Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2011(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0263/2008

Ingediende teksten :

A6-0263/2008

Debatten :

Stemmingen :

PV 25/09/2008 - 7.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2008)0456

Aangenomen teksten
WORD 54k
Donderdag 25 september 2008 - Brussel Definitieve uitgave
Publieke (burger- en gemeenschaps-) media in Europa
P6_TA(2008)0456A6-0263/2008

Resolutie van het Europees Parlement van 25 september 2008 over publieke (burger- en gemeenschaps-) media in Europa (2008/2011(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gelet op de artikelen 150 en 151 van het EG-Verdrag,

–   gezien het op 2 oktober 1997 ondertekende Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende akten, Protocol nr. 9 betreffende het publieke omroepstelsel in de lidstaten(1) ,

–   gezien artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–   gezien de UNESCO-conventie inzake de bescherming en promotie van de diversiteit van culturele expressies die de legitimiteit van overheidsbeleid voor de erkenning en bevordering van pluralisme erkent,

–   gezien Richtlijn 2002/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een gemeenschappelijk regelgevingskader voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Kaderrichtlijn)(2) ,

–   gezien Richtlijn 2002/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de toegang tot en interconnectie van elektronische-communicatienetwerken en bijbehorende faciliteiten (Toegangsrichtlijn)(3) ,

–   gelet op Richtlijn 2002/20/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 betreffende de machtiging voor elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Machtigingsrichtlijn)(4) ,

–   gezien Richtlijn 2002/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten (Universeledienstrichtlijn)(5) ,

–   gezien Richtlijn 2007/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot wijziging van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten(6) ,

–   gezien Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (Radiospectrumbeschikking)(7) ,

–   gezien het Witboek van de Commissie inzake een Europees communicatiebeleid (COM(2006)0035),

–   gezien de Mededeling van de Commissie van 20 december 2007, getiteld "Een Europese aanpak van mediageletterdheid in de digitale omgeving" (COM(2007)0833),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 14 juli 1995 inzake het Groenboek Strategische opties voor de versterking van de programma-industrie in de context van het audiovisuele beleid van de Europese Unie(8) ,

–   gezien het werkdocument van de Commissiediensten, getiteld "Media pluralism in the Member States of the European Union" (SEC(2007)0032),

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 april 2004 over de risico's van schending in de EU en met name in Italië van de vrijheid van meningsuiting en informatie (artikel 11, lid 2 van het Handvest van de grondrechten)(9) ,

–   gezien de in opdracht van het Europees Parlement uitgevoerde studie "De stand van zaken van "community media" in de Europese Unie",

–   gezien aanbeveling "Community Media/Rec (2007)2" van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten inzake mediapluralisme en inhoudelijke verscheidenheid in de media,

–   gezien de verklaring van het Comité van ministers van de Raad van Europa over de bescherming van de rol van de media in de democratie in het licht van de mediaconcentratie (Decl-31.01.2007E),

–   gezien de Gemeenschappelijke Verklaring inzake diversiteit in het omroepstelsel, opgesteld door de speciale VN-rapporteur voor de vrijheid van meningsuiting, de vertegenwoordiger van de OVSE voor de vrijheid van de media, de speciale rapporteur van de OAS voor de vrijheid van meningsuiting en de speciale rapporteur van de ACHPR (Afrikaanse Commissie voor de rechten van mensen en volken) voor de vrijheid van meningsuiting en de toegang tot informatie (goedgekeurd op 12 december 2007),

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A6-0263/2008),

A.   overwegende dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media non-profitorganisaties zijn en rekenschap verschuldigd zijn aan de gemeenschap waarop hun diensten gericht zijn,

B.   overwegende dat dergelijke media wegens hun non-profit karakter primair ten doel hebben activiteiten van openbaar of particulier belang te ontplooien zonder commercieel of geldelijk winstoogmerk,

C.   overwegende dat het feit dat zij rekenschap zijn verschuldigd aan hun gemeenschap betekent dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media de gemeenschap over hun activiteiten en beslissingen moeten inlichten, dat zij deze moeten rechtvaardigen en dat zij in het geval van eventueel wangedrag moeten worden gesanctioneerd,

D.   overwegende dat er tussen de lidstaten belangrijke verschillen bestaan met betrekking tot de verspreiding en invloed van publieke (burger- en gemeenschaps-) media, welke het grootst zijn in die lidstaten die duidelijk hun legale status erkennen en zich bewust zijn van hun meerwaarde,

E.   overwegende dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media open dienen te staan voor deelname aan het produceren van media-inhoud door leden van de gemeenschap, en aldus actieve deelname van vrijwilligers aan mediaproducties bevorderen in plaats van passieve mediaconsumptie,

F.   overwegende dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media veelal niet gericht zijn op de meerderheid van de samenleving, maar in plaats daarvan op een verscheidenheid aan kleinere, specifieke en vaak lokale of regionale doelgroepen, die door de andere media over het hoofd worden gezien;

G.   overwegende dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media een brede maar grotendeels niet erkende rol in het medialandschap spelen, vooral als bron van lokale media-inhoud, en innovatie, creativiteit en diversiteit van media-inhoud bevorderen,

H.   overwegende dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media moeten beschikken over een duidelijk omschreven taakstelling, zoals het voorzien in een sociale behoefte, die eveneens tot uitdrukking moet komen in de door deze media geproduceerde inhoud,

I.   overwegende dat een van de belangrijkste zwakke punten van de publieke (burger- en gemeenschaps-) media in de Europese Unie is gelegen in het feit dat zij door vele nationale rechtsstelsels niet worden erkend, en dat ze tot nu toe in geen enkele relevante communautaire rechtshandeling aan bod komen,

J.   overwegende dat de invoering van een gedragscode naast wettelijke erkenning de status, procedures en rol van de sector zou verduidelijken, en daardoor zou bijdragen aan zekerheid binnen de sector en ook de onafhankelijkheid zou waarborgen en wangedrag voorkomen,

K.   overwegende dat het internet in deze sector een nieuw tijdperk met nieuwe mogelijkheden en uitdagingen heeft ingeluid, en dat de kosten voor de overstap van analoge naar digitale transmissie een significante last voor de plaatselijke media vormen,

L.   overwegende dat 2008 is uitgeroepen tot Europees jaar van de interculturele dialoog, wat betekent dat de media in de Europese Unie een bijzonder belangrijke rol hebben te spelen omdat ze voorzien in uiterst geschikte uitdrukkings- en informatiemiddelen voor kleinere culturele groeperingen binnen de maatschappij als geheel en voor voortzetting van de interculturele dialoog gedurende 2008 en daarna,

M.   overwegende dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media een belangrijk middel zijn om burgers een eigen stem te geven en om ze te stimuleren actief deel te nemen aan het maatschappelijk leven, overwegende dat zij de maatschappelijke discussie verrijken omdat zij intern pluralisme van ideeën vertegenwoordigen, en overwegende dat eigendomsconcentratie een bedreiging vormt voor diepgaande mediaberichtgeving over lokale kwesties die voor alle groepen binnen de gemeenschap van belang zijn,

1.   benadrukt dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media een effectief middel zijn voor het versterken van de culturele en taalkundige verscheidenheid, sociale cohesie en lokale identiteit, hetgeen de diversiteit van de sector verklaart;

2.   wijst erop dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media ertoe bijdragen de identiteiten van specifieke belangengroepen te versterken en leden van dergelijke groepen tegelijkertijd in staat te stellen een dialoog met andere groepen van de samenleving aan te gaan, zodat deze media een belangrijke rol spelen bij de bevordering van tolerantie en pluralisme in de samenleving en bijdragen tot de interculturele dialoog;

3.   benadrukt tevens dat de publieke (burger- en gemeenschaps-) media de interculturele dialoog bevorderen door bij te dragen aan de educatie van het grote publiek, negatieve stereotypen te bestrijden en het beeld te corrigeren dat de massamedia geven van sociale groepen die buitengesloten dreigen te worden, zoals vluchtelingen, migranten, Roma en andere etnische en religieuze minderheden; benadrukt dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media een instrument voor het vergemakkelijken van de integratie van immigranten zijn en het aan achtergestelden geven van de mogelijkheid een actieve rol in de samenleving te spelen door aan debatten deel te nemen die voor hen van belang zijn;

4.   wijst erop dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media een belangrijke rol als waardevolle werkervaringsplek kunnen spelen in opleidingsprogramma's waar externe organisaties, waaronder universiteiten, en onervaren leden van de gemeenschap bij betrokken zijn; wijst erop dat mensen een opleiding geven in digitale, web- en redactionele vaardigheden door middel van deelname aan activiteiten van plaatselijke media in nuttige en overdraagbare vaardigheden resulteert;

5.   wijst erop dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media als katalysator voor lokale creativiteit fungeren doordat zij kunstenaars en creatieve ondernemers een openbaar platform bieden voor het uitproberen van nieuwe ideeën en concepten,

6.   is van oordeel dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media ertoe bijdragen de mediageletterdheid van de burgers te bevorderen door hen rechtstreeks te betrekken bij de productie en verspreiding van media-inhoud, en moedigt publieke (burger- en gemeenschaps-) media op scholen aan om jongeren maatschappelijk betrokken te maken, hen te leren omgaan met media en ze een aantal vaardigheden bij te brengen die ze verder kunnen gebruiken voor deelname aan publieke (burger- en gemeenschaps-) media;

7.   benadrukt dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media ertoe bijdragen het pluralisme in de media te versterken, aangezien zij onderwerpen die voor een bepaalde gemeenschap van centraal belang zijn, vanuit aanvullende invalshoeken benaderen;

8.   wijst erop dat, gezien het feit dat openbare en commerciële media in bepaalde gebieden, waaronder afgelegen gebieden, niet of niet meer aanwezig zijn, en door de tendens van commerciële media om lokale inhoud te beperken, publieke (burger- en gemeenschaps-) media soms de enige bron van lokaal nieuws en informatie en de enige stem van lokale gemeenschappen zijn;

9.   is verheugd over het feit dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media de aandacht van het publiek kunnen vestigen op bestaande openbare diensten en de participatie van de burgers in het publieke debat kunnen bevorderen;

10.   is van oordeel dat publieke (burger- en gemeenschaps-) media een doeltreffend middel kunnen zijn om de Unie dichter bij haar burgers te brengen door zich te richten op speciale groepen kijkers of luisteraars, en beveelt verder aan dat de lidstaten actiever met plaatselijke media samenwerken teneinde een intensievere dialoog met de burgers aan te gaan;

11.   wijst erop dat een goede kwaliteit van de publieke (burger- en gemeenschaps-) media essentieel is voor een volledige benutting van hun mogelijkheden en benadrukt het feit dat zonder voldoende financiële middelen een dergelijke kwaliteit niet mogelijk is; wijst erop dat de financiële middelen van publieke (burger- en gemeenschaps-) media sterk uiteenlopen maar in de regel vrij schaars zijn, en erkent dat extra financiële steun en digitale aanpassing de publieke (burger- en gemeenschaps-) media in staat zou stellen om verder te innoveren en nieuwe en essentiële diensten te leveren die het bestaande analoge aanbod meerwaarde zouden geven;

12.   constateert dat de sector de steun ontbeert die nodig is om in staat te zijn tot grotere inspanningen ter verbetering van zijn vertegenwoordiging bij en zijn contacten met de Europese Unie en nationale besluitvormers;

13.   benadrukt de noodzaak van politieke onafhankelijkheid van publieke (burger- en gemeenschaps-) media;

14.   verzoekt de Commissie en de lidstaten rekening te houden met de inhoud van de resolutie door publieke (burger- en gemeenschaps-) media te definiëren als:

   a) op non-profitbasis werken, onafhankelijk van nationale en lokale autoriteiten zijn en in de eerste plaats activiteiten van publiek en maatschappelijk belang ontplooien, met duidelijk vastgelegde doelstellingen die altijd een maatschappelijk oogmerk hebben en bijdragen aan de interculturele dialoog;
   b) rekenschap verschuldigd zijn aan de gemeenschap waarop hun diensten zijn gericht, wat betekent dat zij de gemeenschap over hun activiteiten en beslissingen moeten inlichten, dat zij deze moeten rechtvaardigen en dat zij in het geval van eventueel wangedrag moeten worden gesanctioneerd, zodat de diensten de belangen van de gemeenschap blijven dienen en "topdown"-netwerken worden voorkomen;
   c) moeten openstaan voor deelname aan het produceren van media-inhoud door leden van de gemeenschap, die aan alle productie- en managementaspecten mogen deelnemen hoewel zij die verantwoordelijk zijn voor de redactionele inhoud een professionele status moeten hebben;

15.   adviseert de lidstaten om, voor zover zij dit nog niet hebben gedaan, publieke (burger- en gemeenschaps-) media wettelijk te erkennen als specifieke groep mediaorganisaties naast commerciële en openbare media, zonder dat dit ten koste gaat van de traditionele media;

16.   verzoekt de Commissie om publieke (burger- en gemeenschaps-) media, bij het opstellen van indicatoren voor mediapluralisme, als een alternatieve "bottom-up" oplossing ter waarborging van het mediapluralisme te beschouwen;

17.   roept de lidstaten op publieke (burger- en gemeenschaps-) media ter waarborging van het mediapluralisme actiever te ondersteunen, al dient een dergelijke steun niet ten koste te gaan van de openbare media;

18.   benadrukt de rol die lokale, regionale en nationale autoriteiten kunnen spelen bij het steunen en bevorderen van publieke (burger- en gemeenschaps-) media door te zorgen voor een geschikte infrastructuur, samen met steun in het kader van programma's die uitwisseling van optimale werkwijzen stimuleren, zoals het programma van de Gemeenschap "Regio's voor economische verandering" (voorheen het Interreg-programma);

19.   vraagt de lidstaten televisie- en radiofrequentiespectrum, zowel het analoog als digitaal, beschikbaar te stellen, en daarbij in gedachten te houden dat de diensten die door publieke (burger- en gemeenschaps-) media worden geleverd niet moet worden beoordeeld in termen van alternatieve kosten of rechtvaardiging van de kosten van spectrumtoewijzing maar op grond van de sociale waarde die ze vertegenwoordigen;

20.   erkent dat enerzijds slechts een klein deel van de sector over de nodige kennis en ervaring beschikt om EU-steun aan te vragen en te verwerven, terwijl anderzijds de voor steun verantwoordelijke ambtenaren zich niet bewust zijn van het potentieel van publieke (burger- en gemeenschaps-) media;

21.   erkent dat de sector intensiever gebruik zou kunnen maken van financieringsregelingen van de Gemeenschap voor zover deze bijdragen aan de doelstellingen van publieke (burger- en gemeenschaps-) media, door de uitvoering van een aantal specifieke programma's, zoals het Europees Regionaal Ontwikkelingsfonds en het Europees Sociaal Fonds, alsook de mogelijkheid voor opleiding en scholing van journalisten door middel van bijvoorbeeld de programma's voor levenslang leren; benadrukt echter dat in beginsel de financiering uit nationale, lokale en/of andere bronnen moet komen;

22.   spoort publieke (burger- en gemeenschaps-) media aan een Europees internetplatform in het leven roepen om nuttige en relevante informatie voor de sector te verspreiden, en de vorming van netwerken en de uitwisseling van optimale werkwijzen te bevorderen;

23.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 340 van 10.11.1997, blz. 109.
(2) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 33.
(3) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 7.
(4) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 21.
(5) PB L 108 van 24.4.2002, blz. 51.
(6) PB L 332 van 18.12.2007, blz. 27.
(7) PB L 108 van 24.4.2002, blz.1.
(8) PB C 249 van 25.9.1995, blz. 219
(9) PB C 104 E van 30.4.2004, blz.1026.

Laatst bijgewerkt op: 3 juni 2009Juridische mededeling