Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2008/2208(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A6-0255/2009

Ingediende teksten :

A6-0255/2009

Debatten :

Stemmingen :

PV 24/04/2009 - 7.20
CRE 24/04/2009 - 7.20
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P6_TA(2009)0328

Aangenomen teksten
PDF 141kWORD 81k
Vrijdag 24 april 2009 - Straatsburg Definitieve uitgave
Regelgevingsaspecten van nanomaterialen
P6_TA(2009)0328A6-0255/2009

Resolutie van het Europees Parlement van 24 april 2009 over regelgevingsaspecten van nanomaterialen (2008/2208(INI))

Het Europees Parlement ,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 17 juni 2008 getiteld "Regelgevingsaspecten van nanomaterialen" (COM(2008)0366) en het begeleidende werkdocument van de Commissiediensten (SEC(2008)2036),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 12 mei 2004 getiteld "Naar een Europese strategie voor nanotechnologie" (COM(2004)0338),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2005 getiteld "Nanowetenschappen en nanotechnologieën: Een actieplan voor Europa 2005-2009" (COM(2005)0243) ("het actieplan") en zijn resolutie van 28 september 2006(1) over het actieplan,

–   gezien de mededeling van de Commissie van 6 september 2007 getiteld "Nanowetenschappen en nanotechnologieën: Een actieplan voor Europa 2005-2009. Eerste uitvoeringsverslag 2005-2007" (COM(2007)0505),

–   gezien de adviezen van het Wetenschappelijk Comité voor nieuwe gezondheidsrisico's (WCNG) inzake definities en risicobeoordeling van nanomaterialen(2) ,

–   gezien het advies van het Wetenschappelijk Comité voor consumentenproducten (WCC) inzake de veiligheid van cosmetische ingrediënten in de vorm van nanodeeltjes(3) ,

–   gezien de aanbeveling van de Commissie betreffende een Gedragscode voor verantwoord nanowetenschappelijk en nanotechnologisch onderzoek (COM(2008)0424) ("Gedragscode"),

–   gezien het advies van de Europese Groep ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën aan de Europese Commissie inzake de ethische aspecten van nanogeneeskunde(4) ,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH)(5) ,

–   gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden(6) ,

–   gezien Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheidsbescherming van werknemers op het werk(7) , en de dochterrichtlijnen daarvan,

–   gezien Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid(8) en op specifieke productwetgeving, met name Richtlijn 76/768/EEG van de Raad van 27 juli 1976 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake cosmetische producten(9) ,

–   gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden(10) , Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven(11) , en Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame(12) , Verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid en etikettering van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders(13) en Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten(14) ,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006(15) ,

–   gezien de milieuwetgeving van de Gemeenschap, met name Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging(16) , Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(17) , en Richtlijn 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen(18) ,

–   gezien Richtlijn 2006/114/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 inzake misleidende reclame en vergelijkende reclame(19) ,

–   gelet op artikel 45 van zijn Reglement,

–   gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A6-0255/2009),

A.   overwegende dat het gebruik van nanomaterialen en nanotechnologieën (hieronder "nanomaterialen" genoemd) een groot aantal voordelen belooft bij talloze toepassingen ten behoeve van consumenten, patiënten en het milieu, daar nanomaterialen andere of nieuwe eigenschappen kunnen verlenen aan dezelfde stof of hetzelfde materiaal in normale vorm,

B.   overwegende dat de vooruitgang op het gebied van nanomaterialen naar verwachting aanzienlijke invloed zal hebben op besluiten in de sectoren volksgezondheid, werkgelegenheid, veiligheid en gezondheid op het werk, informatiemaatschappij, energie, vervoer, veiligheid en ruimte,

C.   overwegende dat de Europese Unie, hoewel er een specifieke Europese strategie is ingevoerd voor nanotechnologieën en dat er in het kader van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratieactiviteiten (2007-2013) (KP7) vervolgens ongeveer 3 500 000 000 EUR is toegewezen aan onderzoek op het gebied van nanowetenschappen, achterloopt bij haar voornaamste concurrenten - de VS, Japan en Zuid-Korea - die staan voor meer dan de helft van de investeringen en twee derden van de octrooien die in de hele wereld worden geregistreerd,

D.   overwegende dat nanomaterialen door hun zeer geringe afmetingen anderzijds aanzienlijke nieuwe gevaren met zich mee kunnen brengen, zoals een hogere reactiviteit en meer mobiliteit, hetgeen kan leiden tot een hogere toxiciteit in combinatie met onbeperkte toegang tot het menselijk lichaam en waarbij geheel andere mechanismen van interferentie met de fysiologie van de mens en in het milieu voorkomende soorten betrokken kunnen zijn,

E.   overwegende dat via de veilige ontwikkeling van nanomaterialen een belangrijke bijdrage kan worden geleverd tot het mededingingsvermogen van de economie van de Europese Unie en verwezenlijking van de strategie van Lissabon,

F.   overwegende dat de huidige discussie over nanomaterialen wordt gekenmerkt door een substantieel gebrek aan kennis en informatie, dat aanleiding is tot geschillen, beginnend op het niveau van de definities:

   a) betreffende de omvang: benadering van de omvang ("in de orde van grootte van 100 nm of minder") tegenover een specifieke bandbreedte ("tussen 1 en 100 nm"),
   b) betreffende verschillende/nieuwe eigenschappen: verschillende/nieuwe eigenschappen ten gevolge van de effecten van omvang, zoals aantal deeltjes, oppervlaktestructuur en oppervlakte-activiteit, als onafhankelijk criterium tegenover de toepassing van deze eigenschappen als aanvullend criterium voor de definitie van wat een nanomateriaal is,
   c) betreffende eigenschappen die moeilijkheden opleveren: beperking van de definitie van nanomaterialen tot bepaalde eigenschappen (bij voorbeeld niet oplosbaar of persistent), of het niet aanbrengen van dergelijke beperkingen,

G.   overwegende dat er momenteel geen volledig ontwikkelde reeks geharmoniseerde definities beschikbaar is, hoewel er een aantal internationale normen beschikbaar of in ontwikkeling is, aan de hand waarvan "nanoschaal" wordt gedefinieerd als "met één of meer dimensies in de orde van grootte van 100 nm of minder" en veelal verschil wordt gemaakt tussen:

   nano-objecten die worden gedefinieerd als "afzonderlijke stukken materiaal met één, twee of drie buitenmaten op nanoschaal". d.w.z. als materialen die bestaan uit afzonderlijke objecten van zeer geringe afmeting,
   nano-gestructureerde materialen, die worden gedefinieerd als materialen "met een inwendige of oppervlakte structuur op nanoschaal", doordat zij bij voorbeeld holten van geringe afmeting vertonen,

H.   overwegende dat er geen heldere gegevens bestaan over de manier waarop nanomaterialen in feite worden toegepast in consumptiegoederen, bij voorbeeld:

   in door erkende instellingen opgestelde overzichten worden meer dan 800 door de producent geïdentificeerde consumptiegoederen op basis van nanotechnologie opgesomd die momenteel op de markt zijn , maar handelsverenigingen van dezelfde producenten trekken deze cijfers in twijfel daar het te hoge schattingen zou betreffen, zonder zelf met concrete cijfers te komen,
   bedrijven doen blijmoedig "nanobeweringen", aangezien de term "nano" de afzet kennelijk in positieve zin beïnvloedt, maar zij zijn mordicus tegen eisen inzake objectieve etikettering,

I.   overwegende dat duidelijke kennisgevingsvereisten over het gebruik van nanomaterialen, informatieverschaffing aan de consument alsmede volledige toepassing van Richtlijn 2006/114/EG nodig zijn voor het verkrijgen van betrouwbare informatie over het gebruik van nanomaterialen,

J.   overwegende dat in de voorstelling van de mogelijke voordelen van nanotechnologieën een vrijwel oneindige verscheidenheid aan toekomstige toepassingen van nanomaterialen wordt voorspeld, maar dat er geen betrouwbare gegevens worden verstrekt over het huidige gebruik,

K.   overwegende dat er een diepgaande discussie wordt gevoerd over de mogelijkheid de veiligheid van nanomaterialen te beoordelen; dat er door de wetenschappelijke comités en agentschappen van de Europese Unie wordt gewezen op ernstige tekortkomingen, niet alleen voor wat betreft kardinale gegevens, maar zelfs op het gebied van verwerving van deze gegevens ; dat de Europese Unie dus meer moet investeren in adequate beoordeling van nanomaterialen om het gebrek aan kennis aan te vullen en, in samenwerking met haar agentschappen en internationale partners zo spoedig mogelijk beoordelingsmethoden en aan aangepaste en geharmoniseerde metrologie en nomenclatuur op te zetten en toe te passen,

L.   overwegende dat het WCNG een aantal specifieke gezondheidsrisico's, alsook toxische effecten op milieu-organismen van nanomaterialen heeft geïdentificeerd; overwegende dat het WCNG verder een algemeen gebrek aan kwalitatief hoogwaardige blootstellingsgegevens voor de mens en het milieu heeft vastgesteld, concluderend dat de kennis van de methodiek voor zowel blootstellingsramingen als risico-identificatie verder moet worden verbeterd, gevalideerd en gestandaardiseerd,

M.   overwegende dat de kredieten ten bate van onderzoek met betrekking tot de milieu-, gezondheids- en veiligheidsaspecten van nanomaterialen in KP7 veel te gering zijn; overwegende voorts dat de evaluatiecriteria voor de subsidiëring van onderzoeksprogramma's ter beoordeling van de veiligheid van nanomaterialen in KP7 veel te restrictief zijn (d.w.z. eenzijdig op innovatie gericht) en derhalve de spoedige ontwikkeling van wetenschappelijke methoden voor de beoordeling van nanomaterialen niet in voldoende mate bevorderen; overwegende dat het van wezenlijke betekenis is voldoende middelen toe te wijzen aan onderzoek naar de veilige ontwikkeling en toepassing van nanomaterialen,

N.   overwegende dat kennis over de potentiële gezondheids- en milieueffecten van nanomaterialen sterk achterblijft bij het tempo van de snelle marktontwikkelingen bij nanomaterialen, en derhalve vragen oproept over het vermogen van de bestaande regels om in 'real time' met nieuwe technologieën zoals nanomaterialen om te gaan,

O.   overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 28 september 2006 over nanowetenschappen en nanotechnologieën overeenkomstig het voorzorgsbeginsel heeft aangedrongen op onderzoek naar de gevolgen van nanodeeltjes die niet gemakkelijk oplosbaar of bioafbreekbaar zijn, voordat met de productie en het op de markt brengen van deze deeltjes wordt begonnen,

P.   overwegende dat de waarde van de bovenvermelde mededeling van de Commissie getiteld "Regelgevingsaspecten van nanomaterialen" vrij beperkt is vanwege het ontbreken van specifieke informatie over de eigenschappen van nanomaterialen, de meest voorkomende toepassingen ervan, en de potentiële risico's en voordelen, en vanwege het feit dat het document derhalve niet ingaat op de wetgevings- en beleidsuitdagingen die het gevolg zijn van de specifieke aard van naomaterialen, maar slechts een algemeen juridisch overzicht geeft, waaruit blijkt dat er vooralsnog geen specifieke nanobepalingen in de communautaire wetgeving zijn opgenomen,

Q.   overwegende dat nanomaterialen eigenlijk moeten vallen onder een veelzijdig, gedifferentieerd en aanpasbaar geheel van wetten op grondslag van het voorzorgsbeginsel(20) , het beginsel van de verantwoordelijkheid van de producent en het beginsel 'de vervuiler betaalt' voor waarborging van veilige productie, gebruik en opruiming van nanomaterialen voordat de technologie op de markt wordt gebracht, terwijl tegelijkertijd wordt voorkomen dat stelselmatig wordt teruggegrepen op algemene moratoria of ongedifferentieerde behandeling van de verschillende toepassingen van nanomaterialen,

R.   overwegende dat het in verband met de vrijwel oneindige toepassing van nanotechnologieën in uiteenlopende bedrijfstakken zoals elektronica, textiel, medische biologie, verzorgingsproducten, schoonmaakmiddelen, voedingsmiddelen of energie, vrijwel onmogelijk is één communautair regelgevingskader in te voeren,

S.   overwegende dat er in het kader van REACH reeds is besloten dat aanvullende richtsnoeren en adviezen over nanomaterialen, met name over identificatie van stoffen, alsook aanpassing van de methoden voor risicobeoordeling, noodzakelijk zijn; overwegende dat REACH bij nader inzien nog een aantal tekortkomingen bevat wat de omgang met nanomaterialen betreft,

T.   overwegende dat het gevaar bestaat dat de afvalstoffenwetgeving door het gebrek aan nanospecifieke voorschriften niet correct wordt toegepast,

U.   overwegende verder dat nanomaterialen tijdens hun gehele levenscyclus ernstige problemen veroorzaken voor de gezondheid en de veiligheid op het werk omdat vele werknemers in de productieketen aan deze materialen worden blootgesteld, zonder dat zij weten of de veiligheidsprocedures die worden toegepast en de beschermingsmaatregelen die zijn genomen adequaat en doeltreffend zijn; stelt vast dat naar verwachting in de toekomst steeds meer verschillende werknemers aan de gevolgen van nanomaterialen zullen worden blootgesteld,

V.   overwegende dat uit de ingrijpende amendementen inzake nanomaterialen die in eerste lezing tussen Raad en Europees Parlement zijn aangenomen in verband met de herschikking van de cosmeticarichtlijn(21) , en de ingrijpende amendementen die het Europees Parlement heeft aangenomen in eerste lezing van de herziening van de verordening inzake nieuwe levensmiddelen(22) , duidelijk blijkt dat de gemeenschapswetgeving moet worden gewijzigd om nanomaterialen naar behoren te regelen,

W.   overwegende dat het huidige debat over regelgevingsaspecten van nanomaterialen over het algemeen beperkt blijft tot de kring van deskundigen, hoewel nanomaterialen mogelijk tot verstrekkende maatschappelijke veranderingen zullen leiden, waardoor een uitvoerige raadpleging van het publiek vereist is,

X.   overwegende dat een ruime toepassing van octrooien op nanomaterialen, maar ook de onevenredig hoge octrooieringskosten en het feit dat zeer kleine ondernemingen (ZKO) en kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) niet de mogelijkheid hebben octrooien aan te vragen iedere toekomstige vernieuwing zouden kunnen verstikken,

Y.   overwegende dat er ernstige problemen met betrekking tot ethiek, veiligheid en eerbiediging van de grondrechten ontstaan doordat de nanotechnologie vermoedelijk samen zal gaan met biotechnologie, biologie, cognitieve wetenschappen en informatietechnologie, en dat deze moeten worden geanalyseerd in een nieuw advies van de Europese Groep ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën,

Z.   overwegende dat de Gedragscode een essentieel instrument vormt voor veilig, geïntegreerd en verantwoord onderzoek op het gebied van nanomaterialen; overwegende dat de Gedragscode door alle producenten die voornemens zijn goederen te fabriceren of op de markt te brengen, moet worden toegepast en nageleefd,

AA.   overwegende dat bij de herziening van alle relevante communautaire wetgeving het beginsel 'geen gegevens, geen markt' moet gelden voor nanomaterialen,

1.   is ervan overtuigd dat het gebruik van nanomaterialen een reactie dient te zijn op de werkelijke behoeften van de burgers en dat voordelen ervan uitsluitend op veilige en verantwoorde wijze dienen te worden verwezenlijkt binnen een helder regelgevings- en beleidskader (wetgevende en andere bepalingen), waarin bestaande en verwachte toepassingen van nanomaterialen, en de aard zelf van eventuele gezondheids-, milieu- en veiligheidsproblemen uitdrukkelijk worden aangepakt;

2.   betreurt dat er geen behoorlijke beoordeling bestaat van de feitelijke toepassing van de algemene bepalingen van de Gemeenschapswetgeving tegen de achtergrond van de werkelijke aard van nanomaterialen;

3.   is het, vóór een passende evaluatie van de bestaande communautaire wetgeving en bij ontstentenis van nanospecifieke bepalingen daarin, oneens met de conclusies van de Commissie dat a) de bestaande wetgeving in principe de relevante risico's van naomaterialen afdekt, en b) dat de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het milieu voornamelijk moet worden verbeterd door verbetering van de implementatie van bestaande wetgeving, aangezien zij vanwege het ontbreken van passende gegevens en methoden voor het beoordelen van de risico's van nanomaterialen feitelijk niet in staat is die risico's aan te pakken;

4.   is van mening dat het concept "veilige, verantwoorde en geïntegreerde benadering" van nanotechnologieën dat de Europese Unie voorstaat in gevaar wordt gebracht door het gebrek aan gegevens over het gebruik en over de veiligheid van nanomaterialen die reeds op de markt zijn, met name in gevoelige toepassingen in het kader waarvan consumenten rechtstreeks worden blootgesteld;

5.   verzoekt de Commissie alle desbetreffende wetgeving binnen twee jaar te herzien met het oog op het waarborgen van de veiligheid van alle toepassingen van nanomaterialen in producten die tijdens hun gehele levenscyclus gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid, het milieu en de veiligheid, en erop toe te zien dat in wetgevende bepalingen en tenuitvoerleggingsinstrumenten de bijzondere kenmerken doorklinken van nanomaterialen waaraan werknemers, consumenten en/of het milieu kunnen worden blootgesteld;

6.   wijst erop dat deze herziening niet alleen noodzakelijk is om de menselijke gezondheid en het milieu naar behoren te beschermen, maar eveneens om het bedrijfsleven zekerheid en voorspelbaarheid te bieden en om te zorgen voor vertrouwen onder de burgers;

7.   dringt aan op invoering van een alomvattende definitie op wetenschappelijke grondslag van nanomaterialen in de Gemeenschapswetgeving als deel van de nanospecifieke wijzigingen die betrekking hebben op horizontale en sectorale wetgeving;

8.   verzoekt de Commissie de vaststelling van een geharmoniseerde definitie van nanomaterialen op internationaal niveau te bevorderen en het desbetreffende Europese wetgevende kader dienovereenkomstig aan te passen;

9.   acht het bijzonder belangrijk dat nanomaterialen uitdrukkelijk worden aangepakt binnen het toepassingsgebied van althans de wetgeving inzake chemische stoffen (REACH, biociden), voedsel (levensmiddelen, voedseladditieven, voedsel- en voederproducten op basis van genetisch gemodificeerde organismen), ter zake dienende wetgeving inzake de bescherming van werknemers, alsook wetgeving inzake de kwaliteit van lucht en water en inzake afval;

10.   verzoekt om de toepassing van een 'zorgvuldigheidsplicht' voor fabrikanten die nanomaterialen op de markt willen brengen; roept hen verder op zich te houden aan de Europese gedragscode voor verantwoordelijk onderzoek op het gebied van nanowetenschappen en nanotechnologieën;

11.   verzoekt de Commissie met name te bekijken of REACH moet worden herzien ten aanzien van onder andere:

   vereenvoudigde registratie voor nanomaterialen die in hoeveelheden van minder dan 1 ton worden geproduceerd of ingevoerd,
   indeling van alle nanomaterialen als nieuwe stoffen,
   een chemisch veiligheidsrapport met een blootstellingsbeoordeling voor alle geregistreerde nanomaterialen,
   kennisgevingsvereisten voor alle nanomaterialen die als zodanig, in voorbereidingen of in producten op de markt worden gebracht;

12.   verzoekt de Commissie met name te bekijken of de afvalverwerkingswetgeving moet worden herzien ten aanzien van onder andere:

   afzonderlijke vermelding van nanomaterialen in de bij Richtlijn 2000/532/EG(23) vastgestelde afvalstoffenlijst,
   een herziening van de criteria voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen, zoals neergelegd in Beschikking 2003/33/EG(24) ,
   een herziening van de relevante emissiegrenswaarden voor afvalverbranding, teneinde de op massa gebaseerde metingen aan te vullen met meeteenheden op basis van het aantal deeltjes en/of het oppervlak;

13.   verzoekt de Commissie specifiek om herziening van de emissiegrenswaarden en milieukwaliteitsnormen in de wetgeving inzake lucht en water teneinde de op massa gebaseerde metingen aan te vullen met meeteenheden op basis van het aantal deeltjes en/of het oppervlak om nanomaterialen adequaat te kunnen reguleren;

14.   wijst er met nadruk op hoe belangrijk het is dat Commissie en/of lidstaten ervoor zorgen dat de beginselen van de Gemeenschapswetgeving inzake de gezondheid en veiligheid van werknemers die te maken hebben met nanomaterialen volledig worden nageleefd en gehandhaafd, met inbegrip van aangepaste opleiding van gezondheids- en veiligheidsspecialisten, om mogelijk schadelijke blootstelling aan nanomaterialen te voorkomen;

15.   verzoekt de Commissie met name te bekijken of de wetgeving inzake de bescherming van werknemers moet worden herzien ten aanzien van onder andere:

   het gebruik van nanomaterialen uitsluitend in gesloten systemen of op andere wijzen die de blootstelling van werknemers uitsluiten, zo lang als het niet mogelijk is blootstelling op betrouwbare wijze vast te stellen en te controleren,
   een duidelijke toewijzing van aansprakelijkheid aan producenten en werknemers op grond van het gebruik van nanomaterialen,
   de vraag of alle blootstellingswijzen (inademing, via de huid en andere) zijn aangepakt;

16.   verzoekt de Commissie om vóór juni 2011 een inventaris op te stellen van de verschillende soorten en toepassingen van nanomaterialen op de Europese markt, en gerechtvaardigde handelsgeheimen zoals recepten te bewaren, en deze inventaris algemeen beschikbaar te maken; verzoekt de Commissie voorts tegelijkertijd verslag uit te brengen over de veiligheid van deze nanomaterialen;

17.   dringt andermaal aan op het verstrekken van informatie aan de consumenten over het gebruik van nanomaterialen in consumptiegoederen: alle in de vorm van nanomaterialen in stoffen, mengsels of artikelen aanwezige nanomaterialen moeten in de etikettering van het product duidelijk worden vermeld (bij voorbeeld in de lijst van bestanddelen moet de naam van dergelijke bestanddelen worden gevolgd door het woord 'nano' tussen haakjes);

18.   verzoekt om de volledige tenuitvoerlegging van Richtlijn 2006/114/EG teneinde te waarborgen dat er geen misleidende reclame wordt gemaakt rond nanomaterialen;

19.   dringt erop aan dat zo spoedig mogelijk adequate testprotocols en metrologische normen worden opgesteld om het gevaar van en de blootstelling van werknemers, consumenten en het milieu aan nanomaterialen tijdens hun gehele levenscyclus te beoordelen, waaronder in het geval van ongelukken, en hierbij een multidisciplinaire benadering toe te passen;

20.   verzoekt om aanzienlijke verhoging van de middelen voor onderzoek naar de milieu-, gezondheids- en veiligheidsaspecten van nanomaterialen gedurende hun gehele levenscyclus bij voorbeeld door middel van oprichting van een special Europees Fonds in het kader van KP7; verzoekt de Commissie specifiek om de evaluatiecriteria van KP7 te herzien zodat KP7 aanzienlijk meer onderzoek aantrekt en financiert ter verbetering van de wetenschappelijke methoden voor de beoordeling van nanomaterialen;

21.   verzoekt de Commissie de coördinatie en uitwisseling tussen de lidstaten te bevorderen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, risicobeoordeling, de ontwikkeling van richtsnoeren en de regulering van nanomaterialen door gebruik te maken van de bestaande mechanismen (bv. de subgroep nanomaterialen van de inzake REACH bevoegde instanties) of zo nodig door hiervoor nieuwe mechanismen te creëren;

22.   verzoekt de Commissie en de lidstaten om zo spoedig mogelijk met een voorstel te komen voor de oprichting van een permanent, onafhankelijk en beslissingsbevoegd Europees netwerk, dat belast wordt met het toezicht op nanotechnologieën en nanomaterialen, en voor het opzetten van een programma voor fundamenteel en toegepast onderzoek naar de in het kader van dit toezicht gehanteerde methoden (met name metrologie, detectie, toxiciteit en epidemiologie);

23.   verzoekt de Commissie en de lidstaten een EU-breed publiek debat te organiseren over nanotechnologieën en nanomaterialen, en over de regelegevingsaspecten van nanomaterialen;

24.   erkent dat het cruciaal is de obstakels voor het indienen van octrooien weg te nemen, met name voor ZKO's/KMO's, en dringt er tegelijkertijd op aan octrooirechten te beperken tot specifieke toepassingen of productiemethoden van nanomaterialen en hieronder slechts bij wijze van uitzondering de nanomaterialen zelf te laten vallen, zodat verstikking van de vernieuwing wordt voorkomen;

25.   is van mening dat te zijner tijd met name voor de nanogeneeskunde strenge ethische richtsnoeren moeten worden opgesteld, zoals eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, in vrijheid en met kennis van zaken verleende toestemming, de aan niet-therapeutische ingrepen in het menselijk lichaam gestelde beperkingen, en tegelijkertijd dit veelbelovende interdisciplinaire terrein te stimuleren dat gebruik maakt van vooruitstrevende technologieën, waaronder moleculaire beeldvorming en diagnostiek, die een doorbraak kunnen vormen en die indrukwekkende voordelen kunnen opleveren voor vroegtijdige diagnose en intelligente en doeltreffende behandeling van talloze aandoeningen; verzoekt de Europese Groep ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën een advies over deze kwestie uit te werken dat voortbouwt op zijn advies nr. 21 van 17 januari 2007 over ethische aspecten van nanogeneeskunde en gebruik maakt van ethische adviezen van de nationale ethiekorganen in de EU en het werk van internationale organisaties zoals de UNESCO;

26.   vraagt de Commissie en de lidstaten speciale aandacht te schenken aan de sociale dimensie van de ontwikkeling van nanotechnologie; is voorts van mening dat een actieve deelname van de betrokken sociale partners vanaf een zo vroeg mogelijk stadium gewaarborgd moet zijn;

27.   verzoekt de Commissie te bekijken of wetgeving moet worden herzien met het oog op nanomaterialen die als onbedoelde bijproducten van verbrandingsprocessen worden geproduceerd op een kostenefficiënte wijze;

28.   verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 306 E van 15.12.2006, blz. 426.
(2) Advies inzake de wetenschappelijke aspecten van bestaande en voorgestelde definities in verband met producten van nanowetenschappen en nanotechnologieën; 29 november 2007; http://ec.europa.eu/health/ph_risk/committees/04_het WCNG/docs/het WCNG_o_012.pdf En begeleidende informatie van Commissiediensten over het WCNG-Advies inzake de wetenschappelijke aspecten van bestaande en voorgestelde definities in verband met producten van nanowetenschappen en nanotechnologieën; http://ec.europa.eu/health/ph_risk/committees/04_scenihr/docs/scenihr_oc_012.pdfAdvies inzake de geschiktheid van de methode van risicobeoordeling overeenkomstig de technische leidraden voor nieuwe en bestaande stoffen ter beoordeling van de gevaren van nanomaterialen; 21-22 juni 2007; http://ec.europa.eu/health/ph_risk/committees/04_scenihr/docs/scenihr_o_010.pdfAangepast advies (na maatschappelijk overleg) inzake de geschiktheid van bestaande methoden om de potentiële risico's te beoordelen die verbonden zijn aan geconstrueerde en onvoorziene producten van nanotechnologie; 10 maart 2006; http://ec.europa.eu/health/ph_risk/committees/04_scenihr/docs/scenihr_o_003b.pdfAdvies inzake de risicobeoordeling van producten van nanotechnologieën; 19 januari 2009; http://ec.europa.eu/health/ph_risk/committees/04_scenihr/docs/scenihr_o_023.pdf
(3) Advies inzake de veiligheid van cosmetische ingrediënten in de vorm van nanodeeltjes; 18 december 2007; http://ec.europa.eu/health/ph_risk/committees/04_sccp/docs/sccp_o_123.pdf
(4) Advies nr. 21, 17 januari 2007.
(5) PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.
(6) PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.
(7) PB L 183 van 29.6.1989, blz. 1.
(8) PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4.
(9) PB L 262 van 27.9.1976, blz. 169.
(10) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.
(11) PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16.
(12) PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29.
(13) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 24.
(14) PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1.
(15) PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.
(16) PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8.
(17) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(18) PB L 114 van 27.4.2006, blz. 9.
(19) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 21.
(20) Mededeling van de Commissie van 2 februari 2000 over het voorzorgsbeginsel (COM(2000)0001).
(21) Standpunt van het Europees Parlement van 24 maart 2009, Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0158.
(22) Standpunt van het Europees Parlement van 25 maart 2009, Aangenomen teksten, P6_TA(2009)0171.
(23) Beschikking 2000/532/EG van de Commissie van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3).
(24) Beschikking 2003/33/EG van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 11 van 16.1.2003, blz. 27).

Laatst bijgewerkt op: 2 juni 2010Juridische mededeling