplegging van boetes en inbeslagneming van gedrukt materiaal; overwegende dat één van hen, Viktar Sazonau, momenteel in afwachting is van een proces,

I.   overwegende dat het geval van Ales Bialiatski deel uitmaakt van een groter patroon van permanente pesterijen jegens vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en mensenrechtenactivisten die al aan de gang zijn sinds de presidentsverkiezingen in december 2010 en tot een dramatische verslechtering van de situatie op het vlak van de mensenrechten en burgerlijke en politieke vrijheden in Belarus hebben geleid,

J.   overwegende dat een groot aantal leden van de oppositie, onder wie voormalige presidentskandidaten, journalisten en mensenrechtenactivisten, wegens hun deelname aan de vreedzame betogingen van 19 december 2010 in Minsk na afloop van de verkiezingen zijn opgepakt, beschuldigd van „het organiseren van massale onlusten” en tot buitensporig strenge straffen zijn veroordeeld, met name straffen gaande tot zeven jaar in gemiddeld of zwaar beveiligde strafkolonies; overwegende dat sommigen van hen naar verluidt fysieke en psychologische folteringen hebben ondergaan, geen aangepaste juridische en medische bijstand hebben gekregen of na een zware operatie zonder de nodige medische revalidatie naar de gevangenis zijn teruggestuurd,

1.   maakt zich ernstige zorgen over de verslechterende situatie van mensenrechtenactivisten in Belarus; keurt de recente arrestatie van en beschuldigingen tegen Ales Bialiatski, voorzitter van het mensenrechtencentrum Viasna, en het gebrek aan respect vanwege de Belarussische autoriteiten voor de grondrechten van vrijheid van vergadering en meningsuiting ten zeerste af;

2.   betreurt dat de Belarussische autoriteiten systematisch weigeren om onafhankelijke mensenrechtenorganisaties in het land rechtsstatus te verlenen zodat het voor hen onmogelijk is te functioneren, door repressieve wetten in te voeren waarmee het maatschappelijk middenveld het zwijgen wordt opgelegd en met criminele sancties te dreigen om mensenrechtenactivisten te intimideren;

3.   is gezien de strafexpeditie zonder weerga jegens het maatschappelijk middenveld in Belarus na de presidentsverkiezingen in december 2010 van mening dat het proces tegen Ales Bialiatski een politieke grond heeft en tot doel heeft zijn legitieme activiteiten als verdediger van de mensenrechten te belemmeren;

4.   eist dat Ales Bialiatski onvoorwaardelijk en ogenblikkelijk wordt vrijgelaten en dat het onderzoek en alle beschuldigingen tegen hem worden opgeheven;

5.   veroordeelt het optreden ten aanzien van het mensenrechtencentrum Viasna en vraagt de Belarussische overheid met aandrang een eind te maken aan alle vormen van pesterij jegens Ales Bialiatiski, Viasna, de werknemers van Viasna en alle andere mensenrechtenactivisten en organisaties van het maatschappelijk middenveld in het land, en de rechtsstaat te eerbiedigen;

6.   vraagt dat de Belarussische autoriteiten artikel 193, lid 1, van het strafwetboek van Belarus intrekken, aangezien dit artikel de organisatie van en deelname aan activiteiten van niet-geregistreerde openbare verenigingen verbiedt, en bijgevolg in strijd is met de internationale normen betreffende de vrijheid van vergadering en een schending inhoudt van de verbintenissen van Belarus jegens de OVSE en de VN;

7.   benadrukt dat wettelijke steun tussen de EU-lidstaten en Belarus geen instrument mag worden voor politieke vervolging en repressie;

8.   betreurt dat de Belarussische overheid het Belarussische recht en de internationale en bilaterale mechanismen doelbewust misbruikt heeft om haar doelen te bereiken;

9.   verzoekt de Belarussische autoriteiten om alle bepalingen van de verklaring van de Verenigde Naties over de verdedigers van de mensenrechten te eerbiedigen en de democratische beginselen, mensenrechten en fundamentele vrijheden in alle omstandigheden na te leven, overeenkomstig de Universele Verklaring van de rechten van de mens en de internationale en regionale mensenrechteninstrumenten die Belarus geratificeerd heeft;

10.   vraagt de Belarussische autoriteiten met aandrang de Belarussische wetgeving te hervormen, in het bijzonder voor wat de vrijheid van vergadering en meningsuiting betreft, ze in overeenstemming te brengen met de internationale normen, en de huidige wetgeving tot die tijd niet meer te misbruiken;

11.   vraagt de Raad, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger om meer druk uit te oefenen op de Belarussische autoriteiten en het visumverbod en de lijst met bevroren activa uit te breiden tot al wie betrokken is bij de arrestatie en vervolging van Ales Bialiatski;

12.   benadrukt dat de EU in het licht van de aanhoudende repressie zonder weerga van de oppositie en het maatschappelijk middenveld in Belarus steun moet verlenen aan de opbouw van de democratie in Belarus en nieuwe manieren moet vinden om het maatschappelijk middenveld en de onafhankelijke media in Belarus te helpen de bewustwording van de bevolking te bevorderen;

13.   vraagt dat het Oostelijk Partnerschap, dat op 28-29 september 2011 in Warschau een topbijeenkomst houdt, meer steun verleent aan en daadwerkelijk contact legt met de democratische oppositie en de organisaties van het maatschappelijk middenveld in Belarus, met als doel hun inspanningen ter veiligstelling van de democratie aan te moedigen en te versterken;

14.   eist dat de Belarussische overheid garandeert dat alle politieke gevangenen gepaste juridische en medische bijstand ontvangen, hen onvoorwaardelijk en ogenblikkelijk vrijlaat, alle beschuldigingen tegen hen intrekt en voor het volledige herstel van hun burgerrechten zorgt;

15.   beklemtoont dat eventuele verbintenissen van de EU ten aanzien van Belarus alleen maar mogelijk mogen zijn op voorwaarde dat Belarus belooft de democratische beginselen, mensenrechten en rechtsstaat te eerbiedigen, zoals vastgelegd in de tijdens de topbijeenkomst van het Oostelijk Partnerschap in Praag van 7 mei 2009 aangenomen gezamenlijke verklaring, die de Belarussische regering mede heeft ondertekend;

16.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de parlementaire vergaderingen van de OVSE en de Raad van Europa en de regering en het parlement van Belarus.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0244 .
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0099 .
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0022 .
(4) PB C 286 E van 22.10.2010, blz. 16.


Soedan: de situatie in Zuid-Kordofan en Blauwe Nijl
PDF 85k   DOC 41k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2011 over Soedan: de situatie in Zuid-Kordofan en het uitbreken van gevechten in Blauwe Nijl
P7_TA(2011)0393 B7-0501 , 0502 , 0503 , 0504 , 0506 en 0508/2011

Het Europees Parlement ,

–   gezien zijn voorgaande resoluties over Soedan,

–   gezien het alomvattend vredesakkoord (CPA) dat op 9 januari 2005 werd getekend,

–   gezien de verklaring van de Afrikaanse Unie van 31 januari 2011,

–   gezien de verklaring van de EU en haar lidstaten van 9 juli 2011 over de onafhankelijkheid van de republiek Zuid-Soedan,

–   gezien de verklaring van 6 september 2011 van Catherine Ashton, hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en vicevoorzitter van de Commissie over het uitbreken van gevechten in Blauwe Nijl en van 26 augustus 2011 over de situatie in Zuid-Kordofan,

–   gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 juni 2011,

–   gezien de verklaring van 26 augustus 2011 van commissaris Georgieva over de toegang van humanitaire hulp tot Zuid-Kordofan,

–   gezien de verklaring van 21 juni 2011 van Jerzy Buzek, Voorzitter van het Europees Parlement over de situatie in Abyei en Zuid-Kordofan,

–   gezien de verklaring van de Afrikaanse Unie van 20 augustus 2011 over de overeenkomst tussen de regering van Soedan en de regering van Zuid-Soedan inzake de missie ter ondersteuning van het grenstoezicht,

–   gezien het voorlopig verslag (augustus 2011) van het VN-bureau van de Hoge Commissaris voor de rechten van de mens inzake schending van de internationale mensenrechten en de humanitaire wetgeving in Zuid-Kordofan in de periode 5 t/m 30 juni 2011,

–   gezien het op 28 juni 2011 ondertekende kaderakkoord over politieke en veiligheidsregelingen in Blauwe Nijl en Kordofan,

–   gezien de verklaring van 2 september 2011 van VN-secretaris-generaal Ban Ki-Moon waarin wordt opgeroepen tot beëindiging vaan de gevechten in Zuid-Kordofan en Blauwe Nijl,

–   gezien artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de toestand in Zuid-Kordofan gespannen blijft terwijl er wordt gevochten tussen Soedanese strijdkrachten en de Soedanese Volksbevrijdingsbeweging Noord (SPLMNorth), en dat ook in Blauwe Nijl opnieuw gevechten zijn uitgebroken,

B.   overwegende dat het gewapende geschil tussen de Soedanese strijdkrachten en de Soedanese Volksbevrijdingsbeweging in Zuid-Kordofan tot gevolg heeft gehad dat er doden zijn gevallen en dat duizenden mensen naar buurlanden zijn getrokken,

C.   overwegende dat president Bashir op 23 augustus 2011 een eenzijdige wapenstilstand van twee weken heeft afgekondigd in Zuid-Kordofan , maar dat hij eveneens aankondigde dat buitenlandse organisaties niet in de regio actief mochten zijn,

D.   overwegende dat president Bashir op 2 september 2011 heeft aangekondigd dat de voorlopige grondwet van Blauwe Nijl was opgeschort en dat de staat van beleg was afgekondigd na bloedige gevechten in het gebied tussen het Soedanese leger en aan Zuid-Soedan gelieerde strijdkrachten waardoor nog eens duizenden staatsburgers het land verlieten,

E.   overwegende dat de aanvallen die in Zuid-Kordofan op burgers zijn uitgevoerd onder meer gerichte standrechtelijke of buitengerechtelijke terechtstellingen omvatten, meestal van vermeende aanhangers van de SPLM, dat er willekeurige arrestaties en gevangennemingen worden uitgevoerd in verband waarmee wordt gevreesd dat de gevangenen gemarteld worden en andere onmenselijke en vernederende behandelingen ondergaan, dat stelselmatig huizen worden doorzocht, die naar verluidt gericht zijn op de Nuba-stam, dat er mensen verdwijnen, dat er kerken worden vernield en dat er geplunderd wordt,

F.   overwegende dat er naar schatting meer dan 200.000 mensen ontheemd zijn of ernstige gevolgen ondervinden van de gevechten van de afgelopen tijd en dat 5.000 mensen het conflict ontvluchten door naar Zuid-Soedan (Eenheidsstaat) te gaan; overwegende dat dit aantal de komende maanden aanzienlijk kan stijgen als de gevechten in de regio aanhouden,

G.   overwegende dat de Soedanese strijdkrachten ondanks het staakt-het-vuren blindelings burgergebieden in het Nuba-berggebied in Zuid-Kordofan bombarderen en verhinderen dat hulpgoederen de ontheemden bereiken,

H.   overwegende dat humanitaire agentschappen er sinds het conflict in juni is uitgebroken niet in geslaagd zijn toestemming te krijgen om in Zuid-Kordofan te werken en dat er geen beoordelingen van de behoeften zijn uitgevoerd; overwegende dat de Soedanese regering het verzoek om na de onafhankelijkheid van het zuiden een VN-vredesmacht in Zuid-Kordofan, Blauwe Nijl en Abyei te stationeren, heeft afgewezen,

I.   overwegende dat Zuid-Soedanese veiligheidstroepen naar verluidt de werkzaamheden van humanitaire organisaties verstoren en zelfs voertuigen in beslag nemen, hulpverleners lichamelijk geweld aandoen en kampen aanvallen van internationale organisaties met inbegrip van de VN, wier functionarissen geen toegang hebben gekregen tot grote delen van Zuid-Kordofan, zodat zij geen onderzoek kunnen verrichten en ter plaatse een onafhankelijke beoordeling kunnen uitvoeren,

J.   overwegende dat een groot deel van de bevolking in de regio nog steeds gebrek aan voedsel heeft en dat deze situatie verslechtert door het conflict, de stijgende grondstofprijzen en de honger in de Hoorn van Afrika,

K.   overwegende dat de Commissie in 2011 EUR 100 mln heeft gereserveerd, waaronder EUR 11 mln ten behoeve van de doorgangsgebieden, maar dat het Internationale Appel ten behoeve van Zuid-Soedan nog steeds slechts voor 37% gefinancierd is,

L.   overwegende dat er in het CPA weinig vooruitgang is geboekt bij het vinden van overeenstemming over onderhandelingen na een referendum over problemen zoals het delen van olie-inkomsten, grensafbakening, burgerschap en verdeling van schulden en activa, alsook volksraadplegingen in Zuid-Kordofan en Blauwe Nijl en het referendum in Abyei,

M.   overwegende dat de situatie in Darfur een grote bron van verontrusting blijft voor de VN-missie in Darfur, die melding maakt van intimidatie, ontvoeringen en algemene veiligheidsrisico's door de centrale reservepolitie in de kampen voor in eigen land ontheemden,

1.   betreurt de doden die zijn gevallen, het geweld, de schendingen van de mensenrechten en het feit dat humanitaire hulpgoederen Zuid-Kordofan en Blauwe Nijl niet bereiken; spreekt zijn krachtige veroordeling uit voor de inval van Soedanese strijdkrachten in Zuid-Kordofan en Blauwe Nijl; verzoekt alle partijen de gevechten te staken en te streven naar een politieke oplossing op de grondslag van de overeenkomst van 28 juni 2011; dringt voorts aan op opheffing van de staat van beleg in Blauwe Nijl;

2.   herinnert alle betrokken partijen aan hun plicht de mensenrechten en het internationale humanitaire recht te eerbiedigen; eist met name dat er een eind komt aan gerichte standrechtelijke en buitengerechtelijke moorden, willekeurige arrestaties en gevangzetting, marteling, verdwijningen en plundering; eist voorts dat er een eind komt aan de ongerichte luchtbombardementen door Soedan en wijst erop dat personen die verantwoordelijk worden geacht voor schendingen ter verantwoording moeten worden geroepen via een onafhankelijk onderzoek door de Verenigde Naties;

3.   spreekt zijn waardering uit voor de, door bemiddeling van de Afrikaanse Unie tot stand gekomen overeenkomst van 8 september 2011, waarin beide zijden overeenkomen strijdkrachten terug te trekken uit het betwiste gebied Abyei; verzoekt Soedan en Zuid-Soedan zich te houden aan alle bepalingen van het omvattende vredesakkoord van 2005 ter bevordering van duurzame vrede, handhaving van het recht van het volk op zelfbeschikking, eerbiediging van vastgelegde grenzen en uiteindelijk om de verzoening van beide landen voor te bereiden; herhaalt dat de EU zich verplicht heeft Soedan en Zuid-Soedan bij te staan bij de totstandbrenging van democratisch bestuur en mensenrechten voor alle Soedanezen;

4.   eist dat alle partijen humanitaire agentschappen zonder intimidatie en geweldpleging onmiddellijke, onbelemmerde toegang verschaffen tot allen die in nood verkeren; wijst met nadruk op de verplichting burgers en humanitaire werkers te beschermen; stelt met verontrusting vast dat uitsluitend door de regering gestuurde organen en plaatselijke hulpverleners humanitaire hulpgoederen kunnen verdelen, terwijl de opslag en voorraden van basisgoederen op raken;

5.   is verontrust over meldingen dat de regering tracht ontheemden terug te sturen naar gebieden waar hun leven en veiligheid in gevaar kunnen zijn; dringt erop aan dat de rechten van ontheemden worden geëerbiedigd;

6.   verzoekt de Commissie, de lidstaten van de EU en de internationale gemeenschap hun financieringstoezeggingen aan de regio na te komen, met name om de ernstige tekorten aan voedselhulp, noodonderkomens en bescherming aan te pakken; dringt erop aan dat de voedselsituatie nauwgezet in het oog wordt gehouden en dat er maatregelen worden genomen als de toestand slechter wordt; is van mening dat er aanvullende hulp nodig kan zijn om de dreigende nieuwe grootschalige humanitaire crisis in de regio te voorkomen;

7.   verzoekt de internationale gemeenschap om haar steun voor de initiatieven van het tenuitvoerleggingsplatform op hoog niveau voor Soedan van de Afrikaanse Unie onder leiding van Thabo Mbeki en met betrokkenheid van de Arabische Liga te onderstrepen om de onderhandelingen tussen de CPA-partners en het werk van de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN voor Soedan te vergemakkelijken;

8.   is ernstig verontrust over meldingen dat er in de regio steeds meer landmijnen worden ingezet; herinnert aan zijn felle verzet tegen het gebruik van mijnen en eist dat deze activiteiten onmiddellijk worden beëindigd;

9.   verzoekt de Afrikaanse Unie zijn samenwerking met het Internationaal Strafhof op te voeren om te bevorderen dat heel Afrika zich bewust wordt van het bestaan van mensenrechten en de naleving daarvan handhaaft; verzoekt een eind te maken aan de straffeloosheid van alle misdaden die tijdens de oorlog in Soedan zijn begaan, en hoopt dat president Bashir spoedig in Den Haag zal worden berecht in het kader van het noodzakelijke herstel van justitie, rechtsstaat en gerechtigheid voor slachtoffers;

10.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de VN-Veiligheidsraad en de secretaris-generaal van de VN, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor Zuid-Soedan, de regering van Soedan, de regering van Zuid-Soedan, de instellingen van de Afrikaanse Unie en de voorzitter van het platform op hoog niveau voor Soedan van de Afrikaanse Unie, de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en de regeringen van de EU-lidstaten.


Eritrea: de zaak-Isaak Dawit
PDF 75k   DOC 37k
Resolutie van het Europees Parlement van 15 september 2011 over Eritrea: de zaak-Dawit Isaak
P7_TA(2011)0394 B7-0505 , 0507 , 0509 , 0510 , 0511 en 0512/2011

Het Europees Parlement ,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens,

–   gezien de artikelen 2 en 3, artikel 6, lid 3, en artikel 21, lid 2, onder a) en b), van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–   gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren, waarbij Eritrea partij is, en met name de artikelen 6, 7 en 9,

–   gezien artikel 9 van de in 2005 herziene partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de ACS (de Overeenkomst van Cotonou), die door Eritrea is ondertekend,

–   gezien de verklaring van het voorzitterschap van de Raad over politieke gevangenen in Eritrea van 22 september 2008; en de latere verklaringen van de Raad en de Commissie over Eritrea en de mensenrechtensituatie na die datum,

–   gezien zijn eerdere resoluties over Eritrea, en met name degene die betrekking hebben op de mensenrechten en de zaak van Dawit Isaak,

–   gezien artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,

A.   zeer bezorgd door de verslechterende mensenrechtensituatie in Eritrea en het manifeste gebrek aan medewerking van de Eritrese autoriteiten, ondanks herhaalde verzoeken van de Europese Unie en internationale mensenrechtenorganisaties,

B.   overwegende dat de EU sterk en op duidelijke wijze gehecht is aan de bescherming van de mensenrechten als fundamentele waarde en overwegende dat de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting tot deze universele en vitale rechten behoren,

C.   overwegende dat de rechtsstaat een principe is dat nooit in het gedrang mag komen,

D.   overwegende dat duizenden Eritreërs, waaronder voormalige hooggeplaatste leden van de regerende partij, zijn opgesloten zonder tenlastelegging, zonder een eerlijk proces en zonder toegang tot hun advocaten en families, sinds hun publieke kritiek op president Isaias Afewerki in 2001,

E.   overwegende dat 10 onafhankelijke journalisten sinds september 2001 zijn opgesloten in Asmara, dat één van hen Zweeds staatsburger Dawit Isaak is, dat die voor geen enkele misdaad is berecht en dat de Eritrese autoriteiten weigeren iets los te laten over zijn lot,

F.   overwegende dat Dawit Isaak, voormalig verslaggever voor een onafhankelijke krant in Eritrea, op 23 september 2011 10 volle jaren gevangen zal hebben gezeten, zonder tenlastelegging, zonder proces en zonder in rechte te zijn gehoord, en dat internationaal wordt aangenomen dat hij opgesloten zit om zijn overtuiging,

G.   overwegende dat in een juridisch advies dat in september 2010 is gepresenteerd aan de Voorzitter van het Parlement, het feit wordt onderstreept dat de EU overeenkomstig het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie wettelijk en moreel verplicht is haar burgers te beschermen,

H.   geschokt door de voortdurende weigering van de Eritrese regering om informatie over de situatie van de gevangenen te verstrekken, inclusief de plaats waar zij worden vastgehouden en of zij nog in leven zijn,

I.   overwegende dat volgens verklaringen van voormalige gevangenisbewakers meer dan de helft van de functionarissen en journalisten die in 2001 zijn gearresteerd, dood is,

J.   overwegende dat de EU een belangrijke partner voor Eritrea is op het gebied van ontwikkelingshulp en bijstand,

1.   stelt tot zijn grote bezorgdheid vast dat de mensenrechtensituatie in Eritrea betreurenswaardig blijft, met name het gebrek aan vrijheid van meningsuiting en het feit dat er nog steeds politieke gevangenen zijn, die worden vastgehouden in weerwil van de principes van de rechtsstaat en Eritrea's grondwet;

2.   betreurt het feit dat Dawit Isaak zijn vrijheid nog niet heeft herwonnen en al tien jaar opgesloten zit om zijn overtuiging; spreekt zijn vrees uit voor het leven van Dawit Isaak, gezien de beruchte gruwelijke omstandigheden in de Eritrese gevangenis, waar de nodige medische verzorging ontbreekt;

3.   verzoekt de Eritrese autoriteiten Dawit Isaak en de voormalige hoge functionarissen onmiddellijk vrij te laten, overeenkomstig de Universele Verklaring van de rechten van de mens;

4.   verzoekt de Eritrese autoriteiten het publicatieverbod voor de onafhankelijke pers van het land op te heffen en de onafhankelijke journalisten en alle anderen die in de gevangenis zijn gestopt louter omdat zij hun recht op vrije meningsuiting hebben uitgeoefend, onmiddellijk vrij te laten;

5.   herhaalt zijn verzoek aan de Eritrese staat om onmiddellijk alle politieke gevangenen, inclusief Dawit Isaak, vrij te laten; vraagt dat, als de vrijlating van deze personen niet onmiddellijk kan worden gerealiseerd, de Eritrese staat medische en juridische hulp aan deze en de andere gevangenen verstrekt; vraagt voorts dat vertegenwoordigers van de EU en de EU-lidstaten toegang tot Dawit Isaak krijgen, om na te gaan welke medische hulp en andere ondersteuning hij nodig heeft;

6.   verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid de inspanningen van de EU en haar lidstaten voor de vrijlating van Dawit Isaak op te voeren;

7.   verzoekt de Raad actiever gebruik te maken van de dialoogmechanismen in het kader van het programma voor ontwikkelingshulp voor Eritrea, om snel oplossingen te vinden die leiden tot de vrijlating van de politieke gevangenen en tot betere democratische governance in het land; verzoekt de Raad in verband hiermee ervoor te zorgen dat de ontwikkelingshulp van de EU niet ten goede komt aan de regering van Eritrea, maar strikt bestemd is om te voorzien in de behoeften van het Eritrese volk;

8.   verzoekt de Afrikaanse Unie, als partner van de EU met een expliciet engagement ten aanzien van de universele waarden van democratie en mensenrechten, om haar activiteit met betrekking tot de betreurenswaardige situatie in Eritrea op te voeren en met de EU samen te werken om de vrijlating van Dawit Isaak en andere politieke gevangenen te verkrijgen;

9.   volgt met interesse het gerechtelijke proces van een habeas corpus-verzoek in de zaak van Dawit Isaak, nu Europese advocaten in juli 2011 dit verzoek bij het Eritrese hooggerechtshof hebben ingediend;

10.   herhaalt zijn verzoek dat een nationale, intra-Eritrese conferentie wordt gehouden, waarbij de diverse leiders van politieke partijen en vertegenwoordigers van de civiele maatschappij worden samengebracht om een oplossing voor de huidige crisis te vinden en het land op weg te zetten naar democratie, politieke pluriformiteit en duurzame ontwikkeling;

11.   wijst met de grootst mogelijke nadruk op het feit dat de hierboven uiteengezette kwestie ernstig en spoedeisend is;

12.   spreekt zijn gemeende steun voor de families van de politieke gevangenen in kwestie en zijn oprechte medeleven met hen uit;

13.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, het parlement en de regering van Eritrea, het pan-Afrikaanse parlement, de COMESA, de IGAD, de covoorzitters van de Paritaire Parlementaire Vergadering ACS-EU en de Afrikaanse Unie.


Epilepsie
PDF 63k   DOC 31k
Verklaring van het Europees Parlement van 15 september 2011 inzake epilepsie
P7_TA(2011)0395 P7_DCL(2011)0022

Het Europees Parlement ,

–   gelet op artikel 123 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat epilepsie de meest algemene ernstige hersenaandoening is,

B.   overwegende dat 6 000 000 mensen in Europa epilepsie hebben en dat er elk jaar 300 000 nieuwe gevallen worden gediagnosticeerd,

C.   overwegende dat maximaal 70% van de mensen met epilepsie met de juiste behandeling vrij van aanvallen zou kunnen zijn, terwijl 40 % van de mensen met epilepsie in Europa een dergelijke behandeling moet ontberen,

D.   overwegende dat 40% van de kinderen met epilepsie problemen op school ondervindt,

E.   overwegende dat mensen met epilepsie in Europa een hoog werkloosheidsgehalte ervaren,

F.   overwegende dat mensen met epilepsie worden blootgesteld aan stigma's en vooroordelen,

G.   overwegende dat epilepsie schade aan de gezondheid toebrengt, maar ook elk aspect van het leven verstoort, en een fysieke, psychologische en sociale belasting kan betekenen voor individuen en gezinsleden,

1.  verzoekt de Commissie en de Raad om het volgende te doen:

   stimuleren van onderzoek en innovatie op het gebied van preventie en vroegtijdige diagnose en behandeling van epilepsie;
   epilepsie prioriteit geven als een belangrijke ziekte die in heel Europa voor een aanzienlijke belasting zorgt;
   initiatieven nemen om lidstaten te stimuleren om een gelijke kwaliteit van leven te waarborgen, met inbegrip van opleiding, werkgelegenheid, vervoer en openbare gezondheidszorg voor mensen met epilepsie, bijvoorbeeld door de uitwisseling van beste praktijken te stimuleren;
   doeltreffende gezondheidseffectbeoordelingen te stimuleren bij elk belangrijk EU- en nationaal beleid;

2.   verzoekt de lidstaten om passende wetgeving te introduceren om de rechten van alle mensen met epilepsie te beschermen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter deze verklaring, met de namen van de ondertekenaars(1) , te doen toekomen aan de Commissie en de parlementen van de lidstaten.

(1) De lijst van ondertekenaars is gepubliceerd in Bijlage 1 bij de notulen van 15 september 2011 (P7_PV(2011)09-15(ANN1) ).

Laatst bijgewerkt op: 13 november 2012Juridische mededeling