Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Aangenomen teksten
PDF 141kWORD 32k
Dinsdag 15 januari 2013 - Straatsburg Definitieve uitgave
Bestuursprocesrecht
P7_TA(2013)0004A7-0369/2012
Resolutie
 Bijlage

Resolutie van het Europees Parlement van 15 januari 2013 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende het bestuursprocesrecht van de Europese Unie (2012/2024(INL))

Het Europees Parlement ,

–  gezien artikel 225 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 298 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin het recht op behoorlijk bestuur als een grondrecht wordt erkend,

–  gezien Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(1) ,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(2) ,

–  gezien de uitgebreide rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin een aantal algemene bestuuursrechtelijke beginselen wordt erkend die steun vinden in de grondwettelijke tradities van de lidstaten,

–  gezien zijn resolutie van 6 september 2001 over het speciaal verslag van de Europese Ombudsman aan het Europees Parlement naar aanleiding van het initiatiefonderzoek naar het bestaan, bij de verschillende instellingen en organen van de Gemeenschappen, van een code van goed administratief gedrag en de toegankelijkheid van die code voor het publiek(3) ,

–  gezien Besluit 2000/633/EG, ECSC, Euratom van de Commissie van 17 oktober 2000 tot wijziging van haar reglement van orde door toevoeging van een bestuurlijke gedragscode voor het personeel van de Commissie bij de contacten met het publiek(4) ,

–  gezien het besluit van de secretaris-generaal van de Raad/hoge vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid van 25 juni 2001 betreffende een code voor correct bestuurlijk gedrag van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en zijn personeel in de contacten die zij om professionele redenen met het publiek hebben(5) ,

–  gezien Aanbeveling CM/Rec(2007)7 van 20 juni 2007 van het Comité van ministers van de Raad van Europa aan de lidstaten over goed bestuur,

–  gezien de 'Beginselen voor de openbare dienst voor EU-ambtenaren', door de Europese Ombudsman gepubliceerd op 19 juni 2012,

–  gezien de in opdracht van de Zweedse regering door het Zweedse Bureau voor openbaar bestuur verrichte studie over de beginselen van goed bestuur in de lidstaten van de Europese Unie(6) ,

–  gezien de voordrachtsnotities voor de Conferentie over Europees bestuursrecht, georganiseerd door de beleidsafdeling van de Commissie juridische zaken van het Parlement en de Universiteit van León (León, 27-28 april 2011),

–  gezien de aanbevelingen in het werkdocument over de stand van zaken en de toekomstvooruitzichten voor EU-bestuursrecht dat de Werkgoep voor EU –bestuursrecht op 22 november 2011 aan de Commissie juridische zaken heeft voorgelegd,

–  gezien de beoordeling op Europese meerwaarde van een wet bestuursprocesrecht van de Europese Unie, voorgelegd op 6 november 2012 door de Unit voor beoordeling op Europese meerwaarde van de Commissie juridische zaken,

–  gezien de artikelen 42 en 48 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie constitutionele zaken en de Commissie verzoekschriften (A7-0369/2012),

A.  overwegende dat met de uitbreiding van de bevoegdheden van de Europese Unie burgers steeds meer direct met het bestuur van de EU worden geconfronteerd, zonder altijd toegang te hebben tot de bijbehorende procedurele rechten die zij tegenover dit bestuur zouden kunnen afdwingen indien dergelijke acties noodzakelijk mochten blijken;

B.  overwegende dat de burgers van de Unie een hoge mate van transparantie, efficiëntie, vlotte behandeling en ontvankelijkheid van de administratie van de Unie mogen verwachten, ongeacht of zij een formele klacht indienen of gebruik maken van hun recht om een verzoekschrift in te dienen krachtens het Verdrag, en dat indieners informatie moeten krijgen over de eventuele mogelijkheid tot het nemen van verdere stappen in de zaak;

C.  overwegende dat de bestaande regels van de Unie inzake goed bestuur her en der verspreid zijn over tal van verschillende bronnen: in het primaire recht, in de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in secondaire wetgeving, in zogenaamde „soft law” en in verbintenissen die de Unie-instellingen eenzijdig zijn aangegaan;

D.  overwegende dat de burger moeilijk inzicht kan krijgen in zijn administratieve rechten uit hoofde van het Unierecht doordat de Unie geen coherent en alomvattend stelsel van gecodificeerd bestuursrecht kent;

E.  overwegende dat de interne gedragscodes die bij de verschillende instellingen bestaan een beperkte werking hebben, van elkaar verschillen, en juridisch niet bindend zijn;

F.  overwegende dat het Parlement, in de overtuiging dat voor alle Unie-instellingen dezelfde gedragscode voor behoorlijk bestuur behoort te gelden, in voornoemde resolutie van 6 september 2001 na amendering zijn goedkeuring heeft gehecht aan de door de Ombudsman ontworpen Europese Code van Goed Administratief Gedrag;

G.  overwegende dat het Parlement in die resolutie de Commissie vroeg met een voorstel te komen houdende een Code van goed administratief gedrag, op basis van artikel 308 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

H.  overwegende dat dit, zoals ook de Ombudsman onderstreept, een einde helpt maken aan de verwarring door de verschillende naast elkaar bestaande gedragscodes bij de meeste Unie-instellingen en –organen, ervoor zorgt dat de instellingen en organen dezelfde elementaire beginselen hanteren in hun relaties met de burger, en het belang van die beginselen nog eens onderstreept, voor de burgers evengoed als voor de ambtenaren;

I.  overwegende dat alle activiteiten van de Unie in overeenstemming moeten zijn met het rechtsstaatbeginsel, en dit met een strikte scheiding der machten;

J.  overwegende dat het grondrecht op behoorlijk bestuur, vervat in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, thans als bepaling van primair recht juridisch bindend is;

K.  overwegende dat regels van goed bestuur bevorderlijk zijn voor transparantie en verantwoordingsplicht;

L.  overwegende dat een dringend probleem in de Europese Unie van vandaag de dag het gebrek aan vertrouwen is onder de burgers, hetgeen afbreuk kan doen aan haar legitimatie; overwegende dat de Europese Unie de burgers snelle, duidelijke en zichtbare antwoorden verschuldigd is om op hun zorgen te reageren;

M.  overwegende dat invoering van het dienstbaarheidsbeginsel – dat wil zeggen dat het bestuur moet proberen de burger te begeleiden, te helpen en van dienst te zijn, te ondersteunen en vriendelijk en beleefd te bejegenen, en dus omslachtige en langdurige procedures moet vermijden, waardoor zowel de burger als de ambtenaar tijd en moeite bespaart – ertoe zou bijdragen dat aan de legitieme verwachtingen van de burgers wordt voldaan en zowel burgers als het bestuur het voordeel biedt van verbeterde dienstverlening en grotere efficiëntie; overwegende dat aan het recht van burgers van de Unie op goed bestuur meer bekendheid moet worden gegeven, onder meer via de daartoe bestemde informatiediensten en –netwerken van de Commissie;

N.  overwegende dat een duidelijke en bindende regeling voor de Unie-administratie, mede gelet op de aanbevelingen van de Statengroep van de Raad van Europa tegen corruptie (GRECO), een positief signaal zou zijn voor de bestrijding van corruptie in de verschillende overheidsadministraties;

O.  overwegende dat een aantal kernbeginselen van goed bestuur inmiddels ruime aanvaarding heeft gevonden in de lidstaten;

P.  overwegende dat het Hof van Justitie in zijn rechtspraak een aantal inmiddels vast gewortelde procesrechtelijke beginselen heeft uitgewerkt die voor de procedures in de lidstaten in communautaire aangelegenheden gelden en dus met des te meer reden ook voor het rechtstreekse bestuur van de Unie dienen te gelden;

Q.  overwegende dat een Europese wet bestuursprocesrecht de administratie van de Unie te stade zou komen bij gebruik van haar bevoegdheid van interne organisatie en bij bevordering van de hoogste bestuurlijke normen;

R.  overwegende dat een Europese wet bestuursprocesrecht de legitimatie van de Unie ten goede zal komen en het vertrouwen van de burger in het bestuur van de Unie zal sterken;

S.  overwegende dat een Europese wet bestuursprocesrecht een spontane convergentie in het nationale bestuursrecht in de hand kan werken waar het gaat om algemene procedurele beginselen en de grondrechten van burgers tegenover de overheid, waarmee ook het integratieproces wordt versterkt;

T.  overwegende dat een Europese wet bestuursprocesrecht de samenwerking en uitwisseling van beste praktijken tussen nationale overheden en de Unie-administratie kan bevorderen zodat de in artikel 298 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie genoemde doelstellingen zich beter laten realiseren;

U.  overwegende dat het Verdrag van Lissabon de Unie een geschikte rechtsgrondslag verschaft voor uitvaardiging van een Europese wet bestuursprocesrecht;

V.  overwegende dat het wetgevend optreden waarom in deze resolutie wordt gevraagd, dient te stoelen op een uitgebreide effectbeoordeling waarin inter alia de kosten van de administratieve procedures worden gekwantificeerd;

W.  overwegende dat de Commissie in voldoende mate in overleg moet treden met alle betrokken actoren en met name gebruik moet maken van de specifieke ervaring en deskundigheid van de Europese Ombudsman, omdat bij hem de klachten van het publiek over misstanden bij de organen en instellingen van de Unie terechtkomen;

1.  verzoekt de Commissie op grond van artikel 298 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een voorstel in te dienen voor een verordening houdende een Europese wet bestuursprocesrecht, aan de hand van de uitvoerige aanbevelingen in de bijlage hierbij;

2.  wijst erop dat deze aanbevelingen in overeenstemming zijn met de grondrechten en het subsidiariteitsbeginsel;

3.  is van oordeel dat het verlangde voorstel geen financiële gevolgen heeft;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie en bijgaande gedetailleerde aanbevelingen te doen toekomen aan de Commissie en de Raad, de Europese Ombudsman en aan de parlementen en regeringen van de lidstaten.

(1) PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.
(2) PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
(3) PB C 72E van 21.3.2002, blz. 331.
(4) PB L 267 van 20.10.2000, blz. 63.
(5) PB C 189 van 5.7.2001, blz. 1.
(6) http://www.statskontoret.se/upload/Publikationer/2005/200504.pdf.


BIJLAGE

GEDETAILLEERDE AANBEVELINGEN BETREFFENDE DE INHOUD VAN HET VERLANGDE VOORSTEL

Aanbeveling 1 (over het doel en de strekking van de goed te keuren verordening)

Het doel van de verordening moet zijn het recht op behoorlijk bestuur te waarborgen door middel van een open, efficiënte en onafhankelijke administratie, op de grondslag van een Europese wet bestuursprocesrecht;.

De verordening dient te gelden voor de instellingen, organen, bureau’s en agentschappen van de Unie („de administratie van de Unie”) in hun betrekkingen met het publiek. De werkingssfeer moet daarom beperkt blijven tot het rechtstreekse bestuur.

De verordening moet de grondbeginselen van goed bestuur codificeren, en de door de administratie van de Unie te volgen procedure regelen voor behandeling van individuele gevallen waarbij een natuurlijk persoon of rechtspersoon partij is, en andere situaties waarbij een persoon rechtstreeks of persoonlijk in contact komt met de administratie van de Unie.

Aanbeveling 2 (over de relatie tussen de verordening en sectorale instrumenten)

De verordening moet een universeel geheel van beginselen omvatten en een procedure regelen die als de minimis-regel moet gelden daar waar geen lex specialis bestaat.

In geen geval mogen de in sectorale instrumenten geboden waarborgen minder bescherming bieden dan de in de verordening geboden waarborgen.

Aanbeveling 3 (de algemene beginselen waaraan de administratie is gebonden)

In de verordening moeten de volgende beginselen worden gecodificeerd:

–  Wettigheidsbeginsel : de administratie van de Unie handelt overeenkomstig de wet en past de regels en procedures toe zoals die in de Unie-wetgeving zijn vastgelegd. Bestuurlijke bevoegdheden moeten gebaseerd zijn op en inhoudelijk beantwoorden aan de wet.

Besluiten of maatregelen mogen nooit willekeurig worden genomen of ingegeven zijn door oogmerken die niet zijn gebaseerd op de wet of op andere redenen dan het algemeen belang.

–  Beginsel van non-discriminatie en gelijke behandeling : de administratie van de Unie vermijdt ongegronde discriminatie op grond van nationaliteit, geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, taal, religie of geloofsovertuiging, politieke of enige andere mening, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.

Personen die in eenzelfde situatie verkeren worden op gelijke wijze behandeld. Verschillen in behandeling kunnen alleen rechtvaardiging vinden in de objectieve kenmerken van het betrokken geval.

–  Evenredigheidsbeginsel : besluiten die raken aan de rechten en belangen van personen neemt de administratie van de Unie alleen indien noodzakelijk en voor zover dienende om het nagestreefde doel te bereiken.

Bij het nemen van besluiten zorgt de ambtenaar voor een redelijk evenwicht tussen de belangen van een particulier en het algemeen belang. In het bijzonder legt hij geen administratieve of economische lasten op die overmatig zijn in verhouding tot het te verwachten nut.

–  Beginsel van onpartijdigheid : de administratie van de Unie is onpartijdig en onafhankelijk. Zij onthoudt zich van willekeurig handelen waarvan personen nadeel ondervinden, en van voorkeursbehandeling om welke reden ook.

De administratie van de Unie handelt te allen tijde in het belang van de Unie en voor de publieke zaak. Haar optreden mag in geen geval zijn ingegeven door persoonlijke (waaronder ook financiële) of nationale belangen of door politieke druk. De administratie van de Unie bewaart een redelijk evenwicht tussen de verschillende soorten belangen van de burgers (bedrijfsleven, consumenten en anderen) .

–  Beginsel van continuïteit en legitieme verwachting : de Unie is consequent in haar eigen gedrag en volgt haar normale administratieve praktijk die openbaar wordt gemaakt. Indien er legitieme redenen zijn om in afzonderlijke gevallen van die normale praktijk af te wijken is daarvoor een geldige opgave van redenen nodig.

Legitieme en redelijke verwachtingen die personen kunnen ontlenen aan de wijze waarop de Unie in het verleden heeft gehandeld, worden geëerbiedigd.

–  Beginsel van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer : de administratie van de Unie eerbiedigt de persoonlijke levenssfeer van personen overeenkomstig verordening (EG) nr. 45/2001.

De administratie van de Unie onthoudt zich van verwerking van persoonsgegevens voor niet-legitieme doeleinden of doorgifte van zulke gegevens aan niet-geautoriseerde derden.

–  Billijkheidsbeginsel: dit beginsel moet als elementair rechtsbeginsel worden gerespecteerd; het is te beschouwen als onmisbaar voor het scheppen van een klimaat van vertrouwen en voorspelbaarheid in de betrekkingen tussen burgers en overheid;

–  Transparantiebeginsel : de administratie van de Unie documenteert de administratieve procedures en houdt een adequaat register bij van de binnenkomende en uitgaande post, ontvangen documenten en de genomen besluiten en maatregelen. Alle bijdragen van adviserende instellingen en belanghebbenden moeten in het publieke domein beschikbaar komen.

Verzoeken om toegang tot documenten worden behandeld volgens algemene beginselen en beperkingen zoals geregeld in verordening (EG) nr. 1049/2001.

–  Beginsel van doelmatigheid en dienstbaarheid : het optreden van de administratie van de Unie beantwoordt aan criteria van efficiëntie en dienstbaarheid.

De leden van het personeel wijzen het publiek de weg die in een tot hun werkgebied behorende aangelegenheid moet worden gevolgd.

Zodra zij worden benaderd in een aangelegenheid waarvoor zij geen verantwoordelijkheid dragen, verwijzen zij de betrokkene naar de dienst die wel bevoegd is.

Aanbeveling 4 (over de regels die gelden voor administratieve besluiten)

Aanbeveling 4.1: de inleiding van de administratieve procedure

Administratieve besluiten kunnen door de administratie ambtshalve of op verzoek van een belanghebbende worden genomen.

Aanbeveling 4.2: de kennisgeving van ontvangst

Van verzoeken om een individueel besluit wordt een schriftelijke ontvangstbevestiging gegeven, onder vermelding van de termijn waarbinnen het betrokken besluit zal worden genomen. Daarbij wordt tevens vermeld welke consequenties aan overschrijding van die termijn voor het nemen van het besluit (administratief stilzwijgen) verbonden zullen zijn.

In geval het verzoek onvolledig of onjuist is, wordt in de ontvangstbevestiging een termijn genoemd waarbinnen het verzoek kan worden gecorrigeerd of aangevuld met het ontbrekende document.

Aanbeveling 4.3: de onpartijdigheid van administratieve besluiten

In geen geval mag een personeelslid bemoeienis hebben met een administratief besluit waarbij hij of zij enig financieel belang heeft.

Eventuele belangenconflicten worden door het betrokken personeelslid gemeld aan zijn of haar directe chef, die kan besluiten dat personeelslid van de procedure uit te sluiten, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval.

Een belanghebbende uit het publiek kan verlangen dat een bepaalde ambtenaar wordt uitgesloten van de behandeling van een besluit dat aan zijn persoonlijke belangen raakt. Een dergelijk verzoek wordt schriftelijk ingediend, met vermelding van de gronden waarop het berust. De directe chef van de gewraakte ambtenaar neemt een besluit na deze ambtenaar te hebben gehoord.

Er worden passende termijnen vastgesteld voor de afhandeling van belangenconflicten.

Aanbeveling 4.4: het recht te worden gehoord

Het recht van verweer moet in elk stadium van de procedure worden gerespecteerd. Wanneer de administratie een besluit neemt dat rechtstreeks raakt aan iemands rechten of belangen, krijgt de betrokkene de gelegenheid schriftelijk of mondeling zijn mening kenbaar te maken voordat het besluit wordt genomen, zonodig of desgewenst met bijstand van een persoon naar zijn keuze.

Aanbeveling 4.5: het recht op toegang tot het eigen dossier

Een belanghebbende krijgt volledige toegang tot zijn of haar dossier. Het staat aan de belanghebbende om te beslissen welke niet-vertrouwelijke documenten relevant zijn.

Aanbeveling 4.6: termijnen

Administratieve besluiten worden binnen een redelijke termijn en zonder uitstel genomen. De termijnen worden vastgelegd in de desbetreffende voorschriften die voor de respectieve procedures gelden. Wanneer geen termijn is bepaald, mag de behandeling niet langer duren dan drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de procedure ambtshalve werd ingeleid dan wel de datum waarop door de belanghebbende om inleiding van een procedure werd verzocht.

Wanneer binnen die termijn geen besluit kan worden genomen door objectieve omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de behoefte aan extra tijd voor aanvulling of correctie van een onjuist ingediend verzoek, de ingewikkeldheid van de aan de orde gestelde kwestie, de verplichting tot schorsing van de procedure in afwachting van het besluit van een derde partij, enz., worden betrokkenen daarvan in kennis gesteld en wordt het besluit binnen de kortst mogelijke tijd genomen.

Aanbeveling 4.7: de vorm van administratieve besluiten

Administratieve besluiten worden schriftelijk vastgelegd en zijn gesteld in duidelijke, eenvoudige en begrijpelijke bewoordingen. Zij worden gesteld in de door de adressaat te kiezen taal, mits dit een officiële taal van de Unie is .

Aanbeveling 4.8: de motiveringsplicht

Administratieve besluiten moeten duidelijk de gronden noemen waarop zij berusten. De relevante feiten en de rechtsgrondslag moeten worden vermeld.

Zij moeten een afzonderlijke motivering bevatten. Als dit niet mogelijk is doordat gelijkluidende besluiten aan een groot aantal personen worden gericht, kan met standaardmededelingen worden volstaan. Een burger die in zulk geval uitdrukkelijk een individuele motivering verlangt dient die echter ook te krijgen.

Aanbeveling 4.9: de kennisgeving van administratieve besluiten

Administratieve besluiten die raken aan de rechten en belangen van personen worden, zodra genomen, schriftelijk ter kennis gebracht van de betrokken persoon of personen.

Aanbeveling 4.10: de vermelding van openstaande rechtsmiddelen

In een administratief besluit wordt duidelijk vermeld dat beroep tegen het besluit kan worden ingesteld – voorzover het Unierecht daarin voorziet – , met beschrijving van de te volgen procedure voor indiening van dat beroep , alsmede van de naam en het kantooradres van de persoon of afdeling waaraan het beroepmoet worden gericht en de daarvoor geldende termijn.

Waar toepasselijk wordt in een administratief besluit gewezen op de mogelijkheid van een procedure voor de rechter en/of een klacht bij de Europese Ombudsman.

Aanbeveling 5 (herziening en correctie van eigen besluiten)

De verordening moet de administratie de mogelijkheid bieden om schrijf- of rekenfouten e.d. uit eigen beweging of op verzoek van betrokkene te corrigeren.

Er moeten bepalingen worden ingevoegd voor rectificatie van administratieve besluiten om andere redenen, met een duidelijk onderscheid in de te volgen procedure naargelang het gaat om herziening van een besluit ten nadele dan wel ten voordele van de betrokkene.

Aanbeveling 6 (de aan de verordening te geven inkleding en bekendheid)

De verordening wordt geformuleerd in duidelijke en precieze bewoordingen, zodat zij voor het publiek gemakkelijk te begrijpen is.

Zij wordt op adequate wijze gepubliceerd op de websites van elke instelling, en elk orgaan, bureau of agentschap van de Unie.

Laatst bijgewerkt op: 28 oktober 2014Juridische mededeling