Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 27 februari 2014 - StraatsburgDefinitieve uitgave
SOLVIT
 Europees onderzoeksbevel in strafzaken ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
 Visumplicht voor onderdanen van derde landen ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
 Vrijwillige partnerschapsovereenkomst EU-Indonesië inzake wetshandhaving, governance en handel in houtproducten met de EU ***
 Controle van personen aan de buitengrenzen ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
 Derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van deze plicht zijn vrijgesteld ***I
  Resolutie
  Geconsolideerde tekst
  Bijlage
 Situatie in Oekraïne
 Situatie in Irak
 Inzet van gewapende drones
 Grondrechtensituatie in de Europese Unie - 2012
 Europees aanhoudingsbevel
  Resolutie
  Bijlage
 Vrijwillige partnerschapsovereenkomst EU-Indonesië inzake wetshandhaving, governance en handel in houtproducten met de EU
 Situatie in Venezuela
 Toekomst van het visumbeleid van de EU
 Specifieke maatregelen in het gemeenschappelijk visserijbeleid ter versterking van de rol van vrouwen
 Heffingen voor kopiëren voor privégebruik

SOLVIT
PDF 140k   DOC 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 inzake SOLVIT (2013/2154(INI) )
P7_TA(2014)0164 A7-0059/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien Aanbeveling 2013/461/EU van de Commissie van 17 september 2013 inzake de beginselen voor de werking van de SOLVIT(1) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 17 september 2013 getiteld "Het beter uitrusten van ondernemingen en burgers in het kader van de interne markt: Een actieplan voor het versterken van Uw Europa in samenwerking met de lidstaten" (COM(2013)0636 ),

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 24 februari 2012 getiteld "Reinforcing effective problem-solving in the Single Market – Unlocking SOLVIT’s full potential at the occasion of its 10th anniversary" (SWD(2012)0033 ),

–   gezien het eerste verslag van de Commissie van 28 november 2012 over de "Stand van zaken op het gebied van de integratie van de interne markt 2013 – bijdrage aan de jaarlijkse groeianalyse 2013" (COM(2012)0752 ),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 8 juni 2012 getiteld "Betere governance van de interne markt" (COM(2012)0259 ),

–   gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 24 februari 2012 getiteld "De interne markt laten renderen – Jaarlijkse governance-controle 2011" (SWD(2012)0025 ),

–   gezien het onlinescorebord van de interne markt dat werd gepubliceerd op 4 juli 2013,

–   gezien de studie "A European Single Point of Contact" van juli 2013 die is uitgevoerd in opdracht van zijn Commissie interne markt en consumentenbescherming,

–   gezien zijn resolutie van 7 februari 2013 betreffende de governance van de interne markt(2) ,

–   gezien zijn resolutie van 14 juni 2012 over de "Toekomst van de Single Market Act"(3) ,

–   gezien zijn resolutie van 6 april 2011 over governance en partnerschap op de interne markt(4) ,

–   gezien zijn resolutie van 9 maart 2010 over SOLVIT(5) ,

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A7-0059/2014 ),

A.   overwegende dat de rechten van burgers en bedrijven op de interne markt doeltreffend moeten worden aangewend en dat het Unierecht ter waarborging van deze rechten doeltreffend moet worden gehandhaafd om ervoor te zorgen dat burgers en bedrijven allemaal profiteren van het potentieel van de interne markt;

B.   overwegende dat voorlichting aan burgers over hun rechten en hulp bij het gebruikmaken van die rechten bijdragen tot het beter functioneren van de interne markt;

C.   overwegende dat SOLVIT momenteel jaarlijks zo’n 1 300 gevallen behandelt en voor ongeveer 90% van zijn cliënten binnen de gestelde termijn van 70 dagen een oplossing vindt;

D.   overwegende dat de belangstelling voor en het gebruik van "Uw Europa" snel groeit en dat het onlinescorebord van de interne markt aangeeft dat in 2012 dagelijks 11 000 bezoekers het portaal raadpleegden, tegenover 6 500 het jaar daarvoor;

E.   overwegende dat het herhaaldelijk gepleit heeft voor versterking van het SOLVIT-netwerk alsook voor meer en betere informatie over EU-rechten;

F.   overwegende dat SOLVIT een belangrijk probleemoplossend instrument is en op die manier een middel om te zorgen voor betere naleving van het Unierecht voor de interne markt; overwegende dat SOLVIT desondanks onvoldoende wordt gebruikt en zijn potentieel nog niet volledig waarmaakt;

G.   overwegende dat het SOLVIT-netwerk bij volledige benutting in veel gevallen een nuttig instrument kan zijn dat voorkomt dat overmatig beroep wordt gedaan op het justitiële stelsel, dat niet zelden bijzonder ingewikkeld is en daardoor het oplossen van problemen van burgers en ondernemingen bemoeilijkt;

H.   overwegende dat de in opdracht van het Parlement uitgevoerde studie "A European Single Point of Contact" aangeeft dat weliswaar een breed scala aan online-informatie, advies en bijstand tot de beschikking van de Europese burgers en bedrijven staat, maar slechts zeer weinigen deze kennen; 91,6 % van de ondervraagden heeft geen enkele weet van ook maar eender welke onlinedienst waar zij terechtkunnen voor problemen in verband met de interne markt;

I.   overwegende dat doeltreffende hulpverlening door de SOLVIT-centra in hoge mate afhankelijk is van goed geschoold personeel;

J.   overwegende dat er meer inspanningen moeten worden geleverd om SOLVIT op betere wijze te integreren in het geheel aan bijstandsdiensten en handhavingsinstrumenten dat op nationaal en Unieniveau beschikbaar is;

K.   overwegende dat burgers en bedrijven bekend moeten zijn met hun rechten binnen de interne markt en dat het nog steeds noodzakelijk is om hun kennis op dit gebied te vergroten, omdat zij alleen zo eventuele problemen correct kunnen vaststellen en oplossen;

Inleiding: doeltreffend gebruik van rechten en mogelijkheden op de interne markt

1.   herhaalt dat het potentieel van de interne markt uitsluitend ontsloten kan worden indien burgers en bedrijven bekend zijn met hun rechten en mogelijkheden op de interne markt en in staat zijn daar doeltreffend gebruik van te maken; brengt in herinnering dat deze doelstelling uitsluitend kan worden verwezenlijkt indien de lidstaten zorgen voor een doeltreffende handhaving van de internemarktwetgeving en indien er kwalitatief hoogstaande informatie en doeltreffende probleemoplossende instrumenten ter beschikking worden gesteld;

2.   wijst op het feit dat veel problemen met betrekking tot de interne markt het resultaat zijn van gold-plating, te late of onjuiste tenuitvoerlegging door een of meerdere lidstaten, of van nationale wet- en regelgeving die strijdig is met het Unierecht; dringt er wat dit betreft sterk bij de Commissie op aan om druk uit te oefenen op de lidstaten die de internemarktregels niet naleven;

3.   wijst op het feit dat veel problemen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de internemarktregels opgespoord worden dankzij het SOLVIT-netwerk en is zeer ingenomen met de bijdragen van SOLVIT aan de administratieve wijzigingen en de wijzigingen van wet- en regelgeving die nodig zijn om dergelijke problemen op te lossen; spoort de Raad aan maatregelen vast te stellen om de taken van overheidsdiensten te verbeteren, teneinde de samenwerking tussen de nationale autoriteiten en de Commissie te versterken;

4.   benadrukt de noodzaak dat SOLVIT beschikt over een effectief mechanisme om de Commissie te informeren over de problemen op de interne markt waarvan het kennis heeft genomen en die verband houden met het niet ten uitvoer leggen van het Unierecht;

5.   benadrukt dat een goede tenuitvoerlegging, handhaving en naleving van de internemarktwetgeving uiterst belangrijk is voor de Europese consument en het Europese bedrijfsleven en aldus voor de economie als geheel en het vertrouwen van de burgers in het functioneren van de interne markt; wijst uitdrukkelijk op de wettelijke verplichtingen van de lidstaten wat dit betreft;

6.   herhaalt zijn oproepen tot verdere uitbouw van de toepasselijke inbreukprocedures, onder andere door dergelijke procedures wegens inbreuken op de Uniewetgeving voor de interne markt strenger toe te passen en te versnellen;

7.   onderstreept bovendien dat alles in het werk moet worden gesteld om handhavingsproblemen tijdig te voorkomen, deze op te sporen en te verhelpen en het niet op formele inbreukprocedures te laten aankomen;

8.   acht nultolerantie voor niet-naleving alsook collegiale toetsingen bij de tenuitvoerlegging en omzetting van de dienstenrichtlijn goede methodes om te zorgen voor een doeltreffende toepassing van het internemarktrecht;

SOLVIT: helpen individuen en bedrijven problemen op te lossen

9.   is ingenomen met de nieuwe aanbeveling van de Commissie inzake de beginselen voor de werking van de SOLVIT, waarmee de weg gebaand wordt voor SOLVIT 2.0;

10.   merkt op dat het SOLVIT-netwerk tastbare resultaten heeft bereikt en zijn nut heeft bewezen; merkt evenwel op dat er nog veel ruimte voor verbetering is, met name wat betreft de oplossing van geschillen tussen bedrijven en de tijd die nodig is om vragen op te lossen;

11.   is verheugd over de inspanningen van de Commissie gericht op het verder optimaliseren van het werk van het SOLVIT-netwerk voor het informeel en snel oplossen van grensoverschrijdende conflicten met betrekking tot de interne markt – een instrument voor het aanpakken van verkeerde implementatie na omzetting – met gebruikmaking van procedures die het instrument zo gebruiksvriendelijk mogelijk maken, en beveelt aan dat de lidstaten nauw samenwerken met de Commissie om het SOLVIT-systeem als een gratis en gebruiksvriendelijke dienst te verbeteren;

12.   is van mening dat de prestaties van SOLVIT-centra voortdurend moeten worden verbeterd, met name wat betreft socialezekersheidskwesties, en dringt aan op een betere coördinatie van nationale socialezekerheidstelsels;

13.   verlangt dat in het bijzonder aandacht wordt besteed aan alle grensoverschrijdende dossiers op het gebied van het werknemersrecht, sociale rechten en gelijke behandeling, met name pensioenen, EU-werknemers en gedetacheerde werknemers;

14.   onderstreept het belang van SOLVIT voor met name mobiele werknemers in verband met kwesties van gelijke behandeling en het oplossen van grensoverschrijdende problemen;

15.   merkt op dat het overgrote deel van de klanten van SOLVIT uit burgers bestaat; is van mening dat het grote potentieel van SOLVIT als probleemoplossend instrument voor het bedrijfsleven nu dringend ontsloten moet worden; wijst op het feit dat er veel meer inspanningen geleverd moeten worden om het bedrijfsleven, met name kleine en middelgrote ondernemingen, met SOLVIT bekend te maken en het in staat te stellen er beter gebruik van te maken; is wat dit betreft ingenomen met de recente veranderingen aan de portaalsite "Uw Europa – Bedrijfsleven";

16.   dringt erop aan SOLVIT-bewustmakingscampagnes te organiseren, teneinde de kennis van het netwerk aanzienlijk te vergroten; verzoekt de lidstaten, de Commissie en de leden van het Europees Parlement (in hun kiesdistricten) bewustmakingscampagnes te organiseren, teneinde de rol van Your Europe en SOLVIT meer onder de aandacht te brengen; onderstreept dat de lidstaten de mogelijkheid hebben SOLVIT op regionaal niveau beter onder de aandacht te brengen, wetend dat de beslechting van geschillen op het nationaal niveau moet plaatsvinden;

17.   wijst erop dat het netwerk nog steeds een groot aantal zaken aantrekt die daar niet thuishoren, waardoor de behandeling van klachten die wel bij SOLVIT thuishoren, wordt vertraagd; onderstreept daarmee de noodzaak om ondernemers en burgers meer bewust te maken van de bevoegdheden van SOLVIT;

18.   verzoekt de lidstaten, onder verwijzing naar de voorwaarden voor de organisatie van SOLVIT-centra, als bedoeld in de aanbeveling van de Commissie van 17 september 2013, erop toe te zien dat voldoende middelen beschikbaar worden gesteld om het SOLVIT-netwerk te onderhouden;

19.   acht het van uiterst belang dat de kwaliteit van de dienstverlening van SOLVIT ondanks alle financiële beperkingen en beperkte menselijke middelen op niveau blijft; wijst op het grote belang van voldoende aantallen goed opgeleide medewerkers in de SOLVIT-centra, die over goede juridische expertise beschikken en de desbetreffende EU-talen goed machtig zijn, in verband hiermee moeten de medewerkers passende scholingen kunnen volgen om hun kwalificaties doorlopend te verbeteren;

20.   onderstreept dat het voor doeltreffende oplossing van een probleem belangrijk is dat de SOLVIT-centra in de verschillende lidstaten een vergelijkbaar serviceniveau bieden;

21.   benadrukt het belang van snelle oplossingen voor problemen die alleen een verduidelijking van het recht van de Unie vereisen en van toereikende communicatie met indieners in gecompliceerde zaken;

22.   pleit voor betere aansluiting op en samenhang met andere klachtenprocedures, EU-Pilot in het bijzonder;

23.   acht het van groot belang dat SOLVIT meer gericht wordt op de behandeling van zaken voor het bedrijfsleven; merkt op dat het bedrijfsleven hiervoor beter geïnformeerd moet worden over SOLVIT, dat SOLVIT nauwer moet gaan samenwerken met Europese en nationale ondernemersorganisaties, bijvoorbeeld in het kader van een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van SOLVIT-centra en ondernemersorganisaties, en dat er in sommige SOLVIT-centra de bereidheid moet bestaan om complexere zaken in behandeling te nemen;

24.   betreurt het feit dat veel met het bedrijfsleven samenhangende gevallen die SOLVIT in behandeling zou kunnen nemen, worden afgewezen omdat ze te complex zijn; is van mening dat indien sommige SOLVIT-centra dergelijke met het bedrijfsleven samenhangende gevallen te complex vinden, dit een probleem is dat lokaal binnen deze SOLVIT-centra moet worden opgelost;

25.   hecht groot belang aan informele ondersteuning van de Commissie bij de afhandeling van zaken, met inbegrip van formeel juridisch advies in complexe aangelegenheden; roept de SOLVIT-centra op van dergelijke ondersteuning gebruik te maken;

26.   benadrukt het belang van het uitwisselen van informatie tussen SOLVIT-centra en beveelt aan dat de lidstaten investeren in het verbeteren van de samenwerking tussen deze centra; moedigt SOLVIT-centra in de gehele Unie aan het voortouw te nemen voor een intensievere en bredere uitwisseling van goede praktijken, en benadrukt de betekenis van dergelijke uitwisselingen tussen SOLVIT-centra met betrekking tot de uitvoering en bevordering van de aangeboden diensten;

27.   is ingenomen met de verduidelijking in Aanbeveling 2013/461/EU van de Commissie ten aanzien van het mandaat van SOLVIT in kwesties waarbij nationale wet- en regelgeving indruist tegen het Unierecht (ook wel bekend als structurele zaken); is ingenomen met het feit dat reeds een aantal SOLVIT-centra dergelijke zaken in behandeling heeft genomen; verzoekt alle SOLVIT-centra ingeval dergelijke structurele problemen zich voordoen altijd doeltreffende bijstand te bieden en zo onder meer ondersteuning te verlenen bij de opsporing van mogelijke problemen als gevolg van voorgestelde nationale wetgeving;

28.   roept de SOLVIT-centra op klachten voortvarender en doeltreffender aan te pakken, met name bij complexere zaken;

29.   acht het van groot belang dat de indiener, de betrokken SOLVIT-centra en de Commissie gedurende de gehele procedure met elkaar blijven communiceren en nauw met elkaar samenwerken; wijst op het feit dat in veel gevallen de indiener niet tijdens de procedure wordt geraadpleegd, maar uitsluitend met het SOLVIT-centrum in contact is op het moment van indiening van de aanvraag en op het moment dat de zaak is afgehandeld;

30.   is van mening dat nauwere samenwerking tussen SOLVIT en alle niveaus van de nationale overheid noodzakelijk is;

31.   is met name verheugd over de bescherming van de persoonsgebonden gegevens door SOLVIT-voorlichtingsdiensten en dringt erop aan deze bescherming steeds te monitoren en, indien noodzakelijk, verder uit te breiden, teneinde conform te zijn met de gegevensbeschermingsrechten van de gebruikers;

32.   acht het van groot belang dat de bekendheid en de zichtbaarheid van het SOLVIT-netwerk worden vergroot en dat het dichter bij de mensen gebracht wordt die er niet van op de hoogte zijn; vraagt de lidstaten en de Commissie iedereen, en met name personen met een handicap en ouderen, in gelijke mate toegang te geven tot SOLVIT-voorlichtingsdiensten en -onlineportals, en in dit verband alle mogelijkheden te ontwikkelen voor het leggen van contact tussen gebruikers en SOLVIT-voorlichtingsdiensten; houdt rekening met het voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake de toegankelijkheid van de websites van overheidsinstanties (COM(2012)0721 );

33.   benadrukt de noodzaak van het koppelen en integreren van SOLVIT-portaalsites en andere soortgelijke actoren en platforms om de toegankelijkheid en zichtbaarheid voor alle gebruikers te vergroten; beveelt aan dat de lidstaten nauw samenwerken met de Commissie om het SOLVIT-systeem middels een coherente aanpak in de hele Europese Unie te verbeteren en de zichtbaarheid ervan te vergroten; is van mening dat de websites van de relevante Europese instellingen een link moeten hebben naar de Your Europe-website;

34.   onderstreept dat het belangrijk is meer bekendheid te geven aan het bestaan van de databank met SOLVIT-dossiers en is verheugd over de aanbeveling van de Commissie met betrekking tot de noodzaak van het verstrekken van informatie over alternatieve netwerken voor geschilbeslechting of bronnen van informatie, inclusief andere verhaalmogelijkheden op zowel nationaal, als uniaal niveau, in gevallen waar SOLVIT geen rol toekomt;

35.   spoort de SOLVIT-centra aan zich proactief op te stellen door eigen initiatieven te ontplooien om contact te leggen met burgers, bedrijven en nationale parlementen;

36.   is ingenomen met het onlinescorebord van de interne markt, dat informatie geeft over de prestaties van de lidstaten in verband met SOLVIT en Your Europe, alsmede over hun prestaties in verband met de EU-wetgeving die verband houdt met de werking van de interne markt;

37.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om verdere stappen te ondernemen om informatie te verspreiden over de beschikbaarheid van deze instrumenten onder burgers, bedrijven en ondernemers via alle massamedia, inclusief internet, zodat deze informatie het maximale aantal burgers en ondernemers bereikt; roept de lidstaten op om voorlichtingscampagnes te organiseren die zijn gericht op concrete doelgroepen, waaronder ondernemingen, in het bijzonder kleine en middelgrote ondernemingen;

38.   verzoekt de Commissie om in het kader van het jaarverslag over de integratie van de interne markt, de prestaties van de probleemoplossende instrumenten van de Unie – SOLVIT in het bijzonder – als onderdeel van de jaarlijkse groeianalyse te blijven monitoren; herhaalt bovendien zijn oproepen aan de Commissie om het toezicht op de interne markt aan te scherpen door een specifieke pijler van het Europees semester in te stellen met daarin onder meer speciale landspecifieke aanbevelingen;

39.   blijft de voortgang van SOLVIT op de voet volgen; spoort de Commissie aan meetbare mijlpalen voor de gewenste ontwikkeling van SOLVIT vast te stellen; moedigt de lidstaten daarnaast aan hun eigen meetbare doelstellingen en termijnen vast te stellen voor de ontwikkeling van dossierbehandeling in de lokale SOLVIT-centra; is in dit verband van oordeel dat het met het oog op het meten van de progressie splitsen van burger- en bedrijfsgerelateerde gevallen, mogelijkerwijs een goede oplossing is; is van mening dat indien deze mijlpalen niet worden gehaald, opnieuw overwogen moet worden om de informele procedure te vervangen door een wetgevingshandeling, rekening houdend met bestaande mechanismen, zoals die in Richtlijn 2013/11/EU betreffende alternatieve beslechting van consumentengeschillen en Verordening (EU) nr. 524/2013 betreffende onlinebeslechting van consumentengeschillen; dringt er bij de Raad op aan de ambities van het Parlement op dit punt te volgen; verzoekt de Commissie en de lidstaten nauwlettend toe te zien op de vooruitgang die wordt geboekt ten aanzien van deze uniale en nationale SOLVIT-doelstellingen binnen het Europees semester;

Uw Europa: beter beantwoorden aan de behoeften van de burgers en het bedrijfsleven

40.   wijst op het groeiend gebruik van de portaalsite Uw Europa;

41.   moedigt de Commissie en de lidstaten aan om een duidelijk onderscheid te maken tussen Uw Europa en SOLVIT bij het coördineren van de respectievelijke zichtbaarheidscampagnes hiervoor;

42.   is ingenomen met de doelstellingen in het Uw Europa-actieplan, namelijk om de verstrekking van praktische en degelijke informatie over EU-rechten op de interne markt te verbeteren, de bekendheid van Uw Europa te vergroten, en een nauw partnerschap tussen de Commissie en de lidstaten tot stand te brengen;

43.   verzoekt de Commissie om Uw Europa als hulpmiddel voor bedrijven beter te positioneren en de zichtbaarheid ervan te vergroten, onder meer door beter gebruik te maken van sociale media; is van mening dat de portaalsite Uw Europa door middel van branding en met de opname van SOLVIT het centrale toegangspunt moet worden voor Europese consumenten en bedrijven wanneer deze worden geconfronteerd met problemen of wanneer zij op zoek zijn naar informatie; is van mening dat een dergelijk centraal toegangspunt kan dienen als referentiepunt voor burgers en bedrijven en hun toegang tot verschillende informatiemiddelen en gespecialiseerde probleemoplossingsmechanismen, waaronder SOLVIT, kan vergemakkelijken;

44.   verzoekt de Commissie het toepassingsgebied van Uw Europa uit te breiden, teneinde rechten, plichten en mogelijkheden op de interne markt volledig te bestrijken en Uw Europa zo gebruiksvriendelijk mogelijk te maken;

45.   roept de lidstaten dringend op informatie te verstrekken over nationale regels en procedures met betrekking tot EU-rechten; roept de lidstaten op erop toe te zien dat deze informatie praktisch is, geen jargon bevat, gelijk toegankelijk is voor iedereen, geheel actueel is en beschikbaar is in de desbetreffende talen, alsook om hun nationale portaalsites (e-overheid) aan Uw Europa te koppelen;

o
o   o

46.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de parlementen en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 249 van 19.9.2013, blz. 10.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0054 .
(3) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 72.
(4) PB C 296 E van 2.10.2012, blz. 51.
(5) PB C 349 E van 22.12.10, blz. 10.


Europees onderzoeksbevel in strafzaken ***I
PDF 194k   DOC 80k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over het ontwerp van richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken (09288/2010 – C7-0185/2010 – 2010/0817(COD) ) (Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)
P7_TA(2014)0165 A7-0477/2013

Het Europees Parlement,

–   gezien het initiatief van een groep lidstaten dat aan het Europees Parlement en de Raad is voorgelegd (09288/2010),

–   gezien artikel 76, onder b), en artikel 82, lid 1, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel bij het Parlement is ingediend (C7-0185/2010 ),

–   gezien artikel 294, leden 3 en 15, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 5 december 2013 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de artikelen 44 en 55 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0477/2013 ),

1.   stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 februari 2014 met het oog op de vaststelling van Richtlijn 2014/.../EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees onderzoeksbevel in strafzaken

P7_TC1-COD(2010)0817


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Richtlijn 2014/41/EU.)


Visumplicht voor onderdanen van derde landen ***I
PDF 195k   DOC 37k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (COM(2013)0853 – C7-0430/2013 – 2013/0415(COD) ) (Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)
P7_TA(2014)0166 A7-0104/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0853 ),

–   gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0430/2013 ),

–   gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 13 februari 2014 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0104/2014 ),

1.   stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 februari 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2014 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

P7_TC1-COD(2013)0415


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 259/2014.)


Vrijwillige partnerschapsovereenkomst EU-Indonesië inzake wetshandhaving, governance en handel in houtproducten met de EU ***
PDF 194k   DOC 33k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad inzake de sluiting van de vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en Republiek Indonesië inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw met betrekking tot de invoer van houtproducten in de Europese Unie (11767/1/2013 – C7-0344/2013 – 2013/0205(NLE)) (Goedkeuring)
P7_TA(2014)0167 A7-0043/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien het ontwerp van besluit van de Raad (11767/1/2013),

–   gezien de vrijwillige ontwerppartnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Indonesië inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw met betrekking tot de invoer van houtproducten in de Europese Unie (11769/1/2013),

–   gezien het verzoek om goedkeuring dat door de Raad is ingediend overeenkomstig artikel 207, lid 3, eerste alinea, artikel 207, lid 4, eerste alinea, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7-0344/2013 ),

–   gezien de artikelen 81 en 90, lid 7, van zijn Reglement,

–   gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A7-0043/2014 ),

1.   hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Republiek Indonesië.


Controle van personen aan de buitengrenzen ***I
PDF 199k   DOC 37k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een vereenvoudigde regeling voor de controle van personen aan de buitengrenzen, gebaseerd op de eenzijdige erkenning door Kroatië en Cyprus van bepaalde documenten als gelijkwaardig met hun nationale visa voor de doorreis over hun grondgebied of een voorgenomen verblijf op hun grondgebied van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen en tot intrekking van Beschikkingen nrs. 895/2006/EG en 582/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0441 – C7-0186/2013 – 2013/0210(COD) ) (Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)
P7_TA(2014)0168 A7-0082/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2013)0441 ),

–   gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, letters a) en b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7‑0186/2013 ),

–   gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 5 februari 2014 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien artikel 55 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0082/2014 ),

1.   stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

3.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 februari 2014 met het oog op de vaststelling van Besluit nr. .../2014/EU van het Europees Parlement en de Raad tot instelling van een vereenvoudigde regeling voor de controle van personen aan de buitengrenzen, gebaseerd op de eenzijdige erkenning door Bulgarije, Kroatië, Cyprus en Roemenië van bepaalde documenten als gelijkwaardig met hun nationale visa voor de doorreis over hun grondgebied of een voorgenomen verblijf op hun grondgebied van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen en tot intrekking van Beschikkingen nrs. 895/2006/EG en 582/2008/EG

P7_TC1-COD(2013)0210


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Besluit nr. 565/2014/EU.)


Derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van deze plicht zijn vrijgesteld ***I
PDF 204k   DOC 40k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van deze plicht zijn vrijgesteld (COM(2012)0650 – C7-0371/2012 – 2012/0309(COD) ) (Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)
P7_TA(2014)0169 A7-0373/2013

Het Europees Parlement,

–   gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2012)0650 ),

–   gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, onder a) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C7-0371/2012 ),

–   gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de schriftelijke toezegging van de vertegenwoordiger van de Raad van 5 februari 2014 om het standpunt van het Europees Parlement goed te keuren, overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gelet op artikel 55 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0373/2013 ),

1.   stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.   hecht zijn goedkeuring aan de verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij de onderhavige resolutie is gevoegd;

3.   neemt kennis van de bij deze resolutie gevoegde verklaring van de Commissie;

4.   verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen of dit door een nieuwe tekst te vervangen;

5.   verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 27 februari 2014 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) nr. .../2014 van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

P7_TC1-COD(2012)0309


(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) nr. 509/20214.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de nadere beoordeling van Colombia en Peru

Het Europees Parlement en de Raad achten het noodzakelijk dat nader beoordeeld wordt of Colombia en Peru aan de desbetreffende criteria voldoen, voordat de Commissie aande Raad aanbevelingen doet over besluiten houdende machtiging tot het openen van onderhandelingen betreffende visumvrijstellingsovereenkomsten met deze landen.

De Commissie verbindt zich ertoe deze beoordelingen onverwijld uit te voeren en zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van deze Verordening aan het Europees Parlement en de Raad te doen toekomen.

Het Europees Parlement en de Raad nemen kennis van deze verbintenis van de Commissie.

Verklaring van de Commissie betreffende de informatieverstrekking aan het Europees Parlement

De Commissie is ingenomen met de aanneming door het Europees Parlement en de Raad van haar voorstel tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 met het oog op de actualisering van de bijlagen met de lijsten van derde landen waarvan de onderdanen onderworpen zijn of vrijgesteld zijn van de visumplicht.

Overeenkomstig het kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie, en met name punt 23 daarvan, bevestigt de Commissie haar verbintenis om het Europees Parlement stelselmatig in te lichten over het verloop van de onderhandelingen inzake visumvrijstellingsovereenkomsten naar aanleiding van de overbrenging van bepaalde landen naar bijlage II bij Verordening (EG) nr. 539/2001. Ten minste tweemaal per jaar zal de Commissie de betreffende organen van het Europees Parlement over van de stand van zaken inlichten.


Situatie in Oekraïne
PDF 134k   DOC 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over de situatie in Oekraïne (2014/2595(RSP) )
P7_TA(2014)0170 B7-0219 , 0220 , 0222 , 0223 , 0224/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn eerdere resoluties over het Europees Nabuurschapsbeleid, het Oostelijk Partnerschap en Oekraïne, en met name zijn resolutie van 6 februari 2014 over de situatie in Oekraïne(1) ,

–   gezien zijn resolutie van 12 december 2013 over de resultaten van de top van Vilnius en de toekomst van het Oostelijk Partnerschap, in het bijzonder wat Oekraïne(2) betreft,

–   gezien de conclusies van de Europese Raad van 19-20 december 2013,

–   gezien de conclusies van de buitengewone vergadering van de Raad Buitenlandse Zaken over Oekraïne van 20 februari 2014 te Brussel,

–   gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat sinds het besluit van de Oekraïense president en de regering om de ondertekening van de associatieovereenkomst op te schorten in het hele land honderdduizenden mensen spontaan de straat opgegaan zijn om te betogen voor toenadering tot Europa; overwegende dat in Kiev de demonstranten in vreedzaam protest het Onafhankelijkheidsplein (Maidan Nezalezjnosti) bezet houden om te pleiten voor grote politieke veranderingen en om de regering ertoe te bewegen haar besluit te herzien;

B.   overwegende dat de autoriteiten van president Janoekovitsj de wet duidelijk hebben geschonden door de veiligheidstroepen toestemming te geven met scherp te schieten op de demonstranten en door sluipschutters te installeren op de daken op en rond het Onafhankelijkheidsplein, dat sinds eind november 2013 het epicentrum is geworden van de anti-regerings- en pro-Europese betogingen; overwegende dat demonstranten en omstanders in de straten van Kiev werden doodgeschoten, wat tot internationale verontwaardiging en veroordeling heeft geleid;

C.   overwegende dat tegelijkertijd drie ministers van Buitenlandse Zaken uit de EU naar Kiev zijn gereisd om te proberen te bemiddelen tussen president Janoekovitsj en de oppositie; overwegende dat zij erin geslaagd zijn een overeenstemming te bereiken over een routekaart voor een vreedzame en democratische oplossing van de crisis; overwegende dat ook de Russische speciale gezant betrokken was bij de totstandkoming van de overeenkomst maar deze niet heeft medeondertekend;

D.   overwegende dat de EU als gevolg hiervan heeft besloten gerichte sancties op te leggen, inclusief een bevriezing van tegoeden en een visumverbod, aan degenen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de mensenrechten, geweld en gebruik van buitensporig geweld; overwegende dat de lidstaten hebben besloten uitvoervergunningen voor uitrusting die voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt, op te schorten en de uitvoervergunningen voor uitrusting die onder Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB valt, opnieuw te beoordelen;

E.   overwegende dat de burgers van Lviv en Donetsk het initiatief hebben genomen om de Russische resp. de Oekraïense taal te gebruiken in hun dagelijkse werkzaamheden op 26 februari 2014 als een gebaar van solidariteit en eenheid voor het hele land;

F.   overwegende dat de Verchovna Rada op 21 februari 2014 een resolutie heeft goedgekeurd om de "antiterrorismeoperaties" aan de kaak te stellen en te eisen dat de veiligheidsdiensten zich uit het centrum van Kiev terugtrekken; overwegende dat het parlement hiermee zijn vastberadenheid heeft getoond om een centrale rol te spelen en de situatie in het land onder controle te krijgen; overwegende dat het parlement de dag daarop heeft gestemd over de afzetting van president Janoekovitsj, de herinvoering van de grondwet van 2004, vroegtijdige verkiezingen op 25 mei 2014 en de vrijlating van voormalig premier Joelia Timosjenko;

1.   betuigt zijn respect aan de mensen die vechten en sterven voor Europese waarden, en betuigt zijn oprechte medeleven met de families van de slachtoffers, veroordeelt ten stelligste alle gewelddaden en roept alle Oekraïense burgers alsook de politieke leiders en maatschappelijke leiders op zich uiterst verantwoordelijk op te stellen op dit historische moment voor Oekraïne;

2.   veroordeelt het brute en onevenredig harde optreden van de oproerpolitie, zoals Berkoet, scherpschutters en anderen, dat tot de dramatische escalatie van het geweld hebben geleid, stellig; betreurt het feit dat er bij alle partijen doden en gewonden zijn gevallen, en spreekt zijn oprechte medeleven uit met de families van de slachtoffers; waarschuwt dat een verdere escalatie van het geweld rampzalig zou zijn voor de Oekraïense natie en de eenheid en territoriale integriteit van het land mogelijk zal ondermijnen; benadrukt dat het nu bijzonder belangrijk is dat alle partijen verantwoordelijkheid en terughoudendheid aan de dag leggen en zich inzetten voor een inclusieve politieke dialoog en dat zij buitengerechtelijke vergelding uitsluiten; dringt er bij alle politieke krachten op aan om in deze voor Oekraïne kritieke fase samen te werken en compromisoplossingen mogelijk te maken, waarbij zij duidelijk afstand moeten nemen van extremisten en provocatie en geweld moeten mijden, aangezien dat kan leiden tot separatistische acties;

3.   is verheugd over de verantwoordelijke rol die de Verchovna Rada heeft gespeeld door zijn grondwettelijke taken volledig te vervullen en het politieke en institutionele vacuüm op te vullen dat ontstaan is als gevolg van het aftreden van de regering en het ontslag van de president, die vervolgens was afgezet door het parlement; neemt kennis van de maatregelen die tot dusver door het parlement zijn genomen, met name met betrekking tot de herinvoering van de grondwet van 2004, het besluit om op 25 mei 2014 presidentsverkiezingen te houden, het besluit om politie en veiligheidstroepen terug te trekken en de vrijlating van Joelia Timosjenko; benadrukt hoe belangrijk het is dat het Oekraïense parlement en de leden hiervan de rechtsstaat blijven eerbiedigen;

4.   prijst de bevolking van Oekraïne voor de ordelijk verlopen machtsoverdracht en voor hun burgerlijke standvastigheid in de afgelopen maanden, en benadrukt het feit dat deze burger‑ en volksprotesten tot voorbeeld strekken en een mijlpaal in de geschiedenis van Oekraïne zullen zijn; benadrukt dat deze democratische burgeroverwinning niet bezoedeld mag worden door wraakzucht of vergeldingsdaden jegens tegenstanders, of door politieke stammenstrijd; benadrukt dat degenen die misdrijven hebben gepleegd tegen de burgers van Oekraïne en misbruik hebben gemaakt van de macht van de staat door een onafhankelijke rechtbank berecht moeten worden; dringt aan op de oprichting van een onafhankelijke commissie om, in nauwe samenwerking met het internationaal adviespanel van de Raad van Europa en de OVSE, een onderzoek in te stellen naar de schendingen van de mensenrechten sinds het begin van de demonstraties;

5.   steunt de aanpak van de EU, waarbij opgevoerde diplomatieke inspanningen worden gecombineerd met gerichte sancties tegen de personen die verantwoordelijk zijn voor bevelen tot schendingen van de mensenrechten in het kader van politieke onderdrukking; pleit voor de toepassing van de gerichte sancties die overeengekomen zijn door de Raad Buitenlandse Zaken en dringt er bij de lidstaten op aan dat zij hun eigen wetgeving tegen het witwassen van geld ten uitvoer leggen, om de stroom van verduisterd geld uit Oekraïne te stoppen, en dat zij toezien op de teruggave van de gestolen tegoeden die zijn gedeponeerd in de EU; is van mening dat er onmiddellijk een waarlijk onafhankelijk onderzoek moet worden ingesteld naar de begane misdaden en dat de gerichte sancties moeten worden opgeheven zodra de situatie in Oekraïne verbetert en dit onderzoek naar de begane misdaden resultaten begint op te leveren; pleit voor een onderzoek naar de zeer omvangrijke verduistering van overheidsmiddelen en ‑activa door de getrouwen en "familieleden" van de afgezette president Janoekovitsj, en voor de bevriezing van al hun tegoeden, in afwachting van het onderzoek naar de wijze waarop deze zijn verkregen en, indien blijkt dat het gaat om diefstal, tot de teruggave van de tegoeden door de regeringen van EU-lidstaten;

6.   dringt er bij de Commissie, de lidstaten en internationale mensenrechtenorganisaties op aan te zorgen voor snelle, degelijke en directe medische en humanitaire hulp aan alle slachtoffers;

7.   roept alle partijen en derde landen op om de eenheid en territoriale integriteit van Oekraïne te eerbiedigen en te ondersteunen; verzoekt alle politieke krachten in de Oekraïne en alle betrokken internationale actoren om zich in te zetten voor de territoriale integriteit en de nationale eenheid van Oekraïne, waarbij rekening moet worden gehouden met de culturele en taalkundige samenstelling van het land en zijn geschiedenis; verzoekt het Oekraïense parlement en de nieuwe regering de rechten van minderheden in het land en het gebruik van het Russisch en andere minderheidstalen te eerbiedigen; dringt aan op de goedkeuring van nieuwe wetgeving in overeenstemming met de verplichtingen van Oekraïne uit hoofde van het Europees Handvest voor regionale en minderheidstalen;

8.   herinnert eraan dat de huidige grenzen van Oekraïne door de Verenigde Staten van Amerika, de Russische Federatie en het Verenigd Koninkrijk zijn gewaarborgd in het Memorandum van Boedapest betreffende veiligheidsgaranties, toen Oekraïne overging tot nucleaire ontwapening en partij werd bij het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (NPV); herinnert de Russische Federatie eraan dat zij zich, samen met de twee andere bovengenoemde landen, in het memorandum heeft verbonden tot het achterwege laten van economische dwang om het eigen belang te laten prevaleren boven de uitoefening door Oekraïne van de rechten die voortvloeien uit de soevereiniteit van het land, en zo op enige wijze voordeel te behalen;

9.   benadrukt dat het belangrijk is het elan vol te houden om de fundamentele oorzaken van de crisis aan te pakken, en het vertrouwen van de bevolking in de politiek en de instellingen te herstellen; is voorts van mening dat constitutionele en structurele hervormingen vereist om een effectief systeem van controlemechanismen te creëren, alsmede een nauwere band tussen politiek en maatschappij, de rechtsstaat, verantwoordingsplicht, een waarlijk onafhankelijk en onpartijdig gerechtelijk systeem en geloofwaardige verkiezingen;

10.   is verheugd over de conclusies van de buitengewone zitting van de Raad Buitenlandse Zaken van 20 februari 2014, en met name over het besluit om gerichte sancties af te kondigen, waaronder bevriezing van banktegoeden en een visumverbod voor degenen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de mensenrechten, geweld en het gebruik van buitensporig geweld, en om exportvergunningen voor goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor binnenlandse repressie, op te schorten; wijst op de enorme impact die deze sancties hebben gehad op de publieke opinie in Oekraïne, en is van mening dat deze maatregelen eerder genomen hadden kunnen worden; is echter van mening dat deze sancties in stand moeten worden gehouden als onderdeel van het EU-beleid ten aanzien van Oekraïne gedurende deze overgangsperiode;

11.   is ingenomen met de vrijlating van voormalig premier Joelia Timosjenko, en hoopt dat haar vrijlating het einde zal aangeven van een selectief en politiek gemotiveerd rechtsapparaat in Oekraïne; eist de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle betogers en politieke gevangenen die illegaal vastgehouden worden, de intrekking van alle aanklachten tegen hen en hun politieke rehabilitatie;

12.   dringt er bij alle politieke krachten op aan om in deze voor Oekraïne kritieke fase samen te werken aan een vreedzame politieke overgang, een ambitieuze en brede hervormingsagenda en een op de Europese normen georiënteerde regering, om de eenheid en de territoriale integriteit van het land te bewaren, en om mee te werken aan compromisoplossingen voor de toekomst van Oekraïne; verzoekt de interim-autoriteiten om de democratische rechten en vrijheden te garanderen voor alle democratische politieke krachten en alle eventuele aanvallen tegen hen af te wenden;

13.   benadrukt dat het aan het Oekraïense volk is – en aan hen alleen – om vrij, zonder buitenlandse inmenging te beslissen over de geopolitieke oriëntatie van het land en over de vraag tot welke internationale overeenkomsten en gemeenschappen Oekraïne moet toetreden;

14.   veroordeelt de aanval op en de verwoesting van het hoofdkantoor van de communistische partij van Oekraïne en andere partijen, en de pogingen om de communistische partij van Oekraïne te verbieden;

15.   herhaalt dat de associatieovereenkomst/de overeenkomst voor een vergaande en alomvattende vrijhandelsruimte (DCFTA) gereed is om zo snel mogelijk te worden ondertekend door de nieuwe regering, zodra de nieuwe regering gereed is;

16.   is verheugd over het feit dat van de drie voorwaarden die zijn gesteld door de Raad Buitenlandse Zaken van 2012, de voorwaarde dat er een einde moet worden gemaakt aan de selectieve rechtsbedeling (met inbegrip van de detentie van Joelia Timosjenko) nu is vervuld, en dat de twee resterende voorwaarden, nl. betreffende het rechtsstelsel en het kiesstelsel, die de eisen van de protestbeweging vormen, nu al onderwerp zijn van diepgaande veranderingen en hervormingen, die hopelijk spoedig door de nieuwe coalitieregering zullen worden doorgevoerd en zullen worden gesteund door de nieuwe parlementaire meerderheid;

17.   verzoekt de Commissie om samen met de Oekraïense autoriteiten te onderzoeken hoe tegenwicht kan worden geboden aan de pressiemaatregelen die door Rusland zijn genomen om te voorkomen dat Oekraïne een associatieovereenkomst met de EU tekent, en aan mogelijke nieuwe maatregelen; is verheugd over de bekendmaking door de EU-commissaris voor economische en monetaire zaken en de euro, Olli Rehn, dat de EU bereid is een substantieel en ambitieus financieel hulppakket ter beschikking te stellen, zowel op de korte als de lange termijn, zodra er een politieke oplossing is gevonden op basis van democratische beginselen, de toezegging om hervormingen door te voeren en de benoeming van een legitieme regering; verzoekt Moskou zich positief op te stellen zodat voor Oekraïne de voorwaarden worden geschapen om te profiteren van bilaterale betrekkingen met zowel de EU als Rusland; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan om ten aanzien van Rusland met één stem te spreken ter ondersteuning van de Europese aspiraties van Oekraïne en andere landen van het Oostelijk Partnerschap, die er uit vrije wil voor gekozen hebben om hun banden met de EU aan te halen;

18.   verwacht dat de Raad en de Commissie, samen met het IMF en de Wereldbank, zo spoedig mogelijk met financiële bijstand en een betalingsbalansmechanisme voor de korte termijn over de brug komen, aangevuld met een langetermijnpakket, samen met de EBWO en de EIB, van financiële steunmaatregelen om Oekraïne te helpen de steeds slechter wordende economische en maatschappelijke situatie te verbeteren en de economische steun te verschaffen om de noodzakelijke grondige en grootscheepse hervormingen van de Oekraïense economie in gang te zetten; verlangt dat er zo snel mogelijk een internationale donorconferentie wordt gehouden; verzoekt de Commissie en de EDEO optimaal gebruik te maken van de middelen die voor Oekraïne beschikbaar zijn in het kader van de bestaande financiële instrumenten en te overwegen zo snel mogelijk aanvullende middelen beschikbaar te stellen voor Oekraïne;

19.   beseft dat de wijdverbreide corruptie op alle regeringsniveaus nog steeds een hinderpaal vormt voor het ontwikkelingspotentiaal van Oekraïne en het vertrouwen van de burgers in hun instellingen ondermijnt; verzoekt de nieuwe regering dan ook met klem corruptiebestrijding tot een van de topprioriteiten van haar programma te verheffen, en verzoekt de EU bij deze inspanningen te helpen;

20.   benadrukt de urgente noodzaak om een waarlijk onafhankelijk en onpartijdig rechtssysteem in te stellen;

21.   dringt er bij de Raad op aan de Commissie toestemming te verlenen om de visumdialoog met Oekraïne te intensiveren; benadrukt dat de snelle afronding van de visumversoepelingsovereenkomst – naar het voorbeeld van Moldavië – tussen de EU en Oekraïne de beste manier is om de verwachtingen van het Oekraïense maatschappelijke middenveld en de Oekraïense jongeren in te lossen; dringt in de tussentijd aan op de onmiddellijke invoering van tijdelijke, zeer eenvoudige en goedkope visumprocedures op het niveau van de EU en de lidstaten, in combinatie met nauwere samenwerking op onderzoeksgebied, een uitbreiding van uitwisselingsprogramma's voor jongeren en een grotere beschikbaarheid van studiebeurzen;

22.   is van mening dat de bepalingen van de overeenkomst voor een vergaande en alomvattende vrijhandelsruimte geen enkele commerciële uitdaging aan het adres van de Russische Federatie inhouden en dat de associatieovereenkomst geen belemmering vormt voor goede betrekkingen tussen Oekraïne en zijn oosterbuur; benadrukt dat instabiliteit in het gemeenschappelijke buurland noch in het belang is van de EU noch in dat van Rusland; benadrukt dat het uitoefenen van politieke, economische of andere druk in strijd is met de Slotakte van Helsinki;

23.   neemt kennis van het besluit om op 25 mei 2014 presidentsverkiezingen te houden; benadrukt dat erop moet worden toegezien dat de verkiezingen vrij en eerlijk zullen verlopen; dringt er bij de Verchovna Rada op aan de nodige verkiezingswetgeving goed te keuren overeenkomstig de aanbevelingen van de Commissie van Venetië, inclusief een hervormde wet op de financiering van politieke partijen waarin de door de GRECO en de OVSE/ODIHR aangewezen kwesties worden aangepakt; moedigt internationale waarneming van de komende verkiezingen aan en verklaart zich bereid hiervoor een eigen waarnemingsmissie samen te stellen, via een omvangrijke verkiezingswaarnemingsmissie van het Europees Parlement; is van mening dat er parlementsverkiezingen moeten worden georganiseerd kort na de presidentsverkiezingen, maar vóór het eind van het jaar; verzoekt de Commissie, de Raad van Europa en de OVSE/ODIHR meer steun te verlenen voor de voorbereidingen van de verkiezingen en te zorgen voor een omvangrijke, langdurige verkiezingswaarnemingsmissie, opdat de voor 25 mei 2014 geplande presidentsverkiezingen aan de hoogste normen voldoen en een uitslag opleveren die aanvaardbaar is voor alle deelnemers; pleit voor een detachering van personeel van het Europees Parlement naar de EU-delegatie in Kiev voor een overgangsperiode tot aan de verkiezingen;

24.   is tevreden met de recente erkenning door de Raad van het feit dat de associatieovereenkomst, met inbegrip van een overeenkomst voor een vergaande en alomvattende vrijhandelsruimte, niet het einddoel is van de samenwerking tussen de EU en Oekraïne; wijst erop dat de EU klaar staat om de associatieovereenkomst/de overeenkomst voor een vergaande en alomvattende vrijhandelsruimte te ondertekenen zodra de huidige politieke crisis is opgelost en de nieuwe Oekraïense autoriteiten gereed zijn voor een diepgaand Europees perspectief; benadrukt voorts dat artikel 49 VEU van toepassing is op alle Europese landen, met inbegrip van Oekraïne, en dat zij zich kandidaat kunnen stellen voor lidmaatschap van de Europese Unie, mits zij de democratische beginselen in acht nemen, de fundamentele vrijheden, de mensenrechten en de rechten van minderheden eerbiedigen en het functioneren van de rechtsstaat garanderen;

25.   benadrukt het belang van een zekere, gediversifieerde en betaalbare energievoorziening als een pijler voor de economische, sociale en politieke transitie en voor het bereiken van een competitieve en welvarende economie voor alle Oekraïeners; vestigt in dit verband de aandacht op de strategische rol van de Energiegemeenschap, waarvan Oekraïne in 2014 het voorzitterschap bekleedt, als het enige verdrag dat heden geldt tussen Oekraïne en de Europese Unie;

26.   betuigt zijn steun aan het maatschappelijke, niet-partijgebonden initiatief om een "Maidan‑platform" op te zetten voor het uitwerken van een strategie om een einde te maken aan de endemische corruptie in Oekraïne;

27.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, de waarnemend president, de regering en het parlement van Oekraïne, de Raad van Europa en de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2014)0098 .
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0595 .


Situatie in Irak
PDF 133k   DOC 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over de situatie in Irak (2014/2565(RSP) )
P7_TA(2014)0171 B7-0188 , 0189 , 0190 , 0191 en 0192/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn eerdere resoluties over Irak, en met name die van 10 oktober 2013 over recent geweld in Irak(1) ,

–   gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Irak, anderzijds, en zijn resolutie van 17 januari 2013 over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Irak(2) ,

–   gezien het gemeenschappelijk strategisch document voor Irak (2011-2013) van de Commissie,

–   gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken over Irak, in het bijzonder die van 10 februari 2014,

–   gezien de verklaringen van Catherine Ashton, vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), over Irak, meer bepaald die van 5 februari 2014, 16 januari 2014, 18 december 2013 en 5 september 2013,

–   gezien de verklaring van de woordvoerder van de VV/HV van 28 december 2013 over het doden van bewoners van Kamp Hurriya,

–   gezien de verklaring van de voorzitter van de VN-Veiligheidsraad van 10 januari 2014 over Irak,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–   gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966, waarbij Irak partij is,

–   gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat Irak nog steeds geconfronteerd wordt met ernstige politieke, veiligheids- en sociaal-economische problemen en dat het politieke toneel in het land uiterst gefragmenteerd is en gebukt gaat onder geweld en politiek sektarisme, zeer ten koste van de legitieme verlangens van het Iraakse volk naar vrede, welvaart en een echte overgang naar democratie; overwegende dat Irak te kampen heeft met de grootste golf van geweld sinds 2008;

B.   overwegende dat Irak weliswaar zijn olieproductie vrijwel volledig heeft weten te herstellen, maar dat de sociale ongelijkheid toeneemt, aangezien de Iraakse staat nog steeds niet bij machte is zijn bevolking fundamentele diensten aan te bieden, zoals regelmatige elektriciteitsvoorziening in de zomer, schoon water en gezondheidszorg;

C.   overwegende dat volgens de cijfers die door de Missie van de Verenigde Naties voor bijstand aan Irak (UNAMI) op 1 februari 2014 zijn bekendgemaakt, in januari 2014 733 Irakezen door terrorisme en geweld zijn omgekomen, en 1 229 anderen werden gewond; overwegende dat in de cijfers voor januari 2014 niet de slachtoffers zijn opgenomen van de nog voortdurende gevechten in de provincie Anbar, aangezien het moeilijk is deze cijfers te verifiëren en vast te stellen of het om doden of gewonden gaat;

D.   overwegende dat de aanhoudende burgeroorlog in Syrië de situatie in Irak nog heeft verergerd; en dat deze burgeroorlog overslaat naar Irak, doordat militanten – met name die van de Islamitische Staat van Irak en de Levant (ISIL) – hun activiteiten uitbreiden naar Iraaks grondgebied;

E.   overwegende dat de VN-Veiligheidsraad op 10 januari 2014 zijn veroordeling heeft uitgesproken over de aanvallen op de bevolking van Irak door de ISIL, die aldus probeert het land en de regio te destabiliseren;

F.   overwegende dat de regering van premier Nuri al-Maliki geen passend antwoord heeft gevonden op de bekommernissen van de soennitische minderheid; overwegende dat bij de de-baathificatie ingevolge de wet inzake rechtvaardigheid en verantwoording vooral soennitische ambtenaren zijn ontslagen, hetgeen nog meer de indruk heeft gewekt dat de regering een sektarische agenda heeft; overwegende dat met name de ontruiming door de regering van het een jaar oude soennitische protestkamp in Ramadi op 30 december 2013 de gewelddadige confrontatie in de provincie Anbar heeft bespoedigd; overwegende dat als gevolg hiervan sinds december 2013 in Fallujah en andere steden in de provincie Anbar wordt gevochten tussen regeringstroepen en ISIL-militanten;

G.   overwegende dat op 13 februari 2014 meer dan 63 000 families (of meer dan 370 000 mensen, volgens ramingen van de VN) die door de gevechten in de provincie Anbar zijn getroffen als binnenlands ontheemd zijn aangemerkt; overwegende dat velen naar andere delen van het land zijn gevlucht, onder andere naar de provincies Kerbala, Bagdad en Erbil, terwijl anderen een veilig heenkomen hebben gezocht in de afgelegen dorpen van de provincie Anbar of niet in staat zijn de gevechten te ontvluchten; overwegende dat hun omstandigheden hachelijk blijven met steeds minder voedsel en drinkwater, slechte sanitaire voorzieningen en beperkte toegang tot medische verzorging;

H.   overwegende dat in heel Irak onverminderd dodelijke bomaanslagen blijven plaatsvinden –zoals de aanval van 5 februari 2014 op het Iraakse ministerie van Buitenlandse Zaken – en dat deze met name sjiitische wijken treffen, terwijl verschillende gevangenisuitbraken hebben geleid tot een toename van het aantal strijders dat zich bij extremistische militantengroepen aansluit;

I.   overwegende dat op 25 december 2013 ten minste 35 mensen zijn gedood en tientallen mensen zijn gewond bij bomaanslagen in de christelijke wijken van Bagdad; overwegende dat wordt aangenomen dat sedert 2003 ten minste de helft van de Iraakse christenen het land heeft verlaten;

J.   overwegende dat op 5 februari 2014 het Iraakse ministerie van Buitenlandse Zaken in Bagdad is aangevallen en dat op 10 februari 2014 in de stad Mosoel in de provincie Ninawa het escorte van parlementsvoorzitter Osama al-Nujaifi is aangevallen;

K.   overwegende dat er tussen de federale regering van Irak en het regionale bestuur van Koerdistan nog altijd onenigheid heerst over hoe het gebruik van de minerale hulpbronnen van Irak moet worden verdeeld, terwijl een nieuwe pijplijn naar verwachting iedere maand twee miljoen vaten olie van Koerdistan naar Turkije zal vervoeren, en de centrale overheid juridische stappen tegen de provincie voorbereidt;

L.   overwegende dat de sociale en economische noodsituatie – wijdverspreide armoede, hoge werkloosheid, economische stagnatie, milieuschade en ontbreken van elementaire openbare diensten – een groot deel van de bevolking in haar greep blijft houden;

M.   overwegende dat geweld en sabotage een ernstige hinderpaal vormen voor de inspanningen om de door decennia van conflicten en sancties verwoeste economie nieuw leven in te blazen; overwegende dat Irak de op twee na grootste reserves aan ruwe olie ter wereld heeft, maar dat de uitvoer ernstig wordt gehinderd door aanvallen, corruptie en smokkel; overwegende dat de sociale structuur van het land, met inbegrip van het vroegere niveau van gelijkheid voor vrouwen, ernstig is aangetast;

N.   overwegende dat de pers- en mediavrijheid herhaaldelijk en in toenemende mate wordt belemmerd, zowel door de regering als door extremistische groeperingen; overwegende dat journalisten en nieuwsmedia zijn aangevallen of gecensureerd en dat Reporters without Borders een nieuwsblackout hebben gemeld over de situatie in de provincie Anbar; overwegende dat Irak door het Freedom House in het Freedom in the World-verlag over 2014 is ingeschaald als 'niet vrij';

O.   overwegende dat de Iraakse grondwet gelijkheid voor de wet garandeert voor alle burgers en de "administratieve, politieke, culturele en onderwijsrechten van de diverse nationaliteiten" erkent;

P.   overwegende dat in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Irak, en met name in de mensenrechtenclausule hiervan, het feit wordt benadrukt dat bij de politieke dialoog tussen de EU en Irak moet worden gefocust op de mensenrechten en op een versterking van de democratische instellingen;

Q.   overwegende dat in november 2013 amendementen op de Iraakse kieswet zijn aangenomen, waardoor de weg vrij is voor het houden van algemene verkiezingen op 30 april 2014;

R.   overwegende dat de EU heeft bevestigd dat zij Irak zal helpen bij de overgang van het land naar democratie, en erop heeft gewezen dat de eenheid en territoriale integriteit van Irak essentiële elementen zijn voor het opbouwen van een veilige en welvarende staat voor alle burgers en voor de totstandbrenging van stabiliteit in de hele regio;

S.   overwegende dat de Samenwerkingsraad van de EU en de Republiek Irak op 20 januari 2014 in Brussel zijn eerste bijeenkomst heeft gehouden; overwegende dat de Samenwerkingsraad, die in het kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Irak bijeenkomt, andermaal de verbintenis van beide partijen heeft bevestigd om hun betrekkingen te blijven versterken; overwegende dat de EU de samenwerking op alle terreinen van wederzijds belang zal blijven bevorderen en gerichte bijstand op alle gezamenlijk overeengekomen gebieden zal bieden;

T.   overwegende dat de Iraakse autoriteiten nog steeds de doodstraf toepassen; overwegende dat de EU-missiehoofden in Bagdad op de Werelddag tegen de doodstraf in oktober 2013 mede een verklaring hebben ondertekend waarin ernstige bezorgdheid werd uitgesproken over het gebruik van de doodstraf door Irak, en de regering van het land werd opgeroepen om een moratorium in te stellen;

U.   overwegende dat er momenteel een omvangrijke bewapeningscampagne voor Irak plaatsvindt, waarbij op grote schaal militaire uitrusting wordt verkocht;

1.   veroordeelt ten sterkste de recente terreurdaden en het toenemende sektarisch geweld, die het land dreigen te doen terugglijden naar sektarische tweespalt en doen vrezen voor verbreiding van sektarische conflicten in de gehele regio; merkt op dat het geweld langs sektarische lijnen verloopt maar veeleer door politieke dan door religieuze motieven wordt ingegeven; betuigt zijn medeleven met de familieleden en vrienden van de doden en gewonden;

2.   veroordeelt ten stelligste de aanvallen van de ISIL in de provincie Anbar en steunt de oproep van de VN‑Veiligheidsraad aan de bevolking van Irak, met inbegrip van de Iraakse stammen, plaatselijke leiders en Iraakse ordestrijdkrachten in de provincie Anbar, om het geweld en de terreur mee te bestrijden; onderstreept dat middels resoluties 1267 (1999) en 2083 (2012) van de VN-Veiligheidsraad tegen de ISIL een wapenembargo en een bevriezing van zijn tegoeden zijn uitgevaardigd en onderstreept het belang van een snelle en doeltreffende tenuitvoerlegging van deze maatregelen;

3.   is zeer verontrust over de ontwikkelingen in de provincie Anbar en de grote aantallen binnenlands ontheemden die de conflictgebieden ontvluchten; dringt aan op de toegang van humanitaire hulp tot Fallujah; verzoekt de regering van Irak haar plicht na te komen de burgerbevolking in Fallujah en elders te beschermen; moedigt de Iraakse regering aan om met de UNAMI en humanitaire organisaties te blijven samenwerken om de humanitaire hulpverlening te waarborgen; is verheugd over de inspanningen van de VN om hulp te bieden aan de mensen die door de gevechten in de provincie Anbar zijn getroffen, ondanks de hachelijke situatie ten gevolge van de verslechterende veiligheid en de aanhoudende operaties in de provincie;

4.   verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en de Commissie hun steun te verlenen aan alle inspanningen van de Iraakse regering en de UNAMI ter bescherming van de burgerbevolking in Fallujah en elders, en ernaar te streven de veilige doorgang van burgers die in de conflictgebieden vastzitten en de veilige terugkeer van binnenlands ontheemden, als de omstandigheden dat toestaan, te waarborgen;

5.   verzoekt de Iraakse regering de langetermijnkwesties aan te pakken die bijdragen tot de instabiliteit van het land, zoals de gewettigde bezorgdheid van de soennitische minderheid, door een inclusieve nationale dialoog in het leven te roepen over de hervorming van de wet inzake rechtvaardigheid en verantwoording, zich te onthouden van opruiende sektarische verklaringen en maatregelen te nemen met het oog op nationale verzoening; verwerpt oproepen voor de oprichting van een soennitische federale regio in Irak als oplossing voor het huidige conflict, aangezien dit waarschijnlijk tot meer sektarisme en geweld zal leiden;

6.   stelt met bezorgdheid vast dat het geweld van het conflict in Syrië overslaat naar Irak; verzoekt de Iraakse regering een ernstige inspanning te doen om Irak buiten de Syrische burgeroorlog te houden door zich te onthouden van steun aan bij het conflict betrokken partijen en door te voorkomen dat zowel sjiitische als soennitische strijders vanuit Syrië naar Irak of vanuit Irak naar Syrië trekken;

7.   is uiterst bezorgd over de aanhoudende gewelddaden tegen de burgerbevolking, kwetsbare groepen en religieuze gemeenschappen; roept de Iraakse regering en alle politieke leiders op om de nodige maatregelen te nemen en veiligheid en bescherming te bieden aan alle mensen in Irak, met name degenen die behoren tot kwetsbare minderheden, zoals vrouwen, journalisten, jongeren, grondrechtenactivisten en vakbondsbestuurders, of tot religieuze gemeenschappen, waaronder de christenen; vraagt de Iraakse regering ervoor te zorgen dat de veiligheidstroepen zich aan de beginselen van de rechtsstaat en aan internationale normen houden;

8.   steunt de inspanningen van de EU om Irak te helpen bij het bevorderen van de democratie, de mensenrechten, goed bestuur en de rechtsstaat, mede door voort te bouwen op de ervaringen en resultaten van de EUJUST LEX-missie voor Irak, die jammer genoeg op 31 december 2013 haar mandaat heeft afgesloten, samen met de inspanningen van de UNAMI en de speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de VN om de regering van Irak te helpen haar democratische instellingen en processen te versterken, de rechtsstaat te bevorderen, de regionale dialoog te vergemakkelijken, de voorziening van basisdiensten te verbeteren en de bescherming van de mensenrechten te waarborgen; is verheugd over het op 22 januari 2014 gelanceerde programma voor capaciteitsopbouw, dat door de EU wordt gefinancierd en door het VN-Bureau voor projectdiensten wordt uitgevoerd en waarmee de Iraakse Hoge Commissie voor de mensenrechten zal worden gesteund bij de uitoefening van haar mandaat voor de bevordering en bescherming van de mensenrechten in Irak;

9.   is verheugd over de goedkeuring van wijzigingen van de Iraakse kieswet op 4 november 2013, waardoor de weg vrij is voor het houden van algemene verkiezingen op 30 april 2014; onderstreept het belang van deze verkiezingen voor de verdere overgang van Irak naar democratie en roept alle spelers op ervoor te zorgen dat ze inclusief, transparant en geloofwaardig zullen zijn en op tijd worden gehouden; verzoekt de EDEO de Iraakse regering zo veel mogelijk te helpen met de praktische voorbereidingen;

10.   is diep verontrust over het hoge aantal terechtstellingen in Irak; doet een beroep op de Iraakse autoriteiten om een moratorium op de uitvoering van alle doodstraffen in te stellen; is van oordeel dat een hervorming van het gerechtelijk apparaat van primair belang is om de burgers van Irak opnieuw een gevoel van veiligheid te kunnen bieden; meent dat in het kader hiervan ook de antiterrorismewet moet worden herzien, aangezien deze verdachten en gedetineerden aanzienlijk minder bescherming biedt dan het wetboek van strafvordering, en roept op tot een beëindiging van de straffeloosheid, met name voor nationale veiligheidstroepen;

11.   verzoekt alle overheids- en niet-overheidsactoren de pers- en mediavrijheid te eerbiedigen en journalisten en nieuwsmedia te beschermen tegen geweld; erkent dat vrije pers en vrije media essentiële onderdelen zijn van een goed functionerende democratie, waardoor mensen toegang hebben tot informatie en over een platform beschikken;

12.   verzoekt de EU om een gemeenschappelijk standpunt te bepalen met het oog op het verbod op het gebruik van munitie met verarmd uranium en om ondersteuning te bieden bij de behandeling van slachtoffers, waaronder slachtoffers van chemische wapens, en bij eventuele pogingen om de getroffen gebieden te ontsmetten;

13.   veronderstelt dat de onlangs gestarte gesprekken tussen de E3+3 en Iran wellicht ook een stabilisatie van Irak kan bewerkstelligen, mits alle naburige mogendheden ophouden zich in de interne zaken van Irak te mengen;

14.   veroordeelt met klem de raketaanval op Kamp Hurriya op 26 december 2013, waarbij volgens diverse berichten meerdere bewoners van het kamp om het leven kwamen en mensen gewond raakten; onderstreept dat de omstandigheden waaronder dit wrede incident plaatsvond, moeten worden opgehelderd; doet een beroep op de Iraakse autoriteiten om de veiligheidsmaatregelen rond het kamp te versterken om de bewoners tegen verder geweld te beschermen: dringt er bij de Iraakse regering op aan de daders van de aanval op te sporen en hen ter verantwoording te roepen; stelt vast dat de EU alle partijen oproept het werk van de hoge commissaris van de VN voor vluchtelingen bij de onverwijlde verplaatsing van alle bewoners van Kamp Hurriya naar een permanente en veilige locatie buiten Irak te vergemakkelijken;

15.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de regering en de Raad van Volksvertegenwoordigers van Irak, het regionale bestuur van Koerdistan, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de VN-Mensenrechtenraad.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0424 .
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0022 .


Inzet van gewapende drones
PDF 115k   DOC 39k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over de inzet van gewapende drones (2014/2567(RSP) )
P7_TA(2014)0172 B7-0201 , 0202 , 0203 , 0204 en 0206/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien de verslagen over de inzet van gewapende drones van de speciale rapporteur van de VN inzake buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies van 28 mei 2010 en 13 september 2013 en van de speciale rapporteur van de VN inzake de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden bij de bestrijding van terrorisme van 18 september 2013,

–   gezien de verklaring van de secretaris-generaal van de VN, Ban Ki-moon, van 13 augustus 2013 over de inzet van gewapende drones,

–   gezien de hoorzitting van 25 april 2013 over de gevolgen van de inzet van drones voor de mensenrechten, gezamenlijk georganiseerd door de Subcommissie mensenrechten en de Subcommissie veiligheid en defensie van het Parlement,

–   gezien zijn studie van 3 mei 2013 over de gevolgen voor de mensenrechten van de inzet van drones en onbemande robots bij oorlogvoering,

–   gezien de conclusies van de Raad van 19 en 20 december 2013 over de voorbereidingen voor een programma van de volgende generatie Europese op afstand bestuurde vliegtuigen (RPAS) voor middelgrote hoogte en lange duur,

–   gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de inzet van op afstand bestuurbare vliegtuigen (hierna "drones") bij dodelijke extraterritoriale acties het afgelopen decennium zeer sterk is toegenomen;

B.   overwegende dat een onbekend aantal burgers in hun dagelijks leven door aanvallen van drones buiten verklaarde conflictgebieden is gedood, ernstig gewond geraakt of getraumatiseerd;

C.   overwegende dat staten, wanneer zij ervan worden beschuldigd dat er burgerdoden zijn gevallen ten gevolge van droneaanvallen, de verplichting hebben om onmiddellijk een onafhankelijk onderzoek in te stellen en, als de beschuldiging terecht is, de verantwoordelijken aan te wijzen, hen te straffen en de nabestaanden van de slachtoffers de mogelijkheid te bieden om verhaal te halen, inclusief de betaling van schadeloosstelling;

D.   overwegende dat in artikel 51, lid 2 van Aanvullend Protocol I bij de Verdragen van Genève is vastgelegd dat "daden van geweld of bedreiging met geweld, waarvan het belangrijkste oogmerk is de burgerbevolking angst aan te jagen, [verboden zijn]";

E.   overwegende dat droneaanvallen buiten een door een staat verklaarde oorlog op het grondgebied van een andere staat zonder de toestemming van laatstgenoemde of van de VN-Veiligheidsraad, een schending van het internationaal recht vormen en van de territoriale integriteit en de soevereiniteit van dat land;

F.   overwegende dat de internationale mensenrechtenwetgeving willekeurig doden onder alle omstandigheden verbiedt; overwegende dat de internationale mensenrechtenwetgeving het doelgericht doden van personen die zich in niet-oorlogvoerende landen bevinden, niet toestaat;

G.   overwegende dat alle uitgaven voor operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied zijn uitgesloten van financiering uit de EU-begroting (artikel 41, lid 2, VEU);

H.   overwegende dat zeven lidstaten (Frankrijk, Duitsland, Griekenland, Italië, Nederland, Polen en Spanje) een intentieverklaring hebben getekend met het Europees Defensieagentschap (EDA), waarin het EDA de opdracht krijgt een studie te verrichten naar de mogelijkheden voor gezamenlijke productie van MALE-drones (Medium Altitude Long Endurance), waarmee militaire doelen kunnen worden aangevallen en die ingezet kunnen worden voor de bewaking van schepen met migranten op de Middellandse Zee, waarmee een eerste aanzet wordt gegeven voor een Europese drone (RPAS);

I.   overwegende dat onderzoeks- en ontwikkelingsstudies in verband met de bouw van drones voor militair en civiel gebruik met EU-middelen zijn ondersteund, en overwegende dat gepland is dat dit in de toekomst zo zal blijven gaan;

1.   geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de inzet van gewapende drones buiten het internationale rechtskader; dringt er bij de EU op aan als antwoord hierop passend beleid te ontwikkelen op zowel Europees als mondiaal niveau waarin de mensenrechten en de internationale mensenrechtenwetgeving worden geëerbiedigd;

2.  verzoekt de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de lidstaten en de Raad:

   a) zich te verzetten tegen en een verbod uit te vaardigen op de praktijk van buitengerechtelijk doelgericht doden;
   b) ervoor te zorgen dat de lidstaten, overeenkomstig hun wettelijke verplichtingen, zich niet bezondigen aan onwettig doelgericht doden of het andere landen gemakkelijk maken dit te doen;
   c) gewapende drones op te nemen in alle relevante Europese en internationale regelingen inzake ontwapening en controle op wapens;
   d) een verbod uit te vaardigen op de ontwikkeling, de productie en het gebruik van volledig autonome wapens waarmee aanvallen zonder menselijke tussenkomst kunnen worden uitgevoerd;
   e) zich in te zetten om te garanderen dat, als er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat een persoon of entiteit binnen hun rechtsgebied gekoppeld kan worden aan onrechtmatig en doelgericht doden in het buitenland, er maatregelen worden genomen in overeenstemming met hun binnenlandse en internationale wettelijke verplichtingen;
   f) het werk van de speciale rapporteur van de VN inzake buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies en de speciale rapporteur van de VN inzake de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden bij de bestrijding van terrorisme te ondersteunen en gevolg te geven aan hun aanbevelingen;

3.   dringt bij de Raad aan op vaststelling van een gemeenschappelijk standpunt van de EU inzake gewapende drones;

4.   dringt er bij de EU op aan meer transparantie en verantwoordingsplicht te bevorderen bij derde landen bij de inzet van gewapende drones met het oog op de rechtsgrondslag van hun inzet en met het oog op de operationele verantwoordelijkheid, om gerechtelijke toetsing van drone-aanvallen mogelijk te maken en ervoor te zorgen dat slachtoffers van onrechtmatige drone-aanvallen daadwerkelijk een verhaalsrecht hebben;

5.   verzoekt de Commissie verder om het Parlement naar behoren op de hoogte te houden van het gebruik van EU-middelen voor alle onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten in verband met de bouw van drones; dringt aan op beoordelingen van het effect op de mensenrechten van verdere ontwikkelingsprojecten van drones;

6.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de parlementen van de lidstaten, de speciale rapporteur van de VN inzake buitengerechtelijke, standrechtelijke en willekeurige executies en de speciale rapporteur van de VN inzake de bevordering en bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden bij de bestrijding van terrorisme, alsmede de VN-secretaris-generaal.


Grondrechtensituatie in de Europese Unie - 2012
PDF 422k   DOC 158k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over de grondrechtensituatie in de Europese Unie - 2012 (2013/2078(INI) )
P7_TA(2014)0173 A7-0051/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna het "EU-Verdrag"), en met name het tweede en het vierde tot en met zevende streepje daarvan,

–   gezien met name artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede streepje, en de artikelen 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, en de artikelen met betrekking tot de eerbiediging, bevordering en bescherming van de grondrechten in de EU, zowel in het VEU als in het VWEU,

–   gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (hierna "het Handvest"), dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–   gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, de verdragen, aanbevelingen, resoluties en verslagen van de Parlementaire Vergadering, het Comité van Ministers, de Commissaris voor de Rechten van de Mens en de Commissie van Venetië van de Raad van Europa,

–   gezien het Europees Sociaal Handvest, als gewijzigd in 1996, en de jurisprudentie van het Europees Comité voor Sociale Rechten,

–   gezien de VN-verdragen tot bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden,

–   gezien het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarbij de EU partij is, net als bijna al haar lidstaten,

–   gezien de op 27 oktober 2012 aangenomen basisbeginselen van de VN-Mensenrechtenraad inzake extreme armoede en mensenrechten (A/HRC/21/39),

–   gezien de mededelingen van de Commissie getiteld "Artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie - Eerbiediging en bevordering van de waarden waarop de Unie is gegrondvest" (COM(2003)0606 ), "Strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie" (COM(2010)0573 ), en "Operationele richtsnoeren voor het in aanmerking nemen van grondrechten in effectbeoordelingen" (SEC(2011)0567 ),

–   gezien de op 23 mei 2011 door de Raad aangenomen conclusies over de acties en initiatieven van de Raad voor de uitvoering van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsmede de richtsnoeren van de Raad over methodologische stappen om de verenigbaarheid met de grondrechten in de voorbereidende instanties van de Raad te controleren(1) ,

–   gezien het verslag-2013 van de Commissie over de toepassing van het EU-Handvest van de grondrechten in 2012 (COM(2013)0271 ) en de bijbehorende werkdocumenten,

–   gezien het verslag EU-burgerschap 2013 met als titel "EU-burgers: uw rechten, uw toekomst" (COM(2013)0269 ),

–   gezien het programma van Stockholm met als titel "Een open en veilig Europa ten dienste en ter bescherming van de burger"(2) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020" (COM(2011)0173 ) en de conclusies van de Europese Raad van 24 juni 2011,

–   gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Verdere stappen bij de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma" (COM(2013)0454 ) en het voorstel voor een aanbeveling van de Raad over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten (COM(2013)0460 ),

–   gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(3) ,

–   gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(4) , Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(5) en het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426 ),

–   gezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(6) ,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(7) ,

–   gezien de besluiten en uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de jurisprudentie van nationale constitutionele hoven, waarin het Handvest als een van de referenties voor de interpretatie van het nationaal recht wordt gebruikt,

–   gezien de toespraak die de heer Barroso op 11 september 2013 in het Europees Parlement heeft gehouden over de staat van de Unie en de toespraak over de Europese Unie en de rechtsstaat die mevrouw Reding op 4 september 2013 heeft gegeven in het Centrum voor Europese Beleidsstudies (CEPS) te Brussel,

–   gezien de brief van 6 maart 2013 van de ministers van Buitenlandse Zaken van Duitsland, Denemarken, Finland en Nederland aan de voorzitter van de Commissie, de heer Barroso, waarin zij oproepen tot instelling van een mechanisme om de eerbiediging van de fundamentele waarden in de lidstaten te bevorderen,

–   gezien de conclusies van de Raad van 6 en 7 juni 2013 over de grondrechten en de rechtsstaat en over het verslag-2012 van de Commissie over de toepassing van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien de conclusies van de conferentie over "Een Europa van gelijke burgers: gelijkheid, grondrechten en rechtsstaat", die op 9 en 10 mei 2013 door het Ierse voorzitterschap van de Raad is georganiseerd,

–   gezien het vierde jaarlijkse symposium van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie (FRA), dat op 7 juni 2013 heeft plaatsgevonden onder de titel "Bevordering van de rechtsstaat in de EU",

–   gezien de ontwerpconclusies van de Raad inzake de evaluatie van het Bureau voor de grondrechten van de Europese Unie van 13 september 2013,

–   gezien de activiteiten, de jaarverslagen, de studies en de adviezen van het FRA, in het bijzonder het jaarverslag over de grondrechtensituatie in de EU in 2012,

–   gezien het gezamenlijk verslag van het FRA, het UNDP, de Wereldbank en de Commissie getiteld "The situation of Roma in 11 EU Member States - Survey results at a glance" van mei 2012,

–   gezien het verslag van april 2013 van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten van migranten over het beheer van de buitengrenzen van de EU en de gevolgen daarvan voor de mensenrechten van migranten,

–   gezien de verslagen en studies van ngo's met betrekking tot de mensenrechten en de desbetreffende studies die op verzoek van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken op dit terrein zijn uitgevoerd, met name de studie getiteld "The triangular relationship between fundamental rights, democracy and the Rule of Law in the EU - towards an EU Copenhagen mechanism",

–   gezien zijn resoluties over de grondrechten en de rechten van de mens, met name zijn resolutie van 15 december 2010 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2009) - effectieve tenuitvoerlegging na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon(8) en zijn resolutie van 12 december 2012 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie (2010-2011)(9) ,

–   gezien zijn resolutie van 22 april 2004 over de risico's van schending in de EU en met name in Italië van de vrijheid van meningsuiting en informatie (artikel 11, lid 2, van het Handvest van de grondrechten)(10) ,

–   gezien zijn resolutie van 8 juni 2005 over de bescherming van minderheden en maatregelen ter bestrijding van discriminatie in een uitgebreid Europa(11) ,

–   gezien zijn resolutie van 10 juli 2008 over de telling van Roma op grond van etniciteit in Italië(12) ,

–   gezien zijn resolutie van 17 september 2009 over de Litouwse wet betreffende de bescherming van minderjarigen tegen de schadelijke gevolgen van openbare informatie(13) ,

–   gezien zijn resolutie van 9 september 2010 over de situatie van de Roma en het vrije verkeer in de Europese Unie(14) ,

–   gezien zijn resolutie van 19 januari 2011 over de schending van de vrijheid van meningsuiting en discriminatie op grond van seksuele geaardheid in Litouwen(15) ,

–   gezien zijn resolutie van 9 maart 2011 over de EU-strategie voor de integratie van de Roma(16) ,

–   gezien zijn resolutie van 10 maart 2011 over de Hongaarse mediawet(17) ,

–   gezien zijn resolutie van 21 mei 2013 over het EU-Handvest: vaststelling van normen voor de vrijheid van de media in de gehele EU(18) ,

–   gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 over de bestrijding van homofobie in Europa(19) ,

–   gezien zijn resolutie van 14 maart 2013 over de opvoering van de strijd tegen racisme, vreemdelingenhaat en haatmisdrijven(20) ,

–   gezien zijn resolutie van 15 september 2011 over de inspanningen van de EU ter bestrijding van corruptie(21) ,

–   gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven (eindverslag)(22) ,

–   gezien zijn resolutie van 3 juli 2013 over de situatie op het gebied van de grondrechten: normen en praktijken in Hongarije (naar aanleiding van zijn resolutie van 16 februari 2012)(23) ,

–   gezien zijn resolutie van 11 september 2012 over het veronderstelde vervoer en illegaal vasthouden van gevangenen in Europese landen door de CIA: follow-up bij het verslag van de TDIP-commissie van het Europees Parlement(24) en zijn follow-upresolutie van 10 oktober 2013(25) ,

–   gezien zijn resolutie van 11 september 2013 over Europese talen die met uitsterven worden bedreigd en taalkundige verscheidenheid in de Europese Unie(26) ,

–   gezien het Verdrag van de Verenigde Naties van 1979 inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–   gezien het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) dat in maart 2011 door de Raad werd aangenomen,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 21 september 2010 met als titel "Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010-2015" (COM(2010)0491 ),

–   gezien het Verdrag van de Raad van Europa van 7 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld,

–   gezien zijn resolutie van 5 april 2011 over de prioriteiten en het ontwerp van een nieuw beleidskader van de EU voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen(27) en van 6 februari 2013 over de 57ste zitting van de VN-Commissie inzake de positie van de vrouw: Uitbanning en preventie van alle vormen van geweld tegen vrouwen en meisjes(28) ,

–   gezien zijn resolutie van 24 mei 2012 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke beloning van mannelijke en vrouwelijke werknemers voor gelijke of gelijkwaardige arbeid(29) ,

–   gezien de werkdocumenten I en II over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2012, rapporteur: Louis Michel,

–   gezien de openbare hoorzitting van 5 november 2013 van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken met als thema "The situation of fundamental rights in the European Union: how to strengthen fundamental rights, democracy and the rule of law in the EU",

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7-0051/2014 ),

A.   overwegende dat de Europese integratie een politiek project is dat is ontstaan naar aanleiding van de Tweede Wereldoorlog en de vervolging en de onderdrukking van mensen door totalitaire regimes, dat tot doel heeft de democratie en de rechtsstaat te verankeren in de Europese landen, teneinde de mensenrechten, de grondrechten, gelijkheid en de bescherming van minderheden te eerbiedigen en te bevorderen op basis van de Universele Verklaring van de rechten van de mens (UVRM), het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) en andere instrumenten inzake mensenrechten en grondrechten, en om de terugkeer naar om het even welk autoritair regime te voorkomen;

B.   overwegende dat de mensen, of het nu onderdanen of ingezetenen zijn, centraal moeten staan in de Europese Unie, en overwegende dat de grondrechten hen bescherming bieden tegen mogelijke inmenging en mogelijk misbruik en geweld door overheden -op alle niveaus- met betrekking tot hun persoonlijke levenssfeer, hun rechten en vrijheden; overwegende dat de eerbiediging en de bevordering van de mensenrechten, fundamentele vrijheden, democratie en de in de EU-Verdragen en internationale instrumenten (UVRM, EVRM, IVBPR, ICESCR) verankerde waarden en beginselen het middelpunt moeten vormen van de Europese integratie;

C.   overwegende dat de Europese Unie een fundamenteel acquis heeft ontwikkeld om de eerbieding, de bescherming en de bevordering van de grondrechten te waarborgen, onder meer middels de ontwikkeling van de "criteria van Kopenhagen", de integratie van de artikelen 2, 6 en 7 in het EU-Verdrag, het Handvest van de grondrechten, de verplichting om toe te treden tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de overeenkomstige bepalingen in de nationale wetgeving van de lidstaten;

D.   overwegende dat het Handvest met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon de waarden en beginselen heeft omgezet in concrete en afdwingbare rechten en dat het, omdat het dezelfde waarde toekomt als het Verdrag van Lissabon, in rechte bindend is geworden voor de instellingen, organen en agentschappen van de EU, alsook voor de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving;

E.   overwegende dat er een ware cultuur van grondrechten moet worden ontwikkeld, bevorderd en versterkt binnen de instellingen van de Unie maar ook binnen de lidstaten, met name wanneer deze zowel op intern vlak als in het kader van hun betrekkingen met derde landen het recht van de Unie toepassen en ten uitvoer leggen; overwegende dat de tenuitvoerlegging van deze waarden en beginselen moet berusten op een effectieve toetsing van de naleving van de in het Handvest gewaarborgde rechten, onder meer bij de uitwerking van wetsvoorstellen; overwegende dat geen enkele andere overweging de overhand mag hebben boven de eerbiediging en de waarborging van de grondrechten, om te voorkomen dat de geloofwaardigheid van de rol en het imago van de Europese Unie op het gebied van de mensenrechten wordt aangetast, met name voor wat haar betrekkingen met derde landen betreft;

F.   overwegende dat de Europese Unie uitgaat van de veronderstelling en het wederzijds vertrouwen dat de EU-lidstaten zich schikken naar democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, als vervat in het EVRM en het Handvest van de grondrechten, met name wat betreft de ontwikkeling van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht en de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning;

G.   overwegende dat het beginsel van wederzijdse erkenning leidt tot situaties waarin mensen van één jurisdictie naar een andere kunnen worden overgebracht zonder voorafgaande controle op het gebied van de mensenrechten van de respectieve besluiten;

H.   overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken C-411/10 en C-493/10 heeft benadrukt dat een dergelijke veronderstelling van naleving van de grondrechten weerlegbaar moet zijn en dat rechters derhalve moeten controleren of er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat het rechtsstelsel van de andere lidstaten systemische tekortkomingen bevat;

I.   overwegende dat derhalve moet worden gewaarborgd dat de nationale overheden over voldoende bewijsmateriaal beschikken om met kennis van zaken te kunnen beslissen of het rechtsstelsel van andere lidstaten wel of geen systemische tekortkomingen bevat;

J.   overwegende dat corruptie tot maatschappelijke schade en schendingen van de grondrechten leidt, omdat misdaadorganisaties corruptie gebruiken om andere ernstige misdrijven te kunnen plegen, zoals mensenhandel; overwegende dat een doeltreffend, onafhankelijk en onpartijdig rechtsstelsel van essentieel belang is voor de rechtsstaat en om erop toe te zien dat de grondrechten en burgerlijke vrijheden van de Europese burgers worden beschermd;

K.   overwegende dat de Europese Unie momenteel een periode van economische en financiële, maar ook van democratische en grondwettelijke crisis doormaakt, zoals wordt aangetoond door de recente gebeurtenissen in een aantal lidstaten, en dat uit deze spanningen blijkt dat er een gebrek is aan geschikte instrumenten om deze crisis het hoofd te bieden, alsook aan politieke wil, en dat er zich problemen voordoen met de toepassing van de toezichts-, evaluatie- en sanctiemechanismen van de bestaande Verdragen, met name van de vereisten als bedoeld in de artikelen 2 en 7 van het EU-Verdrag;

L.   overwegende dat het Europees Parlement zich herhaaldelijk heeft uitgesproken voor de versterking van de mechanismen ter waarborging van de eerbiediging, de bescherming en de bevordering van de waarden van de Unie overeenkomstig artikel 2 van het EU-Verdrag en om het hoofd te kunnen bieden aan crisissituaties binnen de Unie en de lidstaten, en overwegende dat er een discussie gaande is over de instelling van een "nieuw mechanisme", waardoor de Commissie, de Raad en de lidstaten zich aansluiten bij het desbetreffende standpunt van het Europees Parlement en de ngo's;

M.   overwegende dat het FRA in het centrale gedeelte van zijn verslag voor 2012 getiteld "The European Union as a Community of values: safeguarding fundamental rights in times of crisis" heeft benadrukt dat een consensus over de waarden in artikel 2 en de daaruit voortvloeiende juridische verplichtingen een ambitie is die het opzetten van een regelmatige dialoog binnen de EU wenselijk maakt;

N.   overwegende dat de Commissie heeft aangegeven dat zij de rechtsstaat in de Europese Unie wil versterken en dat zij overweegt eventueel op grond van artikel 7, lid 1, van het EU-Verdrag aanmaningsbrieven te doen uitgaan; overwegende dat zij tevens heeft gewezen op de noodzaak de Verdragen te wijzigen en heeft aangekondigd dat zij vóór eind 2013, begin 2014 wijzigingen zou kunnen voorstellen om tijdens de verkiezingen een debat (over onder meer artikel 7) op gang te brengen en een consensus te bewerkstelligen over deze voorstellen, die tot doel moeten hebben te waarborgen dat het EU-beleid inzake de grondrechten in de EU stoelt op duidelijke regels en mechanismen en op objectieve indicatoren, gegevens en bewijzen die transparant, billijk en voorspelbaar zijn, alsmede hoge bescherming biedt aan de individuele rechten, de democratie en de rechtsstaat;

O.   overwegende dat bij iedere beslissing die op dit gebied wordt genomen, moet worden gewaarborgd dat de artikelen 2, 6 en 7 van het EU-Verdrag zo spoedig mogelijk op correcte wijze worden toegepast en dat elk besluit wordt genomen op basis van objectieve criteria en een objectieve evaluatie, teneinde de kritiek te ondervangen betreffende het gebrek aan indicatoren en evaluatiecriteria, het aanleggen van dubbele standaarden en politieke vooringenomenheid;

P.   overwegende dat er binnen de Europese Unie en de lidstaten nog steeds tal van schendingen van de grondrechten voorkomen, zoals blijkt uit de (jaarlijkse en speciale) verslagen van de Commissie, het FRA, de Raad van Europa (jaarverslagen en uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, documenten en verslagen van de Commissaris voor de rechten van de mens, documenten van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa), VN-documenten (met inbegrip van de documenten en verslagen van de VN-Mensenrechtenraad, van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, van de speciale rapporteurs, enz.), documenten van ngo's (zoals Human Rights Watch, Amnesty International, Open Society Institute, ILGA-Europe, ECRE, Verslaggevers zonder Grenzen, Freedom House, FIDH, enz.), enz.; overwegende dat de Commissie, de Raad en de lidstaten dergelijke schendingen op passende wijze moeten aanpakken, gezien de ernst en de frequentie ervan;

Q.   overwegende dat deze instanties officieel hun bezorgdheid hebben geuit, met name over de situatie van Roma, migranten, asielzoekers en vluchtelingen, minderheden, LGBT'ers, media en journalisten, alsook over het optreden van veiligheidstroepen, politie en de geheime dienst, het onderzoek dat nodig is om degenen die verantwoordelijk zijn voor schendingen van de mensenrechten te kunnen berechten en veroordelen, de betrokkenheid van landen bij foltering en mishandeling in derde landen, de aanwending van aldus verkregen bewijsmateriaal, detentieomstandigheden en de mishandeling van gedetineerden;

R.   overwegende dat zowel de preambule van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de artikelen 8, 9, 10, 19 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Unie als de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie het belang van de sociale grondrechten hebben erkend door deze hun beslag te doen vinden in transversale beginselen van het communautair recht, waardoor onderstreept wordt dat de EU verplicht is de grondrechten en fundamentele vrijheden te waarborgen, zoals de vakbondsrechten, het recht op staking, het recht op vereniging, vergadering, enz., zoals vastgelegd in het Europees Sociaal Handvest, en overwegende dat artikel 151 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een expliciete verwijzing bevat naar de fundamentele sociale rechten zoals vastgelegd in het Europees Sociaal Handvest;

S.   overwegende dat de artikelen 2 en 3 van het Handvest van de grondrechten het recht op leven en het recht op menselijke integriteit erkennen;

T.   overwegende dat er in de Europese Unie ongeveer 100 miljoen kinderen zijn en ongeveer 80 miljoen Europeanen met een handicap; overwegende dat personen met een handicap, met name kinderen, nog steeds te maken hebben met een gebrek aan bijstand en ondersteuning bij hun integratie op school, moeilijkheden bij het bereiken van gebouwen of diensten en problemen om gehoord te worden en inspraak te krijgen in beslissingen die van invloed zijn op hun leven; overwegende dat de EU, als partij bij het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, verplicht is de rechten van personen met een handicap -zoals vastgelegd in dat verdrag- te bevorderen, te beschermen en te eerbiedigen, een strategie aan te nemen voor de tenuitvoerlegging van dit verdrag, en erop toe te zien dat beleidsmaatregelen en bestaande en toekomstige primaire en secundaire wetgeving voldoen aan de bepalingen van dit verdrag;

U.   overwegende dat vrouwen en meisjes het vaakst slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld, aangezien volgens schattingen 20 tot 25 procent van de vrouwen in de EU ten minste eenmaal in hun leven lichamelijk geweld heeft ondervonden; overwegende dat honderdduizenden in Europa wonende vrouwen het slachtoffer zijn van genitale verminking en duizenden meisjes gevaar lopen hiervan nog het slachtoffer te worden;

V.   overwegende dat vrouwen in de EU per uur ongeveer 16 % minder verdienen dan mannen;

W.   overwegende dat extreme armoede, genderongelijkheid en genderstereotypen leiden tot een hoger risico op geweld en andere vormen van exploitatie, zoals vrouwenhandel en prostitutie, en de volledige participatie van vrouwen op alle terreinen van het maatschappelijk leven belemmeren;

X.   overwegende dat grondrechten, mensenrechten en gelijke kansen gegarandeerd moeten worden voor alle burgers van de Europese Unie; overwegende dat de bescherming van nationale minderheden en regionale en minderheidstalen binnen een uitgebreide EU echter een belangrijk vraagstuk vormt dat niet kan worden opgelost door eenvoudigweg xenofobie en discriminatie te bestrijden, maar dat er specifieke juridische, taalkundige, culturele, sociale, enz. regelingen en behandelingen moeten worden ingevoerd;

1.   wijst er nadrukkelijk op dat het politieke, historische en ethische project dat Europese Unie heet, beoogt een verbond tot stand te brengen tussen de landen die de gemeenschappelijke Europese waarden onderschrijven, zoals die zijn neergelegd in artikel 2 VEU, het Handvest van de grondrechten en het EVRM, waaronder de eerbiediging van de menselijke waardigheid, democratie, de rechtsstaat, de grondrechten, gelijkheid, vrijheid, bescherming van minderheden en bestrijding van elke vorm van discriminatie, die onderling nauw met elkaar zijn verbonden en als noodzakelijke wederzijdse voorwaarden gelden, en is derhalve van mening dat de naleving en interne en externe bevordering van de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de democratie een essentiële pijler van de Europese identiteit is en moet zijn;

2.   adviseert dat het Parlement, de Commissie en de Raad erkennen dat er sprake is van positieve verplichtingen om de mensenrechten te beschermen en te bevorderen; benadrukt dat voor de eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele vrijheden maatregelen op diverse niveaus vereist zijn; benadrukt de rol die op dit vlak is weggelegd voor regionale en lokale overheden, ngo's en het maatschappelijk middenveld en verzoekt de Commissie en de Raad nauwer met hen samen te werken;

3.   herinnert de instellingen van de Unie en de lidstaten eraan dat zij moeten voldoen aan hun verplichting tot eerbiediging van de fundamentele vrijheden en de grondrechten; merkt op dat deelname aan internationale verdragen voor de bescherming en bevordering van mensenrechten enkel kan dienen om de bescherming van de grondrechten binnen de EU te versterken;

4.   veroordeelt de zorgwekkende tendensen die zich voordoen met betrekking tot schendingen van de grondrechten binnen de Europese Unie, met name op het gebied van immigratie en asiel, discriminatie van en intolerantie jegens -met name- bepaalde bevolkingsgroepen (minderheden en migranten), veiligheid en terrorisme, persvrijheid, vrij verkeer binnen de Unie en sociale en vakbondsrechten; stelt vast dat steeds meer lidstaten de hakken in het zand zetten als het gaat om de eerbiediging van deze fundamentele vrijheden en grondrechten, in het bijzonder met betrekking tot Roma, vrouwen, LGBT'ers, asielzoekers, migranten en andere kwetsbare bevolkingsgroepen;

Institutionele aangelegenheden

5.   wijst erop dat het voor de EU, haar instellingen en de lidstaten van fundamenteel belang is om de naleving van gemeenschappelijke Europese waarden als omschreven in artikel 2 VEU te waarborgen en dat zo snel mogelijk moet worden overgegaan tot de toepassing en tenuitvoerlegging van alle instrumenten waarin de Verdragen momenteel in dit verband voorzien en tot de voorbereiding van de op de nodige plaatsen in de Verdragen aan te brengen wijzigingen; benadrukt dat de verplichting om aan de Kopenhagen-criteria te voldoen na de toetreding niet is verjaard, maar ook tegenwoordig van toepassing is op de lidstaten, dat de grondrechten deel uitmaken van het primaire recht van de Unie en dat deze bij de toepassing van het Unierecht door iedere rechter of autoriteit moeten worden geëerbiedigd, zowel op Unie- als op nationaal niveau; betreurt in dit verband met name dat de onderhandelingen over toetreding tot het EVRM zo lang aanslepen en het feit dat de toetreding van de EU tot het EVRM nog altijd niet is voltooid;

6.   herinnert de Europese instellingen en de lidstaten eraan dat alle beleidsmaatregelen met betrekking tot de grondrechten allereerst gericht moeten zijn op het voorkomen van schendingen, met name met behulp van procedures voor preventie en verhaalmogelijkheden die kunnen worden ingezet voordat er definitieve beslissingen of maatregelen worden genomen, teneinde het mogelijk te maken dat individuele gevallen zo snel mogelijk en op doeltreffende, rechtvaardige, billijke en niet-discriminerende wijze kunnen worden onderzocht en beoordeeld;

7.   is van mening dat het algemene publiek steeds meer belang hecht aan de eerbiediging, bescherming en bevordering van de grondrechten, zoals blijkt uit het feit dat steeds meer mensen in het geweer komen tegen en aandacht schenken aan gevallen van rechtenschendingen, misbruik of ongelijkheid, zowel in het dagelijks leven als in bekende gevallen of gevallen met symboolwaarde, mede dankzij de betere informatievoorziening via de nieuwe technologieën, sociale netwerken en de media; herinnert eraan dat elke schending en elke vorm van misbruik of ongelijkheid de democratie en rechtsstaat schaadt en dat hierdoor het vertrouwen van de burgers in de instellingen en hun vertegenwoordigers, met name de politieke verantwoordelijken, wordt ondermijnd; benadrukt dat de instellingen en politieke besluitvormers zich bewust moeten worden van en steun moeten bieden aan deze democratische tendens door nieuwe mechanismen van dialoog met de burgers in het leven te roepen en te zorgen voor verscherpt burgerlijk, parlementair, justitieel en mediatoezicht op de overheden, en dat die overheden opener en transparanter te werk moeten gaan om de belangen van de burgers beter te dienen;

8.  is van mening dat het, om de mogelijkheden van de Verdragen ten volle te kunnen benutten, noodzakelijk is:

   a) het toetredingsproces tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens af te ronden en reeds te voorzien in de instrumenten die nodig zijn om deze in de Verdragen neergelegde verplichting ten volle te kunnen nakomen, aangezien op deze manier wordt voorzien in een extra mechanisme voor het afdwingen van de mensenrechten van de burgers, onder meer om ervoor te zorgen dat de lidstaten de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, in het bijzonder de principe-uitspraken ("arrêts pilote"), ten uitvoer leggen; zich aan te sluiten bij het Europees Sociaal Handvest dat op 18 oktober 1961 in Turijn is ondertekend en op 3 mei 1996 in Straatsburg is herzien, zoals de Raad van Europa heeft bepleit; en dat de lidstaten zich aansluiten bij de mensenrechtenverdragen van de Raad van Europa en deze ratificeren, de reeds bestaande instrumenten van het acquis communautaire ten uitvoer leggen en de niet-deelnemingsclausules, die de rechten van hun burgers dreigen te beïnvloeden, opnieuw overwegen;
   b) ervoor te zorgen dat wetgevingsvoorstellen en beleidsmaatregelen in overeenstemming zijn met het Handvest en de grondrechten, door concrete actie te ondernemen om te waarborgen dat deze getoetst worden aan het Handvest in alle ontwerpfasen van de wetgeving en dat de gevolgen van de EU-wetgeving en de tenuitvoerlegging ervan door de lidstaten voor de grondrechten stelselmatig worden beoordeeld in de evaluatieverslagen over de tenuitvoerlegging van dergelijke wetgeving, alsmede in het jaarverslag over de controle op de toepassing van het EU-recht;
   c) te waarborgen dat de Commissie -en de Raad wanneer deze het initiatief neemt tot wetgeving- in voorkomend geval gebruikmaakt van de externe onafhankelijke deskundigheid van het FRA;
   d) de samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten, alsmede met het Europees Parlement en de nationale parlementen, te intensiveren, teneinde de tenuitvoerlegging van de bestaande Europese wetgeving op het gebied van de mensenrechten te verbeteren;
   e) erop toe te zien dat de vormgeving en omzetting van het EU-recht dat van invloed is op de grondrechten en de ontwikkeling daarvan, worden versterkt en op een correcte manier gestalte krijgen, door een rigoureus evaluatie- en toezichtbeleid te voeren en schendingen voor het Hof van Justitie te brengen, met name op gebieden die onder de bevoegdheid van de EU vallen, zoals non-discriminatie, gelijkheid, gender, handicap, gegevensbescherming, asiel en immigratie;
   f) erop toe te zien dat een grondige op de rechtsstaat georiënteerde aanpak wordt bevorderd, met inachtneming van de manier waarop de grondrechten in de praktijk worden beschermd;
   g) te erkennen dat een sterke politieke wil noodzakelijk is om deze kwesties aan te pakken, met name in tijden van economische en financiële crisis;
   h) de transparantie te verbeteren en te waarborgen in het kader van de interinstitutionele dialoog inzake de grondrechten of wanneer de belangen van Europese burgers in het geding zijn;
   i) ervoor te zorgen dat de Commissie de bestaande mechanismen ten volle benut en objectieve evaluaties en onderzoeken instelt en inbreukprocedures inleidt indien hiertoe voldoende redenen bestaan, om zo het hanteren van een dubbele standaard te vermijden, telkens wanneer een lidstaat bij de tenuitvoerlegging van het EU-recht de in het Handvest vervatte rechten schendt;
   j) ambitieuze, doeltreffende en verstrekkende beleidsmaatregelen en actieprogramma's uit te werken met betrekking tot de grondrechten en de gemeenschappelijke Europese waarden, met name om op proactieve en systematische wijze te voldoen aan de verplichtingen van de EU op het vlak van de bestrijding van discriminatie en de bevordering van gelijkheid, zoals bedoeld in de artikelen 8 en 10 VWEU en in artikel 21 van het Handvest;
   k) op een stelselmatiger en gecoördineerde manier samen te werken met de Raad van Europa en andere internationale instellingen, overeenkomstig hun specifieke expertise, teneinde dubbel werk te voorkomen;
   l) de talrijke reeds beschikbare mechanismen ter voorkoming van schendingen van de grondrechten in de EU te stroomlijnen, schendingen van de grondrechten aan te pakken en "forum-shopping" te voorkomen, en de rol te versterken die de regionale en lokale overheden kunnen vervullen, tezamen met mensenrechtenorganisaties;
   m) vergelijkende en samenvattende tabellen per land op te stellen, op basis waarvan de Commissie landspecifieke aanbevelingen betreffende het grondrechtenbeleid dient uit te vaardigen, zoals zij dat ook doet voor het economische beleid van de EU-27; de Raad kan deze aanbevelingen en de voorstellen van de Commissie inzake flagrante schendingen van de grondrechten vóór de volgende top van de Europese Raad goedkeuren of wijzigen;
   n) een mechanisme van collegiale toetsing te ontwikkelen, in samenwerking met nationale instanties voor de mensenrechten, vergelijkbaar met de Commissie voor ontwikkelingsbijstand (DAC) van de OESO: iedere lidstaat wordt om de drie of vier jaar door andere lidstaten beoordeeld, met als belangrijkste doelstellingen het land in kwestie helpen inzien op welke manieren het zijn strategieën en structuren op het gebied van de grondrechten zou kunnen verbeteren; en goede praktijken voor beleid en strategieën inzake de mensenrechten binnen de EU vast te stellen en uit te wisselen;
   o) een "nieuw Kopenhagen-mechanisme" tot stand te brengen om de eerbiediging, bescherming en bevordering van de in artikel 2 van het EU-Verdrag en in het Handvest van de grondrechten bedoelde grondrechten en waarden van de Unie te waarborgen;

9.  benadrukt dat dit "nieuwe Kopenhagen-mechanisme", dat gericht is op een doeltreffende en verplichte controle van de naleving van de Kopenhagen-criteria door iedere lidstaat, onmiddellijk in werking kan worden gesteld op basis van een besluit van de Commissie en met volledige betrokkenheid van het Parlement, en moet beogen:

   a) indicatoren vast te stellen -op basis van bestaande of reeds ontwikkelde en erkende normen op het gebied van de grondrechten- die bijvoorbeeld binnen de VN of de Raad van Europa zijn ontwikkeld, waarbij rekening wordt gehouden met het advies van ngo's die actief zijn op het gebied van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden (ten behoeve van het FRA en de Commissie);
   b) gebaseerd te zijn op objectieve en betrouwbare gegevens en informatie gestoeld op dergelijke indicatoren, die middels een transparant en geloofwaardig proces verder moeten worden uitgewerkt (ten behoeve van het FRA en de Commissie);
   c) toezicht te houden op de situatie in de EU en in de individuele lidstaten middels een regelmatig, objectief proces (ten behoeve van het FRA, de Commissie, de Raad, het Europees Parlement en de nationale parlementen);
   d) objectieve, vergelijkende en regelmatige evaluaties uit te voeren voor elk van de grondrechten en/of themagebieden en voor elke instelling en lidstaat afzonderlijk – waarbij gestreefd wordt naar zoveel mogelijk vergelijkbare factoren –, tevens op basis van bevindingen en aanbevelingen die zijn uitgevaardigd door bestaande controlemechanismen van de Raad van Europa, de VN en de EU-instellingen en -organen, ter aanvulling van door organisaties van het maatschappelijk middenveld ingediende informatie (rapporten van het FRA, jaarverslagen van de Commissie, jaarverslagen van het Parlement, jaarverslagen van de Raad) en op basis hiervan aanbevelingen te doen;
   e) een Europese beleidscyclus vast te stellen voor de toepassing van artikel 2 van het EU-Verdrag (democratie, rechtsstaat, grondrechten, gelijkheid), waarbij de respectieve fasen op jaar- en meerjarenbasis moeten worden gedefinieerd en er een jaarlijks open interinstitutioneel forum over deze Europese waarden moet worden georganiseerd, in het bijzonder met betrekking tot de bescherming van de grondrechten;
   f) alle bestaande gegevens en analyses van nationale, Europese en internationale instanties bijeen te brengen om ervoor te zorgen dat de bestaande informatie die relevant is voor de bescherming van de grondrechten, de rechtsstaat, democratie en gelijkheid, toegankelijker en beter zichtbaar wordt;
   g) erop toe te zien dat DG Justitie en de Werkgroep FREMP met de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Parlement samenwerken om een regelmatige, gestructureerde dialoog over grondrechtenkwesties in de EU tot stand te brengen tussen deze instellingen en organisaties van het maatschappelijk middenveld;
   h) een reeks aanbevelingen, alsmede doeltreffende en evenredige sancties met een afschrikkende werking (bijv. tijdelijke opschorting van de verplichtingen van het Fonds, toepassing van bepaalde besluiten, enz.) uit te werken en vast te stellen om inbreuken op de artikelen 2 en 7 van het EU-Verdrag aan te pakken en de handhaving van de hierin vastgelegde rechten op succesvolle wijze te waarborgen;
   i) te voorzien in een vroegtijdig waarschuwingssysteem, een politieke en technische dialoog, schriftelijke aanmaningen en een "bevriezingsprocedure", waarvoor het Parlement reeds pleitte, om erop toe te zien dat de lidstaten, op verzoek van de EU-instellingen, de invoering opschorten van wetgeving die mogelijk de grondrechten of het EU-recht veronachtzaamt of schendt; de Commissie moet vergaderingen beleggen op technisch niveau met de diensten van de betreffende lidstaat, zonder evenwel onderhandelingen af te ronden op andere beleidsterreinen dan die verband houden met artikel 2 VEU, totdat de volledige naleving van artikel 2 VEU is gewaarborgd;

10.   verzoekt de Commissie om in samenwerking met het FRA een besluit te nemen tot instelling van dit "nieuwe Kopenhagen-mechanisme", zoals zij ook heeft gedaan voor het toezicht op de corruptie in de EU en de lidstaten, en over te gaan tot herziening van het reglement van het FRA, zodat het meer bevoegdheden krijgt en zijn competenties kan uitbreiden;

11.   pleit voor de oprichting, bij voorkeur in het kader van een interinstitutionele overeenkomst, van een "commissie-Kopenhagen" bestaande uit onafhankelijke deskundigen op hoog niveau inzake de grondrechten die worden aangewezen door o.a. het Parlement, die erop moet toezien dat alle lidstaten de in artikel 2 VEU vervatte gemeenschappelijke waarden naleven en voortdurend voldoen aan de "Kopenhagen-criteria", en die adviezen en verslagen moet uitbrengen over grondrechtenkwesties, in afwachting van de wijziging van de FRA-verordening op grond waarvan het agentschap op herhaaldelijk verzoek van het Parlement grotere bevoegdheden en een verruimd mandaat zal krijgen, ook met betrekking tot de controle van de afzonderlijke lidstaten op het gebied van de grondrechten;

12.   pleit voor het aangaan van een dialoog tussen de EU-instellingen en een lidstaat wanneer er een risico bestaat op ernstige schending van de waarden van de Unie, alsook voor het bieden van de mogelijkheid aan de Europese instellingen om aanbevelingen te formuleren, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, van het EU-Verdrag; staat volledig achter het voorstel van de Commissie om in deze context gebruik te maken van schriftelijke aanmaningen;

13.   verzoekt de Commissie en de Raad om samen met het Parlement een contactgroep op te richten die de effectieve tenuitvoerlegging van de waarden van de Unie volgt en die meer bepaald gezamenlijke beoordelingen van de grondrechtensituatie verricht in specifieke gevallen waarover een van deze drie EU-instellingen bezorgdheid heeft geuit; verzoekt deze instellingen ook rekening te houden met de resoluties van de Raad van Europa en de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

14.  is ingenomen met de verklaringen van de voorzitter van de Commissie en vicevoorzitter Reding waarin een mededeling wordt aangekondigd betreffende mogelijke wijzigingen in de Verdragen ter aanvulling van de krachtens de huidige Verdragen beschikbare mogelijkheden, en verzoekt de bevoegde commissies de volgende voorstellen grondig te bestuderen met het oog op een betere bescherming van de grondrechten in de EU-Verdragen:

   herziening van artikel 7 van het EU-Verdrag, in de zin dat er een fase voor de "toepassing van artikel 2 van het EU-Verdrag" aan wordt toegevoegd en dat de "risicofase" wordt losgekoppeld van de "inbreukfase", waarbij voor de respectieve meerderheden verschillende drempels gelden, dat de technische en objectieve (en niet alleen maar politieke) analyses worden verscherpt en er een intensievere dialoog wordt gevoerd met de instellingen van de lidstaten, en dat er een breder scala van gedetailleerde en voorspelbare sancties wordt ingevoerd die gelden voor de gehele duur van de procedure;
   vaststelling van een sterker en uitvoeriger mechanisme voor coördinatie en toezicht op de grondrechten, uitgaande van artikel 121 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
   uitbreiding van beroepsmogelijkheden en de bevoegdheden van de Commissie en het Hof van Justitie;
   een verwijzing naar het FRA in de Verdragen, waaronder een rechtsgrondslag die het mogelijk maakt dat de oprichtingsverordening van het Bureau kan worden gewijzigd via de gewone wetgevingsprocedure en niet bij eenparigheid van stemmen zoals nu het geval is;
   schrapping van artikel 51 van het Handvest van de grondrechten;
   het Parlement in staat stellen om op gelijke voet met de Commissie en de Raad procedures inzake de schending van artikel 2 VEU op gang te brengen, en het FRA toestaan bij deze procedure de nodige gespecialiseerde ondersteuning te bieden;
   herziening van de eenparigheidsvereiste op terreinen in verband met de eerbiediging, bescherming en bevordering van de grondrechten, zoals gelijkheid en non-discriminatie (bijv. artikel 19 VWEU);

verzoekt zijn bevoegde commissie bovendien om de toepassing en eventuele herziening van de procedure in het kader waarvan het Parlement artikel 7 VEU kan activeren, te verduidelijken;

15.   verzoekt het FRA een openbare website op te zetten voor het verzamelen en bundelen van informatie en documenten met betrekking tot kwesties inzake de grondrechten die zijn opgesteld door de VN, de Raad van Europa, de OVSE, ngo's, het FRA, het Europees Parlement, rechtbanken, comités van nationale parlementen, ombudsmannen, enz.; is van mening dat dergelijke informatie opvraagbaar moet zijn op datum, land, auteur en soort recht, teneinde te voorzien in bronnen en informatie over de grondrechtensituatie in de EU en haar lidstaten;

Specifieke rechten op basis van het Handvest van de grondrechten

Waardigheid

16.   is hevig verontrust over het feit dat er zich nog steeds gevallen van schending van de menselijke waardigheid in de Unie en haar lidstaten voordoen, waarvan minderheden, in het bijzonder de Roma, asielzoekers, migranten, mensen die verdacht worden van banden met het terrorisme, en personen wier vrijheid is ontnomen, alsmede kwetsbare bevolkingsgroepen en arme mensen, het slachtoffer zijn; wijst er nadrukkelijk op dat de overheden een absoluut verbod op foltering en wrede, onmenselijke of vernederende behandeling in acht moeten nemen en elke schending daarvan grondig en op snelle, effectieve en onafhankelijke wijze moeten onderzoeken, en dat zij de daders moeten berechten;

17.   is verontrust over de vele gevallen van mishandeling door de politie- en ordediensten, met name wat betreft het onevenredig gebruik van geweld tegen vreedzame deelnemers en journalisten tijdens manifestaties, en het buitensporig gebruik van niet-dodelijke wapens, zoals knuppels, rubberkogels en tasers; verzoekt de lidstaten te waarborgen dat de leden van veiligheidstroepen identificatie-elementen op hun uniform dragen en altijd verantwoordelijk worden gehouden voor hun daden; eist dat politiecontroles op basis van etnische en raciale profilering een halt worden toegeroepen; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de vrijheid van vergadering en vreedzame betoging steeds meer aan banden wordt gelegd en wijst erop dat het recht van vergadering, vereniging en de vrijheid van meningsuiting de basis vormen voor het recht van betoging; verzoekt de lidstaten geen maatregelen te treffen waarmee de uitoefening van de fundamentele vrijheden en de grondrechten zou worden ondermijnd of zelfs strafbaar gesteld, en dringt er bij hen op aan maatregelen te nemen om te waarborgen dat slechts in uitzonderlijke en door een reële en ernstige bedreiging van de openbare orde gerechtvaardigde gevallen gebruik wordt gemaakt van geweld, en benadrukt opnieuw dat de politie in de eerste plaats moet zorgen voor de veiligheid en de bescherming van mensen;

18.   wijst opnieuw op zijn steun voor een Europees initiatief dat tot doel heeft de grondrechten te waarborgen van personen die van hun vrijheid zijn beroofd, en in het kader waarvan gevangenen na hun vrijlating kunnen re-integreren in de maatschappij; is bezorgd over de ernstige overbevolking van gevangenissen in een groot aantal lidstaten, alsook over de slechte detentie-omstandigheden en de slechte behandeling van gevangenen, en verzoekt om de totstandbrenging van een Europees initiatief dat erop gericht is de toepassing van de aanbevelingen van het Comité tegen foltering en de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te waarborgen, onder meer op politiebureaus en in integratiecentra en psychiatrische ziekenhuizen; beveelt aan maatregelen te treffen om de overbevolking van gevangenissen te verminderen, bijvoorbeeld door buitensporig gebruik van preventieve detentie te voorkomen, alternatieve straffen op te leggen in plaats van gevangenisstraf, decriminalisering van bepaalde daden te overwegen en/of de duur van de perioden waarin mensen zonder aanklacht kunnen worden vastgehouden, te beperken;

19.   verzoekt eens te meer om de uitvoering van een volledig onderzoek naar de medewerking die Europese staten hebben verleend aan het buitengewoon uitleveringsprogramma van de Verenigde Staten en de CIA, alsook aan de vluchten en geheime gevangenissen op het grondgebied van de Unie, en dringt er bij de lidstaten op aan doeltreffende, onpartijdige, grondige, onafhankelijke en transparante onderzoeken in te stellen en daarbij geen straffeloosheid te dulden; herinnert de lidstaten eraan dat het verbod op foltering absoluut is en dat er derhalve geen beroep op het staatsgeheim kan worden gedaan om de verplichting van staten tot het instellen van een onderzoek naar ernstige schendingen van de mensenrechten te beperken; benadrukt dat, wanneer de lidstaten zich hier niet aan houden, hun reputatie alsook het vertrouwen in hun verbintenissen ten aanzien van de bescherming van de grondrechten op het spel komen te staan;

20.   wijst erop dat het klimaat van straffeloosheid rond het CIA-programma ervoor heeft gezorgd dat in het kader van het antiterrorismebeleid van de EU en de Verenigde Staten nog meer schendingen van de grondrechten hebben kunnen plaatsvinden, zoals onder meer is gebleken uit de onthullingen over de massale spionageactiviteiten in het kader van het toezichtsprogramma van de Amerikaanse veiligheidsdienst NSA en door de inlichtingendiensten van diverse lidstaten, een thema waar het Parlement zich momenteel over buigt; verzoekt om de herziening van de wetgeving inzake veiligheids- en inlichtingendiensten in de EU en de lidstaten, met bijzondere aandacht voor voorafgaande gerechtelijke en parlementaire controle, alsook voor het recht op beroep en het rectificeren van de door deze diensten verzamelde, bewaarde of verwerkte gegevens;

21.   verzoekt de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan om Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan volledig om te zetten en ten uitvoer te leggen en passende maatregelen te nemen om erop toe te zien dat de slachtoffers van mensenhandel op adequate wijze worden bijgestaan en beschermd, dat mensenhandelaars worden vervolgd en doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties opgelegd krijgen, en dat er tevens preventieve maatregelen worden ingesteld;

22.   verzoekt de lidstaten Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten volledig om te zetten en daarbij passende maatregelen in te voeren om adequate bijstand en bescherming voor de slachtoffers van strafbare feiten te waarborgen;

23.   verzoekt om eerbiediging van de waardigheid aan het einde van het leven, met name door ervoor te zorgen dat in levenstestamenten vastgelegde beslissingen worden erkend en gerespecteerd;

24.   erkent dat de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten een essentieel onderdeel vormen van de menselijke waardigheid, die binnen de bredere context van structurele discriminatie en genderongelijkheden dienen te worden aangepakt; verzoekt de lidstaten de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten veilig te stellen via het FRA en het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE), niet in de laatste plaats middels het aanbieden van programma's en diensten inzake reproductieve gezondheid, met inbegrip van de zorg en de geneesmiddelen die van essentieel belang zijn voor vrijwillige gezinsplanning en een goede gezondheid voor moeders en pasgeborenen, en door waakzaam te blijven voor beleidsmaatregelen en/of wetgeving die een inbreuk kunnen vormen op de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten;

Vrijheden

25.   onderstreept dat de democratie en de rechtsstaat gebaseerd zijn op de eerbiediging van de fundamentele vrijheden en rechten, en dat geen enkele actie of maatregel dan wel vorm van internationale samenwerking ter bestrijding van terrorisme of georganiseerde misdaad ten koste mag gaan van de Europese grondrechtelijke normen en dat zij deze strikt moeten eerbiedigen, met name met betrekking tot het vermoeden van onschuld, een eerlijk proces, het recht van verdediging, bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, enz.); onderstreept dat er behoefte is aan strengere democratische controle en bescherming en eerbiediging van de grondrechten in de context van grensoverschrijdende samenwerking op deze terreinen, in het bijzonder gezien het feit dat de autoriteiten steeds meer persoonsgegevens verzamelen en gebruiken; verzoekt derhalve om het treffen van maatregelen om de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens op dit gebied te waarborgen;

26.   betreurt het feit dat de interneveiligheidsstrategie zo sterk gericht is op veiligheid dat dit ten koste gaat van de burgerlijke vrijheden, de grondrechten en de vaststelling van preventieve maatregelen; betreurt dat de kloof tussen afgekondigde doelstellingen en de wijze waarop beleid daadwerkelijk wordt uitgevoerd, steeds groter wordt; is van mening dat het Europees Parlement een doorslaggevende rol moet spelen bij de beoordeling en vaststelling van het binnenlands veiligheidsbeleid, aangezien dit beleid ernstige gevolgen heeft voor de fundamentele vrijheden en grondrechten van alle ingezetenen van de Unie, teneinde te zorgen voor democratisch toezicht en controle op het veiligheidsbeleid, inclusief inlichtingenactiviteiten, en in voorkomend geval voor de herziening van dit beleid om de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te waarborgen;

27.   is bezorgd over de onthullingen omtrent de flagrante schending van het recht op een privéleven en de bescherming van persoonsgegevens als gevolg van de door Europese en niet-Europese landen opgezette geheime programma's voor grootschalige observatie van Europese burgers, zonder dat daarvoor individuele rechterlijke toestemming is gegeven en zonder adequate parlementaire controle; veroordeelt dergelijke praktijken en verzoekt deze staten onmiddellijk een einde te maken aan deze schendingen; verzoekt om volledige opheldering met betrekking tot de inhoud van deze programma's en de eventuele internationale betrokkenheid, alsook om onmiddellijke herziening ervan; benadrukt dat de EU en haar lidstaten krachtig moeten optreden tegen de landen die het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer schenden door te spioneren op de communicatie van EU-burgers en institutionele, politieke en economische vertegenwoordigers en actoren in Europa; is bezorgd over het feit dat inlichtingendiensten zich hebben onttrokken aan democratische, parlementaire en rechterlijke controle door zonder politieke toestemming geheime programma's en operaties uit te voeren; verzoekt derhalve om een spoedige herziening van de mechanismen voor gerechtelijk en parlementair toezicht op geheime diensten, om ervoor te zorgen dat inlichtingendiensten worden verankerd in de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten, zoals vereist in artikel 2 VEU; veroordeelt de geheime betrokkenheid van particuliere ondernemingen bij grootschalige toezichtactiviteiten; benadrukt dat de EU krachtiger moet reageren en moet verzoeken om internationale maatregelen om te waarborgen dat de Europese privacywetgeving en regelgeving inzake gegevensbescherming worden gehandhaafd, en technologieën moet bevorderen waarmee de vertrouwelijkheid van communicatie in Europa kan worden gegarandeerd;

28.   betreurt het feit dat de besprekingen over de goedkeuring van een ontwerpverordening en richtlijn inzake de bescherming van persoonsgegevens stagneren in de Raad, ondanks het feit dat het Parlement een sterk pleidooi voor een strengere regelgeving heeft gehouden; betreurt het besluit dat de Europese Raad heeft genomen tijdens zijn vergadering van 24 en 25 oktober 2013 om de digitale interne markt pas tegen 2015 te voltooien, waardoor de goedkeuring van het gegevensbeschermingspakket vertraging oploopt, en verzoekt de Raad vooruitgang te boeken bij de onderhandelingen over de richtlijn en verordening gegevensbescherming, zodat het gegevensbeschermingspakket vóór het einde van deze zittingsperiode kan worden goedgekeurd;

29.   is van mening dat de EU en haar lidstaten een regeling voor de bescherming van klokkenluiders in het leven moeten roepen voor personen die ernstige schendingen van de grondrechten door inlichtingendiensten, waarop niet de minste democratische, parlementaire en gerechtelijke controle werd uitgeoefend, aan het licht hebben gebracht;

30.   benadrukt dat persoonsgegevens en de persoonlijke levenssfeer, gezien de snelle ontwikkeling van digitale technologieën (toenemend gebruik van internet, internettoepassingen en sociale netwerken), beter beschermd moeten worden teneinde vertrouwelijkheid te waarborgen;

31.   is verheugd over het feit dat steeds meer lidstaten het recht op het stichten van een gezin door huwelijk, een samenlevingscontract of geregistreerd partnerschap en adoptie eerbiedigen zonder daarbij te discrimineren op grond van seksuele geaardheid, en verzoekt de overige lidstaten soortgelijke regelingen te treffen; is ingenomen met de recente uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Vallianatos en anderen tegen Griekenland, op grond waarvan paren van hetzelfde geslacht niet van sluiting van een samenlevingscontract mogen worden uitgesloten; verzoekt de Commissie en alle lidstaten wetgevings- en beleidsmaatregelen voor te stellen en goed te keuren ter bestrijding van homofobie, transfobie en haatmisdrijven, en is ingenomen met de publicatie van advies nr. 2/2013 van het FRA over het kaderbesluit inzake racisme en vreemdelingenhaat, waarin bijzondere aandacht wordt geschonken aan de rechten van slachtoffers van misdrijven; verzoekt de Commissie en alle lidstaten de richtlijn betreffende het vrije verkeer te handhaven zonder discriminatie op grond van seksuele geaardheid; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om een ambitieuze verordening betreffende de wederzijdse erkenning van de rechtsgevolgen van akten van de burgerlijke stand voor te stellen;

32.   is uitermate bezorgd over het aantal zelfmoorden onder jongeren die het slachtoffer zijn van homofobie; wijst opnieuw op de bevindingen van het door het FRA verrichte LGBT-onderzoek in de EU, waaruit bleek dat 26 % van alle respondenten thuis of elders was aangevallen of bedreigd met geweld, een percentage dat voor de transgenderrespondenten zelfs 35 % bedroeg, en dat 19 % van alle respondenten zich, ondanks de juridische bescherming krachtens het EU-recht, op het werk of tijdens het zoeken naar werk gediscrimineerd voelde; verzoekt de Commissie bijgevolg om deze bevindingen te gebruiken als basis voor een alomvattende Europese aanpak van de problemen die de LGBT-gemeenschap ondervindt op het gebied van de grondrechten, in de vorm van een EU-stappenplan voor gelijkheid op grond van seksuele geaardheid en genderidentiteit, zoals het Parlement en ngo's reeds herhaaldelijk hebben verzocht;

33.   betreurt het feit dat in 14 lidstaten verplichte sterilisatie nog steeds onderdeel uitmaakt van de juridische geslachtserkenningsprocedures voor transgenders; verzoekt de lidstaten deze procedures te herzien, opdat zij het recht van transgenders op waardigheid en lichamelijke integriteit volledig eerbiedigen; complimenteert de Commissie met haar verbintenis om er binnen de Wereldgezondheidsorganisatie voor te pleiten geslachtelijke identiteitsstoornissen van de lijst van geestelijke en gedragsstoornissen te schrappen en ervoor te zorgen dat deze in het kader van de onderhandelingen over de elfde versie van de Internationale Classificatie van Ziekten (ICD-11) niet langer als een ziekte worden aangemerkt;

34.   erkent de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst, de vrijheid om te geloven of niet te geloven, om een zelf gekozen godsdienst te belijden en om van godsdienst te veranderen; veroordeelt elke vorm van discriminatie of intolerantie, en is van mening dat secularisme -dat volgens de definitie een strikte scheiding tussen niet-confessionele politieke autoriteiten en religieuze autoriteiten inhoudt- alsook de onpartijdigheid van de staat de beste manieren zijn om gelijkheid te waarborgen en te voorkomen dat gediscrimineerd wordt tussen verschillende godsdiensten en tussen gelovigen en niet-gelovigen; verzoekt de lidstaten de vrijheid van godsdienst of overtuiging te beschermen en er tevens voor te zorgen dat ook mensen zonder godsdienst niet hoeven te lijden onder discriminatie als gevolg van overdreven veel vrijstellingen voor godsdiensten in wetgeving op het gebied van gelijkheid en non-discriminatie;

35.   wijst er opnieuw op dat nationale wetten waarin godslastering als strafbaar feit is opgenomen, beperkingen opleggen aan uitingen op basis van een religieuze of andersoortige overtuiging, dat zij vaak worden toegepast om personen die tot religieuze of andere minderheden behoren te vervolgen, te mishandelen of te intimideren, en dat zij een ernstige belemmering kunnen vormen voor de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst en overtuiging; raadt de lidstaten aan dergelijke strafbare feiten te decriminaliseren;

36.   betreurt het feit dat jongeren in bepaalde lidstaten nog steeds worden vervolgd en tot gevangenisstraffen worden veroordeeld omdat het recht om de militaire dienst op grond van gewetensbezwaren te weigeren nog steeds niet voldoende wordt erkend, en verzoekt de lidstaten een einde te maken aan de vervolging en discriminatie van gewetensbezwaarden;

37.   wijst er eens te meer op dat de vrijheid van meningsuiting, informatie en media van fundamenteel belang is voor het waarborgen van de democratie en de rechtsstaat, en herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om de richtlijn inzake audiovisuele mediadiensten te herzien en te wijzigen conform de door het Parlement in zijn verslag over dit onderwerp vermelde richtsnoeren; spreekt zijn krachtige veroordeling uit over de gewelddaden, de ingezette pressiemiddelen of bedreigingen tegen journalisten en de media, ook met betrekking tot de openbaarmaking van hun bronnen en van informatie over schendingen van de grondrechten door overheden en staten; verzoekt de instellingen van de Unie en de lidstaten het grondrecht op de vrijheid van meningsuiting en van informatie te eerbiedigen, waarborgen, beschermen en bevorderen, en dus geen mechanismen op te leggen of te ontwikkelen die een belemmering vormen voor deze vrijheden;

38.   is bezorgd over de gevolgen van de economische crisis in Europa voor de eigendom van mediabedrijven en de toekomstige privatisering van openbare mediadiensten in sommige lidstaten; verzoekt de lidstaten de onafhankelijkheid van openbare mediadiensten te waarborgen en hun institutionele verplichtingen na te komen, teneinde het pluralisme in de media te garanderen en hoogwaardige, gediversifieerde, nauwkeurige en betrouwbare informatie te verstrekken; is van mening dat media-eigendom en mediabeheer altijd transparant en niet geconcentreerd moeten zijn; wijst erop dat transparantie van media-eigendom van cruciaal belang is voor de controle op media-investeringen binnen de EU, en op niet-Europese investeerders die in toenemende mate invloed uitoefenen op informatie die in de lidstaten wordt verstrekt;

39.   wijst op het belang van de eerbiediging en bescherming van de rechten van vluchtelingen en migranten, en onderstreept het feit dat er speciale aandacht moet worden besteed aan vrouwen en kinderen onder migranten; is bezorgd over de talrijke schendingen van het asielrecht en van de beschermingsverplichting in geval van verwijdering, uitzetting of uitlevering van migranten; wijst op de verplichting tot naleving van de internationale mensenrechtenverdragen, met name het VN-Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en het beginsel van non-refoulement, de verplichting om mensen op zee te redden die hun leven op het spel zetten om landen van de EU te bereiken, om ervoor te zorgen dat er behoorlijke opvangvoorzieningen voorhanden zijn en dat de opvangprocedures in overeenstemming zijn met de grondrechten; dringt bij de EU en de lidstaten aan op wijziging of herziening van alle wetgeving die personen die hulp verlenen aan migranten in nood op zee strafbaar stelt; vraagt de Europese Commissie Richtlijn 2002/90/EG van de Raad te herzien, waarin de sancties zijn vastgelegd voor hulp bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf, teneinde te verduidelijken dat het verstrekken van humanitaire bijstand aan migranten in nood op zee een goede zaak is en niet een daad die ooit tot enige vorm van sanctie zou kunnen leiden;

40.   is ingenomen met de voltooiing van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) en verzoekt de lidstaten de nodige wetgeving en administratieve herzieningen door te voeren om het op doeltreffende wijze ten uitvoer te leggen, teneinde ervoor te zorgen dat het CEAS volledig volgens plan wordt opgezet, personen die bescherming zoeken een betere toegang tot de asielprocedure biedt, leidt tot eerlijkere, snellere en kwalitatief betere asielbesluiten, en waardige en fatsoenlijke omstandigheden verschaft aan asielaanvragers en aan personen die in de EU internationale bescherming krijgen; betreurt evenwel dat kinderen nog steeds in hechtenis kunnen worden gehouden en dringt erop aan dat zij stelselmatig worden uitgesloten van de toepassing van versnelde procedures; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om op basis van beste praktijken strategische richtsnoeren op te stellen met het oog op het vaststellen van gemeenschappelijke minimumnormen voor de opvang en de bescherming van niet-begeleide kinderen; onderstreept het feit dat procedurele waarborgen adequaat en passend moeten zijn; verzoekt om de toepassing van de recente uitspraak van het Europees Hof van Justitie dat LGBT-personen die asiel aanvragen als een specifieke maatschappelijke groep kunnen worden beschouwd die vanwege hun seksuele geaardheid kunnen worden vervolgd, en dat het bestaan van een gevangenisstraf voor homoseksuele handelingen in hun land van oorsprong op zich als een daad van vervolging kan worden gezien;

41.   veroordeelt het feit dat nog altijd vele migranten die de EU proberen te bereiken, op zee omkomen, ondanks het grote aantal uiteenlopende technische middelen die door de lidstaten en de EU ter beschikking zijn gesteld voor de bewaking en controle van de buitengrenzen; eist dat de EU en haar lidstaten de aanbevelingen uit de resolutie van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa getiteld "Drama op de Middellandse Zee - wie is verantwoordelijk?"(30) van 24 april 2012 ten uitvoer leggen; is ingenomen met het arrest van het Hof van Justitie tot nietigverklaring van Besluit 2010/252/EU van de Raad;

42.   benadrukt de kwetsbare positie van personen die de zuidelijke zeegrenzen van Europa oversteken, verzoekt om een werkbare oplossing voor het algemene immigratievraagstuk in het Middellandse Zeegebied, waarbij het beginsel van non-refoulement volledig wordt geëerbiedigd, en eist, als een absoluut minimum, dat de lidstaten en de EU-instellingen de recente adviezen van het FRA in aanmerking nemen bij het bedenken van methoden om de grondrechten van migranten in het kader van maritiem toezicht zo goed mogelijk te beschermen;

43.   is ingenomen met het door het FRA samen met het Europees Hof voor de Rechten van de Mens opgestelde handboek over Europees recht inzake asiel, grenzen en immigratie en beschouwt dit als een concrete bijdrage om beoefenaars van juridische beroepen in Europa bij te staan bij het handhaven van de grondrechten en de mensenrechten;

44.   verzoekt de lidstaten en de Raad om de werkzaamheden voor de taskforce voor het Middellandse Zeegebied versneld uit te voeren om een forse uitbreiding van de reddingscapaciteit op zee te waarborgen, en een uitgebreid plan voor migratie en asiel op te stellen, gebaseerd op solidariteit en gedeelde verantwoordelijkheid en toegespitst op alle relevante aspecten, zoals de herziening van wetgeving van de EU en de lidstaten waarin het verlenen van humanitaire bijstand aan personen in nood strafbaar wordt gesteld, het ontwikkelen van veilige en legale routes voor vluchtelingen en migranten naar Europa, alsook de ontwikkeling van samenwerking met derde landen om de democratie, de grondrechten en de rechtsstaat te versterken teneinde ervoor te zorgen dat een drama zoals bij Lampedusa nooit meer zal plaatsvinden;

45.   veroordeelt de toenemende schendingen van de grondrechten van migranten, met name van de migranten die worden uitgewezen naar derde landen, zoals ook reeds naar voren is gebracht door de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten van migranten in zijn verslag van 24 april 2013(31) en door het FRA in zijn verslag van maart 2013(32) ; onderstreept in dit verband dat de Terugkeerrichtlijn, de overnameovereenkomsten alsook het optreden van FRONTEX grondig moeten worden geëvalueerd om na te gaan of hierin de grondrechten worden geëerbiedigd; verzoekt de Commissie concreet gevolg te geven aan haar kritische verslag van 2011 over overnameovereenkomsten en overnamemaatregelen met derde landen; veroordeelt het restrictieve beleid van de lidstaten inzake visumverlening aan ingezetenen van bepaalde derde landen;

46.   verzoekt de lidstaten beleid vast te stellen om legale migratie aan te moedigen, alsook het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden te ratificeren;

Gelijkheid

47.   benadrukt dat de beginselen van menselijke waardigheid, gelijkheid voor de wet en het verbod op discriminatie op welke grond dan ook, grondslagen van de democratische samenleving vormen; is van mening dat de Unie en de lidstaten zich krachtiger moeten inzetten voor gelijkheid en de bestrijding van discriminatie, de bescherming van de culturele, godsdienstige en taalkundige diversiteit, gelijke behandeling van mannen en vrouwen, de rechten van het kind, de rechten van ouderen en de rechten van personen met een handicap, de rechten van de LGBT-gemeenschap en de rechten van personen die tot een nationale minderheid behoren;

48.   verzoekt de lidstaten een nationaal wetgevingskader vast te stellen voor de bestrijding van alle vormen van discriminatie en om effectieve toepassing van het bestaande EU-rechtskader te waarborgen, onder meer door inbreukprocedures op te starten; betreurt de impasse in de onderhandelingen van de Raad over het voorstel voor een richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd en seksuele geaardheid en verzoekt de Raad opnieuw het voorstel goed te keuren; is ingenomen met het standpunt van het Litouwse voorzitterschap van de Raad om het voorstel te steunen en verzoekt de andere lidstaten dit voorbeeld te volgen; is in dit verband ingenomen met FRA-advies 1/2013 over de stand van de gelijkheid in de Europese Unie 10 jaar na de eerste tenuitvoerlegging van de gelijkheidsrichtlijnen; is van mening dat taalkundige discriminatie ook moet worden aangepakt;

49.   herinnert aan zijn resolutie van 25 oktober 2011 over mobiliteit en inclusie van mensen met een handicap en de Europese strategie voor mensen met een handicap 2010-2020(33) waarin erop aan wordt gedrongen dat het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt nageleefd;

50.   uit zijn bezorgdheid over het feit dat personen met een handicap nog steeds met discriminatie en uitsluiting te maken hebben, hetgeen voor hen een belemmering vormt om op voet van gelijkheid met anderen hun grondrechten te genieten; verzoekt de EU-instellingen en de EU-lidstaten door te gaan met de tenuitvoerlegging van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap binnen hun respectieve bevoegdheden; benadrukt dat de verdere ontwikkeling van EU-wetgeving en -beleid op het gebied van non-discriminatie een rol kan spelen bij de harmonisering van de wetgeving in de hele EU met het Gehandicaptenverdrag van de VN, bijvoorbeeld met betrekking tot gelijkheid voor de wet; moedigt de lidstaten aan beleidsmaatregelen te ontwikkelen die van voldoende middelen zijn voorzien om personen met een handicap beter te integreren, hun toegang tot huisvesting, onderwijs, de arbeidsmarkt, openbaar vervoer en openbare voorzieningen te vergemakkelijken en hun deelname aan het politieke proces te versterken, met name door wettelijke en praktische discriminatie alsook beperkingen op hun stemrecht en verkiesbaarheid af te schaffen; betreurt het feit dat bepaalde personen met een handicap zich door een gebrek aan alternatieven binnen de lokale gemeenschap gedwongen zien in gespecialiseerde instellingen te leven en roept de lidstaten op alles in het werk te stellen om personen met een handicap meer mogelijkheden voor een autonoom leven te bieden;

51.   verzoekt de Commissie een volledig overzicht op te stellen van de EU-wetgeving en -beleidsmaatregelen, teneinde te beoordelen in hoeverre deze in overeenstemming zijn met het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; is van mening dat de wetgevingsprocedures en de beleidsvorming van de EU moeten worden aangepast om ervoor te zorgen dat zij in overeenstemming zijn met en uitvoering geven aan het Gehandicaptenverdrag; verzoekt de Commissie hiertoe specifieke richtsnoeren voor effectbeoordeling vast te stellen en het ontwerp van een EU-voortgangsverslag over de tenuitvoerlegging van het Gehandicaptenverdrag in de EU in te dienen bij het Parlement; is van mening dat het Parlement regelmatig debatten moet organiseren en aanbevelingen moet opstellen middels een resolutie inzake de vooruitgang die is geboekt met betrekking tot de mate waarin personen met een handicap de in het Gehandicaptenverdrag vervatte rechten genieten, onder meer op basis van het verslag van de Commissie; steunt de lopende initiatieven om in het Parlement een commissieoverschrijdende taskforce op te zetten voor de tenuitvoerlegging van het Gehandicaptenverdrag, om ervoor te zorgen dat de maatregelen van het Parlement met betrekking tot het toezicht op en de ondersteuning van de tenuitvoerlegging van dit verdrag alomvattend en samenhangend zijn;

52.   verzoekt de lidstaten en de Commissie de rechten van het kind in alle interne en externe acties en beleidsmaatregelen die van invloed op kinderen zijn, te beschermen, te bevorderen en te handhaven; uit zijn bezorgdheid over kinderen die geweld en seksuele uitbuiting ondervinden en verzoekt de lidstaten de omzetting van Richtlijn 2011/93/EU ter bestrijding van seksueel misbruik, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie te voltooien; verzoekt de lidstaten, de Commissie en het FRA hun inspanningen voort te zetten om te beoordelen hoe kinderen tijdens gerechtelijke procedures worden behandeld; is van mening dat het hoger belang van het kind bij een scheiding van de ouders te allen tijde in acht moet worden genomen en dat kinderen regelmatige, rechtstreekse contacten met hun ouders moeten kunnen onderhouden;

53.   spreekt zijn bezorgdheid uit over de situatie van de Roma in de EU en de talrijke gevallen van vervolging, geweld, stigmatisering, discriminatie, uitzetting, herhuisvesting en onrechtmatige gedwongen uitzetting, onrechtmatige registratie en etnische profilering door rechtshandhavingsinstanties, die in strijd zijn met de grondrechten en het recht van de Europese Unie; wijst opnieuw op zijn standpunt zoals bedoeld in zijn resolutie van 12 december 2013 over de geboekte vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de nationale strategieën voor de integratie van de Roma(34) , en dringt nogmaals aan op een doeltreffende tenuitvoerlegging van strategieën ter bevordering van daadwerkelijke integratie, en op versterkte en doelgerichte integratiemaatregelen, met name op het gebied van de grondrechten, onderwijs, werkgelegenheid, huisvesting en gezondheidszorg, alsook op de bestrijding van geweld, haattaal en discriminatie jegens de Roma; verlangt dat er een einde komt aan de onrechtmatige gedwongen uitzettingen, de ontmanteling van nederzettingen zonder te voorzien in alternatieve huisvesting, en de afzondering van Roma-kinderen op scholen en hun onrechtmatige plaatsing op speciale scholen; verzoekt de lidstaten meer gebruik te maken van de hun ter beschikking staande EU-fondsen voor de uitvoering van integratieprojecten en daarbij samen te werken met lokale overheden, die de eerste linie vormen in het dagelijkse beheer van nieuwkomers op hun grondgebied;

54.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om doeltreffend te reageren op de uitsluiting van de Roma door in samenwerking met vertegenwoordigers van de Roma-bevolking een geïntegreerd beleid te ontwikkelen en de in de strategieën vastgelegde maatregelen ten uitvoer te leggen, waarbij de aandacht uitgaat naar non-discriminatiemaatregelen en maatregelen ter verbetering van hun kansen op werk en toegang tot de arbeidsmarkt, terwijl tevens wordt gewaarborgd dat zij volledig deelnemen aan het beheer, de controle en de beoordeling van projecten die betrekking hebben op hun gemeenschappen, en om daarvoor voldoende begrotingsmiddelen uit te trekken en deze doeltreffend te besteden; verzoekt de Commissie en het FRA voorts om gemeenschappelijke, vergelijkbare en betrouwbare indicatoren op te stellen om toezicht te houden op de voortgang in de lidstaten;

55.   is van mening dat de Commissie strenge maatregelen moet nemen tegen schendingen van de grondrechten van de Roma in de lidstaten, met name door inbreukprocedures in te leiden wanneer zij geen toegang krijgen tot hun economische en sociale rechten, het recht op vrij verkeer en verblijf, het recht op gelijkheid en non-discriminatie en het recht op de bescherming van persoonsgegevens, of wanneer zij deze rechten niet kunnen uitoefenen; verzoekt de Commissie een toezichtmechanisme op te zetten voor haatmisdrijven tegen Roma, en verzoekt de Commissie en de lidstaten het ontbreken van geboorteregistraties en -akten van in de EU wonende Roma aan te pakken; herhaalt zijn oproep tot een doelgerichte aanpak van de sociale integratie van Roma-vrouwen om meervoudige discriminatie te voorkomen; verlangt dat het Europese kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma verder wordt ontwikkeld tot een volwaardige Europese strategie;

56.   benadrukt dat het van essentieel belang is dat de grondrechten en de fundamentele vrijheden van personen die behoren tot een nationale, etnische, religieuze of taalkundige minderheid worden geëerbiedigd; spreekt zijn bezorgdheid uit over het feit dat de mensen die tot deze minderheidsgemeenschappen behoren in het dagelijks leven belemmeringen ondervinden op het gebied van rechtspraak, gezondheidszorg en sociale voorzieningen, alsook onderwijs en cultuur, en dat hierdoor hun rechten en menselijke waardigheid als EU-burger worden ondermijnd en situaties ontstaan waarin zij door de nationale autoriteiten van hun eigen lidstaten als tweederangsburgers worden behandeld; is van mening dat dergelijke minderheden specifieke behoeften hebben die verschillen van die van andere minderheidsgroepen, dat het overheidsbeleid daar meer op moet worden toegespitst en dat de Unie zelf deze behoeften op een passender manier dient aan te pakken;

57.   is van mening dat er geen eenduidige oplossing bestaat om de situatie van dergelijke minderheden in alle lidstaten te verbeteren, maar dat er bepaalde gemeenschappelijke minimumdoelstellingen voor de overheidsinstanties in de EU moeten worden ontwikkeld, waarbij rekening wordt gehouden met de toepasselijke internationale wetgeving en bestaande goede praktijken; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat hun rechtsstelsels waarborgen dat er geen discriminatie plaatsvindt tegen personen die tot een erkende nationale minderheid behoren, en passende maatregelen te nemen om effectieve gelijkheid te bevorderen op basis van de relevante internationale normen en goede praktijken, zoals het Kaderverdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van nationale minderheden; verzoekt de Commissie een beleidsmaatstaf vast te stellen voor de bescherming van nationale minderheden, met inbegrip van inheemse, traditionele etnische en taalkundige minderheidsgemeenschappen, waarbij in acht wordt genomen dat deze bevolkingsgroepen meer dan 10 % van de totale bevolking van de EU vertegenwoordigen, teneinde te voorkomen dat er dubbele standaarden worden gehanteerd die onderscheid maken tussen de kandidaat-lidstaten en de lidstaten; wijst op de behoefte aan een omvattend EU-stelsel voor de bescherming van traditionele nationale minderheden, regionale taalkundige groepen en constitutionele regio's, in combinatie met een functionerend toezichtsmechanisme, naar het voorbeeld van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma; verzoekt de lidstaten omvattende gegevens inzake schendingen van de grondrechten van minderheden te verstrekken, zodat het FRA en de EU kunnen zorgen voor gegevensverzameling en verslaglegging;

58.   wijst erop dat positieve maatregelen die worden toegepast om tot minderheden behorende personen en groepen te beschermen, hun passende ontwikkeling te bevorderen en te waarborgen dat zij ten opzichte van de rest van de bevolking op administratief, politiek, economisch, sociaal en cultureel gebied gelijke rechten en een gelijke behandeling krijgen, niet als discriminatie mogen worden gezien;

59.   veroordeelt uitingen van racistisch geweld en van antisemitisch, homofoob/transfoob, xenofoob en tegen migranten, religieuze minderheden en etnische groepen gericht geweld, die een alarmerend niveau hebben bereikt, in het bijzonder op het internet, bij gebrek aan een gedecideerd optreden van de zijde van de autoriteiten om dit soort geweld te bestrijden; verzoekt de lidstaten Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht ten uitvoer te leggen, discriminatie aan te pakken, ervoor te zorgen dat er onderzoeken worden ingesteld in geval van haatuitingen en haatmisdrijven, dat er strafwetten worden aangenomen die het aanzetten tot haat op elke grond, ook op grond van seksuele geaardheid, verbieden en dat er effectieve bescherming bestaat tegen racisme, antisemitisme, zigeunerhaat, vreemdelingenhaat en homofobie en dat de slachtoffers passende bijstand krijgen; verzoekt de Commissie inbreukprocedures in te leiden tegen de lidstaten die dit kaderbesluit op 1 december 2014 nog niet correct ten uitvoer hebben gelegd; verzoekt om herziening van het kaderbesluit, opdat het ook van toepassing wordt op haatuitingen en handelingen die zijn ingegeven door antisemitisme, moslimhaat en religieuze intolerantie, zigeunerhaat, homofobie en transfobie, en om de toepassing ervan te versterken; geeft zijn volledige steun aan het onder het Ierse voorzitterschap van de Raad opgezette initiatief om de strijd tegen intolerantie te versterken en verzoekt de Raad die constructieve werkzaamheden voort te zetten;

60.   verzoekt de Commissie en de lidstaten gecoördineerde en omvattende maatregelen te nemen om haatmisdrijven in de EU stelselmatig te bestrijden en te voorkomen en haatmisdrijven beter zichtbaar te maken aan de hand van gegevens, waarbij moet worden gewaarborgd dat dergelijke gegevens vergelijkbaar zijn om een overzicht op EU-niveau mogelijk te maken, door samen te werken met het FRA met het oog op een betere verzameling en harmonisatie van de gegevens over haatmisdrijven; veroordeelt haatdragende uitingen waarmee groepen mensen op grond van hun sociale, culturele, religieuze of buitenlandse afkomst worden gestigmatiseerd, alsook het aanzetten tot rassenhaat, in het bijzonder wanneer prominenten zich hier schuldig aan maken; wijst op FRA-advies 2/2013 inzake het Kaderbesluit betreffende racisme en vreemdelingenhaat en benadrukt dat de rechten van de slachtoffers van misdrijven, en met name haatmisdrijven, moeten worden gewaarborgd;

61.   verzoekt de lidstaten, in het besef dat onderwijs van vitaal belang is in de strijd tegen discriminatie, erop toe te zien dat hun integratiestrategieën zich toespitsen op een hervorming van het nationale onderwijsprogramma, teneinde xenofobie, racisme en zigeunerhaat in de leerstof op te nemen en kinderen van jongs af aan te leren dat dit in het publieke debat vormen van discriminatie zijn;

62.  dringt er bij de EU en de lidstaten op aan:

   een gelijke behandeling van vrouwen en mannen te waarborgen en alle vormen van geweld tegen vrouwen te voorkomen, bestrijden en vervolgen als een schending van de grondrechten, en ervoor te zorgen dat de slachtoffers steun en bescherming wordt geboden;
   het Verdrag van de Raad van Europa inzake de voorkoming en bestrijding van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) te ondertekenen en te ratificeren en een systeem voor gegevensverzameling op te zetten om de partijen bij het Verdrag te ondersteunen bij de verstrekking van nauwkeurige en vergelijkbare gegevens over de omvang, vormen en gevolgen van geweld tegen vrouwen;
   hun inspanningen ter verwezenlijking van de doelstellingen van het Europees pact voor gendergelijkheid (2011-2020) op te voeren en passende maatregelen te nemen om alle vormen van directe en indirecte discriminatie van vrouwen, met name de loonkloof tussen mannen en vrouwen, beroepssegregatie, het hanteren van stereotypen en alle vormen van geweld tegen vrouwen aan te pakken, aangezien vrouwen nog steeds meervoudig gediscrimineerd worden op diverse terreinen van het dagelijks leven, ondanks alle geldende wetten ter bestrijding van discriminatie;
   onderwijs op het gebied van gendergelijkheid, gendermainstreaming en voldoende toezichtsmechanismen voor de tenuitvoerlegging van het EU-genderbeleid te bevorderen;
   sterker op te treden tegen mensenhandel, om een einde te maken aan seksuele uitbuiting waardoor voornamelijk vrouwen worden getroffen, alsook dwangarbeid;
   een behoorlijke uitvoering van de bestaande gendergelijkheidsrichtlijnen te waarborgen, onder meer door inbreukprocedures in te leiden;
   een voorstel te doen voor een Europese strategie ter bestrijding van geweld tegen vrouwen, die gevolg geeft aan haar eerdere toezeggingen op dit vlak en voldoet aan de vele verzoeken van het Parlement; is in dit verband ingenomen met de "nultolerantie voor geweld tegen vrouwen" van de Commissie; verzoekt echter om meer maatregelen, waaronder een EU-brede strategie voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen, zoals aangekondigd in de conclusies van de Raad van maart 2010, inclusief juridisch bindende instrumenten en bewustmakingsacties;
   de kwestie van geweld tegen vrouwen -waaronder geweld binnen persoonlijke relaties, seksueel geweld (verkrachting, aanranding en seksuele intimidatie), seksuele uitbuiting en schadelijke traditionele praktijken, zoals gedwongen huwelijken en "eerwraak"- hoog op de agenda te houden, omdat gendergerelateerd geweld niet alleen een gevolg van de ongelijkheden tussen vrouwen en mannen maar ook een belemmering voor gelijkheid is en derhalve niet mag worden getolereerd;
   een nultolerantiebeleid voor de genitale verminking van vrouwen te voeren;
   maatregelen te nemen en projecten op te zetten om voor alle generaties vrouwen een betere combinatie van werk en gezin tot stand te brengen, en juicht het besluit toe om 2014 uit te roepen tot het Europees Jaar van het evenwicht tussen werk en gezin;

63.   verzoekt de Commissie en de lidstaten bij het opstellen van wetgeving en het analyseren van de stand van zaken met betrekking tot de grondrechten in de EU rekening te houden met de behoeften en zorgen van vrouwen door onder meer samen te werken met het maatschappelijk middenveld en op vrouwen gerichte ngo's; benadrukt dat het belangrijk is om de tenuitvoerlegging van Europese wetgeving inzake gendergelijkheid in de lidstaten nauwlettend te volgen en te evalueren;

64.   verzoekt de lidstaten billijke lonen en pensioenen te garanderen, de loonkloof tussen mannen en vrouwen te verkleinen, meer hoogwaardige banen voor vrouwen te scheppen, vrouwen in staat te stellen gebruik te maken van kwalitatief goede overheidsdiensten en de voorzieningen voor het welzijn van vrouwen te verbeteren;

65.   verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om de economische en sociale oorzaken van geweld tegen vrouwen te bestrijden, zoals werkloosheid, lage lonen en pensioenen, het gebrek aan huisvesting, armoede en niet-bestaande of inadequate overheidsdiensten, met name op het gebied van gezondheidszorg, onderwijs en sociale zekerheid;

66.   verzoekt de Commissie zich nog meer in te spannen om schendingen van de grondrechten van jonge meisjes tegen te gaan en zich in het bijzonder te richten op de industrie die jonge meisjes als seksobject beschouwt en die een stijgende handel in jonge meisjes voor seksuele doeleinden in de EU in de hand werkt;

67.   verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de nationale strategieën ter eerbiediging en waarborging van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten van de vrouw worden uitgevoerd; beklemtoont dat de Unie een belangrijke rol speelt bij het vergroten van het bewustzijn en het bevorderen van beste praktijken op dit gebied, aangezien gezondheid een fundamenteel mensenrecht is dat van essentieel belang is voor de uitoefening van andere mensenrechten;

68.   verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen voor een rechtskader voor de aanpak van meervoudige en intersectionele discriminatie;

69.   is van oordeel dat de ondervertegenwoordiging van vrouwen in het besluitvormingsproces in de politiek en het bedrijfsleven een tekortkoming is; verzoekt de lidstaten derhalve positieve discriminatiemaatregelen in te voeren, zoals wettelijk vastgelegde pariteitssystemen en genderquota;

70.   benadrukt dat het verkleinen van de loonkloof buitengewoon langzaam verloopt; wijst erop dat de toepassing van het beginsel van gelijke beloning voor gelijke of gelijkwaardige arbeid essentieel is voor de verwezenlijking van gendergelijkheid; dringt er bij de Commissie op aan Richtlijn 2006/54/EG zo spoedig mogelijk te herzien en wijzigingen voor te stellen overeenkomstig artikel 32 van deze richtlijn en op basis van artikel 157 VWEU, met inachtneming van de gedetailleerde aanbevelingen in de bijlage bij de resolutie van het Parlement van 24 mei 2012;

71.   benadrukt het feit dat bezuinigingen op openbare diensten voor kinderopvang rechtstreeks van invloed zijn op de economische onafhankelijkheid van vrouwen; wijst erop dat in 2010 het gebrek aan kinderopvang de oorzaak was van het feit dat 28,3 % van de vrouwen niet werkte of in deeltijd werkte, terwijl dit in 2009 gold voor 27,9 % van de vrouwen; wijst er tevens op dat de arbeidsparticipatie van vrouwen met kleine kinderen in de EU in 2010 12,7 % lager was dan die van vrouwen zonder kinderen, en in 2008 11,5 % lager;

72.   betreurt het feit dat de grondrechten van oudere vrouwen te vaak worden geschonden, gezien het hoge aantal gevallen van geweld, fysieke en emotionele mishandeling en financieel misbruik in diverse lidstaten; verzoekt de Commissie en de lidstaten meer maatregelen te treffen met het oog op de bescherming van oudere vrouwen tegen elke vorm van mishandeling, waaronder een slechte behandeling in zorginstellingen voor ouderen;

73.   is van mening dat vrouwen met een handicap dubbel gediscrimineerd worden, op grond van zowel hun geslacht als hun handicap; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom maatregelen te nemen om de grondrechten van vrouwen met een handicap in de EU te waarborgen en te beschermen;

74.   verzoekt de Commissie en de lidstaten krachtigere inspanningen te leveren om een einde te maken aan de seksistische stereotypen waarvoor de media en in het bijzonder reclame een belangrijk voertuig zijn, daar deze een doorslaggevende rol kunnen vervullen bij het veranderen van het collectieve beeld ten aanzien van de rol van mannen en vrouwen;

75.   verzoekt de Commissie en de lidstaten bij de burgers het bewustzijn en de kennis van al hun in het Handvest vervatte rechten te vergroten en een participerende democratie aan te moedigen door een permanente dialoog met het maatschappelijk middenveld, relevante ngo's en vrouwenorganisaties te onderhouden; verzoekt met name vrouwenorganisaties hun onschatbare deskundigheid op het gebied van hardnekkige stereotypen en discriminatie te delen, aangezien vrouwen altijd de meest kwetsbare slachtoffers zijn geweest;

76.   verzoekt, met betrekking tot de uitdagingen waarmee ouderen te maken hebben bij de volledige toepassing van hun mensenrechten, om meer betrokkenheid van de EU-instellingen en een verbetering van de dialoog tussen de verschillende betrokkenen;

Solidariteit

77.   benadrukt dat de financiële en economische crisis en de maatregelen die zijn genomen om deze te bestrijden ingrijpendere en vaak zeer ernstige gevolgen hebben gehad voor de armste en meest achtergestelde groepen in de samenleving, zoals blijkt uit nota van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa getiteld "Safeguarding human rights in times of economic crisis", waarin wordt verwezen naar groepen die met sociale marginalisering worden bedreigd, zoals migranten, asielzoekers, Roma, vrouwen en kinderen; wijst erop dat in 2012 een kwart van de bevolking in de EU-28 met armoede of sociale uitsluiting werd bedreigd; verlangt dat hieraan bijzondere aandacht wordt besteed en dat er passende, verdergaande en doeltreffende maatregelen worden genomen om deze situatie op te lossen en ongelijkheden en armoede te bestrijden; veroordeelt de uitlatingen van politici die tot doel hebben deze bevolkingsgroepen tot zondebok te maken; is bezorgd over het feit dat de grondrechten, de rechtsstaat en de democratische waarden door economische en sociale crises onder druk komen te staan, op zowel nationaal als supranationaal niveau;

78.   benadrukt het feit dat sociale rechten grondrechten zijn, zoals erkend door internationale verdragen, het EVRM, het EU-Handvest van de grondrechten en het Europees Sociaal Handvest; wijst erop dat deze rechten zowel bij wet als in de praktijk moeten worden beschermd om sociale rechtvaardigheid te waarborgen, vooral in tijden van economische crisis en bezuinigingsmaatregelen; onderstreept het belang van het recht op waardigheid, de vrijheid van beroep en het recht om te werken, het recht op non-discriminatie, onder meer op basis van nationaliteit, bescherming in geval van onredelijk ontslag, het recht op gezondheid en veiligheid op het werk, sociale zekerheid en sociale bijstand, het recht op gezondheidszorg, het recht op vrij verkeer en verblijf, het recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting door doeltreffende toegang te verschaffen tot werkgelegenheid, passende huisvesting, opleiding, onderwijs, cultuur en sociale en medische bijstand, en, op het vlak van bezoldiging en sociale uitkeringen, het waarborgen van een fatsoenlijke levensstandaard voor werknemers en hun gezin, alsmede behoorlijke andere arbeidsomstandigheden en -voorwaarden, de autonomie van de sociale partners, en de vrijheid om zich aan te sluiten bij nationale en internationale verenigingen ter bescherming van de economische en sociale belangen van werknemers en om collectief te onderhandelen;

79.   onderstreept dat wanneer mensen werkloos zijn, in armoede leven of maatschappelijk zijn gemarginaliseerd, dat aanzienlijke of zelfs rampzalige gevolgen heeft voor de uitoefening van de rechten en vrijheden die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de meest bedreigde rechten en vrijheden, met name: het recht op menselijke waardigheid (artikel 1), de vrijheid van beroep en het recht om te werken (artikel 15), het recht op non-discriminatie (artikel 21), bescherming in geval van onredelijk ontslag (artikel 30), het recht op sociale zekerheid en sociale bijstand (artikel 34), het recht op gezondheidszorg (artikel 35) en het recht op vrij verkeer en vrij verblijf (artikel 45); stelt bovendien vast dat wanneer mensen werkloos zijn, in armoede leven of maatschappelijk zijn gemarginaliseerd, zij de gevolgen daarvan ondergaan bij hun toegang tot basisvoorzieningen, sociale dienstverlening, financiële dienstverlening, enzovoort;

80.   herinnert eraan dat stelsels die het beginsel van sociale rechtvaardigheid erkennen en met degelijke wetgeving ten uitvoer leggen, de beste bescherming bieden tegen de sociale gevolgen van de economische en financiële crisis;

81.   adviseert alle lidstaten zo snel mogelijk ieder resterend voorbehoud ten opzichte van het Europees Sociaal Handvest in te trekken; is van mening dat het Parlement een permanente dialoog over de voortgang in deze kwestie moet stimuleren; is van mening dat de verwijzing naar het ESH in artikel 151 VWEU doeltreffender dient te worden benut, bijvoorbeeld door een test inzake sociale rechten op te nemen in de effectbeoordelingen van de Commissie en het Parlement;

82.   roept op tot krachtiger maatregelen om daklozen te helpen en onderdak en bijstand te bieden; veroordeelt -juist nu er als gevolg van de aanslepende economische en financiële crisis steeds meer mensen in kwetsbare situaties terechtkomen en op straat eindigen- wetgeving en beleidsmaatregelen op nationaal en lokaal niveau die deze mensen, die hulpbehoevend zijn, strafbaar stellen daar dit een frappante en onmenselijke schending van de grondrechten is;

83.   onderstreept dat de maatregelen die de crisis moeten oplossen verenigbaar moeten zijn met de waarden en doelstellingen van de Unie, en met name dat in de landen die het zwaarst getroffen zijn door de crisis in de eurozone de rechtsstaat moet worden gewaarborgd door de maatregelen van de Unie;

84.   herhaalt met klem zijn verzoek aan de Raad om het thema "toegang tot alle grondrechten voor de armsten" op te nemen onder de thema's van het volgende meerjarige kader van het FRA;

85.   betreurt het feit dat in sommige lidstaten nog steeds overgangsregelingen inzake het vrije verkeer van werknemers bestaan; benadrukt dat de angst voor negatieve gevolgen van arbeidsmigratie niet gegrond is; wijst erop dat ramingen een toename op de lange termijn van bijna 1 % van het bbp van de EU-15-landen laten zien, als gevolg van mobiliteit na de uitbreiding (in 2004-2009)(35) ;

86.   merkt op dat recente uitlatingen waarin vrij verkeer wordt bestempeld als migratie om te profiteren van socialezekerheidsstelsels niet op feiten zijn gebaseerd(36) ; onderstreept dat discriminatie een zeer grote belemmering vormt voor Europese burgers om gebruik te maken van hun grondrechten; benadrukt dat EU-burgers die permanent in een andere lidstaat verblijven recht hebben op gelijke behandeling ten aanzien van sociale zekerheid, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 883/2004;

87.   benadrukt dat de Commissie en de lidstaten hun werkzaamheden ten aanzien van de ontwikkeling en garantie van arbeidsrechten en fundamentele sociale rechten moeten intensiveren, als een cruciale stap om ervoor te zorgen dat gelijke behandeling, fatsoenlijk werk en salarissen om in het levensonderhoud te kunnen voorzien in de Europese Unie worden bewerkstelligd;

88.   roept de Commissie en de lidstaten op het recht van werknemers op veilige en gezonde arbeidsomstandigheden, zoals vermeld in artikel 3 van het Europees Sociaal Handvest, te erkennen als een essentieel recht voor werknemers om een fatsoenlijk leven te kunnen leiden en om de eerbiediging van hun grondrechten te waarborgen;

89.   wijst op het belang van de rol van de sociale partners in collectieve onderhandelingen om de grondrechten en de gelijke behandeling van werknemers veilig te stellen, met name wat betreft jongeren, vrouwen, personen met een handicap en andere sociaal achtergestelde groepen op de arbeidsmarkt;

Burgerschap

90.   wijst erop dat de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon en van het Handvest van de grondrechten, evenals de toenemende verwachtingen van de burgers en het maatschappelijk middenveld – zoals is aangetoond met het mislukken van ACTA en de spionageschandalen – nopen tot versterking en uitbreiding van de democratische en institutionele transparantie en openheid in de EU, met name in haar instellingen, organen, bureaus, agentschappen en in haar lidstaten; is van oordeel dat transparantie en openheid hoofdbeginselen zijn die verder moeten worden versterkt en bevorderd teneinde te zorgen voor goed bestuur en volledige deelname van het maatschappelijk middenveld aan het besluitvormingsproces van de EU;

91.   betreurt dat de herziening van Verordening (EG) nr. 1049/2001 betreffende het recht op toegang tot documenten en informatie interinstitutioneel is vastgelopen; verzoekt de Raad en de Commissie de herziening van deze verordening te hervatten op basis van de voorstellen van het Parlement om te zorgen voor meer transparantie in het besluitvormingsproces van de EU en een betere toegang tot documenten voor EU-burgers; verzoekt alle instellingen, bureaus, organen en agentschappen van de EU om Verordening (EG) nr. 1049/2001 volledig ten uitvoer te leggen, zoals vereist is krachtens het Verdrag van Lissabon, en merkt in het licht van de rechtspraak van het HvJ en klachten aan de Ombudsman op dat zij dit niet hebben gedaan; verzoekt de Raad en de Commissie tegelijkertijd de nodige maatregelen te treffen om transparantie te waarborgen bij het informeren van het algemene publiek over de manier waarop de financiering uit de EU-begroting in de lidstaten wordt benut;

92.   benadrukt dat het recht op goed bestuur ook inhoudt dat overheden de plicht hebben hun burgers te informeren over hun grondrechten en de meest hulpbehoevenden te helpen bij het verkrijgen van uitleg over hun rechten en bij het waarborgen van de eerbiediging ervan;

93.   herinnert eraan dat burgerschap overeenkomstig artikel 21 van de Universele Verklaring van de rechten van de mens inhoudt dat eenieder het recht heeft deel te nemen aan het openbare leven van het land van verblijf; herinnert eraan dat Europees burgerschap niet beperkt is tot actief en passief stemrecht bij de Europese en gemeenteraadsverkiezingen, en evenmin tot de uitoefening van de rechten op het gebied van vrij verkeer en verblijf, hoe wezenlijk die ook zijn; onderstreept dan ook dat Europees burgerschap inhoudt dat eenieder die op het grondgebied van de Unie verblijft, actief en zonder gediscrimineerd te worden kan deelnemen aan het democratische, politieke, sociale en culturele leven van de lidstaat waarin hij of zij verblijft en al zijn of haar door de Europese Unie erkende politieke, burgerlijke, economische, culturele en sociale grondrechten en vrijheden kan uitoefenen;

94.   wijst op de noodzaak bewustmakings- en voorlichtingscampagnes te organiseren ter bevordering van de waarden en doelstellingen van de Unie onder de burgers, en verzoekt met name om een zo breed mogelijke verspreiding van de teksten van de relevante artikelen van het VEU en het Handvest van de grondrechten;

95.   is ingenomen met het besluit om 2013 uit te roepen tot het Europees Jaar van de burger; verzoekt de Commissie echter om tezamen met de lidstaten de EU-burgers in kennis te blijven stellen van hun rechten, opdat zij hun EU-burgerschap volledig kunnen benutten;

96.   verzoekt de lidstaten voorlichtingscampagnes op touw te zetten om de EU-burgers te informeren over hun recht om te stemmen en om zich verkiesbaar te stellen; verzoekt in alle lidstaten de nodige hervorming van de Europese verkiezingsprocedures uit te voeren teneinde het actief EU-burgerschap te bevorderen; wenst dat de lidstaten aanmoedigen tot actieve participatie van burgers door middel van burgerinitiatieven en door gebruik te maken van het petitierecht en het recht om klachten in te dienen bij de Europese Ombudsman;

97.   herinnert aan het belang van de werkzaamheden van de Europese Ombudsman voor de rechten van personen; onderstreept dat de onafhankelijkheid van de Ombudsman belangrijk is om zijn geloofwaardigheid te kunnen waarborgen en verzoekt daarom om een wijziging van zijn statuut, teneinde formeel uit te sluiten dat hij wordt gekozen uit een kring van personen die zijn kiezers waren of zijn;

98.   onderstreept dat het in de Verdragen neergelegde en door de richtlijn inzake vrij verkeer gewaarborgde recht op vrij verkeer, werk en verblijf van Europese burgers en hun gezinnen, alsmede de vrijheid van beroep en het recht om te werken, fundamentele rechten van de Europese burgers zijn, en een belangrijk economisch voordeel vormen voor gastlanden dat bijdraagt aan de aanpak van een ongelijke verdeling van vaardigheden en werkgelegenheid en aan compensatie van het demografische tekort in de Europese Unie; onderstreept het feit dat de richtlijn reeds voorziet in uitzonderingen en beperkingen op het recht op vrij verkeer; wijst elke poging om aan dit verworven recht te tornen van de hand en dringt erop aan dat iedere inbreuk bij het Hof van Justitie aanhangig wordt gemaakt;

Justitie

99.   onderstreept dat een onafhankelijke, billijke, doeltreffende, onpartijdige en eerlijke rechtsbedeling binnen redelijke termijnen van essentieel belang is voor de democratie en de rechtsstaat en voor de geloofwaardigheid daarvan; is bezorgd over de talrijke inbreuken die hierop worden geconstateerd, zoals ook blijkt uit het aantal veroordelingen die zijn uitgesproken voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens; verzoekt de lidstaten de uitspraken van het Hof volledig ten uitvoer te leggen; benadrukt dat het ongestraft plegen van dergelijke inbreuken vanuit een positie van gezag, macht of invloed op personen, justitiële of politieke autoriteiten in de EU niet mag worden getolereerd;

100.   erkent – naast het belang van rechtbanken – het belang van niet-rechterlijke en semirechterlijke instellingen voor de toegang tot de rechter, zoals nationale instellingen voor de rechten van de mens, organisaties voor gelijke kansen, ombudsmaninstellingen, en autoriteiten voor gegevensbescherming, alsook andere instellingen van dien aard gericht op de rechten van de mens; benadrukt in dit verband dat er in alle lidstaten nationale instellingen voor de rechten van de mens moeten worden aangewezen of opgezet, met het oog op het verkrijgen van hun volledige accreditatie overeenkomstig de zogeheten beginselen van Parijs (beginselen betreffende de status en werking van nationale instellingen ter bescherming en bevordering van de rechten van de mens, resolutie 48/134 van de Algemene Vergadering van de VN van 20 december 1993); benadrukt dat een vereiste van volledige onafhankelijkheid ook nuttig kan zijn voor andere instellingen gericht op de rechten van de mens;

101.   verzoekt het FRA om in samenwerking met de betrokken speciale rapporteur van de VN onderzoek te doen naar de buitengewone wetten en procedures die zijn ingevoerd om terrorisme te bestrijden en na te gaan of deze verenigbaar zijn met de grondrechten; verwerpt elke uitzonderlijke procedure waarmee het evenwicht tussen vervolging en verdediging in gerechtelijke procedures zichtbaar wordt aangetast, zoals geheime hoorzittingen of geheime uitspraken, of waarmee overheden bijzondere bevoegdheden worden verleend met betrekking tot mediacensuur of geheim toezicht op de bevolking; stelt vast en betreurt dat het antiterreurbeleid geleidelijk wordt uitgebreid tot een steeds groter aantal misdrijven en delicten, met als gevolg een toename van het aantal snelrechtprocedures, onsamendrukbare minimumstraffen en een steeds grotere opslag van persoonsgegevens van de bevolking;

102.   verzoekt de Commissie haar werkzaamheden op het gebied van het strafrecht alsook de tenuitvoerlegging van de routekaart voor de procedurele waarborgen voort te zetten, en verzoekt de lidstaten zich ter zake ambitieuzer op te stellen;

103.   is ingenomen met het FRA-verslag over de toegang tot de rechter in gevallen van discriminatie binnen de EU en benadrukt dat de toegang tot de rechter vaak ingewikkeld en omslachtig is; is van mening dat dit onder meer kan worden verbeterd met behulp van vereenvoudigde procedures en uitgebreidere steun voor mensen die toegang tot de rechter wensen;

104.   neemt kennis van het door de Commissie gepresenteerde scorebord voor justitie, dat helaas alleen betrekking heeft op kwesties inzake civiel, administratief en handelsrecht, hoewel het Parlement verlangde dat het ook het strafrecht, de grondrechten en de rechtsstaat zou beslaan; dringt derhalve aan op een uitbreiding van het scorebord tot deze terreinen; onderstreept dat het moet worden geïntegreerd in het nieuwe Kopenhagen-mechanisme en de Europese beleidscyclus voor de toepassing van artikel 2 VEU; benadrukt tevens dat het verbeteren van de werking van de rechtspraak niet uitsluitend tot doel mag hebben een land aantrekkelijker te maken voor investeerders en ondernemers, waarbij vooral de efficiëntie van gerechtelijke procedures wordt beoogd, maar dat het tevens gericht moet zijn op het waarborgen van het recht op een eerlijk proces en de eerbiediging van de grondrechten;

105.   dringt er bij de Commissie op aan de doeltreffende tenuitvoerlegging in de EU van het recht op toegang tot de rechter te evalueren in het licht van het recht van alle mensen, zowel de huidige als de komende generaties, om te leven in een voor hun gezondheid en welzijn passende omgeving;

106.   uit zijn bezorgdheid over de politisering van het grondwettelijk hof in bepaalde lidstaten en wijst er opnieuw op dat een onafhankelijk rechtsstelsel van het grootste belang is;

o
o   o

107.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsook aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, de Raad van Europa en de Organisatie voor veiligheid en samenwerking in Europa.

(1) Raadsdocument 10140/11 van 18 mei 2011.
(2) PB C 115 van 4.5.10, blz. 1.
(3) PB L 328 van 6.12.08, blz. 55
(4) PB L 180 van 19.07.00, blz. 22.
(5) PB L 303 van 02.12.00, blz. 16.
(6) PB L 281 van 23.11.95, blz. 31.
(7) PB L 145 van 31.05.01, blz. 43.
(8) PB C 169 E van 15.6.12, blz. 49.
(9) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0500 .
(10) PB C 104 E van 30.4.04, blz. 1026.
(11) PB C 124 E van 25.05.06, blz. 405.
(12) PB C 294 E van 03.12.09, blz. 54.
(13) PB C 224 E van 19.08.10, blz. 18.
(14) PB C 308 E van 20.10.11, blz. 73.
(15) PB C 136 E van 11.05.12, blz. 50.
(16) PB C 199 E van 07.07.12, blz. 112.
(17) PB C 199 E van 07.07.12, blz. 154.
(18) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0203 .
(19) PB C 264 E van 13.09.13, blz. 54.
(20) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0090 .
(21) PB C 51 E van 22.02.13, blz. 121.
(22) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0444 .
(23) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0315 .
(24) PB C 353 E van 03.12.13, blz. 1.
(25) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0418 .
(26) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0350 .
(27) PB C 296 E van 02.10.12, blz. 26.
(28) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0045 .
(29) PB C 264 E van 13.09.13, blz. 75.
(30) Resolutie 1872(2012) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 24 april 2012.
(31) Regionale studie: beheer van de buitengrenzen van de Europese Unie en de impact ervan op de mensenrechten van migranten, verslag van de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechten van migranten, de heer François Crépeau, 24 april 2013, A/HRC/23/46.
(32) Verslag van het FRA over de grondrechten aan de zuidelijke zeegrenzen van de EU, maart 2013.
(33) PB C 131 E van 8.5.13, blz. 9.
(34) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0594 .
(35) Employment and social developments in Europe 2011, hoofdstuk 6: Intra-EU labour mobility and the impact of enlargement, blz. 274.
(36) Zie de onderzoeksanalyse van de impact op de socialezekerheidsstelsels van de lidstaten van het recht van niet-actieve intra-EU-migranten op bijzondere, niet op premie- of bijdragebetaling berustende uitkeringen en gezondheidszorg die op basis van woonplaats worden toegekend, DG Werkgelegenheid, eindverslag ingediend door ICF GHK in samenwerking met Milieu Ltd., 14 oktober 2013.


Europees aanhoudingsbevel
PDF 280k   DOC 61k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de herziening van het Europees aanhoudingsbevel (2013/2109(INL))
P7_TA(2014)0174 A7-0039/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–   gezien de artikelen 2, 3, 6 en 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien artikel 5 van zijn Besluit 2005/684/EG, Euratom van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement(1) ,

–   gezien het Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten(2) ,

–   gezien de verslagen van de Commissie inzake de uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (COM(2005)0063 en SEC(2005)0267 , COM(2006)0008 en SEC(2006)0079 , COM(2007)0407 en SEC(2007)0979 en COM(2011)0175 en SEC(2011)0430 ),

–   gezien het eindverslag van de Raad van 28 mei 2009 over de vierde wederzijdse evaluatieronde - de praktische toepassing van het Europees aanhoudingsbevel en de bijbehorende procedures voor overlevering tussen de lidstaten (8302/4/2009 – CRIMORG 55),

–   gezien zijn resolutie van 23 oktober 2013 over georganiseerde misdaad, corruptie en het witwassen van geld: aanbevelingen inzake de benodigde acties en initiatieven (eindverslag)(3) ,

–   gezien de herziene versie van het Europees Handboek voor het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel (17195/1/10 REV 1),

–   gezien Verordening (EU) nr. 1382/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een programma "Justitie" voor de periode 2014-2020(4) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 13 september 2011 getiteld "Opbouwen van vertrouwen in justitie in de hele EU - Een nieuwe dimensie in de Europese justitiële opleiding" (COM(2011)0551 ),

–   gezien zijn resolutie van 15 december 2011 over de detentieomstandigheden in de EU(5) ,

–   gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 9 maart 2004 betreffende de rechten van gedetineerden in de Europese Unie(6) ,

–   gezien de beoordeling van de Europese toegevoegde waarde van maatregelen van de Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel, uitgevoerd door de afdeling Europese toegevoegde waarde van het Europees Parlement,

–   gezien het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie van 20 oktober 2010(7) ,

–   gezien de artikelen 42 en 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A7-0039/2014 ),

A.   overwegende dat de Europese Unie zich tot doel heeft gesteld haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te bieden, en dat de Europese Unie overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) de mensenrechten en de fundamentele vrijheden respecteert en daarmee concrete verplichtingen is aangegaan die zij moet vervullen om deze verbintenis gestand te doen; overwegende dat, voor een effectieve toepassing daarvan, het beginsel van wederzijdse erkenning gebaseerd moet zijn op wederzijds vertrouwen en dat dit alleen tot stand kan worden gebracht indien de grondrechten van verdachten en beklaagden en de procedurele rechten in strafprocedures in de hele Unie worden gegarandeerd; overwegende dat wederzijds vertrouwen kan worden vergroot middels opleidingen, samenwerking en dialoog tussen rechterlijke autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaars, waardoor een daadwerkelijke Europese rechtscultuur wordt opgebouwd;

B.   overwegende dat Kaderbesluit 2002/584/JBZ overwegend succesvol is geweest voor wat betreft het verwezenlijken van het doel om overleveringsprocedures in de hele Unie te bespoedigen ten opzichte van het traditionele uitleveringssysteem tussen de lidstaten, en bepalend is voor de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken, thans vastgelegd in artikel 82 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);

C.   overwegende dat tijdens de toepassing ervan echter problemen zijn opgetreden, waarvan sommige specifiek voor Kaderbesluit 2002/584/JBZ en het gevolg van hiaten in het Kaderbesluit zijn, zoals het ontbreken van een expliciete verwijzing naar waarborgen van de grondrechten of een evenredigheidscontrole, alsook het gevolg van een onvolledige en inconsequente tenuitvoerlegging ervan; overwegende dat andere problemen ook voorkomen bij de reeks instrumenten voor wederzijdse erkenning vanwege de onvolledige en onevenwichtige ontwikkeling van de strafrechtelijke ruimte van de Unie;

D.   overwegende dat het voor de onderzoeksactiviteiten van de nationale openbare ministeries met betrekking tot de bestrijding van ernstige transnationale overtredingen essentieel is dat de instrumenten voor de wederzijdse erkenning van justitiële maatregelen helder gedefinieerd zijn en goed functioneren, en dat deze instrumenten van even groot belang zullen zijn voor de onderzoeksactiviteiten van het toekomstige Europees openbaar ministerie;

E.   overwegende dat de Bijzondere Commissie georganiseerde misdaad, corruptie en witwassen (CRIM) in haar slotresolutie heeft onderstreept dat de snelle wederzijdse erkenning van alle justitiële maatregelen, met name straf- en confiscatievonnissen en Europese aanhoudingsbevelen (EAB's), moet worden gewaarborgd onder volledige inachtneming van het evenredigheidsbeginsel;

F.  overwegende dat er bezorgdheden bestaan over onder meer:

   (i) het ontbreken van een expliciete weigeringsgrond in Kaderbesluit 2002/584/JBZ en andere instrumenten voor wederzijdse erkenning, terwijl er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de verplichtingen van de tenuitvoerleggende lidstaat overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest");
   (ii) het ontbreken van een bepaling in Kaderbesluit 2002/584/JBZ en andere instrumenten voor wederzijdse erkenning inzake het recht, zoals vastgelegd in artikel 47 van het Handvest, op een doeltreffende voorziening, dat derhalve onder het nationale recht blijft vallen, wat leidt tot onzekerheid en uiteenlopende praktijken in de lidstaten;
   (iii) het achterwege blijven van een regelmatige herziening van de signaleringen van het Schengeninformatiesysteem (SIS II) en Interpol, alsmede het ontbreken van een rechtstreekse koppeling tussen de intrekking van een EAB en de opheffing van deze signaleringen, en de onzekerheid betreffende de gevolgen van een weigering om een EAB uit te voeren voor de voortdurende geldigheid van een EAB en de hieraan gekoppelde signaleringen, met als gevolg dat personen die met een geweigerd EAB te maken hebben zich niet vrijelijk kunnen bewegen binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder dat ze gevaar lopen op aanhouding en overlevering;
   (iv) het gebrek aan precisie bij het opstellen van de lijst zware strafbare feiten met betrekking tot het EAB, maar ook tot andere instrumenten van de Unie waarin voortdurend naar deze lijst wordt verwezen, en de opneming van strafbare feiten die niet in het strafrecht van alle lidstaten als zware strafbare feiten worden aangemerkt en mogelijk niet de evenredigheidstest zullen doorstaan;
   (v) een buitensporig gebruik van het EAB voor lichte overtredingen of in omstandigheden waarin minder indringende alternatieven kunnen worden gebruikt, wat leidt tot ongerechtvaardigde aanhoudingen en onterechte en buitenmatig lange periodes in voorlopige hechtenis, en dus ook tot een onevenredige inbreuk op de grondrechten van verdachten en beklaagden alsmede tot druk op de middelen van de lidstaten;
   (vi) het ontbreken van een definitie van de term "rechterlijke autoriteit" in Kaderbesluit 2002/584/JBZ en andere instrumenten voor wederzijdse erkenning, hetgeen geleid heeft tot uiteenlopende praktijken in de lidstaten met onzekerheid, beschadiging van het wederzijds vertrouwen en rechtszaken tot gevolg;
   (vii) het ontbreken van minimumnormen die doeltreffend rechterlijk toezicht op maatregelen voor wederzijdse erkenning waarborgen, wat geleid heeft tot onsamenhangende praktijken in de lidstaten in verband met rechtswaarborgen en de bescherming tegen schendingen van de grondrechten, ook met betrekking tot schadevergoedingen voor slachtoffers van rechterlijke dwalingen zoals identiteitsverwisseling, hetgeen in strijd is met de normen zoals vastgelegd in het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en in de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie;
   (viii) ofschoon de noodzaak van voorlopige hechtenis onder bepaalde voorwaarden wordt erkend: het ontbreken van minimumnormen inzake dergelijke detentie, met inbegrip van regelmatige herziening, de inzet ervan als laatste hulpmiddel en het overwegen van alternatieven, in combinatie met het ontbreken van een passende beoordeling van de vraag of de zaak gereed is voor berechting, wat kan leiden tot ongerechtvaardigde en buitenmatig lange perioden die verdachten en beklaagden in voorlopige hechtenis doorbrengen;
   (ix) de onacceptabele toestand van een aantal detentiecentra in de Unie en de gevolgen hiervan voor de grondrechten van de betrokken individuen, met name het recht op bescherming tegen onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen overeenkomstig artikel 3 van het EVRM, en voor de doeltreffendheid en de werking van de instrumenten voor wederzijdse erkenning van de Unie;
   (x) het niet aanbieden van wettelijke vertegenwoordiging aan personen die worden gezocht op basis van een EAB, in de uitvaardigende lidstaat noch in de tenuitvoerleggende lidstaat;
   (xi) het ontbreken in Kaderbesluit 2002/584/JBZ van uiterste termijnen voor het indienen van de vertaalde EAB’s, waardoor onzekerheid en uiteenlopende praktijken ontstaan;
   (xii) het ontbreken van een passende definitie van strafbare feiten waarop de test voor dubbele strafbaarheid niet meer van toepassing is;
   (xiii) het niet inzetten van andere bestaande instrumenten voor justitiële samenwerking en wederzijdse erkenning van de Unie;

1.   is van mening, met inachtneming van het nieuwe rechtskader dat ingaat vanaf 2014 in het kader van het Verdrag van Lissabon, dat deze resolutie geen betrekking moet hebben op de problemen die uitsluitend het gevolg zijn van een onjuiste tenuitvoerlegging van Kaderbesluit 2002/584/JBZ, aangezien dergelijke problemen kunnen en moeten worden opgelost door middel van een juiste tenuitvoerlegging door de lidstaten, versterkt door procedures die door de Commissie worden ingeleid;

2.   verzoekt de lidstaten het geheel aan strafrechtelijke maatregelen van de Unie tijdig en op doeltreffende wijze ten uitvoer te leggen, aangezien deze elkaar aanvullen, met inbegrip van het Europees onderzoeksbevel, het Europees surveillancebevel en maatregelen inzake procedurele rechten, om zo de rechterlijke autoriteiten alternatieve en minder indringende instrumenten voor wederzijdse erkenning ter beschikking te stellen en tevens de eerbiediging van de rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures te waarborgen; verzoekt de Commissie nauwkeurig toe te zien op de correcte tenuitvoerlegging ervan, alsook de gevolgen ervan voor de werking van het EAB en de strafrechtelijke ruimte van de Unie;

3.   verzoekt de lidstaten en hun rechterlijke autoriteiten om onderzoek te doen naar alle bestaande mogelijkheden in Kaderbesluit 2002/584/JBZ (zoals overweging 12) om de bescherming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden te waarborgen, om alle mogelijke alternatieve mechanismen uit te putten alvorens een EAB uit te vaardigen, en om een zaak zonder onnodige vertraging te behandelen zodra een EAB tot een aanhouding heeft geleid, teneinde de voorlopige hechtenis tot een minimum te beperken;

4.   bevestigt dat de volledige erkenning en de snelle tenuitvoerlegging van justitiële maatregelen een stap voorwaarts zijn op weg naar een strafrechtelijke ruimte van de Unie, en onderstreept dat het EAB een essentieel instrument is voor een doeltreffende bestrijding van ernstige transnationale overtredingen;

5.   is van mening, gezien het feit dat de problemen in overweging F het gevolg zijn van zowel de specifieke kenmerken van Kaderbesluit 2002/584/JBZ als de onvolledige en onevenwichtige ontwikkeling van de strafrechtelijke ruimte van de Unie, dat de wetgevingsmaatregelen van toepassing moeten zijn op beide kwesties via voortgezette werkzaamheden ter vaststelling van minimumnormen voor onder andere de procedurele rechten van verdachten en beklaagden en een horizontale maatregel waarmee beginselen worden vastgelegd die op alle instrumenten voor wederzijdse erkenning toepasbaar zijn of, indien een dergelijke horizontale maatregel niet haalbaar is of de in deze resolutie vastgestelde problemen niet oplost, amendementen op Kaderbesluit 2002/584/JBZ;

6.   is van mening dat de vastgestelde tekortkomingen niet alleen het wederzijds vertrouwen schaden, maar ook op sociaal en economisch vlak kostbaar zijn voor de betrokken personen, hun gezinnen en de maatschappij in het algemeen;

7.  verzoekt de Commissie derhalve om binnen een jaar na aanneming van deze resolutie op basis van artikel 82 VWEU wetgevingsvoorstellen in te dienen aan de hand van de gedetailleerde aanbevelingen zoals uiteengezet in de bijlage en die in het volgende voorzien:

   (a) een procedure aan de hand waarvan een maatregel inzake wederzijdse erkenning zo nodig in de uitvaardigende lidstaat kan worden gevalideerd door een rechter, rechterlijke instantie, onderzoeksmagistraat of officier van justitie, teneinde de uiteenlopende interpretaties van de term "rechterlijke autoriteit" te ondervangen;
   (b) een evenredigheidscontrole bij het nemen van besluiten inzake wederzijdse erkenning, op basis van alle relevante factoren en omstandigheden zoals de ernst van de overtreding, of de zaak al dan niet gereed is voor berechting, de gevolgen voor de rechten van de verzochte persoon, met inbegrip van de bescherming van het privé- en gezinsleven, de financiële consequenties en de beschikbaarheid van een passende, minder indringende alternatieve maatregel;
   (c) een gestandaardiseerde raadplegingsprocedure aan de hand waarvan de bevoegde autoriteiten in de uitvaardigende en tenuitvoerleggende lidstaat informatie inzake de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen kunnen uitwisselen, bijvoorbeeld over de beoordeling van de evenredigheid, en met name met betrekking tot het EAB om de voorbereiding van het proces te evalueren;
   (d) een verplichte weigeringsgrond wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de maatregel onverenigbaar is met de verplichting van de tenuitvoerleggende lidstaat overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest, met name artikel 52, lid 1, waarin wordt verwezen naar het evenredigheidsbeginsel;
   (e) het recht op een doeltreffende voorziening in rechte overeenkomstig artikel 47, lid 1, van het Handvest en artikel 13 van het EVRM, waaronder het recht op instelling van beroep in de tenuitvoerleggende lidstaat tegen de verzochte uitvoering van een instrument voor wederzijdse erkenning en het recht van de verzochte persoon om bij een rechtbank een zaak aanhangig te maken in geval van niet-naleving door de uitvaardigende staat van aan de tenuitvoerleggende lidstaat verstrekte garanties;
   (f) een betere definitie van de strafbare feiten waarop het EAB van toepassing moet zijn, teneinde de uitvoering van de evenredigheidscontrole te vergemakkelijken;

8.   verzoekt om een duidelijke en samenhangende toepassing door alle lidstaten van de Uniewetgeving inzake procedurele rechten in strafprocedures die verband houden met het gebruik van het EAB, met inbegrip van het recht op tolk- en vertaaldiensten in strafprocedures, het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures, het recht op communicatie bij aanhouding en het recht op informatie in strafprocedures;

9.   verzoekt de Commissie om de lidstaten om uitgebreide gegevens te vragen met betrekking tot het functioneren van het EAB-mechanisme, en om deze gegevens in haar volgende uitvoeringsverslag op te nemen met het oog op het voorstellen van passende maatregelen bij eventuele problemen;

10.   verzoekt om een regelmatige herziening van niet-tenuitvoergelegde EAB's en om te overwegen of deze, samen met de bijbehorende SIS II- en Interpol-signaleringen, moeten worden ingetrokken; verzoekt tevens om de intrekking van EAB's en de bijbehorende SIS II- en Interpol-signaleringen indien het EAB om dwingende redenen is geweigerd, zoals op grond van het ne bis in idem-beginsel of onverenigbaarheid met de mensenrechtenverplichtingen; pleit ervoor te voorzien in de verplichte bijwerking van SIS II- en Interpol-signaleringen met informatie over de gronden voor de weigering van de uitvoering van het EAB dat overeenkomt met de signalering, en de bijbehorende bijwerking van de Europol-dossiers;

11.   wijst op het essentiële belang van correcte procedures met inbegrip van verhaalrechten, en verzoekt de lidstaten om hetzij als uitvaardigende, hetzij als tenuitvoerleggende lidstaat, te voorzien in wettelijke mechanismen om de schade die het gevolg is van rechterlijke dwalingen met betrekking tot instrumenten voor wederzijdse erkenning te vergoeden, overeenkomstig de normen zoals vastgelegd in het EVRM en in de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU;

12.   verzoekt de Raad om in de herziene versie van het Europees Handboek voor het uitvaardigen van een Europees aanhoudingsbevel (17195/1/10 REV 1) een uiterste termijn van zes dagen op te nemen voor het indienen van vertalingen van EAB’s teneinde in meer duidelijkheid en zekerheid te voorzien;

13.   verzoekt de lidstaten en de Commissie samen te werken om de contactnetwerken van rechters, officiers van justitie en strafpleiters te versterken, teneinde te voorzien in doeltreffende en goed geïnformeerde EAB-procedures, en om relevante opleidingen aan te bieden op nationaal en EU-niveau aan juridische beroepsbeoefenaars in o.a. talen, het juiste gebruik van het EAB en het gecombineerde gebruik van de verschillende instrumenten voor wederzijdse erkenning; verzoekt de Commissie een praktisch handboek van de Unie op te stellen bestemd voor strafpleiters die zich met dergelijke procedures bezighouden, dat in de hele Unie eenvoudig toegankelijk is, waarbij rekening wordt gehouden met bestaande werkzaamheden omtrent deze kwestie van de Europese vereniging van strafrechtadvocaten, en nationale handboeken ter aanvulling dienen;

14.   verzoekt de Commissie de oprichting van een specifiek justitieel netwerk voor Europese aanhoudingsbevelen en een netwerk van strafpleiters die gespecialiseerd zijn in Europese strafrechtelijke en uitleveringszaken te vergemakkelijken, en hiervoor adequate financiering te verstrekken, alsook voor het Europees netwerk voor justitiële opleiding; is van mening dat de Commissie kan zorgen voor de passende financiering middels de bestaande programma’s in de strafrechtelijke ruimte van de Unie;

15.   verzoekt de Commissie een databank van de Unie tot stand te brengen en eenvoudig toegankelijk te maken, waarin alle nationale jurisprudentie inzake EAB’s en andere procedures inzake wederzijdse erkenning worden verzameld en waarmee de werkzaamheden van beroepsbeoefenaars kunnen worden vergemakkelijkt, alsook het toezicht op en de beoordeling van de tenuitvoerlegging en eventuele problemen die kunnen ontstaan;

16.   benadrukt de relatie tussen detentieomstandigheden en EAB-maatregelen en herinnert de lidstaten eraan dat zij krachtens artikel 3 van het EVRM en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) niet alleen aan negatieve verplichtingen moeten voldoen, zoals het verbod op het onderwerpen van gedetineerden aan onmenselijke en vernederende behandelingen, maar ook aan positieve verplichtingen, zoals waarborgen dat de detentieomstandigheden aan de normen voor menselijke waardigheid voldoen, en dat er een streng en doeltreffend onderzoek wordt verricht indien dergelijke rechten worden geschonden; verzoekt de lidstaten met name de rechten van kwetsbare personen in acht te nemen en over het algemeen nauwkeurig onderzoek te doen naar alternatieven voor detentie;

17.   verzoekt de Commissie om ter waarborging van de doelmatigheid van het kader voor wederzijdse erkenning de op Unieniveau beschikbare juridische en financiële middelen te onderzoeken, teneinde de detentienormen te verbeteren, waaronder wetgevingsvoorstellen met betrekking tot de omstandigheden van voorlopige hechtenis;

18.   constateert dat deze aanbevelingen in overeenstemming zijn met de grondrechten en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid;

19.   is van oordeel dat de financiële gevolgen van de verzochte voorstellen voor de begroting van de Unie gedekt moeten worden door bestaande middelen uit de begroting; benadrukt dat de goedkeuring en tenuitvoerlegging van deze voorstellen voor zowel de lidstaten als burgers tot aanzienlijke besparingen in tijd en kosten zouden leiden, en derhalve zowel op economisch als sociaal gebied voordelen bieden, zoals duidelijk is opgemerkt in de beoordeling van de Europese toegevoegde waarde van maatregelen van de Unie betreffende de herziening van het EAB;

20.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande gedetailleerde aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE:

AANBEVELINGEN BETREFFENDE WETGEVINGSVOORSTELLEN

Valideringsprocedure voor rechtsinstrumenten voor wederzijdse erkenning van de Unie:

—   "Uitvaardigende lidstaat" wordt in de strafwetgeving van de Unie als volgt gedefinieerd:

(i)   een in de betrokken zaak bevoegde rechter, rechterlijke instantie, onderzoeksmagistraat of officier van justitie; of

(ii)   een andere bevoegde autoriteit zoals vastgesteld door de uitvaardigende lidstaat, mits de uit te voeren handeling is gevalideerd na bestudering van de conformiteit ervan met de voorwaarden voor het uitvaardigen van het instrument, door een rechter, rechterlijke instantie, onderzoeksmagistraat of officier van justitie in de uitvaardigende lidstaat.

Evenredigheidscontrole voor de uitvaardiging van rechtsinstrumenten voor wederzijdse erkenning van de Unie:

—   Bij het uitvaardigen van een besluit dat in een andere lidstaat ten uitvoer moet worden gelegd, onderzoekt de bevoegde autoriteit zorgvuldig de noodzaak van de verzochte maatregel op basis van alle relevante factoren en omstandigheden, waarbij rekening wordt gehouden met de rechten van de verdachte of beklaagde en de beschikbaarheid van een passende, minder indringende maatregel om de beoogde doelstellingen te verwezenlijken, en past deze autoriteit de minst indringende beschikbare maatregel toe. Indien de tenuitvoerleggende autoriteit redenen heeft om aan te nemen dat de maatregel buitensporig is, kan de tenuitvoerleggende autoriteit de uitvaardigende autoriteit raadplegen over het belang van de tenuitvoerlegging van het besluit inzake wederzijdse erkenning. Na een dergelijke raadpleging kan de uitvaardigende autoriteit ertoe besluiten het besluit inzake wederzijdse erkenning in te trekken.

Raadplegingsprocedure tussen de bevoegde autoriteiten in de uitvaardigende en tenuitvoerleggende lidstaat, te gebruiken voor rechtsinstrumenten voor wederzijdse erkenning van de Unie:

—   Onverminderd de mogelijkheid van de bevoegde tenuitvoerleggende autoriteit om gebruik te maken van de weigeringsgronden, moet er een gestandaardiseerde procedure beschikbaar zijn aan de hand waarvan de bevoegde autoriteiten in de uitvaardigende en de tenuitvoerleggende lidstaat informatie kunnen uitwisselen en elkaar kunnen raadplegen met het oog op een soepele en doeltreffende toepassing van de relevante instrumenten voor wederzijdse erkenning of de bescherming van de grondrechten van de betrokken persoon, zoals de beoordeling van de evenredigheid, ook met betrekking tot het EAB om de voorbereiding van het proces ervan te evalueren.

Weigeringsgrond gebaseerd op een (mogelijke) schending van de grondrechten, toe te passen op rechtsinstrumenten voor wederzijdse erkenning van de Unie:

—   Er zijn gegronde redenen om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de verplichtingen van de tenuitvoerleggende lidstaat overeenkomstig artikel 6 VEU en het Handvest.

Bepaling inzake doeltreffende rechtsmiddelen die van toepassing zijn op instrumenten voor wederzijdse erkenning van de Unie:

—   De lidstaten zorgen ervoor, in overeenstemming met het Handvest en de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU en het EHRM, dat iedereen wier rechten en vrijheden worden geschonden door een besluit, maatregel of weglating bij de toepassing van een instrument voor wederzijdse erkenning in strafzaken, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte. Indien een dergelijke voorziening ten uitvoer wordt gelegd in de uitvoerende lidstaat en een schorsende werking heeft, wordt de uiteindelijke beslissing over een dergelijke voorziening genomen binnen de via het toepasselijke instrument voor wederzijdse erkenning vastgestelde termijn of, wanneer er geen expliciete termijn wordt genoemd, tijdig genoeg om te waarborgen dat het doel van het wederzijdse erkenningsproces niet in gevaar komt.

(1) PB L 262 van 7.10.2005, blz. 1.
(2) PB L 190 van 18.07.02, blz. 1.
(3) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0444 .
(4) PB L 354 van 28.12.13, blz. 73.
(5) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 82.
(6) PB C 102 E, 28.4.2004, blz. 154.
(7) PB L 304 van 20.11.2010, blz. 47


Vrijwillige partnerschapsovereenkomst EU-Indonesië inzake wetshandhaving, governance en handel in houtproducten met de EU
PDF 136k   DOC 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over de sluiting van de vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Indonesië inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw met betrekking tot de invoer van houtproducten in de Europese Unie (2013/2990(RSP) )
P7_TA(2014)0175 B7-0187/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien het ontwerpbesluit van de Raad betreffende het sluiten van de vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Indonesië inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw met betrekking tot de invoer van houtproducten in de Europese Unie(1) ,

–   gezien de vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Indonesië inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw met betrekking tot de invoer van houtproducten in de Europese Unie(2) ,

–   gezien het verzoek om goedkeuring dat door de Raad is ingediend overeenkomstig artikel 207, lid 3, eerste alinea, artikel 207, lid 4, eerste alinea, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C7‑0344/2013 ),

–   gezien de Verklaring van de Verenigde Naties inzake de rechten van inheemse volkeren (aangenomen bij Resolutie 61/295 van de Algemene Vergadering van 13 september 2007)(3) ,

–   gezien Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen(4) ,

–   gezien het verslag van de Wereldbank van 14 maart 2012 met de titel "Justice for forests: Improving criminal justice efforts to combat illegal logging"(5) ,

–   gezien het verslag van Human Rights Watch van 16 juli 2013 met de titel "The dark side of green growth: Human rights impacts of weak governance in Indonesia's forestry sector"(6) ,

–   gezien de op 9 november 2009 ondertekende kaderovereenkomst inzake een breed partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Indonesië, anderzijds,

–   gezien artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de Indonesische regering en de EU op 30 september 2013 een vrijwillige partnerschapsovereenkomst (VPO) inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw met betrekking tot de invoer van houtproducten in de Europese Unie (FLEGT) hebben ondertekend, waarin beide partijen bevestigden dat zij ervoor zullen zorgen dat in de EU ingevoerd hout op legale wijze wordt geproduceerd, gekapt en verscheept;

B.   overwegende dat VPO's bedoeld zijn om illegale houtwinning uit te roeien, de governance in de bosbouw te verbeteren en uiteindelijk te komen tot een duurzaam bosbeheer, en dat zij een aanvulling vormen op de mondiale inspanningen om een einde te maken aan ontbossing en bosdegradatie;

C.   overwegende dat VPO's bedoeld zijn om systemische veranderingen in de bosbouw teweeg te brengen, waarbij consciëntieuze exploitanten die hout kopen van legale en betrouwbare bronnen worden beloond en beschermd tegen oneerlijke concurrentie;

D.   overwegende dat Indonesië het op twee na grootste regenwoudgebied ter wereld omvat (na het Amazonebekken en het Congobekken), maar ook een significante producent van broeikasgassen is, voornamelijk doordat het zijn regenwouden en koolstofrijke veengronden op grote schaal bestemt voor ander landgebruik, zoals de productie van palmolie en papier;

E.   overwegende dat Indonesië tussen 2009 en 2011 ten minste 1,24 miljoen hectare bos is kwijtgeraakt;

F.   overwegende dat de uitvoer van hout en houtproducten uit Indonesië naar de EU slechts 10 % van de totale exportwaarde van deze producten vertegenwoordigt, en dat de rest hoofdzakelijk naar Aziatische landen wordt uitgevoerd, wat van de VPO een belangrijk ijkpunt voor de hele Indonesische houtindustrie maakt;

G.   overwegende dat in de Indonesische bosbouw volgens Interpol en een studie van de Wereldbank uit 2012 een hoog risico bestaat op witwaspraktijken en belastingontduiking;

H.   overwegende dat Human Rights Watch stelt dat corruptie, belastingontduiking en witwaspraktijken in de bosbouw het land tussen 2007 en 2011 maar liefst 7 miljard USD hebben gekost; overwegende dat de vicevoorzitter van de Indonesische commissie ter bestrijding van corruptie (KPK) de sector bosbouw beschreven heeft als een "bron van onbeperkte corruptie"(7) ; overwegende dat Indonesië de afgelopen jaren echter wel aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt in de strijd tegen financiële criminaliteit, getuige de veroordeling van palmolieproducent Asian Agri Group door het hooggerechtshof in december 2012 wegens belastingontduiking;

I.   overwegende dat beide partijen een akkoord moeten bereiken over het Indonesische systeem ter waarborging van de wettigheid van hout en houtproducten (Sistem Verifikasi Legalitas Kayu – SVLK) om ervoor te zorgen dat hout en houtproducten uit Indonesië die onder de VPO vallen in de EU op de markt kunnen worden gebracht als hout met een FLEGT-vergunning, dat krachtens de EU-verordening betreffende hout(8) automatisch als legaal wordt beschouwd;

J.   overwegende dat het Indonesische SVLK momenteel wordt herzien om aan de vereisten van de VPO te voldoen;

K.   overwegende dat de Commissie krachtens Verordening (EG) nr. 2173/2005 van de Raad inzake de opzet van een FLEGT-vergunningensysteem voor de invoer van hout in de Europese Gemeenschap(9) gemachtigd is gedetailleerde vereisten voor de verstrekking van FLEGT-vergunningen vast te stellen, alsmede de lijst van partnerlanden en hun aangewezen vergunningverlenende autoriteiten in bijlage I van die verordening te wijzigen;

L.   overwegende dat het constitutionele hof van Indonesië op 6 mei 2013 heeft bepaald dat de bossen waar de inheemse volkeren gewoonlijk wonen, niet mogen worden aangemerkt als "staatsbosgebied", waarmee het pad wordt geëffend voor een bredere erkenning van de rechten van de inheemse volkeren in de archipel;

1.   looft Indonesië omdat het op vrijwillige basis, door de ontwikkeling van zijn SVLK in samenwerking met vele belanghebbenden, een enorme inspanning levert in de strijd tegen de welig tierende illegale houtkap en aanverwante handel, en met name omdat het hierbij de afgelopen maanden aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt; blijft evenwel bezorgd over bepaalde problemen; herinnert eraan dat, om formeel FLEGT-vergunningen te kunnen verlenen, het SVLK zodanig moet functioneren dat de doelstellingen van de VPO kunnen worden verwezenlijkt;

2.   is ingenomen met het resultaat van de onderhandelingen inzake de vrijwillige partnerschapsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Indonesië inzake wetshandhaving, governance en handel in de bosbouw met betrekking tot de invoer van houtproducten in de EU; spreekt nogmaals zijn steun uit voor de sluiting van de VPO en is bereid zijn steun te verlenen met het oog op de succesvolle uitvoering van die overeenkomst;

3.   stelt vast dat de meeste houtbronnen in kwestie in het land nog niet SVLK-gecertificeerd zijn en dat er grote hoeveelheden ongecontroleerd, door het rooien van bossen verkregen hout de toeleveringsketen binnenkomen;

4.   onderstreept dat het van belang is de reikwijdte van de SVLK-regeling, met inbegrip van de auditcontroles, uit te breiden tot alle houtproductiegebieden en alle stadia van de toeleveringsketen, en te waarborgen dat gecontroleerd legaal hout wordt gescheiden van ongecontroleerd hout, zodat dit laatste niet in de SVLK-toeleveringsketens terechtkomt;

5.   is van mening dat de herbestemming van bosgebied een aanhoudend probleem is dat verband houdt met het Indonesische systeem voor het beheer van landgebruik; betreurt het dat in het kader van het SVLK tot nu toe geen toezicht wordt gehouden op de wijze waarop herbestemmingsconcessies aan ondernemingen worden toegekend, met name waar het gaat om de uitvoering van milieueffectbeoordelingen (AMDAL's) en de inachtneming van beperkingen die worden opgelegd bij de verlening van een herbestemmingsvergunning (IPK);

6.   stelt vast dat het huidige SVLK ertoe leidt dat houtwinningsactiviteiten ook de stempel "legaal" krijgen als de landgebruiksaanspraken van inheemse volkeren en plaatselijke gemeenschappen nog niet zijn geregeld en/of als in voorkomend geval nog geen behoorlijke vergoeding is betaald; verzoekt de Commissie er bij de Indonesische regering op aan te dringen dat zij erop toeziet dat in het legaliteitsonderzoek naar behoren rekening wordt gehouden met traditionele gemeenschapsrechten op bosgebieden, de vrije, voorafgaande en weloverwogen toestemming van inheemse volkeren en plaatselijke gemeenschappen en, waar van toepassing, schadevergoeding voor het ontzeggen van de toegang tot bosgebieden, en dat aan de controle-instanties een mandaat wordt verstrekt om na te gaan of ondernemingen de plaatselijke rechten inzake landgebruik hebben geëerbiedigd en of een landtitel formeel in een officieel publicatieblad is bekendgemaakt;

7.   moedigt de Indonesische regering aan te waarborgen dat kleine en middelgrote ondernemingen niet worden gediscrimineerd tijdens het certificeringsproces;

8.  verzoekt de Commissie er bij de Indonesische regering op aan te dringen dat zij garandeert dat:

   alle houtbronnen en de desbetreffende bewakingsketens volledig worden gecontroleerd, waarbij ook wordt onderzocht of ondernemingen überhaupt het recht hadden om tot kappen over te gaan;
   gecertificeerd(e) en ongecertificeerd(e) hout en houtproducten gescheiden worden;
   de herbestemming van regenwouden tot een minimum beperkt wordt en de wettige oorsprong van hout uit conversiegebieden wordt geverifieerd, waarbij ook wordt onderzocht of er een AMDAL is verricht en of aan de in de vergunning gestelde voorwaarden voor het gebruik van het concessiegebied is voldaan;

9.   verzoekt de Indonesische regering, om de geloofwaardigheid van het land bij de verlening van FLEGT-vergunningen te verhogen, de legaliteitstoetsing in het kader van het SVLK aan te vullen met stevige maatregelen ter bestrijding van financiële criminaliteit die verband houdt met de bosbouw, zoals witwaspraktijken en belastingontduiking;

10.   verzoekt de Indonesische regering een vervolg te geven aan haar recente besluit om de belastingwetgeving te handhaven, en van bedrijven die hout uitvoeren te eisen dat ze met documenten aantonen dat ze volledig voldoen aan de Indonesische belastingwetten en de antiwitwaswet van 2010;

11.   is ingenomen met het "éénkaartinitiatief" van de Indonesische regering om de toegang tot actuele, transparante gegevens en plattegronden te verbeteren, zonder welke een goed bosbeheer in Indonesië wordt belemmerd door onsamenhangende en uiteenlopende interpretaties van wetten en conflicten met plaatselijke en inheemse gemeenschappen; onderstreept dat de onafhankelijke bosbouwcontroleurs toegang moeten hebben tot dergelijke essentiële informatie om hun rol geloofwaardig te kunnen vervullen, en dat concessieplattegronden, kapplannen en informatie over vergunningen in een openbaar register opgeslagen zouden moeten worden; verzoekt de Indonesische regering het "éénkaartinitiatief" sneller uit te voeren en een eerste versie van de kaart te publiceren, met relevante informatie over kapvergunningen en landgebruiksaanspraken;

12.   verzoekt de Commissie er via het gemengd comité voor de tenuitvoerlegging van de overeenkomst, waarin zij zitting heeft, voor te zorgen dat de risico's op fraude en corruptie stevig worden aangepakt, onder meer door het opstellen van een op een risicoanalyse gebaseerd fraudebestrijdingsplan;

13.   erkent dat de verificatie van de legaliteit van hout vrijwel geheel afhankelijk is van het werk van inspecteurs en onafhankelijke waarnemers; prijst het SVLK om de officiële rol die het speelt met betrekking tot de onafhankelijke waarneming door het maatschappelijk middenveld; merkt echter op dat de capaciteit van de netwerken voor onafhankelijke waarneming wat personeel en financiële middelen betreft, nog steeds zeer beperkt is;

14.   verzoekt de Commissie er bij de Indonesische regering op aan te dringen dat zij ervoor zorgt dat inspecteurs en controle-instanties alsook de onafhankelijke bosbouwcontroleurs behoorlijk worden betaald en opgeleid, zodat zij regelmatige controles op het terrein, steekproeven en inspecties kunnen uitvoeren;

15.   is verheugd over de inspanningen van de Indonesische regering om de rol van de speciale bospolitie te versterken; merkt evenwel op dat het Indonesische Ministerie van Bosbouw zijn beleid inzake toezicht op en registratie en follow‑up van gevallen van illegale houtkap verder moet verbeteren; onderstreept dat het van het grootste belang is dat bedrijven die op illegale activiteiten zijn betrapt, worden aangegeven bij de rechtshandhavingsinstanties;

16.   verzoekt de Commissie er bij de Indonesische regering op aan te dringen dat zij ervoor zorgt dat er adequaat wordt gereageerd op onafhankelijke controleverslagen waarin inbreuken op de relevante wetgeving worden gesignaleerd, en dat de bevoegde instanties doeltreffende en afschrikkende handhavingsmaatregelen treffen wanneer er schendingen van de wetgeving in kwestie worden vastgesteld;

17.   onderstreept dat onafhankelijke controles en de eerbiediging van de rechten van inheemse volkeren en plaatselijke gemeenschappen cruciaal zijn voor de geloofwaardigheid van het SVLK; benadrukt daarom dat het belangrijk is dat deze inspanningen worden voortgezet, dat de openheid naar andere belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld wordt versterkt en dat onafhankelijke controles door maatschappelijke organisaties plaatsvinden zonder geweld, bedreigingen of andere vormen van misbruik, die, als ze zich toch voordoen, rigoureus moeten worden bestraft;

18.  verzoekt de Commissie er bij de Indonesische regering op aan te dringen dat zij ervoor zorgt dat:

   de betrokkenheid van belanghebbenden bij de uitvoering en de operationalisering van het SVLK wordt voortgezet en versterkt;
   onafhankelijke controles door het maatschappelijk middenveld plaatsvinden zonder geweld, bedreigingen of andere vormen van misbruik, die, als ze zich toch voordoen, rigoureus moeten worden bestraft;
   in alle gevallen de vrije, voorafgaande en weloverwogen toestemming van inheemse volkeren en plaatselijke gemeenschappen verkregen wordt en in voorkomend geval een billijke vergoeding wordt betaald voor het verlies van de toegang tot bosgebieden die voor hun levensonderhoud essentieel zijn, een en ander als een niet-onderhandelbare voorwaarde voor de verlening van FLEGT-vergunningen;
   de controlevereisten in het kader van het SLVK niet statisch zijn, maar periodiek door de Indonesische belanghebbenden geëvalueerd worden, om de vereisten voortdurend te verbeteren;

19.   verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de uitspraak van het constitutionele hof van Indonesië van 6 mei 2013 in aanmerking wordt genomen bij de herziening van het SVLK;

20.   verzoekt de Commissie om de van de Indonesische regering gevraagde inspanningen te ondersteunen en om op regionale schaal te zorgen voor een gelijk speelveld door in te gaan op het verzoek van de Indonesische regering om de regio Sarawak in de onderhandelingen over een VPO EU-Maleisië mee te nemen;

21.   is zich ervan bewust dat bepaalde verzoeken in deze resolutie verder reiken dan de criteria in bijlage 8 van de VPO inzake de goedkeuring van het vergunningensysteem; verzoekt de Commissie om ervoor te zorgen dat er vooruitgang wordt geboekt bij het voldoen aan deze aanvullende verzoeken, die het Parlement van belang acht, en om aan het Parlement verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang alvorens het vergunningensysteem goed te keuren;

22.   verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de vooruitgang bij de uitvoering van de VPO en met name over de manier waarop bovengenoemde kwesties zijn en zullen worden aangepakt;

23.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie alsmede aan de regering en het parlement van Indonesië.

(1) Raadsdocument 11767/1/2013.
(2) Raadsdocument 11769/1/2013.
(3) http://www.un.org/esa/socdev/unpfii/documents/DRIPS_en.pdf
(4) PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23.
(5) Wereldbank, "Justice for forests: Improving criminal justice efforts to combat illegal logging", 2012, blz. 5-10, http://siteresources.worldbank.org/EXTFINANCIALSECTOR/Resources/Illegal_Logging.pdf
(6) Human Rights Watch, "The dark side of green growth. Human rights impacts of weak governance in Indonesia's forestry sector", 2013, http://www.hrw.org/sites/default/files/reports/indonesia0713webwcover_1.pdf
(7) Reuters Online News, "Graft could jeopardise Indonesia's climate deals", 17 september 2010, http://www.reuters.com/article/2010/09/17/indonesia-corruption-idUSSGE68G03P20100917
(8) Verordening (EU) nr. 995/2010.
(9) PB L 347 van 30.12.2005, blz. 1.


Situatie in Venezuela
PDF 116k   DOC 40k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over de situatie in Venezuela (2014/2600(RSP) )
P7_TA(2014)0176 B7-0207 , 0212 , 0217 en 0218/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien zijn eerdere resoluties over Venezuela, inclusief die van 24 mei 2007 over het geval "Radio Caracas TV" in Venezuela(1) , 23 oktober 2008 over de politieke onbevoegdverklaringen in Venezuela(2) , 7 mei 2009 over de zaak Manuel Rosales in Venezuela(3) , 11 februari 2010 over Venezuela(4) , 8 juli 2010 over Venezuela, met name de zaak Maria Lourdes Afiuni(5) , en 24 mei 2012 over de mogelijke terugtrekking van Venezuela uit de Inter-Amerikaanse Commissie voor de mensenrechten(6) ,

–   gezien de verklaring van de woordvoerder van Catherine Ashton, vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), van 14 februari 2014,

–   gezien de verklaring van VV/HV Catherine Ashton van 21 februari 2014 over de onrust in Venezuela,

–   gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij Venezuela partij is,

–   gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens van 1948,

–   gezien artikel 110, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.   gezien de ernst van de huidige situatie in Venezuela; overwegende dat er sinds 12 februari 2014 in heel Venezuela vreedzame studentenbetogingen plaatsvinden, die uitgelopen zijn op dodelijk geweld met ten minste 13 doden, ruim 70 gewonden en honderden arrestaties; overwegende dat de studenten protesteren tegen het onvermogen van de regering van president Maduro om een oplossing te vinden voor de problemen van hoge inflatie, misdaad en tekorten aan bepaalde basisproducten, alsook de toenemende corruptie en de intimidatie tegenover de media en de democratische oppositie; overwegende dat de regering de schaarste wijt aan "saboteurs" en het "winstbejag van corrupte zakenmensen"; overwegende dat Venezuela van alle Latijns-Amerikaanse landen de grootste energievoorraden heeft;

B.   overwegende dat het aantal demonstraties de laatste dagen niet is verminderd, maar integendeel is toegenomen, met als gevolg meer doden en gewonden en meer arrestaties, ten gevolge van de onderdrukking van de protestbeweging door de autoriteiten van het land en door illegale gewapende groepen;

C.   overwegende dat de politieke spanning en polarisatie in Venezuela toeneemt; overwegende dat de Venezolaanse autoriteiten juist niet proberen de vrede en rust te bewaren maar gedreigd hebben met een "gewapende revolutie";

D.   overwegende dat er daden van repressie zijn gepleegd, met name tegen studenten, journalisten, leiders van de oppositie en vreedzame activisten uit het maatschappelijk middenveld, die zijn vervolgd en van hun vrijheid zijn beroofd;

E.   overwegende dat gewelddadige en ongecontroleerde regeringsaanhangers in Venezuela al tijden ongestraft hun gang kunnen gaan; overwegende dat deze regeringsgezinde groepen volgens de oppositie tijdens de vreedzame demonstraties tot geweld hebben aangezet, met doden en gewonden als gevolg; overwegende dat de Venezolaanse regering nog geen opheldering over deze gebeurtenissen heeft verschaft;

F.   overwegende dat de media worden gecensureerd en geïntimideerd en dat grote aantallen journalisten zijn mishandeld of gevangengenomen of hun beroepsuitrusting kwijt zijn omdat deze is vernield;

G.   overwegende dat de vrijheid van meningsuiting en het recht deel te nemen aan vreedzame demonstraties van fundamenteel belang zijn voor de democratie en dat gelijkheid en gerechtigheid voor iedereen onmogelijk zijn zonder fundamentele vrijheden en eerbiediging van de rechten van alle burgers; overwegende dat in de Venezolaanse grondwet de vreedzame uitoefening van het recht van vergadering en vereniging en het recht vreedzaam te demonstreren zijn gegarandeerd; overwegende dat de autoriteiten van het land de plicht hebben de fundamentele rechten van de Venezolaanse burgers te waarborgen, hun veiligheid te garanderen en hun leven te beschermen zonder deze rechten te beperken;

H.   overwegende dat alleen eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden, een constructieve en respectvolle dialoog en tolerantie Venezuela kunnen helpen een uitweg te vinden uit deze ernstige crisis en zo toekomstige moeilijkheden te overwinnen;

1.   veroordeelt alle gewelddaden en betreurt het verlies aan mensenlevens tijdens de vreedzame betogingen op 12 februari 2014 en de dagen daarna, en betuigt zijn oprechte medeleven met de nabestaanden;

2.   verklaart zich solidair met het Venezolaanse volk en geeft uiting aan zijn bezorgdheid dat nieuwe protesten tot meer gewelddaden kunnen leiden, waardoor de kloof tussen de standpunten van de regering en de oppositie alleen maar dieper zal worden en de polarisatie in de huidige delicate politieke situatie in Venezuela nog verder zal toenemen; doet een beroep op de vertegenwoordigers van alle partijen en geledingen van de Venezolaanse samenleving om in woord en daad de kalmte te bewaren;

3.   herinnert de regering van Venezuela eraan dat de vrijheid van meningsuiting en het recht om deel te nemen aan vreedzame betogingen in elke democratische staat tot de fundamentele mensenrechten behoren, hetgeen ook door de grondwet van Venezuela erkend is, en dringt bij president Maduro aan op de naleving van de internationale verdragen waarbij Venezuela partij is, en met name het Inter-Amerikaans Democratisch Handvest;

4.   wijst de Venezolaanse regering erop dat zij gehouden is de veiligheid van alle burgers in het land te garanderen, ongeacht hun politieke opvattingen en banden; is zeer verontrust over de arrestatie van studenten en oppositieleiders en verlangt dat zij onmiddellijk worden vrijgelaten;

5.   wijst erop dat de scheiding van machten een fundamenteel democratisch beginsel is en dat het rechtssysteem door de overheid niet mag worden gebruikt om de democratische oppositie aan politieke vervolging en onderdrukking bloot te stellen; dringt er bij de Venezolaanse autoriteiten op aan dat zij de ongegronde beschuldigingen en arrestatiebevelen tegen oppositieleiders intrekken;

6.   dringt er bij de Venezolaanse autoriteiten op aan dat zij de ongecontroleerde gewapende regeringsgezinde groepen onverwijld ontwapenen en ontmantelen, en dat zij een eind maken aan hun straffeloosheid; verlangt dat er opheldering komt over de toedracht van de sterfgevallen, zodat de daders ter verantwoording worden geroepen;

7.   spoort alle partijen en met name de Venezolaanse overheid aan om te komen tot een vreedzame dialoog die alle geledingen van de Venezolaanse samenleving omvat, teneinde punten van overeenstemming te vinden en de politieke hoofdrolspelers de gelegenheid te bieden om de ernstigste problemen waarmee het land worstelt te bespreken;

8.   benadrukt het feit dat eerbiediging van de persvrijheid, de vrijheid van informatie en de vrijheid van opinie en politieke pluriformiteit van fundamenteel belang zijn voor de democratie; betreurt dat de media en het internet aan censuur onderhevig zijn en dat de toegang tot bepaalde blogs en sociale netwerken ingeperkt is; veroordeelt de pesterijen waaronder een aantal kranten en andere, audiovisual media, bijvoorbeeld televisiezender NTN24 en de Spaanse CNN, te lijden hebben en beschouwt deze praktijken als strijdig met Venezolaanse grondwet en met de engagementen die de Bolivariaanse Republiek Venezuela is aangegaan;

9.   vraagt dat een ad-hocdelegatie van het Europees Parlement wordt gestuurd om de situatie in Venezuela zo spoedig mogelijk te beoordelen;

10.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en Nationale Vergadering van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering en de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten.

(1) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 484.
(2) PB C 15 E van 21.1.2010, blz. 85.
(3) PB C 212 E van 5.8.2010, blz. 113.
(4) PB C 341 E van 16.12.2010, blz. 69.
(5) PB C 351 E van 2.12.2011, blz. 130.
(6) PB C 264 E van 13.9.2013, blz. 88.


Toekomst van het visumbeleid van de EU
PDF 122k   DOC 46k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over de toekomst van het visumbeleid (2014/2586(RSP) )
P7_TA(2014)0177 B7-0194/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name artikel 77,

–   gezien de mededeling van de Commissie met als titel "Uitvoering en ontwikkeling van het gemeenschappelijk visumbeleid voor snellere groei in de EU" (COM(2012)0649 ),

–   gezien het verslag van de Commissie over de werking van de plaatselijke Schengensamenwerking tijdens de eerste twee jaren van de uitvoering van de visumcode (COM(2012)0648 ),

–   gezien het zevende verslag van de Commissie betreffende de handhaving, door bepaalde derde landen, van de visumplicht in strijd met het wederkerigheidsbeginsel (COM(2012)0681 ),

–   gezien de recente herzieningen(1) van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld(2) ,

–   gezien de recente visumversoepelingsovereenkomsten met Georgië(3) , Oekraïne(4) , Moldavië(5) , Kaapverdië(6) , Armenië(7) en Azerbeidzjan(8) ,

–   gezien de vraag aan de Commissie over de toekomst van het visumbeleid van de EU (O‑000028/2014 – B7‑0108/2014 ),

–   gelet op artikel 115, lid 5, en artikel 110, lid 2, van zijn Reglement,

A.   overwegende dat het gemeenschappelijk visumbeleid een noodzakelijk uitvloeisel is van de opheffing van de controles aan de binnengrenzen binnen het Schengengebied;

B.   overwegende dat de belangrijkste elementen van het gemeenschappelijk visumbeleid de volgende zijn: de gezamenlijke lijsten met landen waarvan de onderdanen aan de visumplicht zijn onderworpen en met landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, die als bijlage bij Verordening (EG) nr. 539/2001 zijn gevoegd; de in de visumcode opgenomen gemeenschappelijke regels inzake de afgifte van visa; het uniform visummodel; de uitwisseling van informatie via het visuminformatiesysteem; en een reeks internationale overeenkomsten met derde landen betreffende visumvrijstelling en -facilitering;

C.   overwegende dat, in overeenstemming met het Verdrag van Lissabon, de gewone wetgevingsprocedure van toepassing is op alle aspecten van het gemeenschappelijk visumbeleid en dat instemming van het Parlement vereist is voor alle internationale overeenkomsten ter zake;

D.   overwegende dat het belangrijk is denkoefeningen en interinstitutionele discussies over de toekomst van het gemeenschappelijk visumbeleid van de EU op te starten, met name met betrekking tot mogelijke stappen op weg naar de verdere harmonisatie van de visumprocedures, met inbegrip van gemeenschappelijke regels inzake de afgifte van visa;

Algemeen visumbeleid en herziening van de visumcode

1.   is ingenomen met de geboekte vooruitgang op het vlak van het visa-acquis, maar roept de Commissie en de lidstaten eveneens op de tenuitvoerlegging van het huidige visa-acquis te verbeteren; vraagt met name versterkte plaatselijke Schengensamenwerking om de tenuitvoerlegging van de visumcode op korte termijn te verbeteren;

2.   is van mening dat er in de toekomst stappen moeten worden genomen op weg naar de verdere harmonisatie van de visumprocedures, met inbegrip van echte gemeenschappelijke regels inzake de afgifte van visa;

3.   is van mening dat de consulaire vertegenwoordiging in veel derde landen duidelijk niet volstaat;

4.   is van oordeel dat gemeenschappelijke visumaanvraagcentra een nuttig instrument gebleken zijn en in de toekomst de norm zouden kunnen worden;

5.   betreurt het feit dat de Commissie geen studie gepresenteerd heeft over de mogelijkheid om een "gemeenschappelijk Europees afgiftemechanisme voor visa voor kort verblijf" in te voeren, met inbegrip van een beoordeling van de vraag "in hoeverre de beoordeling van een individueel risico de aan de nationaliteit van de aanvrager gebonden risicoanalyse zou kunnen aanvullen", zoals gevraagd in het programma van Stockholm (punt 5.2);

6.   is van mening dat reizen verder vergemakkelijkt moet worden voor bonafide en frequente reizigers, met name door middel van een toegenomen gebruik van meervoudige inreisvisa met een langere geldigheidsduur;

7.   roept de lidstaten op gebruik te maken van de huidige bepalingen van de visumcode en de Schengengrenscode die de afgifte van visa op humanitaire gronden mogelijk maken, en het aanbieden van tijdelijke opvang voor mensenrechtenverdedigers die gevaar lopen in derde landen te vergemakkelijken;

8.   ziet uit naar het verwachte voorstel voor een herziening van de visumcode, maar betreurt het feit dat de goedkeuring ervan meermaals is uitgesteld door de Commissie;

9.   betreurt het feit dat de algemene evaluatie van de visumcode nog steeds niet is gepresenteerd door de Commissie; betreurt het voornemen van de Commissie om deze evaluatie samen met het voorstel voor een herziening van de visumcode in te dienen; is van oordeel dat het passender zou zijn indien de Commissie eerst het evaluatieverslag zou presenteren, waardoor de instellingen de mogelijkheid zouden hebben om hierover een discussie te voeren;

Visumfacilitering

10.   vraagt om de sluiting van verdere visumfaciliteringsovereenkomsten wanneer dit passend is, en roept op tot toezicht op en de verbetering van de reeds bestaande visumfaciliteringsovereenkomsten;

11.   vraagt een systematische evaluatie van bestaande visumfaciliteringsovereenkomsten om te beoordelen of ze hun beoogde doelstelling bereiken;

Verordening (EG) nr. 539/2001

12.   is ingenomen met de recente bijwerkingen van de in Verordening (EG) nr. 539/2001 opgenomen lijst met derde landen waarvan de onderdanen visumvrij mogen reizen, en met name met de opneming van bijkomende vrijstellingen van de visumplicht; wijst er opnieuw op dat visumvrij reizen belangrijk is voor derde landen en met name voor personen uit hun maatschappelijk middenveld, maar eveneens in het belang is van de EU zelf;

13.   is in dit verband van mening dat een visumvrijstelling tussen de EU en Oekraïne een manier is om in te gaan op de oproepen van het Oekraïense maatschappelijk middenveld en de studenten die de afgelopen dagen hebben gedemonstreerd; wijst erop dat een dergelijke vrijstelling uitwisselingen en intermenselijke contacten tussen organisaties uit het maatschappelijk middenveld zou intensiveren, waarbij het wederzijds begrip wordt aangewakkerd en economische uitwisselingen een positieve impuls krijgen; verzoekt de Commissie een voorstel in te dienen teneinde Oekraïne op de lijst van derde landen te zetten waarvan de onderdanen visumvrij mogen reizen; verzoekt de lidstaten daarnaast om de huidige visumversoepelingsovereenkomst volledig ten uitvoer te leggen en zo de toegang tot de EU te vergemakkelijken, met name voor studenten en wetenschappers;

14.   is ingenomen met de bijwerking van de criteria voor visumvrijstelling zodat eveneens rekening wordt gehouden met overwegingen met betrekking tot de grondrechten en economische voordelen, met name op het vlak van toerisme en buitenlandse handel, en met de opname ervan in een artikel van de verordening;

15.   benadrukt dat voor verdere visumliberalisering meer kennis nodig is met betrekking tot de toepassing van de huidige visumvrijstellingen, bijvoorbeeld door middel van het elektronisch systeem voor reisvergunningen van de EU (EU-ESTA); roept de Raad en de Commissie op ervoor te zorgen dat het Parlement beter geïnformeerd is over de situatie van derde landen waarover wordt onderhandeld, zodat een passende democratische toetsing mogelijk is;

16.   nodigt de Commissie uit te bekijken hoe er in de toekomst, in voorkomend geval, samen kan worden gezorgd voor wijzigingen van de bijlagen bij de verordening en bilaterale visumvrijstellingsovereenkomsten, zodat wordt vermeden dat er een risico bestaat dat een wijziging van de bijlagen niet onmiddellijk gevolgd wordt door de noodzakelijke visumvrijstellingsovereenkomst;

17.   neemt kennis van de overeenkomst betreffende het opschortingsmechanisme; verwacht dat de lidstaten te goeder trouw beroep zullen doen op dit mechanisme en enkel als laatste hulpmiddel in een noodsituatie, wanneer een dringend antwoord nodig is om de moeilijkheden op te lossen waar de hele Unie mee te kampen heeft, en wanneer de relevante criteria vervuld zijn;

18.   is van mening dat volledige wederkerigheid op visumgebied een doel is dat de Unie op proactieve wijze dient na te streven in het kader van haar betrekkingen met derde landen om aldus bij te dragen tot verbetering van de geloofwaardigheid en logische samenhang van het buitenlands beleid van de Unie op internationaal niveau;

19.   verzoekt om een debat over het verband tussen verdere visumliberalisering en de oproepen van bepaalde lidstaten voor strengere veiligheidsmaatregelen en grenscontroles voor reizigers die vrijgesteld zijn van de visumplicht;

Visuminformatiesysteem (VIS)

20.   roept eu-LISA op het verwachte evaluatieverslag over VIS zo spoedig mogelijk te presenteren;

Betrokkenheid van het Europees Parlement

21.   roept de Raad en de Commissie op de informatiestroom naar het Parlement te verbeteren met betrekking tot onderhandelingen over internationale overeenkomsten op het gebied van visa, in overeenstemming met artikel 218, lid 10, van het VWEU en de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie;

22.   kondigt aan binnen de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken een contactgroep visumbeleid te willen opzetten; nodigt het Voorzitterschap van de Raad en de lidstaten uit om samen met de Commissie deel te nemen aan de bijeenkomsten van deze contactgroep;

o
o   o

23.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Verordening (EU) nr. 1091/2010, PB L 329 van 14.12.2010, blz. 1; Verordening (EU) nr. 1211/2010, PB L 339 van 22.12.2010, blz. 6; Verordening (EU) nr. 1289/2013, PB L 347 van 20.12.2013, blz. 74; COM(2012)0650 ; COM(2013)0853 .
(2) PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1.
(3) Besluit 2011/117/EU van de Raad, PB L 52 van 25.2.2011, blz. 33.
(4) Besluit 2013/297/EU van de Raad, PB L 168 van 20.6.2013, blz. 10.
(5) Besluit 2013/296/EU van de Raad, PB L 168 van 20.6.2013, blz. 1.
(6) Besluit 2013/521/EU van de Raad, PB L 282 van 24.10.2013, blz. 1.
(7) Besluit 2013/628/EU van de Raad, PB L 289 van 31.10.2013, blz. 1.
(8) COM(2013)0742 .


Specifieke maatregelen in het gemeenschappelijk visserijbeleid ter versterking van de rol van vrouwen
PDF 154k   DOC 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over specifieke maatregelen in het gemeenschappelijk visserijbeleid ter versterking van de rol van vrouwen (2013/2150(INI) )
P7_TA(2014)0178 A7-0070/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien de regelgeving die van toepassing is op het Europees Visserijfonds (EVF), namelijk de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, nr. (EG) 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad, waarin de normen en de overeenkomsten inzake de structurele steun van de Gemeenschap voor de visserijsector vastgelegd zijn,

–   gezien Richtlijn 2010/41/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen en tot intrekking van Richtlijn 86/613/EEG van de Raad(1) ,

–   gezien zijn standpunt van 6 februari 2013 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid(2) ,

–   gezien zijn standpunt van 12 september 2012 over het voorstel voor een verordening van het Parlement en de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur(3) ,

–   gezien het voorstel van de Commissie en de standpunten van het Parlement en de Raad over het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (COM(2011)0804 ),

–   gezien het voorstel van de Commissie en de standpunten van het Parlement en de Raad over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de regels voor de deelname aan acties en de verspreiding van resultaten in het kader van "Horizon 2020" – het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020) (COM(2011)0810 ),

–   gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s: Strategie voor de gelijkheid van vrouwen en mannen 2010‑2015 (COM(2010)0491 ),

–   gezien zijn resolutie van 15 december 2005 over vrouwennetwerken: visserij, landbouw en diversificatie(4) ,

–   gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over kleinschalige en ambachtelijke visserij en de hervorming van het GVB(5) ,

–   gezien zijn resolutie van 22 november 2012 over de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid(6) ,

–   gezien zijn resolutie van 12 september 2012 over de hervorming van het gemeenschappelijk visserijbeleid – overkoepelende mededeling(7) ,

–   gezien de hoorzitting over "Vrouwen en duurzame ontwikkeling in de visserijsector" in de Commissie visserij van 1 december 2010,

–   gezien de hoorzitting van de Commissie visserij en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid over het versterken van de rol van de vrouw in de Europese visserij en aquacultuur, die op 14 oktober 2013 in het Europees Parlement werd gehouden,

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie visserij en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid overeenkomstig artikel 51 van het Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie visserij en van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A7‑0070/2014 ),

A.   overwegende dat het werk dat vrouwen verrichten in de visserij en de aquacultuur niet wordt erkend en over het algemeen op de achtergrond blijft, hoewel het een aanzienlijke economische toegevoegde waarde oplevert en bijdraagt tot de sociale, economische en ecologische duurzaamheid van verschillende gemeenten en regio's in Europa, met name in gebieden die afhankelijk zijn van de visserij;

B.   overwegende dat in de lidstaten meer dan 100 000 vrouwen in de visserijsector werken, waarvan ongeveer 4% actief is in de winningssector, in banen die samenhangen met de activiteiten van de vissersvaartuigen of als nettenmaaksters, havenarbeidsters of inpaksters, ongeveer 30% in de aquacultuur, hoofdzakelijk als schelpdierzoekster, en ongeveer 60% in de verwerkingsindustrie;

C.   overwegende dat het werk dat vrouwen in de visserij en de aquacultuur gewoonlijk verrichten zwaar is: schelpdieren zoeken, de traditionele visverkoop, zowel ambulant als in daartoe bestemde gebouwen, de vervaardiging en reparatie van visnetten, het lossen en sorteren van de vis en het inpakken in bijzonder zware weersomstandigheden;

D.   overwegende dat het werkelijke aantal vrouwen dat werkzaam is in een aantal van deze sectoren in de statistieken wordt onderschat en dat dit aantal in sommige lidstaten nog is gestegen door de algemene economische crisis en de hoge werkloosheid, aangezien het aantal vrouwen dat actief is in de visserijsector nog is toegenomen, met name bij het handmatig zoeken van schelpdieren, om het gezinsinkomen aan te vullen of als enig gezinsinkomen;

E.   zich bewust van de bijdragen die vrouwen leveren in activiteiten die verband houden met het vervaardigen en repareren van vistuig, het lossen en sorteren van de vis, het voorraadbeheer van het vaartuig, verwerking, verpakking en verkoop van vis en het management van visserijbedrijven;

F.   overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 22 november 2012 over kleinschalige en ambachtelijke visserij en de hervorming van het GVB in paragraaf 30 de lidstaten verzoekt rekening te houden met het belang van de economische, sociale en culturele rol van vrouwen in de visserijsector, opdat zij toegang krijgen tot sociale voorzieningen en benadrukt dat de actieve participatie van vrouwen in visserijgerelateerde activiteiten ten eerste helpt om de visserijsector in stand te houden en het overleven van deze sector te waarborgen, en ten tweede om de tradities en specifieke praktijken in stand te houden en tevens helpt om de culturele diversiteit van de verschillende regio's veilig te stellen;

G.   overwegende dat het Parlement in zijn standpunt van 12 september 2012 verzoekt om de deelname van vrouwen in producentenorganisaties voor visserij- en aquacultuurproducten te bevorderen;

H.   overwegende dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 22 november 2012 over kleinschalige en ambachtelijke visserij en de hervorming van het GVB in paragraaf 31 het toekomstige Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZ) verzoekt om maatregelen te financieren om de participatie van vrouwen in de visserijsector te stimuleren, vrouwenverenigingen te steunen, te voorzien in beroepsopleiding voor vrouwen en de rol van vrouwen in de visserij op te waarderen, met name door steun te verlenen aan activiteiten op het land en voor met de visserij verwante activiteiten, zowel "stroomopwaarts" als "stroomafwaarts";

I.   overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 22 november 2012 over kleinschalige en ambachtelijke visserij en de hervorming van het GVB in paragraaf 39 de Commissie en de lidstaten oproept om maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat vrouwen gelijke beloning en andere arbeids-, sociale en economische rechten krijgen, waaronder een verzekering voor het dekken van de risico's en maatregelen om verminderingscoëfficiënten toe te passen om de pensioengerechtigde leeftijd te verlagen vanwege het zware werk (nachtwerk, gevaarlijk werk, wisselende uurroosters naargelang van het productieritme of de mogelijkheid om te vissen) waaraan zij zijn blootgesteld door hun werkzaamheden in de visserijsector, alsmede erkenning van hun specifieke aandoeningen als beroepsziekten;

J.   erkennende dat statistieken over de arbeidskrachten, en met name over de verhouding tussen mannen en vrouwen in bepaalde activiteiten, bijvoorbeeld in de kleinschalige en ambachtelijke visserij, de extensieve aquacultuur en de daaraan verbonden activiteiten, minder aandacht krijgen dan gegevens over de vangst, de aanlanding, de tonnage enz.;

K.   overwegende dat de statistische gegevens voor de EU en de lidstaten met betrekking tot de werkgelegenheid in de visserij, de aquacultuur en aanverwante sectoren niet volledig, geharmoniseerd of uitgesplitst zijn in indicatoren aan de hand waarvan een inschatting kan worden gemaakt van de bijdrage van vrouwen in deze sectoren;

L.   erkennende dat vrouwen ondanks het werk dat zij verrichten in de visserijsector en de aquacultuur en ondanks hun belangrijke bijdragen tot de economie, onvoldoende sociale en arbeidsbescherming genieten en geen passend beroeps- en arbeidsstatuut hebben;

M.   erkennende dat vrouwen financieel gediscrimineerd worden in de visserijsector en een lager loon krijgen dan mannen die hetzelfde werk doen;

N.   erkennende dat het werk van vrouwen in de visserijsector vaak niet wettelijk erkend is en geen toegang biedt tot sociale zekerheid in verhouding tot de specifieke risico's en gezondheidsproblemen die verband houden met deze activiteiten;

O.   overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 22 november 2012 over kleinschalige en ambachtelijke visserij en de hervorming van het GVB in paragraaf 42 de Commissie en de lidstaten verzoekt stappen te ondernemen om een grotere wettelijke en maatschappelijke erkenning voor het werk van vrouwen in de visserijsector te bevorderen en verwezenlijken, en om ervoor te zorgen dat vrouwen die vol- of deeltijds voor familiebedrijven werken of hun echtgenoten ondersteunen, en op die manier bijdragen aan hun eigen economische duurzaamheid en die van hun gezin, wettelijke erkenning krijgen of sociale voorzieningen die gelijk zijn aan die welke genoten worden door mensen met het statuut van zelfstandige, in het bijzonder door toepassing van Richtlijn 2010/41/EU, en dat hun sociale en economische rechten worden gegarandeerd, waaronder gelijke lonen, werkloosheidsuitkering wanneer zij hun baan (tijdelijk of permanent) verliezen, het recht op een pensioen, een goede balans tussen werk en privéleven, het recht op moederschapsverlof, toegang tot sociale zekerheid en gratis gezondheidszorg, en gezondheid en veiligheid op het werk, en andere sociale economische rechten, inclusief een verzekering die zeerisico's dekt;

P.   overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 12 september 2012 stelt dat de rol van vrouwen in de visserijsector meer juridische en sociale erkenning moet krijgen en beter beloond moet worden, dat vrouwen in de visserijsector dezelfde rechten moeten krijgen als mannen en dat de echtgenotes en levenspartners van vissers die het familiebedrijf steunen de facto een wettelijk statuut en sociale uitkeringen dienen te krijgen die gelijkwaardig zijn aan die van mensen met een zelfstandig statuut;

1.   dringt er bij de Commissie op aan om een specifiek statistisch programma uit te werken voor regio's die afhankelijk zijn van de visserij, waarin bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de ambachtelijke kustvisserij, traditionele vismethoden en specifieke verkoopkanalen en aan het werk en de sociale en arbeidsvoorwaarden van schelpdierzoeksters, nettenmaaksters en vrouwelijke ambachtslui in de visserijsector en verwante activiteiten, om de specifieke behoeften op het gebied van de activiteiten van vrouwen te achterhalen en de maatschappelijke erkenning van deze bijzonder zware beroepen te vergroten;

2.   is van mening dat er statistieken moeten worden verzameld en geanalyseerd over de werkgelegenheid in de visserijsector, die moeten worden uitgesplitst naar geslacht, soort activiteit en soort contract (zelfstandige, loontrekkende, deeltijds, voltijds, oproep), om zo een inschatting te kunnen maken van de bijdragen van vrouwen in de visserijsector en de aquacultuur;

3.   dringt er bij de Commissie op aan om eveneens naar geslacht uitgesplitste gegevens te vergaren over de vangstsector en om nieuwe indicatoren in te voeren, zoals leeftijd, onderwijs- en opleidingsniveau en de activiteit van de meewerkende echtgeno(o)t(e) of partner;

4.   acht het nodig om de statistische indicatoren die worden gebruikt bij de verzameling van gegevens over de werkgelegenheid in de visserij, de aquacultuur en aanverwante sectoren, helder te definiëren; acht het voorts nodig een reeks geharmoniseerde statistische indicatoren voor de EU vast te stellen en verzoekt de lidstaten derhalve met klem spoedig volledige gegevens te verstrekken overeenkomstig die indicatoren;

5.   dringt er bij de Commissie en de Raad op aan om de rol van vrouwen in de visserijsector en de aquacultuur en hun bijdrage tot de duurzame ontwikkeling van gebieden die afhankelijk zijn van de visserij juridisch en sociaal te erkennen, om zo alle economische, administratieve en sociale belemmeringen weg te nemen die hun participatie op gelijke voet in de weg staan;

6.   dringt er bij de Commissie en de Raad op aan om de lidstaten aan te sporen om letsels aan de gewrichten of de wervelkolom of reumatische aandoeningen veroorzaakt door de zware weersomstandigheden waarin schelpdierzoeksters, nettenmaaksters, havenarbeidsters, inpaksters, verwerksters, vissersvrouwen en verkoopster moeten werken en door het tillen van te zware lasten, te reguleren en te erkennen als beroepsziekten;

7.   dringt er bij de Commissie op aan om te erkennen dat het werk van vrouwen bijdraagt tot de verbetering van de traceerbaarheid van de visserijproducten, wat de kennis van de consument bevordert en zorgt voor strengere kwaliteits- en veiligheidsnormen voor visserij- en aquacultuurproducten, waardoor de economische, gastronomische en toeristische kansen van de vissersgebieden worden vergroot;

8.   verzoekt om de oprichting, in het kader van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij en/of andere instrumenten, van specifieke steunmechanismen die in noodgevallen (bij natuurrampen) kunnen worden geactiveerd, alsmede van financiële compensatiemechanismen om vissers, vissersvrouwen en hun gezinnen te ondersteunen bij tijdelijke vangstverboden, met name in gebieden waar de visserij de enige inkomstenbron vormt;

9.   acht het noodzakelijk om de vereniging van vrouwen in vrouwennetwerken op nationaal en Europees niveau te stimuleren en financieel te ondersteunen om zo de rol van vrouwen in de visserijsector beter zichtbaar te maken, de samenleving bewust te maken van de bijdrage van vrouwen tot deze activiteit, de uitwisseling van ervaringen te bevorderen en ervoor te zorgen dat vrouwen hun behoeften en eisen op alle niveaus kunnen meedelen, van het niveau van de plaatselijke overheden tot de Europese instanties;

10.   verzoekt de Commissie en de lidstaten met klem de toegang tot financiering van vrouwenorganisaties in de visserij, de aquacultuur en aanverwante sectoren, te vergemakkelijken, om hen in staat te stellen hun initiatieven ten uitvoer te leggen, hun organisatiestructuren te versterken en andere vrouwenorganisaties te benaderen voor uitwisselingen van ervaringen en goede praktijken;

11.   acht het noodzakelijk om de effectieve participatie van vrouwen in overlegorganen en adviesraden, besluitvormingsinstanties, vertegenwoordigingsorganen, regionale instanties of beroepsorganisaties te stimuleren en te versterken, om zo hun deelname aan het besluitvormingsproces in de publieke en de privésector op gelijke voet met mannen te waarborgen;

Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV) 2013‑2020

12.  merkt op dat slechts één lidstaat de kansen die pijler 4 van het Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij biedt om projecten voor vrouwen te financieren, heeft benut en dringt er bij de lidstaten op aan om gebruik te maken van de kansen die het EFMZV biedt om:

   het gelijkekansenbeginsel toe te passen bij zowel de ontwikkeling als de uitvoering van de operationele programma's;
   de participatie van vrouwen in de visserijsector te stimuleren door de sector te hervormen en passende voorzieningen te bieden (zoals kleedruimtes op de vaartuigen en in de havens);
   verenigingen van vrouwen (bijvoorbeeld nettenmaaksters, havenarbeidsters en inpaksters) en de vorming van netwerken van zulke verenigingen te steunen;
   projecten te steunen om de problemen die voortkomen uit de arbeidsomstandigheden van schelpdierzoeksters te verlichten, onder meer door de combinatie van werk en gezin te verbeteren;
   projecten te steunen om de rol van vrouwen in de visserij en de aquacultuur te promoten, te diversifiëren en op te waarderen;
   de toegang van vrouwen en jongeren tot opleidingen te vergemakkelijken via financiering voor specifieke opleidingen en beroepsonderwijs en de beroepserkenning van hun activiteiten; daartoe dienen de lidstaten te voorzien in processen voor het verkrijgen van een officieel erkend beroepsvaardigheidscertificaat en in opleidingscentra voor dit soort beroepsactiviteiten die traditioneel worden uitgeoefend door vrouwen in de verschillende gemeenschappen;
   de toegang van jonge vrouwen tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken en de overname van bedrijven door jongere generaties te steunen, met name met het oog op de ontwikkeling van duurzame beroepsactiviteiten in het mariene milieu;
   beroepsopleiding te stimuleren, met name voor vrouwen die in de visserijsector en de aquacultuur werken, om hun kansen op leidinggevende of hogere technische en managementfuncties in de visserijsector te vergroten, tegen gelijke loonvoorwaarden;
   de rol van vrouwen in de visserij op te waarderen, met name door steun te verlenen aan activiteiten op het land en voor met de visserij verwante activiteiten, zowel in de productie als in de verwerking, de afzet en de verkoop;
   door vrouwen opgestarte bedrijfsinitiatieven te stimuleren, in voorkomend geval met inbegrip van de economische diversifiëring van bepaalde aan de visserij verwante activiteiten, zoals museologie, culturele tradities, ambachten, gastronomie en het restaurantwezen;
   ondernemingsinitiatieven met betrekking tot activiteiten die geen verband houden met de visserij te stimuleren in die kustgebieden waar banen verloren zijn gegaan ten gevolge van de doorvoering van de visserijhervorming;

13.   dringt er bij de lidstaten op aan om mogelijkheden te creëren om zachte leningen te verstrekken die het mogelijk maken om de specifieke problemen waarmee vrouwen geconfronteerd worden bij de financiering van projecten die in aanmerking komen voor de nationale programma's in het kader van het EFMZV, te verlichten;

14.   verzoekt de lidstaten zakelijke initiatieven van vrouwen te ondersteunen door middel van gunstige faciliteiten voor microkredieten en adequate informatie over de financieringsmogelijkheden;

15.   verzoekt de lidstaten met klem maatregelen te nemen voor de ontwikkeling en modernisering van lokale infrastructuur, de diversifiëring van de economische activiteiten en de verbetering van de levenskwaliteit in visserijgebieden, met name in gebieden die volledig afhankelijk zijn van de visserij, om duurzame ontwikkeling van die gebieden mogelijk te maken en tegelijkertijd de armoede in het algemeen, en met name armoede die vrouwen en kinderen treft, te bestrijden, en om geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld te voorkomen;

16.   herhaalt de standpunten die werden aangenomen in het kader van het proces rond Horizon 2020, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014‑2020), met betrekking tot het stimuleren van de deelname van vrouwen aan alle wetenschappelijke onderzoeksactiviteiten, projecten en vakgebieden, met name van vrouwen die beroepsmatig bezig zijn met onderzoek naar het mariene milieu;

17.  verzoekt de lidstaten om:

   het werk van vrouwen die financieel bijdragen tot het gezinsinkomen en van vrouwen die via hun werk, zij het onbetaald, bijdragen tot het huishouden juridisch te erkennen;
   steun te verlenen aan vrouwen via werkloosheidsuitkeringen wanneer zij hun baan (tijdelijk of permanent) verliezen, het recht op een pensioen, een goede balans tussen werk en privéleven, het recht op ouderschapsverlof (ongeacht of zij getrouwd zijn dan wel een samenlevingscontract hebben), toegang tot sociale zekerheid en gratis gezondheidszorg, en bescherming tegen de risico's van het werk in de maritieme sector en de visserij;

18.   overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 22 november 2012 over de externe dimensie van het gemeenschappelijk visserijbeleid in paragraaf 28 de EU verzoekt om binnen de WTO toe te werken naar benadeling van de productie van landen waar vrouwen worden gediscrimineerd en er in paragraaf 45 van dezelfde resolutie bij de Commissie op aandringt om er tijdens de onderhandelingen over visserijovereenkomsten naar te streven dat de kuststaat een bepaald minimum van de in het kader van de overeenkomst verstrekte sectorale ontwikkelingssteun besteedt aan projecten die ten doel hebben om de rol van vrouwen in de visserijsector te erkennen, te bevorderen en te diversifiëren, waarbij het beginsel van gelijke behandeling van en gelijke kansen voor mannen en vrouwen moet worden toegepast, met name op het gebied van opleiding en de toegang tot financiering en leningen;

19.   verzoekt de Commissie met klem ervoor te zorgen dat de Europese genderdimensie wordt opgenomen en gewaarborgd in economische partnerschapsovereenkomsten waarin de visserij is opgenomen;

Basisverordening van het gemeenschappelijk visserijbeleid

20.   dringt er bij de lidstaten op aan toe te zien op de verwezenlijking van de doelstellingen van het nieuwe gemeenschappelijke visserijbeleid ten aanzien van de toegang tot de visbestanden op basis van transparante sociale, economische en milieucriteria, waarbij zij aandacht moeten besteden aan de beginselen van gelijke behandeling en van gelijke kansen voor mannen en vrouwen;

21.   dringt er bij de lidstaten op aan om het arbeidsstatuut van vrouwen te erkennen wanneer zij hun activiteit tijdelijk moeten stopzetten, bijvoorbeeld tijdens de biologische rustperiodes;

22.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om toe te zien op de naleving van Richtlijn 2010/41/EU om ervoor te zorgen dat vrouwen die voltijds of deeltijds in de visserijsector werken in familiebedrijven of hun echtgenoot of partner helpen en zo bijdragen tot hun eigen financiële stabiliteit en die van hun gezin, en vrouwen die een dergelijke activiteit uitoefenen om in hun levensonderhoud te voorzien en geen gezin hebben, dezelfde wettelijke erkenning en sociale uitkeringen krijgen als mensen met het statuut van zelfstandigen;

o
o   o

23.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 180 van 15.07.2010, blz. 1.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2013)0040 .
(3) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 212.
(4) PB C 286 E van 23.11.2006, blz. 519.
(5) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0460 .
(6) Aangenomen teksten, P7_TA(2012)0461 .
(7) PB C 353 E van 3.12.2013, blz. 104.


Heffingen voor kopiëren voor privégebruik
PDF 139k   DOC 59k
Resolutie van het Europees Parlement van 27 februari 2014 over heffingen voor kopiëren voor privégebruik (2013/2114(INI) )
P7_TA(2014)0179 A7-0114/2014

Het Europees Parlement,

–   gezien Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij(1) ,

–   gezien het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik op de interne markt (COM(2012)0372 ), en de bijbehorende effectbeoordeling,

–   gezien de artikelen 4, 6, 114 en 118 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–   gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie, met name dat van 21 oktober 2010, Padawan/SGAE (C‑467/08, Jurispr. blz. I-10055); 16 juni 2011, Stichting de Thuiskopie/Opus Supplies Deutschland GmbH e.a. (C‑462/09, Jurispr. blz. I-05331); 9 februari 2010, Martin Luksan/Petrus van der Let (C‑277/10, nog niet gepubliceerd); 27 juni 2013, VG Wort/Kyocera Mita e.a. (gevoegde zaken C‑457/11—C‑460/11, nog niet gepubliceerd), en 11 juli 2013, Austro Mechana/Amazon (C‑521/11, nog niet gepubliceerd),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 24 mei 2011 getiteld "Een eengemaakte markt voor intellectuele-eigendomsrechten: Creativiteit en innovatie bevorderen met het oog op economische groei, kwaliteitsjobs en eersteklasproducten en ‑diensten in Europa" (COM(2011)0287 ),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 18 december 2012 over inhoud in de digitale interne markt (COM(2012)0789 ),

–   gezien de aanbevelingen van António Vitorino van 31 januari 2013 naar aanleiding van de bemiddelingsprocedure inzake thuiskopie- en reprografieheffingen,

–   gezien het werkdocument van de Commissie juridische zaken "Copyright in the music and audiovisual sectors", dat op 29 juni 2011 werd goedgekeurd,

–   gezien artikel 48 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A7‑0114/2014 ),

A.   overwegende dat cultuur en scheppende activiteiten van oudsher het fundament van de Europese identiteit vormen en dat zij in de toekomst een essentiële rol zullen spelen in de economische en sociale ontwikkeling van de Europese Unie;

B.   overwegende dat cultuur en scheppende activiteiten onlosmakelijk deel uitmaken van de digitale economie; overwegende dat de uiting van zowel hoogstaande als alledaagse culturele inhoud op gelijke toegang tot de digitale groei van Europa berust; overwegende dat uit de raadplegingen is gebleken dat op de Europese digitale markt nog niets in huis is gekomen van de beloften inzake een doeltreffende verdeling, een billijke compensatie voor scheppende kunstenaars en een rechtvaardige en daadwerkelijke inkomstenverdeling in de culturele sector in het algemeen, en dat voor het aanpakken van deze uitdagingen acties op het niveau van de Unie vereist zijn;

C.   overwegende dat de digitale omwenteling een bijzonder groot effect heeft op de wijze waarop culturele identiteiten tot uiting gebracht, verspreid en ontwikkeld worden; overwegende dat lagere drempels voor participatie en nieuwe distributiekanalen de toegankelijkheid van werken en cultuur en een wereldwijde verspreiding, ontdekking en herontdekking van kunst en cultuur bevorderen en scheppende kunstenaars en artiesten kansen bieden; overwegende dat de marktkansen voor nieuwe diensten en bedrijven daardoor enorm zijn toegenomen;

D.   overwegende dat de aanspraak van auteurs op bescherming van hun creatieve werk, alsmede hun recht op een billijke compensatie voor dat werk ook in het digitale tijdperk moeten gelden;

E.   overwegende dat digitaal kopiëren voor privégebruik door de technologische vooruitgang en de overstap naar internet en "cloud computing" sterk aan economisch belang heeft gewonnen en dat in het bestaande systeem van heffingen voor kopiëren voor privégebruik onvoldoende rekening wordt gehouden met de ontwikkelingen in het digitale tijdperk; overwegende dat er op dit vlak momenteel geen alternatieve aanpak bestaat die de rechthebbenden een passende compensatie garandeert en tegelijk kopiëren voor privégebruik mogelijk maakt; overwegende dat er niettemin een bespreking moet worden gevoerd om het thuiskopiestelsel te actualiseren en efficiënter te maken en meer rekening te houden met de technologische vooruitgang;

F.   overwegende dat in de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik op de interne markt, die het Parlement en de Raad op 4 februari 2014 hebben aangenomen, wordt benadrukt dat bij het auteursrechtenbeheer bijzondere aandacht moet worden besteed aan de transparantie van de geldstromen die door de organisaties voor collectief beheer geïnd, verdeeld en aan de rechthebbenden uitgekeerd worden, mede voor het kopiëren voor privégebruik;

G.   overwegende dat Richtlijn 2001/29/EG de lidstaten toestaat om ten aanzien van bepaalde vormen van reproductie van geluidsmateriaal, beeldmateriaal en audiovisueel materiaal voor privégebruik, in een beperking van of een restrictie op het reproductierecht te voorzien, welke gepaard gaat met een billijke compensatie, waardoor de consumenten in de landen die een dergelijke restrictie ten uitvoer hebben gelegd, hun audiovisuele en muziekrepertoire vrijelijk en zo vaak ze willen van de ene op de andere multimediadrager of van het ene op het andere toestel kunnen kopiëren, zonder aan de rechthebbenden toestemming te vragen, voor zover het om privégebruik gaat; overwegende dat de vergoedingen moeten worden berekend op basis van het mogelijke nadeel dat de rechthebbenden door dat kopiëren voor privégebruik lijden;

H.   overwegende dat volgens ramingen van de Europese Commissie de in 23 van de 28 lidstaten geïnde vergoedingen voor het kopiëren voor privégebruik sinds de inwerkingtreding van Richtlijn 2001/29/EG in totaal meer dan verdrievoudigd zijn en nu neerkomen op meer dan 600 miljoen euro; overwegende dat dit voor de kunstenaars een belangrijk bedrag is;

I.   overwegende dat die heffingen voor de fabrikanten en invoerders van traditionele en digitale opnamemedia en ‑apparatuur slechts een miniem gedeelte van hun omzet vormen, die in totaal op meer dan 1 000 miljard euro wordt geraamd;

J.   overwegende dat veel mobiele eindapparatuur in theorie de mogelijkheid biedt om voor privédoeleinden te kopiëren maar in de praktijk niet daarvoor wordt gebruikt; overwegende dat er daarom besprekingen voor de lange termijn moeten worden gevoerd teneinde een efficiëntere en actuelere aanpak te ontwikkelen die niet noodzakelijk gebaseerd hoeft te zijn op een forfaitaire heffing op apparatuur;

K.   overwegende dat bij vergelijking van de verkoopprijzen van apparatuur tussen landen waar de heffing voor kopiëren voor privégebruik wel en niet wordt aangerekend, blijkt dat de heffing de prijzen van de producten niet merkbaar beïnvloedt;

L.   overwegende dat de fabrikanten en invoerders van traditionele en digitale opnamemedia en ‑apparatuur sinds de inwerkingtreding van Richtlijn 2001/29/EG tal van rechtszaken hebben aangespannen op zowel nationaal als Europees niveau;

M.   overwegende dat Richtlijn 2001/29/EG en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie de lidstaten niet verplichten ervoor te zorgen dat de volledige heffing voor het kopiëren voor privégebruik rechtstreeks aan de rechthebbenden wordt uitgekeerd; overwegende dat de lidstaten over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken om te bepalen dat een deel van deze compensatie indirect wordt verstrekt;

N.   overwegende dat de consument de heffing voor het kopiëren voor privégebruik betaalt wanneer hij opname- en opslagmedia of ‑diensten koopt, en dat hij derhalve het recht heeft te weten dat die heffing bestaat en hoeveel ze bedraagt; overwegende dat het bedrag van de heffing voor het kopiëren voor privégebruik het daadwerkelijke gebruik van dergelijke apparatuur en diensten met het oog op het kopiëren voor privégebruik van geluidsmateriaal, beeldmateriaal en audiovisueel materiaal moet weerspiegelen;

O.   overwegende dat de verschillende heffingstarieven voor het kopiëren voor privégebruik die in de Unie worden toegepast, niet tot uiting komen in de prijzen van media en apparatuur, en dat in 2012 in Spanje is gebleken dat een afschaffing van de heffingen voor het kopiëren voor privégebruik geen weerslag heeft op de prijzen van media en apparatuur;

P.   overwegende dat de verschillende inningsmodellen en heffingstarieven voor het kopiëren voor privégebruik uiteenlopen en ook van invloed zijn op de consument en de interne markt; overwegende dat een Europees kader tot stand moet worden gebracht om te kunnen zorgen voor een hoge mate van transparantie voor rechthebbenden, producenten en invoerders van apparatuur, consumenten en dienstverleners in de hele Unie; overwegende dat, om de onderliggende stabiliteit van het stelsel in het digitale tijdperk te bewaren, de heffingsregelingen in veel lidstaten gemoderniseerd moeten worden en er een Europees kader tot stand moet worden gebracht om te waarborgen dat er in de hele Unie gelijke voorwaarden gelden voor rechthebbenden, consumenten, fabrikanten en invoerders van apparatuur en dienstverleners;

Q.   overwegende dat de in de lidstaten opgezette mechanismen van vrijstelling en terugbetaling voor professioneel gebruik doeltreffend moeten zijn; overwegende dat deze regelingen in bepaalde lidstaten noodzakelijk zijn en dat de rechterlijke uitspraken in bepaalde lidstaten niet altijd worden toegepast;

R.   overwegende dat in het geval van werken online, zowel wat toegang als wat verkoop betreft, licentiepraktijken complementair zijn met het systeem van heffingen voor het kopiëren voor privégebruik;

S.   overwegende dat met name in de digitale wereld het klassieke kopiëren wordt vervangen door systemen met "streaming", waarbij geen kopie van auteursrechtelijk beschermde werken wordt opgeslagen op de eindapparatuur van de gebruiker, en dat er bijgevolg in die gevallen voorkeur moet worden gegeven aan licentiemodellen;

Een deugdelijk systeem dat gemoderniseerd en geharmoniseerd moet worden

1.   wijst erop dat de culturele sector goed is voor 5 miljoen banen en 2,6 % van het bbp van de EU, een van de belangrijke motoren voor groei in de EU vormt, voor nieuwe banen zorgt die niet kunnen worden gedelokaliseerd, innovatie stimuleert en een doeltreffend hulpmiddel is in de strijd tegen de huidige recessie;

2.   herinnert eraan dat de belangen van onder meer scheppende kunstenaars en consumenten in evenwicht dienen te worden gehouden in het kader van de regelgeving inzake auteursrechten; is in dit verband van mening dat alle Europese consumenten over het recht moeten beschikken om kopieën voor privégebruik te maken van legaal verworven inhoud;

3.   roept de Commissie bijgevolg op om een wetgevingsvoorstel in te dienen ter herziening van Richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, met inbegrip van een bepaling betreffende een volledige harmonisering van de uitzonderingen en beperkingen, onder meer met betrekking tot kopiëren voor privégebruik;

4.   onderstreept dat de huidige gefragmenteerde regeling voor auteursrechten moet worden hervormd om de toegang tot culturele en creatieve inhoud te faciliteren en de (wereldwijde) verspreiding ervan te bevorderen, zodanig dat artiesten, scheppende kunstenaars, consumenten, bedrijven en het publiek voordeel kunnen halen uit digitale ontwikkelingen, nieuwe distributiekanalen, nieuwe bedrijfsmodellen en andere mogelijkheden, met name in tijden van bezuinigingen;

5.   wijst erop dat heffingen voor het kopiëren voor privégebruik momenteel een bron van inkomsten vormen die meer of minder belangrijk is voor verschillende categorieën van rechthebbenden, en dat het belang ervan sterk verschilt van lidstaat tot lidstaat;

6.   vindt de regeling van het kopiëren voor privégebruik een deugdelijk systeem dat zorgt voor evenwicht tussen de uitzondering voor kopiëren voor privégebruik en het recht op een billijke compensatie voor de rechthebbenden, en is van mening dat deze regeling behouden moet blijven, in het bijzonder wanneer rechthebbenden niet in een positie verkeren om rechtstreeks het recht voor reproductie op verschillende apparaten te verlenen; is van mening dat er op korte termijn geen alternatief is voor dit evenwichtige systeem; benadrukt echter dat er op lange termijn besprekingen moeten worden gehouden teneinde het thuiskopiestelsel permanent te evalueren in het licht van de digitale ontwikkelingen, de ontwikkelingen op de markt en het gedrag van de consument, en, zo mogelijk, potentiële alternatieven te zoeken waarmee het nagestreefde evenwicht tussen de uitzondering voor kopiëren door de consument en de compensatie voor scheppende kunstenaars kan worden bereikt;

7.   wijst erop dat de grote verschillen tussen nationale heffingssystemen, met name wat betreft de soorten producten die aan de heffing onderworpen zijn, en de hoogte van de heffingen, tot concurrentieverstoringen en "forum shopping" op de interne markt kunnen leiden;

8.   verzoekt de lidstaten en de Commissie een onderzoek in te stellen naar de essentiële elementen van kopiëren voor privégebruik, en met name een gemeenschappelijke definitie, het concept "billijke compensatie" — dat momenteel niet expliciet wordt geregeld door Richtlijn 2001/29/EG — en het concept "nadeel" voor een auteur ten gevolge van de onrechtmatige reproductie van het werk van een rechthebbende voor privégebruik; verzoekt de Commissie naar convergentie te streven aangaande de producten die aan de heffing onderworpen zijn, en gemeenschappelijke criteria vast te stellen voor de wijze waarop de heffingstarieven voor het kopiëren voor privégebruik worden overeengekomen, teneinde een transparant, billijk en voor consumenten en scheppende kunstenaars eenvormig systeem te doen naleven;

Met het oog op één inning, een betere zichtbaarheid bij de consument en een daadwerkelijke terugbetaling

9.   onderstreept dat de heffing voor kopiëren voor privégebruik van toepassing moet zijn op alle apparatuur en dragers die voor opnames en opslag voor privédoeleinden worden gebruikt, wanneer de scheppende kunstenaars hiermee nadeel wordt veroorzaakt;

10.   benadrukt dat het begrip "kopieën voor privégebruik" voor alle apparatuur duidelijk moet worden gedefinieerd en dat de gebruiker op basis van één betaling op alle dragers toegang moet kunnen krijgen tot de auteursrechtelijk beschermde inhoud; vraagt dat regelingen die in de lidstaten reeds in werking zijn, zoals uitzonderingen en heffingsvrijstellingen, worden geëerbiedigd en dat het mogelijk is dat zij parallel van toepassing zijn op de markt;

11.   meent dat de heffing voor kopiëren voor privégebruik bij de fabrikant of de invoerder moet worden ingehouden; voegt daaraan toe dat het doorschuiven van deze heffing naar de kleinhandelaar te veel administratieve rompslomp voor kleine en middelgrote distributiebedrijven en organisaties voor collectief beheer zou meebrengen;

12.   beveelt aan om in het geval van grensoverschrijdende transacties de heffingen voor kopiëren voor privégebruik te innen in de lidstaat waar de eindgebruiker die het product heeft gekocht, woonachtig is, in overeenstemming met het voormelde arrest in de zaak C‑462/09 (Opus);

13.   is derhalve van mening dat een organisatie voor collectief beheer van een lidstaat voor een en hetzelfde product slechts eenmaal thuiskopieheffingen zou mogen kunnen innen, om dubbele betalingen bij grensoverschrijdende transacties te voorkomen, en dat onterecht betaalde heffingen in een andere lidstaat dan die van de eindgebruiker moeten worden terugbetaald;

14.   is van mening dat lidstaten waar momenteel heffingen worden gevorderd of geïnd hun heffingstarieven moeten vereenvoudigen en harmoniseren;

15.   dringt bij de lidstaten aan op vereenvoudiging van de procedures voor de billijke vaststelling van de heffingen met alle betrokken partijen, ter garantie van de objectiviteit;

16.   benadrukt dat het belangrijk is de consument meer bewust te maken van de rol van het thuiskopiesysteem voor de vergoeding van kunstenaars en de verspreiding van cultuur; spoort de lidstaten en de rechthebbenden ertoe aan "positieve" campagnes op touw te zetten om te wijzen op de voordelen van de heffing voor kopiëren voor privégebruik;

17.   vindt dat de consument moet worden ingelicht over het bedrag, het doel en de aanwending van de heffingen die hij betaalt; beveelt de Commissie en de lidstaten daarom aan overleg te plegen met de fabrikanten, invoerders, kleinhandelaren en consumentenorganisaties en ervoor te zorgen dat die informatie duidelijk beschikbaar is voor de consument;

18.   spoort de lidstaten aan transparante vrijstellingsregels voor professioneel gebruik in te voeren, om er zeker van te zijn dat zulk gebruik ook in de praktijk vrijgesteld blijft van thuiskopieheffing, conform de rechtspraak van het Hof van Justitie;

19.   verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de thuiskopieheffing nooit hoeft te worden betaald wanneer de betrokken media voor professionele doeleinden worden gebruikt, en dat de verschillende regelingen voor terugbetaling van door professionele gebruikers betaalde heffingen worden vervangen door systemen die waarborgen dat deze professionele gebruikers a priori al niet tot betaling van de heffing zijn gehouden;

Transparantie met betrekking tot de toewijzing

20.   is ingenomen met de richtlijn betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten, die het Parlement en de Raad onlangs hebben aangenomen en waarmee wordt gestreefd naar een grotere transparantie van de geldstromen die door de organisaties voor collectief beheer geïnd, verdeeld en aan de rechthebbenden uitgekeerd worden, met name via de jaarlijkse publicatie van een transparantieverslag met inbegrip van een afzonderlijk hoofdstuk over het gebruik van de ingehouden bedragen voor sociale en culturele doeleinden;

21.   verzoekt de lidstaten te zorgen voor een grotere transparantie over de toewijzing van de via de thuiskopieheffing geïnde opbrengsten;

22.   dringt er bij de lidstaten op aan te bepalen dat ten minste 25 % van de bedragen die voortvloeien uit de heffing voor het kopiëren voor privégebruik, ter ondersteuning van scheppend werk en podiumkunsten en voor de productie daarvan moet worden aangewend;

23.   verzoekt de lidstaten om publicatie van verslagen in een open formaat waarin de aanwending van die bedragen wordt beschreven, alsmede van duidelijke gegevens;

24.   spoort de organisatoren van culturele evenementen en podiumkunsten, aan wie de thuiskopieheffing ten goede komt, ertoe aan hun doelpubliek meer bewust te maken van deze subsidies;

Technische beveiligingsvoorzieningen

25.   wijst erop dat de uitzondering voor kopiëren voor privégebruik de burgers het recht geeft hun audiovisuele en muziekrepertoire vrijelijk van de ene op de andere multimediadrager of van het ene op het andere toestel te kopiëren, zonder aan de rechthebbenden toestemming te vragen, voor zover het om privégebruik gaat;

26.   onderstreept dat met name in dit digitale tijdperk het aanbrengen van technische beveiligingsvoorzieningen moet worden toegestaan, om het evenwicht tussen de vrijheid van kopiëren voor privégebruik en uitsluitende auteursrechten te herstellen;

27.   benadrukt dat technische beveiligingsvoorzieningen de consument het kopiëren niet mogen beletten en de rechthebbende een billijke vergoeding voor kopieën voor privégebruik niet mogen doen ontgaan;

Licenties

28.   merkt op dat ondanks de ontwikkeling van toegang tot werken via streaming, het downloaden, opslaan en voor privégebruik kopiëren van inhoud gewoon doorgaat; is van mening dat de heffingsregeling voor het kopiëren voor privégebruik dan ook nog steeds relevant is in de onlineomgeving; beklemtoont echter dat altijd de voorkeur moet worden gegeven aan licentiemodellen, die aan alle rechthebbenden ten goede komen, als er geen kopieën van het auteursrechtelijk beschermde werk op dragers en apparatuur toegestaan zijn;

29.   onderstreept derhalve dat de uitzondering voor kopiëren voor privégebruik moet gelden voor bepaalde onlinediensten, met inbegrip van cloud-computingdiensten;

Nieuwe bedrijfsmodellen in de digitale omgeving

30.   verzoekt de Commissie om de gevolgen van cloud-computingdiensten, waarmee reproductie en opslag voor privédoeleinden mogelijk is, voor het thuiskopiestelsel na te gaan teneinde uit te maken of in de compensatieregelingen rekening moet worden gehouden met die kopieën van beschermde werken voor privégebruik en, zo ja, hoe;

o
o   o

31.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10.

Laatst bijgewerkt op: 30 mei 2017Juridische mededeling