Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Aangenomen teksten
PDF 104kWORD 54k
Donderdag 10 maart 2011 - Straatsburg Definitieve uitgave
De zuidelijke buurlanden, en met name Libië, met inbegrip van humanitaire aspecten
P7_TA(2011)0095B7-0169, 0170, 0171, 0172 en 0173/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 10 maart 2011 over de zuidelijke nabuurschapslanden en in het bijzonder Libië

Het Europees Parlement ,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 1 maart 2011, waarin het Libische lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad (UNHRC) met eenparigheid van stemmen wordt opgeschort,

–  gezien resolutie 1970/2011 van de VN-Veiligheidsraad van 26 februari 2011,

–  gezien het besluit van de Raad van 28 februari 2011 waarmee uitvoering wordt gegeven aan de resolutie van de VN-Veiligheidsraad en bijkomende restrictieve maatregelen worden genomen tegen de verantwoordelijken voor het gewelddadige optreden tegen de burgerbevolking van Libië,

–  gezien resolutie S-15/2 van de VN-Mensenrechtenraad, die op 25 februari 2011 werd aangenomen,

–  gezien de opschorting van de onderhandelingen over de kaderovereenkomst EU-Libië op 22 februari 2011,

–  gezien de recente verklaringen van de hoge vertegenwoordiger Catherine Ashton over Libië en Noordelijk Afrika,

–  onder verwijzing naar zijn eerdere resoluties over Libië en met name zijn resolutie van 17 juni 2010 over executies in Libië(1) en zijn aanbeveling van 20 januari 2011 aan de Raad waarin wordt ingegaan op de kritieke omstandigheden in verband met de onderhandelingen over de kaderovereenkomst EU-Libië(2) ,

–  gezien het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 en het protocol van 31 januari 1967 betreffende de status van vluchtelingen,

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren en het bijbehorende protocol inzake de oprichting van een Afrikaans Hof voor de rechten van de mens en de volkeren, die Libië respectievelijk op 26 maart 1987 en 19 november 2003 heeft geratificeerd,

–  gelet op artikel 110, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat bij de recente betogingen in verschillende Arabische landen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten is geroepen om het einde van autoritaire regimes en om politieke, economische en sociale hervormingen, vrijheid, democratie en betere levensomstandigheden voor de burgers, overwegende dat de massale protesten in tal van Arabische landen hebben aangetoond dat ondemocratische en autoritaire regimes niet op geloofwaardige wijze voor stabiliteit kunnen zorgen en dat democratische waarden centraal staan in een economisch en politiek partnerschap,

B.  overwegende dat de protesten tegen het Libische regime op 15 februari 2011 begonnen in de stad Benghazi en zich over het land verspreidden en uiteindelijk Al Bayda, Al-Quba, Darnah en Az Zintan bereikten, waarbij de betogers de controle kregen over talrijke steden, met name in het oosten van het land,

C.  overwegende dat de betogers het doelwit zijn geweest van ongekend gewelddadige aanvallen door het Kadhafi-regime, dat de Libische strijdkrachten, milities en huurlingen en buitenlandse strijders heeft gebruikt om de protesten in geweld te smoren, onder meer door een willekeurige inzet van machinegeweren, sluipschutters en militaire vliegtuigen en helikopters tegen burgers; overwegende dat dit heeft geleid tot een snel toenemend dodental en een groot aantal gewonden en gearresteerden,

D.  overwegende dat de gewelddadige en wrede reactie van het regime tegen de Libische bevolking er niet alleen toe geleid heeft dat talrijke soldaten in het land zijn gedeserteerd, maar ook dat leden van het regime zijn overgelopen,

E.  overwegende dat volgens de UNHCR de afgelopen dagen meer dan 200 000 mensen Libië zijn ontvlucht naar de buurlanden Tunesië, Egypte en Niger, en dat honderdduizenden andere vluchtelingen en gastarbeiders een wanhopige strijd voeren om aan het conflict te ontsnappen of het land te verlaten, overwegende dat hierdoor een humanitaire noodsituatie ontstaat die een snelle reactie van de EU nodig maakt,

F.  overwegende dat, na eenstemmige goedkeuring van een resolutie door de VN-Mensenrechtenraad over de mensenrechtensituatie in Libië tijdens de 15e bijzondere zitting op 25 februari 2011, waarin de grootschalige en stelselmatige schendingen van de mensenrechten die in Libië worden begaan werden veroordeeld en waarin erop werd gewezen dat sommige van deze schendingen misdaden tegen de menselijkheid kunnen vormen, de Algemene Vergadering van de VN op 2 maart 2011heeft besloten Libië's lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad op te schorten, op aanbeveling van de VN-Mensenrechtenraad,

G.  overwegende dat de aanklager van het Internationaal Strafhof (ICC) in reactie op de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van 26 februari 2011 waarin besloten was de zaak voor te leggen aan het Internationaal Strafhof, op 3 maart 2011 een onderzoek heeft ingesteld naar de beschuldigingen van schendingen van de mensenrechten die in Libië hebben plaatsgevonden, o.a. door Moammar al-Kadhafi en leden van zijn regime; overwegende dat in resolutie van de VN-Veiligheidsraad 1970 een wapenembargo tegen het land wordt afgekondigd alsmede een reisverbod en de bevriezing van de tegoeden van de familie van Kadhafi en het regime en dat bovendien de lidstaten van de VN wordt toegestaan om militair gerelateerd materieel in beslag te nemen en te verwijderen,

H.  overwegende dat bij het besluit van de Raad van de Europese Unie van 28 februari 2011 aanvullende restrictieve maatregelen worden opgelegd, met name een visumverbod en de bevriezing van activa, aan degenen die verantwoordelijk zijn voor de gewelddadige onderdrukking van de Libische bevolking, om uitvoering te geven aan de resolutie van de VN-Veiligheidsraad van 26 februari 2011,

I.  overwegende dat verschillende wereldleiders sinds het begin van de opstand Kadhafi herhaaldelijk tot opgeven hebben opgeroepen,

J.  overwegende dat de Arabische Liga Libië op 22 februari 2011 heeft geschorst en dat zijn secretaris-generaal op 3 maart 2011 heeft verklaard dat de Liga in overleg met de Afrikaanse Unie steun kan geven aan de instelling van een „no fly”-zone boven Libië indien de gevechten in dat land voortduren,

K.  overwegende dat de tijdelijke Nationale Overgangsraad de internationale gemeenschap in een op 5 maart 2011 uitgegeven verklaring verzocht „haar verplichtingen na te komen om de Libische bevolking te beschermen tegen een verdere genocide en misdaden tegen de menselijkheid, zonder een directe militaire interventie op Libisch grondgebied”,

L.  overwegende dat de EU met ingang van 22 februari 2011 de lopende onderhandelingen over de kaderovereenkomst EU-Libië en alle samenwerkingsovereenkomsten met Libië heeft opgeschort,

M.  overwegende dat de EU een vitaal belang heeft bij een democratisch, stabiel, welvarend en vreedzaam Noord-Afrika, overwegende dat de recente gebeurtenissen in Libië, Egypte en Tunesië de dringende noodzaak onderstrepen van hervorming van het externe optreden van de EU ten aanzien van de Middellandse-Zeeregio,

N.  overwegende dat de buitengewone Europese Raad op vrijdag 11 maart 2011 naar verwachting een grondige studie zal wijden aan het verslag van de hoge vertegenwoordiger en de Commissie over de snelle aanpassing van EU-instrumenten, en aan het verslag van de hoge vertegenwoordiger over de steun voor de overgangs- en transformatieprocessen,

1.  geeft uiting aan zijn solidariteit met het Libische volk, en met name met de Libisch jeugd die een stuwende kracht is geweest in het streven naar democratie en een verandering van het regime, prijst hun moed en vastberadenheid en steunt met nadruk hun legitieme democratische, economische en sociale aspiraties;

2.  veroordeelt ten scherpste de eclatante en stelselmatige mensenrechtenschendingen in Libië, en met name het gewelddadige optreden van het regime-Kadhafi tegen vreedzaam voor democratie betogende demonstranten, journalisten en mensenrechtenactivisten; betreurt ten zeerste het zware verlies aan mensenlevens en het grote aantal gewonden; betuigt zijn deelneming met de nabestaanden van de slachtoffers; hekelt het aanzetten tot geweld tegen de burgerbevolking door Moammar Kadhafi en zijn zoon Saif al-Islam, de hoogste vertegenwoordigers van het regime;

3.  dringt aan op onmiddellijke beëindiging van het gewelddadige dictatoriale regime van kolonel Kadhafi en verzoekt hem onmiddellijk af te treden om verder bloedvergieten te voorkomen en de weg vrij te maken voor een vreedzame politieke overgang; verzoekt de Libische autoriteiten onmiddellijk een einde te maken aan het geweld en ruimte te bieden voor een vreedzame oplossing die aan de legitieme verwachtingen van het Libische volk voldoet; verzoekt de Libische autoriteiten de mensenrechten en het internationale humanitaire recht te eerbiedigen, alle beperkingen van de vrijheid van meningsuiting, ook via internet, op te heffen en onafhankelijke mensenrechtenwaarnemers en buitenlandse media onmiddellijk tot het land toe te laten;

4.  schaart zich volledig achter resolutie 1970 van de VN-Veiligheidsraad, waarin de grootschalige en stelselmatige schending van de mensenrechten in Libië wordt veroordeeld, en ertoe wordt opgeroepen de zaak door te verwijzen naar het Internationaal Strafhof, en waarin tegelijkertijd een wapenembargo wordt afgekondigd voor het land, alsmede een reisverbod en de bevriezing van de tegoeden van de familie van Moammar Kadhafi; onderstreept dat zij die aanvallen op burgers gepleegd hebben, volgens het internationaal recht een individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid dragen, voor de rechter moeten worden gedaagd en niet ongestraft mogen blijven; steunt ten zeerste dat er door de aanklager van het ICC een onderzoek wordt ingesteld naar de beschuldigingen van misdaden tegen de mensheid die gepleegd zouden zijn door Moammar Kadhafi en de leden van zijn regime;

5.  merkt op dat de EU als eerste de door de VN-Veiligheidsraad opgelegde sancties heeft uitgevoerd en dat de maatregelen van de EU nog verder gaan en afzonderlijke sancties omvatten; is verheugd over het besluit van de Raad tot instelling van een verbod op de handel met Libië in apparatuur die voor interne repressie gebruikt kan worden, alsmede de uitbreiding van de lijst met personen wier vermogen wordt bevroren en voor wie een visumverbod geldt; wenst dat de effectiviteit van sancties voortdurend wordt geëvalueerd;

6.  onderstreept dat alle maatregelen op alle Libische tegoeden van toepassing moeten zijn, inclusief de door de Libische investeringsauthoriteit beheerde staatsinvesteringsfondsen; dringt erop aan de bevriezing van vermogens ook van toepassing te laten zijn op de inkomsten uit de verkoop van olie en gas; verzoekt de Raad en de lidstaten volledige openheid te betrachten ten aanzien van alle bevroren vermogens; is in dat verband ingenomen met discussies over verdere EU-sancties, zodat ook het vermogen van Libische bedrijven met banden met het regime-Kadhafi wordt bevroren;

7.  is ingenomen met het besluit van de Raad van 28 februari 2011 om alle leveringen van wapens, munitie en verwant materieel aan Libië te verbieden; verzoekt de Raad in dit verband na te gaan of er sprake is geweest van inbreuk op de EU-gedragscode voor de wapenuitvoer en stringente maatregelen vast te stellen om te waarborgen dat deze code door alle leden volledig wordt nageleefd; verzoekt de Hoge Vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken het embargo te bekrachtigen door gebruik te maken van luchtmacht- en marinefaciliteiten van het GVDB;

8.  steunt het besluit van de VN-mensenrechtenraad om een onafhankelijke internationale onderzoekscommissie naar Libië te sturen om de schendingen van het internationale recht inzake mensenrechten te onderzoeken, en het besluit van de Algemene Vergadering van de VN van 2 maart 2011 om Libië's lidmaatschap van de VN-Mensenrechtenraad op te schorten;

9.  verzoekt zowel de EU als de internationale gemeenschap alles in het werk te stellen om Kadhafi en zijn regime nationaal en internationaal volkomen te isoleren;

10.  onderstreept dat de EU en haar lidstaten de verantwoordelijkheid om te beschermen invulling moeten geven, teneinde de Libische bevolking te redden van grootschalige gewapende aanvallen; wijst erop dat in dit verband geen enkele in het Handvest van de VN voorziene optie moet worden uitgesloten; verzoekt de hoge vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie en de lidstaten zich gereed te houden voor een besluit in de VN-Veiligheidsraad over verdere maatregelen, waaronder de mogelijkheid van een vliegverbod om te voorkomen dat het regime de burgerbevolking tot doelwit kiest; onderstreept dat alle eventuele maatregelen van de EU en de lidstaten met een VN-mandaat dienen te stroken en gecoördineerd moeten worden met de Arabische Liga en de Afrikaanse Unie, waarbij beide organisaties worden aangemoedigd bij de internationale maatregelen sturend op te treden;

11.  verzoekt de Vice-voorzitter van de Commissie/Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid betrekkingen aan te knopen met de tijdelijke Nationale Overgangsraad van Libië en een proces op te starten om die een officieel karakter te geven teneinde de overgang naar democratie aan te moedigen, de betrokkenheid van een breed spectrum van vertegenwoordigers van de Libische samenleving te garanderen en ervoor te zorgen dat vrouwen en minderheden een rol spelen in het overgangsproces, en de Raad te steunen in de bevrijde gebieden om de bevolking hulp te bieden en te voorzien in de humanitaire basisbehoeften, met inbegrip van medische hulp;

12.  spoort de EU aan een bijdrage te leveren aan democratische hervormingen en de totstandbrenging van instellingen van de rechtsstaat in Libië door middel van steun voor de ontwikkeling van vrije media en onafhankelijke organisaties van het maatschappelijk middenveld, in het bijzonder politieke partijen, zodat in de toekomst democratische verkiezingen kunnen worden gehouden;

13.  is ten zeerste verontrust over de aanzwellende humanitaire crisis, nu ruim 200 000 migranten het geweld in Libië ontvluchten en velen van hen klem zitten aan de grens tussen Libië en Tunesië of gestrand zijn in vluchtelingenkampen in Tunesië, Egypte en Niger; verzoekt de huidige en komende Libische autoriteiten humanitaire organisaties toegang tot het land te verlenen en de veiligheid van het personeel van deze organisaties te waarborgen;

14.  spoort de Raad, de Commissie en de hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter aan alle nodige financiële en personele middelen ter beschikking te stellen voor een robuuste internationale humanitaire actie, steun te geven aan de UNHCR en andere relevante organisaties om bescherming en noodhulp te bieden aan al diegenen die daar behoefte aan hebben; is ingenomen met de maatregelen en middelen die tot dusverre door Commissaris Georgieva en ECHO zijn genomen resp. verstrekt, alsook met de humanitaire hulp die door sommige lidstaten is verleend om deze uitdaging het hoofd te bieden; verzoekt de EU en de lidstaten vliegtuigen en schepen ter beschikking te stellen om te helpen bij het repatriëren of hervestigen van migranten, asielzoekers en vluchtelingen uit Libië overeenkomstig het internationaal recht en de relevante wetgeving van de Europese Unie, en financiële steun te verlenen in reactie op de gemeenschappelijke oproep van UNHCR en IOM (Internationale Organisatie voor Migratie)van 3 maart 2011;

15.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat al het nodige, waaronder voldoende financiële, personele en technische middelen, wordt gedaan om de EU in staat te stellen overeenkomstig artikel 80 van het VWEU adequaat te reageren in geval van een massale migratiebeweging;

16.  herinnert eraan dat Europese en Afrikaanse leiders in de gemeenschappelijke Afrika-EU-strategie van 2007 hebben beloofd de noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat onderzoeken worden gehouden naar de herkomst van vermogens, met inbegrip van geldbedragen, en deze, wanneer wordt vastgesteld dat ze illegaal zijn verworven, aan het land van herkomst terug te gegeven; verzoekt de lidstaten met klem zich hieraan en aan het VN-Verdrag tegen corruptie te houden, teneinde te waarborgen dat bevroren vermogens in de toekomst aan de Libische bevolking worden teruggegeven; onderstreept dat er een gecoördineerde EU-actie nodig is om de vermogens van de familie Kadhafi en bekende handlangers in Europa of bij in belastingparadijzen gevestigde Europese financiële instellingen te bevriezen, en ervoor te zorgen dat EU-banken zich wat eventuele, uit Libië overgebrachte illegale fondsen betreft houden aan de „ken-uw-cliënt”-vereisten;

17.  onderstreept dat het inzetten van huursoldaten een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid vormt, en een misdaad tegen de menselijkheid is, en derhalve moet worden stopgezet; verzoekt de Raad en de hoge vertegenwoordiger/vice-voorzitter om alle regeringen met klem te waarschuwen tegen het sturen van huursoldaten, militair personeel of militaire uitrusting ter ondersteuning van de repressie van de Libische bevolking door het regime-Kadhafi;

18.  juicht het toe dat op 11 maart 2011 een buitengewone Europese Raad bijeenkomt voor overleg over de ontwikkelingen in Libië en de zuidelijke nabuurschapslanden; verzoekt de HV/VV en de lidstaten een alomvattende, coherente strategie uit te stippelen met het oog op de humanitaire en politieke reactie op de situatie in Libië;

19.  verzoekt de Hoge Vertegenwoordiger/vicevoorzitter van de Commissie voorbereidingen te treffen voor een EU-optreden in en EU-steun aan de zuidelijke nabuurschapslanden, waarbij bijzondere aandacht uitgaat naar de totstandbrenging van de rechtsstaat, behoorlijk bestuur en het leggen van de constitutionele en electorale grondslagen voor een stabiele, pluriforme en vreedzame democratie in de regio; verzoekt de hoge vertegenwoordiger ten volle gebruik te maken van alle relevante externe financieringsinstrumenten van de EU;

20.  is van mening dat de revolutionaire veranderingen in Noord-Afrika en het Midden-Oosten duidelijk hebben gemaakt dat het voor de positieve invloed en de geloofwaardigheid van de EU op lange termijn in die regio bepalend is of zij in staat is een coherent gemeenschappelijk buitenlands beleid te voeren dat op waarden is gebaseerd en waarin duidelijk de kant van de nieuwe democratische krachten wordt gekozen; herhaalt zijn oproep dat de Europese Unie haar beleid van ondersteuning van democratie en mensenrechten in dier voege herziet dat er in alle met derde landen te sluiten overeenkomsten een implementatiemechanisme voor de mensenrechten wordt opgenomen;

21.  herhaalt zijn verzoek om nauw te worden betrokken bij het werk van de task force die is opgezet om de reactie van de EU op de crisis in Libië en elders in het Middellandse-Zeegebied te coördineren;

22.  benadrukt opnieuw dat de gebeurtenissen in Libië en in andere landen in de regio benadrukken dat het dringend noodzakelijk is ambitieuzere en doeltreffender beleidsmaatregelen en -instrumenten te ontwikkelen en hun basis in de begroting te versterken, ter stimulering en ondersteuning van politieke, economische en sociale hervormingen in de zuidelijke buurlanden van de EU; onderstreept dat de aan de gang zijnde strategische herziening van het Europese nabuurschapsbeleid moet beantwoorden aan de ontwikkelingen in de regio, en nieuwe en betere manieren moet opleveren om aan de behoeften en aspiraties van zijn volkeren tegemoet te komen; beklemtoont dat bij de herziening van het nabuurschapsbeleid voorrang moet worden gegeven aan de criteria in verband met onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, eerbiediging van de fundamentele vrijheden, pluralisme en persvrijheid en corruptiebestrijding; dringt aan op betere coördinatie met het overige beleid van de Unie jegens de betrokken landen;

23.  deelt de opvatting dat de Unie voor het Middellandse-Zeegebied zich aan het nieuwe tijdperk en aan de nieuwe omstandigheden moet aanpassen en na reflectie over de recente gebeurtenissen moet handelen en met voorstellen moet komen voor de wijze waarop democratie en mensenrechten zich in de aangesloten staten en in de regio, met inbegrip van Libië, het beste laten bevorderen, en voor mogelijke hervormingen, waardoor zij ook haar eigen rol sterker, coherent en efficiënter kan maken;

24.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten van de Europese Unie, de VN-Veiligheidsraad en de Algemene Vergadering van de VN, de UNHCR, de Liga van Arabische staten, de Afrikaanse Unie, de Unie voor het Middellandse Zeegebied, de regeringen van de buurlanden van Libië en de tijdelijke Nationale Overgangsraad.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0246.
(2) Aangenomen teksten, P7_TA(2011)0020.

Laatst bijgewerkt op: 19 juni 2012Juridische mededeling