Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2133(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0471/2006

Ingediende teksten :

A6-0471/2006

Debatten :

PV 12/03/2007 - 18
CRE 12/03/2007 - 18

Stemmingen :

PV 13/03/2007 - 8.5
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0062

Aangenomen teksten
WORD 97k
Dinsdag 13 maart 2007 - Straatsburg Definitieve uitgave
Maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap
P6_TA(2007)0062A6-0471/2006

Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2007 over maatschappelijk verantwoord ondernemen: een nieuw partnerschap (2006/2133(INI))

Het Europees Parlement,

–   gezien de mededeling van de Commissie betreffende de tenuitvoerlegging van het partnerschap voor groei en werkgelegenheid: Europa moet een voorbeeld worden op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen (COM(2006)0136) (mededeling van de Commissie over MVO),

–   gezien de twee meest gezaghebbende internationaal overeengekomen normen voor het beleid van ondernemingen: de "Tripartiete Beginselverklaring betreffende multinationale ondernemingen en sociaal beleid" van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO), laatstelijk gewijzigd in 2001, en de "Richtlijnen voor multinationals" van de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (OESO), laatstelijk gewijzigd in 2000, alsmede gezien de gedragscodes die onder auspiciën van andere internationale organisaties zoals de Voedsel- en landbouworganisatie van de VN, de Wereldgezondheidsorganisatie en de Wereldbank zijn overeengekomen en activiteiten die met betrekking tot de werkzaamheden van ondernemingen in ontwikkelingslanden zijn ontplooid onder auspiciën van de VN-Conferentie inzake handel en ontwikkeling,

–   gezien de verklaring van de IAO van 1998 betreffende fundamentele beginselen en rechten op de werkplek en de IAO-verdragen betreffende universele fundamentele arbeidsnormen betreffende de afschaffing van dwangarbeid (Verdragen C29 (1930) en C105 (1957)), vrijheid van vereniging en het recht op collectieve onderhandelingen (Verdragen C87 (1948) en C98 (1949)), afschaffing van kinderarbeid (Verdragen C138 (1973) en C182 (1999)) en non-discriminatie op het werk (Verdragen C100 (1951) en C111 (1958)),

–   gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties van 1948 en met name de erin neergelegde oproep waarin er bij ieder individu en ieder orgaan van de gemeenschap op wordt aangedrongen de universele inachtneming van de rechten van de mens te bevorderen, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van de VN van 1966, het Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van de VN van 1966, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen van 1979, het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind van 1989 en de ontwerpverklaring van de Verenigde Naties betreffende de rechten van inheemse volkeren van 1994,

–   gelet op het Verdrag inzake bestrijding van omkoping van de OESO (1997),

–   gezien de door de G3 opgestelde "Richtlijnen voor duurzaamheidsverslaggeving" (2006), in het kader van het "Global Reporting Initiative",

–   gezien het "United Nations Global Compact" dat in juli 2000 werd gelanceerd,

–   gezien de aankondiging op 6 oktober 2006 door het United Nations Global Compact en het Global Reporting Initiative dat zij een "strategische alliantie" hebben gevormd,

–   gezien de normen van de VN inzake de "Responsibilities of Transnational Corporations and Other Business Enterprises with Regard to Human Rights" (2003),

–   gezien het resultaat van de Wereldtop over Duurzame ontwikkeling te Johannesburg in 2002, en met name de oproep om intergouvernementele initiatieven inzake het vraagstuk van de verantwoording van ondernemingen en de conclusies van de Raad van 3 december 2002 over de follow-up van de Top,

–   gezien het rapport van de secretaris-generaal van de VN "Naar een wereldwijd partnerschap – betere samenwerking tussen de Verenigde Naties en alle betrokken partners, met name de particuliere sector" van 10 augustus 2005,

–   gezien de benoeming van een speciale vertegenwoordiger van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties voor bedrijfsleven en mensenrechten, zijn interim-rapport van 22 februari 2006 over mensenrechten en transnationale ondernemingen en het regionaal overleg dat hij had 27-28 maart 2006 te Johannesburg en op 26-27 juni 2006 te Bangkok,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 januari 1999 over EU-normen voor in ontwikkelingslanden werkende Europese bedrijven: naar een Europese Gedragscode(1) , ter aanbeveling van de opstelling van een Europese Modelgedragscode met ondersteuning van een Europees waarnemingsforum,

–   gelet op Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(2) , die het Verdrag van Brussel van 1968 vervangt, behalve wat de betrekkingen tussen Denemarken en de andere lidstaten betreft,

–   gezien Verordening (EG) nr. 761/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2001 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS)(3) ,

–   gezien de resolutie van de Raad van 3 december 2001(4) betreffende de follow-up van het Groenboek over de maatschappelijke verantwoordelijkheid van ondernemingen,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 30 mei 2002 over het Groenboek van de Commissie over de bevordering van de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven(5) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 mei 2003 over de sociale verantwoordelijkheid van bedrijven: een bijdrage van het bedrijfsleven aan duurzame ontwikkeling(6) ,

–   gezien Aanbeveling 2001/453/EG van de Commissie van 30 mei 2001 betreffende de verantwoording, waardering en vermelding van milieuaangelegenheden in de jaarrekeningen en jaarverslagen van ondernemingen(7) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 juli 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité getiteld "Bevordering van fundamentele arbeidsnormen en verbetering van de sociale governance in de context van de globalisering"(8) ,

–   gezien de resolutie van de Raad van 6 februari 2003 inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen(9) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie "Bestuur en ontwikkeling" (COM(2003)0615),

–   gezien Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, banken en andere financiële instellingen, en verzekeringsondernemingen (10) ,

–   gezien Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten(11) ,

–   gezien het eindrapport van het Europese Multistakeholder Forum over maatschappelijk verantwoord ondernemen van 29 juni 2004, waaronder aanbeveling 7 die de oprichting van een wettelijk kader inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen steunt,

–   gezien de mededeling van de Commissie "De sociale dimensie van de globalisering – hoe de EU ertoe bijdraagt dat iedereen er voordeel van heeft" (COM(2004)0383),

–   gezien Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad ("Richtlijn oneerlijke handelspraktijken")(12) ,

–   gezien de Europese Raad van 22 en 23 maart 2005 die de Lissabon-strategie opnieuw lanceerde en het partnerschap tussen de EU-instellingen, de lidstaten en het maatschappelijk middenveld richtte op "Samenwerken aan werkgelegenheid en groei",

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 juli 2005 over de uitbuiting van kinderen in ontwikkelingslanden, met speciale aandacht voor kinderarbeid(13) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie over de herziening van de Strategie voor duurzame ontwikkeling – een actieplatform (COM(2005)0658), en de herziene EU-strategie voor duurzame ontwikkeling die op 15 en 16 juni 2006 door de Europese Raad werd goedgekeurd,

–   gezien de verklaring van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de de Raad, het Europees Parlement en de Commissie van 20 december 2005 betreffende het ontwikkelingsbeleid van de Europese Unie: De Europese consensus(14) ,

–   gezien het nieuwe Stelsel van Algemene Preferenties (SAP+), dat sinds 1 januari 2006 van kracht is, waaraan voor het eerst uitvoering werd gegeven bij Verordening (EG) nr. 980/2005 van 27 juni 2005 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties(15) en dat hetzij toegang zonder douanerechten verleent dan wel een verlaagd tarief toekent voor een toenemend aantal producten en tevens een nieuwe prikkel vormt voor kwetsbare landen met specifieke handels-, financiële of ontwikkelingsbehoeften,

–   gezien de mededeling van de Commissie "Bevordering van waardig werk voor iedereen - Bijdrage van de Europese Unie aan de uitvoering van de agenda voor waardig werk over de hele wereld" (COM(2006)0249) (mededeling van de Commissie betreffende waardig werk),

–   gezien het Groenboek van de Commissie over het Europees transparantie-initiatief (COM(2006)0194),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 juli 2006 over eerlijke handel (Fair Trade) en ontwikkeling(16) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie "Modernisering van het vennootschapsrecht en verbetering van de corporate governance in de Europese Unie - Een actieplan" (COM(2003)0284) (Actieplan corporate governance),

–   gezien de hoorzitting "Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen – is er een Europese aanpak?" die zijn Commissie werkgelegenheid en sociale zaken op 5 oktober 2006 heeft georganiseerd,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0471/2006),

A.   overwegende dat bedrijven niet beschouwd kunnen worden als vervanging voor de overheid wanneer laatstgenoemde verzuimt controle uit te oefenen op de naleving van sociale en milieunormen,

1.   is overtuigd dat grotere sociale en milieuverantwoordelijkheid van het bedrijfsleven in combinatie met het beginsel van verantwoording van ondernemingen een essentieel element vormt van het Europese Sociale Model, de Europese Strategie voor duurzame ontwikkeling en het ingaan op de sociale uitdagingen van economische globalisering;

2.   is verheugd over de mededeling van de Commissie over MVO die een nieuwe aanzet geeft tot het debat in de EU over maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO), maar ziet de bezorgdheid van sommige groepen belanghebbenden over een gebrek aan transparantie en evenwichtigheid bij de raadpleging vóór aanneming van de mededeling;

3.   erkent dat er nog altijd een debat gaande is tussen de diverse groepen belanghebbenden over een juiste definitie van MVO, en dat het begrip "meer dan wettelijk verlangd" enkele ondernemingen in staat kan stellen zich op maatschappelijke verantwoordelijkheid te beroepen terwijl zij tegelijkertijd plaatselijke en internationale wetten schenden; meent dat EU-bijstand aan regeringen van derde landen bij het implementeren van sociale en milieuregelgeving in overeenstemming met internationale verdragen, samen met effectieve inspectiestelsels, een noodzakelijke aanvulling zijn om MVO van Europese bedrijven wereldwijd te bevorderen;

4.   stemt in met de definitie van de Commissie dat MVO de vrijwillige integratie omvat van milieu- en sociale overwegingen in zakelijke activiteiten, naast juridische vereisten en contractuele verplichtingen; is van mening dat het MVO-beleid moet worden bevorderd terwille van zichzelf, en niet als een vervanging van passende regelgeving op de betreffende terreinen, noch als een steelse benadering voor het invoeren van dit soort wetgeving;

5.   merkt op dat de verscheidenheid aan vrijwillige MVO-initiatieven als een hindernis kan worden ervaren door vele ondernemingen die een MVO-beleid willen voeren en ook voor grote ondernemingen geen prikkel is om geloofwaardiger MVO-maatregelen te nemen of een ambitieuzer MVO-beleid te voeren, hoewel ook aangevoerd kan worden dat een dergelijke verscheidenheid inspirerend kan zijn voor bedrijven; roept de Commissie op de verspreiding van goede praktijken als gevolg van vrijwillige MVO-initiatieven aan te moedigen; is van mening dat de Commissie moet overwegen een lijst met criteria op te stellen waaraan bedrijven moeten voldoen als zij beweren verantwoordelijk te zijn;

6.   meent dat de geloofwaardigheid van vrijwillige MVO-initiatieven voorts afhankelijk is van een expliciete bereidheid om bestaande, internationaal overeengekomen normen en beginselen in het beleid op te nemen, alsook van een benadering met meer betrokken partijen, zoals aanbevolen door het Multistakeholder Forum (MSF) van de EU, evenals toepassing van onafhankelijke waarneming en verificatie;

7.   meent dat het EU-debat over MVO het punt is genaderd waarop de nadruk moet worden verschoven van 'processen' naar 'resultaten', wat leidt tot een meetbare en transparante bijdrage van bedrijven in de bestrijding van maatschappelijke uitsluiting en milieuverslechtering in Europa en wereldwijd;

8.   erkent dat veel bedrijven al uitgebreide en toenemende inspanningen leveren om zich te houden aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid;

9.   neemt er kennis van dat markten en bedrijven zich in Europa in verschillende ontwikkelingsfasen bevinden; meent daarom dat een one-size-fits-all methode die een enkel model beoogt op te leggen voor bedrijfsculturen niet relevant is en niet zal leiden tot een betekenisvolle opname van MVO door bedrijven; meent verder dat de nadruk moet worden gelegd op de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld en in het bijzonder consumentenbewustzijn over verantwoord produceren om te bevorderen dat bedrijven verantwoordelijkheid nemen die langdurig en relevant is voor de bepaalde nationale of regionale context;

10.   wijst erop dat MVO nieuwe thema's dient aan te pakken zoals levenslang leren, arbeidsorganisatie, gelijke kansen, sociale integratie, duurzame ontwikkeling en ethiek, zodat het als extra instrument kan dienen voor het beheer van de industriële verandering en herstructurering;

Het EU-debat over MVO

11.   neemt kennis van het besluit van de Commissie om een Europees Verbond voor maatschappelijk verantwoord ondernemen op te richten in partnerschap met een aantal bedrijfsnetwerken (Verbond); adviseert de Commissie zelf te zorgen voor één enkel coördinatiepunt om het besef van het lidmaatschap en de activiteiten van het Verbond levend te houden, en om duidelijke doelstellingen, tijdschema 's en een strategische visie voor voorlichting over het werk van het Verbond overeen te komen; moedigt alle Europese bedrijven en bedrijven uit derde landen die in Europa werkzaam zijn, groot en klein, aan om dit initiatief te omhelzen en andere belanghebbenden bij het Verbond te betrekken;

12.   meent dat de sociale dialoog een effectief middel is geweest voor het bevorderen van MVO-initiatieven en dat Europese ondernemingsraden ook een constructieve rol hebben gespeeld in de ontwikkeling van de beste praktijken met betrekking tot MVO;

13.   meent dat een substantieel grotere aanvaarding van MVO-praktijken bij EU-ondernemingen, de ontwikkeling van nieuwe modellen van beste praktijken door echte koplopers bij ondernemingen en vakbondsorganisaties als het gaat om diverse aspecten van MVO, de aanwijzing en bevordering van specifieke EU-maatregelen en regelgeving ter ondersteuning van MVO en de beoordeling van het effect van dergelijke initiatieven op het milieu en op mensenrechten en sociale rechten als essentiële toetsstenen voor het welslagen van het Verbond kunnen fungeren; meent voorts dat een uiterste termijn van twee jaar moet worden vastgesteld voor voltooiing van het werk van de "laboratoria" die onder haar auspiciën zijn opgezet, zoals door MVO-Europa voorgesteld;

14.   merkt op dat het bijeenroepen van het EU-Multistakeholder Forum een late toevoeging van de Commissiemededeling was en dat maatregelen moeten worden genomen om het vertrouwen van diverse betrokken partijen te wekken dat er een echte dialoog zal plaatsvinden die ertoe leidt dat EU-beleid en -programma's van wezenlijke invloed en een stimulans worden voor de toepassing van MVO door het bedrijfsleven in de EU; meent dat lering moet worden getrokken uit de twee jaar dat het MSF heeft gefunctioneerd, die positief was als het gaat om de regel "no fame, no shame" en het gebruik van onafhankelijke rapporteurs; wijst er echter op dat verbeteringen nodig zijn om tot een consensus te kunnen komen; benadrukt ook hoe belangrijk het is dat de vertegenwoordigers van de Commissie actief deelnemen aan het debat;

15.   roept de Commissie op vertegenwoordigers van een aantal nationale, regionale en lokale overheden uit te nodigen die hebben toegezegd overheidsopdrachten en andere beleidsinstrumenten te gebruiken om MVO te bevorderen om hun eigen 'laboratorium' op te richten onder het 'Verbond' en hun bevindingen in hun toekomstige werk te integreren;

16.   steunt de inspanningen van de Commissie om het lidmaatschap van het MSF uit te breiden met investeerders, het onderwijs en overheden en benadrukt dat een duurzame dialoog mogelijk moet blijven om overeengekomen doelen te bereiken;

17.   verzoekt de Commissie om bij het volgen van de voortgang van MVO een sterkere participatie van vrouwen aan het Multi-Stakeholder Forum en de uitwisseling van informatie en van goede praktijken op het gebied van gendergelijkheid aan te moedigen;

18.   steunt oproepen om verplichte kennisgeving voor lobbyisten van ondernemingen en andere organen en om evenwichtige toegang van grote ondernemingen en andere groepen betrokkenen tot de eigenlijke Europese beleidsvorming;

De koppeling tussen MVO en concurrentievermogen

19.   is verheugd over de doelstelling van de mededeling van de Commissie over MVO om MVO aan de economische, sociale en milieudoelstellingen van de strategie van Lissabon te koppelen, juist wegens de mening dat een serieuze benadering van MVO door bedrijven kan bijdragen aan een toename van het aantal banen en een verbetering van de arbeidsomstandigheden en het respecteren van de rechten van werknemers en het bevorderen van onderzoek en ontwikkeling van technologische innovaties; steunt het principe van "verantwoordelijke concurrentie" als integraal onderdeel van het programma voor concurrentievermogen en innovatie van de Commissie; daagt Europese bedrijven uit in hun verslaglegging op te nemen hoe zij bijdragen aan de Lissabon-doelstellingen;

20.   erkent dat effectieve concurrentieregels, binnen en buiten Europa, een essentieel onderdeel vormen voor het garanderen van verantwoordelijke bedrijfspraktijken, in het bijzonder door het mogelijk maken van een eerlijke behandeling en toegang tot lokaal gevestigde kleine en middelgrote ondernemingen;

21.   herhaalt dat de implementatie binnen MVO van verantwoordelijke en niet-discriminerende wervingspraktijken die de participatie van vrouwen en gehandicapten bevorderen, bijdraagt aan het behalen van de Lissabon-doelstellingen;

22.   ziet tegenstrijdigheid tussen concurrerende toeleveringsstrategieën van ondernemingen die streven naar steeds grotere flexibiliteit en steeds lagere kosten enerzijds en vrijwillige MVO-toezeggingen ter voorkoming van op uitbuiting berustende aanwervingspraktijken en bevordering van langlopende betrekkingen met toeleveringsbedrijven anderzijds; pleit voor voortzetting van de dialoog op dit gebied;

23.   stelt in verband hiermee voor dat de beoordelingen en de monitoring van Europese bedrijven waarvan erkend is dat zij verantwoordelijk zijn, worden uitgebreid met hun activiteiten en die van hun onderaannemers buiten de Europese Unie, om er zeker van te zijn dat MVO ook ten goede komt aan derde landen en vooral ontwikkelingslanden, in overeenstemming met de IAO-verdragen in het bijzonder met betrekking tot de vrijheid om vakbonden te vormen, het verbod op kinderarbeid en dwangarbeid, en meer specifiek vrouwen, migranten, inheemse volkeren en minderheidsgroeperingen;

24.   erkent MVO als een belangrijke stimulans voor bedrijvigheid en roept op tot het integreren van sociale maatregelen, zoals respect van de rechten van werknemers, een eerlijk loonbeleid, bestrijding van discriminatie, een leven lang leren, enz. en milieukwesties die vooral gericht zijn op de dynamische bevordering van duurzame ontwikkeling, zowel bij steun voor nieuwe producten en processen d.m.v. het innovatie- en handelsbeleid van de EU als bij het opstellen van strategieën voor sectoren, subregio's en steden;

25.   benadrukt dat ondernemingen met sociaal verantwoordelijkheidsgevoel een belangrijke bijdrage leveren aan het opheffen van de ongelijkheid die met name vrouwen en kansarme personen, inclusief gehandicapten, op de arbeidsmarkt ondervinden, in het bijzonder op het gebied van toegang tot de arbeidsmarkt, sociale uitkeringen, opleiding, loopbaanontwikkeling en een rechtvaardig loon- en salarisbeleid; benadrukt dat ondernemingen hun aanstellingsbeleid behoren af te stemmen op Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden(17) ;

MVO-instrumenten

26.   is verheugd over de tendens van de laatste jaren dat grote ondernemingen vrijwillige sociale en milieurapporten publiceren; merkt op dat het aantal van dergelijke rapporten sinds 1993 continu is toegenomen, maar dat het aantal thans vrijwel gelijk blijft en dat slechts een minderheid gebruikmaakt van internationaal aanvaarde normen en principes, de volledige toevoerketen van het bedrijf gebruikt of onafhankelijke monitoring en verificatie inschakelt;

27.   herinnert de Commissie aan het verzoek van het Parlement om een voorstel in te dienen om in de vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (de vierde Richtlijn vennootschapsrecht)(18) sociale en milieuverslaglegging op te nemen naast vereisten inzake financiële verslaglegging; acht het van belang te streven naar bewustwording met betrekking tot de bepalingen inzake sociale en milieuverslaglegging in het kader van Aanbeveling 2001/453/EG van de Commissie betreffende de vermelding van milieuaangelegenheden van 2001, Richtlijn 2003/51/EG betreffende modernisering van jaarrekeningen en Richtlijn 2003/71/EG(19) betreffende prospectussen, steunt de tijdige omzetting hiervan in alle lidstaten, en verzoekt om studies naar de doeltreffende implementatie hiervan teneinde genoemde bewustwording te ontwikkelen;

28.   erkent de huidige beperkingen van de MVO 'industrie' wat betreft de meting van bedrijfscultuur, sociale controle en certificering, vooral wat betreft de kosten, vergelijkbaarheid en onafhankelijkheid, en meent dat het noodzakelijk zal zijn een professioneel kader te ontwikkelen met inbegrip van specifieke kwalificaties op dit terrein;

29.   beveelt aan dat de Commissie de verantwoordelijkheid van directeuren van bedrijven met meer dan 1000 werknemers zo uitbreidt dat de directeuren zichzelf de verplichting opleggen eventuele schadelijke sociale en milieueffecten van de bedrijfsactiviteiten te minimaliseren;

30.   verklaart nogmaals het milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS) te steunen, in het bijzonder de hierin vereiste externe verificatie en de verplichting voor lidstaten om het systeem te bevorderen, en meent dat er ruimte is om soortgelijke systemen te ontwikkelen met betrekking tot de bescherming van arbeid en sociale en mensenrechten;

31.   steunt de Goede Praktijkcode van de International Social and Environmental Accreditation and Labelling Alliance (ISEAL; Internationale alliantie voor accreditering en etikettering op sociaal en milieugebied), als een vooraanstaand voorbeeld van het bevorderen van de samenwerking tussen bestaande etiketteringsinitiatieven, te verkiezen boven de oprichting van nieuwe sociale etikettering op nationaal of Europees niveau;

32.   roept de Commissie op een mechanisme te implementeren waarmee benadeelden, met inbegrip van ingezetenen van derde landen, vergoeding kunnen eisen van Europese bedrijven via de nationale rechtbanken van de lidstaten;

33.   betreurt dat de kwestie van het maatschappelijk verantwoord investeren in de mededeling van de Commissie over MVO ontbreekt, steunt de volwaardige deelname van investeerders als belanghebbenden aan het MVO-debat op EU-niveau waaronder ook het MSF, steunt de roep van de industrie om transparantie in plaats van prescriptieve regelgeving door midden van de invoering in de gehele EU van "verklaring van investeringsbeginselen" voor investeringsfondsen;

34.   wijst erop dat consumenten een belangrijke rol spelen wanneer het gaat om het creëren van stimulansen voor verantwoorde productie en verantwoorde bedrijfspraktijken; meent echter dat de situatie momenteel ondoordringbaar is voor consumenten door verwarring tussen de verschillende nationale productnormen en productetiketteringssystemen, wat er allemaal aan bijdraagt dat de bestaande sociale productetiketten worden ondermijnd; richt de aandacht op het feit dat tegelijkertijd aanzienlijke kosten worden gemaakt door bedrijven wanneer deze omschakelen tussen de vele verschillende nationale eisen en normen; wijst er ook op dat het duur is om monitoringsmechanismen op te zetten om toezicht te houden op de sociale productetikettering, met name voor kleinere landen;

35.   steunt de inspanningen van Eurostat om indicatoren op te stellen om het functioneren van MVO in verband met de EU-strategie voor duurzame ontwikkeling te meten, alsook het voornemen van de Commissie nieuwe indicatoren te ontwikkelen om de kennis en de consumptie te meten van EU-producten met eco-etiket en het productieaandeel van EMAS-geregistreerde bedrijven;

36.   herhaalt nogmaals dat moet worden overwogen om een EU-ombudsman voor MVO te benoemen die onafhankelijk naspeuringen kan doen bij kwesties in verband met MVO op verzoek van bedrijven of een groep belanghebbenden; wenst dat verder wordt nagedacht over deze kwestie en soortgelijke voorstellen in de toekomst;

Betere regelgeving en MVO

37.   meent dat MVO-beleid kan worden bevorderd door meer bewustzijn en betere tenuitvoerlegging van bestaande wettelijke instrumenten; verzoekt de Commissie om campagnes voor meer bewustzijn te voeren en te bevorderen en toe te zien op de tenuitvoerlegging van de toepassing van directe buitenlandse aansprakelijkheid overeenkomstig het Verdrag van Brussel, de toepassing van de Richtlijnen 84/450/EEG(20) inzake misleidende reclame en 2005/29/EG inzake oneerlijke handelspraktijken en de mate waarin ondernemingen zich aan hun vrijwillige MVO-gedragscodes houden;

38.   herhaalt de noodzaak om eenvoudige, gemakkelijk te begrijpen taal te gebruiken om bedrijven aan te moedigen MVO te bevorderen;

39.   herhaalt dat grote inspanningen moeten worden gedaan door de Commissie en de EU-regeringen op nationaal, regionaal en plaatselijk niveau om de kansen aan te grijpen die de herziening van de richtlijnen inzake overheidsopdrachten in 2004 bieden, MVO te ondersteunen door sociale en milieucriteria bij mogelijke leveranciers te bevorderen, tegelijkertijd rekening houdend met de noodzaak om aanvullende administratieve lasten voor kleine ondernemingen te vermijden, aangezien dit ze ervan zou kunnen weerhouden om deel te nemen aan aanbestedingen en waar nodig in geval van corruptie ook ondernemingen te diskwalificeren; verzoekt de Commissie, de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling strikte sociale en milieucriteria toe te passen op alle, aan bedrijven in de particuliere sector verleende subsidies en leningen, ondersteund door duidelijke klachtenregelingen, voortbouwend op het voorbeeld van Nederland dat overheidsopdrachten koppelt aan de inachtneming van de fundamentele verdragen van de IAO en de OESO-richtlijnen in Nederland en het voorbeeld van verschillende Italiaanse provincies wat betreft de norm SA8000 CSR; herinnert eraan dat lidstaten stappen moeten ondernemen om ervoor te zorgen dat eventuele exportkredietgaranties voldoen aan de hoogste sociale en milieucriteria en niet worden gebruikt voor projecten die indruisen tegen overeengekomen EU-beleidsdoelen met betrekking tot bijvoorbeeld energie of bewapening;

Opneming van MVO in EU-beleid en -programma's

40.   is verheugd over de toezeggingen die in de mededeling van de Commissie over de uitvoering van het partnerschap voor groei en werkgelegenheid worden herhaald om bij al haar terreinen van activiteit MVO te ondersteunen en te bevorderen en verzoekt om een grote inspanning om deze toezeggingen te vertalen in concrete acties over de hele linie;

41.   meent dat het MVO-debat niet moet worden losgemaakt van vragen omtrent de verantwoording van ondernemingen en dat kwesties omtrent de sociale en ecologische gevolgen van bedrijvigheid, betrekkingen met betrokken partijen, de rechten van de houders van minderheidsaandelen en de plichten van directeuren van ondernemingen op dit punt volledig dienen te worden opgenomen in het Actieplan van de Commissie voor "Corporate Governance"; wijst erop dat deze kwesties deel moeten uitmaken van het MVO-debat; vraagt de Commissie deze speciale punten in overweging te nemen en met duidelijke voorstellen te komen om deze punten aan te pakken;

42.   is verheugd over rechtstreekse financiële steun van de Commissie voor MVO-initiatieven om met name innovatie aan te moedigen, de betrokkenheid van belanghebbende partijen mogelijk te maken en potentiële groepen benadeelden bij te staan bij vermeende kwalijke praktijken, inclusief doodslag door rechtspersonen; moedigt de Commissie aan in het bijzonder mechanismen te ontwikkelen die ervoor zorgen dat gemeenschappen die worden benadeeld door Europese bedrijven recht hebben op een eerlijk en toegankelijk proces; onderstreept het belang van EU-begrotingslijn B3-4000 voor proefprojecten zoals die met betrokkenheid van werknemers (Employee Community Engagement), verhypothekeerde fondsen ter ondersteuning van MVO binnen het programma voor concurrentievermogen en innovatie van de Commissie, alsook om in het kader van het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling 3% van onderzoek in de sociale en menswetenschappen te besteden aan bedrijven in de maatschappij; roept de Commissie op zich meer in te spannen om MVO te steunen met betrekking tot EU-bedrijven die werkzaam zijn in derde landen door middel van haar programma's voor externe bijstand;

43.   is verheugd over de toezegging om scholing tot een van de acht actiegebieden met prioriteit te maken, roept op tot een grondiger integratie van MVO in het Socratesprogramma, de levering van een brede reeks MVO-materialen in het toekomstige European Teaching Resource Centre, en de oprichting van een Europese online directory van businessschools en universiteiten met betrekking tot MVO en duurzame ontwikkeling;

44.   moedigt initiatieven op het niveau van de EU en van de lidstaten aan om het onderwijs van verantwoord management en verantwoorde productie op de Europese businessschools te verbeteren;

45.   wijst erop dat sociale en milieuverantwoordelijkheid net zo goed geldt voor gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties als voor bedrijven en roept de Commissie op haar toezegging na te komen om een jaarverslag over de sociale en milieueffecten van haar eigen directe activiteiten te publiceren, alsook beleidsmaatregelen te ontwikkelen om het personeel van de EU-instellingen aan te moedigen zich vrijwillig voor de gemeenschap in te zetten;

46.   is van mening dat ondernemingen in het kader van MVO culturele en opleidingsactiviteiten onder hun hoede zouden kunnen nemen die het Europees beleid een meerwaarde geven op het gebied van cultuur en levenslang leren;

47.   verzoekt de Commissie om MVO beter in haar handelsbeleid te integreren zonder de WTO-regels met voeten te treden en ongerechtvaardigde handelsbarrières op te werpen door te trachten in alle bilaterale, regionale of multilaterale overeenkomsten bindende artikelen op te nemen tot naleving van internationaal overeengekomen MVO-normen, zoals de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, de tripartiete verklaring en de beginselen van Rio van de IAO, met voorbehoud van regelgevende bevoegdheden voor kwesties in verband met mensenrechten en sociale en milieuverantwoordelijkheid; is verheugd over de steun voor deze doelstellingen in de mededeling van de Commissie betreffende de bevordering van waardig werk; herhaalt zijn oproep aan de delegaties van de Commissie in derde landen om binnen de bevoegdheden van de Commissie de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen te bevorderen en hiervoor als contactpunt op te treden; roept de Commissie en lidstaten op het functioneren van de nationale contactpunten te verbeteren, vooral wat betreft het behandelen van gevallen van vermeende schendingen ten gevolge van bedrijfsactiviteiten en aanvoerketens van Europese bedrijven wereldwijd;

48.   neemt kennis van de bijdrage die is geleverd door de internationale beweging voor eerlijke handel in de vorm van zestig jaar pionierswerk op het gebied van verantwoorde bedrijfspraktijken en het aantonen dat dergelijke praktijken levensvatbaar en duurzaam zijn door de gehele aanvoerketen; roept de Commissie op de ervaring van de beweging voor eerlijke handel in aanmerking te nemen en systematisch te onderzoeken hoe deze ervaring kan worden gebruikt in het kader van MVO;

49.   vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat in de EU gevestigde transnationale bedrijven met productiefaciliteiten in derde landen, in het bijzonder die welke deelnemen aan het programma GSP+, voldoen aan de basisnormen van de IAO, de sociale en milieuverdragen en de internationale overeenkomsten om zo wereldwijd een evenwicht mogelijk te maken tussen economische groei en hoge sociale en milieunormen;

50.   is verheugd over de toezegging van de Europese consensus over ontwikkeling om MVO bij wijze van prioriteit te steunen; roept het Directoraat-generaal Ontwikkeling van de Commissie op concrete stappen te ondernemen om een actieve rol te spelen in het debat, de arbeidsomstandigheden en het gebruik van de natuurlijke rijkdommen in de ontwikkelingslanden te onderzoeken, met binnenlandse bedrijven alsook met de overzeese vestigingen van EU-bedrijven, onderaannemers en andere belanghebbende partijen samen te werken om misbruik en wanpraktijken in de aanvoerketens tegen te gaan, armoede te bestrijden en rechtvaardige groei te bewerkstelligen;

51.   stelt voor dat de Commissie streeft naar deelneming van kleine ondernemingen in MVO door samenwerking met bemiddelende instanties, door specifieke steun te verlenen voor deelneming van coöperatieve/sociaaleconomische bedrijven via hun brancheverenigingen; stelt voorts voor dat zij het netwerk van Europese Voorlichtingscentra benut om MVO-initiatieven rechtstreeks te bevorderen en overweegt om bij het Directoraat-generaal Ondernemingen en Industrie van de Commissie een MVO-gezant, te vergelijken met de gezant voor het MKB, aan te wijzen;

52.   beveelt aan dat de Commissie een diepgaande Europa-omvattende studie uitvoert over de verschillende manieren waarop kleine en middelgrote ondernemingen kunnen deelnemen aan MVO en over de prikkels voor hen om MVO-principes aan te nemen op vrijwillige, individuele basis, en dat de juiste lessen worden geleerd van de verworven ervaring en de goede praktijken op dit gebied;

53.   is verheugd over de toezegging in de Commissiemededeling over MVO om de participatie van werknemers en hun vakbonden in MVO te vergroten en herhaalt zijn verzoek aan de Commissie en de sociale partners om voort te bouwen op de succesvolle sluiting van 50 internationale kaderovereenkomsten en 30 Europese kaderovereenkomsten in verband met hoofdzakelijk fundamentele arbeidsnormen voor afzonderlijke ondernemingen of sectoren, dat het beschouwt als een benadering voor het ontwikkelen van verantwoordelijkheid van ondernemingen in Europa en de rest van de wereld; verwijst naar de Europese ondernemingsraden, die uiterst geschikt zijn om MVO en in het bijzonder fundamentele werknemersrechten in multinationale ondernemingen te bevorderen;

54.   benadrukt het belang van de rol van de sociale partners in de stimulering van de werkgelegenheid van vrouwen en de bestrijding van discriminatie; moedigt hen aan om, in het kader van MVO, initiatieven te nemen ten gunste van een grotere participatie van vrouwen in het bestuur van ondernemingen, ondernemingsraden en instanties voor de sociale dialoog;

55.   adviseert om bij toekomstig MVO-onderzoek niet alleen te kijken naar de "zakelijke argumenten" voor MVO, maar ook naar het verband tussen concurrentievermogen en duurzame ontwikkeling op macroniveau (de EU en de lidstaten), mesoniveau (industriesectoren en aanvoerketens) en microniveau (MKB), en de onderlinge relatie daartussen, en de gevolgen van huidige MVO-initiatieven en eventuele schendingen van MVO-beginselen; steunt de leidende rol die wordt gespeeld door de European Academy of Business in Society in dit opzicht; verzoekt de Commissie om publicatie van een gezaghebbende "jaarlijkse stand van het MVO" op te stellen door onafhankelijke deskundigen en onderzoekers, waarin bestaande informatie wordt samengevoegd, nieuwe ontwikkelingen worden beschreven en aanbevelingen voor toekomstige maatregelen worden gedaan;

De bijdrage van Europa aan mondiaal maatschappelijke verantwoord ondernemen

56.   meent dat de mogelijke invloed van MVO-beleid het grootst is als het gaat om wereldwijde aanbodketens van ondernemingen, teneinde verantwoorde investeringen door ondernemingen mogelijk te maken en aldus bij te dragen aan de bestrijding van armoede in de ontwikkelingslanden, om waardige arbeidsomstandigheden te bevorderen, beginselen van eerlijke handel en goed bestuur te steunen en tevens het aantal gevallen te beperken van inbreuk op internationale normen, ook arbeidsnormen, door ondernemingen in landen waar regelgeving schaars of onbestaande is;

57.   roept de Commissie op specifiek onderzoek te starten naar het effect van het MVO-beleid en met voorstellen te komen om verantwoorde investeringen door bedrijven en hun verantwoordelijkheid te vergroten;

58.   erkent dat een aantal internationale MVO-initiatieven dieper geworteld zijn en een nieuwe rijpheid hebben bereikt, waaronder de recente publicatie van 'G3'-richtlijnen door het Global Reporting Initiative, de verwijdering van 200 bedrijven door het UN Global Compact en de benoeming van een speciale vertegenwoordiger van de Secretaris-generaal van de VN voor bedrijven en mensenrechten;

59.   is teleurgesteld dat de Commissie in haar mededeling betreffende het partnerschap voor groei en werkgelegenheid niet meer prioriteit heeft toegekend aan het bevorderen van mondiale initiatieven en verzoekt de Commissie om in samenwerking met de lidstaten en de betrokken partijen een strategische visie en inbreng bij het opzetten van MVO-initiatieven op mondiaal niveau te ontwikkelen en tevens belangrijke inspanningen te doen voor veel intensievere deelname van EU-ondernemingen aan dergelijke initiatieven;

60.   verzoekt de lidstaten en de Commissie om inachtneming van de basisnormen van de IAO te ondersteunen en te stimuleren als onderdeel van het maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) van bedrijven, overal waar deze opereren;

61.   is van mening dat de internationale dimensie van MVO een stimulans dient te vormen voor het opstellen van richtlijnen die de ontwikkeling van dit soort beleid in de gehele wereld moeten bevorderen;

62.   verzoekt de Commissie om samen met andere betrokken partners in 2007 een groot internationaal initiatief te organiseren ter markering van de vijfde verjaardag van de toezegging die op de Wereldtop over duurzame ontwikkeling is overeengekomen om intergouvernementele initiatieven op het gebied van de verantwoording van ondernemingen te ontplooien;

63.   verzoekt de Commissie om voort te bouwen op het succes van de transatlantische dialoog van het bedrijfsleven over MVO in de jaren 1990, door een overeenkomstige dialoog tussen de EU en Japan te organiseren;

64.   pleit ervoor om internationale initiatieven te blijven ontwikkelen voor volledige transparantie met betrekking tot de opbrengsten van Europese bedrijven bij hun activiteiten in derde landen, voor volledige naleving van de mensenrechten bij bedrijfsactiviteiten in conflictgebieden en voor het afzien van lobbying, zoals 'host-country agreements' die bedrijven sluiten om de voorschriften in dergelijke landen te ondermijnen of te ontwijken;

65.   roept de Commissie en lidstaten op bij te dragen aan de ondersteuning en versterking van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, met name door een onderzoek uit te voeren naar de doelmatigheid van Europese nationale contactpunten (NCP's) en hun rol in het doelmatig bemiddelen tussen belanghebbenden om conflicten op te lossen; roept op tot de ontwikkeling van een model voor Europese nationale contactpunten met beste praktijken betreffende hun institutionele structuur, zichtbaarheid, toegankelijkheid voor alle belanghebbenden en de behandeling van klachten; roept op tot een brede interpretatie van de definitie van investering bij de toepassing van de OESO-richtlijnen om te garanderen dat toevoerketenkwesties worden behandeld in het kader van implementatieprocedures;

66.   verzoekt om steun voor de ontwikkeling van het "Global Reporting Initiative" (GRI - mondiale verslagleggingsinitiatief) door vooraanstaande Europese bedrijven uit te nodigen deel te nemen aan nieuwe sectorale benaderingen op het gebied van de bouw, de chemische industrie en de landbouw; om onderzoek over de participatie door kleine en middelgrote ondernemingen te bevorderen, om activeringswerk met name in Midden- en Oost-Europese landen mogelijk te maken en duurzaamheidsindexen te ontwikkelen in samenwerking met beurzen in opkomende markten;

67.   roept de Commissie op om in toekomstige samenwerkingsovereenkomsten met ontwikkelingslanden hoofdstukken op te nemen over onderzoek, monitoring en hulp om sociale, menselijke en milieuproblemen bij de bedrijfsactiviteiten en toevoerketen van in de EU gevestigde bedrijven in derde landen te bestrijden;

68.   is in principe verheugd over de plannen van de International Organization for Standardization om een norm te creëren voor maatschappelijk verantwoord ondernemen en roept de Europese vertegenwoordiging op ervoor te zorgen dat het bereikte resultaat strookt met de internationale normen en overeenkomsten en de mogelijkheid behoudt om parallelle methoden voor externe beoordeling en certificering te ontwikkelen;

o
o   o

69.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en alle instellingen en organisaties die hierin genoemd worden.

(1) PB C 104 van 14.4.1999, blz. 180.
(2) PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.
(3) PB L 114 van 24.4.2001, blz. 1.
(4) PB C 86 van 10.4.2002, blz. 3.
(5) PB C 187 E van 7.8.2003, blz. 180.
(6) PB C 67 E van 17.3.2004, blz. 73.
(7) PB L 156 van 13.6.2001, blz. 33.
(8) PB C 271 E van 12.11.2003, blz. 598.
(9) PB C 39 van 18.2.2003, blz. 3.
(10) PB L 178 van 17.7.2003, blz. 16.
(11) PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114.
(12) PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22.
(13) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 84.
(14) PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.
(15) PB L 169 van 30.6.2005, blz. 1.
(16) Aangenomen teksten, P6_TA(2006)0320.
(17) PB L 39 van 14.2.1976, blz. 40. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 2002/73/EG (PB L 269 van 5.10.2002, blz.15).
(18) PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 224 van 16.8.2006, blz. 1).
(19) PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64.
(20) PB L 250 van 19.9.1984, blz. 17.

Laatst bijgewerkt op: 10 juni 2008Juridische mededeling