Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2007/2146(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0518/2007

Ingediende teksten :

A6-0518/2007

Debatten :

PV 15/01/2008 - 5
CRE 15/01/2008 - 5

Stemmingen :

PV 15/01/2008 - 10.2
CRE 15/01/2008 - 10.2
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0009

Aangenomen teksten
PDF 121kWORD 88k
Dinsdag 15 januari 2008 - Straatsburg Definitieve uitgave
Communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk
P6_TA(2008)0009A6-0518/2007

Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2008 over de communautaire strategie 2007-2012 voor gezondheid en veiligheid op het werk (2007/2146(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie "Verbetering van de arbeidskwaliteit en -productiviteit: communautaire strategie 2007 - 2012 voor de gezondheid en veiligheid op het werk" (COM(2007)0062) en de bijbehorende werkdocumenten van de Commissiediensten (SEC(2007)0214, SEC(2007)0215 en SEC(2007)0216),

–   gelet op het EG-Verdrag, met name de artikelen 2, 136, 137, 138, 139, 140, 143 en 152,

–   gelet op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie(1) , met name de artikelen 27, 31 en 32,

–   gezien de aanbevelingen van de IAO op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk,

–   gezien Richtlijn 89/391/EEG van 12 juni 1989 van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk(2) (kaderrichtlijn) en de bijzondere richtlijnen hierover,

–   gezien Richtlijn 2000/54/EG van 18 september 2000 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan biologische agentia op het werk(3) ,

–   gezien Richtlijn 2007/30/EG van 20 juni 2007 van het Europees parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 89/391/EEG van de Raad, de daaruit voortvloeiende bijzondere richtlijnen, alsmede de Richtlijnen 83/477/EEG, 91/383/EEG, 92/29/EEG en 94/33/EG van de Raad, met het oog op de vereenvoudiging en rationalisatie van de verslagen over de praktische tenuitvoerlegging(4) ,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 8-9 maart 2007,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 oktober 2002 over een nieuwe communautaire gezondheids- en veiligheidsstrategie 2002-2006(5) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 24 februari 2005 over bevordering van de gezondheid en de veiligheid op het werk(6) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 juli 2006 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de bescherming van werknemers in de gezondheidszorg in Europa tegen door bloed overgedragen infecties als gevolg van prikaccidenten(7) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 mei 2007 over bevordering van waardig werk voor iedereen(8) ,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 13 november 2007 over communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk(9) ,

–   gezien zijn verklaring van 29 maart 2007 over hepatitis C(10) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A6-0518/2007),

A.   overwegende dat er een positieve correlatie bestaat tussen de kwaliteit van de normen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk en financiële prestaties, met name algemene prestaties, absenteïsme, personeelsverloop, motivatie van medewerkers, beter bedrijfsimago en productiviteit,

B.   overwegende dat de meest concurrerende economieën het best presteren op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk en dat een hoog niveau van bescherming op het gebied van gezondheid en veiligheid een positief effect heeft op de overheidsfinanciën, door besparingen in de sociale zekerheid en een hogere productiviteit, en dat veiligheid en gezondheid op het werk niet alleen aan de productiviteit, het prestatievermogen en het welzijn van de werknemer bijdraagt, maar ook kostenbesparingen oplevert voor de maatschappij als geheel en voor de economie,

C.   overwegende dat er meer onderzoek naar de langetermijneffecten van sommige arbeidsactiviteiten op de gezondheid nodig is om werknemers beter te beschermen, omdat sommige ziekten pas verschijnen een aantal jaren nadat de activiteit die ze heeft veroorzaakt, uitgevoerd is,

D.   overwegende dat er bezorgdheid bestaat over het feit dat de vermindering van het aantal beroepsongevallen en gevallen van beroepsziekten niet gelijk gespreid is omdat bepaalde categorieën werknemers (bijvoorbeeld migranten, werknemers met onzekere contracten, vrouwen, jongere en oudere werknemers), bepaalde bedrijven (vooral kleine en middelgrote bedrijven (KMO's) en micro-ondernemingen), bepaalde sectoren (vooral de bouw, visserij, landbouw, vervoer) en bepaalde lidstaten een veel hoger aantal beroepsongevallen en -ziekten laten zien dan gemiddeld in de EU,

E.   overwegende dat maatregelen voor de gezondheid en veiligheid op het werk een consequent onderdeel moeten vormen van de bedrijfscultuur, en dat deze cultuur hand in hand moet gaan met levenslange scholing en bijscholing van werknemers en managers,

F.   overwegende dat een consequent toegepaste bedrijfscultuur van gezondheid en veiligheid op het werk kan bijdragen aan een onbureaucratische verandering van procedures inzake gezondheid en veiligheid op het werk en zo kan zorgen voor een effectieve gezondheidsbescherming,

G.   overwegende dat rustperiodes van het grootste belang voor een hoog niveau van bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers zijn,

H.   overwegende dat volgens ramingen van de IAO in de EU een arbeidsongeval of arbeidsgerelateerde ziekte in 2006 ongeveer 167 000 mensen het leven gekost heeft, en dat volgens een schatting in de mededeling van de Commissie over de verbetering van de arbeidskwaliteit en -productiviteit elk jaar ongeveer 300 000 werknemers in verschillende mate met permanente invaliditeit te maken krijgen,

I.   overwegende dat een echte strategie voor de gezondheid en veiligheid op het werk gebaseerd dient te zijn op de juiste combinatie van de volgende instrumenten: voldoende bewustzijn bij allen, gerichte opleiding en scholing, adequate preventiediensten en -campagnes, sociale dialoog en participatie van werknemers, adequate wetgeving en uitvoering, gerichte aandacht voor specifieke groepen, sectoren en soorten ondernemingen, efficiënte inspecties en effectieve, evenredige en ontmoedigende straffen,

J.   overwegende dat oudere werknemers zo lang mogelijk gezond, arbeidsgeschikt en inzetbaar dienen te blijven en dat dienovereenkomstig maatregelen dienen te worden genomen,

K.   overwegende dat inspecties een belangrijke rol spelen om te zorgen dat de bestaande wetgeving wordt nageleefd en daardoor uitbuiting op de werkplek te voorkomen, en op die manier het concept van fatsoenlijk werk helpen bevorderen en dat de inspecteurs ondersteuning moeten krijgen door nauwere samenwerking en uitwisseling van informatie tussen inspectiediensten van de lidstaten,

L.   overwegende dat risicobeoordeling op bedrijfsniveau niet als een eenmalige activiteit kan worden beschouwd, maar periodiek moet worden uitgevoerd en aangepast aan nieuwe omstandigheden en/of risico's, en dat het ontbreken of onjuist uitvoeren van risicobeoordelingen een overtreding van de wet is en een van de voornaamste oorzaken van beroepsongevallen en -ziekten vormt,

M.   overwegende dat er geen cijfers beschikbaar zijn over de negatieve gevolgen van brand voor de gezondheid en veiligheid op het werk,

N.   overwegende dat gezondheidswerkers meer dan 20 levensbedreigende virussen op kunnen lopen, waaronder hepatitis B, hepatitis C en HIV/aids,

O.   overwegende dat de Lissabon-strategie zich voor 2010 een algehele arbeidsparticipatie van 70% ten doel heeft gesteld, alsook een arbeidsparticipatie van vrouwen van 60% en van oudere werknemers van 50%, en overwegende dat werknemers met chronische of langdurige ziekten vaak niet meer terugkeren in het arbeidsproces, hoewel ze daartoe wel in staat worden geacht en dat degenen die wel weer aan het werk gaan vaak worden geconfronteerd met meervoudige discriminatie, zoals bijvoorbeeld kortingen op hun inkomen, en overwegende dat dit in het bijzonder geldt voor kankerpatiënten omdat de meeste recente studies aantonen dat een vijfde van degenen die borstkanker hebben gehad niet meer aan het werk gaan, hoewel ze dat wel zouden kunnen,

P.   overwegende dat meer vrouwen dan mannen onverzekerd werkzaam zijn in de "zwarte" arbeidsmarkt, een feit dat onvermijdelijke en belangrijke consequenties heeft voor de gezondheids- en veiligheidsomstandigheden waaronder zij werkzaam zijn,

Q.   overwegende dat vrouwen en mannen geen homogene groep vormen en dat strategieën en maatregelen ter verbetering van de veiligheid en gezondheid op het werk specifiek aangepast moeten worden aan bijzondere werkplekken, daarbij rekening houdend met het feit dat sommige factoren een verschillende impact kunnen hebben voor mannelijke en vrouwelijke werknemers,

1.   is tevreden met de ambitieuze doelstelling van de Commissie voor verlaging van het aantal ongevallen op het werk met gemiddeld 25% in de EU; erkent dat het cijfer van land tot land kan verschillen vanwege verschillende uitgangssituaties, maar acht duidelijke en doelgerichte maatregelen met een tijdschema en financiële toezeggingen die vervolgens kunnen worden gemeten en geëvalueerd toch van belang; verzoekt de Commissie bij gebrek hieraan om halverwege de looptijd van de strategie 2007-2012 bij het Parlement verslag over de vooruitgang met de strategie uit te brengen;

2.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om rekening te houden met de ongelijkheden tussen de lidstaten onderling en ook met de ongelijkheden die binnen de diverse lidstaten bestaan, en om zich in te spannen om ze te beperken;

3.   neemt akte van de voorstellen van de Commissie om niet-bindende instrumenten te gebruiken als bindende wetten niet haalbaar of aangewezen zijn, wat de lidstaten de flexibiliteit geeft om oplossingen te vinden die in hun specifieke omstandigheden het beste resultaat geven wat gezondheid en veiligheid betreft;

4.   is tevreden over de grotere nadruk die de Commissie legt op vereenvoudiging van de regelgeving en vermindering van administratieve lasten, en wijst erop dat vereenvoudiging grotere voordelen voor de burgers meebrengt, maar evenzeer werkgevers als werknemers helpt om zich te concentreren op praktisch gezondheids- en veiligheidsmanagement en zo te zorgen voor betere resultaten wat gezondheid en veiligheid betreft; acht het van het grootste belang dat vereenvoudiging op geen enkele manier afbreuk doet aan de omvang van de bescherming die de werknemers genieten;

5.   verzoekt de Commissie om in het kader van haar strategie speciale aandacht te schenken aan de bijzonder risicovolle activiteiten en sectoren (bijvoorbeeld de metaalindustrie, de bouw, elektriciteit, bosbouw, enz.);

6.   verzoekt de Commissie om het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (OHSA) sterker bij dit proces te betrekken, en het vooral te vragen met een evaluatie te komen in welke bedrijfstakken het gevaar op beroepsongevallen en -ziekten het hoogst is en hoe dit doeltreffend kan worden aangepakt;

7.   acht de krachtige focus van de Commissie op assistentie aan KMO's opdat zij aan hun verplichtingen op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk kunnen voldoen, een uitstekende zaak en steunt de aanpak van de Commissie ten volle;

8.   betreurt dat in de mededeling van de Commissie niet wordt gerept over doelstellingen voor de vermindering van het aantal beroepsziekten maar begrijpt de moeilijkheid om beroepsziekten te meten; vraagt de Commissie bijgevolg om gebruik en uitvoering van de bestaande statistische procedures aan herziening te onderwerpen, om beroepsziekten nauwkeurig aan te wijzen en hun omvang te meten, vooral kankers die het gevolg van beroepsomstandigheden zijn, om doelstellingen voor hun vermindering te kunnen vastleggen ; stelt voor dat de Commissie de mogelijkheid overweegt om Aanbeveling 2003/670/EG van de Commissie betreffende de Europese lijst van beroepsziekten(11) in een richtlijn om te zetten;

9.   onderstreept dat bij kwesties met betrekking tot de gezondheid en veiligheid op het werk het genderaspect geïntegreerd moet worden in de aanpak van kwesties met betrekking tot de gezondheid en veiligheid op het werk en is ingenomen met het initiatief van de Commissie, die erop aandringt uniforme methoden te ontwikkelen voor beoordeling van genderspecifieke effecten op gezondheid en veiligheid op het werk; heeft evenwel kritiek op de Commissie omdat zij noch in haar mededeling noch in haar "doelstellingen van de communautaire strategie 2007-2012" of in haar "effectbeoordelingen" voldoende rekenschap geeft van gender mainstreaming;

10.   verzoekt de Commissie om na te gaan of er naar sekse uitgesplitste statistieken over arbeidsgerelateerde dodelijke en niet-dodelijke ziekten op Gemeenschapsniveau beschikbaar zijn;

11.   verzoekt de lidstaten om de bestaande richtlijnen betreffende veiligheid en gezondheid op het werk op een meer genderspecifieke wijze uit te voeren en de genderspecifieke effecten van deze richtlijnen te evalueren;

12.   benadrukt dat de rehabilitatie en re-integratie van werknemers na een ziekte of arbeidsongeval van vitaal belang is en juicht de bijzondere focus op rehabilitatie en re-integratie toe die in de nationale strategieën gevraagd wordt ; het is belangrijk dat regeringen in hun gezondheids- en veiligheidsstrategieën de verplichting opnemen dat mensen die gedurende hun loopbaan lichamelijk of geestelijk ziek zijn geweest hun baan behouden (door scholing, andere taken, enz.);

13.   verzoekt de Commissie meer cijfers en gegevens te verzamelen over werknemers met chronische ziekten, hun werkomstandigheden te analyseren en een handvest op te stellen voor de bescherming van de rechten van kankerpatiënten en mensen met andere chronische ziekten op de werkplek, teneinde bedrijven verplicht te stellen dat patiënten tijdens hun behandeling in dienst kunnen blijven en na behandeling weer kunnen terugkeren op de arbeidsmarkt;

14.   spreekt zijn diepe bezorgdheid uit over het extreem hoge aantal ongevallen bij tijdelijke en kortetermijnmedewerkers, en ook bij laagopgeleide werknemers, in sommige lidstaten meer dan twee keer zo hoog als bij andere werknemers, en erkent de correlatie tussen deze categorieën werknemers en het feit dat ze werkzaam zijn in bedrijfstakken met een verhoogd risico, zoals de bouw; wijst erop dat Richtlijn 91/383/EEG van de Raad van 25 juni 1991 ter aanvulling van de maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk van de werknemers met arbeidsbetrekkingen voor bepaalde tijd of uitzendarbeidsbetrekkingen(12) als algemene regel bepaalt dat tijdelijke krachten dezelfde rechten op het gebied van gezondheid op het werk hebben als andere werknemers, maar dat de richtlijn niet voorziet in specifieke mechanismen om het principe praktisch toepasbaar te maken; verzoekt de Commissie om deze tekortkomingen dringend aan te pakken;

15.   neemt ook kennis van het stijgend aantal afwijkende arbeidsovereenkomsten, en wijst erop dat de voorwaarden geen risico's mogen opleveren voor de gezondheid en de veiligheid van werknemers en contractanten;

16.   vraagt maatregelen om ervoor te zorgen dat de rechten op het gebied van veiligheid en gezondheid van vrouwen op atypische werkplekken in acht worden genomen, zoals van vrouwen die zorgen voor zieken thuis;

17.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om zich volledig rekenschap te geven van de gevolgen van demografische veranderingen voor de gezondheid en veiligheid op de werkplek, roeptde Commissie en de lidstaten met name op om de preventieve maatregelen te versterken en maatregelen vast te stellen die bedoeld zijn om lichamelijke achteruitgang te compenseren, vooral door ergonomische maatregelen en het ontwerp van de werkplek, en door maatregelen en prikkels die bedoeld zijn om te zorgen dat oudere werknemers hun motivatie, vaardigheden en gezondheid behouden;

18.   wijst op de wetenschappelijk bewezen samenhang tussen toenemende stress op de werkplek en ziekten die er het gevolg van zijn, vooral waar het chronische ziekten, hart- en vaatziekten en ziekten van het bewegingsapparaat betreft;

19.   acht het van het grootste belang om te zorgen voor beter gebruik van de bestaande wettelijke instrumenten op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk en verzoekt de Commissie en de lidstaten bijgevolg alle beschikbare middelen aan te wenden om dit doel te bereiken; is van mening dat onder andere de volgende maatregelen moeten worden overwogen:

   a) minimumvereisten voor de kwaliteit van preventieve diensten en de arbeidsinspectie,
   b) strengere sancties,
   c) een betere evaluatie van de uitvoering van de wetgeving,
   d) uitwisseling van beste praktijken,
   e) versterking van de preventiecultuur en systemen voor vroegtijdige waarschuwing, waaronder bredere maatschappelijke toegang tot informatie aangaande werk- en veiligheidsomstandigheden op de werkplek,
   f) grotere betrokkenheid van de werknemers op het werk,
   g) stimulansen voor de werkgevers om te voldoen aan hun verplichtingen op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk,
   h) versterkt gebruik van overeenkomsten over sociale dialoog;

20.   is van oordeel dat het de Commissie in ernstige mate aan middelen ontbreekt om goed te kunnen beoordelen of de aangenomen richtlijnen over de veiligheid op het werk doeltreffend worden omgezet en uitgevoerd; is van oordeel dat de Commissie van alle middelen die haar ten dienste staan gebruik dient te maken, onder andere door op ruimere schaal gebruik te maken van overtredingsprocedures;

21.   wijst erop dat veiligheid en gezondheid op het werk voor alle werknemers in de Europese Unie in dezelfde mate moeten gelden, dat veiligheid en gezondheid op het werk uiteindelijk op het grondrecht van lichamelijke integriteit berusten en dat de mogelijkheden om van de wetgeving inzake veiligheid en gezondheid op het werk af te wijken, de gezondheid van de werknemers en hun gelijkheid van kansen in gevaar kunnen brengen en tot gelijkschakeling in neerwaartse richting kunnen voeren;

22.   vraagt de Commissie om de effectbeoordeling voor gezondheid en veiligheid op het werk evenveel aandacht te geven als die voor het milieueffect;

23.   beschouwt arbeidsinspectie als een essentieel onderdeel van de uitvoering van de wetgeving op het gebied van gezondheid en veiligheid;

  a) verzoekt de Commissie daarom:
   i) het Comité van hoge ambtenaren van de arbeidsinspectie (SLIC) de nodige middelen ter beschikking te stellen om effectief te kunnen functioneren, na onderzoek hoe het zo doeltreffend mogelijk kan werken en de beste waarde opleveren,
   ii) voort kennisdelingssystemen te ontwikkelen om te zorgen voor effectieve reacties op verzoeken om informatie en samenwerking,
   iii) evaluatieonderzoek naar de efficiëntie en impact van inspectieactiviteiten op te starten, overeenkomstig het verzoek van het SLIC, teneinde gemeenschappelijke kwantitatieve en kwalitatieve inspectiedoelstellingen te stellen, en daardoor het gebruik van inspecties aan te moedigen voor het bevorderen van een efficiënte en effectieve gezondheids- en veiligheidscultuur onder alle werknemers,
   iv) manieren en methoden in te voeren om de nationale inspectiesystemen te evalueren, met name door scoreborden in te stellen,
  b) en verzoekt de lidstaten:
   i) aangepaste middelen op het gebied van personeel en financiën ter beschikking van hun nationale inspectiediensten te stellen,
   ii) de dichtheid van arbeidsinspecteurs te vergroten, om op zijn minst een verhouding van 1 per 10 000 werknemers te garanderen, overeenkomstig de aanbevelingen van de IAO,
   iii) de kwaliteit van de arbeidsinspecteurs te vergroten door meer multidisciplinaire opleiding te verstrekken op terreinen als psychologie, ergonomie, hygiëne, milieurisico's en toxicologie,
   iv) met de inspecties te focussen op prioritaire gebieden, sectoren en ondernemingen met een hoog risico op ongevallen en grote hoeveelheden werknemers uit kwetsbare groepen als arbeidsmigranten, interim-werknemers, laaggekwalificeerde en laagopgeleide werknemers, jonge en oudere werknemers en werknemers met een handicap;

24.   erkent dat preventie van centraal belang is en verzoekt de Commissie in het kader van de strategie:

   a) ervoor te zorgen dat de werkgevers hun verantwoordelijkheid erkennen en ernaar handelen door op alle werkplekken degelijke preventieve diensten te verstrekken - hetgeen niet wegneemt dat een verantwoordelijke attitude van de werknemers tegenover hun eigen veiligheid en gezondheid ook van belang is,
   b) aan te moedigen dat preventieve diensten volledig multidisciplinair zijn en de hiërarchie van maatregelen van Richtlijn 89/391/EEG weerspiegelen,
   c) te benadrukken dat risicobeoordeling een continu proces moet zijn en geen eenmalige verplichting en dat de werknemer er volledig bij moet worden betrokken,
   d) ervoor te zorgen dat preventieve activiteiten in de mate van het mogelijke binnen de onderneming plaatshebben,
   e) ervoor te zorgen dat gezondheidscontrole gepaard gaat met preventie,
   f) haar wetgeving betreffende gezondheid en veiligheid op het werk regelmatig aan te passen in het licht van nieuwe technologische ontwikkelingen;

25.   benadrukt dat het belangrijk is dat de lidstaten ervoor zorgen dat de toegang tot technische documenten en normen op het gebied van gezondheid en veiligheid op de werkplek op nationaal niveau gratis is;

26.   feliciteert de Commissie met de voorstellen van haar de mededeling op het gebied van onderwijs en opleiding en is van mening dat ze een sleutelfactor voor de ontwikkeling van een preventiecultuur zijn en voorts een continu proces moeten vormen, in overeenstemming met de nieuwe technische situatie op de arbeidsplaats, ook voor werknemers die terugkeren in het arbeidsproces na ziekte of loopbaanonderbrekingen vanwege zorgtaken in het gezin;

27.   is van oordeel dat beroepsopleidingen en herscholing op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk op maat moeten worden aangeboden aan werknemers en vertegenwoordigers op het gebied van gezondheid en veiligheid, met speciale aandacht voor onderaanneming, tijdelijk werk, parttime werk, vrouwen en arbeidsmigranten; is van oordeel dat nationale en EU-middelen daarvoor gebruikt moeten blijven worden;

28.   is van mening dat werkgevers verplicht zouden moeten worden om medisch onderzoek voor dagloners en deeltijdse werknemers aan te bieden;

29.   verzoekt de Commissie volledig gebruik te maken van de bestaande Gemeenschapsfondsen (met name het Europees Sociaal Fonds) waar het zaken betreft die met gezondheid en veiligheid samenhangen (preventie en de ontwikkeling van een preventiecultuur, bewustmaking, beroepsopleiding, levenslang leren, rehabilitatie en re-integratie van werknemers na een arbeidsongeval of -ziekte) en die in het bijzonder gericht zijn op KMO's; verzoekt de Commissie andere Gemeenschapsfondsen (bijvoorbeeld uit het zevende kaderprogramma voor onderzoek) en nationale fondsen aan te wenden aan onderzoek op het gebied van beroepsziekten;

30.   acht het gezien het verhoogde gevaar waaraan werknemers in de mijnbouw, metaalwinning, ijzer- en staalindustrie en scheepsbouw zijn blootgesteld noodzakelijk dat de lidstaten en de Commissie voldoende middelen ter beschikking stellen voor investeringen die nodig zijn om de gezondheid en veiligheid op het werk te waarborgen;

31.   verzoekt de lidstaten en de Commissie een systematische gendergevoelige benadering te volgen bij de ontwikkeling van nationale en Europese strategieën inzake preventie op het gebied van veiligheid en gezondheid op het werk en bij de samenstelling van statistieken, uitvoering van enquêtes en het doen van onderzoek op dit gebied; verzoekt de lidstaten en de Commissie gebruik te maken van de financieringsmogelijkheden die het Progress-programma hiertoe biedt, vooral op grond van het gedeelte met betrekking tot gendergelijkheid;

32.   verzoekt de lidstaten de goedkeuring te overwegen van financiële stimuli om gezondheid en veiligheid op het werk te bevorderen, met name belastingkortingen of een preferentie voor veilige bedrijven en op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk gecertificeerde ondernemingen bij aanbestedingen, de invoering in verzekeringspolissen en socialezekerheidsbijdragen van een kortingenstelsel voor het uitblijven van schadegevallen, en financiële stimuli om onveilige en verouderde uitrusting te vervangen;

33.   stelt verder voor dat de lidstaten de mogelijkheid overwegen bepaalde normen op het gebied van gezondheid en veiligheid op te nemen bij de plaatsing van overheidsopdrachten;

34.   verzoekt de Commissie om, met het oog op de huidige sociale en economische veranderingen, die ook de arbeidsmarkt beïnvloeden en veranderen, een goed werkgelegenheidsbeleid en behoorlijke werkomstandigheden te stimuleren, en om werkgevers aan te moedigen een gezonde levensstijl op het werk te bevorderen door middel van campagnes ter bevordering van gezondheid op het werk, het handhaven van rookverboden op het werk en programma's om rokende werknemers te helpen bij het stoppen met roken, en ervoor te zorgen dat het beleid samenhang vertoont met het beleid op andere terreinen, in het bijzonder de volksgezondheid;

35.   verzoekt de Commissie een herziening op te starten van Richtlijn 92/85/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 inzake de tenuitvoerlegging van maatregelen ter verbetering van de veiligheid en de gezondheid op het werk, van werkneemsters tijdens de zwangerschap, na de bevalling en tijdens de lactatie(13) ;

36.   is van oordeel dat de gezondheidsproblemen die verband houden met blootstelling aan asbest welbekend zijn en dat de Europese regelgeving betreffende asbest aanvaardbaar is; benadrukt dat door asbest veroorzaakte ziekten volgens de prognoses nog jarenlang veelvuldig zullen voorkomen; verzoekt daarom de Commissie een hoorzitting te organiseren over de aanpak van de enorme gezondheids- en veiligheidsproblemen op het werk die verband houden met de aanwezigheid van asbest in bestaande gebouwen en andere constructies, zoals schepen, treinen en machinerieën; verzoekt tevens de lidstaten nationale actieplannen op te stellen voor de geleidelijke eliminering van asbest, met daarin verplichtingen om de in gebouwen aanwezige asbest in kaart te brengen en te zorgen voor de veilige verwijdering van asbest;

37.   betreurt dat ondanks herhaalde en uitdrukkelijke verzoeken van het Parlement, de Commissie nog steeds met een voorstel tot wijziging van Richtlijn 2000/54/EG moet komen om de ernstige risico's voor werknemers in de gezondheidszorg aan te pakken, die verbonden zijn met het gebruik van naalden en scherpe medische instrumenten; vraagt haar om de voltooiing van de effectbeoordeling aan de hand van de aanbestedingsprocedure (2007/S 139-171103) te bespoedigen en verwacht dat er ruim voor het einde van de legislatuurperiode midden 2009 een degelijk amendement op de richtlijn aangenomen wordt, in overeenstemming met zijn reeds aangehaalde resolutie betreffende de bescherming van werknemers in de gezondheidszorg in Europa tegen door bloed overgedragen infecties als gevolg van prikaccidenten; verzoekt de Commissie passende preventie- en screeningsmaatregelen door te voeren om het risico op door bloed overgedragen ziekten zoals hepatitis C terug te dringen;

38.   verzoekt de Commissie het voortouw te nemen bij het ontwikkelen van en het tot overeenstemming komen over een EU-praktijkcode betreffende de preventie van aan de gezondheidszorg gerelateerde infecties;

39.   verzoekt de Commissie de gezondheid en veiligheid op het werk in de gezondheidszorg te verbeteren, waaronder in verzorgingshuizen, door maatregelen te nemen om de routinematige screening van zorgpersoneel te bevorderen, zodat beroepsmatig opgelopen besmettelijke infecties, zoals MRSA, in een vroeg stadium opgespoord en behandeld, en aldus teruggedrongen kunnen worden;

40.   is tevreden met de verplichting voor de lidstaten om nationale strategieën op te stellen; benadrukt dat deze strategieën betrekking moeten hebben op dezelfde periode en moeten beginnen in hetzelfde jaar, om de vergelijking zowel van de nationale strategieën als van de resultaten hiervan te vergemakkelijken, dat er duidelijke en meetbare doelstellingen in moeten worden bepaald en dat er in het bijzonder in moet worden gefocust op KMO's en op kwetsbare groepen als arbeidsmigranten, jonge en oudere werknemers, vrouwen, interim-werknemers en werknemers met een handicap;

41.   benadrukt dat het van essentieel belang is dat de werkplek toegankelijk en veilig wordt gemaakt voor werknemers met een handicap, door te voorzien in redelijke aanpassingen, in speciale uitrusting die aan de individuele behoefte is aangepast, en in de gezondheidsdiensten die mensen met een handicap juist vanwege hun handicap nodig hebben, waaronder diensten die bedoeld zijn om verdere handicaps te minimaliseren en te voorkomen;

42.   verzoekt zowel de Commissie als de lidstaten de kaderrichtlijn en de bestaande bepalingen op het gebied van gezondheid en veiligheid onverkort en onafhankelijk van hun juridische status toe te passen op alle werknemers en de bestaande wetgeving voor bepaalde risicoberoepen aan te passen als ze ondoeltreffend gebleken is, ook voor vaak veronachtzaamde groepen als landarbeiders, werknemers in de gezondheidszorg, beroepschauffeurs, huishoudelijk personeel, thuiswerkers en het leger, indien nodig, en de onverkorte toepassing en naleving te waarborgen van Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(14) ; vraagt de Commissie en de lidstaten tevens om alle beschikbare opties te overwegen om de EU-bepalingen op het gebied van gezondheid en veiligheid uit te breiden tot zelfstandigen en beschermde werkvoorziening voor mensen met een handicap;

43.   verzoekt de lidstaten om serieus aandacht te schenken aan de verschillende risico's voor vrouwelijke en mannelijke werknemers met betrekking tot veiligheid en gezondheid op het werk en te zorgen voor verschillende sociale en fysieke infrastructuur om deze risico's tegen te gaan;

44.   wijst erop dat de noodzaak om de risico's voor mannen en vrouwen te analyseren en adequate maatregelen te nemen niet betekent dat er opnieuw een protectiebeleid dat leidt tot uitsluiting wordt geïntroduceerd, noch dat er verschillende banen voor mannen en vrouwen worden ontwikkeld;

45.   is van mening dat de veiligheidsverplichtingen van een werkgever in strikte zin weliswaar beperkt is tot diegenen waarmee hij een wettelijke relatie heeft door een arbeidsovereenkomst, maar dat werkgevers aangemoedigd gestimuleerd moeten worden om waar mogelijk het gezondheids- en veiligheidsbeleid van hun onderaannemers en de keten van onderaannemers na te gaan teneinde gezondheids- en veiligheidsbeleid te incorporeren in het MVO-beleid

46.  46 wacht de resultaten van de tweede fase van de raadpleging van de sociale partners over spier-pees-botaandoeningen af en vraagt de Commissie om de optie van het voorstellen van een richtlijn te overwegen, gezien het toenemend aantal gevallen van die aandoeningen en het feit dat de bestaande wetgeving klaarblijkelijk niet volstaat, omdat ze geen betrekking op alle arbeidssituaties heeft en niet alle risico's van werkgerelateerde spier-pees-botaandoeningen dekt; stelt dat wetenschappelijke beginselen volledig in aanmerking genomen moeten worden;

47.   wacht de resultaten af van de tweede fase van de raadpleging van de sociale partners over de herziening van de richtlijn over carcinogene agentia van 2004 en is van mening dat de verkieslijke optie kan zijn om de richtlijn te wijzigen, zodat voor de voortplanting vergiftige stoffen erin worden opgenomen, en een herziening voor te stellen van de bindende grenswaarden voor beroepsblootstelling voor carcinogene en mutagene agentia die in de richtlijn zijn opgenomen en nieuwe bindende grenswaarden voor beroepsblootstelling vast te stellen voor sommige carcinogene, mutagene en voor de voortplanting vergiftige stoffen die nog niet in de richtlijn zijn opgenomen;

48.   herinnert eraan dat bedreigingen voor de gezondheid en de veiligheid op het werk niet beperkt blijven tot handenarbeid; vraagt meer aandacht voor de onderliggende oorzaken van het ontstaan van geestesziekten en voor de geestelijke gezondheid, verslaving en psychologische gevaren op het werk, zoals stress, lastiggevallen en gepest worden, en ook geweld, en wil verder dat er meer nadruk wordt gelegd op het beleid van werkgevers voor de bevordering van een goede fysieke en mentale gezondheid;

49.   acht het van cruciaal belang dat er op grotere schaal wordt samengewerkt met het nieuwe Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) in Helsinki en dat er opheldering gegeven wordt omtrent een aantal kwesties in verband met de verhouding tussen enerzijds Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH)(15) en anderzijds de andere richtlijnen inzake gezondheid op het werk;

50.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om afdoende rekening te houden met de gelijktijdige tenuitvoerlegging van de communautaire strategie en de REACH-verordening: de strategie dient een aanvulling te zijn op de REACH-verordening inzake de bescherming tegen chemische gevaren en dient gebruik te maken van de mogelijkheid tot versterking van de preventieve maatregelen tegen chemische gevaren op het werk in verband met de tenuitvoerlegging van de REACH-verordening;

51.   is tevreden met de recent gesloten kaderovereenkomst tussen de sociale partners over pesten en geweld op het werk; betreurt evenwel dat deze overeenkomst niet expliciet betrekking heeft op de kwestie van geweld door derden; verzoekt de sociale partners daarom om dit onderwerp nader uit te zoeken;

52.   vestigt de aandacht op de moeilijke werkomstandigheden van veel vrachtwagenchauffeurs die door Europa rijden en te weinig goede stopplaatsen tot hun beschikking hebben: artikel 12 van Verordening (EG) nr. 561/2006(16) over rij- en rusttijden erkent uitdrukkelijk het belang van voldoende veilige en bewaakte stopplaatsen voor beroepschauffeurs langs het EU-netwerk van snelwegen; dringt daarom bij de Commissie aan op een vervolg van het op initiatief van het Europees Parlement gehouden proefproject voor veilige en bewaakte stopplaatsen en daarbij rekening te houden met de maatregelen die worden aanbevolen in het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over veilige en bewaakte stopplaatsen(17) ;

53.   verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de haalbaarheid en de voordelen voor de gezondheid en veiligheid op het werk alsook voor de maatschappij als geheel, van de eis om in alle nieuwe gebouwen die als werkplek zijn bedoeld sprinklerinstallaties te installeren waar dat veilig is;

54.   benadrukt dat het belangrijk is dat een continue dialoog wordt gevoerd tussen alle belanghebbende partijen, inclusief de overheid, de werkgevers, de werknemers, hun vertegenwoordigers en de civiele maatschappij, als sleutelinstrument voor de effectieve ontwikkeling van strenge normen op het gebied van gezondheid en veiligheid; is van mening dat deze dialoog moet leiden tot een betere kennis van de reële risico's voor de gezondheid en veiligheid van werknemers alsmede van de specifieke behoeften en eisen van bepaalde groepen werknemers op het niveau van het bedrijf en de sector en tot een uitwisseling van goede praktijken;

55.   verzoekt de lidstaten te zorgen voor een adequate vertegenwoordiging van vrouwen op alle niveaus in de besluitvorming over gezondheid en veiligheid op het werk;

56.   acht maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) een van de doeltreffende instrumenten tot verbetering van het concurrentievermogen, van de gezondheid en veiligheid op het werk en van de werkomgeving, en moedigt in dit verband de uitwisseling van goede praktijken aan op lokaal, nationaal en Europees niveau tussen de lidstaten en mondiaal op multinationaal niveau alsmede de verdere toepassing van maatschappelijk verantwoord ondernemen op vrijwillige basis, maar als een integraal onderdeel van bedrijfsstrategieën voor ontwikkeling;

57.   is van mening dat de vertegenwoordiging van de werknemers van groot belang is voor om het even welk beleid op het gebied van gezondheid en veiligheid op het werk; is van mening dat de positieve correlatie tussen de aanwezigheid van vertegenwoordigers op het gebied van gezondheid en veiligheid op de werkplek en de prestaties niet kan worden onderschat en verzoekt de Commissie en de lidstaten de participerende aanpak te bevorderen en ervoor te zorgen dat zo mogelijk alle werkneemsters en werknemers toegang tot vertegenwoordigers op het gebied van gezondheid en veiligheid hebben;

58.   is van mening dat te lange of te veel werkuren of te weinig of te korte rustperioden een sleutelfactor zijn voor de toenemende ongevallen en ziekten op het werk en vraagt een goed evenwicht tussen werk en gezinsleven;

59.   feliciteert het OHSA en de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden met het werk dat zij tot nu toe hebben gedaan en is van mening dat de expertise en de bevoegdheden van deze organen volledig benut moeten worden; is van mening dat zij dienen te blijven functioneren als instrumenten voor bewustmaking, voor het verzamelen, analyseren en uitwisselen van informatie, voor de uitwisseling van goede praktijken en voor onderzoek om nieuwe risico's die zich aandienen te anticiperen, of deze nu veroorzaakt worden door sociale veranderingen of samenhangen met technische innovatie;

60.   is van mening dat het van vitaal belang is om nieuwe en opkomende risico's tijdig te identificeren en op te volgen – bijvoorbeeld psychosociale risico's; feliciteert het risicowaarnemingscentrum van het OHSA daarom met zijn werk en verwacht van de Commissie dat zij op basis van de vaststellingen van het centrum actie onderneemt en de nodige voorstellen indient zodra nieuwe risico's worden geïdentificeerd;

61.   beveelt lidstaten aan om maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat voor zwaar of gevaarlijk werk passende sociale zekerheid wordt geboden, waarop de betreffende werknemers zowel gedurende hun beroepsleven als na hun pensionering kunnen terugvallen;

62.   beveelt aan dat het OHSA specifiek onderzoek verricht naar de bijzondere problemen en risico's waarmee tijdelijke en interim-werknemers te maken krijgen, naast de werknemers van onderaannemers, om voor de Commissie en de lidstaten de strijd tegen de risico's waarmee deze personen te maken krijgen, te vergemakkelijken en de bestaande wetgeving betreffende deze groepen naar behoren uit te voeren, en daarbij te erkennen dat de aard van het werk dat deze groepen doen, bijvoorbeeld werken in de bouw, in sommige lidstaten een verhoogde kans op ongevallen met zich meebrengt;

63.   is van mening dat het in een mondiale omgeving nodig is samen te werken met internationale organisaties (Wereldhandelsorganisatie, Wereldgezondheidsorganisatie, IAO) en ervoor te zorgen dat er internationale conventies en overeenkomsten over gezondheid en veiligheid op het werk worden goedgekeurd en door alle partijen uitgevoerd; beschouwt dat als een belangrijke factor om het concurrentievermogen van de EU te behouden en te voorkomen dat ondernemingen uit de EU worden overgeplaatst naar landen buiten de EU, in het kader van een zoektocht naar een minder streng wettelijk kader op het gebied van gezondheid en veiligheid; is voorts van mening dat dat een kwestie van bescherming van de mensenrechten is en bijgevolg te berde moet komen bij onderhandelingen met derde landen;

64.   verzoekt de lidstaten daarom om de internationale bepalingen op het gebied van gezondheid en veiligheid na te leven en in het bijzonder om IAO-conventie C-187 te ratificeren en aanbeveling R-197 uit te voeren;

65.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 303 van 14.12.2007, blz. 1.
(2) PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.
(3) PB L 262 van 17.10.2000, blz. 21.
(4) PB L 165 van 27.6.2007, blz. 21.
(5) PB C 300 E van 11.12.2003, blz. 290.
(6) PB C 304 E van 1.12.2005, blz. 400.
(7) PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 754.
(8) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0206.
(9) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0501.
(10) Aangenomen teksten, P6_TA(2007)0102.
(11) PB L 238 van 25.9.2003, blz. 28.
(12) PB L 206 van 29.7.1991, blz. 19.
(13) PB L 348 van 28.11.1992, blz. 1.
(14) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(15) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(16) PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1.
(17) PB C 175 van 27.7.2007, blz. 88.

Laatst bijgewerkt op: 15 september 2008Juridische mededeling