Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2676(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B6-0024/2007

Debatten :

PV 17/01/2007 - 7
CRE 17/01/2007 - 7

Stemmingen :

PV 18/01/2007 - 9.7
CRE 18/01/2007 - 9.7

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0007

Aangenomen teksten
PDF 78kWORD 39k
Donderdag 18 januari 2007 - Straatsburg Definitieve uitgave
Terdoodveroordeling van het in Libië vastgehouden medisch personeel
P6_TA(2007)0007B6-0024, 0025, 0026, 0027, 0028 en 0029/2007

Resolutie van het Europees Parlement over de veroordeling en gevangenschap van vijf Bulgaarse verpleegsters en een Palestijnse arts door Libië

Het Europees Parlement ,

–   gezien de jaarverslagen van de Europese Unie over de mensenrechten en in het bijzonder die van de jaren 2005 en 2006,

–   onder verwijzing naar zijn resoluties over de toetreding van Bulgarije tot de EU en met name paragraaf 25 van zijn resoluties van 30 november 2006(1) , paragraaf 32 van zijn resolutie van 15 december 2005(2) en paragraaf 39 van zijn resolutie van 13 april 2005(3) ,

–   naar aanleiding van de conclusies van de Raad van ministers van Algemene Zaken en van Buitenlandse Betrekkingen van 11 oktober 2004 waarin ernstige bezorgdheid tot uiting werd gebracht over het lot van het vastgehouden medisch personeel en het besluit steun te verlenen aan de Libische gezondheidsdiensten; en voorts gezien de verklaring van 19 december 2006 van het voorzitterschap van de EU over de veroordeling door de Libische rechtbank van vijf Bulgaarse verpleegsters en een Palestijnse arts tot de doodstraf en de verklaring van commissaris Ferrero-Waldner over de uitspraak van het Libische hof in de Benghazi-zaak eveneens van 19 december 2006 en de verklaringen van de Voorzitter van het Europees Parlement van 30 november 2006 en van 20 december 2006,

–   gezien de verslagen van het Voorzitterschap aan de Europese Raad over de tenuitvoerlegging van de strategische partnerschappen van de Unie met de Middellandse-Zeelanden van december 2005 en december 2006,

–   gezien de richtsnoeren inzake het EU-beleid ten aanzien van derde landen betreffende de doodstraf,

–   gelet op artikel 103, lid 4 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat op 9 februari 1999 de Libische autoriteiten een aantal Bulgaarse gezondheidswerkers die werkzaam waren in het Al-Fatih-ziekenhuis in Benghazi hebben gearresteerd en dat op 7 februari 2000 voor het Libische volksgerechtshof een proces is begonnen tegen zes Bulgaarse onderdanen, een Palestijn en negen Libiërs op beschuldiging van het opzettelijk besmetten van enkele honderden kinderen met het HIV-virus,

B.   overwegende dat op 6 mei 2004 het hof vijf Bulgaarse verpleegsters en een Palestijnse arts tot executie door een vuurpeloton heeft veroordeeld, en dat op 25 december 2005 het Libische Opperste Gerechtshof een uitspraak heeft gedaan over het hoger beroep tegen de doodstraf en opdracht gaf tot een nieuw proces; voorts overwegende dat op 11 mei 2006 een nieuw proces is begonnen tot besluit waarvan op 19 december 2006 de doodstraffen werden bevestigd,

C.   overwegende dat er een sterk bewijs is dat de beklaagden in de gevangenis zijn gemarteld om bekentenissen af te dwingen en dat talloze andere rechten van de beklaagden ernstig zijn geschonden,

D.   overwegende dat op verzoek van de Libische autoriteiten bekende internationale deskundigen op HIV/aids-gebied in 2003 een verslag hebben uitgebracht waarin met zekerheid werd geconcludeerd dat de verspreiding van het HIV-virus te wijten was aan een ziekenhuisinfectie die ontstaan was voor de aankomst van de beschuldigden in Libië; overwegende dat recente publicaties sterk wetenschappelijk bewijs leveren inzake de ontstaansperiode van de infectie in Benghazi en dat dit krachtige bewijs van de onschuld van de beschuldigden niet in overweging is genomen,

E.   overwegende dat de Unie in november 2004 een HIV-actieplan voor Benghazi heeft gelanceerd in het kader waarvan technische en medische hulp wordt verleend aan de geïnfecteerde kinderen en de getroffen gezinnen, alsmede steun voor de Libische autoriteiten bij de bestrijding van HIV/aids; voorts overwegende dat 2 500 000 EUR uit de communautaire begroting ter financiering van dit plan is uitgetrokken en dat de uitvoering van dit actieplan met de ondersteuning van de Commissie en de EU-lidstaten flinke vorderingen maakt en dat een groot aantal besmette kinderen in ziekenhuizen in lidstaten zijn behandeld,

F.   overwegende dat in januari 2006 het Benghazi International Fund werd opgericht, een niet-gouvernementele organisatie zonder winstoogmerk, die in het leven is geroepen om steun te bieden aan de ontwikkeling van de plaatselijke medische infrastructuur in Benghazi ter verbetering van de behandeling van de patiënten en om hulp te verlenen aan de getroffen gezinnen;

1.   veroordeelt de uitspraak van het gerechtshof in Libië op 19 december 2006, waarbij tot besluit van een nieuw proces vijf Bulgaarse verpleegsters, Kristiana Vulcheva, Nasya Nenova, Valentina Siropulo, Valya Chervanyashka en Snezhana Dimitrova en een Palestijnse arts, Ashraf al-Haiui, die in verband met de HIV/aids-zaak uit 1999 in het ziekenhuis van Benghazi al acht jaar in de gevangenis hebben doorgebracht, tot de doodstraf werden veroordeeld;

2.   wijst er andermaal op dat het onvoorwaardelijk tegen de doodstraf gekant is en dat de Unie van mening is dat de afschaffing van de doodstraf een bijdrage levert aan de menselijke waardigheid en de geleidelijke verbetering van de mensenrechten; beklemtoont tevens dat de Unie thans verder gaat dan deze overtuiging en de afschaffing van de doodstraf in derde landen voorstaat;

3.   geeft andermaal uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de gronden waarop de vervolging van de beschuldigden heeft plaatsgevonden, over hun behandeling tijdens de hechtenis en over de aanmerkelijke vertraging waaronder het proces te lijden heeft gehad;

4.   beklemtoont dat met ingang van januari 2007 het Benghazi-proces rechtstreeks betrekking heeft op vijf burgers van de Europese Unie;

5.   verzoekt de bevoegde Libische autoriteiten alle nodige maatregelen te nemen ter herziening en nietigverklaring van de doodstraf en de weg vrij te maken voor een spoedige oplossing van de zaak op humanitaire gronden en aldus de voorwaarden te scheppen voor de voortzetting van een gemeenschappelijk beleid van goede betrekkingen met Libië;

6.   doet een beroep op kolonel Gaddhafi om zijn invloed aan te wenden voor een snelle invrijheidstelling van het in de gevangenis verblijvende medisch personeel;

7.   dringt er bij de Commissie en de Raad op aan bij de Libische regering tussenbeide te komen voor een spoedige vrijlating van het in de gevangenis verblijvende medisch personeel;

8.   geeft uiting aan zijn volledige solidariteit met de slachtoffers van de HIV/AIDS-infectie in Benghazi en wijst op de maatregelen die de internationale gemeenschap heeft genomen om de getroffen kinderen hulp te bieden;

9.   doet een beroep op de Commissie, de Raad en de lidstaten om steun te blijven verlenen aan de uitvoering van het HIV-actieplan en het Benghazi International Fund te blijven steunen om het lijden van de besmette kinderen en hun families te verlichten en de Libische autoriteiten te helpen bij de preventie en de bestrijding van HIV in het land;

10.   beklemtoont dat het vastbesloten is deze zaak op de voet te blijven volgen en doet een beroep op de Commissie en de Raad om het Europees Parlement op de hoogte te houden van de ontwikkelingen;

11.   doet een beroep op de Commissie en de Raad om bij het uitblijven van een positieve afloop een herziening te overwegen van de EU-Libische betrekkingen op alle terreinen die daarvoor volgens de Unie in aanmerking zouden komen;

12.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de regeringen van de lidstaten, het algemeen volkscomité en het algemeen volkscongres van Libië, de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa, de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de Raad voor de mensenrechten van de Verenigde Naties.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0511.
(2) PB C 286 E van 23.11.2006, blz. 511.
(3) PB C 33 E van 9.2.2006, blz. 404.

Laatst bijgewerkt op: 4 oktober 2007Juridische mededeling