Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2011/2874(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B7-0540/2011

Debatten :

PV 27/10/2011 - 12.1
CRE 27/10/2011 - 12.1

Stemmingen :

PV 27/10/2011 - 13.1

Aangenomen teksten :

P7_TA(2011)0474

Aangenomen teksten
PDF 89kWORD 44k
Donderdag 27 oktober 2011 - Straatsburg Definitieve uitgave
Tibet, met name zelfverbranding door nonnen en monniken
P7_TA(2011)0474B7-0540, 0546, 0561, 0563, 0564/2011

Resolutie van het Europees Parlement van 27 oktober 2011 over Tibet, in het bijzonder de zelfverbranding van nonnen en monniken

Het Europees Parlement ,

–  gezien zijn eerdere resoluties over China en Tibet, en met name zijn resolutie van 25 november 2010(1) ,

–  gezien artikel 36 van de Grondwet van de Volksrepubliek China, dat alle burgers het recht op godsdienstvrijheid garandeert,

–  gelet op artikel 122, lid 5, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de eerbiediging van de mensenrechten, de godsdienstvrijheid en de vrijheid van vereniging fundamentele beginselen van de EU zijn en een prioritair agendapunt van haar buitenlands beleid;

B.  overwegende dat de Chinese regering drastische beperkingen heeft opgelegd aan Tibetaanse boeddhistische kloosters in de prefectuur van Aba / Ngaba (provincie Sechouan) en andere delen van de Tibetaanse hoogvlakte, met gewelddadige acties door veiligheidstroepen, willekeurige opsluiting van monniken, verscherpt toezicht en permanente politieaanwezigheid in de kloosters om de religieuze activiteiten in de gaten te houden;

C.  overwegende dat deze veiligheidsmaatregelen erop gericht zijn het recht op vrije meningsuiting, de vrijheid van vereniging en de godsdienstvrijheid in de boeddhistische kloosters in Tibet te beknotten;

D.  overwegende dat de 20-jarige Phuntsog en de 29-jarige Tsewang Norbu respectievelijk op 16 maart en 15 augustus 2011 door zelfverbranding om het leven zijn gekomen, uit protest tegen het restrictieve beleid van China in Tibet;

E.  overwegende dat ook de jongere broers van Phuntsog, Lobsang Kelsang en Lobsang Kunchok, beiden 18 jaar oud, zich op 26 september 2011op de markt van Aba / Ngaba in brand hebben gestoken, en dat, hoewel zij het hebben overleeft, nog steeds onzekerheid bestaat over hun lot;

F.  overwegende dat een 38-jarige monnik van het klooster van Kardze, Dawa Tsering, zich op 25 oktober 2011 in brand heeft gestoken, en dat Chinese veiligheidsagenten de vlammen hebben gedoofd en tevergeefs hebben geprobeerd hem af te voeren, en dat de monnik momenteel door andere monniken in het klooster in bescherming is genomen en in kritieke toestand verkeert;

G.  overwegende dat Kelsang Wangchuk, een 17-jarige monnik van het Kirti-klooster, zich op 3 oktober 2011 in brand heeft gestoken en onmiddellijk door Chinese soldaten die het vuur hebben gedoofd is afgevoerd en zwaar is mishandeld, waarna niets meer is gehoord over zijn toestand of de plaats waar hij zich bevindt;

H.  overwegende dat twee voormalige monniken van het Kirti-klooster, de 19-jarige Choephel en de 18-jarige Kayang hand in hand, roepend om de terugkeer van de Dalaï Lama en godsdienstvrijheid, zichzelf in brand hebben gestoken en deze protestactie met hun leven hebben bekocht;

I.  overwegende dat een voormalige monnik van het Kirti-klooster, de 19-jarige Norbu Damdrul, zich op 15 oktober 2011 als achtste Tibetaan in rij, in brand heeft gestoken en dat niets bekend is over zijn toestand noch over de plaats waar hij zich bevindt;

J.  overwegende dat een 20-jarige non van het Ngaba Mamae Dechen Choekorling-nonnenklooster, Tenzin Wangmo, op 17 oktober 2011 als eerste non door zelfverbranding om het leven is gekomen;

K.  overwegende dat zelfverbranding gezien kan worden als een vorm van protest en als uitdrukking van de toenemende wanhoop onder de jonge Tibetanen, vooral binnen de Kirti-kloostergemeenschap;

L.  overwegende dat deze daden, ongeacht de persoonlijke motieven, gezien moeten worden in de bredere context van de al jaren aanhoudende religieuze en politieke onderdrukking in het district van Aba / Ngaba;

M.  overwegende dat de verstrengde controle op de godsdienstbeleving die de Chinese staat via een aantal in 2007 aangenomen wetten heeft ingevoerd, bijgedragen heeft aan de wanhoop onder de Tibetanen over de hele Tibetaanse hoogvlakte;

N.  overwegende dat de bestaande regels de controle van de staat op het religieuze leven drastisch hebben uitgebreid, waarbij tal van uitingen van religieuze identiteit, zoals de erkenning van gereïncarneerde lama's, nu aan goedkeuring en controle door de staat onderworpen zijn;

O.  overwegende dat een Chinese rechtbank drie Tibetaanse monniken tot gevangenisstraffen heeft veroordeeld naar aanleiding van de dood van hun gezel Phuntsog, die zich op 16 maart 2011 in brand heeft gestoken, op beschuldiging van „moord met voorbedachten rade” omdat zij de monnik hebben verborgen en hem medische verzorging ontzeggen;

P.  overwegende dat in maart 2011, na het eerste zelfverbrandingincident, gewapende troepen zich rond het Kirti-klooster hebben opgesteld en dagenlang alle toevoer van eten en drinken hebben afgesloten, overwegende dat de nieuwe veiligheidsagenten die naar het klooster zijn gestuurd zijn begonnen met een nieuwe verplichte campagne „patriottische opvoeding”, en dat meer dan 300 monniken in militaire voertuigen zijn weggebracht en op onbekende plaatsen worden vastgehouden en wekenlang aan politieke indoctrinatie worden blootgesteld;

Q.  overwegende dat de Chinese regering de monniken van het Kirti-klooster ervan beschuldigen verwikkeld te zijn geweest in „daden die als doel hebben de maatschappelijke orde te verstoren”, onder meer vandalisme en zelfverbranding;

R.  overwegende dat de Chinese autoriteiten de jongste maanden de veiligheidsvoorschriften in Tibet, en in het bijzonder in de omgeving van de Kirti-kloostergemeenschap, hebben aangescherpt, en dat journalisten en buitenlanders de regio niet binnen mogen en zwaarbewapende politieagenten in en rond het klooster patrouilleren, overwegende dat de buitenlandse media de toegang tot onrustige delen van Tibet is ontzegd en dat de Chinese staatstelevisie met geen woord over de protesten rept en het monniken verboden is om in het openbaar over het protest te spreken;

1.  veroordeelt het voortdurende gewelddadige optreden van de Chinese autoriteiten tegen Tibetaanse kloostergemeenschappen en roept China ertoe op een eind te maken aan de beperkingen en de veiligheidsmaatregelen tegen kloosters en lekengemeenschappen, en de communicatielijnen met de monniken van het Kirti-klooster te herstellen;

2.  is diep verontrust over het feit dat, sinds april van dit jaar, acht Tibetaanse boeddhistische monniken en een non zichzelf in brand hebben bestoken in de buurt van het Kirti-klooster van Ngaba, in de Chinese provincie Sechouan;

3.  dringt er bij de Chinese regering op aan een eind te maken aan de beperkingen en de onderdrukkende veiligheidsvoorschriften die gelden voor de Kirti-kloostergemeenschap, en informatie vrij te geven omtrent de verblijfplaats van de monniken die met geweld uit het klooster zijn weggevoerd; dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan onafhankelijke internationale media en mensenrechtenwaarnemers toestemming te verlenen het gebied te bezoeken;

4.  roept de Chinese regering ertoe op om, in overeenstemming met artikel 18 van de Universele verklaring van de rechten van de mens de godsdienstvrijheid voor alle burgers van het land te waarborgen en alle tegen de godsdienst gerichte strafrechtelijke en administratieve strafmaatregelen die zijn genomen tegen burgers die hun recht op godsdienstvrijheid uitoefenen nietig te verklaren;

5.  roept de Chinese autoriteiten ertoe op de rechten van de Tibetanen in alle Chinese provincies te eerbiedigen en proactief tegemoet te komen aan de onderliggende grieven van de Tibetaanse bevolking van China;

6.  roept de Chinese autoriteiten ertoe op geen beleidsbeslissingen meer te nemen die een bedreiging vormen voor de Tibetaanse taal, cultuur, godsdienst, erfgoed en milieu, en indruisen tegen de Chinese Grondwet en de wet die autonomie toekent aan etnische minderheden;

7.  dringt er bij de regering van de Volksrepubliek China op aan volledige informatie te verstrekken over de toestand van de 300 monniken die in april 2011 uit het Kirti-klooster zijn weggevoerd, in verband waarmee diverse bijzondere procedures van de Mensenrechtenraad op gang zijn gebracht en onder meer de Werkgroep gedwongen of onvrijwillige verdwijningen tussenbeide is gekomen;

8.  dringt erop aan dat de regering van de Volksrepubliek China rekenschap aflegt over de situatie van de Tibetanen die „in het ziekenhuis zijn opgenomen” nadat zij zichzelf in brand hadden gestoken, inclusief over hun toegang tot medische behandeling;

9.  hekelt de veroordeling van de monniken van het Kirti-klooster en hamert op hun recht op een eerlijk proces en op passende juridische bijstand tijdens dat proces; dringt er op aan dat onafhankelijke waarnemers toegang wordt geboden tot de Kirti-monniken in de gevangenis;

10.  verzoekt de Hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid een publieke verklaring af te leggen waarin de bezorgdheid van de EU over de escalerende situatie in het district Aba / Ngaba wordt verwoord en wordt aangedrongen op eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, alsook op terughoudendheid van de veiligheidspolitie;

11.  roept de Chinese autoriteiten ertoe op af te zien van contraproductieve beleidsbeslissingen en agressieve programma's van „patriottische opvoeding” in gebieden waar Tibetanen wonen, zoals Sechouan, Gansu en Qinghai, waar mensenrechtenschendingen voor spanningen zorgen;

12.  roept de Chinese autoriteiten ertoe op respect te betonen voor de traditionele Tibetaanse overlijdensriten en stoffelijke resten terug te geven volgens de boeddhistische rituelen en zonder vertraging of beletsel;

13.  verzoekt de EU en haar lidstaten de Chinese regering ertoe op te roepen haar dialoog met de Dalai Lama en zijn vertegenwoordigers te hervatten met het oog op het verlenen van effectieve autonomie aan Tibet binnen de Volksrepubliek China, en een eind te maken aan haar campagne om de Dalai Lama in diskrediet te brengen;

14.  verzoekt de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid/Vicevoorzitter van de Commissie het mensenrechtenvraagstuk op de agenda te plaatsen van de volgende Top EU-China, en roept de Voorzitter van de Commissie en de Voorzitter van de Europese Raad ertoe op om in hun officiële toespraken bij de opening en sluiting van de top op een ondubbelzinnige manier een lans te breken voor de unieke religieuze, culturele en taalkundige identiteit van Tibet, indien dit punt niet expliciet op de agenda van de bijeenkomst staat;

15.  roept de EDEO en de EU-delegatie voor de betrekkingen met de Volksrepubliek China ertoe op voortdurend de situatie van de mensenrechten in China in de gaten te houden en op vergaderingen en in correspondentie met Chinese functionarissen aandacht te blijven vragen voor de specifieke gevallen van individuele Tibetaanse burgers die gevangen worden gehouden omdat zij op vreedzame wijze hun recht op godsdienstvrijheid uitoefenen, en binnen een termijn van 12 maanden bij het Parlement een verslag in te dienen waarin acties en beleidsmaatregelen worden voorgesteld;

16.  herhaalt zijn oproep tot de Raad om een Bijzondere Vertegenwoordiger van de Unie voor Tibet aan te wijzen, met als taak de hervatting van de dialoog tussen de Chinese autoriteiten en de vertegenwoordigers van de Dalai Lama te faciliteren, met het oog op het verlenen van effectieve autonomie voor Tibet binnen de Volksrepubliek China;

17.  dringt er bij de lidstaten die lid zijn van de G-20 en bij de Voorzitter van de Commissie en van de Europese Raad op aan de mensenrechtensituatie in Tibet ter sprake te brengen in gesprekken met de Chinese president Hu Jintao in het kader van de aanstaande topbijeenkomst van de G-20 in Cannes op 3 en 4 november 2011;

18.  dringt bij de Volksrepubliek China aan op eerbiediging van de godsdienstvrijheid en de fundamentele mensenrechten van de klooster- en lekengemeenschappen in Ngaba, en op de opschorting van de regelingen inzake toezicht op de godsdienstbeleving, opdat de Tibetaanse boeddhisten de mogelijkheid krijgen om hun religieuze leermeesters aan te wijzen en op te leiden op een wijze die in overeenstemming is met de Tibetaanse tradities, het beleid inzake godsdienst en veiligheid dat sinds 2008 in Ngaba wordt geïmplementeerd te herzien, en een transparante dialoog te voeren met de leiders van de Tibetaanse boeddhistische scholen;

19.  dringt er bij de regering van de Volksrepubliek China op aan de internationaal overeengekomen mensenrechtennormen na te leven en de verplichtingen die zij krachtens de internationale overeenkomsten inzake mensenrechten is aangegaan betreffende de vrijheid van godsdienst en geloofsovertuiging na te komen;

20.  acht het noodzakelijk dat de rechten van de Chinese minderheden op de agenda worden geplaatst van de toekomstige rondes van de mensenrechtendialoog tussen de EU en China;

21.  dringt er bij de Chinese regering op aan het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten te ratificeren;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Hoger vertegenwoordiger van de Unie / Vicevoorzitter van de Commissie, alsmede aan de regeringen en de parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Volksrepubliek China.

(1) Aangenomen teksten, P7_TA(2010)0449.

Laatst bijgewerkt op: 8 april 2013Juridische mededeling