Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2120(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0494/2007

Ingediende teksten :

A6-0494/2007

Debatten :

PV 14/01/2008 - 14
CRE 14/01/2008 - 14

Stemmingen :

PV 15/01/2008 - 8.7
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0007

Aangenomen teksten
PDF 145kWORD 96k
Dinsdag 15 januari 2008 - Straatsburg Definitieve uitgave
CARS 21: een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie
P6_TA(2008)0007A6-0494/2007

Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2008 over CARS 21: een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie (2007/2120(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie getiteld "Een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie voor de 21e eeuw - Standpunt van de Commissie over het eindverslag van de CARS 21-groep op hoog niveau - Een bijdrage tot de strategie van de EU voor groei en werkgelegenheid" (COM(2007)0022),

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Raad Concurrentievermogen van 21 en 22 mei 2007,

–   gezien het eindrapport van de groep op hoog niveau met als titel "CARS 21: een concurrerend regelgevingsstelsel voor de automobielindustrie voor de 21e eeuw",

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie juridische zaken (A6-0494/2007),

A.   in overweging van de reactie van de Commissie op het rapport van de CARS 21-groep op hoog niveau, waarin alle belanghebbenden zijn bijeengebracht om de voornaamste beleidsgebieden die gevolgen hebben voor de communautaire automobielindustrie aan een onderzoek te onderwerpen en aanbevelingen te doen voor een toekomstig regelgevingskader,

B.   overwegende dat de automobielindustrie voor de EU een van de belangrijkste economische sectoren is, die jaarlijks 19 miljoen voertuigen produceert en 2,3 miljoen rechtstreekse banen oplevert en daarnaast nog eens 10 miljoen banen in aanverwante sectoren,

C.   overwegende dat een markt met vele merken voor reserveonderdelen, evenals de markten voor onderhoud en reparatie van voertuigen een cruciale rol vervullen bij het bieden van betaalbare mobiliteit, bij de verruiming van de keuzevrijheid als consument voor de 270 miljoen autobezitters in de EU voor het onderhoud van hun voertuigen, bij het veilig en schoon houden van de voertuigen die op de Europese wegen rijden en ten slotte door het verschaffen van werkgelegenheid aan 3,5 miljoen mensen in kleine en middelgrote bedrijven (KMO's) bij het behoud van een solide positie voor de KMO's in Europa,

D.   overwegende dat de Commissie een geïntegreerde strategie bevordert om te bewerkstelligen dat bedrijven in de EU concurrerend blijven in een steeds mondialer wordende omgeving, en overwegende dat deze strategie is uitgezet in zijn mededeling met als titel 'Europa als wereldspeler: wereldwijd concurreren - Een bijdrage aan de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid' (COM(2006)0567), in zijn werkdocument met als titel 'Europa als wereldspeler: een sterker partnerschap voor markttoegang ten behoeve van Europese exporteurs - Effectbeoordeling' (SEC(2007)0452) en in zijn mededeling met als titel 'Europa als wereldspeler: de handelsbeschermingsinstrumenten van Europa in een veranderende wereldeconomie - Groenboek voor een openbare raadpleging' (COM(2006)0763),

E.   overwegende dat de strategie die is uitgezet in die documenten momenteel wordt toegepast bij de onderhandelingen over diverse bilaterale en regionale vrijhandelsovereenkomsten,

F.   overwegende dat de automobielindustrie van lidstaat tot lidstaat aanzienlijke verschillen vertoont met betrekking tot strategie, structuur en mondiaal bereik, en overwegende dat bij de ontwikkeling van een nieuwe en meer mondiaal gerichte handelsstrategie dan ook volledig rekening moet worden gehouden met deze verschillen,

G.   overwegende dat de automobielindustrie van de EU in 2006 ongeveer 20% van haar productie heeft geëxporteerd en dat de export van motorvoertuigen en onderdelen en toebehoren voor motorvoertuigen in 2004 respectievelijk 8,7% en 2,8% bedroeg van de industriële export van de EU, waarmee wordt aangegeven hoe buitengewoon gevoelig de automobielindustrie is voor exportvoorwaarden, en overwegende dat het externe EU-handelsoverschot met betrekking tot transportmaterieel in 2004 op 60,2 miljard EUR werd geraamd; voorts overwegende dat de vooraanstaande positie van de EU in de wereld hoofdzakelijk te danken is aan het feit dat het de grootste autoproducent van de wereld is en de op een na grootste producent van vrachtwagens, alsook aan de omvang en stabiliteit van de interne markt, de toenemende internationalisering van de motorvoertuigensector, de reputatie van Europese merken en de kwaliteit van Europese diensten, de sterke exportpositie die Europese fabrikanten hebben weten op te bouwen en hun opmerkelijke aanwezigheid op markten met een hoog groeipotentieel;

1.   is ingenomen met het eindrapport van de CARS21-groep op hoog niveau en de mededeling van de Commissie, waarin de richting van het toekomstige beleid inzake de automobielindustrie wordt aangegeven;

2.   spreekt de hoop uit dat de parlementen van de lidstaten en hun regionale parlementen zich zullen willen aansluiten bij de uitkomst van het CARS 21-proces; stelt zich op het standpunt dat een door het Parlement gecoördineerd interparlementair netwerk voor de bestudering van kwesties betreffende de automobielindustrie reële voordelen zou opleveren in termen van verkeersveiligheid, milieubescherming, innovatie en concurrentievermogen;

Voltooiing van de interne markt voor auto's

3.   roept de overheden van de lidstaten ertoe op nauw met de Commissie samen te werken bij de tenuitvoerlegging van de CARS 21-aanbevelingen; vestigt met name de aandacht op de noodzaak ervoor te zorgen dat nieuwe regelgeving die de automobielsector aangaat op een gecoördineerde manier wordt ingevoerd en dat verstoringen van de interne markt daarbij worden vermeden;

4.   onderstreept de noodzaak het EU-typegoedkeuringssysteem voor alle motorvoertuigen verder te verbeteren;

5.   spreekt opnieuw zijn steun uit voor een doeltreffende typegoedkeuringsprocedure, zoals aangegeven in zijn standpunt vastgesteld in tweede lezing op 10 mei 2007 met het oog op de aanneming van een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd(1) ;

6.   roept de Commissie ertoe op het Parlement jaarlijks verslag uit te brengen over het functioneren van typegoedkeuringsprocedures en over het daarop in het kader van de comitologie uitgevoerde toezicht;

7.   verzoekt de Commissie toe te zien op een adequate uitvoering van Verordening (EG) nr. 1400/2002 van 31 juli 2002(2) (de zgn. groepsvrijstellingsverordening) betreffende de distributie van motorvoertuigen in de EU; is voorts van mening dat wanneer die verordening wordt herzien, het directoraat-generaal Mededinging van de Commissie zichzelf dient te beschouwen als een onderdeel van de geïntegreerde wetgevingsstrategie voor deze sector;

8.   stelt voor de herziening van de groepsvrijstellingsverordening met het oog op de versterking van het concurrentievermogen van de automobielsector van de EU te koppelen aan de tussentijdse herziening van CARS 21, om aldus de samenwerking tussen exploitanten in de sector te vergemakkelijken, onrechtmatig gebruik van overheidssteun te voorkomen en het internationaal gevoerde concurrentiebeleid te ondersteunen;

9.   roept de Commissie op maatregelen voor te stellen voor een registratieprocedure die de grensoverschrijdende verkoop van met name tweedehandsauto's vergemakkelijkt; steunt de standpunten van de Commissie inzake de procedures voor de registratie van motorvoertuigen(3) en de problemen die bepaalde nationale regels opleveren voor de werking van de interne markt; wijst op de invloed van deze nationale regels op economische sectoren zoals leasing en verhuur van voertuigen; roept de lidstaten ertoe op in hun regelgeving zo snel mogelijk de nodige aanpassingen aan te brengen;

Een concurrentiebestendige after-salesmarkt

10.   vestigt in het bijzonder de aandacht op de onlangs aangenomen wetgevingsbepalingen inzake after-marketonderdelen, die van invloed zijn op veiligheid en milieuprestaties, en merkt op dat deze bepalingen één markt voor dergelijke onderdelen zal doen ontstaan;

11.   neemt er met voldoening kennis van dat in Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie(4) en in Verordening (EG) nr. 1400/2002 bepalingen zijn opgenomen die onbeperkte toegang voorschrijven tot adequate technische informatie betreffende voertuigreparaties, en dringt er bij de Commissie op aan haar inspanningen voort te zetten om de bepalingen van het mededingingsrecht dat voor de automobielsector van toepassing is in de gehele Gemeenschap te handhaven;

12.   roept de Commissie ertoe op effectieve concurrentie in de after-salesmarkt van de automobielsector te blijven bevorderen door in haar toekomstige beleid ten aanzien van de automobielsector en in alle wetgeving die voortbouwt op Verordening (EG) nr. 1400/2002 - die op 31 mei 2010 afloopt - de keuzevrijheid van de consument en effectieve toegang voor onafhankelijke marktdeelnemers tot technische informatie, opleiding, reserveonderdelen, voor meerdere merken bruikbare diagnostische instrumenten en testapparatuur als uitgangspunt te hanteren;

13.   wijst op het belang voor de consument van informatie inzake betrouwbaarheid in het gebruik en duurzaamheid, die verkregen wordt via brede consumentenenquêtes; merkt op dat de overheid het voeren van dergelijke enquêtes zou kunnen vergemakkelijken door de registratie-instanties toe te staan contactgegevens te verstrekken van voertuigeigenaren die bereid zijn daaraan mee te werken;

14.   dringt er bij de Commissie op aan het beginsel van de "vrije repareerbaarheid" van voertuigen in alle nieuwe wetgevingsinitiatieven als richtsnoer te hanteren en alle relevante directoraten-generaal daarbij te betrekken, zodat de keuzevrijheid voor de consument en de concurrentie op de after-salesmarkt kunnen worden gegarandeerd; is van mening dat dit ook van toepassing zou moeten zijn op toekomstige maatregelen ter bevordering van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën voor voertuigen en van intelligente vervoerssystemen;

15.   dringt er bij de Commissie op aan met voorstellen te komen voor het creëren van een interne markt voor klantspecifieke en voor tuningdoeleinden bestemde onderdelen, zoals speciale banden, velgen en andere tuner- en reserveonderdelen, aangezien de bestaande diversiteit aan nationale regels een belemmering vormt voor de verdere ontwikkeling van deze sector, die dan ook gebaat zou zijn bij wetgevingsharmonisatie op EU-niveau en adequate bescherming van intellectuele eigendom;

16.   roept de Commissie ertoe op de strijd tegen de import van nagemaakte auto-onderdelen op te voeren;

Betere wetgeving en internationalisering van de regelgeving

17.   wijst er met nadruk op dat overbodige bureaucratische rompslomp, die o.a. het gevolg is van elkaar overlappende regelingen welke voortvloeien uit internationale verdragen, moet worden teruggedrongen;

18.   onderstreept de cruciale rol die de beginselen inzake betere regelgeving (bijvoorbeeld een adequate effectbeoordeling, toepassing van het kosteneffectiviteitsbeginsel, goed op elkaar afgestemde leveringstermijnen, enz.) vervullen bij het scheppen van een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie, zoals dat wordt ondersteund door het CARS 21-proces; wijst erop dat de routekaart voor regelgeving een integraal bestanddeel vormt van het uiteindelijke CARS 21-rapport en derhalve dient te worden gerespecteerd;

19.   erkent dat beter geconcipieerde, transparante voorschriften die aansluiten bij de bestaande maatschappelijke en ecologische behoeften en zonder uitzondering worden toegepast en ingebed in het internationale regelgevingskader voor de automobielindustrie, kunnen bijdragen aan een beter concurrentievermogen en billijker mededingingsvoorwaarden in deze bedrijfstak;

20.   is van mening dat strategische normalisatie een essentiële aanjager is van concurrentie; verzoekt de Commissie derhalve aan te sturen op Europese normen die overal ter wereld worden erkend;

21.   is verheugd over het voornemen van de Commissie om 38 communautaire richtlijnen te vervangen door bestaande VN/ECE-reglementen en de mogelijkheid te introduceren om automatisch of virtueel testen mogelijk te maken, en verzoekt de Commissie het proces van vereenvoudiging in de wetgeving voort te zetten; wijst er met nadruk op dat het deze voorstellen alleen wil steunen op de nadrukkelijke voorwaarde dat het Parlement zich het recht voorbehoudt aan te sturen op regelgeving die losstaat van het VN/ECE-stelsel wanneer dat naar zijn oordeel noodzakelijk is om aan de EU-verplichtingen te voldoen;

22.   verwelkomt het voorstel van de Commissie om het Parlement jaarlijks verslag uit te brengen over de voortgang die op het niveau van de VN/ECE en in het kader van de comitologie is geboekt;

23.   staat positief tegenover de wens van de Commissie om een mechanisme voor herziening en evaluatie in het leven te roepen, gezien het technologie- en ontwikkelingsintensieve karakter van de automobielindustrie; is echter ook van mening dat er in de wetgeving meer gebruik zou moeten worden gemaakt van zgn. 'horizonbepalingen' om te voorkomen dat de wetgeving de technologische vorderingen die voortdurend plaatsvinden als gevolg van onderzoek en ontwikkeling (O & O) en van de marktwerking zou belemmeren of tegenwerken;

24.   roept de Commissie ertoe op zo spoedig een begin te maken met de vereenvoudiging van de Richtlijnen 74/297/EEG(5) , 76/115/EEG(6) en 78/932/EEG(7) , alsook van VN/ECE-reglement nr. 122;

Vaststelling van milieunormen voor de 21 e eeuw

25.   merkt op dat door de communautaire wetgeving een markt wordt gereguleerd waarin per jaar 17 à 18 miljoen voertuigen worden verkocht, hetgeen overeenkomt met de automobielmarkt in de Verenigde Staten; verwacht dat de toepassing van een ambitieus uitstootreductiebeleid over de hele wereld een positief effect zal hebben in termen van door de vervoerssector geproduceerde emissies;

26.   is van mening dat individuele mobiliteit en de automobielsector moeten worden beschouwd in een bredere context van duurzame mobiliteit; is voorts van mening dat mobiliteit en milieubescherming elkaar niet noodzakelijkerwijs uitsluiten en dat de autotechnologie van de toekomst deze met elkaar zal moeten helpen verzoenen; is namelijk van oordeel dat de problematiek van de klimaatverandering ook mogelijkheden biedt voor technologische vooruitgang en innovatie;

27.   geeft zich rekenschap van het belang van voertuigen voor de mobiliteit van ouderen, in het bijzonder op het platteland, alsook voor die van gehandicapten;

28.   roept de Commissie ertoe op de voorwaarden te scheppen die nodig zijn voor een uit milieuoogpunt duurzaam wegvervoer dat de flexibiliteit van de productiesystemen ten goede komt en waardoor het kwalificatieniveau van de beroepsbevolking in de EU wordt verhoogd;

29.   is van mening dat de invoering van normen inzake de uitstoot van verontreinigende stoffen zeer succesvol is gebleken en al heeft geresulteerd in de bouw van bijzonder schone personenauto's; onderstreept dat het van groot belang is dat dit succes bij zware bedrijfsvoertuigen wordt geëvenaard; is van mening dat de voordelen van een strenge milieuwetgeving op EU-niveau voor de automobielsector zich tot ver buiten de EU-markt zouden uitstrekken;

30.   is ingenomen met de snelle invoering van de Euro 5- en Euro 6-normen voor beperking van de uitstoot van verontreinigende stoffen door personenauto's;

31.   is van mening dat verbetering van de luchtkwaliteit, afgezien van de introductie van minder vervuilende voertuigen, alleen kan worden verkregen door het wagenpark sneller te vervangen; is voorts van mening dat er financiële maatregelen dienen te worden genomen om de consumenten ertoe aan te sporen hun oude auto's door minder vervuilende voertuigen te vervangen;

32.   verwelkomt in dit verband het voorstel om Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende brandstofkwaliteit en dieselbrandstoffen(8) (richtlijn brandstofkwaliteit) in dier voege te herzien dat ook rekening wordt gehouden met de uitstoot van tijdens de levenscyclus van brandstoffen voor het wegvervoer geproduceerde broeikasgassen;

33.   roept de Commissie er in het kader van de communautaire wetgeving toe op een begin te maken met de herevaluatie en herziening van emissietestprocedures, zodat deze een betere afspiegeling vormen van de reële gebruiksvoorwaarden, zonder dat een en ander afbreuk mag doen aan de thans gevoerde discussie omtrent de CO2-uitstoot van auto's;

34.   is zeer bezorgd over het feit dat Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken(9) niet op een uniforme manier wordt toegepast; beschouwt deze richtlijn als onvoldoende ambitieus;

De CO 2 -uitstoot fors verminderen

35.   is verheugd over de plannen van de Commissie om de uitstoot van CO2 van personenauto's te verminderen; is van mening dat een geïntegreerde aanpak, waarbij alle mogelijkheden om de CO2-uitstoot te verminderen in aanmerking worden genomen, waaronder infrastructuur, rijgedrag, de invoering van een systeem van stimuleringsmaatregelen voor het gebruik van schonere voertuigen, biobrandstoffen en voertuigtechnologie, hiervoor het meest geschikt is; spoort de Commissie ertoe aan zich te beraden over de ontwikkeling van een gemeenschappelijke kaderrichtlijn voor de gecoördineerde toepassing van technologisch neutrale en waar mogelijk geharmoniseerde en aan CO2 gerelateerde fiscale prikkels die reële mogelijkheden bieden om de CO2-uitstoot terug te dringen zonder dat dit tot concurrentieverstoringen leidt; dringt er bij de Raad op aan tot overeenstemming te komen inzake het voorstel van de Commissie om de belasting op personenauto's te koppelen aan de uitstoot van verontreinigende stoffen zoals CO2, om zo een verdere fragmentering van de interne markt als gevolg van de uiteenlopende toepassing van de regelgeving door de lidstaten te voorkomen;

36.   dringt er bij de Commissie op aan ambitieuze, maar realistische doelstellingen te formuleren, daarbij rekening houdend met de reële situatie op de EU-markt, waar het vernieuwingstempo van het wagenpark momenteel onder de 10% per jaar ligt; wijst derhalve met nadruk op het feit dat de betaalbaarheid van nieuwe auto's een essentiële rol vervult bij het verwezenlijken van de communautaire doelstelling; benadrukt tevens dat, hoe ambitieuzer de verplichte doelstellingen voor de uitstoot van CO2 zijn, des te meer tijd de automobielindustrie dient te krijgen om zich aan te passen;

37.   herinnert de Commissie eraan dat de ontwikkeling van nieuwe types personenauto's tussen de 5 en 7 jaar vergt; is daarom van mening dat het vastleggen van bindende doelstellingen de automobielindustrie in principe voldoende tijd zou moeten bieden om zich daarnaar in te richten; verzoekt de Commissie derhalve geen definitieve bindende doelstellingen voor CO2-emissies vast te stellen die vóór 2015 van kracht worden;

38.   is van mening dat een gemiddelde CO2-doelstelling van 125 g/km voor nieuwe personenauto's tegen 2015 haalbaar zou moeten zijn; benadrukt dat de Commissie ambitieuzere langetermijndoelstellingen voor beperking van de CO2-uitstoot in de automobielsector zou moeten nastreven; acht het daarbij van cruciaal belang dat de streefwaarden zouden moeten worden gedifferentieerd naargelang van het gewicht van de desbetreffende voertuigen;

39.   neemt kennis van het plan van de Commissie om voor agrobrandstoffen een bindende doelstelling vast te leggen en dringt er bij de Commissie op aan een bindend, allesomvattend certificatiesysteem te ontwikkelen voor de agrobrandstoffen die op de EU-markt worden aangeboden; is van mening dat de certificatiecriteria zodanig moeten worden opgesteld dat de uitstoot van broeikasgas gedurende de gehele levenscyclus ten opzichte van conventionele brandstoffen met minimaal 50% moet worden verminderd, naast de milieu- en sociale criteria;

40.   merkt op dat, om een intensiever gebruik van biobrandstoffen en waterstof ter optimalisering van de milieuprestaties te kunnen realiseren, het van essentieel belang is op plaatselijk niveau de nodige netwerken te creëren om de bevoorrading van de bevolking veilig te stellen;

41.   stelt zich op het standpunt dat de maatregelen ter beperking van de CO2-uitstoot meer moeten worden toegespitst op het bijbrengen van meer besef aan automobilisten omtrent zuinig rijgedrag en het optimaal gebruiken van nieuwe technologieën;

42.   is van mening dat het kweken van meer begrip bij de consument door het verschaffen van duidelijker etikettering omtrent brandstofrendement en betere gegevens omtrent de uitstoot van verontreinigende stoffen ertoe zal bijdragen CO2-reducties te realiseren; dringt er derhalve op aan dat Richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstofverbruik en de CO2-uitstoot bij het op de markt brengen van nieuwe personenauto's(10) in dier voege wordt herzien dat rekening wordt gehouden met de beste praktijken die op dit moment verwezenlijkt zijn;

43.   wijst er nogmaals op dat een vermindering van de CO2-uitstoot door personenauto's het makkelijkst kan worden bereikt door herstructurering van de openbaarvervoerssystemen;

44.   erkent de voortrekkersrol die de Internationale Automobielfederatie (FIA) vervult bij de introductie van innovatieve veranderingen op het gebied van milieutechnologie die kunnen leiden tot vermindering van de CO2-uitstoot en daarmee gepaard gaande energie-efficientie voor alle nieuwe auto's;

45.  dringt er bij de FIA op aan zich nog meer in te zetten voor bevordering van innovatief onderzoek op het gebied van wegvervoer, dat onder andere gericht moet zijn op verbetering van het energie-efficiëntie van auto's;

46.   onderkent de rol die de autosport kan vervullen bij het veranderen van de houding en het gedrag van consumenten ten aanzien van milieuvriendelijke technologie; verzoekt de FIA en andere spelers die bij het Formule-1-racegebeuren zijn betrokken derhalve hun regels dienovereenkomstig aan te passen, opdat milieuvriendelijke technologieën zoals biobrandstoffen, viercilindermotoren of hybride motoren gemakkelijker kunnen worden toegepast;

47.   dringt aan op het opzetten van een studie om de aanvullende niet-technische maatregelen in kaart te brengen die zijn toegepast om de CO2-uitstoot in de EU te verminderen;

Het wegvervoer nog veiliger maken

48.   verheugt zich over de inspanningen van de Commissie om het aantal slachtoffers bij verkeersongevallen terug te dringen, onder andere door de invoering van essentiële nieuwe technologieën; dringt er bij de Commissie op aan te waarborgen dat de in te voeren voorschriften met betrekking tot veiligheidsinrichtingen in voertuigen worden toegepast conform de beginselen van betere regelgeving waarover de groep op hoog niveau CARS 21 overeenstemming heeft bereikt; wijst met nadruk op de noodzaak van een geïntegreerde aanpak die verbeteringen in de voertuigtechnologie omvat, alsook maatregelen op het gebied van infrastructuur en opleiding, voorlichting en wetshandhaving, ten einde op een kosteneffectieve manier de veiligheidsdoelstellingen voor het wegverkeer te bereiken;

49.   erkent de katalyserende rol die wordt vervuld door de markt voor topmodellen, waar nieuwe technologieën over het algemeen voor het eerst worden geïntroduceerd; wijst er echter op dat bijkomende veiligheidssystemen het gewicht van personenauto's verder kunnen doen toenemen, hetgeen weer leidt tot hogere CO2-emissies;

50.   uit zijn bezorgdheid over het negatieve effect dat voertuigen bij hogere snelheden op de verkeersveiligheid kunnen hebben; pleit in dit verband voor toepassing van de aanbevelingen die worden gedaan in de in 2007 door het Internationaal Comité voor de keuring van motorvoertuigen (CITA) gepubliceerde studie naar de toekomstige opties voor het toezicht op de geschiktheid voor het wegverkeer van motorvoertuigen; pleit voor ondersteuning van een campagne voor "veilige tuning" en voor maatregelen om zo snel mogelijk over te gaan tot het geleidelijk als standaarduitrusting introduceren van elektronische stabiliteitscontrolesystemen (ESC);

51.   roept de Commissie ertoe op het verkeersveiligheidssysteem te verbeteren door de lidstaten te verplichten de opleidingseisen voor leerling-bestuurders aan te scherpen, op grotere schaal verplichte scholing in te voeren en regels te introduceren voor de periodieke bijscholing van beroepschauffeurs;

52.  roept de Commissie er voorts toe op uitvoering te geven aan de voor 2007-2009 aangekondigde evaluatie van de voorwaarden die moeten worden vervuld om te bewerkstelligen dat de maatregelen ter beperking van het aantal verkeersslachtoffers daadwerkelijk effect sorteren;

53.   verzoekt de Commissie een systeem te ontwikkelen waarbij het autofabrikanten wordt toegestaan om zonder zich aan sancties bloot te stellen auto's te produceren die meer CO2 uitstoten indien deze extra uitstoot het gevolg is van op EU-niveau getroffen wettelijk bindende veiligheidsmaatregelen;

54.   is niet van mening dat het voeren van licht overdag in de gehele EU verplicht dient te worden gesteld;

55.   dringt er bij de Commissie op aan prioriteit toe te kennen aan het verbeteren van de regeling voor grensoverschrijdende voertuiginspecties en voor de grensoverschrijdende inning van boetes die zijn opgelegd wegens verkeersovertredingen in een andere lidstaat;

Eerlijker handelsrelaties in automobielindustrie

56.   stelt zich op het standpunt dat de automobielsector in de EU een van de meest concurrerende industrieën ter wereld is; is echter van mening dat oneerlijke concurrentie en het niet respecteren van intellectuele-eigendomsrechten een bedreiging vormen voor deze positie;

57.   onderstreept het belang van de WTO voor de automobielindustrie in een steeds mondialer wordende handelsomgeving; acht het van zeer groot belang dat de thans in het kader van de Doha-ontwikkelingsronde gevoerde onderhandelingen ertoe leiden dat de markten in derde landen - en met name in potentieel omvangrijke markten in opkomende derde landen - zo toegankelijk mogelijk worden;

58.   onderstreept het belang van de geschillenbeslechtingprocedure van de WTO voor het oplossen van problemen die verband houden met de export naar derde landen; herinnert aan de positieve resultaten die zijn behaald bij de geschillen welke aan de WTO zijn voorgelegd met betrekking tot Canada, India en Indonesië;

59.   roept de Commissie op tot voorzichtigheid bij haar pogingen om te komen tot een principiële herziening van de gehanteerde handelsbeschermingsinstrumenten; wijst er in dat verband op dat de automobielindustrie het slachtoffer kan worden van concurrentieverstorende praktijken van derde landen en roept de Commissie er derhalve toe op bij de bescherming van de EU-industrie tegen oneerlijke praktijken vast te houden aan de filosofie die aan de handelsbeschermingsinstrumenten ten grondslag ligt;

60.   wijst er eens te meer op dat het succesvol afronden van multilaterale handelsbesprekingen voor de EU een prioriteit dient te blijven; steunt de Commissie niettemin in haar voornemen om vooral in Azië nieuwe bilaterale handelsovereenkomsten te sluiten teneinde betere voorwaarden voor markttoegang te verkrijgen; onderstreept dat vrijhandelsovereenkomsten er altijd op gericht moeten zijn zich te verzekeren van een hoog niveau van toegang tot de markt van het partnerland; dringt erop aan dat het EU-beleid de concurrentiepositie dient te handhaven van automobielfabrikanten uit de EU die zowel in de EU als in landen buiten de EU opereren; is ervan overtuigd dat het sluiten van bilaterale overeenkomsten tussen de EU en de ASEAN, India en de Mercosur voor de automobielindustrie van groot belang is;

61.   dringt er bij de Commissie op aan in het kader van de thans lopende onderhandelingen tussen de EU en Korea voor een vrijhandelsovereenkomst te bedingen dat Korea alle bestaande tarifaire en non-tarifaire belemmeringen moet opheffen en geen nieuwe in het leven mag roepen, en dat het zich meer aan de VN/ECE-reglementen moet houden; verlangt van de Commissie dat zij zich beraadt over een strategie die resulteert in de geleidelijke afschaffing - met waarborgen - van de invoertarieven van de EU, en pleit er derhalve voor deze geleidelijke afschaffing gepaard te laten gaan met de opheffing van non-tarifaire belemmeringen van Koreaanse zijde;

62.   wijst er eens te meer op dat Korea de VN/ECE-Overeenkomst van 1958 heeft getekend en geratificeerd, en dat het zich derhalve heeft verplicht tot naleving van VN/ECE-voorschriften; dringt er bij de Commissie op aan dit aspect bij toekomstige onderhandelingen te blijven benadrukken en op de snelle uitvoering daarvan te blijven aandringen; merkt op dat in iedere eventueel te sluiten vrijhandelsovereenkomst hoe dan ook duidelijk moet worden vastgelegd dat Korea de invoer op de Koreaanse markt van auto's uit de EU die aan de VN/ECE-normen voldoen moet toestaan;

63.   roept de Commissie ertoe op na te gaan in hoeverre de mogelijkheid bestaat tot het opzetten van een werkgroep voor auto's en tot het invoeren van een speciale versnelde geschillenbeslechtingsprocedure voor automobielgerelateerde maatregelen, zoals die welke werd opgenomen in de vrijhandelsovereenkomst tussen de VS en Korea;

64.   onderstreept het belang van een nauw partnerschap met China bij de ontwikkeling van een regelgevingskader voor eerlijke concurrentieverhoudingen; stelt zich op het standpunt dat effectieve bescherming van intellectuele-eigendomsrechten een conditio sine qua non is voor een dergelijk partnerschap;

65.   is ingenomen met het verzoek van de Commissie tot instelling van een WTO-panel voor het oplossen van nog uitstaande kwesties met betrekking tot de door China toegepaste regeling voor geïmporteerde onderdelen van motorvoertuigen, die volgens de Commissie in strijd is met diverse bepalingen van verschillende WTO-overeenkomsten;

66.   steunt de stappen die de Commissie heeft ondernomen in zaken die verband houden met de in China geldende regelgeving en die ten doel hebben Europese bedrijven welke op die markt opereren billijke regelgevingsvoorwaarden en rechtszekerheid te bieden;

67.   wijst erop dat de communautaire bandenindustrie een belangrijke bijdrage levert aan het succes van de Europese automobielsector; dringt er derhalve bij de Commissie op aan een grondig onderzoek in te stellen naar de onverantwoorde technische handelsbelemmeringen in de vorm van bijvoorbeeld lokale technische voorschriften waarmee de bandenindustrie in een aantal belangrijke opkomende Aziatische markten zou worden geconfronteerd;

O & O in de automobielsector

68.   beschouwt de resultaten die met behulp van O & O-financiering en -samenwerking in het kader van programma's zoals het zevende kaderprogramma voor activiteiten inzake onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, het kaderprogramma voor concurrentievermogen en innovatie en i2010 zijn behaald als zeer bemoedigend; spoort de Commissie ertoe aan de werkprogramma's meer specifiek te richten op de behoeften van de automobielsector die zullen ontstaan als gevolg van nieuwe wetgeving of van bindende doelstellingen die nog in het verschiet liggen;

69.   roept de Commissie ertoe op vóór 2012 een strategie te ontwikkelen om de O&O-uitgaven voor de automobielindustrie fors te verhogen, en daarbij speciaal aandacht te besteden aan toeleveringsbedrijven;

70.   dringt er bij de lidstaten op aan iedere eventuele verhoging van de O&O-uitgaven voor de automobielsector afhankelijk te stellen van het bindende karakter van de CO2-emissiedoelstellingen;

71.   onderstreept daarnaast ook de noodzaak van een omslag in het autogebruik in steden; is van mening dat naast zuiniger auto's ook de invoering van elektrische stadsauto's van wezenlijk belang is; dringt daarom aan op steun voor onderzoek naar en ontwikkeling van de technologieën die daarvoor noodzakelijk zijn;

72.   roept alle lidstaten en EU-instellingen ertoe op de nodige steun te verlenen voor het onderzoek naar en de ontwikkeling van baanbrekende technologieën zoals waterstofmotoren, brandstofcellen of hybride voertuigen;

73.   wijst met nadruk op het potentieel van informatie- en communicatietechnologieën (ICT) om schadelijke milieu- en gezondheidseffecten, ongevallen en energieverspilling te helpen voorkomen wanneer deze EU-breed worden ingezet in een netwerk van intelligente verkeersgeleidingssystemen die ten doel hebben een vlotte doorstroming van het verkeer te bewerkstelligen; is van mening dat voor de in te zetten communicatieapparatuur een EU-norm moet worden vastgesteld om in alle lidstaten effectieve communicatie tussen voertuigen en infrastructuur mogelijk te maken;

74.   is van mening dat initiatieven zoals "De intelligente auto"(11) , Galileo en andere instrumenten die bijdragen aan een intelligent vervoerssysteem uiterst belangrijk zijn; roept de Commissie er derhalve toe op deze ontwikkelingen energiek te ondersteunen;

75.   spreekt zijn krachtige steun uit voor voortzetting van het onderzoek naar en de ontwikkeling van op ICT gebaseerde innovaties; is van mening dat er in het kader van het initiatief "De intelligente auto" nieuwe technologische ontwikkelingen op gang kunnen worden gebracht om een bijdrage te leveren aan de rationalisering van de verkeersstromen, zodat het bestuurders gemakkelijker wordt gemaakt de juiste beslissing te nemen en de kortste weg naar hun bestemming te kiezen, waardoor ook het verkeer energievriendelijker wordt; roept alle belanghebbenden, en met name de lidstaten, ertoe op de nodige maatregelen te treffen voor de implementatie van eCall;

76.  76 beschouwt de werkzaamheden die worden verricht in het kader van intelligente vervoerssystemen als een belangrijke factor voor een succesvolle automobielindustrie en om de milieueffecten die door deze bedrijfstak worden teweeggebracht te beperken; is van mening dat Galileo hierbij als een voorbeeld moet worden aangehaald en dat het vinden van een oplossing voor de financiering van Galileo via een consortium waarbij belangstellende deelnemers zich verplichten tot de verdere ontwikkeling van het project, prioriteit moet krijgen;

77.   is van mening dat één van de eerste door het Europees Instituut voor Innovatie en Technologie op te zetten kennis- en innovatiegemeenschappen zich moet richten op het verlagen van de CO2-uitstoot in de voertuigtechnologie;

Herstructureringsmaatregelen en toekomstperspectieven

78.   acht het noodzakelijk de algemene voorwaarden te scheppen om de duurzaamheid van de automobielindustrie in de EU te waarborgen en haar in staat stellen om met steun van een hooggekwalificeerde beroepsbevolking bij vernieuwingen in de sfeer van technologie, milieu en samenleving haar leidende positie te behouden;

79.   beseft dat zowel producenten als toeleveringsbedrijven in de automobielindustrie van de EU beschikken over goed geschoolde werknemers, een factor die een belangrijke rol heeft gespeeld bij het bereiken van het hoge prestatieniveau dat de automobielindustrie in de EU bereikt;

80.   wijst op het belang van de automobielindustrie voor werkgelegenheid, groei, innovatie en concurrentievermogen; is van mening dat de automobielindustrie weliswaar substantiële veranderingen zal moeten ondergaan, maar dat er ook beleidsaanpassingen nodig zijn om te waarborgen dat de communautaire regelgeving niet leidt tot verlies van banen;

81.   stelt zich op het standpunt dat de communautaire wetgeving op het gebied van milieu, verkeersveiligheid en energie-efficiëntie tot gevolg heeft dat werknemers op een zodanige wijze moeten worden geschoold en opgeleid dat zij zich beter aan de veranderingen in de sfeer van techniek en regelgeving kunnen aanpassen en hun arbeidsvooruitzichten kunnen handhaven of verbeteren;

82.   dringt er bij de Commissie op aan ten behoeve van de automobielindustrie een coördinerende rol te vervullen met het oog op een efficiënt gebruik van de structuurfondsen en van het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering;

83.   dringt erop aan dat er geen Gemeenschapssteun meer wordt verleend aan bedrijven die op lidstaatniveau steun hebben ontvangen en vervolgens hun productieactiviteiten naar een ander land verplaatsen zonder volledig te hebben voldaan aan de overeenkomsten die ze met de betrokken lidstaat zijn aangegaan;

84.   onderstreept dat de EU en de lidstaten hun aandacht met betrekking tot toekomstige herstructureringsprocessen ook moeten richten op manieren om het herstructureringsproces te ondersteunen en de effecten daarvan te dempen, en om de werknemers nieuwe mogelijkheden te bieden;

85.   is van oordeel dat de instrumenten en mechanismen voor voorlichting en raadpleging waarover de werknemers beschikken, door de noodzakelijke herziening van Richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers(12) moeten worden versterkt;

86.   is van mening dat op Europees niveau de werknemers meer moeten worden geraadpleegd en hun recht op informatie beter moet worden gewaarborgd, zodat zij in een eerder stadium bij de besluitvorming kunnen worden betrokken en zo de negatieve effecten van herstructurering ten dele kunnen opvangen; wijst derhalve op het belang van het voorstel betreffende het forum inzake herstructurering waarnaar in de bovengenoemde mededeling van de Commissie betreffende het verslag CARS 21 wordt verwezen;

87.   roept de sociale partners ertoe op adequate voorzieningen te treffen voor mensen die door de herstructurering van hun bedrijfstak worden bedreigd;

88.   verlangt dat werknemers beter worden geïnformeerd en geraadpleegd gedurende het proces van aanpassing van de industrie aan de nieuwe uitdagingen die het ontwerp en de productie van milieuvriendelijkere voertuigen met zich meebrengen;

89.   wijst op de noodzaak tot herziening van de thans bestaande relatie tussen fabrikanten en autodealers, die uit een oogpunt van concurrentievermogen in de communautaire automobielsector voor veel KMO's bijzonder negatieve consequenties heeft; is daarom van mening dat een stabielere samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling en bij de uitstippeling van bedrijfsstrategieën dient te worden bevorderd; dringt er derhalve bij de Commissie en de lidstaten op aan de nodige beleidsmaatregelen of voorzieningen te treffen om deze relatie te stabiliseren en de daaraan verbonden problemen te overwinnen;

90.   wijst op het belang van een systematischer gebruik van de middelen van de Europese Investeringsbank om KMO's in de automobielsector te steunen en ze te helpen toegang te verkrijgen tot risicokapitaal;

o
o   o

91.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0176.
(2) PB L 203 van 1.8.2002, blz. 30.
(3) Interpretatieve mededeling van de Commissie over de procedures voor de registratie van uit een andere lidstaat afkomstige motorvoertuigen (PB C 68 van 24.3.2007, blz. 15).
(4) PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.
(5) Richtlijn 74/297/EEG van de Raad van 4 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de binneninrichting van motorvoertuigen (gedrag van de stuurinrichting bij botsingen) (PB L 165 van 20.6.1974, blz. 16).
(6) Richtlijn 76/115/EEG van de Raad van 18december 1975 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende bevestigingspunten voor veiligheidsgordels van motorvoertuigen (PB L 24 van 30.1.1976, blz. 6).
(7) Richtlijn 78/932/EEG van de Raad van 16 oktober 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende hoofdsteunen van zitplaatsen van motorvoertuigen (PB L 325 van 20.11.1978, blz. 1).
(8) PB L 350 van 28.12.1998, blz. 58.
(9) PB L 269 van 21.10.2000, blz. 34.
(10) PB L 12 van 18.1.2000, blz. 16.
(11) COM(2006)0059.
(12) PB L 254 van 30.9.1994, blz. 64.

Laatst bijgewerkt op: 15 september 2008Juridische mededeling