Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2144(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0481/2007

Ingediende teksten :

A6-0481/2007

Debatten :

PV 14/01/2008 - 15
CRE 14/01/2008 - 15

Stemmingen :

PV 15/01/2008 - 10.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0008

Aangenomen teksten
PDF 95kWORD 55k
Dinsdag 15 januari 2008 - Straatsburg Definitieve uitgave
Fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties
P6_TA(2008)0008A6-0481/2007

Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2008 over de fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties (2007/2144(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie over de fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties (COM(2006)0824),

–   gezien de mededeling van de Commissie over de bijdrage van het belasting- en douanebeleid aan de Lissabon-strategie (COM(2005)0532),

–   gelet op de relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (Hof van Justitie), met name de zaken C-250/95 (Futura Participations SA en Singer tegen Administration des contributions)(1) , C-141/99 (AMID tegen Belgische Staat)(2) , gevoegde zaken C-397/98 en C-410/98 (Metallgesellschaft Ltd. en anderen tegen Commissioners of Inland Revenue en HM Attorney General)(3) , C-446/03 (Marks & Spencer plc/David Halsey (HM Inspector of Taxes))(4) en C-231/05 (Oy AA)(5) ,

–   gezien Richtlijn 94/45/EG van de Raad van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers(6) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 december 2005 over het belastingstelsel voor ondernemingen in de Europese Unie: een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting(7) ,

–   gezien de mededeling van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het communautaire programma voor grotere groei en werkgelegenheid en voor een sterker concurrentievermogen van de Europese bedrijven - Vorderingen in 2006 en verdere stappen naar een voorstel voor een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) (COM(2007)0223),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 september 2007 over de evaluatie van de interne markt: hinderpalen en inefficiëntie bestrijden met betere implementatie en handhaving(8) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie juridische zaken (A6-0481/2007),

A.   overwegende dat in de nationale belastingsstelsels van de lidstaten in toenemende mate rekening moet worden gehouden met de mondialisering van de economie en moet worden omgegaan met de regels en de werking van de interne markt, teneinde de doelstellingen van de Lissabon-strategie op het gebied van groei en concurrentievermogen te verwezenlijken,

B.   overwegende dat door de mondialisering van de economie de fiscale concurrentie zodanig is toegenomen dat de gemiddelde tarieven van de vennootschapsbelasting de afgelopen 30 jaar in de industrielanden drastisch zijn gedaald,

C.   overwegende dat die daling van de belastingtarieven sinds de laatste uitbreiding van de Europese Unie nog intensiever is geworden en dat er in de lidstaten een duidelijke tendens bestaat om specifieke belastingregelingen in te voeren waarmee bijzonder mobiele ondernemingen worden aangetrokken,

D.   overwegende dat het bestaan van 27 verschillende belastingstelsels in de Europese Unie een belemmering vormt voor de soepele werking van de interne markt, aanzienlijke extra kosten veroorzaakt voor de grensoverschrijdende handel en transacties in verband met administratie en naleving, bedrijfsherstructureringen in de weg staat en tot gevallen van dubbele belastingheffing leidt,

E.   overwegende dat een vermindering van de kosten voor naleving van regelgeving ten aanzien van de verschillen in de nationale wetgevingen op de vennootschapsbelasting, een transparante regelgeving, het afbreken van fiscale hindernissen die grensoverschrijdende activiteiten in de weg staan, en het creëren van een gelijk speelveld voor EU-ondernemingen die op de interne markt actief zijn, dankzij een dynamisch bedrijfsklimaat kunnen leiden tot economische voordelen voor de gehele EU,

F.   overwegende dat een passende belastingcoördinatie op EU-niveau, waarbij niet gestreefd wordt naar harmonisatie van de belastingtarieven, ertoe kan bijdragen dat concurrentievervalsingen worden voorkomen en voordelen kan opleveren, die op ruime schaal ten goede kunnen komen aan de ondernemingen, hun werknemers en de consumenten, de lidstaten en de burgers,

G.   overwegende dat het voor het halen van de doelstellingen van de strategie van Lissabon nodig is dat de lidstaten hun belastingbeleid in toenemende mate coördineren,

H.   overwegende dat de lidstaten traditioneel hun belastingsregimes hebben trachten te coördineren door middel van een uitgebreid netwerk van bilaterale belastingverdragen waarin vraagstukken als grensoverschrijdende verliesverrekening niet volledig worden geregeld; dat binnen de Europese Unie de bilaterale benadering minder efficiënt is en minder consistentie oplevert dan een multilaterale, gecoördineerde benadering; dat een gemeenschappelijke benadering door de EU van een geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting - zoals het CCCTB-voorstel - de meest geschikte oplossing voor de grensoverschrijdende compensatie van verliezen en winsten op de interne markt is en tot meer transparantie, investeringen en concurrentievermogen zal leiden,

I.   overwegende dat de lidstaten uiteenlopende regels hanteren inzake de toekenning van belastingfaciliteiten voor verliezen van filialen, dochterondernemingen en onderdelen van een ondernemingsgroep en zo ondernemingsbeslissingen en het investeringsbeleid op de interne markt verstoren, met alle gevolgen van dien op lange termijn voor hun adequate industriële strategie en belastinginkomsten,

J.   overwegende dat in vrijwel alle belastingstelsels in de Europese Unie winsten en verliezen asymmetrisch worden belast, d.w.z. de winsten worden belast voor het jaar waarin zij zijn verkregen, maar de fiscale waarde van een verlies wordt niet automatisch aan de onderneming vergoed op het moment waarop het verlies wordt geleden; overwegende dat in de recente jurisprudentie van het Hof van Justitie geen behoorlijke analyse wordt gemaakt van deze tijdfactor en het belang ervan bij toenemende grensoverschrijdende investeringen in de Europese Unie,

K.   overwegende dat de invoering van een grensoverschrijdende regeling inzake verliesverrekening erop zou neerkomen dat bepaalde lidstaten zonder juridische toezeggingen afzien van inkomsten uit de vennootschapsbelasting,

L.   overwegende dat de verliezen van binnenlandse filialen automatisch worden verrekend in het nettoresultaat van de moedermaatschappij, maar dat de situatie minder duidelijk ligt bij verliezen van buitenlandse filialen en van binnenlandse en buitenlandse onderdelen van een groep,

M.   overwegende dat het ontbreken van grensoverschrijdende verliesverrekening een beletsel vormt om op sommige markten actief te worden, hetgeen vestiging in grote lidstaten in de hand werkt waar de thuismarkt voldoende groot is om eventuele verliezen te helpen opvangen,

N.   overwegende dat kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) als gevolg van de beschreven situatie in het nadeel zijn, omdat zij door de onzekerheid over de verliesverrekening minder gemakkelijk grensoverschrijdende investeringen doen en vaak aanloopverliezen lijden,

1.   geeft uiting aan zijn diepe verontrusting over de negatieve gevolgen die de verschillen in behandeling van grensoverschrijdende verliezen door lidstaten hebben op de werking van de interne markt;

2.   merkt op dat elke maatregel die de vrijheid van vestiging belemmert, in strijd is met artikel 43 van het EG-Verdrag en dat er derhalve gericht moet worden optreden om deze belemmering weg te nemen; herinnert eraan dat uiteenlopende regimes voor de vennootschapsbelasting hindernissen opwerpen bij de toegang tot verschillende nationale markten en voor de goede werking van de interne markt, de concurrentie verstoren en de handhaving van een gelijk speelveld voor de ondernemingen op EU-vlak beletten en daarom in die zin aandacht verdienen;

3.   is van oordeel dat gerichte maatregelen op EU-niveau op het gebied van de fiscale aftrek van grensoverschrijdende verliezen grotere voordelen zouden kunnen hebben voor de werking van de interne markt;

4.   spreekt zijn steun uit voor de mededeling van de Commissie over fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties als belangrijke stap in de aanpak van de situatie, en dringt aan op een adequate coördinatie tussen de lidstaten ten aanzien van het tijdschema en de oplossingen;

5.   onderstreept dat de vaststelling en uitvoering van elke gerichte maatregel tot invoering van grensoverschrijdende verliesverrekening dient te berusten op een multilaterale, gemeenschappelijke benadering en gecoördineerd optreden van de lidstaten, teneinde een coherente ontwikkeling van de interne markt te waarborgen; herinnert eraan dat dergelijke gerichte maatregelen een tussenoplossing vormen in afwachting van de goedkeuring van de CCCTB; is van mening dat de CCCTB een omvattende langetermijnoplossing is voor fiscale hindernissen bij de grensoverschrijdende compensatie van verliezen en winsten, evenals voor interne verrekening ("transfer pricing") en grensoverschrijdende fusie-, overname- en herstructureringsoperaties en het sluitstuk zal vormen van een interne markt met eerlijke concurrentie;

6.   wijst erop dat sommige lidstaten diverse methoden hanteren ter voorkoming van dubbele belastingheffing, hetzij door in het buitenland afgedragen belastingen te crediteren (verrekeningsmethode), hetzij door buitenlandse inkomsten buiten de heffingsgrondslag te houden (vrijstellingsmethode); merkt op dat slechts enkele lidstaten die de vrijstellingsmethode toepassen, niet voorzien in de mogelijkheid van verrekening van de verliezen die door buitenlandse filialen zijn geleden;

7.   vestigt er de aandacht op dat, wanneer de door vaste inrichtingen geleden verliezen niet mogen worden verrekend met de winsten van het hoofdkantoor, de behandeling verschilt van die in een zuiver binnenlandse situatie , wat een aantasting vormt van de vrijheid van vestiging;

8.   beschouwt maatregelen ten gunste van ondernemingsgroepen die in meerdere lidstaten werkzaam zijn als prioritair, aangezien het juist deze groepen zijn die eronder te lijden hebben dat zij met betrekking tot grensoverschrijdende verliezen anders worden behandeld dan ondernemingsgroepen die in één lidstaat actief zijn;

9.   is van oordeel dat de verstoringen als gevolg van de verschillen tussen de nationale regimes vooral KMO's benadelen ten opzichte van potentiële concurrenten en verzoekt de Commissie derhalve om op dit gebied speciale maatregelen te treffen;

10.   herinnert eraan dat er maar weinig globale regelingen bestaan voor de grensoverschrijdende verliesverrekening tussen dochterondernemingen en moedermaatschappijen (groepen) en dat daarom binnen een ondernemingsgroep de verliezen niet automatisch op dezelfde wijze in aanmerking worden genomen als binnen een vennootschap;

11.   wijst erop dat de lidstaten in meerderheid voorzien in binnenlandse verliesverrekening voor groepen en deze daarmee in feite als één entiteit behandelen, maar dat slechts weinige dit in grensoverschrijdende situaties doen; herinnert eraan dat het ontbreken van grensoverschrijdende verliesverrekening voor groepen een verstorend effect kan hebben op investeringsbeslissingen zowel ten aanzien van de investeringslocatie als van de keuze van de rechtsvorm (filiaal of dochteronderneming);

12.   erkent dat het moeilijk is binnenlandse regimes eenvoudigweg uit te breiden tot grensoverschrijdende situaties, aangezien de heffingsgrondslagen verschillen;

13.   dringt aan op erkenning van het belang van grensoverschrijdende verliesverrekening, maar wijst erop dat er verdere gedetailleerde uitwerking nodig is met betrekking tot de regeling inzake grensoverschrijdende verliesverrekening; stelt voor dat er een besluit wordt genomen over de vraag of grensoverschrijdende verliesverrekening beperkt moet worden tot dochterondernemingen ten opzichte van het moederbedrijf of vice versa en dat er daarom een grondige beoordeling moet plaatsvinden van de budgettaire effecten van de regeling die de mogelijkheid biedt de verliezen van het moederbedrijf te compenseren met de winsten van de dochterondernemingen;

14.   is van mening dat het Hof van Justitie met zijn arrest in de zaak-Marks & Spencer het recht van de lidstaten eerbiedigt om hun belastingstelsels in stand te houden, met name uit bezorgdheid om belastingontwijking;

15.   merkt op dat uit het arrest van het Hof van Justitie in de zaak-Oy AA blijkt dat de diverse nationale belastingstelsels verschillen in de behandeling van verliezen en dat het dus onduidelijk is of de verliezen in alle grensoverschrijdende situaties binnen een groep kunnen worden geconsolideerd, zelfs als de verliezen definitief zijn en dus tot een scheve situatie leiden zoals aangegeven in de zaak-Marks & Spencer ;

16.   is van mening dat ondernemingsgroepen zoveel mogelijk op dezelfde wijze dienen te worden behandeld ongeacht of zij nu in verscheidene lidstaten dan wel in slechts één enkele lidstaat actief zijn; onderstreept dat in situaties waarin sprake is van grensoverschrijdende verliezen van buitenlandse dochterondernemingen, dubbele belasting van de moedermaatschappij moet worden vermeden, de heffingsbevoegdheid eerlijk tussen de lidstaten moet worden verdeeld, de verliezen niet tweemaal mogen worden verrekend en belastingontwijking moet worden voorkomen;

17.   is van mening dat het nuttig zou zijn een discussie te beginnen over de definitie en de kenmerken van ondernemingsgroepen in de Europese Unie, rekening houdend met het bestaan van gemeenschappelijke Europese instellingen als de "Europese vennootschap" en de "Europese coöperatieve vennootschap", zonder dat het evenwel de bedoeling is het toepassingsgebied van maatregelen op het gebied van grensoverschrijdende verliesverrekening alleen tot dergelijke instellingen te beperken;

18.   wijst opnieuw op het belang van het definiëren van het begrip "ondernemingsgroep", om te voorkomen dat ondernemingen winsten en verliezen opportunistisch tussen de lidstaten verdelen; is van mening dat het met het oog op het definiëren van een ondernemingsgroep nuttig zou kunnen zijn specifieke kenmerken binnen de onderneming aan te wijzen, zoals bepaald in Richtlijn 94/45/EG inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers;

19.   is verheugd over de drie opties die in de mededeling van de Commissie over de fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties worden voorgesteld; spreekt zijn steun uit voor gerichte maatregelen die een doeltreffende, onmiddellijke aftrek van de verliezen van buitenlandse dochterondernemingen mogelijk zouden maken (op jaarbasis en niet definitief, zoals in de zaak-Marks & Spencer ), die dan door een overeenkomstige extra belasting van de moedermaatschappij ongedaan wordt gemaakt wanneer de dochter weer winstgevend wordt;

20.   beveelt aan, teneinde deze voorstellen zodanig te kunnen uitvoeren dat belastingontduiking wordt voorkomen, om na te gaan of het opportuun is een systeem voor automatische informatie-uitwisseling op te zetten, te vergelijken met VIES voor de BTW, zodat de lidstaten de aangiften van dochterondernemingen in andere lidstaten inzake een negatieve heffingsgrondslag op hun waarheidsgehalte kunnen controleren;

21.   dringt er niettemin bij de Commissie op aan nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden om voor ondernemingen een geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting vast te stellen voor hun activiteiten in de gehele EU;

22.   merkt op dat het ook van groot belang is verder diepgaand te analyseren in hoeverre de voorgestelde regeling voor grensoverschrijdende verliesverrekening de grensoverschrijdende activiteiten van KMO's zou kunnen bevorderen;

23.   wijst erop dat een gerichte maatregel van een bepaalde lidstaat inzake de fiscale behandeling van verliezen in grensoverschrijdende situaties op zichzelf geen oplossing zal bieden voor het probleem van concurrentieverstoring en hoge nalevingskosten voor op de interne markt opererende EU-ondernemingen, die een gevolg zijn van de handhaving van 27 verschillende belastingstelsels;

24.   onderstreept dat de lidstaten op een gecoördineerde manier te werk moeten gaan wanneer zij gerichte maatregelen nemen met het oog op grensoverschrijdende verliesverrekening binnen één onderneming of groep; herinnert eraan dat er behoefte is aan een sterkere coördinatie tussen de lidstaten op het gebíed van belastingaangelegenheden, en verzoekt de Commissie zich proactief op te stellen;

25.   steunt de inspanníngen van de Commissie met het oog op de invoering van een pan-Europese, uniforme CCCTB; merkt op dat de CCCTB zal leiden tot een grotere transparantie en efficiëntie, doordat ondernemingen in het buitenland en in eigen land volgens dezelfde voorschriften kunnen opereren, een gelijk speelveld wordt gecreëerd en het concurrentievermogen van EU-ondernemingen wordt versterkt, de grensoverschrijdende handel en investeringen worden uitgebreid, waarmee de voorwaarden worden geschapen om ten volle te profiteren van de interne markt op het punt van investeringen en groei, alsmede de administratieve lasten en nalevingskosten en de mogelijkheid van belastingontduiking en fraude aanzienlijk worden verminderd;

26.   herinnert eraan dat de CCCTB gemeenschappelijke regels voor de heffingsgrondslag inhoudt en op geen enkele wijze van invloed is op de vrijheid van de lidstaten om hun eigen belastingtarieven te blijven vaststellen;

27.   is verheugd over het voornemen van de Commissie om de CCCTB desnoods in het kader van de versterkte samenwerking in te voeren; wijst er evenwel op dat dit niet de optimale oplossing is, omdat bij ontstentenis van een alomvattend communautair stelsel de voordelen van transparantie en lagere administratieve lasten gedeeltelijk verloren kunnen gaan;

28.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) Jurispr. 1997, blz. I-2471.
(2) Jurispr. 2000, blz. I-11619.
(3) Jurispr. 2001, blz. I-1727
(4) Jurispr. 2005, blz. I-10837.
(5) Arrest van 18 juli 2007.
(6) PB L 254 van 30.9.1994, blz. 64.
(7) PB C 286 E van 23.11.2006, blz. 229.
(8) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0367.

Laatst bijgewerkt op: 15 september 2008Juridische mededeling