Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2009/2219(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0312/2010

Ingediende teksten :

A7-0312/2010

Debatten :

PV 24/11/2010 - 20
CRE 24/11/2010 - 20

Stemmingen :

PV 25/11/2010 - 8.2
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0434

Aangenomen teksten
PDF 137kWORD 71k
Donderdag 25 november 2010 - Straatsburg Definitieve uitgave
Mensenrechten, sociale en ecologische normen in internationale handelsovereenkomsten
P7_TA(2010)0434A7-0312/2010

Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2010 over mensenrechten, sociale normen en milieunormen in internationale handelsovereenkomsten (2009/2219(INI))

Het Europees Parlement ,

–  gelet op de artikelen artikel 2, 3, 6 en 21 van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gelet op de artikelen 153, 191, 207 en 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gelet op de artikelen 12, 21, 28, 29, 31 en 32 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de Universele Verklaring van de rechten van de mens (1948) en andere VN-instrumenten op het gebied van de mensenrechten, met name de verdragen inzake de burgerrechten en politieke rechten (1966) en inzake de economische, sociale en culturele rechten (1966), het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (1965), het Verdrag inzake de afschaffing van alle vormen van discriminatie van vrouwen (1979), het Verdrag inzake de rechten van het kind (1989), de VN-Verklaring over de rechten van de inheemse volkeren (2007) en het slotdocument van de VN-millenniumtop van 20-22 september 2010 in New York,

–  gezien de Overeenkomst van Marrakesh tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie (WTO), evenals de verklaring die tijdens de vierde WTO-ministersconferentie in november 2001 in Doha is goedgekeurd, met name paragraaf 31,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 20 september 1996 over de mededeling van de Commissie over de bepalingen inzake de eerbiediging van de democratische beginselen en de rechten van de mens in de overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen (COM(1995)0216)(1) , alsmede zijn resolutie van 14 februari 2006 over de mensenrechten- en democratieclausule in EU-overeenkomsten(2) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 oktober 2001 over openheid en democratie in de internationale handel, waarin wordt aangedrongen op de naleving van de sociale minimumnormen van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO)(3) , en op de aanvaarding door de Europese Unie van de besluiten van de IAO, met inbegrip van eventuele oproepen tot sancties in verband met ernstige overtredingen van de sociale minimumnormen,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 april 2002 over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de rol van de Europese Unie bij de bevordering van de mensenrechten en de democratisering in derde landen (COM(2001)0252)(4) ,

–  gezien de mededeling van de Commissie „De sociale dimensie van de globalisering – hoe de EU ertoe bijdraagt dat iedereen er voordeel van heeft” (COM(2004)0383),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 15 november 2005 over de sociale dimensie van de globalisering(5) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 5 juli 2005 over de uitbuiting van kinderen in ontwikkelingslanden, met speciale aandacht voor kinderarbeid(6) ,

–  gezien de conclusies van de Raad van 14 juni 2010 inzake kinderarbeid(7) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 6 juli 2006 over eerlijke handel en ontwikkeling(8) ,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 22 mei 2007 over Europa als wereldspeler – externe aspecten van het concurrentievermogen(9) , in reactie op de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's „Europa als wereldspeler: wereldwijd concurreren: een bijdrage aan de EU-strategie voor groei en werkgelegenheid” (COM(2006)0567),

–  gezien de mededeling van de Commissie „Bevordering van waardig werk voor iedereen – Bijdrage van de Europese Unie aan de uitvoering van de agenda voor waardig werk over de hele wereld” (COM(2006)0249),

–  gezien de ministersverklaring van de Economische en Sociale Raad van de VN uit 2006 over volledige werkgelegenheid en waardig werk waarin volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk voor allen als een sleutelelement van de duurzame ontwikkeling wordt erkend,

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 23 mei 2007 over het thema „Bevordering van waardig werk voor iedereen”(10) , waarin erop wordt aangedrongen om, in het kader van de bevordering van waardig werk, in de handelsovereenkomsten van de Europese Unie, in het bijzonder bilaterale overeenkomsten, sociale normen op te nemen,

–  gezien de agenda voor waardig werk en het mondiale banenpact van de IAO dat op 19 juni 2009 tijdens de Conferentie van de IAO is aangenomen, en de verklaring van de IAO van 2008 over sociale gerechtigheid voor een billijke mondialisering,

–  gezien het verdrag van Brussel van 1968, zoals geconsolideerd door Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(11) ,

–  gezien het stelsel van algemene tariefpreferenties (SAP), dat sinds 1 januari 2006 van kracht is en dat toegang zonder douanerechten verleent dan wel een verlaagd tarief toekent voor een toenemend aantal producten en tevens een nieuwe prikkel bevat voor kwetsbare landen met specifieke handels-, financiële of ontwikkelingsbehoeften,

–  gezien alle overeenkomsten tussen de Europese Unie en derde landen,

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van landen van Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan en de Europese Unie, op 23 juni 2000 te Cotonou ondertekend, alsmede de herzieningen van de overeenkomst van 2005 en 2010,

–  onder verwijzing naar zijn resoluties over economische partnerschapsovereenkomsten met de ACS-regio's en -landen, met name die van 26 september 2002(12) , 23 mei 2007(13) en 12 december 2007(14) ,

–  gelet op de internationale milieuverdragen zoals het Protocol van Montreal inzake stoffen die de ozonlaag afbreken (1987), het Verdrag van Bazel inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen (1989), het Protocol van Cartagena inzake bioveiligheid (2000) en het Protocol van Kyoto (1997),

–  gezien hoofdstuk 13 van de vrijhandelsovereenkomst die in oktober 2009 is gesloten tussen de Europese Unie en Zuid-Korea,

–  gezien de afsluiting van de onderhandelingen tussen de EU en Colombia en Peru over een meerpartijenovereenkomst inzake de handel,

–  gezien de hoorzitting van het Europees Parlement „Sociale en milieunormen in onderhandelingen over handelsakkoorden” van 14 januari 2010,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A7-0312/2010),

A.  overwegende dat de koppeling tussen handel, mensenrechten en sociale en milieunormen een sleutelelement is geworden van de economische en handelsbetrekkingen en een onlosmakelijk onderdeel vormt van de onderhandelingen in het kader van vrijhandelsovereenkomsten,

B.  overwegende dat concurrentieverstoring en het gevaar van sociale en milieudumping zich steeds vaker voordoen, ten koste van met name ondernemingen en werknemers die gevestigd zijn in de Europese Unie en die zich aan strengere sociale, milieu- en fiscale normen moeten houden,

C.  overwegende dat de EU in haar betrekkingen met derde landen een handelsstrategie moet vaststellen die op wederkerigheid gebaseerd moet zijn, maar ook moet worden afgestemd op het ontwikkelingsniveau van haar handelspartners, zowel ten aanzien van haar eisen op sociaal en milieugebied als ten aanzien van de liberalisering van de handel, om de voorwaarden te scheppen voor een eerlijke en loyale internationale concurrentie,

D.  overwegende dat de bilaterale betrekkingen bij uitstek het kader zijn geworden voor het nastreven van deze beleidsdoelstellingen, aangezien de vooruitzichten op de invoering van multilaterale regels met betrekking tot de koppeling tussen handel, werk en milieu in het kader van de WTO niet erg gunstig zijn,

E.  overwegende dat het niettemin van essentieel belang is te werken aan een nieuw evenwicht tussen het handelsrecht en de grondrechten, en het overleg tussen de belangrijkste internationale organisaties te versterken, meer in het bijzonder de IAO en de WTO, met het oog op een grotere samenhang tussen internationaal beleid en een beter mondiale governance,

F.  overwegende dat er vele redenen zijn om bepalingen over de mensenrechten en sociale en milieunormen op te nemen in internationale handelsovereenkomsten, van de wil om een eerlijke en rechtvaardige handel in te voeren en gelijke handelsvoorwaarden („level playing field”) te scheppen, tot het meer normatieve streven om de universele waarden die worden gedragen door de Europese Unie te beschermen en een coherent Europees beleid te voeren,

G.  herinnert eraan dat in de VN-verklaring van 1986 inzake het recht op ontwikkeling wordt bevestigd dat „het recht op ontwikkeling een onvervreemdbaar mensenrecht is, op grond waarvan ieder mens en alle volkeren er aanspraak op kunnen maken deel te nemen aan, bij te dragen tot en voordeel te hebben van de economische, sociale en culturele ontwikkeling”; is daarom van oordeel dat de EU de verplichting heeft dit recht niet te ondermijnen en het juist in internationale overeenkomsten moet integreren en als richtsnoer bij Europees beleid moet laten dienen,

H.  overwegende dat het Verdrag van Lissabon opnieuw bevestigt dat het externe optreden van de Europese Unie, waarvan de handelspolitiek een onderdeel vormt, door dezelfde beginselen wordt geleid als die welke ten grondslag liggen aan de oprichting van de Unie; overwegende dat het Europees sociaal model, waarin duurzame economische groei gecombineerd wordt met betere arbeids- en levensomstandigheden, bovendien als model voor andere partners kan dienen; overwegende dat de handelsovereenkomsten tegelijk moeten stroken met ander verplichtingen en internationale verdragen, die de verdragsluitende landen volgens de aangegane verbintenissen moeten naleven, overeenkomstig hun nationale recht,

I.   overwegende het belang van de instandhouding van de in de Europese Unie geldende sociale en milieunormen, en de naleving ervan door buitenlandse ondernemingen die actief zijn in de interne markt,

J.  overwegende dat de opneming van de mensenrechten en de sociale en milieunormen in de handelsovereenkomsten een toegevoegde waarde aan deze overeenkomsten kan verlenen, omdat aldus de gelegenheid wordt gecreëerd voor meer interactie met maatschappelijke organisaties en grotere steun voor de politieke en sociale stabiliteit, waardoor een gunstiger handelsklimaat ontstaat,

K.  overwegende dat de handelssector en de naleving van de sociale, mensenrechten- en milieunormen belangrijk zijn voor het bewaren van vrede en welvaart in de wereld, maar dat daarmee niet alle problemen tussen de staten in de wereld kunnen worden opgelost; overwegende echter dat een politieke impasse kan worden overwonnen door een versterking van de handelsbetrekkingen, waarbij gemeenschappelijke belangen worden geformuleerd, met name op het gebied van milieubescherming, als methode om conflicten op te lossen,

L.  overwegende dat andere landen op positieve wijze hebben laten zien hoe sociale normen in handelsovereenkomsten kunnen worden opgenomen,

M.  overwegende dat het stelsel van algemene preferenties is uitgewerkt met inachtneming door de begunstigde landen van de beginselen op het stuk van de mensenrechten en de basisnormen inzake het arbeidsrecht in de internationale verdragen, en dat hierin een speciaal stelsel van aanvullende tariefpreferenties is opgenomen om de ratificatie en de doelmatige tenuitvoerlegging van de internationale basisverdragen inzake de mensenrechten en het arbeidsrecht, de bescherming van het milieu en goed bestuur te bevorderen; overwegende dat niet-naleving van de voorwaarden kan leiden tot opschorting van de handelsregeling,

1.  dringt er daarom op aan dat in de toekomstige handelsstrategie van de Europese Unie de handel niet langer als een doel op zich wordt beschouwd, maar als een instrument waarmee de Europese waarden en handelsbelangen kunnen worden bevorderd, maar ook als een instrument voor de eerlijke handel waarmee de sociale en milieunormen daadwerkelijk kunnen worden ingevoerd en nageleefd met alle handelspartners van de EU; meent dat de Europese Unie zich in haar onderhandelingen moet laten leiden door een positieve maar ook juridisch bindende benadering; onderstreept dat alle partijen gebaat zijn bij de opneming van bepalingen met betrekking tot duurzame ontwikkeling, met name in bilaterale overeenkomsten;

2.  wijst er eens te meer op dat het gemeenschappelijke handelsbeleid van de Europese Unie een instrument is in dienst van de algemene doelstellingen van de Unie en dat het overeenkomstig artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie ten uitvoer moet worden gelegd „op basis van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie”, en dat het volgens artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie met name moet bijdragen „tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties”;

Mensenrechten en sociale en milieunormen in multilaterale handelsbetrekkingen

3.  nodigt uit tot een nauwere multilaterale samenwerking tussen de WTO en de belangrijkste instellingen van de Verenigde Naties op het gebied van de mensenrechten; is van mening dat nauwere banden met het Bureau van de hoge commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, alsmede een nauwere verwevenheid met speciale procedures bijzonder nuttig zouden zijn voor het scheppen van een multilateraal handelskader dat bijdraagt aan de naleving van de mensenrechten; is tevens van oordeel dat de WTO-panels en de beroepsinstantie de deskundigheid van de hoge commissaris in aanmerking zouden kunnen nemen bij gevallen van ernstige schending van de mensenrechten;

4.  is van mening dat het periodieke wereldwijde onderzoek van de Raad van de mensenrechten een instrument zou moeten zijn om na te gaan of de bepalingen inzake de mensenrechten in de internationale handelsovereenkomsten worden nageleefd;

5.  onderstreept dat een diepgaandere samenwerking met de IAO, het orgaan dat bevoegd is om de internationale arbeidsnormen te definiëren en toe te zien op de toepassing in het recht en in de praktijk, alsmede de volledige deelname van de IAO aan de werkzaamheden van de WTO, van essentieel belang zijn;

   a) verzoekt daarom dat de IAO de status van officiële waarnemer in de WTO wordt toegekend en zij spreekrecht krijgt op ministersconferenties van de WTO;
   b) stelt voor een comité handel en waardige arbeid op te richten in de WTO, naar het voorbeeld van het comité handel en milieu; dringt er op aan dat beide comités een duidelijk omschreven opdracht krijgen en tastbare invloed hebben;
   c) stelt voor dat de IAO en het Bureau van de hoge commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten betrokken kunnen worden bij belangrijke gevallen waarin de overtreding van internationale arbeidsverdragen onderwerp is van een handelsgeschil;
   d) stelt voor dat er een beroepsprocedure bij de IAO mogelijk is wanneer een lidstaat van de WTO oordeelt dat een besluit van de WTO-geschillencommissie besluiten van de IAO over de naleving van arbeidsverdragen ter discussie stelt;

6.  bevestigt andermaal dat de doelstellingen inzake handhaving en bescherming van een open en niet-discriminerend handelsstelsel enerzijds, en de doelstellingen inzake milieubescherming en bevordering van duurzame ontwikkeling anderzijds elkaar wederzijds moeten versterken; onderstreept dat de lidstaten overeenkomstig artikel 20 van de GATT handelsmaatregelen kunnen nemen ter bescherming van het milieu, mits deze niet worden getroffen voor arbitraire of ongerechtvaardigde discriminatoire doeleinden; moedigt de lidstaten aan deze bepaling volledig te benutten;

7.  is verheugd over het bestaan van het WTO-comité handel en milieu, dat een belangrijk forum zou moeten zijn voor verdere integratie en verdieping van de koppeling tussen milieu en handel; hoopt dat de rol en werkzaamheden van het comité steeds belangrijker zullen worden, opdat op een positieve manier het hoofd kan worden geboden aan de essentiële uitdagingen waarmee de internationale gemeenschap op het gebied van handel en milieu wordt geconfronteerd;

8.  wijst op het belang van een betere toegang tot groene goederen en technologieën om de doelstellingen van een duurzame ontwikkeling te realiseren en verzoekt alle onderhandelende partijen zich nog meer in te spannen voor een snelle afronding van de onderhandelingen over de verlaging of opheffing van tarifaire en niet-tarifaire barrières voor milieugoederen en –diensten, om nieuwe vormen van werkgelegenheidsbeleid en het creëren van banen die voldoen aan de IAO-normen inzake waardig werk, alsmede de groeikansen voor de Europese industrie en het Europese MKB te bevorderen;

9.  wijst op de noodzaak vorderingen te boeken in de onderhandelingen over de andere punten van artikel 31 van de verklaring van Doha met betrekking tot de relatie tussen de bestaande WTO-regels en de specifieke handelsverplichtingen in de multilaterale milieuakkoorden (MMA), en een nauwere samenwerking te bevorderen tussen de secretariaten van de MMA en de WTO-comités, hetgeen essentieel is voor een samenhangende ontwikkeling van handelsstelsels en milieuregelingen;

10.  is van oordeel meent dat een multilateraal verdrag over het klimaat het beste instrument is om de negatieve externe milieueffecten met betrekking tot CO2 in de kosten door te berekenen, maar dat zo'n verdrag waarschijnlijk niet haalbaar is in de nabije toekomst; is derhalve van mening dat de Europese Unie de mogelijkheden moet blijven onderzoeken om voor de industriesectoren die daadwerkelijk zijn blootgesteld aan koolstoflekkage, adequate milieu-instrumenten in te voeren ter aanvulling op de handel in CO2-emissierechten van de EU ETS, met name een mechanisme voor de doorberekening van CO2-kosten, met inachtneming van de WTO-regels, omdat een dergelijk mechanisme het mogelijk maakt de risico's van overdracht van CO2-emissies naar derde landen te bestrijden;

11.  stelt voor om, wanneer er eenmaal een internationale klimaatovereenkomst is vastgesteld en getekend, zich in te zetten voor de oprichting van een werkelijke mondiale milieuorganisatie om ervoor te zorgen dat de aangegane verbintenissen worden uitgevoerd en de milieunormen worden nageleefd; is van mening dat bij deze toekomstige organisatie bijvoorbeeld verplicht zaken met betrekking tot milieudumping aanhangig moeten worden gemaakt;

Mensenrechten en sociale en milieunormen in bilaterale handelsovereenkomsten

12.  steunt krachtig de praktijk van opneming van juridisch bindende clausules inzake mensenrechten in internationale overeenkomsten van de Europese Unie, maar herinnert eraan dat er nog grote uitdagingen zijn als het gaat om toezicht op en uitvoering van deze clausules; verklaart andermaal dat deze clausules eveneens moeten worden opgenomen in alle handels- en sectorovereenkomsten, met een duidelijk en concreet overlegmechanisme, naar het voorbeeld van artikel 96 van de Overeenkomst van Cotonou; is verheugd over het feit dat een dergelijke clausule is opgenomen in de vrijhandelsovereenkomsten van de nieuwe generatie;

13.  wijst erop dat dezelfde benadering inzake een systematische opneming moet worden gevolgd ten aanzien van de hoofdstukken over duurzame ontwikkeling in bilaterale overeenkomsten;

14.  stelt vast dat de onderhandelingen over toekomstige handelsovereenkomsten tegen de achtergrond van de huidige financiële crisis gevoerd zouden kunnen worden; is van mening dat dit er echter niet toe mag leiden dat, met het oog op de verwezenlijking van andere doelen, wordt voorbijgegaan aan sociale en milieunormen, met name voor de uitstoot van broeikasgassen en het beheer van gevaarlijke afvalstoffen;

15.  verzoekt de Commissie, rekening houdend met bovengenoemde doelstellingen, in alle vrijhandelsovereenkomsten waarover zij met derde landen onderhandelt, een reeks sociale en milieunormen op te nemen, waaronder:

   a) een lijst met minimumnormen die door alle handelspartners van de EU moeten worden geëerbiedigd; op sociaal gebied moeten deze normen overeenstemmen met de acht belangrijkste verdragen van de IAO (ILO Core Labour Standards) als vermeld in de IAO-verklaring inzake fundamentele rechten en beginselen op de werkplek (1998); voor de geïndustrialiseerde landen komen hier nog de vier prioritaire IAO-verdragen bij (ILO Priority Conventions); op milieugebied en op het gebied van de mensenrechten moet de minimumnorm overeenstemmen met de lijst van verdragen inzake milieu en goed bestuur, als bepaald in de Europese verordening inzake het stelsel van algemene tariefpreferenties;
   b) een lijst van aanvullende verdragen die geleidelijk en met de nodige flexibiliteit ten uitvoer moeten worden gelegd, rekening houdend met de ontwikkeling van de economische, sociale en milieusituatie van het betrokken partnerland; op sociaal gebied moet het einddoel overeenstemmen met de volledige tenuitvoerlegging van de Agenda voor waardig werk van de IAO;

16.  onderstreept dat onder naleving van deze normen moet worden verstaan ratificatie van de normen, omzetting ervan in nationaal recht en daadwerkelijke handhaving op het gehele nationale grondgebied;

17.  vraagt dat alle toekomstige handelsovereenkomsten voorzien in een verbod op kinderarbeid, met name met betrekking tot de winning en verwerking van natuursteen, en een uniform Europees certificatiesysteem omvatten dat waarborgt dat kan worden aangetoond dat ingevoerde natuursteen en natuursteenproducten doorheen de hele waardeketen werden geproduceerd zonder een beroep te doen op kinderarbeid, in de zin van IAO-verdrag nr. 182;

18.  onderstreept dat in het kader van vrijhandelsovereenkomsten koppeling van liberalisering aan voorwaarden zou kunnen worden overwogen, zoals versnelling van het tijdschema voor afschaffing van tarieven of toegang tot een aanvullende markt, al naargelang sociale en milieunormen worden nageleefd;

19.  wijst op het belang van een doorlopende controle op de uitvoering van de overeenkomst, met een open en inclusieve benadering in alle fases:

   a) neemt nota van de onderzoeken naar de effecten op de duurzame ontwikkeling, maar is van mening dat deze ook moeten worden uitgevoerd vóór, tijdens en na de onderhandelingen, zodat er een voortdurende evaluatie plaatsvindt; wijst er tevens op dat naar aanleiding van de uitkomsten hiervan volledige actie moet worden ondernomen; is tevens van mening dat de onderhandelaars beter rekening zouden moeten houden met de prioriteiten en de aandachtspunten die er uit deze onderzoeken naar voren komen,
   b) verzoekt de Commissie onderzoeken uit te voeren naar de effecten op de mensenrechtensituatie ter aanvulling van onderzoek naar duurzame ontwikkeling, met duidelijke handelsindicatoren, gebaseerd op de mensenrechten en sociale en milieunormen,
   c) verzoekt beide partijen regelmatige verslagen te presenteren over de algemene vorderingen die gemaakt zijn met de uitvoering van alle verbintenissen die in het kader van de overeenkomst zijn aangegaan,
   d) vraagt de Commissie ervoor te zorgen dat de parlementen van de partnerlanden bij handelsbesprekingen worden betrokken om een behoorlijk bestuur en de uitoefening van democratisch toezicht in de ontwikkelingslanden te bevorderen,
   e) acht het belangrijk dat de burgers bij alle stadia van de besprekingen en ook bij het vervolg op de overeenkomst worden betrokken, en dringt aan op de invoering van fora voor duurzame ontwikkeling of raadgevende groepen voor overleg met de sociale partners en vertegenwoordigers van het onafhankelijk maatschappelijk middenveld;

20.  wenst dat de handelsovereenkomsten van de EU daadwerkelijk voorzien in de hoogste niveaus aan transparantie, strikte normen voor overheidsopdrachten en rapportage per land door ondernemingen in zowel industrielanden als ontwikkelingslanden teneinde onwettige kapitaalvlucht te bestrijden;

21.  dringt er krachtig op aan dat de Unie zich sterk maakt voor het recht op toegang tot natuurlijke hulpbronnen bij de onderhandelingen over handelsovereenkomsten en voor de rechten van autochtone en inheemse bevolkingsgroepen betreffende de toegang tot essentiële natuurlijke hulpbronnen; verzoekt de Commissie om bij onderhandelingen en in internationale handelsovereenkomsten tevens aandacht te schenken aan de problematiek van de aankoop en de eigendom van grond in derde landen, met name de minst ontwikkelde landen en de ontwikkelingslanden;

22.  erkent weliswaar dat het hoofdstuk over duurzame ontwikkeling in bilaterale overeenkomsten die momenteel in onderhandeling zijn, dwingend is maar meent dat het nog aangescherpt kan worden als het uitgebreid wordt met:

   a) een klachtenprocedure die openstaat voor de sociale partners,
   b) een onafhankelijk orgaan voor een snelle en doelmatige oplossing van geschillen die verband houden met sociale en milieuproblemen, zoals panels van deskundigen die door beide partijen worden geselecteerd op basis van hun deskundigheid inzake mensenrechten, arbeidsrecht en milieurecht, en wier aanbevelingen deel moeten uitmaken van een nauwkeurig omschreven procedure, met bepalingen voor de uitvoering hiervan,
   c) een mechanisme voor de oplossing van geschillen, op identieke wijze als voor de andere onderdelen van de overeenkomst, waarin voorzien is in boetes die bedoeld zijn om de situatie op de betreffende terreinen te verbeteren, of ten minste een tijdelijke opschorting van bepaalde handelsvoordelen die in de overeenkomst zijn voorzien bij ernstige schending van bovengenoemde normen;

23.  onderstreept dat de overeenkomsten aangevuld moeten worden met flankerende maatregelen, met inbegrip van technische ondersteuning en samenwerkingsprogramma's, die de capaciteit om de overeenkomst uit te voeren moeten verbeteren, in het bijzonder de belangrijkste verdragen op het gebied van de mensenrechten en sociale en milieunormen;

Mensenrechten en sociale en milieunormen in unilaterale handelsbetrekkingen: SAP en SAP+

24.  is van mening dat de 27 verdragen die geratificeerd en daadwerkelijk uitgevoerd moeten worden om in aanmerking te kunnen komen voor SAP+, een unieke verzameling van verdragen over normen betreffende mensenrechten, arbeidsrecht, milieu en goed bestuur vormen; onderstreept dat het SAP+ tot dusver een zichtbaar positief effect heeft gehad wat betreft de ratificatie van deze verdragen, maar minder effect als het gaat om de uitvoering ervan, en wil dus meer het accent leggen op de flankerende maatregelen ter verbetering van het uitvoerende vermogen van een land; is tevens van mening dat de Commissie, omwille van de geloofwaardigheid van het SAP+, onderzoeken moet instellen, als eenduidige tekenen erop wijzen dat bepaalde landen zich niet aan de 27 verdragen houden, en zo nodig de preferenties moet schrappen;

25.  is van mening dat er in de overeenkomsten van de Europese Unie met derde landen een nauwere koppeling tussen de mensenrechtenclausules en het SAP+ kan worden aangebracht, in het bijzonder wat betreft de follow-up;

26.  verzoekt de Commissie bij de herziening van de SAP-regeling ervoor te zorgen dat deze regeling vooral ten goede komt aan de landen die deze het nodigst hebben en de oorsprongregels te vereenvoudigen opdat de begunstigde landen van het initiatief „Alles behalve wapens” en de SAP+-regeling zoveel mogelijk kunnen profiteren van de preferenties die hun worden toegekend; dringt erop aan dat transparante vergelijkingsindicatoren, mechanismes en criteria worden opgesteld voor de toekenning en intrekking van preferenties in het kader van deze regeling; dringt er tevens op aan dat het Europees Parlement volledig bij deze herzieningsprocedure wordt betrokken, met name ten aanzien van het voorstel van de Raad inzake de lijsten van begunstigde landen, het instellen van onderzoeken of de tijdelijke opschorting van de SAP+-regeling;

27.  verzoekt de Commissie met klem om onverwijld een voorstel in te dienen voor een verordening die de invoer in de EU verbiedt van goederen die zijn geproduceerd met behulp van moderne vormen van slavernij, dwangarbeid, in het bijzonder dwangarbeid door bepaalde kwetsbare groepen dus met schending van de fundamentele normen inzake de mensenrechten;

28.  verzoekt de Commissie, op grond van de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Commissie, het Parlement tijdens onderhandelingen over internationale handelsovereenkomsten voortdurend op de hoogte te houden van alle relevante aangelegenheden;

29.  verzoekt de Commissie, met het oog op de ruimere bevoegdheden van het Parlement uit hoofde van het Verdrag van Lissabon, te zorgen voor een doeltreffende informatiestroom en het Parlement via zijn afgevaardigde vertegenwoordigers op elk moment de status van waarnemer te geven, waardoor het tevens toegang krijgt tot alle relevante vergaderingen en alle terzake doende documenten;

o
o   o

30.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, en de parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 320 van 28.10.1996, blz. 261.
(2) PB C 290 E van 29.11.2006, blz. 107.
(3) PB C 112 E van 9.5.2002, blz. 326.
(4) PB C 131 E van 5.6.2003, blz. 147.
(5) PB C 280 E van 18.11.2006, blz. 65.
(6) PB C 157 E van 6.7.2006, blz. 84.
(7) Conclusies van de Raad van 14.6.2010 inzake kinderarbeid, 10937/1/10.
(8) PB C 303 E van 13.12.2006, blz. 865.
(9) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 128.
(10) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 321.
(11) PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1.
(12) PB C 273 E van 14.11.2003, blz. 305.
(13) PB C 102 E van 24.4.2008, blz. 301.
(14) PB C 323 E van 18.12.2008, blz. 361.

Laatst bijgewerkt op: 2 maart 2012Juridische mededeling