Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2006/2276(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0209/2007

Ingediende teksten :

A6-0209/2007

Debatten :

PV 19/06/2007 - 6
CRE 19/06/2007 - 6

Stemmingen :

PV 19/06/2007 - 8.28
CRE 19/06/2007 - 8.28
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0265

Aangenomen teksten
WORD 67k
Dinsdag 19 juni 2007 - Straatsburg Definitieve uitgave
Maatregelen ten behoeve van jonge vrouwen in de Europese Unie om gezin en studies met elkaar te verzoenen
P6_TA(2007)0265A6-0209/2007

Resolutie van het Europees Parlement van 19 juni 2007 over een regelgevend kader voor maatregelen ten behoeve van jonge vrouwen in de Europese Unie om gezin en studies met elkaar te verzoenen (2006/2276(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gelet op de artikelen 2, 3, lid 2, en 141 van het EG-Verdrag,

–   gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie dat in 2000 is afgekondigd(1) , en met name de artikelen 9 en 14 inzake het recht een gezin te stichten en het recht op onderwijs,

–   gezien de conclusies van de Europese Raad van Kopenhagen van 21-22 juni 1993, van Lissabon van 23-24 maart 2000, van Stockholm van 23-24 maart 2001, van Barcelona van 15-16 maart 2002, van Brussel van 20-21 maart 2003, van 25-26 maart 2004, van 22-23 maart 2005 en van 23-24 maart 2006 over de strategie van Lissabon voor groei en werkgelegenheid,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Europese ministers van Onderwijs van 19 juni 1999 in Bologna,

–   gezien het Europees Pact voor de jeugd dat is goedgekeurd door de Europese Raad van 22-23 maart 2005,

–   gezien de gemeenschappelijke verklaring van de Raad en de Commissie van 14 maart 2007 over kinderopvang,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 30 mei 2005 over Europese beleidsmaatregelen voor jongeren, met de titel "Aandacht voor jongerenbelangen in Europa - implementatie van het Europees pact voor de jeugd en bevordering van actief burgerschap" (COM(2005)0206), waarin de noodzaak wordt vastgesteld om voor jongeren onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit te verzekeren en tegelijk een betere combinatie van werk en gezin,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 10 januari 2003, getiteld "Efficiënt investeren in onderwijs en beroepsopleiding: een dwingende noodzaak voor Europa" (COM(2002)0779),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 5 februari 2003, getiteld " De rol van de universiteiten in het Europa van de kennis" (COM(2003)0058),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 20 april 2005, getiteld "Mobilisatie van het intellect in Europa: mogelijkheden voor universiteiten om een optimale bijdrage te leveren aan de Lissabon-strategie" (COM(2005)0152),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 1 juni 2005, getiteld " Non-discriminatie en gelijke kansen voor iedereen - Een raamstrategie" (COM(2005)0224),

–   gelet op Besluit nr. 1672/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 tot vaststelling van een communautair programma voor werkgelegenheid en maatschappelijke solidariteit - Progress(2) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 1 maart 2006, getiteld " Een routekaart voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (2006-2010)" (COM(2006)0092),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 16 maart 2005, getiteld "Groenboek "Demografische veranderingen: naar een nieuwe solidariteit tussen de generaties'" (COM(2005)0094),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 12 oktober 2006, getiteld " De demografische toekomst van Europa: probleem of uitdaging?" (COM(2006)0571),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 12 oktober 2006, getiteld " De eerste fase van de raadpleging van de sociale partners over het combineren van werk, privé-leven en gezin" (SEC(2006)1245),

–   gezien Aanbeveling 92/241/EEG van de Raad van 31 maart 1992 betreffende kinderopvang(3) , die bepaalt dat kinderopvangdiensten ter beschikking moeten worden gesteld aan ouders die onderwijs of een opleiding volgen met het oog op het vinden van een baan,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 9 maart 2004 over het combineren van beroep, gezin en privé-leven(4) , zijn resolutie van 9 maart 2005 over de tussentijdse herziening van de strategie van Lissabon(5) , zijn resolutie van 16 januari 2006 over de toekomst van de strategie van Lissabon vanuit genderperspectief (6) , en zijn resolutie van 1 februari 2007 over de discriminatie van meisjes en jonge vrouwen in het onderwijs(7) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0209/2007),

A.   overwegende dat onderwijs en gezin onder de nationale bevoegdheid en verantwoordelijkheid vallen,

B.   overwegende dat onderwijs een grondrecht is voor allen en een noodzakelijke voorwaarde voor persoonlijke ontplooiing en deelname aan het economische en sociale leven,

C.   overwegende dat het onderwijssysteem onder meer moet zorgen voor de opheffing van de belemmeringen die de effectieve gelijkheid van mannen en vrouwen bemoeilijken alsook voor de bevordering van de volledige gelijkheid tussen de geslachten,

D.   overwegende dat toegang tot onderwijs, levenslang leren en opleiding van goede kwaliteit van essentieel belang zijn zodat jonge mannen en vrouwen de vaardigheden kunnen leveren die Europa nodig heeft, zowel voor het bevorderen van groei en werkgelegenheid als ten aanzien van intergenerationele solidariteit en bevolkingsvernieuwing,

E.   overwegende dat een betere verenigbaarheid van gezin en studies op alle niveaus een betere benutting van het jongerenpotentieel mogelijk kan maken, met name het potentieel van jonge vrouwen, en zodoende kan bijdragen tot de 'kennismaatschappij', het concurrentievermogen van de economie, de sociale samenhang en de vernieuwing van de Europese maatschappij, hetgeen doelstellingen zijn die in de herziene strategie van Lissabon zijn opgenoemd,

F.   overwegende dat de toekomst van Europa afhangt van zijn vermogen om maatschappijen te bevorderen die openstaan voor jonge mannen en vrouwen, en dat in dit verband de verwezenlijking van de gezinswens of wens de zorg voor afhankelijke volwassenen of personen met een handicap op te nemen de keuzes voor studies of een beroep niet in de weg mogen staan of een rem mogen vormen om deze voort te zetten of weer op te nemen,

G.   overwegende dat het volgen van hoger en beroepsopleiding een van de essentiële voorwaarden is voor een werkelijke toegang tot de arbeidsmarkt en een van de instrumenten vormt om armoede, die vooral vrouwen treft, te voorkomen en de salarisniveaus van mannen en vrouwen gelijk te trekken,

H.   overwegende dat meisjes en jonge vrouwen van nationale minderheden of meisjes en jonge vrouwen van migrantengemeenschappen in zeer beperkte mate toegang hebben tot hoger onderwijs en dat deze toegang vaak gekenmerkt wordt door discriminatie en segregatie op scholen,

I.   overwegende dat een langere duur van de studies(8) , gebrek aan stimulansen om volledig onafhankelijk te worden en een moeilijker toegang tot de arbeidsmarkt tot gevolg kunnen hebben dat jongeren het besluit om een gezin te stichten uitstellen,

J.   overwegende dat door de kansen die door levenslang leren worden geboden en de langere duur van de studies de gemiddelde leeftijd van mannen en vrouwen in de studie- en opleidingstijd stijgt(9) ,

K.   overwegende dat de gestegen levensverwachting een invloed heeft op de relaties tussen de generaties en binnen het gezin, aangezien het aantal mensen dat van anderen afhankelijk is toeneemt,

L.   overwegende dat in de vermelde mededeling van de Commissie van 12 oktober 2006 over het combineren van werk, privé-leven en gezin erkend wordt dat de beleidsmaatregelen met betrekking tot de combinatie van privé-leven en werk ook gericht moeten zijn op jonge vrouwen en op jonge mannen die nog hoger onderwijs volgen,

M.   overwegende dat materiële problemen en allerlei vormen van discriminatie vaak de toegang tot en de voortzetting van de studies of de opleiding bemoeilijken en dat deze moeilijkheden extra zwaar zijn voor jonge vrouwen en mannen die naast hun studies of hun opleiding ook gezinstaken en eventueel beroepstaken(10) op zich moeten nemen,

N.   overwegende dat het weliswaar niet aan de lidstaten is om invloed uit te oefenen op de individuele keuze om gezinsverantwoordelijkheden op te nemen, maar dat zij wel een sociaal en economisch klimaat moeten creëren dat gunstig is voor jongeren die kinderen, afhankelijke volwassenen of personen met een handicap ten laste hebben, rekening houdend met de demografische problemen waarmee de EU te kampen heeft,

O.   overwegende dat de demografische situatie in iedere lidstaat wordt beïnvloed door het feit dat mensen op latere leeftijd een gezin stichten en kinderen krijgen,

P.   overwegende dat volgens de statistieken de Europeanen minder kinderen hebben dan zij eigenlijk wensen(11) ,

Q.   overwegende dat vrouwen, die grotendeels de zorg voor afhankelijke personen op zich nemen(12) , meer dan mannen het gevaar lopen hun studies niet voort te zetten, deze halverwege op te geven of nooit opnieuw op te nemen - hetgeen onvermijdelijk leidt tot een levenslange de facto discriminatie bij de toegang tot en de voortzetting van studies en opleiding alsook tot ongelijkheid tussen vrouwen en mannen in het beroepsleven,

R.   overwegende dat in de meeste landen werkstudenten ofwel niet in aanmerking komen voor sociale steun, ofwel een minder hoog bedrag aan steun toegekend krijgen en dat het voor een student, vooral als deze personen ten laste heeft, aanzienlijk moeilijker is om leningen of bankkrediet te krijgen,

S.   overwegende dat een groeiend aantal mensen nu samenwoont in alternatieve samenlevingsverbanden die niet beantwoorden aan het traditionele beeld van het kerngezin dat bestaat uit een vader, moeder en hun gezamenlijke biologische kinderen,

T.   overwegende dat aan gezinsverantwoordelijkheden specifieke behoeften verbonden zijn in een aantal gebieden, met name huisvesting, opvang, zorgdiensten voor afhankelijke ouderen en flexibiliteit bij het volgen van lessen,

U.   overwegende dat de behandeling van studenten met gezinsverantwoordelijkheden verschilt tussen de landen en instellingen voor hoger onderwijs en beroepsonderwijs, wat een hinderpaal kan vormen voor hun mobiliteit, en dus voor de verwezenlijking van hun opleidings- en beroepswensen, en dat hun behoeften als student op ongelijke manier in aanmerking worden genomen in de onderwijssystemen en in de criteria voor de toekenning van studiesteun,

V.   overwegende dat er op nationaal en Europees niveau zeer weinig statistieken of indicatoren beschikbaar zijn die een licht kunnen werpen op de levensomstandigheden van jongeren die studeren of een opleiding volgen terwijl ze gezinsverantwoordelijkheden hebben,

1.   merkt op dat het onderwijs en de opleiding een mensenrecht voor meisjes en vrouwen is en een essentieel element van het volledig genot van alle andere sociale, economische, culturele en politieke rechten;

2.   herinnert eraan dat de hier volgende aanbevelingen betrekking hebben op studerende of in opleiding zijnde jongeren die gezinsverantwoordelijkheden op zich nemen of willen nemen, als ouders of als verzorgers van afhankelijke volwassenen of personen met een handicap;

3.   herinnert eraan dat volgens de conclusies van het vermelde Groenboek over de demografie het Europees demografisch deficit onder meer te wijten is aan het feit dat de verschillende levensstadia (studies, werk, gezin) momenteel op latere leeftijd worden voltooid dan vroeger;

4.   is erover verheugd dat de Commissie in haar vermelde mededeling van 12 oktober 2006 over het combineren van werk, privé-leven en gezin erkent dat de beleidsmaatregelen voor het combineren van privé-leven en werk ook gericht moeten zijn op jonge vrouwen en mannen die nog hoger onderwijs volgen, maar betreurt dat er in dit verband geen concrete voorstellen worden gedaan;

5.   spoort de Commissie en de lidstaten aan beleidsmaatregelen te bevorderen die het combineren van studies , opleiding en gezin vergemakkelijken, die de jongeren ertoe aansporen gezinsverantwoordelijkheden op te nemen op een evenwichtige manier terwijl elke vorm van discriminatie uit hoofde van deze verantwoordelijkheden wordt voorkomen, en die hen in staat stellen hun bijdrage aan de groei en het concurrentievermogen van Europa te optimaliseren; merkt op dat er in het onderwijs en het onderzoek meer vrouwen dan mannen afstuderen (59%), maar dat de aanwezigheid van vrouwen daalt naarmate ze stijgen op de carrièreladder, van 43% onder de promovendi tot 15% onder de hoogleraars;

6.   spoort de lidstaten aan de situatie van jonge mannen en vrouwen die naast hun studies of opleiding gezinsverantwoordelijkheden hebben, beter te onderkennen en met name middelen ter beschikking te stellen die aangepast zijn aan hun behoeften;

7.   is er zich van bewust dat het verloop van de studies van vrouwen bemoeilijkt wordt doordat zij het vooral zijn die zich met afhankelijke personen bezig houden, en spoort daarom de lidstaten aan sociale diensten voor de bevordering van de persoonlijke zelfstandigheid op te zetten alsook zorgdiensten voor personen in een afhankelijke situatie;

8.   vraagt de lidstaten te zorgen voor betaalbare 'studentenverzekeringen' en met name sociale en medische verzekeringen, die zouden kunnen worden uitgebreid tot de personen die ten laste zijn van de student(e);

9.   vraagt de lidstaten en de kredietinstellingen dat zij het eenvoudiger en gemakkelijker maken om tegen gunstige voorwaarden leningen te verstrekken aan jonge mannen en vrouwen die gezinsverantwoordelijkheden combineren met een periode van studie of opleiding;

10.   vraagt de lidstaten minder of geen belastingen op te leggen aan jonge mannen en vrouwen die naast hun studies en hun beroepsactiviteiten verantwoordelijkheden opnemen voor een gezin of voor afhankelijke personen;

11.   spoort de lidstaten aan om samen met de lokale overheden en de instellingen voor hoger onderwijs en beroepsonderwijs de nodige maatregelen goed te keuren zodat studerende ouders huisvesting kunnen krijgen die aan hun behoeften is aangepast alsook toegang tot voldoende en adequate opvangdiensten tegen dezelfde criteria voor steunverlening als werkende ouders; verzoekt de lidstaten optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden die op dit gebied worden geboden door de communautaire fondsen en met name het ESF;

12.   verwelkomt de conclusies van het Voorzitterschap van de Europese Raad van Barcelona van 15-16 maart 2002, waarin de lidstaten uitdrukkelijk verzocht worden voor 2010 te voorzien in kinderopvang voor ten minste 90% van de kinderen tussen 3 jaar en de leerplichtige leeftijd en voor ten minste 33% van de kinderen onder 3 jaar; betreurt dat de lidstaten nog niet voldoende gevolg hebben gegeven aan dit verzoek;

13.   spoort de instellingen voor hoger onderwijs of beroepsonderwijs aan te zorgen voor opvangdiensten binnen hun infrastructuur en vraagt de lidstaten dat zij dergelijke initiatieven steunen; onderstreept eveneens het belang van de oudere gezinsleden (grootouders) en hun cruciale rol in het opvoedingsproces van de kinderen en de ondersteuning van studerende en werkende jonge ouders;

14.   verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle studenten met kinderen tegen een betaalbare prijs toegang krijgen tot openbare/gemeentelijke kleuterscholen van goede kwaliteit;

15.   verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle studenten met oudere kinderen tegen een betaalbare prijs toegang krijgen tot kinderdagverblijven van goede kwaliteit;

16.   vraagt de lidstaten dat zij de jongeren, met name vrouwen, bevrijden van de hoofdverantwoordelijkheid voor de zorg van afhankelijke personen, zodat zij hun studies kunnen voortzetten;

17.   vraagt dat de lidstaten in samenwerking met de instellingen voor hoger onderwijs en beroepsonderwijs een meer flexibele organisatie van de studies aanbieden, bijvoorbeeld door meer mogelijkheden tot afstandsonderwijs en meer mogelijkheden voor deeltijds studeren en door meer volwassenen in staat te stellen verder te studeren in het kader van levenslang leren;

18.   spoort de lidstaten en de instellingen voor hoger onderwijs en beroepsonderwijs aan meer gebruik te maken van de flexibele opleidingstechnieken die de nieuwe technologie biedt en deze ter beschikking te stellen van alle jongeren tijdens hun studie of opleidingsperiode, en met name de jongeren die verantwoordelijkheden hebben voor een gezin of voor personen met een handicap;

19.   vraagt de lidstaten en de instellingen voor hoger onderwijs en beroepsonderwijs dat zij de gelijke behandeling en non-disicriminatie van zwangere studenten en moeders met jonge kinderen garanderen voor wat betreft de toegang tot, de voortzetting van en het opnieuw opnemen van studies en dat zij extra rekening houden met hun behoeften;

20.   vraagt de instellingen voor hoger onderwijs en beroepsonderwijs dat zij hun onderwijzend en beroepspersoneel attenderen op de bijzondere behoeften van studenten met personen ten laste en zo nodig ondersteunings- en adviesdiensten voor hen opzetten om hun toegang tot, hun voortzetting van of hun herintegratie in het hoger of beroepsonderwijs te vergemakkelijken;

21.   vraagt de instellingen voor hoger onderwijs en beroepsonderwijs bij de berekening van de collegegelden rekening te houden met de financiële situatie van jonge mannen en vrouwen die gezinsverantwoordelijkheden hebben, en spoort hen aan hun een passende steun te verlenen;

22.   vraagt de lidstaten dat zij een nationaal 'certificeringsregeling' opzetten waarmee kan worden nagegaan welke instellingen voor hoger onderwijs of beroepsonderwijs de mogelijkheid bieden studies en gezin te combineren, om het voor personen met gezinsverantwoordelijkheden gemakkelijker te maken hun studies voort te zetten of opnieuw op te nemen en hen daartoe aan te sporen;

23.   spoort werkgevers aan om in het kader maatschappelijk verantwoord ondernemen studiebeurzen toe te kennen waarvan ook studenten met gezinsverantwoordelijkheden kunnen profiteren, met het doel de werkgelegenheid van jonge gediplomeerden te bevorderen;

24.   vraagt de lidstaten en de sociale partners om levenslang leren aan te moedigen en te vergemakkelijken, door onder meer te voorzien in de mogelijkheid van vaderschaps- of moederschapsverlof of verlof om redenen van persoonlijke aard voor adoptie of voor verzorging van afhankelijke volwassenen of personen met een handicap, en een grotere flexibiliteit in de arbeidsvoorwaarden, met name door het gebruik van nieuwe technologieën; vraagt de lidstaten ook het moederschaps- en het ouderschapsverlof tijdens een studieperiode in aanmerking te nemen voor de berekening van de totale werktijd van vrouwen en mannen alsook voor de berekening van hun pensioenrechten om de doelstelling van een werkelijke gelijkheid van mannen en vrouwen volledig te realiseren;

25.   vraagt de lidstaten dat zij de beperkingen op aanvullende betaalde arbeid voor personen die studeren, een opleiding volgen of met ouderschapsverlof zijn, opheffen indien de bedragen de door de lidstaten vastgestelde drempels niet overstijgen zonder dat deze personen het kindergeld wordt ontzegd, hetgeen hen in staat stelt in contact te blijven met hun werkgever terwijl zij thuis de taken verrichten die hen zijn opgedragen, en hun terugkeer op de arbeidsmarkt na afloop van het ouderschapsverlof vergemakkelijkt;

26.   herinnert eraan dat het meestal de jonge vrouwen zijn die de zorg voor afhankelijke personen op zich nemen en dat dit leidt tot discriminatie tussen mannen en vrouwen op onderwijs- en beroepsniveau; onderstreept dat het versterken van de verantwoordelijkheden die mannen moeten opnemen voor huishoudelijke taken en de zorg voor kinderen en andere afhankelijke personen, een essentiële voorwaarde is om meer jonge vrouwen in staat te stellen hun moederrol en hun studies te combineren; vraagt derhalve aan de lidstaten dat zij het gezinsleven herwaarderen en nadruk leggen op de rol van de vaders alsook op een betere verdeling van de verantwoordelijkheden in het gezinsleven onder meer tijdens de duur van de studies en na de voltooiing van een studie, als een volwaardige stap in de richting van het realiseren van gelijke kansen voor mannen en vrouwen;

27.   vraagt de lidstaten dat zij de bepalingen inzake financiële bijstand aan families met kinderen herzien zodat de deelname van de mannen aan de zorg voor de kinderen bevorderd wordt;

28.   beveelt de lidstaten, de Raad en de Commissie aan om in het kader van de open coördinatiemethode en in de vergaderingen van ministers van onderwijs en sociale zaken, beste praktijken uit te wisselen op het gebied van steun aan studenten die gezinsverantwoordelijkheden hebben, en ook rekening te houden met innovatieve regelingen die hiervoor in bepaalde Europese landen worden toegepast;

29.   beveelt de lidstaten aan maatregelen te nemen die de toekenning of de uitbreiding van sociale hulp voor studenten die afkomstig zijn uit andere EU- landen en kinderen ten laste hebben, vergemakkelijken;

30.   beveelt de Commissie en de lidstaten respectievelijk aan om bij de opstelling en de uitvoering van de communautaire en nationale programma's inzake onderwijs rekening te houden met de bijzondere situatie van studenten die gezinsverantwoordelijkheden hebben; vestigt er de aandacht op dat in deze programma's transversale acties moeten worden opgenomen welke de combinatie van studeren en gezin vergemakkelijken; vraagt dat het onderwijssysteem flexibel is zodat moeders na afloop van hun moederschapsverlof hun studies op hetzelfde niveau als voorheen kunnen voortzetten;

31.   vraagt de lidstaten dat zij, naargelang van hun nationale situatie, nagaan of een hervorming van hun onderwijssysteem in de richting van meer flexibiliteit en een beter beheer van de studietijd ertoe zou kunnen leiden dat jongeren sneller op de arbeidsmarkt komen en hun gezinswensen kunnen realiseren;

32.   spoort Eurostat en de lidstaten aan de bestaande indicatoren aan te passen met het oog op het verzamelen van gegevens waarmee kan worden nagegaan, zowel op nationaal als op EU-niveau enerzijds hoeveel studenten gezinsverantwoordelijkheden hebben en in welke omstandigheden zij leven en anderzijds in welke mate de gezinsverantwoordelijkheden een reden vormen om de studie stop te zetten, met name voor jonge vrouwen;

33.   wijst erop dat de motivatie van jonge vrouwen om studies en moederschap te combineren ook kan worden afgezwakt door het feit dat zij vrezen dat zij later in hun beroepsleven gediscrimineerd zullen worden; vraagt dan ook aan de lidstaten de strijd aan te binden tegen de discriminatie van moeders door werkgevers bij de start van hun carrière en bij het toekennen van promoties;

34.   verzoekt de wetenschappelijke en universitaire instellingen passende maatregelen te nemen om voor mannen en vrouwen met gezinsverantwoordelijkheden gelijke toegang te verzekeren tot wetenschappelijke en/of vorsersloopbanen, hen zodoende aan te sporen voor dergelijke loopbanen te kiezen en te blijven kiezen en hen in het wetenschappelijke milieu te houden;

35.   vraagt de lidstaten dat zij hun inspanningen voortzetten voor de ontwikkeling en verspreiding van de beroepsopleiding die gericht is op personen met gezinsverantwoordelijkheden en personen die uit gemarginaliseerde of minderheidsgroepen komen, zodat zij ontsnappen aan langdurige werkloosheid en een gelijke toegang tot de arbeidsmarkt krijgen;

36.   beveelt de lidstaten aan zich te realiseren, met in achtneming van de specifieke kenmerken van hun nationale zorgstelsels, hoe belangrijk het is dat studenten die in verwachting zijn of kinderen hebben, toegang hebben tot de gezondheidszorg, en in nauwe samenwerking met de universiteiten de nodige infrastructuur te creëren;

37.   erkent dat het beginsel van gedeelde ouderlijke verantwoordelijkheid ook zou kunnen gelden voor jonge mannen en vrouwen die op een andere basis samenleven, al naar gelang de lidstaat, dan een officieel huwelijk;

38.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de lidstaten.

(1) PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.
(2) PB L 315 van 15.11.2006, blz. 1.
(3) PB L 123 van 8.5.1992, blz. 16.
(4) PB C 102 E van 28.4.2004, blz. 492.
(5) PB C 320 E van 15.12.2005, blz. 164.
(6) PB C 287 E van 24.11.2006, blz. 323.
(7) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0021.
(8) Francesco C .Billari, Dimiter Philipov, Education and the Transition to Motherhood: a comparative analysis of Western Europe , European Demographic Research Papers 2005.
(9) Rapport EUROSTUDENT 2005 "Social and Economic Conditions of student life in Europe" : de gemiddelde leeftijd van studenten is 28 jaar in het Verenigd Koninkrijk, 25,3 jaar in Oostenrijk, 24,6 jaar in Finland, 24,2 jaar in Nederland en 24,1 jaar in Ierland.
(10) Rapport EUROSTUDENT 2005 "Social and Economic Conditions of student life in Europe" : 91% van alle studenten in Nederland heeft een baan, 69% in Ierland, 67% in Oostenrijk, 66% in Duitsland, 65% in Finland.
(11) Mededeling van de Commissie van 16 maart 2005, getiteld "Groenboek "Demografische veranderingen: naar een nieuwe solidariteit tussen de generaties'" (COM(2005)0094).
(12) Rapport EUROSTUDENT 2005 "Social and Economic Conditions of student life in Europe" : In Letland zijn er 13,8% studerende moeders tegenover 5,3% studerende vaders, in Ierland 12,1% tegenover 10,4% en in Oostenrijk 11,5% tegenover 10,1%.

Laatst bijgewerkt op: 28 januari 2008Juridische mededeling