Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2010/2103(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A7-0310/2010

Ingediende teksten :

A7-0310/2010

Debatten :

PV 24/11/2010 - 20
CRE 24/11/2010 - 20

Stemmingen :

PV 25/11/2010 - 8.13
CRE 25/11/2010 - 8.13
Stemverklaringen
Stemverklaringen
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P7_TA(2010)0445

Aangenomen teksten
PDF 153kWORD 76k
Donderdag 25 november 2010 - Straatsburg Definitieve uitgave
Internationaal handelsbeleid in de context van de de klimaatveranderingsvereisten
P7_TA(2010)0445A7-0310/2010

Resolutie van het Europees Parlement van 25 november 2010 over het internationaal handelsbeleid met de verplichtingen zoals door de klimaatverandering geboden (2010/2103(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de rapporten van de drie werkgroepen in de schoot van de intergouvernementele groep deskundigen voor de ontwikkeling van het klimaat, gepubliceerd in 2007(1) ,

–  gezien het pakket klimaatverandering, goedgekeurd door de Europese Raad op 17 december 2008,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 29 en 30 oktober 2009 over de onderhandelingen over het klimaat,

–  gezien de VN-topconferentie van Kopenhagen (Denemarken) van 7 t/m 18 december 2009 over het klimaat, en de overeenkomst van Kopenhagen die eruit voortgekomen is,

–  onder verwijzing naar zijn vroegere resoluties over de klimaatverandering, meer in het bijzonder die van 10 februari 2010 over de resultaten van de topconferentie van Kopenhagen(2) , en die van 29 november 2007 over de handel en de klimaatverandering(3) ,

–  gezien de mededeling van 26 mei 2010 van de Commissie „Analyse van de opties voor een broeikasgasemissiereductie van meer dan 20% en beoordeling van het risico van koolstoflekkage” (COM(2010)0265),

–  gezien de mededelingen van 19 juni 2010 van de Commissie over de duurzaamheid van biobrandstof en vloeibare biomassa(4) ,

–  gezien de mededeling van 4 november 2008 van de Commissie over „Het grondstoffeninitiatief – voorzien in onze kritieke behoeften aan groei en werkgelegenheid in Europa” (COM(2008)0699),

–  gezien het rapport van de Wereldhandelsorganisatie en het VN-milieuprogramma Handel en klimaatverandering, dat op 26 juni 2008 van start gegaan is,

–  gezien de slotverklaring van de staatshoofden en regeringsleiders op de G20-top van 24 en 25 september 2009 in Pittsburgh,

–  gezien de internationale evaluatie van landbouwwetenschappen en –technologie voor ontwikkeling van 2008(5) ,

–  gelet op artikel 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie ontwikkelingsamenwerking (A7-0310/2010),

A.  overwegende dat de temperatuur op aarde in de loop van de laatste eeuw al gestegen is en zal blijven stijgen, dat de economische en sociale repercussies van de opwarming van de aarde en de weerslag op het milieu een zorgwekkende omvang aannemen en dat het levensbelangrijk is om de opwarming tot minder van 2° C te beperken,

B.  overwegende dat het vergelijk dat op de VN-klimaattop van Kopenhagen in december 2009 tot stand gekomen is, niet bevredigt, en dat de Europese Unie er geen eersterangsrol heeft weten te spelen,

C.  overwegende dat het vergelijk dat op de VN-klimaattop van Kopenhagen in december 2009 tot stand gekomen is, niet bevredigt en teleurstelt,

D.  overwegende dat de topconferentie van Cancún een unieke gelegenheid voor daadwerkelijke dialoog biedt, wettelijk bindende middelen en veel strengere verificatieprocedures moet aannemen en een beslissende stap in de richting van een algemene, wettelijk bindende en onmiddellijk uitvoerbare overeenkomst moet betekenen om de opwarming van de aarde duidelijk onder de 2° C te houden,

E.  overwegende dat de strijd tegen de klimaatveranderingen een factor in de competitiviteit vertegenwoordigt, aangezien de Europese prioriteiten energiebesparingen en hernieuwbare energie zijn, waarmee de veilige energievoorziening van de Unie te verbeteren is, en die ruime mogelijkheden voor industriële ontwikkeling, vernieuwing, ruimtelijke ordening en uitbreiding van de werkgelegenheid bieden,

F.  overwegende dat gesubsidieerde energie en de afwezigheid van beperkingen op de uitstoot van CO2 voor een aantal landen een relatief voordeel betekenen,

G.  overwegende dat de regelgeving op het handelsverkeer bijgevolg van beslissend belang in de strijd tegen de klimaatverandering is, en dat de Europese Unie er als eerste handelsmacht ter wereld sterke invloed op uit kan oefenen,

1.  verheugt zich over het streven van de Europese Raad om de uitstoot van broeikasgassen in Europa tegen 2050 met 80 à 95% te verminderen in vergelijking met 1990, een doelstelling die noodzakelijk is als de Europese Unie zich op internationaal vlak opnieuw als leider in klimaataangelegenheden wil opwerpen, terwijl andere landen zich sterk voor groene economie inzetten, meer bepaald met hun economische herstelplannen; verleent zijn krachtige steun voor het streven om de Europese uitstoot tegen 2020 met 30 % te verminderen, wat andere landen ertoe moet aanzetten om ruimere verbintenissen aan te gaan;

2.  dringt aan op een internationaal bindende overeenkomst over klimaatbescherming en verleent zijn krachtige steun voor de doelstelling om de CO2-emissies in de Europese Unie tegen 2020 met 30% te verminderen, en de doelstelling van de Europese Unie op lange termijn, om de emissies van CO2 en andere broeikasgassen tegen 2050 met ten minste 85% te verminderen;

3.  beklemtoont dat de ontwikkelde landen in de vermindering van CO2-emissies het voortouw moeten nemen en denkt dat de invoering van normen, etiketteringsvoorschriften en certificaten enorme mogelijkheden inhoudt om het energieverbruik te verminderen en daarmee de klimaatverandering tegen te gaan; vindt dat het mechanisme voor milieuvriendelijke ontwikkeling niet aan de behoeften van de kwetsbaarste landen beantwoordt;

4.  pleit voor krachtiger stimulering van hernieuwbare energievormen en dringt erop aan dat de regeringen van de lidstaten een consequent beleid hanteren en een bindend juridisch kader vaststellen dat op lange termijn de goedkeuring van een gefaseerd subsidieprogramma mogelijk maakt dat de markten helpt openleggen en minimum infrastructuur tot stand helpt brengen, wat van essentieel belang is in tijden van crisis en onzekere vooruitzichten in de zakenwereld;

5.  wijst er eens te meer op dat het gemeenschappelijk handelsbeleid van de Europese Unie een instrument in dienst van haar algemene doelstellingen is en volgens artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie „op basis van de beginselen en doelstellingen van het externe optreden van de Unie” uitgevoerd moet worden, terwijl het volgens artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie vooral moet bijdragen „tot de vrede, de veiligheid, de duurzame ontwikkeling van de aarde, de solidariteit en het wederzijds respect tussen de volkeren, de vrije en eerlijke handel, de uitbanning van armoede en de bescherming van de mensenrechten, in het bijzonder de rechten van het kind, alsook tot de strikte eerbiediging en ontwikkeling van het internationaal recht, met inbegrip van de inachtneming van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties”;

6.  onderlijnt dat het handelsbeleid van de Europese Unie – op bilateraal, pluri- en multilateraal vlak – een hulpmiddel en geen doel op zich vormt, met haar doelstellingen in de strijd tegen de klimaatverandering te verenigen moet zijn en op de afsluiting van een veeleisende klimaatovereenkomst vooruit moet grijpen;

7.  meent dat de regelgeving van de WTO interpretatie vergt en zich volgens de verbintenissen moet ontwikkelen die in multilaterale milieuovereenkomsten aangegaan worden; vraagt de Commissie om op een consensus in de schoot van de WTO toe te werken, dat de secretariaten van de multilaterale milieuovereenkomsten waarnemersstatus krijgen op alle bijeenkomsten van de WTO die zich met hun bevoegdheidsterrein bezighouden, en een adviserende functie in beslechtingsprocedures voor milieugeschillen; benadrukt dat er bij de WTO een nieuwe internationale regelgeving opgesteld moet worden om het relatief voordeel van goedkope CO2-uitstoot weg te werken;

8.  betreurt dat geen enkel van de bestaande akkoorden van de Wereldhandelsorganisatie rechtstreeks naar de klimaatverandering, voedselveiligheid en de millennium-doelstellingen voor de ontwikkeling verwijst, en dat de biopiraterij op klimaatresistent zaaigoed zich uitbreidt; meent dat er veranderingen in de regelgeving van de Wereldhandelsorganisatie nodig zijn om voor verenigbaarheid en overeenstemming met de verbintenissen volgens het protocol van Kyoto en de multilaterale milieu-overeenkomsten te zorgen; roept tot dringende hervorming van de Wereldhandelsorganisatie op zodat er onderscheid tussen producten volgens hun productie- en verwerkingsmethoden gemaakt kan worden;

9.  wijst er onder verwijzing naar de preambule van de overeenkomst op de Wereldhandelsorganisatie en GATT-artikel XX letters b, d en g op, dat internationale handel niet tot overontginning van natuurlijke rijkdommen mag leiden en roept de Europese Commissie en de lidstaten op om onder toezicht van de Wereldhandelsorganisatie het beginsel van collectieve preferentie beter toe te passen, vooral voor duurzame, klimaatvriendelijke en ethisch verantwoorde producten;

10.  roept de Europese Commissie en de leden van de Wereldhandelsorganisatie op om een verklaring van de Wereldhandelsorganisatie na te streven die de betekenis en gevolgen van de klimaatverandering erkent, en haar ertoe aan te zetten om voor regels te zorgen die de wereldwijde inspanningen om de klimaatverandering te bestrijden, af te zwakken en er zich bij aan te passen, niet ontmoedigen maar juist stimuleren;

11.  betreurt dat de Wereldhandelsorganisatie nog altijd een manier moet vinden om haar verdrag in het systeem van VN-instellingen en regels voor milieubescherming, met inbegrip van de klimaatverandering, en sociale rechtvaardigheid en eerbiediging van alle mensenrechten te integreren; stelt met nadruk dat de verplichtingen en doelstellingen van de multilaterale milieu-overeenkomsten, zoals het kaderverdrag van de Verenigde Naties over de klimaatverandering, en andere VN-instellingen (FAO, IAO, IMO) voorrang op beperkende interpretatie van handelsregels moeten krijgen;

12.  vraagt de Europese Commissie, aangezien er sinds het ministerieel besluit van de Wereldhandelsorganisatie over handel en milieu van 15 april 1994 in Marrakesj meer dan vijftien jaar verstreken zijn, om het Europees Parlement en de Raad uiterlijk tegen midden 2011 een verslag voor te leggen dat nagaat in hoever de commissie handel en milieu van de Wereldhandelsorganisatie haar taak zoals in het besluit omschreven, volbracht heeft, en dat haar conclusies voorlegt voor wat er verder nog te doen blijft, vooral met het oog op de wereldwijde dialoog over het opvangen van de klimaatverandering en de aanpassing aan haar gevolgen, en de Wereldhandelsorganisatie;

13.  roept de Commissie en de lidstaten op, naar aanleiding van de WTO-onderhandelingen en bilaterale handelsovereenkomsten, om te eisen dat de liberalisering van de handel, vooral in natuurlijke grondstoffen, het duurzaam beheer van de rijkdommen niet in gevaar brengt en dat doelstellingen voor bescherming van het klimaat en de soortenrijkdom integraal bestanddeel van de overeenkomsten worden; vraagt de Europese Commissie dan ook om er op aan te dringen dat er vóór de conferentie over het raamverdrag van de Verenigde Naties over klimaatverandering (UNFCCC) in 2011 in Johannesburg, een gezamenlijke bijeenkomst van de ministers voor handel en milieu van de Wereldhandelsorganisatie plaatsvindt; herinnert eraan dat de UNFCCC het forum is waar een internationaal akkoord over de aanpak van de klimaatverandering tot stand moet komen;

14.  acht het meer dan ooit geboden om een openbaar debat over de oprichting van een Wereldmilieuorganisatie op gang te brengen;

Bredere positieve interactie tussen handelsverkeer en klimaatbescherming

15.  erkent de positieve rol die het handelsverkeer in de verspreiding van klimaatvriendelijke goederen en diensten kan spelen; meent dat bescherming van het klimaat en liberalisering van de handel elkaar wederzijds kunnen ondersteunen door de handel in milieuvriendelijke goederen en diensten te vereenvoudigen, maar dat er vooraf in samenwerking met de lidstaten van de Wereldhandelsorganisatie een lijst van die goederen en diensten opgesteld moet worden die aan strikte milieucriteria beantwoordt;

16.  erkent dat handel een belangrijk hulpmiddel voor overdracht van technologie aan ontwikkelingslanden is; benadrukt dat de hindernissen voor „groene handel” geslecht moeten worden, bij voorbeeld door op het niveau van de Wereldhandelsorganisatie de douanerechten op „groene goederen” op te heffen;

17.  hoopt dat de Europese Unie het goede voorbeeld geeft en hindernissen als douanerechten en belastingen op de handel in „groene” technologie en milieu- en klimaatvriendelijke producten opheft en milieuvriendelijke goederen en -diensten (EGS) bevoordeelt, onder meer met het actieplan van Bali en het Groen Klimaatfonds van Kopenhagen;

18.  wijst met nadruk op het belang van innovatie in de groene technologie en erkent de rol die handelsuitwisselingen in de overdracht van de bewuste technologie tussen de verschillende landen kunnen spelen;

19.  vraagt de Europese Unie om het initiatief te nemen om de voornaamste hinderpalen voor de verspreiding van technologieën te inventariseren waarmee de ontwikkelingslanden de klimaatverandering kunnen bestrijden;

20.  erkent dat vernieuwing aanmoedigen verschillende beloningsregelingen kan veronderstellen, die niet allemaal op dezelfde manier bevorderlijk voor de overdracht van technologie zijn; merkt ook op dat overdracht van technologie aanleiding tot vragen bij de intellectuele eigendomsrechten en de bescherming die ze bieden, geeft, door de zwakheid van sommige politieke instellingen en de eventuele afwezigheid van rechtsnormen, en vraagt de Europese Commissie daarom om alle stimulerende innovatieregelingen te bestuderen, het risico van uitsluiting van bepaalde landen onder ogen te zien, en de resultaten van haar studiewerk in haar diplomatieke activiteiten voor het klimaat aan te wenden;

21.  maakt zich ongerust over de verstorende uitwerking van subsidies voor energie uit fossiele brandstof op het handelsverkeer in de wereld, hun invloed op het klimaat en hun kosten voor de openbare financiën, en verheugt zich over de toezegging van de G20 om de subsidies geleidelijk aan af te schaffen;

22.  wenst dat de Europese Unie een internationale leidersrol in de aangelegenheid op zich neemt en vraagt de Commissie om spoedig een tijdschema voor de afschaffing van de bewuste subsidies in de Europese Unie voor te stellen, met dien verstande dat een ontwikkeling in die zin van sociale en industriële begeleidingsmaatregelen vergezeld moet gaan; herhaalt ook zijn vraag aan de Europese Commissie en de lidstaten om het Europees Parlement te informeren over door uitvoerkredietdiensten en de Europese Investeringsbank toegestane leningen voor projecten toestaan die een negatieve weerslag op het klimaat hebben;

23.  spreekt zich tegen subsidiëring van fossiele brandstoffen uit en dringt aan op krachtiger steunverlening voor milieuvriendelijke, hernieuwbare energievormen en onderzoek en ontwikkeling van decentrale energiebronnen, vooral in ontwikkelingslanden; wijst daarbij op het akkoord van de G20 om subsidies voor fossiele brandstoffen geleidelijk af te bouwen en vraagt de Europese Commissie om voorstellen voor een Europese uitvoeringstrategie in te dienen, met duidelijke tijdschema's en zo nodig compenserende regelingen;

Rechtvaardiger prijsvorming in de internationale handel en voorkoming van koolstoflekken

24.  merkt op dat liberalisering van het handelsverkeer tegen klimaatbescherming in kan gaan als bepaalde landen van hun onwerkzaamheid voor het klimaat een concurrentievoordeel maken; stelt daarom herziening van de anti-dumpingregels van de Wereldhandelsorganisatie voor, zodat ze ook eerlijke milieuvriendelijke prijsvorming volgens de wereldwijde regels voor de bescherming van het klimaat inhouden;

25.  betreurt dat bepaalde landen, door de energieprijzen te subsidiëren en geen beperkingen of quota's voor de uitstoot van CO2 vast te leggen, een relatief voordeel kunnen behalen - de onbeperkte en in vergelijking dus goedkope CO2-uitstoot maakt dat ze niet gestimuleerd worden om zich bij de multilaterale overeenkomsten op de klimaatverandering aan te sluiten;

26.  stipt toch ook aan dat de klimaatonderhandelingen van het principe van gemeenschappelijke maar onderscheiden verantwoordelijkheid uitgaan, en dat het zwak klimaatbeleid van de ontwikkelingslanden over het algemeen door hun geringere financiële of technische mogelijkheden te verklaren is, en niet door een streven naar milieudumping;

27.  wenst daarom dat het Europees debat over de industriële koolstoflekken in de Europese regeling voor de verhandeling van emissiequota's, en de middelen om er tegen in te gaan, met omzichtigheid plaatsvindt;

28.  herinnert eraan dat er namelijk volgens de laatste mededeling van 26 mei 2010 van de Commissie over de kwestie (COM(2010)0265) maar weinig industrietakken een betekenisvolle gevoeligheid voor koolstoflekken te zien geven en gaat ervan uit dat er zorgvuldige analyses per industrietak nodig zijn om ze aan te wijzen; vraagt de Europese Commissie om zich in de toekomst van die benadering te bedienen in plaats van een klein aantal kwantitatieve criteria die voor alle industrietakken dezelfde zijn;

29.  onderlijnt dat er geen eenheidsoplossing voor de industrietakken bestaat die aan koolstoflekken onderhevig zijn, en dat de aard van het product of de structuur van de markt essentiële gegevens zijn om een keuze uit de beschikbare werkwijzen te maken (toewijzing van gratis quota's, staatssteun of correcties aan de grenzen);

30.  meent dat een multilateraal akkoord over het klimaat de beste werkwijze is om de negatieve externe milieueffecten van CO2 in de kosten op te nemen, maar in de nabije toekomst waarschijnlijk niet haalbaar is; denkt dan ook dat de Europese Unie voor de industrietakken die werkelijk aan koolstoflekken onderhevig zijn, de mogelijkheden moet blijven onderzoeken om bruikbare milieubeleidsmiddelen in te voeren naast de verhandeling van CO2-quota's volgens de overeenkomstige regeling van de Gemeenschap, meer in het bijzonder een mechanisme voor de inachtneming van koolstofkosten, dat met de regels van de Wereldhandelsorganisatie te verenigen is en waarmee de gevaren van overdracht van CO2-emissies aan derde landen bestreden kunnen worden;

31.  stelt onomwonden dat fiscale correcties aan de grens niet als protectionistisch instrument gebruikt mogen worden, maar om emissies te verminderen;

Betere differentiëring van producten volgens hun uitwerking op het klimaat

32.  meent dat de Europese Unie als grootste handelsblok ter wereld wereldomvattende normen kan vastleggen en steunt de ontwikkeling en ruimere verspreiding van certificatie- en etiketteringssystemen die van sociale en milieucriteria uitgaan; vestigt de aandacht op het succesvol werk van internationale ngo's om dergelijke etiketten en certificaten te ontwerpen en aan te bevelen, en spreekt zich uitdrukkelijk voor hun ruimer gebruik uit;

33.  wijst erop dat het volgens de Wereldhandelsorganisatie mogelijk is om beperkende handelsmaatregelen te nemen als ze noodzakelijk, evenredig en niet discriminerend tegenover landen met dezelfde productievoorwaarden zijn; stelt wel vast dat er dringende verduidelijking nodig is om dergelijke maatregelen volgens klimaatcriteria te kunnen aanwenden die van de productie- en verwerkingsmethoden van de bewuste producten uitgaan;

34.  vraagt de Europese Commissie om stappen aan te wenden om bij de Wereldhandelsorganisatie de besprekingen over productie- en verwerkingsmethoden, en de mogelijkheden om tussen gelijkaardige producten te onderscheiden naargelang van hun koolstof- of energieafdruk of volgens technische normen, weer op gang te brengen; meent dat een dergelijk initiatief voor de lidstaten van de Wereldhandelsorganisatie aanvaardbaar te maken is als het van maatregelen vergezeld gaat om de overdracht van technologie te vergemakkelijken;

35.  hoopt wel dat het huidig gebrek aan duidelijkheid over productie- en verwerkingsmethoden bij de Wereldhandelsorganisatie de Europese Unie niet in de verleiding brengt om niets te ondernemen, aangezien ze juist van de toestand gebruik moet maken om manoeuvreerruimte te scheppen;

36.  beklemtoont dat er op toegezien moet worden dat negatieve milieugevolgen van handel in de prijzen tot uiting komen en dat het beginsel dat „de vervuiler betaalt” toepassing vindt; dringt erop aan dat de etiketterings- en informatiesystemen voor milieunormen op elkaar afgestemd worden;

37.  verheugt zich daarom over de invoering van duurzaamheidscriteria voor ingevoerde en Europese agrobrandstof door de Europese Unie en vraagt de Europese Commissie om de werkwijze tot biomassa en landbouwproducten uit te breiden; vraagt om indirecte veranderingen in het bodemgebruik die met agrobrandstof te maken hebben, in aanmerking te nemen en verwacht van de Europese Commissie dat ze voor het einde van dit jaar een voorstel in die zin indient, volgens haar eerdere toezegging aan het Europees Parlement;

38.  pleit voor invoering van concrete en bindende duurzaamheidscriteria en –normen voor de productie van biobrandstoffen en biomassa, die het vrijkomen van gassen die het klimaat beïnvloeden, en fijnstof door onrechtstreekse wijziging van bodemgebruik en de hele productiecyclus in aanmerking nemen; benadrukt dat het veilig stellen van de voedselvoorziening voorrang op de productie van biobrandstof heeft en dat duurzaam bodemgebruik in beleid en praktijk dringend met een algemenere zienswijze te behandelen is;

39.  acht het essentieel dat er strikte duurzaamheidnormen voor de internationale handel in biobrandstoffen vastgelegd worden, met inachtneming van hun sociale en milieugevolgen die onderling strijdig zijn;

40.  verheugt zich over het Europees akkoord over illegale houtproductie dat tot stand gekomen is, en ziet nu vorderingen in de vrijwillige partnerschapsovereenkomsten tegemoet;

Liberalisering van het handelsverkeer geen reden om veeleisend klimaatbeleid in vraag te stellen

41.  maakt zich ongerust over de wens van de Commissie om in de handelsovereenkomsten de liberalisering van de handel in hout door te drukken, vooral de afschaffing van uitvoerbeperkingen, ondanks het toegenomen ontbossingsgevaar en de negatieve terugslag op klimaat, biologische verscheidenheid, ontwikkeling en het welzijn van de plaatselijke bevolkingsgroepen;

42.  onderstreept vooral dat de doelstellingen voor klimaat en biodiversiteit en in de handelsvoorwaarden, in onderlinge overeenstemming moeten zijn, om zeker te zijn dat bij voorbeeld maatregelen om ontbossing tegen te gaan ook werkelijk effect hebben;

43.  meent dat nieuwe internationale klimaatbeschermingsovereenkomsten harde garanties moeten bevatten om de negatieve gevolgen van de internationale houthandel voor het milieu te beperken en de ontbossing, die zeer zorgwekkende afmetingen aanneemt, tot staan te brengen;

Volledige opname van vervoer in de problematiek van handel en klimaat

44.  betreurt dat het huidig handelsstelsel een verdeling van arbeid en productie over de wereld oplevert die een zeer hoge inbreng aan vervoer veronderstelt, dat zijn eigen milieukosten niet te dragen heeft; wenst dat de klimaatkosten van internationaal vervoer in zijn prijs opgenomen worden, ofwel door middel van belastingen of met handelsregelingen die gebruik maken van quota's en vergoedingen aanrekenen; stelt met genoegen vast dat de luchtvaart binnenkort in de regeling emissiehandel van de Europese Unie opgenomen wordt en verwacht van de Europese Commissie tegen 2011 een gelijkaardig initiatief voor de scheepvaart, dat in 2013 in werking zou treden, als het niet mogelijk blijkt om tegen die tijd een wereldwijde regeling in te voeren; betreurt dat er geen belastingen op brandstofverbruik in internationaal goederenvervoer geheven worden en spreekt zich voor belasting van de betreffende brandstof en producten uit, vooral op producten die per vliegtuig vervoerd worden; verwacht van de Europese Commissie ook een initiatief om steunmaatregelen voor de meer vervuilende vormen van vervoer in vraag te stellen, zoals de vrijstelling van belasting voor kerosine;

45.  stelt vast dat CO2-emissies in de internationale handel sterk teruggedrongen kunnen worden; vraagt om de transport- en milieukosten die ontstaan, in de prijs van het produkt aan te rekenen („internalisering van externe kosten”), vooral door de scheepvaart, die 90 % van het vervoer in het internationaal handelsverkeer vertegenwoordigt, in de Europese regeling emissiehandel op te nemen;

46.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om alles in het werk te stellen om bij de Internationale Maritieme Organisatie een juridisch bindend akkoord tot vermindering van de uitstoot van de scheepvaart te bereiken;

47.  acht het belangrijk dat internationale verbintenissen tot minder emissie van broeikasgassen ook voor internationaal luchtvervoer en de scheepvaart gelden;

48.  onderstreept dat de hogere CO2-uitstoot van vervoer en internationale handel de doeltreffendheid van de klimaatveranderingsstrategie van de Europese Unie ondermijnt; beschouwt dat als een sterk argument om in de ontwikkelingslanden van een exportgeleide ontwikkelingstrategie naar zelfstandige binnenlandse ontwikkeling op basis van gediversifieerde en plaatselijke productie en verbruik over te gaan, en herinnert eraan dat een dergelijke strategie een gunstige uitwerking op de werkgelegenheid zou hebben, zowel in de Europese Unie als in de ontwikkelingslanden;

49.  meent, zolang als klimaatkosten niet in de vervoerkosten doorberekend worden, dat duurzame plaatselijke productie aanmoediging verdient, vooral door betere informatie van de verbruiker;

Betere hulpmiddelen voor onderlinge afstemming van handels- en klimaatoverwegingen

50.  vraagt – om de samenhang tussen handels- en klimaatbeleid van de Europese Unie te verzekeren – dat er voor elke vorm van handelsbeleid een koolstofbalans opgemaakt wordt, dat het beleid eventueel gewijzigd wordt om de balans te verbeteren, en dat er verplichte compenserende maatregelen getroffen worden – in de vorm van politieke, technische en financiële samenwerking – in geval van balans die voor het klimaat negatief uitvalt;

51.  vraagt de Europese Unie met aandrang om de uitvoerige milieubepalingen in bilaterale en regionale handelsakkoorden als hefboom voor de ontwikkeling in te zetten, en dus te benadrukken dat de milieubepalingen en samenwerkingsmechanismen om overdracht van technologie, technische bijstand en capaciteitsopbouw te stimuleren, nauwlettend uitgevoerd moeten worden;

52.  vraagt de Commissie om handelsovereenkomsten met derde landen stelselmatig van milieubepalingen te voorzien, vooral om de CO2-uitstoot te verminderen en voor overdracht van technologie met lage emissiewaarden te zorgen;

53.  neemt met voldoening kennis van het feit dat klimaatverandering nu een aspect van de effectbeoordeling op duurzaamheid (SIA) van handelsovereenkomsten is maar stelt vast dat in sommige gevallen, zoals het Euro-Mediterraan vrijhandelsakkoord, uit de bewuste effectbeoordeling blijkt dat het akkoord negatieve klimaateffecten zal hebben die vóór de afsluiting niet ter sprake gekomen zijn; meent dat handelsovereenkomsten de multilaterale milieu-overeenkomsten op geen enkele manier mogen doorkruisen;

54.  vindt dat er bij de herziening van het algemeen preferentiestelsel milieucriteria ingevoerd moeten worden;

55.  vindt dat de Europese Commissie in haar onderhandelingstrategieën voor handel en milieubeleid een geharmoniseerd raamwerk moet hanteren, zodat ze haar partners geen aanleiding tot bezorgdheid over handelsbelemmeringen geeft en zich tegelijk aan haar dwingende doelstellingen in de strijd tegen de klimaatverandering kan houden;

56.  vindt dat de „klimaatdiplomatie” in de handelsbetrekkingen van de Europese Unie met landen die niet door multilaterale milieubeschermingsovereenkomsten gebonden zijn, vastberadener en rechtlijniger optreden verdient;

Samenhang van handel en klimaat bij de Europese Unie uit het oogpunt van de ontwikkelingslanden

57.  geeft toe dat de pogingen tot onderlinge afstemming van Europees handels- en klimaatbeleid door partnerlanden als methoden aangewend of gezien kunnen worden om langs een omweg onze invoer te beperken en onze uitvoer uit te breiden;

58.  beklemtoont daarom dat het van belang is om met de landen in kwestie elke maatregel te bespreken die de Europese Unie zou kunnen treffen, vooral correcties aan de grenzen, en te zorgen dat de Europese Unie haar toezeggingen aan de ontwikkelingslanden voor klimaatsteun gestand doet;

59.  maakt zich dan ook ongerust dat de „voorbarige” financieringen die de Europese landen op de klimaattop van Kopenhagen toegezegd hebben, voor een deel uit toezeggingen voor openbare ontwikkelingshulp voortkomen en in de vorm van leningen gegeven worden, in tegenstelling met de uitdrukkelijke wensen van het Europees Parlement; vraagt de Europese Commissie om een verslag over die financieringen op te stellen om na te gaan of de werkelijkheid met de aangegane verbintenissen en de wensen van het Europees Parlement overeenstemt; dringt ook op betere thematische en geografische coördinatie van de financieringen aan;

60.  brengt de toezegging van de industrielanden in herinnering, o.a. ook de lidstaten van de Europese Unie, om over vernieuwende financieringen na te denken om de strijd met de klimaatveranderingen aan te binden;

61.  is ervan overtuigd dat de strijd tegen de klimaatverandering op het beginsel van solidariteit tussen de geïndustrialiseerde en de ontwikkelingslanden moet berusten en dat er wellicht nauwere samenwerking tussen de Verenigde Naties, de Wereldhandelsorganisatie en de overige instellingen van Bretton Woods voor nodig is; doet dan ook een oproep om samen met de ontwikkelingslanden, de opkomende en geïndustrialiseerde landen een algemene strategie voor de emissiehandel en de belasting van energie en broeikasgassen uit te werken, van de ene kant om vertrek van ondernemingen op grote schaal te voorkomen (koolstoflekken), en van de andere kant om middelen te vinden om maatregelen tot bestrijding en mindering van de klimaatverandering en voor aanpassing aan haar gevolgen te financieren;

62.  beklemtoont dat meer overdracht van technologie aan de ontwikkelingslanden als middel om koolstoflekken tegen te gaan, een essentieel onderdeel van een klimaatregeling voor de periode na 2012 vormt, en betreurt dat overdracht van technologie maar een klein deel van de openbare ontwikkelingshulp vertegenwoordigt; dringt er bij de lidstaten op aan om de ontwikkelingslanden meer technische en financiële bijstand te verlenen om de gevolgen van de klimaatverandering het hoofd te bieden, zich aan klimaatgebonden normen te kunnen houden, en de weerslag van normen, etiketteringsvoorschriften en certificaties op voorhand te overzien;

o
o   o

63.  verzoekt zijn Voorzitter om deze resolutie te doen toekomen aan de voorzitter van de Europese Raad, de Raad en de Commissie, de nationale parlementen, en de eerstaanwezende secretaris van het raamverdrag van de Verenigde Naties over de klimaatverandering (UNFCCC) en de 17de Conferentie van verdragspartijen (COP 17).

(1) Changements Climatiques 2007: Rapport de Synthèse, opgesteld o.l.v. Rajendra K. Pachauri en Andy Reisinger, Genève 2007, http://www.ipcc.ch/pdf/assessment-report/ar4/syr/ar4_syr_fr.pdf; en de rapporten van de werkgroepen: Les éléments scientifiques, bijdrage van werkgroep I, opgesteld o.l.v. S. Solomon, D. Qin, M. Manning, Z. Chen, M. Marquis, K. Averyt, M. Tignor en H.L. Miller jr.; Conséquences, adaptation et vulnérabilité, bijdrage van werkgroep II, opgesteld o.l.v. M. Parry, O. Canziani, J. Palutikof, P. van der Linden en C. Hanson; Atténuation du Changement Climatique, bijdrage van werkgroep III, opgesteld o.l.v. B. Metz, O. Davidson, P. Bosch, R. Dave en L. Meyer.
(2) Aangenomen teksten van die datum, P7_TA(2010)0019.
(3) PB C 297 E van 20.11.2008, blz. 193.
(4) PB C 160 van 19.6.2010, blz. 1 en 8.
(5) http://www.agassessment.org/

Laatst bijgewerkt op: 2 maart 2012Juridische mededeling