Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2009/2548(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B6-0134/2009

Ingediende teksten :

B6-0134/2009

Debatten :

PV 11/03/2009 - 3
CRE 11/03/2009 - 3

Stemmingen :

PV 11/03/2009 - 5.21
CRE 11/03/2009 - 5.21
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0121

Aangenomen teksten
PDF 100kWORD 51k
Woensdag 11 maart 2009 - Straatsburg Definitieve uitgave
Klimaatverandering
P6_TA(2009)0121B6-0134/2009

Resolutie van het Europees Parlement van 11 maart 2009 over een strategie van de EU voor een uitgebreide overeenkomst inzake de klimaatverandering in Kopenhagen en het ter beschikking stellen van voldoende middelen voor het beleid inzake klimaatverandering

Het Europees Parlement ,

–   gelet op artikel 175 van het EG-Verdrag,

–   gezien het door het Parlement op 17 december 2008 aangenomen klimaat- en energiepakket, met name zijn standpunten met betrekking tot het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling van de handel in broeikasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden(1) en met betrekking tot het voorstel voor een beschikking van het Europees Parlement en de Raad inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies terug te dringen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het terugdringen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen(2) ,

–   gezien de conclusies van het voorzitterschap van de Europese Raad van 19-20 juni 2008 en 11-12 december 2008,

–   onder verwijzing naar zijn resolutie van 4 februari 2009 over "2050: De toekomst begint vandaag – aanbevelingen voor het toekomstig geïntegreerd beleid van de EU inzake klimaatverandering"(3) ,

–   gezien de 14de conferentie van de partijen bij het raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC) (COP 14) en de Vierde conferentie van de partijen die dient als overleg van de partijen bij het Protocol van Kyoto (COP/MOP 4) van 1 en 12 december 2008 in Poznán (Polen),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 28 januari 2009 getiteld "Naar een uitgebreidere klimaatveranderingsovereenkomst in Kopenhagen" (COM(2009)0039),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 26 november 2008 getiteld "Een Europees economisch herstelplan" (COM(2008)0800),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 22 november 2007 getiteld "Een Europees strategisch plan voor energietechnologie (SET-plan) – Naar een koolstofarme toekomst" (COM(2007)0723),

–   gelet op artikel 103, lid 2 van zijn Reglement,

A.   overwegende dat de onderhandelingen over een alomvattende internationale klimaatveranderingsovereenkomst die aansluit bij de nagestreefde beperking van de mondiale temperatuurstijging tot minder dan 2°C in december 2009 in Kopenhagen moeten worden afgerond,

B.   overwegende dat recent onderzoek heeft aangetoond dat de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen tegen 2030 met 40% kan worden teruggedrongen tegen een kostprijs van minder dan een half procent van het mondiale BBP, waarbij wind-, zonne-energie en andere duurzame hernieuwbare energiebronnen in bijna een derde van de totale mondiale energiebehoeften kunnen voorzien; daarnaast kan door efficiënt energiegebruik een vermindering van de broekasgasemissies met meer dan een kwart worden bewerkstelligd en kan de ontbossing praktisch een halt worden toegeroepen,

C.   overwegende dat een toenemend aantal wetenschappers van mening is dat het voorkomen van de gevaarlijke klimaatverandering een stabilisatie vereist van de broeikasgassen in de atmosfeer op 350 ppm(vol)CO2-equivalent, een niveau dat aanzienlijk lager is dan eerder werd aanbevolen,

D.   overwegende dat de Europese Unie haar onderhandelingspositie zal vaststellen op de Europese Raad in het voorjaar van 2009,

E.   overwegende dat de Europese Unie streeft naar een leidende rol in de strijd tegen de wereldwijde opwarming van de aarde en volledig achter het onderhandelingsproces in het kader van het UNFCCC staat,

F.   overwegende dat de EU onlangs een klimaat- en energiepakket heeft aangenomen dat bestaat uit wetgevingsmaatregelen om de broeikasgasemissies in vergelijking met het niveau van 1990 tegen 2020 eenzijdig met 20% te verminderen, waarbij zij zich verbindt tot een beperking van 30% indien in Kopenhagen een voldoende ambitieuze internationale overeenkomst wordt bereikt,

G.   overwegende dat de emissies in de ontwikkelingslanden in snel tempo toenemen en dat deze landen de emissies niet kunnen beperken zonder aanzienlijke technische en financiële steun,

H.   overwegende dat ongeveer 20% van de emissies van kooldioxide (CO2) in de wereld voor rekening komt van de ontbossing en de aantasting van bossen; overwegende dat ontbossing en aantasting van bossen ook een belangrijke bedreiging vormen in verband met de klimaatverandering aangezien zij de belangrijke functie van bossen als opslag van kooldioxide schaden; overwegende dat de ontbossing met een alarmerende snelheid van 13 miljoen hectare per jaar voortschrijdt, merendeels in tropische gebieden in ontwikkelingslanden,

I.   overwegende dat de regeling van de EU inzake de handel in emissierechten (EU ETS) als model kan fungeren voor de ontwikkeling van de handel in emissierechten in andere ontwikkelde landen en regio's,

J.   overwegende dat de helft van de inspanningen voor het opvangen van de gevolgen in de gehele wereld geleverd zou kunnen worden met "win-win"-maatregelen tegen lage kosten, d.w.z. door de energie-efficiëntie te verbeteren,

K.   overwegende dat de veiling van emissierechten in de toekomst een aanzienlijk bedrag aan inkomsten kan genereren die kunnen worden gebruikt voor de financiering van emissiereductie- en aanpassingsmaatregelen in ontwikkelingslanden,

L.   overwegende dat het faciliteren van de financiering van projecten van hoge kwaliteit in ontwikkelingslanden, vooral in verband met kleine en middelgrote ondernemingen, afhangt van een uitgebreide, transparante en voortdurende stroom van informatie over de beschikbaarheid van financiering en de middelen voor het aanvragen daarvan; overwegende dat dit de verantwoordelijkheid van de internationale gemeenschap is, waarbij de EU een leidende rol dient te spelen en het goede voorbeeld moet geven,

M.   overwegende dat volgens de jongste ramingen voor emissiereductie wereldwijd nieuwe investeringen nodig zijn voor een bedrag van 175 miljard EUR tegen 2020 waarvan meer dan de helft in ontwikkelingslanden moet worden geïnvesteerd,

N.   overwegende dat volgens schattingen van de Commissie een halvering van de ontbossing voor 2020 de EU 15 tot 25 000 miljoen EUR per jaar vóór dat tijdstip zal kosten en dat het stoppen van de ontbossing nog hogere bedragen zal vergen,

O.   overwegende dat in diverse studies van internationale organisaties de kosten van aanpassing aan de klimaatverandering in de ontwikkelingslanden op tientallen miljarden euro per jaar worden geraamd,

1.   onderstreept dat de EU een leidende rol in het internationale klimaatbeleid moet blijven spelen; onderstreept hoe belangrijk het is dat de EU met één stem spreekt opdat zij haar geloofwaardigheid in deze rol behoudt;

2.   verzoekt de EU actief te streven naar een overeenkomst van Kopenhagen die rekening houdt met de meest recente wetenschappelijke rapporten over klimaatverandering, zich verbindt tot stabilisatieniveaus en temperatuurdoelstellingen die grote kans bieden dat de gevaarlijke klimaatverandering wordt voorkomen en die regelmatige herzieningen mogelijk maakt om ervoor te zorgen dat de doelstellingen in overeenstemming zijn met de jongste wetenschappelijke inzichten; is verheugd over de voorstellen van de Commissie ter zake;

3.   herinnert eraan dat het, om de gemiddelde temperatuurstijging in de gehele wereld tot niet meer dan 2°C boven pre-industriële niveaus te beperken, niet alleen noodzakelijk is dat de ontwikkelde landen hun emissies aanzienlijk beperken, maar ook dat de ontwikkelingslanden een bijdrage leveren om deze doelstelling te bereiken;

4.   wijst erop dat de emissiereductie in de ontwikkelingslanden onder het "business as usual"-niveau van groot belang is voor de beperking van de gemiddelde wereldwijde temperatuurstijging tot minder dan 2°C, waarvoor een brede steun van de industrielanden noodzakelijk is;

5.   onderstreept dat er in de ontwikkelingslanden behoefte is aan veel meer financiële middelen om hier de noodzakelijke reductiemaatregelen in te nemen;

6.   onderstreept de verantwoordelijkheid van de geïndustrialiseerde landen om de ontwikkelingslanden voldoende, duurzame en voorspelbare financiële en technische steun te verlenen om hen te stimuleren zich te verplichten tot de beperking van hun broeikasgasemissies, zich aan te passen aan de gevolgen van de klimaatverandering en de door ontbossing en aantasting van de bossen veroorzaakte emissies te verminderen en ook de capaciteitsopbouw te versterken om te voldoen aan verplichtingen op grond van de toekomstige internationale overeenkomst; benadrukt dat de meerderheid van dergelijke fondsen nieuw moet zijn en in aanvulling moet komen op de officiële ontwikkelingshulp (ODA);

7.   herinnert aan zijn bovengenoemde resolutie van 4 februari 2009, met name de delen die zijn gewijd aan de internationale dimensie en aan financiering en begrotingskwesties, en waarin het erop heeft gewezen dat het voor de EU en andere geïndustrialiseerde landen als groep van groot belang is dat zij voor de lange termijn tegen 2050 als streefdoel een reductie van minstens 80% ten opzichte van 1990 hanteren;

8.   herinnert voorts aan zijn aanbeveling om bepaalde beginselen die zijn aangenomen in het kader van het klimaat- en energiepakket als blauwdruk te gebruiken voor de te sluiten internationale overeenkomst, met name wat betreft het verplichte lineaire traject voor de door geïndustrialiseerde landen aan te gane verbintenissen, de op basis van geverifieerde emissies toe te passen differentiatie en het striktere handhavingsregime met een jaarlijkse klimaatbeschermingsfactor;

9.   benadrukt dat het doel van de EU, namelijk de bestrijding van de klimaatverandering, in de huidige financiële en economische crisis gecombineerd kan worden met het benutten van belangrijke nieuwe economische kansen om nieuwe technologieën te ontwikkelen, werkgelegenheid te creëren en verbeteringen aan te brengen op het gebied van een beveiligde energievoorziening; is van oordeel dat een overeenkomst in Kopenhagen de noodzakelijke stimulans kan zijn voor een dergelijke "Green New Deal", die de economische groei bevordert, groene technologie stimuleert en deze nieuwe werkgelegenheid in de EU en in de ontwikkelingslanden waarborgt;

10.   wenst dat de Europese Raad zich ten doel stelt tot een internationale overeenkomst met de geïndustrialiseerde landen te komen waarbij collectief beperkingen van de emissies van broeikasgassen worden bereikt die bij de hogere waarden van het traject van 25-40% liggen, dat is aanbevolen in het vierde verslag van het Internationale panel inzake klimaatverandering (IPCC 4AR), en dat deze beperkingen in het binnenland worden gehaald;

11.   is er bezorgd over dat de bovengenoemde mededeling van de Commissie van 28.1.2009 geen nauwkeurige gegevens bevat over het niveau van de financiële verantwoordelijkheid van de EU; doet een beroep op de Europese Raad om bij de vaststelling van een onderhandelingsmandaat voor de conferentie van Kopenhagen concrete afspraken over de financiering te maken die in overeenstemming zijn met de wereldwijde inspanningen die nodig zijn om de gemiddelde temperatuurstijging tot een flink stuk onder de 2°C te beperken;

12.   is van mening dat dergelijke afspraken over de financiering overeenkomstig het besluit van de Europese Raad in december 2008 onder meer de belofte van de lidstaten moeten inhouden om een aanzienlijk gedeelte van de door de EU ETS gegenereerde veilingopbrengsten te gebruiken voor de financiering van maatregelen ter beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering in ontwikkelingslanden die de internationale overeenkomst hebben geratificeerd, maar wijst er met nadruk op dat het, aangezien minder dan 50% van de EU-emissies onder de handel in emissierechten valt, noodzakelijk is andere sectoren van de economie in de lidstaten bij de zaken te betrekken wanneer het om de financiering van deze belangrijke maatregelen gaat;

13.   dringt erop aan dat bij dergelijke verplichtingen wordt voorzien in een voorspelbare financiering voor mechanismen die in UNFCCC-context worden opgezet, die een aanvulling op de officiële ontwikkelingshulp (ODA) betekenen en losstaan van de jaarlijkse begrotingsprocedures in de lidstaten;

14.   is ingenomen met de beide alternatieven voor innovatieve financiering zoals die in de hoger vermelde mededeling van de Commissie van 28 januari 2009 worden uiteengezet, voor zover deze althans zijn opgezet op een wijze die garanties biedt voor adequaat voorspelbare financieringsniveaus; stemt voorts in met het voorstel om een en ander te combineren met een financieringsstelsel waarbij rechten voor lucht- en zeevervoer worden geveild op basis van "cap-and-trade"-systemen;

15.   is het van harte eens met het idee van de Commissie dat een gedeelte van de financiering ter beschikking moet worden gesteld in de vorm van leningen, omdat sommige activiteiten ook in de ontwikkelingslanden voor een "win-win"-situatie kunnen zorgen;

16.   onderstreept dat bindende doelstellingen de investeerders in staat stellen de kansen en risico's in verband met de klimaatverandering beter te beoordelen en hen zouden betrekken bij projecten die voldoen aan de emissiereductie- en aanpassingsdoelstellingen; onderstreept verder de noodzaak van duidelijkheid over de rol van particulier kapitaal in de noodzakelijke investeringen ter verwezenlijking van de doelstellingen; onderstreept verder de noodzaak van duidelijkheid over de rol van particulier kapitaal in de noodzakelijke investeringen ter verwezenlijking van de doelstellingen;

17.   acht het echter van het grootste belang om een meer omvattend actieplan voor de toekomstige financiering van het klimaatbeleid vast te stellen dat alle relevante terreinen en bronnen van financiering bestrijkt; is van mening dat de bovengenoemde mededeling van de Commissie van 28 januari 2009 hiervoor een goed uitgangspunt is, maar benadrukt dat een en ander moet worden versterkt met duidelijk omschreven maatregelen; verzoekt de Europese Raad de Commissie mandaat te verlenen om met spoed een dergelijk actieplan op te stellen met het oog op de onderhandelingen in Kopenhagen;

18.   is van oordeel dat een groot deel van de collectieve bijdrage aan de vermindering van de uitstoot van kooldioxide en de aanpassingsbehoeften van de ontwikkelingslanden moet worden gericht op projecten die naar een beëindiging van de ontbossing en de aantasting van de bossen streven, en op herbebossings- en bebossingsprojecten in dergelijke landen;

19.   ziet het Clean Development Mechanism (CDM) van het Protocol van Kyoto als een eventuele manier om de ontwikkelingslanden in staat te stellen aan de koolstofmarkt deel te nemen; onderstreept dat het gebruik van compensaties waarmee geïndustrialiseerde landen aan de emissiereductiedoelstellingen voldoen geen deel kan uitmaken van de verantwoordelijkheid van de ontwikkelingslanden om hun broeikasgasemissies in het kader van een internationale klimaatveranderingsovereenkomst te beperken; dringt er derhalve op aan dat strenge kwaliteitscriteria voor projecten deel moeten uitmaken van toekomstige compensatiemechanismen om te voorkomen dat de geïndustrialiseerde landen in plaats van de ontwikkelingslanden goedkopere reductie-opties voor zich opeisen en dat zij de garantie bieden dat dergelijke projecten van een hoog niveau zijn, met betrouwbare, controleerbare en werkelijke emissiebeperkingen die ook voor een duurzame ontwikkeling in dergelijke landen zorgen;

20.   is van mening dat de collectieve bijdrage van de EU aan de reductie-inspanningen en aanpassingsbehoeften van de ontwikkelingslanden voor 2020 niet minder dan 30 000 miljoen EUR per jaar mag bedragen, een bedrag dat nog kan stijgen naarmate meer kennis wordt verworven over de ernst van de klimaatverandering en de schaal van de kosten daarvan;

21.   wijst erop dat omvangrijke financiële stromen ten behoeve van reductie-inspanningen en aanpassingsbehoeften in de ontwikkelingslanden slechts een deel van de oplossing vormen; wenst dat het geld op duurzame wijze wordt besteed met vermijding van bureaucratie, met name voor kleine en middelgrote bedrijven, en corruptie; onderstreept dat de financiering een voorspelbaar karakter moet hebben, gecoördineerd moet zijn en transparant; dat capaciteit wordt opgebouwd in de ontwikkelingslanden, zowel op centraal als op lokaal niveau, waarbij de prioriteit moet uitgaan naar de bevolking die geconfronteerd wordt met de problemen van de klimaatverandering, en niet alleen naar de regeringen; onderstreept in dit verband het belang van een voortdurende en makkelijk toegankelijke informatie over de beschikbare fondsen; verzoekt de Raad en het komende Zweedse voorzitterschap zich actief voor deze beginselen in te zetten gedurende de UNFCCC COP15-onderhandelingen in Kopenhagen van december 2009;

22.   verzoekt de Commissie zich niet langer te verzetten tegen het opnemen van de bosbouw in systemen voor de handel in emissierechten; is van oordeel dat zowel op de markt als niet op de markt gebaseerde financiering nodig zal zijn voor de fondsenverstrekking aan REDD-mechanismen (mechanismen voor de beperking van emissies ten gevolge van ontbossing en aantasting van de bossen) in het kader van een overeenkomst voor de periode na 2012; verzoekt de Commissie en de Raad in dit verband de leiding te nemen bij de ontwikkeling van proefprojecten voor koolstofmarkten voor REDD; vraagt de Commissie en de Raad verder te kijken naar de vraag hoe op de markt en niet op de markt gebaseerde bosbouwfondsen elkaar zouden kunnen aanvullen;

23.   is van mening dat met het leiderschap van de EU bij de verlening van financiële en technische steun voor de ontwikkelingslanden de kansen voor het welslagen van de onderhandelingen in Kopenhagen aanzienlijk zullen worden vergroot; is van mening dat EU-leiderschap op het gebied van de financiering, door in een vroeg stadium concrete onderhandelingscijfers te verstrekken, nodig is om voldoende binnenlandse overheidssteun te mobiliseren, de ontwikkelingslanden aan te moedigen ambitieuze bindende reductiedoelstellingen vast te stellen en andere OESO-landen tot een soortgelijke bijdrage te stimuleren;

24.   erkent dat de EU als geheel op de goede weg is om aan de Kyoto-doelstelling te voldoen, maar wijst erop dat sommige lidstaten nog ver van hun Kyoto-doel verwijderd zijn, hetgeen de geloofwaardigheid van de EU in het proces naar Kopenhagen zou kunnen ondermijnen; spreekt daarom de wens uit dat de lidstaten die nog niet op weg zijn naar het halen van hun Kyoto-doel hun activiteiten zullen intensiveren;

25.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlement van de lidstaten, alsmede aan het secretariaat van het UNFCC met het verzoek om deze tekst door te sturen naar alle verdragsluitende partijen die geen lidstaten van de EU zijn.

(1) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0610.
(2) Aangenomen teksten, P6_TA(2008)0611.
(3) Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0042.

Laatst bijgewerkt op: 2 december 2009Juridische mededeling