Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2011(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0212/2007

Ingediende teksten :

A6-0212/2007

Debatten :

PV 20/06/2007 - 12
CRE 20/06/2007 - 12

Stemmingen :

PV 21/06/2007 - 8.7
CRE 21/06/2007 - 8.7
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2007)0283

Aangenomen teksten
WORD 79k
Donderdag 21 juni 2007 - Straatsburg Definitieve uitgave
Jeugddelinquentie: de rol van de vrouw, het gezin en de samenleving
P6_TA(2007)0283A6-0212/2007

Resolutie van het Europees Parlement van 21 juni 2007 over jeugddelinquentie: de rol van de vrouw, het gezin en de samenleving (2007/2011(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989, met name de artikelen 37 en 40,

–   gezien de Standaard minimumregels van de VN voor de administratie van de jeugdrechtbanken of de'Regels van Peking" van 1985, door de Algemene Vergadering goedgekeurd in haar resolutie 40/33 van 29 november 1985,

–   gezien de richtsnoeren van de VN ter preventie van jeugddelinquentie of de "Richtsnoeren van Riyad" van 1990, door de Algemene Vergadering goedgekeurd in haar resolutie 45/112 van 14 december 1990,

–   gezien de regels van de VN ter bescherming van minderjarigen die tot beroving van de vrijheid zijn veroordeeld, door de Algemene Vergadering goedgekeurd in resolutie 45/113 van 14 december 1990,

–   gezien het Europees Verdrag van de Raad van Europa over de uitoefening van de rechten van kinderen van 25 januari 1996, met name de artikelen 1 en 3 t/m 9,

–   gezien de aanbeveling van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten betreffende de nieuwe wijzen van omgaan met jeugdcriminaliteit en de rol van het jeugdrecht van 24 september 2003(1) ,

–   gezien de aanbeveling van het Comité van ministers van de Raad van Europa betreffende sociale reacties op jeugdcriminaliteit van 17 september 1987(2) ,

–   gezien de aanbeveling van het Comité van ministers van de Raad van Europa betreffende sociale reacties op crimineel gedrag van jongeren uit migrantengezinnen van 18 april 1988(3) ,

–   gezien het Verdrag betreffende de EU, met name artikel 6, alsook de bepalingen van titel VI inzake politiële en justitiële samenwerking in strafzaken,

–   gezien het Verdrag tot oprichting van de EG, met name titel XI inzake sociale politiek, onderwijs, beroepsopleiding en jeugd, en in het bijzonder artikel 137,

–   gezien het Kaderprogramma betreffende politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (AGIS), dat op 31 december 2006 is afgelopen, alsmede Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten(4) ,

–   onder verwijzing naar zijn standpunt van 30 november 2006 over het voorstel voor een besluit van de Raad waarbij het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten wordt gemachtigd zijn activiteiten uit te oefenen op de in titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde gebieden(5) ,

–   gezien zijn standpunt van 22 mei 2007 over het door de Raad vastgestelde gemeenschappelijke standpunt met het oog op de aanneming van een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een specifiek programma ter voorkoming en bestrijding van geweld tegen kinderen, jongeren en vrouwen en ter bescherming van slachtoffers en risicogroepen (DAPHNE III) voor de periode 2007-2013 als onderdeel van het algemene programma "Grondrechten en justitie"(6) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Naar een EU-strategie voor de rechten van het kind" (COM(2006)0367),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 8 juli 1992 over het Europees Handvest van de rechten van het kind(7) , met name de paragrafen 8.22 en 8.23,

–   gezien het Besluit 2001/427/JBZ van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de oprichting van een Europees netwerk inzake criminaliteitspreventie(8) ,

–   gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 maart 2006 getiteld "De preventie en aanpak van jeugdcriminaliteit en de rol van jeugdrechters in de Europese Unie"(9) ,

–   gezien de conclusies van de top die van 5 tot 7 september 2005 in het kader van het Britse voorzitterschap in Glasgow plaatsvond over het thema "Jeugd en criminaliteit: een Europese aanpak",

–   gezien de laatste jaarverslagen van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0212/2007),

A.   overwegende dat delinquent gedrag van minderjarigen veel grotere gevaren inhoudt dan dat van volwassenen, omdat het een bijzonder gevoelige bevolkingsgroep in de ontwikkelingsfase van zijn persoonlijkheid betreft, waarbij minderjarigen vanaf zeer jonge leeftijd aan het risico van sociale uitsluiting en stigmatisering worden blootgesteld,

B.   overwegende dat absenteïsme op school een van de factoren is die de kans op jeugddelinquentie doen toenemen,

C.   overwegende dat er in nationale, Europese en internationale onderzoeken op wordt gewezen dat de jeugddelinquentie de afgelopen twee decennia verontrustend is toegenomen,

D.   overwegende dat jeugddelinquentie zorgwekkend is vanwege het grootschalige karakter dat het verschijnsel tegenwoordig aanneemt, doordat delinquentie op jongere leeftijd begint, het aantal door kinderen jonger dan 13 jaar gepleegde misdrijven toeneemt en de handelingen van minderjarigen van een steeds grotere wreedheid getuigen,

E.   overwegende dat de manier waarop de statistieken in verband met jeugddelinquentie momenteel worden samengesteld en gepresenteerd niet beantwoordt aan de reële behoeften noch aan de huidige omstandigheden, hetgeen de noodzaak over betrouwbare nationale statistieken te kunnen beschikken nog dringender maakt,

F.   overwegende dat het lastig is de oorzaken die minderjarigen tot delinquent gedrag brengen in absolute termen te categoriseren, daar het traject dat leidt tot sociaal afwijkend en uiteindelijk delinquent gedrag in elk individueel geval te verklaren is door de individuele en specifieke omstandigheden die verband houden met de ervaringen en de belangrijkste pijlers rond welke het leven van ieder kind en iedere jongere is opgebouwd, te weten het gezin, de school, de vriendenkring en, ruimer beschouwd, ook de sociaal-economische leefomgeving,

G.   overwegende dat de belangrijkste factoren die bijdragen tot jeugddelinquentie de volgende zijn: een gebrek aan referentiepunten, gebrek aan communicatie en overdracht van passende modellen binnen het gezin, vaak vanwege afwezigheid van de ouders, psycho-pathologische problemen als gevolg van fysiek geweld of seksueel misbruik door personen in de directe omgeving, tekortkomingen in de onderwijssystemen ten aanzien van de overdracht van sociale waarden, armoede, werkloosheid, sociale uitsluiting en racisme; overwegende dat er nog andere doorslaggevende factoren zijn, zoals de duidelijke neiging tot nabootsing die jongeren bij de ontwikkeling van hun persoonlijkheid vertonen, persoonlijkheidsstoornissen die verband houden met alcohol- en drugsgebruik, en de overdracht van modellen van zinloos, buitensporig en ongerechtvaardigd geweld via de media, alsook via bepaalde websites en videospelletjes,

H.   overwegende dat afwijkend gedrag bij jongeren niet systematisch toe te schrijven is aan de huiselijke omgeving,

I.   overwegende dat de toename van het gebruik van cannabis en andere drugs en/of alcohol door jongeren in verband moet worden gebracht met de toename van de jeugddelinquentie,

J.   overwegende dat migranten, en vooral migrantenjongeren, veel meer blootgesteld zijn aan sociale controle, waardoor men zou kunnen denken dat jeugddelinquentie vooral een probleem is onder migranten en niet in de gehele samenleving, een benadering die niet alleen onjuist, maar ook maatschappelijk gevaarlijk is,

K.   overwegende dat de twee "actuele" vormen van jeugddelinquentie bestaan uit de vorming van "jeugdbendes" en de toename van geweld op school en dat deze verschijnselen in bepaalde lidstaten zeer veel voorkomen en moeilijk te bestuderen en te bestrijden blijken,

L.   overwegende dat de omvang van fenomenen zoals gewelddadige georganiseerde jeugdbendes bepaalde lidstaten ertoe heeft gebracht een debat aan te gaan over de noodzaak om het strafrecht voor minderjarigen te herzien,

M.   overwegende dat in bepaalde lidstaten de directe omgeving van de school en zelfs de schoolpleinen, ook in welgestelde wijken, rechteloze zones zijn geworden (drugsverkoop, geweld, soms met gebruikmaking van steekwapens, allerlei afpersingen en de ontwikkeling van gevaarlijke spelletjes - zie het fenomeen "happy slapping", waarbij met mobiele telefoons genomen foto's van geweld op het internet worden gezet),

N.   overwegende dat er de laatste jaren een geleidelijke herziening van de nationale strafwetgeving voor minderjarigen valt waar te nemen en dat deze herziening gericht moet zijn op preventiemaatregelen, gerechtelijke en buitengerechtelijke maatregelen alsmede maatregelen voor heropvoeding en reclassering, waaronder indien nodig therapie; overwegende dat hierbij moet worden aangetekend dat de uitvoering van deze nieuwe maatregelen in de praktijk vaak niet mogelijk is vanwege het ontbreken van een moderne en geschikte materiële en technische infrastructuur alsmede speciaal opgeleid personeel, vanwege ontoereikende financiële middelen, wellicht door het ontbreken van de bereidheid van de betrokkenen of door intrinsieke tekortkomingen van het systeem,

O.   overwegende dat de stortvloed van beelden van extreem geweld en de verspreiding van pornografisch materiaal via diverse communicatiemiddelen en audiovisuele media zoals spelletjes, televisie en internet, alsook de exploitatie door de media van het beeld van minderjarige delinquenten en hun slachtoffers vaak grenst aan schending van de fundamentele rechten van het kind, en bijdragen tot de banalisering van geweld,

P.   overwegende dat uit in bepaalde lidstaten gepubliceerde statistieken blijkt dat 70 á 80% van de minderjarige delinquenten die zijn bestraft voor hun eerste strafbaar feit, niet recidiveert,

Q.   overwegende dat er in bepaalde lidstaten studies en artikelen zijn verschenen waarin melding wordt gemaakt van een toename van gewelddadig gedrag van jongeren gericht tegen hun ouders en de onmacht van de ouders ten opzichte daarvan,

R.   overwegende dat georganiseerde criminele netwerken voor hun activiteiten soms gebruik maken van minderjarige delinquenten,

S.   overwegende dat, in het kader van het in 2001 opgerichte Europees netwerk inzake criminaliteitspreventie (EUCPN), een bijzondere werkgroep voor de bestrijding van jeugddelinquentie in het leven is geroepen die een diepgaand vergelijkend onderzoek is begonnen in de 27 lidstaten dat de basis moet vormen voor de toekomstige ontwikkelingen in het EU-beleid op dit terrein,

1.   benadrukt dat, indien werkelijke oplossingen voor het fenomeen van de jeugddelinquentie worden gewenst, een geïntegreerde strategie niet alleen op nationaal, maar ook op Europees niveau noodzakelijk is, waarin maatregelen worden gecombineerd op de volgende drie hoofdlijnen: preventiemaatregelen, gerechtelijke en buitengerechtelijke maatregelen en maatregelen voor de sociale integratie van alle jongeren;

Beleid op nationaal niveau

2.   benadrukt dat de directe sociale participatie van alle actoren in de samenleving, te weten de staat als centrale beheerder, de verantwoordelijken van de regionale en lokale gemeenschappen, de vertegenwoordigers van de schoolgeeenschappen, het gezin, de NGO's, met name op jongeren gerichte NGO's, het maatschappelijk middenveld en alle burgers, van doorslaggevend belang is bij het uitwerken en tenuitvoerlegging van een geïntegreerde nationale strategie; onderschrijft voorts dat het voor een radicale bestrijding van essentieel belang is te kunnen beschikken over voldoende financiële middelen;

3.   benadrukt dat het voor een fundamentele bestrijding van de jeugddelinquentie noodzakelijk is een geïntegreerd en effectief beleid te voeren op het gebied van onderwijs, sociale omstandigheden, gezin en educatie, dat bijdraagt tot de overdracht van maatschappelijke en burgerlijke waarden en de vroege socialisering van jongeren; is van mening dat het derhalve noodzakelijk is een beleid vast te stellen dat gericht is op een betere economische en sociale samenhang met het oog op vermindering van de sociale ongelijkheden, bestrijding van sociale uitsluiting en armoede, met bijzondere aandacht voor armoede van kinderen;

4.   acht het noodzakelijk dat het gezin, de opvoeders en de samenleving al vanaf zeer jonge leeftijd aan de jongeren waarden overdragen;

5.   is van mening dat preventie van jeugddelinquentie ook overheidsbeleid op andere gebieden vergt, onder meer op het gebied van huisvesting, werkgelegenheid, beroepsopleiding, recreatie en uitwisseling tussen jongeren;

6.   herinnert eraan dat gezinnen, evenals scholen en de samenleving in het algemeen moeten samenwerken in de strijd tegen het verschijnsel van het toenemende jongerengeweld;

7.   beklemtoont de specifieke rol die het gezin vervult bij elke stap in deze strijd tegen jeugddelinquentie en verzoekt de lidstaten ouders passende ondersteuning te bieden; merkt op dat het in sommige gevallen nodig is om hen meer te betrekken en op hun verantwoordelijkheid te wijzen;

8.   moedigt de lidstaten ertoe aan in hun nationale beleid een ouderschapsverlof van één jaar in te voeren, zodat de gezinnen die dat wensen voorrang kunnen geven aan de prille opvoeding van hun kind, die van essentieel belang is voor zijn affectieve ontwikkeling;

9.   verzoekt de lidstaten bijzondere steun te bieden aan gezinnen die worden geconfronteerd met economische en sociale problemen; benadrukt dat maatregelen gericht op de essentiële behoeften op het gebied van huisvesting en voeding, gegarandeerde toegang voor alle gezinsleden - in de eerste plaats de kinderen - tot basisonderwijs en gezondheidszorg, alsmede maatregelen om de leden van dergelijke gezinnen eerlijke toegang tot de arbeidsmarkt en het sociale, economische en politieke leven te bieden, zullen bijdragen tot de verzekering van een gezonde en rechtvaardige huiselijke omgeving voor de ontwikkeling en de eerste socialisering van kinderen;

10.   verzoekt de lidstaten de middelen ter beschikking te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitbreiding van een efficiënte dienstverlening op het gebied van psychologische en sociale hulp, met inbegrip van contactpunten voor gezinnen met problemen in verband met jeugddelinquentie;

11.   onderstreept de bijzondere rol die de school en de schoolgemeenschap spelen in de vorming van de persoonlijkheid van kinderen en jongeren; benadrukt dat twee basiskenmerken van de school van tegenwoordig, te weten culturele verscheidenheid en accentuering van de verschillen tussen sociale klassen, bij gebrek aan structuren binnen het onderwijssysteem om in te grijpen en leerlingen te steunen en te begeleiden, kunnen leiden tot geweld op school;

12.   verzoekt de lidstaten in verband hiermee richtsnoeren voor schooldirecties op te stellen die moeten leiden tot een moderne procedure voor het oplossen van conflicten in de schoolomgeving met behulp van bemiddelingsinstanties samengesteld uit leerlingen, ouders, leerkrachten en de bevoegde diensten van de lokale overheid;

13.   acht het absoluut noodzakelijk leerkrachten een passende opleiding te geven, zodat zij in staat zijn om te gaan met heterogeen samengestelde klassen, onderwijsmethodes toe te passen die niet moralistisch maar preventief en op solidariteit gebaseerd zijn, en in staat zijn stigmatisering en marginalisering te voorkomen, zowel van delinquente minderjarigen als van hun medeleerlingen die het slachtoffer zijn van hun gedrag;

14.   verzoekt de lidstaten bovendien om in hun onderwijsbeleid te voorzien in specifieke psychologische steun- en adviesverlening aan kinderen met socialiseringsproblemen, de mogelijkheid om in elke onderwijsinstelling medische zorg te verlenen, de aanstelling van een maatschappelijk werker die wordt toegewezen aan een beperkt aantal onderwijsinstellingen, een socioloogcriminoloog, een kinderpsychiater en deskundigen op het gebied van kinderdelinquentie, strenge controles op het gebruik van alcohol en drugs door leerlingen, de bestrijding van alle soorten discriminatie jegens medescholieren en schoolpersoneel, de aanstelling van een bemiddelaar die optreedt als tussenpersoon tussen de school en de gemeenschap, en samenwerking tussen de verschillende schoolgemeenschappen bij de uitwerking en toepassing van programma's tegen geweld;

15.   verzoekt de lidstaten en de bevoegde regelgevende autoriteiten op nationaal en regionaal niveau strikt toe te zien op de volledige inachtneming van de nationale en Gemeenschapswetgeving inzake waarschuwingen voor de inhoud van televisie-uitzendingen en andere programma's die scènes kunnen bevatten die bijzonder gewelddadig zijn of ongeschikt voor minderjarigen; verzoekt de lidstaten voorts om samen met de mediabesturen een "stappenplan" vast te stellen met het oog op bescherming van de rechten van het kind en, in het bijzonder, van delinquente minderjarigen in verband met het verbod op het uitzenden van extreem gewelddadige scènes op bepaalde uren van de dag en de onthulling van de identiteit van minderjarigen die betrokken zijn bij delinquentie;

16.   beveelt de lidstaten aan de rol en de kwalitatieve waardering van jeugdhuizen, die worden beschouwd als een uitwisselingsplaats voor jongeren, te versterken; benadrukt dat de integratie van delinquente jongeren in deze plaatsen zal bijdragen tot hun socialisering en versterking van hun gevoel dat zij bij de maatschappij horen;

17.   benadrukt dat de media een aanzienlijke rol kunnen spelen in de preventie van jeugddelinquentie door enerzijds initiatieven te nemen voor voorlichting en bewustmaking van het publiek en door programma's van hoge kwaliteit uit te zenden die de positieve bijdrage van jongeren aan de samenleving onder de aandacht brengen, en anderzijds controle uit te oefenen op de vertoning van gewelddadige en pornografische scènes en scènes waarin drugs wordt gebruikt, op basis van akkoorden die worden opgenomen in het "stappenplan" voor de bescherming van de rechten van het kind;

18.   benadrukt ook dat het in het kader van de bestrijding van jeugddelinquentie belangrijk is dat de lidstaten maatregelen ontwikkelen die voorzien in alternatieve straffen voor detentie, en ook een opvoedkundige maatregelen, waarvan nationale rechters gebruik kunnen maken, zoals werkstraffen, rehabilitatie en dader-slachtofferbemiddeling en beroepsopleiding, rekening houdend met de ernst van het misdrijf, de leeftijd, de persoonlijkheid en de rijpheid van de delinquent;

19.   verzoekt de lidstaten nieuwe, innovatieve maatregelen aan te nemen die juridische antwoorden geven, zoals directe participatie van de ouders en voogden van minderjarigen in de strafrechtelijke procedure - vanaf het stadium van de rechtsvordering tot en met de toepassing van maatregelen - in combinatie met heropvoeding en intensieve psychologische begeleiding, de keuze, indien nodig, van een pleeggezin voor de opvoeding van de minderjarige, alsmede ondersteuning door middel van advisering en voorlichting van de ouders, de leerkrachten en de medeleerlingen, in het geval van gewelddadig gedrag van een minderjarige in de schoolomgeving;

20.   herinnert eraan dat in het geval van jeugddelinquentie het verloop en de duur van de gerechtelijke procedure, de keuze van de maatregel en de uiteindelijke uitvoering ervan moeten worden geleid door het beginsel dat het kind en de eerbiediging van het procesrecht van de respectieve lidstaten het hoogste belang hebben; benadrukt in dit verband dat opsluitingsmaatregelen slechts als laatste uitweg mogen dienen en dat opsluiting moet plaatsvinden in een instelling die is aangepast voor delinquente minderjarigen;

21.   verzoekt de lidstaten in het kader van een geïntegreerde aanpak van jeugddelinquentie specifieke en autonome begrotingskredieten ter beschikking te stellen voor maatregelen ter preventie van jeugddelinquentie, de kredieten voor programma's voor maatschappelijke en arbeidsintegratie van jongeren te verhogen, en meer middelen beschikbaar te stellen voor de opwaardering en modernisering van opvangstructuren voor delinquente minderjarigen op centraal en regionaal niveau, alsook voor de speciale en permanente opleiding van al het betrokken beroepsuitoefenaars en verantwoordelijken;

Naar een Europese strategie

22.   beveelt de lidstaten aan samen met de Commissie onverwijld over te gaan tot het opstellen en invoeren van bepaalde voor alle lidstaten geldende modellen en minimumrichtsnoeren op het gebied van jeugddelinquentie, gericht op de drie basispijlers, namelijk ten eerste preventie, ten tweede gerechtelijke en buitengerechtelijke maatregelen, en ten derde rehabilitatie, maatschappelijke integratie en resocialisering, op basis van de internationaal erkende beginselen van de regels van Peking, de richtsnoeren van Riyad, het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind alsmede andere internationale overeenkomsten die op dit terrein zijn gesloten;

23.   is van oordeel dat het doel van een gemeenschappelijke Europese aanpak het opstellen moet zijn van modellen voor buitengerechtelijk ingrijpen met het oog op het terugdringen en beheren van jeugddelinquentie, waarbij opsluitings- en strafmaatregelen het laatste middel moet zijn waarop wordt teruggegrepen en alleen mag worden toegepast wanneer dit absoluut noodzakelijk wordt geacht;

24.   is van mening dat de betrokkenheid en participatie van jongeren bij alle kwesties en beslissingen die hen aangaan noodzakelijk is, als men wil komen tot succesvolle gezamenlijke oplossingen; is derhalve van opvatting dat erop moet worden gelet dat de bijzitters van jeugdrechtbanken niet alleen beschikken over ervaring op het gebied van de opvoeding van jongeren, maar ook een opleiding hebben genoten die hen bewust heeft gemaakt van de problematiek van jongeren en geweld;

25.   verzoekt de Commissie voor alle lidstaten concrete criteria vast te stellen voor het verzamelen van de nationale statistische gegevens, teneinde ervoor te zorgen dat deze kunnen worden vergeleken en vervolgens kunnen worden gebruikt bij de opstelling van een Europees pakket van maatregelen; verzoekt de lidstaten actief mee te werken aan dit project van de Commissie door middel van het verspreiden en verstrekken van informatie afkomstig van alle bevoegde instanties op nationaal, regionaal en lokale niveau alsook van verenigingen, NGO's en andere organisaties van het maatschappelijk middenveld die op dit gebied actief zijn;

26.   verzoekt de Commissie en de nationale en lokale instanties van de lidstaten zich te laten inspireren door de beste praktijken die in de lidstaten worden toegepast en gebruikt kunnen worden om de samenleving als geheel te mobiliseren en positieve acties en interventies omvatten van verenigingen van ouders van leerlingen, van NGO's in scholen en van buurtbewoners, alsook om de balans op te maken van de ervaringen in de lidstaten met samenwerkingsakkoorden tussen politie, scholen, lokale overheden, jongerenorganisaties en lokale sociale diensten met inachtneming van de wederzijdse geheimhoudingsplicht, evenals van de nationale strategieën en programma's voor de ondersteuning van jongeren op nationaal niveau; verzoekt de lidstaten zich te laten inspireren door de beste praktijken die zij gebruiken om te strijden tegen de verontrustende ontwikkeling van drugsgebruik door minderjarigen en de daarmee gepaard gaande delinquentie, alsook door de beste oplossingen om problematisch gebruik aan te pakken, in het bijzonder op het gebied van medische zorg;

27.   is ingenomen met nationale initiatieven die positieve integratiemaatregelen omvatten naar het voorbeeld van de "buitenschoolse werker", die actief is in gebieden als de Rioja;

28.   verzoekt de Commissie en de lidstaten in de eerste plaats gebruik te maken van de bestaande Europese middelen en programma's door daarin maatregelen op te nemen voor de bestrijding en preventie van jeugddelinquentie en door een normale reïntegratie van delinquenten en slachtoffers in de samenleving te waarborgen; vestigt in verband hiermee de aandacht op:

   - het specifieke programma "Preventie en de bestrijding van criminaliteit" (2007-2013), dat voornamelijk gericht is op criminaliteitpreventie en slachtofferbescherming,
   - het specifieke programma "Strafrecht" (2007-2013), ter bevordering van de gerechtelijke samenwerking in strafzaken op basis van de wederzijdse erkenning en vertrouwen, versterking van de contacten en de informatie-uitwisseling tussen de bevoegde nationale autoriteiten,
   - het programma DAPHNE III betreffende de bestrijding van geweld tegen kinderen en jongeren,
   - het programma "Jeugd in actie" (2007-2013), met als een van de hoofdprioriteiten de ondersteuning van kansarme of maatschappelijk achtergestelde jongeren,
   - de acties van het Europees Sociaal Fonds en het programma Equal betreffende de versterking van de maatschappelijke integratie en de bestrijding van discriminatie en de vergemakkelijking van de toegang tot de arbeidsmarkt voor achtergestelde personen,
   - het door de Unie gesteunde initiatiefprogramma Urbact, dat gericht is op de uitwisseling van de beste praktijken tussen Europese steden met het oog op een leefbaarder omgeving voor de bewoners en dat acties omvat om een veiliger stadsomgeving voor jongeren te creëren, evenals acties voor de maatschappelijke integratie van achtergestelde jongeren waarbij hun socialisering en participatie centraal staan;
   - interstatelijke initiatiefprogramma's zoals "Let bind safe net for children and youth at risk", die gericht zijn op maatregelen ten voordele kinderen en jongeren die zich in gevaar of in omstandigheden van sociale uitsluiting bevinden, en waaraan partners die afkomstig zijn van uit zoveel mogelijk lidstaten moeten deelnemen,
   - de Europese telefoonlijn voor vermiste kinderen, waaronder slachtoffers van jeugddelinquentie vallen;

29.   noemt nadrukkelijk de noodzaak van nauwe samenwerking en netwerken tussen alle justitiële en politiële autoriteiten op nationaal en op communautair niveau, waar het gaat om onderzoek en oplossing van zaken van vermiste kinderen die slachtoffer zijn geworden van jeugddelinquentie, met als uitgangspunt de specifieke doelstellingen van de EU-strategie voor de rechten van het kind zoals voorgesteld in de Mededeling van de Commissie;

30.   benadrukt dat een van de elementen van preventie en bestrijding van jeugddelinquentie erin bestaat een voorlichtingsbeleid te ontwikkelen dat erop gericht is het publiek bewust te maken van de problemen in verband met de uitroeiing van geweld in de media en steun te verlenen aan audiovisuele media die hun programmering niet uitsluitend concentreren op gewelddadige programma's; verzoekt derhalve om de vaststelling van Europese normen om de verspreiding van geweld door zowel de audiovisuele media als de gedrukte pers te beperken;

31.   onderstreept dat in Richtlijn 89/552/EEG(10) "Televisie zonder grenzen" concrete grenzen worden gesteld aan het uitzenden van gewelddadige beelden en, meer in het algemeen, beelden die afgeraden worden voor de opvoeding van kinderen, hetgeen een adequaat middel is om geweld door en tegen minderjarigen te voorkomen; verzoekt de Commissie aanvullende maatregelen in deze zin te nemen door deze verplichtingen uit te breiden tot de sector van de mobiele telefonie en het internet en tot politieke hoofdprioriteiten te maken in het kader van de voornoemde mededeling van de Commissie inzake de rechten van het kind;

32.   is ingenomen met de inwerkingtreding van een Europees kader voor zelfregulering van Europese ondernemingen ten gunste van een veiliger gebruik van mobiele telefoons door jongeren en kinderen; benadrukt dat voorlichting en bewustmaking in verband met veilig surfen op het internet en een veilig gebruik van mobiele telefoons bijgevolg het onderwerp moeten zijn van concrete en bindende voorstellen van de Commissie op Europees niveau;

33.   verzoekt de Commissie om de invoering van één kosteloos Europees telefoonnummer voor kinderen en jongeren met problemen, daar dergelijke nummers een grote bijdrage kunnen leveren tot het voorkomen van jeugddelinquentie;

34.   verzoekt de Commissie om, na voltooiing van de noodzakelijke studies op Europees niveau, te komen met voorstellen voor een geïntegreerd communautair kaderprogramma met communautaire preventie-acties, en ondersteuning van initiatieven van NGO's en van samenwerking tussen de lidstaten, en de financiering van proefprojecten op regionaal en lokaal niveau die gebaseerd zijn op de beste nationale praktijken, de verspreiding daarvan op Europees niveau bevorderen, maar ook de sociale en pedagogische infrastructuurbehoeften dekken;

35.   benadrukt dat er ten aanzien van communautaire acties zo snel mogelijk twee fundamentele beleidsbesluiten moeten worden genomen:

   - opname van de financiering van preventie-acties in reeds bestaande communautaire programma's en instelling van een nieuwe begrotingslijn bestemd voor geïntegreerde acties en netwerken voor de aanpak van jeugddelinquentie; en
   - publicatie van een studie en vervolgens een mededeling van de Commissie betreffende de omvang van het verschijnsel in Europa, en een passende voorbereiding via een netwerk van nationale deskundigen van de opstelling van een geïntegreerd kaderprogramma ter bestrijding van jeugddelinquentie;

36.   verzoekt de Commissie in verband hiermee een programma met medegefinancierde acties uit te werken, dat onder meer de volgende elementen omvat:

   - onderzoek naar de beste preventiepraktijken en doeltreffende en vernieuwende oplossingen gebaseerd op een multisectoriële aanpak;
   - meten en analyseren van de effectiviteit op de lange termijn van bepaalde recent ingevoerde systemen voor behandeling van minderjarige delinquenten naar het voorbeeld van "herstelrecht";
   - uitwisselen van beste praktijken op internationaal, nationaal en lokaal niveau, rekening houdend met de zeer positieve ervaringen die werden opgedaan in het kader van het anti-geweldprogramma DAPHNE, dat als voorbeeld kan dienen van een "beste praktijk" gezien de vele doeltreffende projecten ter bestrijding van geweld die eruit zijn voortgevloeid;
   - ervoor zorgen dat de praktijken en diensten vooral zijn gericht op het overheersende belang van kinderen en jongeren, op bescherming van hun rechten en het aanleren van hun plichten en eerbied voor de wet;
   - invoeren van een Europees model voor de bescherming van de jeugd gericht op de drie basispijlers namelijk preventie, gerechtelijke en buitengerechtelijke maatregelen en maatschappelijke reïntegratie, alsmede op bevordering van de waarden van respect en gelijkheid alsook op de rechten en plichten van iedereen;
   - opstellen van opleidings- en beroepsopleidingsprogramma's voor minderjarigen om hun sociale herintegratie te vergemakkelijken; invoeren van echte gelijkheid van kansen door middel van levenslang leren voor iedereen, immers een opleiding die voor iedereen meteen doeltreffend is en de verwezenlijking van de doelstellingen van Barcelona zijn een randvoorwaarde voor een effectieve preventie van geweld; en ondersteunen van bestaande initiatieven op dit gebied van jongerenorganisaties;
   - ontwikkelen van een gecoördineerd programma voor de permanente scholing van nationale ombudsmannen, politiefunctionarissen, medewerkers van rechtbanken, bevoegde nationale instanties en toezichthoudende autoriteiten;
   - in een netwerk bijeenbrengen van de bevoegde diensten van lokale en regionale overheden, jongerenorganisaties en de onderwijsgemeenschap;

37.   beveelt de Commissie aan om in het kader van de voorbereidingen voor het Europees waarnemingscentrum voor jeugddelinquentie en het daarmee samenhangende kaderprogramma onverwijld te komen met voorstellen voor de onderstaande maatregelen ter bevordering en uitwisseling van ervaringen en kennis:

   - gezamenlijk onderzoek naar en uitwisseling van de resultaten van nationaal beleid;
   - organiseren van conferenties en fora met deelname van nationale deskundigen;
   - bevordering van de communicatie en informatie-uitwisseling tussen bevoegde instanties via internet en de ontwikkeling van een aan deze kwesties gewijde website;
   - oprichting van een internationaal excellentiecentrum;

o
o   o

38.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

(1) Rec (2003)20.
(2) Rec(87)20.
(3) Rec(88)6.
(4) PB L 53 van 22.2.2007, blz.1.
(5) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2006)0510.
(6) Aangenomen teksten van die datum, P6_TA(2007)0188.
(7) PB C 241 van 21.9.1992, blz.67.
(8) PB L 153 van 8.6.2001, blz. 1.
(9) PB C 110 van 9.5.2006, blz.75.
(10) PB L 298 van 17.10.1989, blz.23.

Laatst bijgewerkt op: 26 februari 2008Juridische mededeling